Op afroep

on-call

  • Velen spelen niet eens in hun eigen leven de hoofdrol

In een versleten spreekkamer – gedateerd meubilair, afgebladderde verf en een zichtbaar geforceerde deur – in het ziekenhuis Avicenne in Bobigny (een gemeente in het Franse departement Seine-Saint-Denis) houdt dokter Jean Pierre Geeraert spreekuren voor immigranten.

Zonder verdere uitleg van de context zien we in On Call zijn gesprekken met mensen die zich vaak in een wanhopige situatie bevinden. Geplaagd door chronische ziekten of letsel door geweld verblijven de meestal ongedocumenteerde immigranten bij vrienden, op een station, op straat of in een asielzoekerscentrum, terwijl ze hun weg in het systeem maar moeizaam weten te vinden.

Een enkele keer is er ruimte voor humor, bijvoorbeeld als de arts aan een man uit Guinee voorstelt te doen alsof hij ebola heeft; dan is hij gegarandeerd van een maand onderdak. En als iemand dan toch onverwacht een verblijfsstatus bemachtigt, is er even een sprankje hoop op die betere toekomst waarvoor men kwam.

Advertenties

Op de bres voor vluchtelingen

fuo.png

  • Fuocoammare

Fuocoammare is misschien wel de belangrijkste film die u dit jaar in de bioscoop kunt gaan zien. Niet vanwege zijn cinematografische kwaliteiten – hoewel die ontegenzeggelijk groot zijn – maar vanwege zijn inhoud: de essentie van het vluchtelingenvraagstuk.

Centraal staat Samuele, een jongen van 12 jaar, wiens lotgevallen onnadrukkelijk maar fraai contrasteren met de gigantische tragedie die zich in zijn directe omgeving afspeelt. Als alle jongens van zijn leeftijd schiet hij met katapulten, klimt hij op rotsen, steekt hij vuurwerk af en heeft hij kleine zorgen: hij kampt met een lui oog, heeft last van zeeziekte (niet handig als je later visser wilt worden) en hij heeft af en toe het onbestemde gevoel, zegt hij tegen zijn huisarts, dat hij niet goed kan doorademen. Die huisarts is Pietro Bartolo; hij is de link tussen de wereld van de eilandbewoners en die van de vreemdelingen.

Na ongeveer een uur komt Bartolo wat uitvoeriger aan het woord. In het halfduister vertelt hij in alle huiveringwekkende, gruwelijke details wat hij doorgaans aantreft als de vluchtelingen levend of dood aan land zijn gebracht. En hoe hij aan de letterlijk nachtmerrieachtige taferelen die zich dan voordoen nooit, nooit zal wennen. Wie onberoerd blijft bij zijn relaas is een robot.

Daarna schakelt de film, en komen de gruwelijkheden meer en meer in beeld. Maar nergens zet Rosi het drama aan (er is geen voice-over bijvoorbeeld), nergens wordt de film ‘politiek’. Rosi toont alleen. Tegelijkertijd brengt hij zo een ode aan de naamloze reddingswerkers, en aan de onvolprezen huisarts.

Wat de vluchtelingen beweegt, wie ze zijn of waar ze vandaan komen – Rosi scheert erlangs, zoals de eilandbewoners ook gewoon hun leven blijven leiden. Hij laat de diepe wanhoop in hun gezichten zien, het verdriet, een enkele keer hun vreugde: ze hebben het gehaald. En dan is er – out of the blue – het bloedstollende moment waarop een Nigeriaan een heftige jammerklacht aanheft die alle ellende samenvat.

 

Het eiland Lampedusa ligt ongeveer 70 kilometer van de Afrikaanse kust en is zo’n 120 kilometer verwijderd van Sicilië. De afgelopen twee decennia hebben ongeveer 400.000 migranten en vluchtelingen de overtocht van Noord-Afrika naar het Europese continent gewaagd. Meestal opeengepakt in veel te kleine, gammele bootjes, was Lampedusa vaak hun eerste doel. Naar schatting minstens 15.000 mensen zijn daarbij verdronken, of door andere oorzaken (uitdroging of brandwonden bijvoorbeeld) om het leven gekomen.

Deze koele cijfers worden meteen bij aanvang van de documentaire Fuocoammare gepresenteerd.

