Spiegeltje, spiegeltje aan de wand

blaming.png

  • De slachtoffers van zich zelven geven altijd aan anderen de schuld

Minister Hugo de Jonge vindt de vernieuwing van de jeugdhulp onvoldoende geslaagd. Deze is, zo zegt hij, sinds de decentralisatie onvoldoende van de grond gekomen. Op kleinere schaal zette ook de Nijmeegse Wethouder Bert Frings (GroenLinks) zijn kanttekeningen. Hij zei teleurgesteld te zijn in de kwaliteit van de aanbieders. Tegelijkertijd heeft hun ‘klagen’ iets van slachtoffers die anderen de schuld geven van het eigen tekortschieten.

De transformatie van jeugdhulp verloopt moeizaam. Dat is waar. De oorzaak daarvan ligt niet aan het tekortschieten van de een of de ander. Het buizen is een collectieve verantwoordelijkheid.  Ieder voor zich strijdt als Joris met de Draak met een veelkoppig monster in verschillende gedaanten. Een monster bovendien dat al veel langer ons doen en laten beheerst.

Zo is er de kop ‘Samenwerking’. Samenwerking is belangrijk; zingen wij in koor. Niet alleen binnen de zorg, maar ook met welzijn, jeugd- en jongerenwerk, onderwijs en justitie. Waar wij echter samenwerking prediken, zaaien wij verdeeldheid. In de zucht naar kostenreductie bijvoorbeeld, kiest menige overheid als basis voor de inkoop en contractering voor het instrument van aanbesteding. Aanbieders die enerzijds als partners worden aangesproken, worden daarmee anderzijds als concurrenten tegenover elkaar gesteld.  Terwijl juist de manier waarop partijen in de sector samenwerken van groot belang is; het is en blijft de slagader van succes.

Om daartoe te komen zullen partijen het gesprek aan moeten gaan over het verdienmodel, de doelstellingen en de procesinrichting. Zonder helderheid hierover zal de slagader dichtslibben (miscommunicatie, verspillingen), waardoor het succes uitblijft, of erger….Ik denk dat overheden, aanbieders en inwoners de uitdagingen in de jeugdhulp alleen aankunnen als zij op een wezenlijk andere manier gaan (samen)werken. Simpel gezegd: “Het loont om goed samen te werken!

En dat brengt ons bij de volgende kop: “Vertrouwen”. Dat blijkt nog ver te zoeken. Zo is eigenlijk door de gehele sector en op alle niveaus waarneembaar. Marktwerking en concurrentie werken door in de verhoudingen. De mogelijkheden tot samenwerking nemen daardoor eerder af dan toe, terwijl dit juist belangrijk is in de zorgketens van tegenwoordig. Herstel van het vertrouwen is van groot belang. Ook omdat zij aan de basis ligt van de – voor het denken en doen op eigen kracht denken noodzakelijke – professionele autonomie.

Het vaak zeer opportunistische gedrag van alle betrokkenen vraagt hierbij aandacht. Alles moet kunnen voor de cliënten, alles moet uit de kast gehaald worden, maar er moeten ook financiële doelstellingen worden gehaald. Aanbieders van hun kant hebben de mond vol van de menselijke maat, maar de oplossingen moeten wel binnen hun productenportfolio passen. Het gevolg is een soort van polderoverleg, waarbij zowel de kool als de geit wordt gespaard. Om te overleven probeert iedereen dat spel te beheersen. Het gaat dan vaak niet meer om de beste oplossingen aan te dragen, maar om de slag in de arena te winnen.

Naast de koppen ‘samenwerking’ en ‘vertrouwen’ worden met grote regelmaat de andere koppen van het monster als schaamlap voor het wederzijds falen op tafel gelegd:

  • ‘Bureaucratie’: Iedereen wil ervan af en toch wordt het steeds erger. Elk nieuw kabinet belooft dat er gehakt gaat worden in de regels, maar niemand die er iets van merkt. Inmiddels is zelfs het meten en bestrijden van bureaucratie een bureaucratisch proces geworden!
  • ‘Privacy’: Het lijkt een schaamlap voor hulpverleners die niet hebben gedaan wat ze moeten doen; die zich niet door anderen in de kaarten willen laten kijken en zich dan op privacy beroepen.

De meest ingewikkelde kop is echter die van ‘transformatie’. Mogelijk, omdat deze kop zich veelal in de nevelen van verlegen onvermogen hult.

