Wie durft te verdwalen, vindt nieuwe wegen | Deel 1

wie durft.png

  • Haagse theorie versus lokale realiteit

Inwoners die meepraten over het lokale sociale beleid, over hun leefomgeving en hun bestuur. Het is een prachtig ideaal en paradigma. Het is tegelijkertijd geen luxe maar noodzaak in een snel veranderende samenleving,

Alleen, hoe doe je dat? Wij worstelen met wat ‘transformatie’ nu werkelijk inhoudt en vraagt. Wat betekent integraal werken. Welke informatie en sturing is nodig? Hoe meten wij de resultaten?

De onderstaande presentatie, mede gebaseerd op wijze lessen van Jan Rotmans en inzichten die de Raad voor het Openbaar Bestuur deelde, is samengevat in een vierluik. Zij beoogt een verkenning van de vraagstukken waarvoor gemeenten, professionals en andere betrokkenen worstelen. Met als doel het – in ontmoeting en gesprek – samen vinden van passende antwoorden.

In het (onderstaande) eerste ‘luik’ focussen wij op de aanleiding, het doel en de stand van zaken.

Zie ook:

  1. Wie durft te verdwalen, vindt nieuwe wegen | Deel 2 | Transformeren, wat is het en wat vraagt het.
  2. Wie durft te verdwalen, vindt nieuwe wegen | Deel 3 | Opgave & Dilemma’s
  3. Wie durft te verdwalen, vindt nieuwe wegen | Deel 4 | Sturen & Bekostigen

Hand-out

Een hand-out van de volledige presentatie kun je hier downloaden:

Doorgaan – Vooral doorgaan!

geld dans

  • Het is het geld dat ons doet worstelen

Innoveren en samenwerken is de noodzakelijke stap in de transformatie van het sociaal domein. Er is veel aan het veranderg een aantal jaren duren. We zitten met zijn allen in een veranderingsproces, met verschuivingen in macht, zeggenschap en geld. Die beweging mag en moet niet stilvallen nu er – al dan niet tijdelijk – extra geld komt voor het sociaal domein in het algemeen en de zorg voor jeugd in het bijzonder. Wij moeten doorgaan. Vooral doorgaan en doorpakken!

De transformatie in het maatschappelijk domein betekent een andere manier van denken en doen. Voor bestuurders en beleidsmakers, voor professionals en vrijwilligers. Met onze inwoners voorop. Samen moeten wij de participatiemaatschappij vormgeven.

Voor mij is het belangrijk om daarbij echt te leren van de praktijk, van de mensen om wie het gaat. Ook, omdat mensen, zeker als ze veel problemen hebben, hun oplossing het liefste zelf willen regelen. Het gaat er daarbij om hoe wij als overheid en als professionals in de ondersteuning goed aansluiten op wat mensen zelf al kunnen en graag willen. Waarbij het onze taak kan zijn hen te helpen overzicht te krijgen over hun leefsituatie. Om vervolgens een eerste stap te kunnen zetten om hun bestaanszekerheid te borgen.

Mensen met meerdere problemen hebben altijd één of twee acute problemen die rechtstreeks verband houden met die bedreiging van hun bestaanszekerheid. Die prioritaire problemen (financiën, wonen, overzicht) vragen om een snelle, meestal professionele, oplossing. Voor de één komt die bestaanszekerheid tot uitdrukking in financiële degelijkheid, voor de ander is dat het behoud van een (vrijwilligers-)baan die past als een jas, of een gezonde woning.

