Druk met elkaar

keten.png

  • Smeer de keten!

De mensen die werken in het sociaal wijkteam hebben het druk. Héél druk. Met vragen van mensen die ondersteuning nodig hebben. Zeker. Maar, zo ervaar ik dag en dagelijks, ze hebben het vooral druk met elkaar.

Sociale wijkteams zijn als een spin in het web. Zij verbinden instanties en bewonersinitiatieven in hun werkgebied. De medewerkers van een wijkteam moeten zichtbaar en toegankelijk zijn. Het is daarbij niet alleen belangrijk dat zij samenwerken met instellingen, organisaties, scholen en huisartsen. Vrijwilligers en bewoners initiatieven zijn net zo belangrijk.

Wanneer immers een wijkteam samen met een gezin werkt aan het verbeteren van hun situatie, is het inzetten van het sociale netwerk van het gezin van groot belang. Hulp of ondersteuning van het wijkteam is in veel gevallen maar tijdelijk. Samen met hun netwerk en de professionals kan een gezin of huishouden aan een duurzame oplossing werken. Contacten met buren, kennissen, vrienden, familie of mantelzorgers zijn daarom van betekenis.  Net zo goed als contacten met sportclubs, vrije tijds- en ontspanningsverenigingen en kerken of moskeeën. Het zijn allemaal plekken waar mensen komen. De beroepskrachten en vrijwilligers die daar werken, zijn de ogen en de oren van het wijkteam. En wanneer er problemen zijn, kunnen zij ook een rol spelen in het opvangen en oplossen daarvan.

In de praktijk van alle dag komen veel wijkteams nog weinig toe te komen aan het onderhouden en betrekken van al deze mensen en organisaties. Terwijl zij voor het welslagen van hun opdracht – het bieden van passende ondersteuning op tijd en op maat – van wezenlijke betekenis zijn. Maar, zoals gezegd, de medewerkers van de wijkteams zijn druk. Héél druk. Vooral met elkaar. De reden? De keten werkt niet. Een beetje meer smeerolie in de samenwerking tussen professionals kan heel veel meer slagkracht opleveren. Zo leert ook de navolgende casus.

Meneer (66), zonder vaste woon- en verblijfplaats, gaat de laatste maanden snel achteruit en heeft dringend zorg nodig. Meneer zorgt slecht voor zichzelf. Bijv. meneer eet alleen als eten hem voorgezet wordt. Een contactpersoon bekommert zich om meneer, maar de belasting van deze mantelzorger wordt echt te groot. Er is een vermoeden van autisme o.i.d. De huisarts verzorgt in dit kader een verwijzing zodat er onderzoek gedaan kan worden en een diagnose gesteld kan worden. Tevens is er een afspraak voor een onderzoek bij ouderengeneeskunde.

In de afgelopen maand heeft meneer een aantal keren zijn verhaal moeten doen (bij een dorpsteam, de huisarts, het wijkteam en het maatschappelijk werkt.. Dit begint meneer echt te veel te worden en meneer dreigt hierdoor zorg te gaan mijden.  Belangrijk is dat er snel , dagelijks praktische begeleiding komt. Bij wijze van spreken moet er dagelijks iemand met hem een broodje eten, doornemen wat er die dag gebeurd is, wat hij de komende dag gaat doen, en hem begeleiden bij het zorgen voor zichzelf. (eten kopen, regelen van warme kleding voor de winter). Zo was er een andere mobiele telefoon nodig of moest de bankpas verlengd worden, post opgehaald bij de postbus, papieren tekenen voor een Wlz-aanvraag, etc.). Zo komt er dagelijks wel iets bij wat praktisch geregeld moet worden. Tot nu toe doet de contactpersoon dit, maar de mantelzorger raakt/is overbelast. Enerzijds doordat er privé urgente zaken spelen bij de mantelzorger waar zij aandacht voor nodig heeft, anderzijds doordat het regelen en organiseren en opvangen van meneer haar erg veel tijd kost. De zoektocht naar een doener als thuisbegeleider bleek eindeloos en hopeloos. Het lokale maatschappelijk werk gaf niet thuis: omdat meneer geen vaste woon- of verblijfplaats had konden zij niets doen….Dat het wijkteam de vergoeding van de inzet garandeerde deed daaraan niets af. De zoektocht naar een alternatief – een tijdelijke (begeleide) woonvoorziening strandde – ondanks het rechtstreeks aanspreken van een leidinggevende van de betreffende voorziening in een botte verwijzing naar de reguliere intakeprocedure.  