De maker is Gianfranco Rosi, die ons eerder in het geweldige Sacro Gra liet kennismaken met de buitenwijken van Rome en zijn bewoners. Rosi bracht bijna een jaar door in de kleine gemeenschap die Lampedusa is, en ging met reddingswerkers de zee op. Hij deed alles zelf: interviews, camera, geluid. Het resultaat is verbluffend. Door de ogen van een paar eilandbewoners – onder anderen een huisvrouw, een visser en een radio-dj – laat hij zien hoe de komst van al die vluchtelingen hun gemeenschap beïnvloedt, maar hoe ze toch vooral ook een sideshow blijven in hun leven.

De grootste mogelijkheden liggen daar waar we ze niet zoeken

  • Naast leed ver weg is er ook leed dichtbij

asielzoekers.png

Grote stromen vluchtelingen zoeken – terecht – een veilige haven in ons land. Wij moeten en willen solidair zijn. Maar geldt dat niet (ook) maar de mensen in eigen land die het hardst geraakt zijn door de economische crisis en daarvan dagelijks nog de daaraan verbonden (financiële) zorgen ervaren? Juist omdat wij hen te gemakkelijk over het hoofd lijken te zien, zien wij de maatschappelijke onrust toenemen. We doen wel wat, maar niet genoeg. En dan komt een aloud gezegde om de hoek kijken: Wie niet voor zichzelf kan zorgen, kan ook niet voor een ander zorgen. Zeker, het is een oude wijsheid, maar in de betekenis verschrikkelijk actueel. Helaas!

Hoewel het in de media soms anders lijkt, voelen de meeste mensen in de samenleving zich solidair met vluchtelingen. Dit blijkt uit de vele burgerinitiatieven voor en met vluchtelingen. Parallel daaraan zien wij echter ook een beweging van toenemend verzet tegen al die aandacht en inzet voor de vluchtelingen.

Kortom, wij hebben het er moeilijk mee. Ons geweten piept en kraakt een beetje. Enerzijds is er de compassie. Anderzijds is er angst en boosheid. De opgave is ook ingewikkeld. Woningen beschikbaar stellen voor vluchtelingen terwijl jij al lange tijd op een wachtlijst staat? Potentiele banen, waarop jij al langer aast, aangeboden zien aan asielzoekers, terwijl door de werkloosheid eigen huis en haard dreigt kwijt te raken? Ga er maar aan staan.

Waar ik sta? Ik kan mij irriteren aan en schamen voor alle kritiek op de vluchtelingen. En toch,– terwijl ik graag de stem van goedwillendheid wil laten horen – ik kan het toenemend gemor en afnemend draagvlak best begrijpen.

Wij zijn druk doende ons te ontworstelen aan de gevolgen van een economische crisis. Natuurlijk, het gaat elke dag een beetje beter. Toch zijn er nog grote groepen mensen die dag in dag de eindjes met moeite aan elkaar geknoopt krijgen. Niet in de laatste plaats ook, omdat een terugtrekkende overheid met steeds hogere drempels de weg naar ondersteuning steeds meer barricadeert.

Ik zie en hoor nog te vaak schrijnende voorbeelden van mensen die met een klein kontje een geweldige stap voorwaarts zouden kunnen maken. Maar door letterknechterij van wet- en regelgeving daarvan verstoken blijven. Waardoor voor hen het perspectief op een baan maar niet dichterbij komt. Of waardoor mensen – als gevolg van oplopende schulden – het huis waarvoor keihard gespaard en gewerkt werd, onder hun kont weg verkocht zien worden. En diezelfde mensen zien en ervaren dat vluchtelingen in één tel krijgen wat zij met jarenlang zwoegen en ploeteren nauwelijks weten te bereiken. Sta jij (on-)geduldig te wachten tot je eindelijk in de file kunt of mag invoegen en zie je tegelijkertijd dat de laatsten achter je – zij die net pas komen aanrijden – een vrijgeleide over de vluchtstrook krijgen aangeboden…..

Natuurlijk. Ik en mijn medelanders – ook die in een heel kwetsbare positie – begrijpen heel wel dat de vluchtelingen geholpen moeten worden. Willen dat ook. Ook, als dat geld kost. Begrijpen ook, dat ook voor de vluchtelingen huisvesting en werk belangrijk zijn. Maar even inschikken is echt iets anders dan ‘opgestaan is plaats vergaan`.