Je hoort het steeds meer: we leven in een transformatie-wereld. Met daarin een glansrol voor het fenomeen ‘eigen kracht’. Transformatie lijkt daarvoor te zijn uitgevonden. Alles moet anders. En goedkoper. ‘Zelf de regie pakken’, dat is ons antwoord op de bezuinigingen in het sociale domein. Teveel naar mijn smaak is transformatie daarmee verworden tot een instrumentele aanpak. Met de focus op vorm in plaats van attitude. Het gevolg is een cocktail van beweeglijkheid, onzekerheid, complexiteit en meerduidigheid, binnen en buiten onze organisaties. Wat weer op gespannen voet staat met een ongebreidelde (en toenemende) behoefte aan voorspelbaarheid en controle.

Alle betrokken partijen – overheden, aanbieders, professionals en inwoners – hebben een gerechtvaardigd belang bij de transformatie van de jeugdhulp. Elk van hen echter heeft ook een eigen perspectief op de aard, inhoud en het gewicht daarvan. Dat snapt iedereen. Maar leg dat eens aan elkaar uit en ga er minimaal over in gesprek.

Transformatie namelijk is, meer dan wij misschien wel willen, een zaak van verhoudingen. Jegens elkaar, jegens problemen, uitdagingen en de belangen die daarbij in het geding zijn. Als wij de transformatie tot een succes willen maken, vraagt dat daarom eerst en vooral om een dialoog over de belangen. Die moet je als partijen helder en transparant maken. En, als ze dat zijn, vraag dan eens aan elkaar hoe of, en hoe, die belangen samen gewaardeerd en geprioriteerd kunnen of moeten worden. Helaas gebeurt dat nu niet (overal). Er wordt niet – en in ieder geval te weinig openlijk – gesproken over onderlinge belangen. Liever immers geven wij anderen de schuld van het tekortschieten.

Heb ik vertrouwen in de toekomst? Jazeker! Omdat uiteindelijk iedereen hetzelfde belang dient: het belang van de inwoners van ons land. Maar het zal veel tijd, geld en energie kosten om dat uiteindelijk samen te realiseren.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Advertenties

Macht, wat doe je er mee als je haar hebt…

macht1.png

  • Vertrouwen, samenwerken en loslaten

Nu de landelijke verkiezingen weer achter ons liggen en de coalitieonderhandelingen gestart zijn, kunnen wij onze ogen richten op de volgende: de gemeenteraadsverkiezingen van 2018. Zorg, decentralisaties, werkgelegenheid en economie zullen ook dan weer belangrijke speerpunten in de verkiezingsprogramma’s zijn. De portefeuilles voor deze beleidsterreinen worden bij de coalitieonderhandelingen doorgaans verdeeld over verschillende wethouders. Niet in de laatste plaats ook, omdat de wens om alle partijen tevreden te houden nog wel eens leidend kan zijn. Als dat volgend jaar, net als bij de vorige verkiezingen, weer het geval is, laten wij een grote kans op écht integraal beleid liggen.

Of het niet wat vroeg is daarover nu al te beginnen? Ik denk het niet. Want als het goed is wordt door de partijen nu al druk nagedacht over hun verkiezingsprogramma. En dat moet dit najaar al klaar zijn. Juist daarom is het goed dit punt nu al te agenderen.

De in 2015 gestarte transities vragen voor de echte opgave – aansluiten bij de leefwereld van de inwoners – niet alleen om een nieuwe uitvoeringspraktijk. Het vraagt (ook) op bestuurlijk niveau verbinding in plaats van versnippering. Natuurlijk, in toenemende mate staat samenhang op de agenda. Maar wat nog in ontwikkeling is, is een echt integrale uitvoeringspraktijk. Een aanpak die de inwoners als vertrekpunt neemt in plaats van de  vele afzonderlijke thema’s binnen het sociaal domein.

We willen één sociaal domein, maar op bestuurlijk (ook departementaal) niveau is er veelal nog sprake van separatie. De verschillende wetten (Wmo2015, Jeugdwet, Participatiewet, naast Bijstandswet en Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, blijven hangen tussen verschillende portefeuilles en instituties. Met een voortdurende confrontatie tussen de ambtelijk-bestuurlijke binnenwereld versus de buitenwereld van inwoners als gevolg. Omdat ieder vanuit het eigen perspectief de werkelijkheid genereert. Buiten is maatwerk nodig, maar binnen is rechtmatigheid en gelijke behandeling een basisbeginsel. Buiten is ruimte de regel, maar binnen moet publiek geld deugdelijk verantwoord worden. Buiten denken we in mogelijkheden, maar binnen geldt toch ook het belang van de beperking; al was het alleen al omdat de middelen beperkt zijn, er wettelijke kaders zijn die ooit met redenen bedacht waren, en de overheid vanuit de beginselen van goed bestuur moet handelen.