De situatie van meneer gaat met inmiddels met de dag achteruit, waardoor de consulent van het wijkteam samen met de contactpersoon steeds verder achter de feiten aan lijken te lopen. De inkt van het ondersteuningsplan is nog niet droog, of het plan blijkt alweer achterhaald door wijzigingen in de omstandigheden en de muren waartegen de contactpersoon en consulent aanlopen. Een spoedprocedure Wlz bij het CIZ wordt gestart, maar biedt op korte termijn geen soelaas. De regionale toegang voor begeleid wonen geeft niet thuis en ook het maatschappelijk werk – aangesproken op de onterechte formele weigeringsgrond (geen vaste woon- of verblijfplaats) – laat desondanks weten dat zij de casus niet kan oppakken. Het bieden van ondersteuning/begeleiding bij de algemeen dagelijkse dingen – boodschappen doen, zorgen dat er dagelijks gegeten wordt, bankpas helpen activeren, nieuwe mobiele telefoon aanschaffen met beltegoed zodat gebeld kan worden – zou te ingewikkeld zijn…

De betreffende casus werd uiteindelijk opgelost dankzij de innige en betrokken samenwerking van de contactpersoon, de consulent van het wijkteam en een huisarts. Zij hielden elkaar bij de hand, zochten elkaar op. Zij toonden eigenaarschap!

De lessen die voorbeelden als deze ons leren? Het grootste struikelblok voor de sociale wijkteams is de ketensamenwerking. Het duurt te lang om goede afspraken te maken. Begrip van de ketenpartners is leuk, maar zonder actie of bijstand is het een betekenisloze reactie. Begrip vraagt meer dan mooie woorden. Het vraagt actief meedoen. Het vraagt (mede-)eigenaarschap en (mede-)verantwoordelijkheid. Zonder dat zal iedere ondersteuningsvraag van inwoners een uitdaging blijven voor de consulenten die werken in een wijkteam. Zeker als zelfs de professionals in de keten niet thuis geven of zich verschuilen achter formaliteiten. Zij ondermijnen de positieve en creatieve werkomgeving die als een vliegwiel kan werken. Juist het ontbreken daarvan maakt de slagkracht van onze samenwerking tot een kwetsbaar fenomeen,

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Een getraind puzzeloog vindt

puzzelen 3.png

  • Verbinding, Vertrouwen, Vernieuwing en Verplaatsen

Hulp en ondersteuning is mensenwerk. Het is emotie. En, zij moet kwalitatief goed zijn, voor iedereen toegankelijk en betaalbaar (blijven). Eigenlijk zijn dit zaken die op het oog voor zich spreken. Maar die dat helaas niet altijd zijn. Integendeel: het blijkt in de praktijk vaak knap lastig om deze aspecten in balans aandacht te geven. Dat is een verantwoordelijkheid van alle bij de hulp en ondersteuning van mensen betrokken personen. Partnerschap is daarbij van belang. En juist partnerschap – het samen puzzelen met alle stukjes van de puzzel open op tafel – ontbeert de wereld van zorg en welzijn vaak node! In het bijzonder treft dit te relatie tussen overheden en financiers aan de ene kant en de leveranciers (aanbieders) aan de andere kant. Dat voelt niet zelden als een spelletje kwartetten!

Gemeenten, maar ook zorgverzekeraars –  en sociale ondernemingen lijken ideale samenwerkingspartners, omdat ze beiden maatschappelijke vraagstukken willen oplossen. In de praktijk blijkt die samenwerking naast pril ook moeizaam. Terwijl er toch sprake is van een gezamenlijke opgave en doelstelling.

Overheden en financiers van zorg hebben samen met de leveranciers van ondersteuning en zorg de taak om ervoor te zorgen dat iedereen toegang heeft tot goede ondersteuning zorg tegen acceptabele kosten. Met oog voor kwalitatief goede en menselijke zorg voor het individu, maar óók voor zinnige en zuinige zorg en daardoor voor een beheerste groei van de kosten.

Die taak vervullen deze partijen eigenlijk al sinds mensenheugenis. En, dat moet gezegd, met veel enthousiasme. En dat is ook nodig, want de hiervoor geschetste ambities vragen breed draagvlak. De juiste route daarvoor biedt het V-kwartet: Verbinding, Vertrouwen, Vernieuwing en Verplaatsing.