Maar toch. Te veel en te vaak lijkt het alsof wij over hoofden van de mensen in onze directe omgeving heen kijken. Lopen wij met zevenmijlslaarzen de vluchtelingen tegemoet terwijl wij de mensen om ons heen tot ‘grijzemuizenmassa’ vertrappen.

Laat ik eerlijk zijn: er zou ook van mijn ruimhartigheid weinig overblijven als ik mij zo ongezien, ongehoord en ongekend zou weten. Wie daarvoor geen oog heeft zaait niet alleen haat, maar biedt voeding voor een welige groei daarvan. De Duitse wetenschapper Johann Wolfgang von Goethe (1749 – 1832) verwoordde dat zo: “Het grootste kwaad dat een mens kan overkomen is dat hij slecht over zichzelf gaat denken. Alles wat daarmee ontstaat, is waard dat het te gronde gaat.”

Het ‘verzet’ tegen de stroom van asielzoekers – te gemakkelijk geframed als ‘tokkie-verzet’ is geen verzet tegen mensen. Of tegen een religie. Dat maken wij er graag van. Omdat dat verwerpelijk is. En daarmee een gemakkelijk excuus om ‘vluchtelingenhaters’ weg te zetten. De werkelijke reden is angst. Angst dat die ander ons naar de kroon zal steken; of van de troon zal stoten. Omdat wij voor verre vrienden zorgen; terwijl wij de naaste buur links laten liggen..

Wij zijn allemaal op zoek naar geluk. Natuurlijk proberen jij en ik zo comfortabel mogelijk te leven. Willen wij pijn, ziekte en ongemak vermijden: dat verlangen delen wij met alle levende wezens. Om dat te bereiken willen wij niet mislukken, genoeg te eten hebben voor onszelf en onze geliefden. Dat is eeuwenlang al zo.

Als je een gelukszoeker bent, ben je volgens mij dus wel oké. Geen crimineel, geen verkrachter, geen moordenaar – nee, je zoekt gewoon geluk.

Dat in toenemende mate mensen in mijn directe omgeving dat denigrerend gebruiken, verraadt de bron van alle ellende: ze zijn zelf doodongelukkig. Omdat ze ongehoord, ongezien en ongekend zijn.

Dat mogen en moeten wij niet ontkennen. Sterker nog: inleving is het antwoord op de opgave. Wij moeten onze naasten laten weten en ervaren dat wij ze niet alleen kennen, maar ook horen en zien. Als wij dat beter doen, voor wakkeren wij hun vuur van geluk. Waarmee zij ons de weg naar de verre vrienden ontsluiten in plaats van deze verder te barricaderen. Kortom: de grootste mogelijkheden liggen daar waar we ze vaak niet zoeken. Om de hoek!

Helende soberheid

  • Waarom we beter niets dan iets kunnen doen

mijtedoen

De afgelopen weken is er al veel over vluchtelingen gezegd. Te veel en te vaak in termen van ‘arme drommels die om onze hulp en compassie vragen’. Of, aan de andere kant: de vluchteling als profiteur. De calculerende gelukzoeker. De ene benadering is naïef, de andere hardvochtig. En beide zijn – in mijn ogen – vooral: dom.

Natuurlijk kan ik mij voorstellen dat de komst van zoveel vluchtelingen ons (ook) beangstigt. Het is een ernstige inbreuk op ons ‘moderne’ streven naar een wereld waarin alles geschiedt zoals gepland. Het gevolg is een nietsontziende ongerustheid. Een ongerustheid die destructieve vormen aanneemt, omdat wij uit het oog dreigen te verliezen dat het individuen betreft. Mensen zoals jij en ik. Mensen die autonoom zelf hun leven willen leiden. Niet in de zin dat je alles zelf bepaalt, maar dat je zelf een levensverhaal maakt. Belangrijk daarbij is de vraag of je gerespecteerd wordt.

Als ik eerlijk ben, kan het me niet zoveel schelen of een vluchteling bij aankomst in Nederland ‘iets’ te bieden heeft. Of hij een goede handwerker is, of een briljant chirurg. Het is in de eerste plaats een medemens die door omstandigheden in een rotsituatie verkeert. Narigheid, moeilijkheden, sores, zorgen; vraagstukken die voor velen nog niet zijn opgelost.