Ik begrijp het wel: het is pragmatisch. Maar het geeft een totaal verkeerd signaal af aan de mensen in de praktijk. De intentie van veel bestuurders om te werken vanuit de bedoeling staat niet ter discussie. maar de bestuurlijke slagkracht om daar te komen lijkt te ontbreken. Want hoezeer de decentralisaties ook uitnodigen tot open samenwerking, in werkelijkheid blijven velen functioneren in de wereld van hun eigen koker en mogelijkheden. Niet uit onwil, maar door de meervoudige sturingsmechanismen. Daarom is mijn ondubbelzinnige boodschap voor de partijen – en hun onderhandelaars – na de gemeenteraadsverkiezingen in 2018: Er is één sociaal domein. Handel daarnaar!

De gewenste beweging binnen het sociaal domein vraagt interdisciplinaire samenwerking. Ook, of misschien juist wel, op bestuurlijk niveau. De nieuwe manieren van werken, aansturen en organiseren vraagt om het wegnemen van de verschillen in de werkkaders, regelgeving en procedures per discipline. Dan ook kunnen gemeenten en hun inwoners optimaal profiteren van de overlap tussen de verschillende beleidsthema’s. De huidige bestuurspraktijk, met vaak meerdere portefeuillehouders op de verschillende deelterreinen, draagt daaraan echter niet bij. Politiek handjeklap, waarbij het draait om droge kavelruil van posities en macht verpoldert daarbij de opdracht tot samenwerking.

Vraaggericht werken, doen wat nodig is voor inwoners, wordt in sterke mate bepaalt door de wijze waarop gemeenten sturen, samenwerken, contracteren en organiseren. Dat beïnvloedt hoe het er bij de inwoners aan tafel aan toe gaat. Er is daarom een nieuw evenwicht nodig tussen loslaten en controle. In de wetenschap dat er  financieel en maatschappelijk veel te winnen is met een andere, ontkokerde sturing.

Naast ontdekken waar het echt om gaat in het leven, begint dat bij het aanstellen van één verantwoordelijke wethouder. Iemand die voldoende statuur en mandaat heeft om bij zijn collega’s de benodigde veranderingen af te dwingen. Het sociale domein behelst namelijk belangen die ons allemaal aangaan, ongeacht politieke kleur of geloof. Ik hoop en wens daarom over een jaar te kunnen vaststellen dat de inwoners echt het referentiepunt zijn voor dat wat de nieuwe colleges van Burgemeester en Wethouders doen.

Vraaggericht werken, doen wat nodig is voor inwoners vraagt vertrouwen, samenwerken en loslaten. Daaraan vorm geven vergt voorbeeldgedrag in effectief terugtreden. Een manier van werken waarin eigenaarschap en zelfredzaamheid van inwoners en hun nabije omgeving centraal staan. Los van partijpolitieke doelstellingen, macht en posities die binnen gehaald moeten worden. Zo bezien is de opgave voor gemeentebestuurders zelf exact gelijk aan die welke zij vastleggen in de gemeentelijke beleidsvoornemens voor het sociaal domein: denken en doen vanuit de inwoners in plaats van het eigen of organisatiebelang.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Let’s twist again

vulkaan.png

  • Op een vulkaan dansen is het genoegen van een vrij mens

Als jong jochie smulde ik op school van de verhalen over de Hoekse en Kabeljauwse twisten. De strijd tussen verschillende facties (politieke groeperingen) binnen de elite van het graafschap Holland. Zij begonnen met het kinderloos overlijden van de Hollandse graaf Willem IV in 1345 en duurden die tot ver in de vijftiende eeuw. Het conflict om de hoogste macht in het graafschap leidde tot spanningen en mondde in 1349 uit in een oorlog. Het woord ‘twist’ had destijds voor mij een heel milde klank. Wellicht omdat in mijn jeugd de twist hoogtij vierde.

De twist is een dans; ontstaan in het begin van de 60-er jaren. Bij de twist (van het Engels: draaien) wordt door het bovenlichaam een draaiende beweging gemaakt, waarbij de gebogen armen worden opgetild. Ondertussen maakt het onderlichaam een tegengestelde beweging. Men dient daarbij tegelijk de benen iets gebogen te houden (alsof men een beetje hurkt). Ieder danst individueel; de dansers raken elkaar niet aan.

In mijn jonge jaren twistte ik dus wat af. Frank en vrij als een vogel. Op twistnummers als ‘Let’s twist again’ (Chubby Checker) ‘Twistin” (Sam Cooke) en ‘Twist and shout’ (The Isley Brothers). Nooit legde ik het verband met strijd en oorlog.

Vandaag aan de dag is dat wel anders. Dagelijks word ik overspoeld met twisten tussen mensen en volkeren. Ze maken mij – en vele anderen – er niet vrolijker op. Ik word er onzeker en banger van. Want, zo wordt verteld: de wereld staat in brand. En voor wie door een aanslag, een overval of een bombardement wordt geraakt, is dat natuurlijk ook zo. De werkelijkheid echter staat haaks op mijn intuïtie. Blijkt uit de koele cijfers.