Om de uitdaging te kunnen invullen is nauw contact en goede samenwerking met anderen nodig. Waarbij de verschillende actoren toegankelijk en aanspreekbaar zijn voor elkaar. Samenwerking is bovendien alleen mogelijk als er sprake is van vertrouwen. Wederzijds vertrouwen vormt de basis van een goede samenwerking. Dat vraagt ook de bereidheid tot investeren in die relatie. Transparantie en de juiste mate van verantwoording vormen daarvoor de basis. En omdat nieuwe inzichten, technologie en de steeds veranderende samenstelling van de samenleving dat mogelijk maken of daarom vragen, is voortdurende vernieuwing nodig én mogelijk. De verbindende schakel tussen Verbinding, Vertrouwen en Vernieuwing is Verplaatsen: van jouw eigen troon en belang afstappen en je verplaatsen in de positie en het belang van de ander. Stel je voor dat het jouw situatie betreft, over jouw portemonnee gaat of over jouw gezin, partner of kind in problemen? Wat zou jij dan willen?

Tegen deze achtergrond is het op zijn zachts gezegd vreemd dat overheden en financiers en aanbieders elkaar maar mondjesmaat vinden. Juist op verbindende elementen als (h)erkenning, inkoop, verkokering en flexibiliteit staan ze elkaar eerder in de weg dan dat zij elkaar versterken. Zo ook blijkt uit een PwC-onderzoek (‘Prille kansen: de samenwerking tussen sociale ondernemingen en gemeenten in Nederland’) onder 102 gemeenten en 164 sociaal ondernemers. In het bijzonder het inkoopbeleid van gemeenten en zorgverzekeraars blijkt struikelblok voor de ondernemingen.

Is er dan helemaal geen samenwerking? Zeker wel. Er zijn lichtpuntjes. Maar die hebben – door verschillende verwachtingen – niet zelden te maken met fikse regenbuitjes of stormwind. Terwijl een goed samenspel, waarbij partijen als partners met elkaar optrekken juist mooie resultaten oplevert. Juist door uitruil van de waarden verbinding, vertrouwen, vernieuwing en verplaatsing. Inkoop bijvoorbeeld is nog teveel een verkoop van producten en diensten tegen een zo laag mogelijk tarief in plaats van een optimaal social return on investment.

Juist door het onvoldoende ‘verplaatsen’, het kruipen in de huid van de ander, is en blijft de transformatie binnen het sociaal domein nog altijd een veelal lege container. Transformatie is een proces in verhoudingen en niet, zoals ik vaak ontmoet, een houding van ‘alles moet anders’. Waarmee wij eigenlijk beweren dat wat wij deden en doen eigenlijk maar niks is. Elke volgende stap kan alleen maar gezet worden, juist dankzij de vorige! Transformeren is daarbij geen ding, maar een mindset. Transformeren gaat over onze verhouding jegens elkaar, jegens de uitdagingen en opgaven en de daaraan verbonden kansen en bedreigingen. Het is een bewustzijn, een vindtocht naar elkaar, inhoud, duurzaamheid en de dualiteit van belangen.

Een antwoord vinden op deze krachten gaat over het gebruik en verbinden ervan. En dat is wel degelijk mogelijk. Als wij stoppen met het (met onze kaarten dan wel belangen tegen de borst) kwartetten. Als wij de opgave als een puzzel durven zien.

De eerste stap is om de randen te scheiden van de rest van de puzzelstukjes. In managementtermen: de kaders stellen. Terwijl je zo door de stukjes aan het gaan bent kun je ook de overige stukjes alvast onderverdelen naar kleur en/of afbeelding. Anders gezegd: leg de stukjes met het beeld open op tafel. Zie het als een transparante indeling naar thema’s en belangen. Niet alles ligt nog op zijn plaats, maar de gewenste samenhang van stukjes wordt wel overzichtelijk en zichtbaar. Zo ook is de nadere uitwerking (verdieping) makkelijker, omdat je dan alleen gefocust bent op die bepaalde kleur of afbeeldingen. Dit lijkt misschien op het eerste gezicht veel werk en misschien vervelend. Zeker als je graag wilt beginnen, maar uiteindelijk zal het je veel helpen.