Maslow, een bekend Amerikaans psycholoog, ontwikkelde in de jaren zestig al de theorie van de toenemende behoefte. Kort door de bocht: alleen als in je basisbehoeften, zoals eten en drinken en een dak boven je hoofd is voorzien, als je je veilig en geliefd voelt en erkend wordt door je omgeving, kun je werken aan de volgende stap: die van zelfactualisatie. Dat betekent ook dat armoedebestrijding, schuldhulpverlening en participatie belangrijke vliegwielen zijn bij de transformatie van ons zorgstelsel. Daaruit kunnen nieuwe perspectieven ontstaan, andere manieren van omgaan met elkaar, maar ook nieuwe impulsen voor onderwijs en participatie en manieren waarop de mens wordt benaderd binnen de geestelijke en lichamelijke gezondheidszorg. Immers, een toegenomen bewustzijn werkt ook door naar de onderliggende lagen.

Jeugdigen, volwassenen en  ouderen die met psychosociale problemen kampen hebben wellicht ook medische of psychologische hulp nodig. Meestal echter richten wij ons op het reduceren, bestrijden of hanteerbaar maken van de gevolgen van een dieperliggende oorzaak. Als wij ons (te veel) daarop blijven focussen, faciliteren wij eerder het probleem, dan dat wij het oplossen.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de meest indringende opgave voor en bij de transformatie gaat over de behoefte aan, of beter: de noodzaak tot maatwerk. De hamvraag daarbij is: lukt het ons als professionals om uit onze koker te stappen en met inwoners te praten over wat de beste oplossing is? Nu bijvoorbeeld verwijzen veel huisartsen kinderen met gedragsproblemen automatisch door naar jeugd-(GGz-)instellingen. Dan komt het wel goed, is de gedachte. Nu heeft de huisarts drie keuzen. Hij kan een kind met probleemgedrag meteen doorverwijzen naar een instelling. Hij kan zelf pillen voorschrijven, of hij kan met het wijkteam in de gemeente praten over de context waarin dit kind opgroeit. Door samen naar de situatie van het gezin als geheel te kijken, kan blijken dat de oorzaak van het probleem een hele andere bron heeft dan het symptoom dat wij (willen) zien doet vermoeden.

Het extra geld dat het Rijk nu wil uittrekken voor de zorg voor jeugd draagt een groot risico in zich: nieuwe ruimte voor zorgaanbieders om het volume aan geleverde zorg te vergroten. Nieuwe ruimte ook om opvoedingsproblemen steeds meer te laten overnemen door een professioneel circuit van jeugdhulpverleners, orthotherapeuten en psychologen en ze zo af te pakken van ouders en opvoeders.

Ik zal niet beweren dat er geen financieel probleem is. Op dit moment is dat zeker het geval. Omdat wij eigenlijk geïntensiveerd doen, wat wij – ook voor de decentralisatie – altijd al deden. Er is echter geen enkele reden om de gelden structureel toe te kennen. Omdat ‘geld erbij’ niet automatisch leidt tot betere en beter beheersbare jeugdhulp. Integendeel. Meer geld zal de behoefte aan nog meer zorg eerder doen toenemen dan terugdringen. Betere en beheersbare jeugdhulp is gebaat bij een andere verhouding van ons jegens uitdagingen, wetten en regels. Dat vraagt kijken naar hetzelfde vraagstuk vanuit een ander perspectief. Over denken en doen in kansen en oplossingen.

Een betere regiovoering, betere sturing en betere samenwerking in combinatie met het gebruik van de juiste vliegwielen zal niet allen een halt toeroepen aan de toenemende hoeveelheid indicaties, waarbij steeds meer geld naar steeds meer nieuwe aanbieders met steeds onduidelijker kwaliteit gaat. Een zekere krapte in budget zal de kwaliteit van zorg juist vergroten door aanbieders uit te dagen om – samen met ouders, opvoeders en jeugdigen – de afweging te maken of zij iets doen dat werkt.

