Het huis waarin wij woonden

La Villa.png

  • La Villa

De broers Joseph en Armand en hun zus Angèle krijgen te horen dat hun vader een beroerte heeft gehad en zijn genoodzaakt om weer samen te komen in hun geboortedorpje aan de kust van Marseille.

Angèle, een gevierde actrice, is sinds een familiedrama twintig jaar geleden niet meer naar het dorp terug geweest. Joseph is inmiddels met pensioen en heeft verbitterd zijn idealen opgegeven. Armand probeert het plaatselijke restaurant, opgericht door hun vader, draaiende te houden. In hun leven is geen plaats meer voor het dorpsgevoel van vroeger. De drie komen samen in de pittoreske villa van hun vader om te bepalen wat er moet gebeuren met het huis en het restaurant. Terwijl zijn situatie achteruit gaat, worden de drie geconfronteerd met wie ze zijn geworden en wat ze hebben geërfd van het verleden. Wat vroeger was, wordt ingehaald door dat wat nu is. Hun vader heeft zijn ideaal, een wereld van solidariteit, vastgelegd rondom het familierestaurant. Lukt het hen dat ideaal in stand te houden?

Filmmaker Robert Guédiguian blijft met La villa in het thema van zijn andere films; een verhaal over “gewone mensen” in de omgeving van Marseille, waar hij zelf geboren is. Ook de hoofrolspelers hebben al in een aantal van zijn eerdere films gespeeld. La villa won prijzen op het filmfestival van Venetië. Waar het verhaal op de oppervlakte een ontroerend en melancholisch verslag lijkt van een familie die zijn band hersteld, is er ook een noot van sociale kritiek. Zo was het dorpje in de film vroeger communistisch en heerste er verbondenheid. Maar nu is er vooral eenzaamheid en leegstand. Het grote geld heeft gewonnen van de solidariteit.

Advertenties

Schandalig – hoe durven wij!

schandalig.png

  • O oude dag, de vijand! Heb ik zoveel geleefd voor deze schande?

Ik ben niet gauw ‘over de rooie’, maar soms! Je zult 68jaar getrouwd zijn. Hij is 90 jaar en zij is 88 jaar. Ze mogen niet samen naar het verzorgingshuis! De een wel, maar de ander niet. Ze moeten uit elkaar.  Na 68 jaar onafscheidelijk te zijn geweest, dreigt voor hen een drama. ,,Wij worden straks als oud vuil aan de kant gezet.’’

Ze zitten vrijwel het hele gesprek hand in hand naast elkaar. Ze ogen rustig, maar dat blijkt schijn. Want als Hennie en Ineke aan hun laatste levensjaren denken, lopen de rillingen over de rug. Ze zijn 68 jaar getrouwd, hebben altijd bij elkaar geleefd, maar een drama dreigt. Want als alles tegenzit, woont Hennie straks gewoon in Bunnik, maar Ineke ergens anders. Dan worden ze door het huidige zorgsysteem alsnog uit elkaar gehaald.

Hennie wordt ’s nachts geregeld wakker en kan de slaap dan niet meer vatten. ,,Die vreselijke angst dat wij straks niet meer bij elkaar kunnen wonen, maakt mij geestelijk kapot. Maar zij kan niet meer bij mij blijven, want ik kan haar niet meer verzorgen. Als zij ’s nachts naar de wc moet, is er niemand die haar kan helpen. Terwijl zij heel slecht kan lopen.’’ Hartverscheurend is het.

Het is in strijd met het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Desondanks zorgt het nog regelmatig voor beroering. Ouderen die gedwongen gescheiden worden, omdat de zorginstelling volgens de indicatieregels alleen een van de partners mag  opnemen.

De afgelopen jaren is dit op grote schaal gebeurd, terwijl iedereen dacht dat deze situatie bij wet geregeld was. En ondanks alle commotie komt het ook in 2018 nog gewoon – en geregeld – voor.

Iedereen dacht dat het probleem van het scheiden van partners, van wie eentje moet worden opgenomen in een zorginstelling, was verholpen. In 2011 trok SP-kamerlid Renske Leijten over dit probleem aan de bel bij toenmalig staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Die bevestigde dat de aanspraak van partners in zo’n situatie niet wijzigt als zorgverzekeraars de AWBZ gaan uitvoeren.