Als je begint met de randen (kaders) geeft dat al een goede indicatie van de grootte van de puzzel (de omvang van de opgave/uitdaging) en het geeft je enige houvast bij het leggen. En tegelijkertijd: maak je geen zorgen als je stukjes in de rand mist, je zal ze vanzelf weer tegenkomen als je door de overige stukjes gaat. Kies vervolgens een van de groepen (thema’s/opgaven) welke een basisonderdeel van de puzzel vormt en zet dit in elkaar. Door te beginnen met dit zal je een mooie uitgangspositie hebben voor de overige groepen.

Een goed getraind puzzeloog zal altijd kijken naar een combinatie van kleur, afbeelding en vorm van het gezochte stukje (verbinden, vertrouwen, vernieuwen en verplaatsen). Kleur, gecombineerd met lijnen of ander soort afbeeldingen, zijn het makkelijkst te vinden. En, zo zal je zien, het helpt als je af en toe eens vanaf de andere kant van de tafel naar dezelfde puzzel kijkt.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Spiegeltje, spiegeltje aan de wand

blaming.png

  • De slachtoffers van zich zelven geven altijd aan anderen de schuld

Minister Hugo de Jonge vindt de vernieuwing van de jeugdhulp onvoldoende geslaagd. Deze is, zo zegt hij, sinds de decentralisatie onvoldoende van de grond gekomen. Op kleinere schaal zette ook de Nijmeegse Wethouder Bert Frings (GroenLinks) zijn kanttekeningen. Hij zei teleurgesteld te zijn in de kwaliteit van de aanbieders. Tegelijkertijd heeft hun ‘klagen’ iets van slachtoffers die anderen de schuld geven van het eigen tekortschieten.

De transformatie van jeugdhulp verloopt moeizaam. Dat is waar. De oorzaak daarvan ligt niet aan het tekortschieten van de een of de ander. Het buizen is een collectieve verantwoordelijkheid.  Ieder voor zich strijdt als Joris met de Draak met een veelkoppig monster in verschillende gedaanten. Een monster bovendien dat al veel langer ons doen en laten beheerst.

Zo is er de kop ‘Samenwerking’. Samenwerking is belangrijk; zingen wij in koor. Niet alleen binnen de zorg, maar ook met welzijn, jeugd- en jongerenwerk, onderwijs en justitie. Waar wij echter samenwerking prediken, zaaien wij verdeeldheid. In de zucht naar kostenreductie bijvoorbeeld, kiest menige overheid als basis voor de inkoop en contractering voor het instrument van aanbesteding. Aanbieders die enerzijds als partners worden aangesproken, worden daarmee anderzijds als concurrenten tegenover elkaar gesteld.  Terwijl juist de manier waarop partijen in de sector samenwerken van groot belang is; het is en blijft de slagader van succes.

Om daartoe te komen zullen partijen het gesprek aan moeten gaan over het verdienmodel, de doelstellingen en de procesinrichting. Zonder helderheid hierover zal de slagader dichtslibben (miscommunicatie, verspillingen), waardoor het succes uitblijft, of erger….Ik denk dat overheden, aanbieders en inwoners de uitdagingen in de jeugdhulp alleen aankunnen als zij op een wezenlijk andere manier gaan (samen)werken. Simpel gezegd: “Het loont om goed samen te werken!

En dat brengt ons bij de volgende kop: “Vertrouwen”. Dat blijkt nog ver te zoeken. Zo is eigenlijk door de gehele sector en op alle niveaus waarneembaar. Marktwerking en concurrentie werken door in de verhoudingen. De mogelijkheden tot samenwerking nemen daardoor eerder af dan toe, terwijl dit juist belangrijk is in de zorgketens van tegenwoordig. Herstel van het vertrouwen is van groot belang. Ook omdat zij aan de basis ligt van de – voor het denken en doen op eigen kracht denken noodzakelijke – professionele autonomie.

Het vaak zeer opportunistische gedrag van alle betrokkenen vraagt hierbij aandacht. Alles moet kunnen voor de cliënten, alles moet uit de kast gehaald worden, maar er moeten ook financiële doelstellingen worden gehaald. Aanbieders van hun kant hebben de mond vol van de menselijke maat, maar de oplossingen moeten wel binnen hun productenportfolio passen. Het gevolg is een soort van polderoverleg, waarbij zowel de kool als de geit wordt gespaard. Om te overleven probeert iedereen dat spel te beheersen. Het gaat dan vaak niet meer om de beste oplossingen aan te dragen, maar om de slag in de arena te winnen.