En wat is onze reactie? Vluchtgedrag! Onze ‘moderne’ samenleving kan niet omgaan met die tragiek. Het gevolg? Niets ontziend populisme en tot verzet oproepende beheerszucht.

Wij worden geconfronteerd met een probleem wat wij niet willen (zien). Een probleem, zorg, confrontatie, gevoel dat wij willen vermijden. Omdat het onze eigen wereld en zekerheden aan het wankelen brengt. Het gevolg is de regelreflex. Wij willen voor de vluchtelingen alles plannen en regelen. Waarbij wij de eigen waardigheid van de vluchtelingen – volstrekt uit het oog dreigen te verliezen.

Ik pleit daarom voor meer matigheid in ons doen en laten voor en met de vluchtelingen. Soberheid en rechtvaardigheid als antwoord op onze gulzigheid voor elk probleem een oplossing aan te dragen. De gulzige drang tot beheersen zal – anders dan wij graag willen geloven – de grip op ons eigen bestaan juist doen afnemen. Vluchtelingen kunnen – net als jij en ik – heel goed hun eigen belangen organiseren. Dat leert ook de geschiedenis.

In dit verband las ik een interessant verhaal in “De Hoeven en het Vluchtoord” (door H.M. van den | 2002 | ISBN: 9080670413, Uitgeverij De Winter, Uden). Dat boekwerkje verhaalt over Buurtschap Hoeven en Vluchtoord voor Belgen tijdens de Eerste Wereldoorlog. In het hoofdstuk ‘Het Vluchtelingenkamp’ lees ik: “Aan de linkerzijde van de weg Uden-Zeeland moesten houten huisjes gebouwd worden onder de officiële, niet zo poëtische naam ‘De huizenbouw’. Het straalde iets van villa’s uit: kraakheldere witte, zwart gedekte huisjes, gelegen op het uitgestrekte zandtapijt.” De noodwoningen die toen gebouwd werden gaven er alle aanleiding toe.

De mensen die destijds de belangen behartigden van de vluchtelingen besloten overigens om niet alles zelf te regelen en te organiseren. Zij maakten dat wat nodig en noodzakelijk was wel mogelijk!

Zo regeleden zij de faciliteiten waarmee demontabele woningen konden worden gebouwd. Woningen die na de oorlog voor hun oorspronkelijk doel in het thuisland weer opgericht konden worden. De bouwvakkers werden uit de geledingen van de vluchtelingen gerekruteerd. Zij kwamen bijeen en besloten met het werk te beginnen onder de volgende voorwaarden:
• 1/ Een wekelijkse vergoeding van f 2, tot f 2,40, de helft te storten op een spaarboekje dat later bij het verlaten van het kamp zou worden uitbetaald.
• 2/ Het eigendomsrecht van alle gereedschap, nodig voor de bouw en hun beroep.
• 3/ De beschikking over een gemeubileerde demontabele woning, gedurende hun verblijf, met het recht op medeneming bij terugkeer.

Het verrichten van arbeid vraagt ook het rekening houden met andere behoeftes. Er moet gekookt worden, dus er moeten koks zijn en opgeleid worden. Er moet gebreid, gelapt en hersteld worden, dus moeten er naaisters, breisters en kleermakers komen. Samen konden de vluchtelingen zo niet alleen in een (eigen) behoefte voorzien, maar hun leven ook een (nieuwe) welstand en perspectief geven. Werk dat door hen voor hen ontstaat. Met en voor de eigen toekomst. De ledigheid van doelloos rondhangen brengt alleen maar verveling; met alle gevolgen van dien.

Het is eigenlijk verrassend eenvoudig hoe wij de enorme vluchtelingenstroom met een meer duurzaam perspectief handen en voeten kunnen geven. Het sleutelwoord? Participatie! Zo simpel kan het zijn,” dacht ik. Sobere doelmatigheid als antwoord op de menselijke behoefte de hand niet op te moeten houden. Terughoudendheid die uitnodigt. Tot zelfrespect en waardigheid. Simpel, effectief, participatief en – vooral – duurzaam. Wat wil je nog meer?

Participatie als antwoord op ons goedbedoelde – maar ook de samenleving splijtende – reddertjesgedrag!