Daarom zeg ik, van harte: Laten wij ons niet laten afleiden door de rammelende buidels met geld. Zij stimuleren slechts de worstelpartij om de poet die ons al te lang afleidt van de werkelijke opgave. Wij moeten doorgaan met het veranderproces met verschuivingen in macht, zeggenschap en geld. Vooral doorgaan en doorpakken!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

 

Ik blijf het zeggen

ik blijf het zeggen.png

  • Geld is niet ons grootste probleem, gebrek aan transformatie wel

De VNG is met het Rijk in gesprek over de tekorten in het Sociaal Domein. Eind april neemt het kabinet een besluit over de voorjaarsnota. Voor gemeenten gaat het daarbij vooral om de thema’s jeugdhulp, Hoofdlijnen Akkoord Geestelijke Gezondheidszorg en de Wet Verplichte geestelijke gezondheidszorg. De discussie lijkt zich vooral toe te spitsen op de financiële tekorten bij gemeenten. Ik ontken het bestaan daarvan niet. Tegelijkertijd blijf ik zeggen: geld is niet ons grootste probleem. Het werkelijke probleem is gebrek aan transformatie.

Het kabinet heeft aangegeven onafhankelijk onderzoek te doen naar de jeugdhulp en eventuele volumegroei. Dat onderzoek is inmiddels in concept afgerond en er blijkt inderdaad sprake van een flinke volumegroei in de jeugdhulp. De VNG heeft daarop bij VWS aangedrongen op een adequate financiële compensatie hiervoor door het kabinet.

De volumegroei mag niet verbazen. Gemeenten zitten dichter op de huis van de inwoners. Daardoor zien zij niet alleen meer, inwoners spreken de gemeenten ook sneller aan op ondersteuning. Bij jeugd speelt daarbij ook nog eens het niet van de grond komen van Passend Onderwijs. Sterker nog: sneller en meer dan ooit verwijst het onderwijs voor zaken die eigenlijk hun verantwoordelijkheid zijn naar de gemeenten.

Waar wij met zijn allen niet, of in ieder geval niet voldoende, in slagen is het aanbieden van de juiste ondersteuning op de juiste plaats. Dat is ook de essentie van het Hoofdlijnenakkoord GGZ: de juiste zorg op de juiste plek organiseren. Onderdeel daarvan is meer mensen uit de instellingen, en meer zorg en ondersteuning thuis en in de wijk (ambulantisering). Daar heeft het sociaal domein een belangrijke rol. Natuurlijk, daar moeten middelen voor beschikbaar zijn. Ook hier echter is geld niet het grootste probleem. Het grootste probleem is onze samenleving. Of juister misschien: het gebrek aan een samenleving.

Ik haal de legendarische, vaak aangehaalde quote van Margaret Thatcher over dit onderwerp graag nog eens in onze herinnering. Want weet u, er is er lijkt steeds minder sprake van ‘de samenleving’. Er zijn individuele inwoners; jongens, meisjes, mannen en vrouwen, en er zijn gezinnen. En wij kunnen als hulpverleners niets doen zonder hulp van deze mensen. Mensen die allereerst naar zichzelf moeten kijken. Maar wij mensen denken steeds meer en veel te veel in rechten. Rechten zonder plichten.

Een van de belangrijkste beloften van de decentralisaties van het sociaal domein is democratisering. Maar dat lijken wij vergeten Dat met de decentralisaties ook een fundamenteel ander, meer democratische verhouding tussen inwoners en overheid in het sociaal domein wordt beoogd. Met decentralisaties wordt beleid over lokale problemen als zorg, welzijn en re-integratie lokaal gemaakt. Meer in het algemeen verplicht de inzet op eigen kracht tot het vinden van maximaal lokaal draagvlak, tot maximale transparantie van het gemeentelijk beleid, en tot verantwoording op het lokale niveau. Het gaat immers om de directe leefomgeving van mensen.