Naast de koppen ‘samenwerking’ en ‘vertrouwen’ worden met grote regelmaat de andere koppen van het monster als schaamlap voor het wederzijds falen op tafel gelegd:

  • ‘Bureaucratie’: Iedereen wil ervan af en toch wordt het steeds erger. Elk nieuw kabinet belooft dat er gehakt gaat worden in de regels, maar niemand die er iets van merkt. Inmiddels is zelfs het meten en bestrijden van bureaucratie een bureaucratisch proces geworden!
  • ‘Privacy’: Het lijkt een schaamlap voor hulpverleners die niet hebben gedaan wat ze moeten doen; die zich niet door anderen in de kaarten willen laten kijken en zich dan op privacy beroepen.

De meest ingewikkelde kop is echter die van ‘transformatie’. Mogelijk, omdat deze kop zich veelal in de nevelen van verlegen onvermogen hult.

Je hoort het steeds meer: we leven in een transformatie-wereld. Met daarin een glansrol voor het fenomeen ‘eigen kracht’. Transformatie lijkt daarvoor te zijn uitgevonden. Alles moet anders. En goedkoper. ‘Zelf de regie pakken’, dat is ons antwoord op de bezuinigingen in het sociale domein. Teveel naar mijn smaak is transformatie daarmee verworden tot een instrumentele aanpak. Met de focus op vorm in plaats van attitude. Het gevolg is een cocktail van beweeglijkheid, onzekerheid, complexiteit en meerduidigheid, binnen en buiten onze organisaties. Wat weer op gespannen voet staat met een ongebreidelde (en toenemende) behoefte aan voorspelbaarheid en controle.

Alle betrokken partijen – overheden, aanbieders, professionals en inwoners – hebben een gerechtvaardigd belang bij de transformatie van de jeugdhulp. Elk van hen echter heeft ook een eigen perspectief op de aard, inhoud en het gewicht daarvan. Dat snapt iedereen. Maar leg dat eens aan elkaar uit en ga er minimaal over in gesprek.

Transformatie namelijk is, meer dan wij misschien wel willen, een zaak van verhoudingen. Jegens elkaar, jegens problemen, uitdagingen en de belangen die daarbij in het geding zijn. Als wij de transformatie tot een succes willen maken, vraagt dat daarom eerst en vooral om een dialoog over de belangen. Die moet je als partijen helder en transparant maken. En, als ze dat zijn, vraag dan eens aan elkaar hoe of, en hoe, die belangen samen gewaardeerd en geprioriteerd kunnen of moeten worden. Helaas gebeurt dat nu niet (overal). Er wordt niet – en in ieder geval te weinig openlijk – gesproken over onderlinge belangen. Liever immers geven wij anderen de schuld van het tekortschieten.

Heb ik vertrouwen in de toekomst? Jazeker! Omdat uiteindelijk iedereen hetzelfde belang dient: het belang van de inwoners van ons land. Maar het zal veel tijd, geld en energie kosten om dat uiteindelijk samen te realiseren.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Macht, wat doe je er mee als je haar hebt…

macht1.png

  • Vertrouwen, samenwerken en loslaten

Nu de landelijke verkiezingen weer achter ons liggen en de coalitieonderhandelingen gestart zijn, kunnen wij onze ogen richten op de volgende: de gemeenteraadsverkiezingen van 2018. Zorg, decentralisaties, werkgelegenheid en economie zullen ook dan weer belangrijke speerpunten in de verkiezingsprogramma’s zijn. De portefeuilles voor deze beleidsterreinen worden bij de coalitieonderhandelingen doorgaans verdeeld over verschillende wethouders. Niet in de laatste plaats ook, omdat de wens om alle partijen tevreden te houden nog wel eens leidend kan zijn. Als dat volgend jaar, net als bij de vorige verkiezingen, weer het geval is, laten wij een grote kans op écht integraal beleid liggen.

Of het niet wat vroeg is daarover nu al te beginnen? Ik denk het niet. Want als het goed is wordt door de partijen nu al druk nagedacht over hun verkiezingsprogramma. En dat moet dit najaar al klaar zijn. Juist daarom is het goed dit punt nu al te agenderen.