Europa – Nederland incluis – is een heel stuk minder gewelddadig dan, pak ‘m beet, 25 jaar geleden. Misschien was er wel nooit zo weinig geweld dan vandaag. Bovendien worden onze oorlogen minder dodelijk. In de jaren ‘50 stierven wereldwijd 22 op de 100 duizend mensen door oorlogsgeweld, inclusief terrorisme. In de jaren ’80 zakte dat tot vijf. En vandaag staat de teller op 1,5 oorlogsdode per 100 duizend mensen. En ook al is nog steeds elke dode er een teveel, juist deze daling in oorlogen en oorlogsdoden is ronduit bemoedigend.

Voor ‘gewone’ moord en doodslag, wereldwijd, gelden vergelijkbare cijfers. In de meeste landen, zo ontdekten criminologen, daalt het aantal moorden jaar, jaar uit. In Nederland zijn vorig jaar (2015) 120 mensen omgekomen door moord of doodslag. Dat aantal is in de afgelopen twintig jaren niet zo laag geweest.

Hetzelfde geldt voor de Europese Unie: in de afgelopen 15 jaar, van de aanslagen op elf september 2001 in New York tot en met de aanslagen in Brussel van maart 2016, stierven in de EU 577 mensen door terroristisch geweld. In periode 1985 tot 2000, dus uit de 15 jaar die daaraan vooraf gingen, vermoordden terroristen in Europa echter nog 2.120 mensen. En dat waren dan de jaren die we ons herinneren als de saaie jaren ’80 en de optimistische jaren ’90.

En toch dreigt angst als moeder van mijn moraal. Een gevoel van onbehagen, dreiging en gevaar Omdat wat er precies gebeurt nauwelijks te bevatten valt. Hoe groot is het? En wie zitten erachter? Als ik niet oppas brengt het mijn eigen leven in crisis. En wie in crisis verkeert, vertrouwt niet meer op het gesprek, de dialoog. Omdat de belangrijkste voorwaarde daartoe – het vertrouwen – teloor is gegaan.

Juist daarom is angst – hoe begrijpelijk ook – een slechte raadgever. Het is zonder meer de belangrijkste en machtigste emotie. En juist daardoor ook de belangrijkste bron van wreedheid. Omdat zij sterker is dan wapens. Wanner het niet lukt om de angsten te overwinnen, dan zal op den duur brengen wat ik vrees: haat. Dan zal de angst zelf angst en verdoemenis zaaien. De ongeregeldheden op diverse plekken in Nederland rond de vestiging van asielzoekerscentra zijn daarvan een voorbeeld.

Zij komen niet voort uit vreemdelingenhaat. Dat geloof ik niet. De overgrote meerderheid van de mensen heeft niets tegen asielzoekers. Het is de angst voor het onbekende. Het niet weten van wat er precies gebeurt. Mensen houden gewoon niet van verandering. Als antwoord trekken wij ons angstig terug in een gedroomde identiteit die de ander en het andere, buiten de orde stelt.

Het is waarschijnlijk daarom dat ik mij dezer dagen opnieuw aangesproken voel door de woorden van Nourdin el Ouali. Hij is een Rotterdammer. Vader, pedagoog, docent, mensenrechtenactivist en politicus. Hij pleitte – vorig jaar alweer – voor een ‘revolutie van vertrouwen’. Als antwoord op de tsunami van angst. Wederzijdse kennis en samenwerking zal het vertrouwen doen groeien. En daarmee ons gevoel van veiligheid. Zonder dat zal angst het leven in een staat van beleg houden, en juist daardoor haar verworvenheden doen verliezen.

Ik herhaal Nourdin’s oproep van harte. Met een zeker gevoel van urgentie. Want erger en vernietigender dan oorlog is de bittere angst ervoor. Daarom wil ik elkaar en de wereld met een warm hart en een koel hoofd tegemoet blijven treden. Gewoon, omdat mijn angst niets verandert aan het verdriet van gisteren en vandaag. Zij lost ook de problemen van morgen niet op. Juist daarom is het de moeite waard haar te overwinnen. Opdat ik, als dat jongetje dat ik ooit was, weer ouderwets kan twisten. Met jou en de wereld het genoegen ervaren een vrij mens te zijn.

Vertrouwen in een andermans deugd

weegschaal.png

  • Het gewicht van vertrouwen

Een bakker kreeg boter van een boer. In ruil daarvoor kreeg de boer brood van de bakker. Na een tijdje viel het de bakker op dat de stukken boter van de boer steeds lichter werden. De boter zou steeds drie pond moeten wegen, maar het leek iedere keer minder te zijn. De bakker woog de boter op zijn weegschaal. Die gaf hem gelijk en hij klaagde zijn boterleverancier aan bij de rechter.