Ambitieus? Wellicht, maar beter dan de grote ‘politieke’ verhalen die weinig echt antwoord geven. En grootser dan de kleingeestigheid die ons in het debat van eigen gewin te vaak overschreeuwt. Een benadering die niet uitgaat van behoeften of rechten die mensen zouden hebben, maar van basismogelijkheden tot een menswaardig bestaan te midden en met behulp van anderen.

Laat vluchtelingen zelf weer de zin van het leven ontdekken. Door ze de ruimte en de mogelijkheden te bieden er zelf weer wat te maken. Neem van mij aan, dat zij – net als jij en ik – een heldere kijk hebben op wat hun leven waardevol maakte en maakt. En ja, daar hoort ook ‘geluk zoeken’ bij.

Als liefde haat loopt de duivel mee

love hate

  • De (on-)rechtvaardige werkelijkheid

Met gevaar voor eigen leven, vluchten honderdduizenden voor oorlogsgeweld naar Europa. Wegkijken of ontkennen kan niet meer. Wil ik ook niet. Tegelijkertijd ben ik niet blind of doof voor de zeer gemengde reacties. In onze samenleving in het algemeen, en in mijn eigen sociale omgeving. Felle emoties leiden tot forse emotionele botsingen. Plotse boosheid, felle angst, diep verdriet. Het komt allemaal voor en langs.

Natuurlijk moeten de asielzoekers worden geholpen. Dat vind ik uit overtuiging. De niet zelden zeer afwijzende reacties uit (groepen binnen) de samenleving stellen mij – vriendelijk gezegd – teleur. Toch is er ook ruimte voor begrip.

De aandacht voor de opvang, huisvesting en integratie van de grote stroom van asielzoekers vormt – onbedoeld en ongewild – ook de basis voor een nieuw conflict. Politici, hulpverleners, vakbewegingen en werkgevers wijzen op het belang om asielzoekers te laten integreren in onze samenleving. Terecht. Het in ledigheid de tijd laten doorbrengen in de opvangcentra draagt niet bij aan het vergroten van de kansen op inburgering.

Uitzendbedrijf Randstad en het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) verkennen daarom de mogelijkheden om asielzoekers in te laten stromen op de arbeidsmarkt. Volgens werkgeversorganisatie VNO-NCW en MKB-Nederland is het de bedoeling een proefproject (‘pilot’) op te zetten ‘om vraag en aanbod van werk op een goede manier bij elkaar te brengen’.

VNO-NCW ziet de vluchtelingenstroom vanuit Syrië als ‘een groot humanitair probleem’. Volgens de werkgevers is ‘leren en werken’ de beste manier om in een land te integreren. Voor alle duidelijkheid: gelijk hebben zij. Maar een duivelse splijtzwam vindt hier ook haar wortels.

Waarom maken wij ons als samenleving wel druk voor de asielzoekers, terwijl er tegelijkertijd zo’n 600.000 medelanders thuis op de bank zitten.

Sommige mensen in mijn omgeving hebben hiermee grote moeite. Om niet te zeggen: hiertegen expliciete aversie. Dit vormt voor mij persoonlijk geen beletsel voor wederzijdse vriendschap, maar het heeft me wel aan het denken gezet. Hoe is het mogelijk dat iemand een betrokken en sympathieke vriend of vriendin van mij is en tegelijk geen oog heeft voor zoiets als de vluchtelingenproblematiek?

Als ik dit diplomatiek probeer te vertalen krijg ik – steeds vaker – als antwoord te horen: “Omdat ik die aandacht ook wel wil.” Een antwoord dat mij kan schokkeren. Door het schaamteloze egoïsme dat er in door lijkt te klinken. Ik kan domweg niet geloven dat mijn vrienden, buren en kennissen in feite zelfzuchtige naarlingen zijn. Juist die gewaarwording zet mij ook aan het denken.

Dit speciësisme – discriminatie op basis van soort (‘speciës’) vloeit voort uit de (on-)rechtvaardige werkelijkheid. Alle mensen zijn sociale wezens. Met een grote behoefte aan geborgenheid. Die behoefte delen wij met elkaar. Wij willen ons van nature veilig voelen; in een geborgen gemeenschap van intimi. Het gaat daarbij niet alleen om lichamelijke veiligheid, maar zeker ook om emotionele geborgenheid. Dit betekent dat men zich gesteund moet voelen door de gemeenschap, zich er in zekere zin mee kan identificeren, en ermee sympathiseert. Door dit alles heeft men nog niet direct de behoefte om de eigen groep te idealiseren.