In het besluit zorgaanspraken artikel 9 lid 3 is geregeld dat de partner van een persoon met een somatische of psychogeriatrisch aandoening of beperking die (op grond van zijn indicatie) in een instelling verblijft, tevens aanspraak heeft op verblijf in dezelfde instelling’, aldus de toenmalig staatssecretaris.

Waar een echtpaar niet samen in een verpleeg- of verzorgingshuis terecht kan, is dat verdrietig voor het echtpaar,’ zei Aad Koster, toenmalig directeur van branchevereniging ActiZ, in een uitzending van Een Vandaag op radio 1. ‘We hebben het echter niet over een groot maatschappelijk probleem, want de mogelijkheid om samen te wonen is er wel.” Prachtige volzinnen zijn het.. Alleen dit echtpaar kan op dit moment niet terecht in het verpleeghuis van hun keuze.

Het bericht over dit echtpaar dat na 68 jaar noodgedwongen uit elkaar moet, raakt veel mensen. Omdat het zo herkenbaar is. Natuurlijk, echtparen kunnen in ons land nooit worden verplicht om apart te gaan wonen., maar in de praktijk gaat het soms anders. Het voelt heel dichtbij,

Bij wet is het verboden. Beide partners mogen samen in het verpleeghuis wonen wanneer één van de twee daar een indicatie voor heeft. Echter, zo leer de praktijk, dat kan dat lang niet altijd.. Zo zou er niet voldoende ruimte zijn om plaats te bieden voor alle partners van zieke ouderen. Het bijschuiven van een extra bed, is niet altijd een optie.

Laat ik duidelijk stelling nemen: Hoe durven wij in dit land te spreken over ‘passende zorg’ als wij dit toelaten.  Partners mogen nooit noodgedwongen uit elkaar worden gehaald.

In de laatste levensfase is veel mogelijk: van ziektegericht doorbehandelen tot het einde van het leven, palliatieve zorg of zelfs het bespoedigen van het levenseinde door euthanasie. Maar een passend aanbod voor mensen die  – tot de laatste snik – samen oud willen worden kunnen wij niet organiseren? Ja, het vraagt om een brede blik van de zorgverlener, die oog zou moeten hebben voor behoeftes in deze. So what!

Gedoe van het treurige soort noem ik het. Laten we het anders doen. Allemaal. Het land wordt daar echt beter van, de mensen die het aangaat voorop.

Samen en gelukkig oud worden in het verpleeghuis, dat kan! Echt. Als wij meer ruimte maken voor het leven zelf, met invulbare en niet-invulbare verlangens, en voor betekenisvolle relaties en ontmoetingen. Dicht tegen elkaar aan kruipen of in elkaars armen slapen wanneer je partner in het verpleeghuis woont. Dat kan toch? Ja toch?

Wie daarop ‘nee’ durft te zeggen verdient een schandpaal. Want als we alles hebben verloren, inclusief hoop, wordt het leven een schande, en de dood een plicht.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

 

 

Grimmige buren

under the tree.png

  • Under the tree

Atli wordt door zijn vrouw het huis uit gezet, en gaat weer bij zijn ouders wonen….

Hij verwacht terug te komen in een rustige wijk, maar niets is minder waar. Zijn ouders zijn verwikkeld in een bittere burenruzie. Inga en Baldvin zijn de trotse eigenaren van de enige boom in de buurt. De grote, mooie boom in hun tuin blokkeert echter de zon op de veranda van amateur scherpschutter Konrad en zijn veel jongere, atletische vrouw Eybjorg. De twee stellen zouden niet méér van elkaar kunnen verschillen, en de situatie ontwikkelt zich al snel van kinderachtig tot catastrofaal. Bezit wordt vernield, huisdieren verdwijnen op mysterieuze wijze en overal worden beveiligingscamera’s geïnstalleerd. Bovendien gaat er ook nog het gerucht de ronde dat iemand de buurman heeft gezien met een kettingzaag…

“Under the Three” is een gitzwarte komedie gevuld met cynische humor en een vakkundig ontworpen tempo. Het is een grimmige herinnering aan hoe moeilijk het voor ons kan zijn om de kleine dingen in het leven te laten gaan, soms zelfs ten koste van onze menselijkheid. De IJslandse Regisseur Haffsteinn Gunnar Sigurðssen is onder andere bekend van Either Way (2011) en Paris of the North (2014). Under the Three won maar liefst zeven prijzen op de Edda Awards, het IJslandse filmfestival.