‘Uw stukken boter zouden niet het vereiste gewicht hebben’, zei de rechter tegen de boterboer. ‘Dit stuk zou drie pond moeten wegen, maar het weegt veel minder.’ ‘Dat is uitgesloten, meneer de rechter’, zei de boer. ‘Ik heb het elke keer nagewogen.’ ‘Misschien kloppen uw gewichten niet’, opperde de rechter. ‘Hoezo gewichten?’ vroeg de boer stomverbaasd. ‘Ik heb helemaal geen gewichten. Die gebruik ik nooit.’ ‘Maar waar weegt u dan mee als u geen gewichten heeft?’, vroeg de rechter. ‘Heel eenvoudig’, zei de boer. ‘Ik krijg mijn brood van de bakker en hij krijgt boter van mij. Een brood weegt drie pond dus leg mijn boter links op de weegschaal en een brood rechts en zo weeg ik dat af.’

 

Moed stijgt met de moeilijkheden

ring.png

  • De ring

Er was eens een machtige en rijke Keizer, heerser over grote landerijen. Het woord “probleem” was hem vreemd, hij hield van het woord: “moeilijkheid”, want “moeilijkheden zijn het zout van het leven” placht hij te zeggen.

Op een dag riep hij alle wijze mannen en vrouwen van het land bij elkaar en zei: “Al dagen lang is er een ontrust in mij en een innerlijke stem zegt me dat die pas verdwijnt als jullie een ring voor mij maken. Die ring moet mij verdrietig maken als ik gelukkig ben en hij moet me weer gelukkig maken als ik een keer verdrietig ben.”

Wekenlang piekerden de wijzen van het land erover, ze beraadslaagden onder elkaar, ze verzonken in meditatie, tot uiteindelijk het resultaat van hun gemeenschappelijke inspanning vaststond.

Het was een heel eenvoudige gouden ring, waarin het volgende inschrift gegraveerd was: Ook dit zal voorbijgaan!

Einstein heeft gelijk

trapeze

  • Vertrouwen is een ruimte biedende activiteit

Nederland zit in een transitie (overgang) en transformatie (omvorming) naar een nieuwe samenleving. Dit is niet zomaar een idealistisch vergezicht, maar een onontkoombare uitkomst van de kanteling die wij doormaken. Rode draad is dat alle maatschappelijke sectoren hun houdbaarheidsdatum naderen, omdat zij de mens niet langer centraal stellen. Mensen ontwikkelen daarom zelf alternatieven en voeren die zelf of samen met anderen uit. Samen vormen zij de beweging van onderop, essentieel voor de transitie naar een beter aangepaste samenleving en economie.

De op 1 januari 2015 ingezette overdracht van taken en verantwoordelijkheden binnen het sociaal domein naar gemeenten beoogt daarop aan te sluiten en een antwoord te vinden op de veranderende verhoudingen. Niet, omdat het moet, maar omdat het kan! Vernieuwen, veranderen en vertrouwen zijn daarbij essentiële thema’s.

In de uitwerking van die opdracht en uitdaging zien wij overal ‘kiemen van vernieuwing’. Vanuit een gedeelde visie en gevoel van urgentie, zien wij overal in ons land aanjagers van verandering. Tegelijkertijd echter blijven wij kniesoren.

Vernieuwen en veranderen? Is een must. Vindt iedereen. Maar vooral bij de ander dan. Vertrouwen? Uitstekend. Maar, vertrouwen blijkt een kwetsbaar gevoel. Het ‘gaat te paard’ en ‘komt te voet’. De stemming en de ruimte voor verandering wordt in sterke mate bepaald door berichtgeving in de media. Over verschraling van het aanbod, ernstige incidenten, fraude zaken bijvoorbeeld. Of zorgverleners die hun eigen financiële gewin boven het belang van hun cliënten lijken te stellen. Zij leiden – in weerwil van de beoogde beweging – tot toenemende beheers- en controledrift. Leren ook de trends op de arbeidsmarkt.

In 2015 is de vraag naar financieel specialisten met maar liefst 24 procent gestegen. De meest populaire functies zijn accountant, business controller en finance manager. Bij de overheid is de vraag in 2015 met maar liefst vijftig procent toegenomen.

Vertrouwen speelt een cruciale rol bij de beoogde omvorming binnen het sociaal domein. Vertrouwen echter is, zo blijkt, geen vaststaand feit. Het is de resultante van een activiteit. Het gedijt wanneer partijen elkaar serieus nemen, afspraken maken, zich er aan houden en zich er op aan laten spreken.

