Als dingen fout lopen, loop dan niet met ze mee

fout lopen.png

  • De echte meesters komen binnen langs de achterdeur

“5 redenen waarom het inkoopcircus bij de jeugdzorg in Twente niet werkt”, kopte het Algemeen Dagblad op 9 december boven een artikel van Josien Kodde. “De jeugdzorg in Twente is geen ‘markt’. De sector moet worden verlost van het systeem van de jaarlijkse aanbestedingen. Dat vinden grote zorgaanbieders als Ambiq, Jarabee en Tactus.” Met deze aanbieders ben ik van mening dat lieden van geest een einde moeten maken aan dit circus van  onnozelen.

De jeugdzorg, tot 2015 gesubsidieerd door de provincies, kreeg sedert de decentralisaties te maken met marktwerking en aanbesteden. Met de decentralisaties werd daarmee een inkoopcircus ingevoerd dat weinig goeds brengt.  Zo vinden niet alleen de hulpverleners die ermee moeten werken, maar ook bijvoorbeeld partijen in de Tweede Kamer. Ook Kamerleden willen inmiddels dat gemeenten jeugdhulp kunnen inkopen zónder Europese aanbesteding. Zo  bleek uit het Algemeen Overleg Jeugdhulp in de Tweede Kamer op 23 februari 2017. Verschillende fracties vroegen toenmalig Staatssecretaris Van Rijn om te kijken naar alternatieven voor de zorginkoop.

Veel gemeenten hebben namelijk grote moeite met het inkopen van Jeugdzorg en de Tweede Kamer vreest – wat mij betreft terecht – dat er sprake is van doorgeslagen marktdenken. Natuurlijk moeten instellingen een gelijke kans krijgen voor een opdracht, maar de aanbestedingen lijken nu vooral – zo niet uitsluitend – gericht te zijn op de laagste prijs. Met desastreuze gevolgen voor de kwaliteit en continuïteit van zorg.

De aanbesteding van jeugdhulp voor 2018 in inmiddels in steeds meer regio’s uitgelopen op een worsteling. Zo leert ook berichtgeving in onder andere Binnenlands Bestuur en NRC. Verschillende jeugdhulpaanbieders hebben zich teruggetrokken of aangekondigd zich terug te trekken uit aanbestedingsrondes (William Schrikker Groep, Leger des Heils. Pluryn) in een of meerdere regio’s. In plaats van gesprekken over samenwerking en vernieuwing van de zorg, stokt de dialoog tijdens de aanbestedingsperiode en wordt noodzakelijke samenwerking bemoeilijkt. Op sommige plaatsen heeft de rechter de strijdende partijen al opnieuw rond de tafel moeten zetten.

De aanbestedingen zijn zo tot bureaucratisch gedrocht en juridisch steekspel verworden. Goed voor heel veel werkgelegenheid, dat wel. Maar ook voor een kostenpost die vak direct ten laste komt van voor uitvoerende zorg bestemde gelden.

De huidige minister van VWS, Hugo de Jonge, sloeg als wethouder in Rotterdam ook al alarm over de aanbestedingen in het sociale domein. Zijn ambitie ging destijds veel verder en Jeugdzorg Nederland deelt die terechte ambitie.

Wie nu (nog) roept “Er zijn Europese regels waarin staat wanneer je wel of niet moet aanbesteden. Daarin staat ook wanneer er een verlicht regime van toepassing is,” kent de mogelijkheden van de wet- en regelgeving onvoldoende. Er is – veel minder dan gedacht en uitgedragen – helemaal geen noodzaak tot het aanbesteden van jeugdzorg. Die ‘noodzaak’ is er alleen als je dat perse zo wilt uitleggen. Wie echter goed kijkt, leest en oordeelt, weet dat ook het opdragen van jeugdzorg op basis van subsidie tot de mogelijkheden behoort. Zo leerde ook mijn werkpraktijk in de gemeente Wijchen. Die gemeente subsidieert vanaf 1 januari 2018 de coöperatie Rondom Wijchen; een samenwerkingsverband van zo’n 60 aanbieders van welzijn en zorg. Vanuit de vaste overtuiging dat aanbesteden geen ander doel dient dat de race naar de laagste prijs. Maar ook, omdat het de zo gewenste en noodzakelijke samenwerking frustreert en meerjaren investeringen eerder belemmert dan stimuleert. Bovendien is een aanbestedingsprocedure duur en tijdrovend. Bovendien zijn gezonde prikkels tot marktwerking ook op subsidiegrondslag heel goed te incorporeren.