Kruistocht in de jungle

moddergevecht.png

  • Stop het moddervechten

“De jeugd is nog altijd de dupe van de strijd tussen psychiaters, wethouders en wijkteams,” schreef Max van Weezel op 18 november 2016 in Vrij Nederland. “Ze beweren allemaal te handelen vanuit ‘passie voor het kwetsbare kind’ maar vertrouwden elkaar voor geen cent.” De situatie is nu, ruim anderhalf jaar later nog nauwelijks anders, zo moet ik vaststellen.

In steden, dorpen en wijken moeten multidisciplinair samengestelde wijkteams de problemen zelf aanpakken. Voor de zwaardere gevallen samen met een specialist. Het blijkt de ideale brandstof voor schermutselingen, want de samenwerking komt nog steeds niet echt van de grond. Integendeel, er is sprake van een groeiend chagrijn tussen professionals. Waarbij nog steeds de institutionele belangen domineren, niet de zorg om het kwetsbare inwoner.

Het zijn voor adviseurs zoals ik verboden gevoelens. Het gevoel van teleurstelling in de voortgang van de beoogde beweging in het sociaal domein. Het wantrouwen in de motieven van de professionals, hun bazen en de bestuurders. Toch voel ik met enige regelmaat opborrelende boosheid over hun gedrag en behoudzucht. Waarmee zij op vakkundige wijze de kansen verprutsen die voor het grijpen hangen.

Ik bespeur een verzuurde relatie tussen de verschillende ‘lagen’ binnen het sociaal domein. Professionals die met een zeker dedain neerkijken op vrijwilligers, mantelzorgers en ervaringsdeskundigen. Zorgprofessionals die met eenzelfde meewarigheid kijken naar de goedbedoelende welzijnswerkers. Medisch professionals op hun beurt die de professionals in de jeugdzorg veelal zien als goedwillende amateurs. En de buurt- en jongerenwerkers die psychiaters verwijten alle problemen te ‘medicaliseren’. De vindtocht van de eigen kracht van inwoners is verworden tot een kruistocht in een jungle vol belangen. Niet zelden resulterend in een moddergevecht tussen professionals, met de mensen om wie het zou moeten gaan als toeschouwers.

Ik zie te vaak dat invloed, het eigen instituutsbelang of het versterken van de eigen positie voorop staat. De gesprekken over hoe het zou kunnen of moeten zijn duren vaak lang en brengen weinig nieuws. “We moeten het integraal aanpakken” is de grootste dooddoener in het gesprek daarover. Wees daar maar eens tegen, denk je, verstandige teksten! Totdat je doorkrijgt dat het vooral een alibi is om niets te doen, of leidt tot een enorme complexiteit en vertraging omdat iedereen moet worden betrokken.

In 2009 verscheen in Eindhoven een rapport van de lokale rekenkamer: “Twee werelden”, over de effectiviteit en doelmatigheid van het sociale domein. De conclusie was kort samengevat dat ondanks de extra miljoenen die de voorafgaande jaren waren toegevoegd aan het sociale domein, de problemen niet minder waren geworden. In de daaropvolgende analyse in 2011 kwamen vier kernproblemen naar voren. Allereerst de doorgeschoten problematisering: te snel worden mensen in hokjes geduwd wanneer zij hulpvragen hebben of afwijkend gedrag vertonen. Daarbovenop de doorgeschoten professionalisering: te snel wordt een hulpverlener ingeschakeld die de hulpvraag oplost, waarbij te weinig gekeken wordt naar wat mensen nodig hebben om het zelf te kunnen oplossen. Ten derde de ingewikkelde samenleving: te veel loketten en regels waardoor mensen de weg kwijtraken in welzijn en zorg. Ten slotte de perverse financiële prikkels waarbij we niet afrekenen op positief behaalde resultaten of het voorkomen van problemen, maar meer geld geven aan instellingen als er meer problemen zijn of meer hulp gegeven moet worden.