De in 2015 gestarte transities vragen voor de echte opgave – aansluiten bij de leefwereld van de inwoners – niet alleen om een nieuwe uitvoeringspraktijk. Het vraagt (ook) op bestuurlijk niveau verbinding in plaats van versnippering. Natuurlijk, in toenemende mate staat samenhang op de agenda. Maar wat nog in ontwikkeling is, is een echt integrale uitvoeringspraktijk. Een aanpak die de inwoners als vertrekpunt neemt in plaats van de  vele afzonderlijke thema’s binnen het sociaal domein.

We willen één sociaal domein, maar op bestuurlijk (ook departementaal) niveau is er veelal nog sprake van separatie. De verschillende wetten (Wmo2015, Jeugdwet, Participatiewet, naast Bijstandswet en Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, blijven hangen tussen verschillende portefeuilles en instituties. Met een voortdurende confrontatie tussen de ambtelijk-bestuurlijke binnenwereld versus de buitenwereld van inwoners als gevolg. Omdat ieder vanuit het eigen perspectief de werkelijkheid genereert. Buiten is maatwerk nodig, maar binnen is rechtmatigheid en gelijke behandeling een basisbeginsel. Buiten is ruimte de regel, maar binnen moet publiek geld deugdelijk verantwoord worden. Buiten denken we in mogelijkheden, maar binnen geldt toch ook het belang van de beperking; al was het alleen al omdat de middelen beperkt zijn, er wettelijke kaders zijn die ooit met redenen bedacht waren, en de overheid vanuit de beginselen van goed bestuur moet handelen.

Ik begrijp het wel: het is pragmatisch. Maar het geeft een totaal verkeerd signaal af aan de mensen in de praktijk. De intentie van veel bestuurders om te werken vanuit de bedoeling staat niet ter discussie. maar de bestuurlijke slagkracht om daar te komen lijkt te ontbreken. Want hoezeer de decentralisaties ook uitnodigen tot open samenwerking, in werkelijkheid blijven velen functioneren in de wereld van hun eigen koker en mogelijkheden. Niet uit onwil, maar door de meervoudige sturingsmechanismen. Daarom is mijn ondubbelzinnige boodschap voor de partijen – en hun onderhandelaars – na de gemeenteraadsverkiezingen in 2018: Er is één sociaal domein. Handel daarnaar!

De gewenste beweging binnen het sociaal domein vraagt interdisciplinaire samenwerking. Ook, of misschien juist wel, op bestuurlijk niveau. De nieuwe manieren van werken, aansturen en organiseren vraagt om het wegnemen van de verschillen in de werkkaders, regelgeving en procedures per discipline. Dan ook kunnen gemeenten en hun inwoners optimaal profiteren van de overlap tussen de verschillende beleidsthema’s. De huidige bestuurspraktijk, met vaak meerdere portefeuillehouders op de verschillende deelterreinen, draagt daaraan echter niet bij. Politiek handjeklap, waarbij het draait om droge kavelruil van posities en macht verpoldert daarbij de opdracht tot samenwerking.

Vraaggericht werken, doen wat nodig is voor inwoners, wordt in sterke mate bepaalt door de wijze waarop gemeenten sturen, samenwerken, contracteren en organiseren. Dat beïnvloedt hoe het er bij de inwoners aan tafel aan toe gaat. Er is daarom een nieuw evenwicht nodig tussen loslaten en controle. In de wetenschap dat er  financieel en maatschappelijk veel te winnen is met een andere, ontkokerde sturing.

Naast ontdekken waar het echt om gaat in het leven, begint dat bij het aanstellen van één verantwoordelijke wethouder. Iemand die voldoende statuur en mandaat heeft om bij zijn collega’s de benodigde veranderingen af te dwingen. Het sociale domein behelst namelijk belangen die ons allemaal aangaan, ongeacht politieke kleur of geloof. Ik hoop en wens daarom over een jaar te kunnen vaststellen dat de inwoners echt het referentiepunt zijn voor dat wat de nieuwe colleges van Burgemeester en Wethouders doen.