Een van de belangrijkste sociale waarden daarbij is natuurlijk het principe van rechtvaardigheid. Als men de leden van de groep of kring waarmee men zich verbonden wil voelen, niet ervaart als eerlijk en billijk, wordt het in feite direct onmogelijk om zich daarbinnen echt veilig te voelen. De aantasting van het idee dat de eigen groep of de maatschappij in essentie rechtvaardig is kan dan ook leiden tot ernstige emotionele problemen. Zo kunnen mensen die door omstandigheden in kwetsbare posities geraakt zijn hun toevlucht nemen tot ontkenning. “Hebben zij (asielzoekers) problemen? En wij niet dan?” Waarom is er voor hun problemen wel aandacht en geld? Ik dreig mijn huis kwijt te raken, omdat ik geen werk meer heb. En zij krijgen ondertussen…”

Ik heb grote moeite met dit soort van reactie. Toch geeft het geen pas om de hieruit sprekende behoefte aan geborgenheid te bagatelliseren. In plaats daarvan moeten we beseffen dat er moed voor nodig is om de vervulling van die behoefte mee te nemen bij het oplossen van de – vaak harde – realiteit van de vluchtelingenproblematiek. Niet in de laatste plaats ook omdat zich in het ‘voorbijzien van onze eigen omgeving’ een belangrijke – en maatschappij ontwrichtende – bron van en voor onbegrip, verzet en haat wortelt.

Mensen die zich geborgen willen voelen in een menselijke, eerlijke gemeenschap zijn bereid tot zeer absurde vormen van verdringing om dit gevoel veilig te stellen. Het ontbreken van geborgenheid leidt namelijk tot een vorm van existentiële angst.

“Waarom moeten asielzoekers mogen meedoen in een samenleving die ondertussen mij niet (meer) ziet staan?” De angst te moeten leven in die essentieel onrechtvaardige werkelijkheid werkt als een oorkussen voor duivels oordeel. Een samenleving die haar gasten een warm welkom geeft, en tegelijkertijd lak lijkt te hebben de belangen en emoties van ‘eigen’ mensen die de ontvangst moeten bereiden.

Geen misverstand over mijn positie: Blij wordt ik niet van de afwijzende reacties op onze verantwoordelijkheid ten aanzien van de vluchtelingenstroom. Desondanks meen ik dat het voor de houdbaarheid van de noodzakelijke medemenselijkheid zaak is om de hieruit sprekende menselijke behoefte aan geborgenheid van de niet-asielzoekende maatschappelijk kwetsbaren te erkennen. Zonder dat we daarbij onze ogen sluiten voor onrecht binnen de maatschappelijke werkelijkheid.

In plaats van het afwijzen van die kritiek en intolerantie, is het zaak om daarvoor een open oog, oor en hart te hebben. Alleen zo wordt het duidelijk en mogelijk dat mensen een (on-)rechtvaardige werkelijkheid bovenal zelf (moeten) scheppen. Gewoon, omdat de realiteit van geborgenheid niet iets is dat we passief ondergaan, maar vrucht is van ons eigen en gezamenlijk handelen.

Je zou er toveren voor leren

  • Van oeverloos gelul, naar ontzettend helpen

toveren

Wereldwijd zijn 60 miljoen mensen op de vlucht voor oorlog of vervolging. De laatste maanden zijn daarover pagina’s vol geschreven. Uren werden en worden eindeloos volgepraat op radio en televisie. Over het menselijk drama, over de (vermeende) grondslag, over de politieke onmacht bij de aanpak van het probleem, enzovoort, enzovoort. En dat, over een probleem dat al zo’n vijftien jaar bestaat.

Ik stoor mij in toenemende mate aan de welhaast eindeloze rij van eloquente commentatoren die menen mij de situatie te kunnen of te moeten duiden. Die menen dat zij het klappen van de zweep kennen. Die op lichtelijk naïeve, hoog cynische of dwingende toon mij uitleggen waarom wat en wie niet deugt. Waarbij de uitverkoren commentator van dienst niet te beroerd is om het bijbehorende historische standaardverhaaltje nog eens op te lepelen. Alles bij elkaar lijkt het eerder een wedstrijdverslag, dan een beschrijving van de situatie. Laat staan een bijdrage aan de oplossing.