Maar dat is niet alles. De ambities van de decentralisaties reiken verder. Ten eerste moet decentralisatie niet alleen betrekking hebben op beleidsvorming, zoals vaak het geval is, maar ook op de uitvoering zelf: op de verhouding tussen de gemeenteraad en de organisaties die het beleid uitvoeren, de daarin werkende professionals en de inwoners voor wie het beleid bedoeld is. Instellingen en professionals zouden ‘meer ruimte’ moeten krijgen om lokaal maatwerk te leveren, minder gehinderd door dictaten van bovenaf uit Den Haag of de gemeente, en met veel minder verticale, bureaucratische verantwoording. In plaats daarvan zou er ‘horizontale verantwoording’ komen, tussen betrokkenen onderling.

Ten tweede was er de hoop en verwachting dat er een nieuwe verhouding tussen inwoners en overheid zou ontstaan. Een verhouding waarbij niet langer de overheid het beleid bepaalt en inwoners kunnen meepraten, maar het omgekeerde.

Dat alles is er tot op heden onvoldoende van gekomen. Het is nog steeds ieder voor zich. En dat geldt voor overheden, organisaties en inwoners. Het idee dat je een zekere verantwoordelijkheid hebt voor elkaar, leidt vooral tot et naar elkaar wijzen. Het is niet de taak van de overheid, noch van organisaties of individuele inwoners om te zorgen voor zieken, zwakken of minderbedeelden. Dat moeten wij samen doen.

Ja, ik hekel dus het afwentelen van verantwoordelijkheid. Net zoals ik het voortdurend vragen om meer geld voor zorg hekel. Omdat meer geld de problemen niet zal doen afnemen. Integendeel. Wij moeten als samenleving meer onze eigen broek ophouden, en elkaar onderling helpen, en niet bij elke klacht of tegenslag aankloppen bij de overheid. Het is onze plicht om voor onszelf te zorgen en dan ook te helpen om voor onze buren te zorgen. Leven is een wederkerige zaak, De kwaliteit van ons leven hangt af van de vraag in hoeverre we die verantwoordelijkheid durven te nemen en, ieder van ons, bereid zijn om anderen te helpen die minder geluk hebben. Als de grote meerderheid dat doet, kun wij ook uit de voeten met gevallen waarin het mis gaat – en er gaan dingen mis.

De discussie over het geld – of de tekorten, zo u wilt, leidt af van de echte uitdagingen;

  1. Een fundamentele discussie over het begrip ‘eigen verantwoordelijkheid’.
  2. De échte kanteling (of transformatie). Deze heeft in de meeste gemeenten nog niet plaatsgevonden. Wat opvalt is dat bijna iedere gemeente nog steeds bezig is met het zoeken naar de beste aanpak. Dat bestuurders, beleidsmakers, leidinggevenden en professionals daarbij vooral aanlopen tegen de weerbarstigheid van de processen in hun eigen organisatie. Mede daardoor worden gemeenten geconfronteerd met forse financiële tekorten. Daarmee komt de beschikbaarheid van zorg en ondersteuning voor mensen die dit nodig hebben in gevaar en dreigen wachtlijsten te ontstaan.
  3. Het primaat voor besluitvorming in het sociale domein. De gemeente staat nog steeds boven, in plaats van naast inwoners als het gaat om primaat van de besluitvorming.
  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

 

 

Een goed idee kan nooit een gesloten geest binnenkomen

Dia1.PNG

In maart 2018 mocht ik samen met collega Chantal van Cappelleveen een dagsessie leiden voor het team Beleid SD Gemeente Bunnik over de  maatschappelijke opgave en het beleidswerk in een veranderende wereld.  Het werd een inspirerende vindtocht, waarbij wij samen ontdekten dat onze eigen (team-)ontwikkeling veel parallellen vertoont met de ontwikkelingen binnen het sociaal domein. En dat ‘transformatie’ geen ding is, maar een proces!

Een antwoord vinden op de opgave en uitdaging gaat over het gebruik en verbinden van krachten. En dat is wel degelijk mogelijk. Als wij stoppen met het (met onze kaarten dan wel belangen tegen de borst) kwartetten. Als wij de opgave als een puzzel durven zien.