De kern van het werk van de wijkteams is herstel van het gewone leven. Als het gewone leven niet op orde is, escaleren problemen en raken mensen de regie kwijt en komen zij in onnodig zware en dure zorg terecht. Dat klinkt heel eenvoudig, herstel van het gewone leven, en dat is het soms ook, maar de wijkteams komen ook veel complexe situaties tegen, zult u zeggen. Hoever kun je gaan met mensen aanspreken op hun zelfwerkzaamheid? Soms moet de situatie escaleren voordat mensen in beweging komen. Hoelang kan de generalist op zijn handen blijven zitten en kostbare uren verlummelen, om het mensen stapje voor stapje zelf te laten en leren doen?

Bundeling van krachten, samenwerking en het realiseren van slimme verbanden is hard nodig om resultaten te boeken. Ik denk dat de meeste oplossingen voor sociale problemen te vinden zijn in de bundeling van krachten tussen organisaties, professionals, ervaringsdeskundigen, vrijwilligers, mantelzorgers en inwoners. Dat vraagt om slimme en pragmatische samenwerkingsverbanden en flexibele netwerken waarin organisaties en mensen hun krachten bundelen. Dat vraagt om netwerkvaardigheden; om overtuigen en enthousiasmeren.
Die samenwerking loopt nogal eens vast omdat ze te groot wordt ingezet, met het risico dat er allerlei partijen mee gaan doen om de boot niet te missen (defensieve strategie) of omdat het afgedwongen word (‘motje’).

Begin met de mensen die echt willen, bouw aan eerste successen en stel je open over nieuwe verbindingen. Dat creëert een zwaan-kleef-aaneffect: partijen gaan zich vanzelf aansluiten in plaats van dat je ze er met de haren moet bijslepen. De voorbeelden zijn er genoeg. Of het nu gaat om effectieve aanpakken in de jeugdzorg, de leefbaarheid van wijken of het inrichten van zorgpaden. Effectieve organisaties werken als onderdeel van een keten.

Wie er dan nodig zijn? Om dat te begrijpen en te zien moet je op de werkvloer zijn: in de leefomgeving van de mensen. Thuis, op school, in de spreekkamer van de huisarts, voor de klas, in de wijk, in de koffiehoek van de Appie of aan het loket waar de klanten komen. Om te zien waar problemen ontstaan en hoe mensen en medewerkers die problemen oplossen. Dat is inspirerend. Doe het eens, en kijk hoe dingen werken. Experimenteer, richt proeftuinen in, maak regelvrije zones. Probeer nieuwe ideeën en zoek de variëteit op. Dat is de enige manier om erachter te komen wat wel en niet werkt. Maar stop de onderlinge competentiestrijd.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Iedereen heeft een handvat

handvat.png

  • Aan ons de kunst het op de juiste wijze te vatten

Ondanks ieders streven de jeugdhulp ‘integraal, toegankelijk en dicht bij het kind’ te organiseren heeft de transitie van de jeugdhulp de afgelopen jaren weinig verandering gebracht. Of het moet de ongelofelijke bureaucratie en verspilling zijn. Van meer preventie, slimmere samenwerking en een einde aan verkokering en perverse prikkels is nog te weinig sprake. De kosten lopen inmiddels de spuigaten uit en zorgaanbieders, individuele hulpverleners én ambtenaren lijken het spoor bijster. Gaat het nog goed komen?

De vraag naar professionele jeugdzorg stijgt al jaren en de problematiek wordt steeds complexer. Met als gevolg steeds langere wachtlijsten en kosten die uit de hand lopen. Sinds 2015 ligt de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg bij gemeenten. Maar dit leidt nog niet of onvoldoende tot positieve ontwikkelingen. De oorzaak daarvan ligt naar mijn stellige overtuiging in de zucht naar beheersing. Van de kosten bijvoorbeeld. De huidige manier van aanbesteden brengt met zich dat alles draait om de laagste prijs. Willen we de kwaliteit van de jeugdhulp behouden of verbeteren, dan is een andere koers nodig. Snel en drastisch!