Tenenkrommend is het. Te horen en te zien hoe al die ‘deskundigen’ de problemen naar anderen uitspelen. Hoe zij – bij voortduring elkaar en u en mij – hypocriet of emotioneel handelen verwijten. Terwijl in werkelijkheid ook hun gebazel niets meer of minder is dan dekmantel voor het eigen onvermogen. Van een voortdurend – en toenemend – gevoel van onmacht.

Nog stuitender wordt het, wanneer bij dat alles de discussie over het wel of niet plaatsen van een – de wereld wakker schuddende – foto, belangrijker lijkt dan het onderwerp zelf.

Ik erger mij dus. Groen en geel. Aan dat tribunegedrag. Het lijkt wel voetbal: iedereen heeft er een mening over, verzwelgt daar in en weet het thuis op de bank beter dan trainers, spelers of scheidsrechters. Tot beter of ander voetbal echter leidt dat alles niet. Net zo min als al dat geklets bijdraagt aan een oplossing van de vluchtelingencrisis leidt. Ik verlang commentatoren, welke met passie verslag doen van de situatie, zonder die vervelende en ongevraagde extraatjes.

De vluchtelingencrisis is een constante worsteling en zorgt voor veel discussie. Het zicht op oplossingen wordt echter niet beter door. Eerder ontneemt de negatieve aandacht voor alles wat niet werkt het zicht daarop. De waarde van de berichtgeving is juist hierdoor – in ras tempo – onderhevig aan ernstige inflatie. Zo erg zelfs, dat ik er resistent voor word. En met mij – zo vrees ik velen.

Het volgen van de berichtgeving over de vluchtelingen dreigt te verworden tot het kijken naar een soap. Zo een, waarin van dag tot dag de belevenissen van personen in een fictieve wereld worden gevolgd. Zonder een duidelijk eind aan de verwikkelingen. Waaraan wij ons verlekkeren, verkneuteren of ergeren. Vanaf de tribune schreeuwend: “Wat een ellende, hè. Je schaamt je toch kapot. Er loopt een massa mensen op die snelweg hoor.”

Totdat een beeld van menselijke maat ons ontnuchtert. Duidelijk maakt dat het geen fictie is. Geen slechte film of zo. Maar harde werkelijkheid. Waarvan niemand goed weet hoe daarmee om te gaan. Gewoon, omdat de werkelijkheid ieders voorstellingsvermogen te boven gaat. Dat besef overwoekeren met goedbedoeld tribunegedrag lost niks op.

Een oplossing binnen handbereik brengen hangt af van onze moraal. Van de mate waarin en met hoeveel passie we dagelijks aan de slag gaan. Met een duidelijke strategie, waarin iedereen een rol heeft en neemt.

Maar hier wringt de schoen. Zo lang we die gezamenlijkheid onvoldoende betrachten blijft het afwachten. Blijft het met de kat in de boom tribunegedrag vertonen. Om vervolgens ook nog eens het micromanagement van bloed-zweet en tranen interventies van particulieren neer te sabelen.

Als Herman van Veen kon toveren, was niemand de sigaar, hielden alle mensen van elkaar. Iedereen was jonger, niemand had er honger. Als hij kon toveren, kwam alles voor elkaar.

Wat zou ik graag die tovenaar zijn. En met mij velen anderen. Gewoon, omdat wij ons allemaal beseffen dat vluchtelingen individuele mensen zijn waar we iets voor kunnen doen. Deze mensen zijn allemaal op zoek naar een stukje veiligheid en de kans op een beter leven. Als we vanuit dat besef nou eens alle energie zouden bundelen. Moet je eens kijken wat er dan gebeurt. In dat geval zal er een beweging ontstaan die het meeste weg heeft van een epidemie. Zo een tegenbeweging grijpt razendsnel om zich heen en is bijna niet te stoppen.

Als we ons niet willen neerleggen bij passiviteit en onmacht, dan moeten wij als makkers ons wild geraas jegens elkaar staken. Samen optrekken. De woordenbrij stilzwijgen en alle wijsheid en compassie inzetten voor het bedenken van menswaardige oplossingen. Daarvoor en daarbij mag ook op mij een beroep worden gedaan.