De eerste stap is om de randen te scheiden van de rest van de puzzelstukjes. In managementtermen: de kaders stellen. Terwijl je zo door de stukjes aan het gaan bent kun je ook de overige stukjes alvast onderverdelen naar kleur en/of afbeelding. Anders gezegd: leg de stukjes met het beeld open op tafel. Zie het als een transparante indeling naar thema’s en belangen. Niet alles ligt nog op zijn plaats, maar de gewenste samenhang van stukjes wordt wel overzichtelijk en zichtbaar. Zo ook is de nadere uitwerking (verdieping) makkelijker, omdat je dan alleen gefocust bent op die bepaalde kleur of afbeeldingen. Dit lijkt misschien op het eerste gezicht veel werk en misschien vervelend. Zeker als je graag wilt beginnen, maar uiteindelijk zal het je veel helpen.

Als je begint met de randen (kaders) geeft dat al een goede indicatie van de grootte van de puzzel (de omvang van de opgave/uitdaging) en het geeft je enige houvast bij het leggen. En tegelijkertijd: maak je geen zorgen als je stukjes in de rand mist, je zal ze vanzelf weer tegenkomen als je door de overige stukjes gaat. Kies vervolgens een van de groepen (thema’s/opgaven) welke een basisonderdeel van de puzzel vormt en zet dit in elkaar. Door te beginnen met dit zal je een mooie uitgangspositie hebben voor de overige groepen.

Een goed getraind puzzeloog zal altijd kijken naar een combinatie van kleur, afbeelding en vorm van het gezochte stukje (verbinden, vertrouwen, vernieuwen en verplaatsen). Kleur, gecombineerd met lijnen of ander soort afbeeldingen, zijn het makkelijkst te vinden. En, zo zal je zien, het helpt als je af en toe eens vanaf de andere kant van de tafel naar dezelfde puzzel kijkt.

De video is een samenvatting van de leidraad, het gesprek en de conclusies.

Meer weten? Neem gerust contact op!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Puur eerlijke volksverlakkerij

keuringsdienst van waarde 2.png

  • Van holle frasen komen tot ambachtelijke zingeving

Stel dat Teun ”ja – ja” van der Keuken bij jouw gemeente langskomt. Je weet wel, die man van de Keuringsdienst van Waarde. En stel je voor dat hij het gemeentelijk beleid op het terrein van welzijn en zorg tegen het licht zou houden. Net zoals hij dat deed bij eerdere onderzoeken met levensmiddelen. Zou Teun in jouw gemeente dan ‘Puur en eerlijk’ constateren of juist spreken van “Pure volksverlakkerij”? Om vervolgens uit te leggen waarom er zoveel gelogen wordt over zorg en welzijn en zeggen dat het allemaal mis gaat?

De gemeentelijke ‘etiketten’ op het terrein van welzijn en zorg – tegenwoordig ‘het sociaal domein’ genoemd, beloven gouden bergen en dure intenties.  ‘Het kind centraal’, ‘versterken van het gewone leven’, of ‘in je eigen kracht zetten’ en ‘uitgaan van talenten’. Ze beloven dat iedereen mee (kan of moet) doen en (kan of moet) meetellen. In de meest krachtige bewoordingen trachten gemeenten duidelijk te maken dat zij de ondersteuning van en zorg voor mensen in de knel serieus nemen. En, dat gebiedt de eerlijkheid mij te erkennen, ze menen het (meestal) ook. Dubbel en dwars.

Overal in ons land worden de krachten gebundeld om de beloften waar te maken om de ondersteuning van mensen te verbeteren. Oftewel, om ‘te kantelen’. Wat zoveel wil zeggen als dat wij een antwoord geven op de vraag ‘hoe wij samen kunnen bouwen aan een leuker, mooier, duurzamer en energieker Nederland. Waarbij wij dromen van een maatschappij waarin waarden eerst komen, en wij samen verantwoordelijk zijn voor een menselijker, eenvoudiger, liefdevoller en rechtvaardig leven voor iedereen. De zorg moet daarbij én veel menselijker, én eenvoudiger en én goedkoper.