Afstappen van aanbestedingen is volgens mij op dit moment dus niet alleen inhoudelijke zwaar gewenst, maar ook wettelijk gezien mogelijk. Het inkoopsysteem kan daarmee een stuk eenvoudiger, aangenamer en minder kostbaar. Maar, zoals het wel vaker geschiedt: Voor de echte meester wordt de rode loper niet uitgerold. Zij komen binnen langs de achterdeur.

Bij dat alles wil ik ook een nadrukkelijk pleidooi houden om de onderhandelingen over redelijke kostprijzen voor diensten en producten binnen de zorg te centraliseren. Waarom zo moeilijk doen als het samen kan. Centralisatie van de onderhandelingen over tarieven zal naar mijn mening bijdragen aan de gewenste en noodzakelijke inhoudelijke decentralisatie. Als het geld duidelijk en geregeld is, kan en zal het bij het gesprek op decentraal niveau niet meer over de prijs gaan, maar over de beste en meest effectieve organisatie en slimme uitvoering van ondersteuning en zorg voor inwoners. Gesprekken gaan dan weer over kwaliteit, presentie en betekenis voor de mensen en wie voor hetzelfde geld beter bieden kan! Dat zijn pas echter pikkels voor passende zorg; op tijd en op de maat van mensen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Advertenties

Verlangen vraagt durf

zaden

  • Twee zaden

Twee zaden lagen naast elkaar in de aarde.

Het ene zaad zei: “Ik wil graag groeien! Mijn wortels diep in de aarde sturen, mij als een klein plantje door de aarde heen breken om dan samen met het zonlicht krachtig omhoog te groeien. Dan zullen mijn bladeren zich ontvouwen en ik zal met hen de komst van de lente vieren. De zon zal me verwarmen, de wind mag me heen en weer bewegen en ik zal de ochtenddauw op me voelen. Ja, ik wil graag groeien!”

En zo groeide dit zaad op tot een krachtige plant.

Het tweede zaad sprak: “Ik ben bang. Als ik mijn wortels diep in de aarde stuur, weet ik niet wat me daar wacht. Ik vrees dat het mij pijn doet of dat mijn stam er schade door zal lijden als ik door de aarde heen breek. Ik weet ook niet wat daar boven de aarde op me loert. Er kan zoveel gebeuren als ik groei… Nee, ik blijf liever hier in veiligheid en wacht af tot het nog veiliger wordt.”

En zo bleef dat zaad in de aarde en wachtte.

Op een ochtend kwam er een kip voorbij. Ze scharrelde met haar poten in de aarde naar iets eetbaars. Na een poosje vond ze het wachtende zaad en at het op.

In orde brengen

casemanagement.jpg

  • Casemanagement multiprobleemhuishoudens gemeente Nijmegen

Gezinnen hebben soms meerdere (complexe) problemen op allerlei leefgebieden, die om verschillende vormen van hulpverlening vragen. Als alle hulpverleners rond een gezin weten wanneer hun kwaliteit ingezet wordt en hoe dit zich verhoudt tot de andere hulpverlening, blijft de vaart in de aanpak. Maar wie heeft de regie? Een casemanager, die het overzicht van alle activiteiten heeft, kan snel ingrijpen en bijsturen als er sprake is van stagnatie. De hulp wordt beter door samenwerking. De gemeente Nijmegen werkt in 2017 samen met zorgorganisaties, regieteams en het Veiligheidshuis in een ontwikkelteam om casemanagement te implementeren.

Oog om oog

Scred deer.png

  • The Killing of a Sacred Deer

In The Killing of a Sacred Deer speelt Colin Farrell hartchirurg Steven Murphy. Hij is getrouwd met de eveneens succesvolle arts Anna (Nicole Kidman) en vader van twee lieve kinderen. Hij wordt achterna gezeten door de vagelijk bedreigende jongeman Martin (Barry Keoghan). Martin eist vergelding voor de dood van zijn vader, die op de operatietafel van dokter Murphy is overleden. Om de balans te herstellen krijgt de chirurg van hem de opdracht een van zijn eigen familieleden te offeren, anders zullen vreselijke plagen zijn gezin treffen. Dat blijkt geen loos dreigement te zijn.