Problemen bij opgroeien en opvoeden worden onnodig vaak bekeken door een psychopathologische bril. Ouders, leerkrachten, hulpverleners en zorgverzekeraars versterken elkaar hierin. De moeder die alles honderd keer moet zeggen, denkt aan een psychiatrische stoornis. School ook, want dan komen extra middelen beschikbaar. De hulpverlener ook want de vergoedingentabel van de zorgverzekeraar is identiek aan het handboek van de psychiatrie. Maar wie is het kind van de rekening?

Bij moeilijkheden in de opvoeding is de neiging ontstaan met een label het probleem tot een stoornis of een dysfunctie van het kind te maken, om Micha de Winter (2015) te parafraseren. Dat moet anders. Meer nadruk op opvoeden en minder behandelen. Wat heeft dit kind nodig? Wat hebben deze ouders nodig? Wat is in deze specifieke situatie passend. Dat zijn de vragen die gesteld zouden moeten worden. De woorden van Piet de Ruyter, hij was de eerste hoogleraar Orthopedagogiek aan de Vrije Universiteit Amsterdam en hield zich onder meer bezig met de ontwikkeling van de praktisch pedagogische gezinshulpverlening – klinken met de kennis van nu profetisch: orthopedagogiek is een bittere noodzaak geworden. Want als negen op de tien kinderen lekker in hun vel zitten, zullen het vooral de opvoeders zijn die hulp nodig hebben.

De problemen waarmee de jeugdhulp en jeugdzorg te maken hebben, zijn dus even complex als simpel. Gedrags- en opvoedingsproblemen staan namelijk meestal niet op zichzelf. Ze hebben bijna altijd te maken met de sociale en maatschappelijke omgeving waarin ouders kinderen grootbrengen. Zo heeft armoede een grote impact op opvoeding en ontwikkeling van kinderen en jongeren. Voor beleidsmakers en de (lokale) politiek betekent dit dat voor adequate jeugdhulp er meer ‘ontkokerd’ zal moeten worden. Echte transformatie van jeugdzorg heeft pas kans van slagen als wij in plaats van de traditionele beleidsdomeinen, de dagelijkse ervaringen, zorgen en knelpunten van gezinnen met problemen centraal durven stellen. Zo leert ook de praktijk.

Hulpverlening op de sportschool bijvoorbeeld. Zij blijkt soms veel effectiever (en leuker!) dan het (gemedicaliseerde) denkkader van binnen de ‘klassieke’ jeugdzorg. Zo leerde de praktijk binnen City Deal. Jonge ondernemers met een sportschool in Leeuwarden kwamen in contact met jongeren met meervoudige problemen, die ‘hulpverleningsmoe’ waren. De ondernemers, zelf ervaringsdeskundigen, wilden de jongeren in de sportschool helpen uit de problemen te komen door ze met behulp van sport discipline bij te brengen en ‘op te voeden’. Maar ze waren geen zorgaanbieder. Het resultaat: tevredenheid bij alle betrokkenen en de sportschool is inmiddels gecontracteerd zorgaanbieder geworden; tegen een scherp tarief.

Meetellen en meedoen is voor ouders en kinderen het beste medicijn. Als wij dat aan ouders en kinderen weten mee te geven dan gloort er nieuwe hoop aan de horizon.

Wat dat van ons vraagt? Kritisch naar het eigen handelen kijken. Aan de hand van een paar heel simpele vragen. Wat betekent meedoen voor onszelf? Hoe ziet onze wereld eruit? Hoe is het voor ons om op een onbekende plek te zijn? Wanneer voelen wij ons ergens welkom? Wat doen anderen daarvoor voor ons? En hoe zou dat zijn als ik aan de andere kant van de tafel zou zitten? Als ik die vader of moeder, dat kind of die puber was?

Het antwoord op deze vragen kan ons helpen de juiste focus en houding aan te nemen. Want te vaak zijn bij ons, beleidsmakers en professionals, onze eigen idealen van ‘meedoen in de samenleving’ leidend in ons beleid en onze praktijk. Te vaak en te snel vergeten wij dat meedoen voor iedereen iets anders betekent. Zeker voor mensen in knellende posities. Niet onze norm moet leidend zijn, maar het ‘ideaal’ van de mensen voor en met wie wij werken.