Hoe anders is de werkelijkheid. De discussie rondom het beheersbaar houden van de zorgkosten staat voorop. Dit gaat gepaard met enorm veel bestuurlijke drukte en administratieve last. Met vervreemding van veel zorgprofessionals tot gevolg. Zij voelen zich steeds minder erkend in hun vakmanschap. Ze moeten steeds meer bewijzen en verantwoorden. Tegelijkertijd mogen ze steeds minder.

Ik betreur dit. In hoge mate. Ik denk ook dat het anders kan. Bijvoorbeeld door een wijziging in de bekostigingsstructuur.

De gekende bekostigingssystemen zijn gebaseerd op capaciteit, bezettingsgraad en budgetten. Dat wil zeggen dat zorgaanbieders worden beloond op basis van geleverde productie. Individuele zorgaanbieders die hun inkomsten willen optimaliseren, zijn gebaat bij het realiseren van haar productie aantallen en bij voorkeur tegen een zo’n hoog mogelijk tarief. Deze wijze van bekostiging herbergt niet alleen een volume- en financieringsrisico voor de opdrachtgever met zich. Die zich weer vertalen in nog meer beheersdrift.

Het denken en doen in termen van beheersing uit zich in een sterke hang naar registraties en monitoring. Terwijl professionals ruimte nodig hebben. Om eigen afwegingen te maken in het gesprek met de inwoner Ruimte die ernstig wordt beperkt door het regime van (verantwoording op) uren en productie.

Albert Einstein drukte het ooit heel treffende uit: “We kunnen een probleem niet oplossen met de denkwijze die het heeft veroorzaakt.”. Wij moeten dus consequenties durven verbinden aan de kanteling die wij doormaken. Een passende manier vinden om het beter te doen.

Afgezien van alle ideologische veranderingen, vraagt de omvorming (ook) om een omslag in het denken en handelen van de systeembeheerders/financiers. Het gepaste en gevraagde antwoord daarop is beschikbaar, maar wordt nog mondjesmaat toegepast.

Maak professionals zelf verantwoordelijk voor de kosten. Geef ze de ruimte hun vak uit te oefenen. Professionals kunnen volgens mij goed omgaan met schaarste. Zo lang ze er maar zelf over gaan. En ze op individueel niveau samen met de betrokken inwoner en/in zijn omgeving kunnen bekijken op welke wijze de ondersteuningsvraag het beste kan worden beantwoord. En hoe de zorg het beste kan aansluiten bij de specifieke mogelijkheden, wensen en leefsituatie van betrokkene(n). Dat professionals hier vervolgens verantwoording over afleggen spreekt vanzelf.

Vakmanschap en kosten. Een combinatie die het (be-)proeven waard is. Het bespaart niet alleen een hoop bestuurlijk drukte en administratieve (over-)last. Het brengt – zo weet ik uit eigen ervaring bij voorloperprojecten – een aanzienlijke (tot 40%!) kostenreductie met zich. En, belangrijker nog: een hogere klanttevredenheid en heel veel meer werkplezier van en voor de professionals.

De IJsberg – vertrouwen

ijsberg

Ver naar het Noorden, daar waar ’s winters de zon niet opkomt, brak met krakend geraas een nieuwe ijsberg van de witte gletsjer en stortte schuimend in de zee. Hij kantelde twee keer om, schudde zich, keek om zich heen, tuurde onder zich en begon direct met alle kracht te drijven. Het was wel een indrukwekkend gebeuren geweest, dit losbreken, maar echte angst had hij eigenlijk niet gevoeld want zijn ouder – de witte gletsjer – had hem grondig voorbereid op wat hem hier te wachten stond.

‘Straks, mijn jongen’, had de wijze gletsjer gezegd, ‘kom je in de harde ijsbergenmaatschappij en begint de strijd om het bestaan. Daar moet je je mannetje staan, je zegje weten te doen, de kaas niet van je brood laten eten en een plaatsje onder de zon veroveren. Let dus goed op, doe je best maar voorál… denk er vooral om, dat je direct als je los bent en weer rechtop kunt staan, meteen begint te drijven en dat je daar onder geen beding mee ophoudt, tot je laatste splinter aan toe. Want doe je dat niet, kun je je niet drijvende houden… wel, kijk maar eens onder je, straks, in die peilloze donkere diepte, waar nog nooit een ijsberg van terug is gekomen. Als je ook maar één moment ophoudt met drijven, stort je daarin en dan ben je voorgoed verloren!’