Vraaggericht werken, doen wat nodig is voor inwoners vraagt vertrouwen, samenwerken en loslaten. Daaraan vorm geven vergt voorbeeldgedrag in effectief terugtreden. Een manier van werken waarin eigenaarschap en zelfredzaamheid van inwoners en hun nabije omgeving centraal staan. Los van partijpolitieke doelstellingen, macht en posities die binnen gehaald moeten worden. Zo bezien is de opgave voor gemeentebestuurders zelf exact gelijk aan die welke zij vastleggen in de gemeentelijke beleidsvoornemens voor het sociaal domein: denken en doen vanuit de inwoners in plaats van het eigen of organisatiebelang.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Let’s twist again

vulkaan.png

  • Op een vulkaan dansen is het genoegen van een vrij mens

Als jong jochie smulde ik op school van de verhalen over de Hoekse en Kabeljauwse twisten. De strijd tussen verschillende facties (politieke groeperingen) binnen de elite van het graafschap Holland. Zij begonnen met het kinderloos overlijden van de Hollandse graaf Willem IV in 1345 en duurden die tot ver in de vijftiende eeuw. Het conflict om de hoogste macht in het graafschap leidde tot spanningen en mondde in 1349 uit in een oorlog. Het woord ‘twist’ had destijds voor mij een heel milde klank. Wellicht omdat in mijn jeugd de twist hoogtij vierde.

De twist is een dans; ontstaan in het begin van de 60-er jaren. Bij de twist (van het Engels: draaien) wordt door het bovenlichaam een draaiende beweging gemaakt, waarbij de gebogen armen worden opgetild. Ondertussen maakt het onderlichaam een tegengestelde beweging. Men dient daarbij tegelijk de benen iets gebogen te houden (alsof men een beetje hurkt). Ieder danst individueel; de dansers raken elkaar niet aan.

In mijn jonge jaren twistte ik dus wat af. Frank en vrij als een vogel. Op twistnummers als ‘Let’s twist again’ (Chubby Checker) ‘Twistin” (Sam Cooke) en ‘Twist and shout’ (The Isley Brothers). Nooit legde ik het verband met strijd en oorlog.

Vandaag aan de dag is dat wel anders. Dagelijks word ik overspoeld met twisten tussen mensen en volkeren. Ze maken mij – en vele anderen – er niet vrolijker op. Ik word er onzeker en banger van. Want, zo wordt verteld: de wereld staat in brand. En voor wie door een aanslag, een overval of een bombardement wordt geraakt, is dat natuurlijk ook zo. De werkelijkheid echter staat haaks op mijn intuïtie. Blijkt uit de koele cijfers.

Europa – Nederland incluis – is een heel stuk minder gewelddadig dan, pak ‘m beet, 25 jaar geleden. Misschien was er wel nooit zo weinig geweld dan vandaag. Bovendien worden onze oorlogen minder dodelijk. In de jaren ‘50 stierven wereldwijd 22 op de 100 duizend mensen door oorlogsgeweld, inclusief terrorisme. In de jaren ’80 zakte dat tot vijf. En vandaag staat de teller op 1,5 oorlogsdode per 100 duizend mensen. En ook al is nog steeds elke dode er een teveel, juist deze daling in oorlogen en oorlogsdoden is ronduit bemoedigend.

Voor ‘gewone’ moord en doodslag, wereldwijd, gelden vergelijkbare cijfers. In de meeste landen, zo ontdekten criminologen, daalt het aantal moorden jaar, jaar uit. In Nederland zijn vorig jaar (2015) 120 mensen omgekomen door moord of doodslag. Dat aantal is in de afgelopen twintig jaren niet zo laag geweest.

Hetzelfde geldt voor de Europese Unie: in de afgelopen 15 jaar, van de aanslagen op elf september 2001 in New York tot en met de aanslagen in Brussel van maart 2016, stierven in de EU 577 mensen door terroristisch geweld. In periode 1985 tot 2000, dus uit de 15 jaar die daaraan vooraf gingen, vermoordden terroristen in Europa echter nog 2.120 mensen. En dat waren dan de jaren die we ons herinneren als de saaie jaren ’80 en de optimistische jaren ’90.

En toch dreigt angst als moeder van mijn moraal. Een gevoel van onbehagen, dreiging en gevaar Omdat wat er precies gebeurt nauwelijks te bevatten valt. Hoe groot is het? En wie zitten erachter? Als ik niet oppas brengt het mijn eigen leven in crisis. En wie in crisis verkeert, vertrouwt niet meer op het gesprek, de dialoog. Omdat de belangrijkste voorwaarde daartoe – het vertrouwen – teloor is gegaan.

Juist daarom is angst – hoe begrijpelijk ook – een slechte raadgever. Het is zonder meer de belangrijkste en machtigste emotie. En juist daardoor ook de belangrijkste bron van wreedheid. Omdat zij sterker is dan wapens. Wanner het niet lukt om de angsten te overwinnen, dan zal op den duur brengen wat ik vrees: haat. Dan zal de angst zelf angst en verdoemenis zaaien. De ongeregeldheden op diverse plekken in Nederland rond de vestiging van asielzoekerscentra zijn daarvan een voorbeeld.