Alicia

Alicia.png

Wat doet het met je als je opgroeit in kindertehuizen, jaar in jaar uit hopend op een plek in een pleeggezin? Wie beslist er over Alicia’s lot en toekomst? Een onderhuids portret van binnenuit.

Alicia is één jaar oud als ze uit huis wordt geplaatst. Via een pleeggezin komt ze op vijfjarige leeftijd terecht in een kindertehuis en als ze negen is zit ze daar nog steeds, in afwachting van plaatsing bij een nieuw gezin. Dit is het moment waarop de documentaire ALICIA begint.

Alicia

De film volgt drie jaar lang het dagelijkse leven van het meisje, observerend en dicht op de huid gefilmd. Hoop, verwachting, onmacht en het effect van een gebrek aan perspectief zijn direct invoelbaar. Dreigt ze hierdoor te ontsporen of zijn we getuige van een onontkoombare geschiedenis die zich herhaalt? Wie beslist er over Alicia’s lot en toekomst?

Regie Maasja Ooms, geproduceerd door Cerutti Film, in coproductie met VPRO, met steun van Mediafonds

Alicia is winnaar van de IDFA Special Jury Award for Dutch Documentary 2017.

Spiegeltje, spiegeltje aan de wand

blaming.png

  • De slachtoffers van zich zelven geven altijd aan anderen de schuld

Minister Hugo de Jonge vindt de vernieuwing van de jeugdhulp onvoldoende geslaagd. Deze is, zo zegt hij, sinds de decentralisatie onvoldoende van de grond gekomen. Op kleinere schaal zette ook de Nijmeegse Wethouder Bert Frings (GroenLinks) zijn kanttekeningen. Hij zei teleurgesteld te zijn in de kwaliteit van de aanbieders. Tegelijkertijd heeft hun ‘klagen’ iets van slachtoffers die anderen de schuld geven van het eigen tekortschieten.

De transformatie van jeugdhulp verloopt moeizaam. Dat is waar. De oorzaak daarvan ligt niet aan het tekortschieten van de een of de ander. Het buizen is een collectieve verantwoordelijkheid.  Ieder voor zich strijdt als Joris met de Draak met een veelkoppig monster in verschillende gedaanten. Een monster bovendien dat al veel langer ons doen en laten beheerst.

Zo is er de kop ‘Samenwerking’. Samenwerking is belangrijk; zingen wij in koor. Niet alleen binnen de zorg, maar ook met welzijn, jeugd- en jongerenwerk, onderwijs en justitie. Waar wij echter samenwerking prediken, zaaien wij verdeeldheid. In de zucht naar kostenreductie bijvoorbeeld, kiest menige overheid als basis voor de inkoop en contractering voor het instrument van aanbesteding. Aanbieders die enerzijds als partners worden aangesproken, worden daarmee anderzijds als concurrenten tegenover elkaar gesteld.  Terwijl juist de manier waarop partijen in de sector samenwerken van groot belang is; het is en blijft de slagader van succes.

Om daartoe te komen zullen partijen het gesprek aan moeten gaan over het verdienmodel, de doelstellingen en de procesinrichting. Zonder helderheid hierover zal de slagader dichtslibben (miscommunicatie, verspillingen), waardoor het succes uitblijft, of erger….Ik denk dat overheden, aanbieders en inwoners de uitdagingen in de jeugdhulp alleen aankunnen als zij op een wezenlijk andere manier gaan (samen)werken. Simpel gezegd: “Het loont om goed samen te werken!

En dat brengt ons bij de volgende kop: “Vertrouwen”. Dat blijkt nog ver te zoeken. Zo is eigenlijk door de gehele sector en op alle niveaus waarneembaar. Marktwerking en concurrentie werken door in de verhoudingen. De mogelijkheden tot samenwerking nemen daardoor eerder af dan toe, terwijl dit juist belangrijk is in de zorgketens van tegenwoordig. Herstel van het vertrouwen is van groot belang. Ook omdat zij aan de basis ligt van de – voor het denken en doen op eigen kracht denken noodzakelijke – professionele autonomie.

Het vaak zeer opportunistische gedrag van alle betrokkenen vraagt hierbij aandacht. Alles moet kunnen voor de cliënten, alles moet uit de kast gehaald worden, maar er moeten ook financiële doelstellingen worden gehaald. Aanbieders van hun kant hebben de mond vol van de menselijke maat, maar de oplossingen moeten wel binnen hun productenportfolio passen. Het gevolg is een soort van polderoverleg, waarbij zowel de kool als de geit wordt gespaard. Om te overleven probeert iedereen dat spel te beheersen. Het gaat dan vaak niet meer om de beste oplossingen aan te dragen, maar om de slag in de arena te winnen.