Dit alles was goed tot de nieuwe ijsberg doorgedrongen en dus ging hij direct driftig aan de gang. Hij dreef uit alle macht… en waarachtig, hij viel niet in die donkere afgrond onder hem, waar hij vaag de scherpe pieken van diepe ravijnen kon onderscheiden, die hem zeker tot splinters zouden vermorzelen, als hij ook maar even zou ophouden zich drijvende te houden; precies zoals zijn ouder hem had voorspeld.

En dus botste hij met alle macht tegen de andere ijsbergen om hem heen om zijn plaatsje te veroveren, probeerde een of meer van die leuke, ronde ijsbergen te bewegen bij hem in de buurt te blijven, zorgde ervoor dat hij niet omkantelde als de storm om hem heen loeide en dreef al gauw, statig en zelfverzekerd, naar een stille bocht van de rotskust waar de Wijze Oude IJsberg les gaf aan nieuwelingen.

‘Wij ijsbergen’, zo sprak hij, ‘zijn de hoogste trap van de beschaving, want wij hebben, als enigen, het zgn. Vrije Drijfvermogen, dat wil zeggen dat wij zelf kiezen en bepalen waarheen wij willen drijven. Dat kunnen de anderen niet – kijk maar eens onder je, daar zie je de vissen willoos heen en weer schieten, gedwongen voedsel te zoeken en te paren. Maar drijven zie je ze niet. Net zo min als de vogels boven je, die door elke bries heen en weer gesmeten worden. Maar wij, wij gaan waar we willen.

Let maar eens op, straks in het voorjaar willen we opeens allemaal naar het zuiden drijven – zo tegen de tijd dat de Noordenwind opsteekt – dat is een machtig en majestueus bewijs van onze superioriteit. En later, dan kiezen sommigen ervoor naar het Westen te drijven, daar waar we de Oostenwind ontmoeten, terwijl anderen weer liever naar het Noorden drijven als we de warme Golfstroom voelen. Zo vrij als een ijsberg! Natuurlijk, je moet wel weten wat je wilt, je moet kunnen kiezen en een zelfstandige ijsberg zijn, die weet waar het Noorden en het Zuiden liggen – anders drijf je maar wat rond. Gelukkig hebben jullie ons, de Wijze IJsbergen, om jullie alles te leren wat je nodig hebt.’
Met gespitste ijsoortjes hadden de nieuwelingen alles aangehoord en trots keken ze om zich heen – wij, Vrije IJsbergen, heersers der schepping, niet gek hoor!”

Maar daar vroeg een klein timide stemmetje plotseling: ‘Oude Wijze, wilt u ons niet wat meer vertellen over het Water?’ Het werd heel stil onder de ijsbergen en de Oude Wijze keek streng en plechtig – Het Water, o jee, dat was een van die dingen waar je maar niet zo over sprak, dat was een Heilig Ding en zeer geheimzinnig.

‘Het Water’, zei de Oude Wijze ernstig, ‘is het grootste mysterie dat wij kennen, maar ik zal jullie doorgeven, zoals dat van generatie tot generatie is gegaan, wat wij ervan weten.’

‘In onze oude boeken staat dat er ergens, heel ver weg – er staat ‘in de hemelen’, maar niemand weet goed wat dat is – een gebied is waar wij ijsbergen niet meer zo uit alle kracht behoeven te drijven en toch niet in de afgrond storten, waar vrede rust en vreugde heerst en waar wij eeuwig kunnen blijven ronddobberen. Als je hier boven goed je best doet, luistert naar wat de oude boeken en de Oude Wijzen zeggen, dan kom je – nadat je in de afgrond bent gestort – in het Water terecht, tenminste dat geloven we. Er zijn wel eens ijsbergen geweest die beweerden, dat je het Water kon zien terwijl je nog dreef – maar die hebben onze voorvaderen toen verpletterd, want het was al te gek wat die zeiden: wij zouden allemaal een soort afgietsel of evenbeeld van het Water zijn of zoiets. Sommige oude boeken spreken met verering van deze dwazen en er staat ook in beschreven wat je allemaal moet doen om uiteindelijk tot Water te worden.’

‘Wat dan?’, vroegen de jonge ijsbergjes nieuwsgierig.

‘Wel, er zijn een heleboel regels waar we het in de loop van de tijd wel over zullen hebben: Je moet altijd aardig zijn tegen je mede-ijsbergen, je mag ze niet wegduwen of kapotmaken, je mag geen ronde ijsbergen van elkaar afpakken en zo nog meer. Je moet hard aan jezelf werken – alle scherpe kanten moet je eraf stoten en je moet proberen, een helemaal vierkante ijsberg te worden – een kubus, zogezegd. Pas als je een kubus bent, ben je volmaakt en kun je tot Water worden. Maar vooral, en dat is héél belangrijk, mag je geen zonden op je laden.’

‘Wat zijn dat, zonden, Oude Wijze?’ vroeg er een.