Ouders en kinderen moeten wij zien als een belangrijke en onmisbare partner met wie wij meepraten, meedenken en zo nodig meebeslissen over alle zaken die voor hen belangrijk zijn. Zij weten waarvoor zij hulp nodig hebben, dus hun hulpvraag en hun oplossingen moeten het uitgangspunt van onze hulp zijn. Niet het aanbod. Samen met ouders en kinderen moeten wij beslissen over de juiste ondersteuning. Samen met jeugdigen en hun gezinnen beslissen over het bij hun situatie passende maatwerk. Dat is de taak van jeugdzorg, jeugdbeleid, onderwijs en loopbaanbegeleiding. Om samen om deze mensen bij te dragen aan een samenleving die levenskwaliteit voor álle kinderen, jongeren en hun gezinnen hoog in het vaandel heeft.

De focus moet daarbij liggen op de werkzame factoren binnen het opvoedings- en ontwikkelingsklimaat. Die moeten wij willen zien, herkennen en stimuleren. En in relatie daarmee de mogelijkheden van jeugdigen en hun gezinsleden ontrafelen en versterken. Want iedereen heeft een handvat. Het is alleen de kunst die op de juiste wijze te vatten.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Vreemd onderkomen

onderkomen

  • Onderkomen

Ghullam, Keiber en Noori waren minderjarig toen ze, zonder ouders, van Afghanistan naar Nederland vluchtten.

Inmiddels zijn ze al jaren in afwachting van een verblijfsstatus en wonen ze in een vervallen sloopflat vlakbij Maastricht. Drie gepensioneerde Maastrichtenaren trekken zich het lot van de jongens aan en bieden ze hulp in de vorm van advies, afleiding en dagelijkse boodschappen.

Als alleenstaande minderjarige vreemdelingen kregen Ghullam, Keiber en Noori een speciale (amv) status, maar die is inmiddels verlopen en er is voor de Afghaanse jongens weinig zicht op een verblijfsvergunning in Nederland. Ondertussen wonen ze al jaren in een flat die op de slooplijst staat en mogen ze niet werken of studeren. Dus vullen ze hun tijd met wachten, sporten en rappen. De vrijwillige medewerkers van VLOT – een werkeenheid van het Leger des Heils, dat hulp biedt aan (bijna) uitgeprocedeerde asielzoekers – trekken zich het lot van de jongens aan en helpen ze met hun aanvragen bij de AIVD en voorzien ze van de dagelijkse levensmiddelen.

Hartverwarmende docu van de Nederlandse filmaker Jacqueline van Vugt.

Onderdrukt of onderdrukker?

a man of integrity

  • A Man of Integrity

De fatsoenlijke familieman Reza leeft samen met zijn vrouw en zoon op het platteland in het noorden van Iran.

Als vissenkweker leidt hij een rustig bestaan. Op een dag wordt de toevoer van een rivier afgesloten waar zijn watervoorziening afhankelijk van is. In een poging om de sluis weer open te krijgen komt hij in aanraking met Abbas, de lokale woordvoerder van een raadselachtige organisatie die simpelweg bekend staat als “de firma”. Alleen als Reza hem smeergeld betaalt, krijgt hij zijn stuk land en zijn watervoorziening weer terug. Reza wil hier niet aan toegeven, maar hij en zijn familie worden op alle mogelijke manieren onder druk gezet. Hij wordt steeds meer geconfronteerd met hoe moeilijk het is om in een corrupte samenleving integer te blijven. Hoe ver ga je om je eigen integriteit te bewaren in een land waar onderdrukkers de dienst uit maken?

Met A Man of Integrity geeft regisseur Mohammad Rasoulof kritiek op de hedendaagse Iraanse samenleving. Het terugkomende thema van zijn films is de manier waarop een autoritair regime onafhankelijke stemmen tot zwijgen brengt. Niet voor niets is de essentie van het plot ‘Je wordt onderdrukt of ben je de onderdrukker’.

De film bevat ook autobiografische elementen; Mohammad Rasoulof moest zijn films in het geheim maken omdat de Iraanse overheid hem een filmverbod heeft opgelegd. Via een USB-stick heeft hij de film naar het festival van Cannes gebracht. Daar werd hij onderscheiden met ‘Un Certain Regard’. En dat terwijl de film in zijn eigen land verbannen is.