Naast de koppen ‘samenwerking’ en ‘vertrouwen’ worden met grote regelmaat de andere koppen van het monster als schaamlap voor het wederzijds falen op tafel gelegd:

  • ‘Bureaucratie’: Iedereen wil ervan af en toch wordt het steeds erger. Elk nieuw kabinet belooft dat er gehakt gaat worden in de regels, maar niemand die er iets van merkt. Inmiddels is zelfs het meten en bestrijden van bureaucratie een bureaucratisch proces geworden!
  • ‘Privacy’: Het lijkt een schaamlap voor hulpverleners die niet hebben gedaan wat ze moeten doen; die zich niet door anderen in de kaarten willen laten kijken en zich dan op privacy beroepen.

De meest ingewikkelde kop is echter die van ‘transformatie’. Mogelijk, omdat deze kop zich veelal in de nevelen van verlegen onvermogen hult.

Je hoort het steeds meer: we leven in een transformatie-wereld. Met daarin een glansrol voor het fenomeen ‘eigen kracht’. Transformatie lijkt daarvoor te zijn uitgevonden. Alles moet anders. En goedkoper. ‘Zelf de regie pakken’, dat is ons antwoord op de bezuinigingen in het sociale domein. Teveel naar mijn smaak is transformatie daarmee verworden tot een instrumentele aanpak. Met de focus op vorm in plaats van attitude. Het gevolg is een cocktail van beweeglijkheid, onzekerheid, complexiteit en meerduidigheid, binnen en buiten onze organisaties. Wat weer op gespannen voet staat met een ongebreidelde (en toenemende) behoefte aan voorspelbaarheid en controle.

Alle betrokken partijen – overheden, aanbieders, professionals en inwoners – hebben een gerechtvaardigd belang bij de transformatie van de jeugdhulp. Elk van hen echter heeft ook een eigen perspectief op de aard, inhoud en het gewicht daarvan. Dat snapt iedereen. Maar leg dat eens aan elkaar uit en ga er minimaal over in gesprek.

Transformatie namelijk is, meer dan wij misschien wel willen, een zaak van verhoudingen. Jegens elkaar, jegens problemen, uitdagingen en de belangen die daarbij in het geding zijn. Als wij de transformatie tot een succes willen maken, vraagt dat daarom eerst en vooral om een dialoog over de belangen. Die moet je als partijen helder en transparant maken. En, als ze dat zijn, vraag dan eens aan elkaar hoe of, en hoe, die belangen samen gewaardeerd en geprioriteerd kunnen of moeten worden. Helaas gebeurt dat nu niet (overal). Er wordt niet – en in ieder geval te weinig openlijk – gesproken over onderlinge belangen. Liever immers geven wij anderen de schuld van het tekortschieten.

Heb ik vertrouwen in de toekomst? Jazeker! Omdat uiteindelijk iedereen hetzelfde belang dient: het belang van de inwoners van ons land. Maar het zal veel tijd, geld en energie kosten om dat uiteindelijk samen te realiseren.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Ban de bijstand

basisinkomen.png

  • Een samenkrachtige samenleving geeft iedereen betekenis

“Maar wat ik eigenlijk nog vervelender vind, is zeggen dat ik in de bijstand zit. Daar zit namelijk direct zo’n negatieve associatie aan vast. Iedereen wil dan ook direct weten waarom,” vertrouwt hij mij toe. “Je voelt je toch een soort van bedelaar. Die teert op andermans zak.”

In het regeerakkoord wordt een visie op werken gepresenteerd die moderner is dan die van het vorige kabinet. Er wordt gedacht aan meer sociale zekerheid voor ZZP’ers en aan maatregelen die het makkelijker maken personeel aan te nemen. Zoals verlaging van belasting op arbeid en het minder lang doorbetalen van een WW-uitkering. Maar er is ook een andere kant van de medaille.

Nog steeds immers kan een grote groep mensen niet actief deelnemen aan de maatschappij! Een deel daarvan tot bijstand gedwongen. Zij worden al snel weggezet als fraudeurs en profiteurs. Maar ik geef het je te doen; om alles volgens de regels te doen. Vaak gaat het om een groep mensen die de greep op het leven is kwijtgeraakt. Door het verlies van een baan, met groeiende schulden als gevolg. Of door een verslaving of spanningen thuis.