‘Kijk, dat zit zo: van tijd tot tijd valt er, zoals jullie weten, iets uit de lucht op ons ijsbergen: sneeuw en regen noemen we dat. Wel, sneeuw is heel zondig en slecht: dat moet je zo vlug mogelijk van je afschudden of afkrabben. Maar regen, dat is heel goed, dat is deugd. Houd dat zo goed mogelijk vast, want wie het meeste regen heeft, wordt het eerst tot Water, onthoud dat goed!’

De jonge ijsberg was helemaal confuus van al dit nieuws en ging weldra driftig aan het werk, want hij wilde toch wel heel graag Water worden en niet kapot vallen op de rotsen in de afgrond. Maar moeilijk was het wel – als hij probeerde, een scherpe kant van zichzelf af te stoten, kwamen er twee voor in de plaats. Als er sneeuw op hem viel, veranderde dat direct in ijs en kon hij het verschil niet meer zien met regen, die hij bijna niet kon vasthouden, zo snel stroomde het van hem af.

Met al dat geploeter was het voorjaar geworden en de Vrije IJsbergen waren verder naar het Zuiden gedreven; de nieuweling was erin geslaagd een klein kommetje regen boven op zijn kruin te verzamelen en hij moest goed oppassen dat het niet weer wegstroomde.

Toen, op een stralende morgen, streek er een grote witte vogel op hem neer en dronk wat uit de regenplas. ‘Hé, blijf af, ik heb al zo weinig en anders word ik nooit Water!’ mopperde de ijsberg. Maar de witte vogel keek hem strak aan met zijn pientere, bruine oogjes en zei: ‘Water ligt op water ligt op water, waarom heb je zo’n dorst?’, sloeg zijn vleugels uit en verdween.

De ijsberg was met stomheid geslagen: hij kon er geen touw aan vastknopen. Het is toch zo dat sneeuw en regen op mij, de ijsberg, valt, die drijft boven de afgrond – zo was het toch en de vraag van de vogel sloeg op niets… of toch? Hij analyseerde en vergeleek met wat hij al wist, zocht verborgen symbolen, mompelde de zin dagenlang in zichzelf, trachtte te begrijpen: niets hielp. Zijn vrienden lachten hem uit, toen hij het verhaal vertelde en de Oude Wijze fronste zijn witte wenkbrauwen: ‘Geen onzin, alsjeblieft, wat weet zo’n domme vogel er nou van af? Zorg liever, dat je de sneeuw van je rug kwijtraakt en denk er maar verder niet over na.’

Maar de zin liet hem niet los. In zijn wanhoop dreef hij steeds verder van de anderen af, dag en nacht bezig met de vraag: ‘Water ligt op water ligt op water, waarom heb je zo’n dorst?’

Zo dreef hij op een vroege ochtend, stil in de afgrond kijkend, alleen op de kalme zee. Plotseling keek hij op: daar, vanuit de diepte, rees een vuurrode bal omhoog, die zich een moment lang volmaakt weerspiegelde – in de regenplas, zijn ijspantser en de afgrond; alles was gouden zonlicht om hem heen.

En daar viel, als in een bliksemschicht, alle vragen, ploeteren en angst van hem af en wist hij met volmaakte zekerheid: ‘Water ligt op Water ligt op Water, waar is de dorst?’ Een diepe ontspanning overviel hem – alle moeite om te blijven drijven viel weg en hij verdween in totale stilte.

Lange tijd daarna – of was het maar even? – stak er een briesje op en dreef hem terug naar zijn mede-ijsbergen. Bijna niemand merkte iets bijzonders aan hem op – ijsbergen letten in het algemeen niet zo goed op elkaar, daarvoor hebben ze het te druk met zich drijvende te houden – en het leek wel, of er niets veranderd was. Maar voor hem was alles veranderd. Na verloop van tijd viel het een enkele gisse ijsberg op, dat zijn buurman kennelijk geen enkele moeite meer deed om een kubieke ijsberg te worden en ook liet hij sneeuw en regen over zich heen waaien en stromen, alsof het er niet toe deed en alsof er geen verschil tussen was. Sommigen stelden hem daarover vragen; meestal glimlachte hij maar wat en gaf een antwoord dat hem aanstond en dat zij konden begrijpen; de enkeling die dóórvroeg nam hij stap voor stap mee naar zijn ervaring.

Alleen de witte zeemeeuw en een enkel kinderijsbergje merkten op, dat hij tussen alle anderen dreef alsof hij een van hen was – maar dat hij geen enkele moeite meer deed om zich drijvende te houden, dat hij moeiteloos en zonder inspanning voortdreef op de stroming van het Water, de enige werkelijke Vrije IJsberg.