Zij komen niet voort uit vreemdelingenhaat. Dat geloof ik niet. De overgrote meerderheid van de mensen heeft niets tegen asielzoekers. Het is de angst voor het onbekende. Het niet weten van wat er precies gebeurt. Mensen houden gewoon niet van verandering. Als antwoord trekken wij ons angstig terug in een gedroomde identiteit die de ander en het andere, buiten de orde stelt.

Het is waarschijnlijk daarom dat ik mij dezer dagen opnieuw aangesproken voel door de woorden van Nourdin el Ouali. Hij is een Rotterdammer. Vader, pedagoog, docent, mensenrechtenactivist en politicus. Hij pleitte – vorig jaar alweer – voor een ‘revolutie van vertrouwen’. Als antwoord op de tsunami van angst. Wederzijdse kennis en samenwerking zal het vertrouwen doen groeien. En daarmee ons gevoel van veiligheid. Zonder dat zal angst het leven in een staat van beleg houden, en juist daardoor haar verworvenheden doen verliezen.

Ik herhaal Nourdin’s oproep van harte. Met een zeker gevoel van urgentie. Want erger en vernietigender dan oorlog is de bittere angst ervoor. Daarom wil ik elkaar en de wereld met een warm hart en een koel hoofd tegemoet blijven treden. Gewoon, omdat mijn angst niets verandert aan het verdriet van gisteren en vandaag. Zij lost ook de problemen van morgen niet op. Juist daarom is het de moeite waard haar te overwinnen. Opdat ik, als dat jongetje dat ik ooit was, weer ouderwets kan twisten. Met jou en de wereld het genoegen ervaren een vrij mens te zijn.

Vertrouwen in een andermans deugd

weegschaal.png

  • Het gewicht van vertrouwen

Een bakker kreeg boter van een boer. In ruil daarvoor kreeg de boer brood van de bakker. Na een tijdje viel het de bakker op dat de stukken boter van de boer steeds lichter werden. De boter zou steeds drie pond moeten wegen, maar het leek iedere keer minder te zijn. De bakker woog de boter op zijn weegschaal. Die gaf hem gelijk en hij klaagde zijn boterleverancier aan bij de rechter.

‘Uw stukken boter zouden niet het vereiste gewicht hebben’, zei de rechter tegen de boterboer. ‘Dit stuk zou drie pond moeten wegen, maar het weegt veel minder.’ ‘Dat is uitgesloten, meneer de rechter’, zei de boer. ‘Ik heb het elke keer nagewogen.’ ‘Misschien kloppen uw gewichten niet’, opperde de rechter. ‘Hoezo gewichten?’ vroeg de boer stomverbaasd. ‘Ik heb helemaal geen gewichten. Die gebruik ik nooit.’ ‘Maar waar weegt u dan mee als u geen gewichten heeft?’, vroeg de rechter. ‘Heel eenvoudig’, zei de boer. ‘Ik krijg mijn brood van de bakker en hij krijgt boter van mij. Een brood weegt drie pond dus leg mijn boter links op de weegschaal en een brood rechts en zo weeg ik dat af.’

 

Moed stijgt met de moeilijkheden

ring.png

  • De ring

Er was eens een machtige en rijke Keizer, heerser over grote landerijen. Het woord “probleem” was hem vreemd, hij hield van het woord: “moeilijkheid”, want “moeilijkheden zijn het zout van het leven” placht hij te zeggen.

Op een dag riep hij alle wijze mannen en vrouwen van het land bij elkaar en zei: “Al dagen lang is er een ontrust in mij en een innerlijke stem zegt me dat die pas verdwijnt als jullie een ring voor mij maken. Die ring moet mij verdrietig maken als ik gelukkig ben en hij moet me weer gelukkig maken als ik een keer verdrietig ben.”

Wekenlang piekerden de wijzen van het land erover, ze beraadslaagden onder elkaar, ze verzonken in meditatie, tot uiteindelijk het resultaat van hun gemeenschappelijke inspanning vaststond.

Het was een heel eenvoudige gouden ring, waarin het volgende inschrift gegraveerd was: Ook dit zal voorbijgaan!