Het niet kunnen of mogen werken leidt niet alleen tot een armoedeval, maar veel sterker nog tot een “participatie-val”. Een van de belangrijkste oorzaken daarvan is het hier gegroeide sociaaleconomische stelsel met zijn uitkeringen en minimumlonen. Wie onvoldoende bijdraagt, wordt niet aangenomen en wie een uitkering heeft, onvoldoende aangesproken. Daar bovenop krijgen zij te maken met een negatieve beeldvorming. Met niet zelden een spookachtige heksenjacht als resultaat. Zoals het verhaal leert van een alleenstaande mevrouw in de bijstand. Bij haar hingen elke dag witte overhemden buiten. De gemeente legt een sanctie op, mevrouw gaat in beroep. Wat blijkt? Haar zoon is kelner, zij doet zijn was.

Wat zou er kunnen veranderen?

Ik denk dat wij af moeten – en kunnen – van het bijstand denken. Gewoon, door als uitgangspunt te nemen dat iedereen een bijdrage levert aan onze maatschappij. Met open oog voor de mogelijkheden, zowel als de beperkingen; als die er zijn.

Een samenleving die zich afficheren wil met het uitgangspunt dat ieder mens ertoe doet, past het niet om mensen buitenspel te zetten. Redenerend vanuit de menselijke behoefte om te betekenen, gezien te worden en gehoord, ligt daar een duurzame plicht. Niet, door hen aan het infuus van de bijstand weg te stoppen, maar door hen een mogelijkheid tot van betekenis zijn aan te bieden. Als wij iedereen, die door omstandigheden zonder werk of inkomen komt te zitten, als samenleving een mogelijkheid tot meedoen bieden, mag – nee, moet – daar een vergoeding tegenover staan.

Goed beschouwd zou je kunnen zeggen, is het een vorm van basisinkomen. Een blijkt van waardering die, vanaf zekere leeftijd, iedereen krijgt. Vanaf de dag dat hij of zij zijn opleiding afrondt of de arbeidsmarkt betreedt tot aan zijn dood. Gebaseerd op een contract met de samenleving. Waarin wordt vastgelegd wat hij of zij bijdraagt aan die samenleving. Gebruik makend van de eigen mogelijkheden. Met open vizier ook voor beperkingen die er zijn. Ook het volgen van een bijscholing mag daaronder worden verstaan. Vanuit die basis kan iedereen die dat wil zijn ambities uitbouwen en ontwikkelen. En nee, ik weiger dat als ‘tegenprestatie’ te labelen. Gewoon, omdat dat begrip voor mij teveel de associatie oproept van genadegeld.

Begrijpt u mij goed. Ik ben huldig niet het standpunt dat alleen een werkende – lees: loon verdienende – burger een goede burger is. Integendeel. Ik ben van mening dat wij bijdragen aan de samenleving waarvoor geen loon wordt ontvangen, zoals vrijwilligerswerk, opvoeding, kunst en mantelzorg, onvoldoende waarderen. Daarom kunnen wij veel leren van de filosofie achter het basisinkomen. Ten eerste dat bestaanszekerheid voor iedere burger een recht is. Ten tweede dat verloond werk niet de enige zinvolle manier is om een bijdrage aan de samenleving te leveren.

Een samenkrachtige samenleving zet je in de steigers door een onvoorwaardelijk basisinkomen voor iedereen! Met volledige maatschappelijke participatie en voldoende inkomen voor iedereen borgen wij ook de ontwikkeling in de richting van een leefbare en duurzame samenleving. Invoering van een basisinkomen zou een instrumentele verzoening tussen participatie en inkomen kunnen vormen. Gewoon, omdat mij momenteel te zeer gericht zijn op de kwantiteit van arbeid in plaats van op de kwaliteit. Sociale integratie en duurzaamheid worden onvoldoende benadrukt. De ontkoppeling van arbeid en inkomen, minimumloon, opleiding en scholing zet zorgtaken en vrijwilligerswerk in een ruimer en betekenisvoller perspectief. Bovendien kan een basisinkomen uitkeringen of minimumlonen geheel of gedeeltelijk overbodig maken. En een einde aan de goedbedoelde, maar perverse ‘participatie-industrie’, waarin verdienende verdienen aan niet verdienenden.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.