Deze Kantelingsdroom heeft inmiddels al geleid tot een heuse industrie. Zo verschijnt er binnenkort heus een kantel inspiratiespel!.

Ikzelf ben een ‘believer’. Ik geloof in de intenties, beloftes en mogelijkheden. Laat dat duidelijk zijn. Ik steek dagelijks, en met veel plezier, al mijn energie in het realiseren van deze droom. Maar ik stel ook vast, dat er veel tegenspraak en tegenkracht is. Die het succes van de operatie complex en onzeker maken. Die de vergezichten, die zo mooi op onze ‘etiketten’ staan, in de praktijk om zeep helpen. Gewoon, omdat essentiële ingrediënten niet geleverd worden. Ik heb het over lef, vertrouwen en zelfreflectie.

De kanteling die wij voor elkaar willen krijgen, vraagt van ons de bereidheid om te komen tot een nieuw speelveld, met andere en meer gelijkwaardiger verhoudingen. Vraagt om nieuwe rollen en posities. Van en voor iedereen. Zij vraagt ook om een nieuwe structuur. Een structuur die niet geschraagd wordt door een systeem, gebaseerd op wantrouwen, maar zijn basis vindt in vertrouwen en autonomie. Een structuur ook, die niet alles vooraf regelt, maar in het moment zelf mensen en mogelijkheden faciliteert. Geen structuur dus, waarbij de gemeente de regie voert, maar – zoals de bedoeling was en is – de mensen zelf regie voeren over het eigen leven. En als dat – om welke reden dan ook – even, of voor langere tijd niet lukt, moeten er mensen zijn die – op basis van ‘toevoegende waarde’ – kunnen en mogen bijspringen. Dit vraagt om (ruimte voor) creativiteit, improvisatievermogen en experimenteren.

En juist daarin zijn wij niet goed. Eigen initiatief? Best, als wij wel mogen voorschrijven hoe het dan moet of zal gaan. Eigen kracht? Uitstekend, maar alleen als wij mogen bepalen wat die eigen kracht dan is of moet zijn. Improvisatieruimte? Natuurlijk; mits het binnen de regels past. Samen bouwen aan een verantwoordelijke samenleving? Graag, maar zorg er wel voor dat ik (of de gemeente) geen risico loopt of imagoschade oploopt!.

“Een verantwoordelijke samenleving kan de overheid  niet aan de  burgers ‘opleggen’,” schreef Roos Sohier, beleidsmedewerker van Provinciale Raad Gezondheidszorg Brabant op 22 februari in haar blog. Met haar zeg ik, dat de overheid het wel kan faciliteren en stimuleren.

De overheid is terreinknecht in plaats van regisseur. Mensen willen best verantwoordelijk zijn. Graag zelfs. Want wat is er mooier dan de baas zijn over je eigen leven? Maar de kans daartoe moet wel geboden worden. En juist daar wringt het. Want wij vertrekken niet vanuit de samenleving, nemen het gewone leven van onze inwoners niet als startpunt. Wij redeneren en regelen nog altijd vanuit stelsels en daarbij behorende regels, producten en financieringsvormen.  En het loslaten van controle (lees”: beheersdrift) is daarbij voor velen van ons misschien nog wel het moeilijkst.

De kanteling die wij willen is nog teveel een ‘fluwelen revolutie’. Een revolutie waarbij het ‘nieuwe’ best mag, mits het de bestaande verhoudingen, posities en rollen niet (teveel) aantast. Terwijl de echte transformatie vraagt om terreinknechten in plaats van leiders. Mensen die geen eisen stellen, maar anderen vragen: Wat hebben jullie nodig? Wat kan ik daarbij voor jou betekenen?

Echte transformatie creëert ruimte voor ‘ambachtelijke zingeving’. Desnoods door rigoureus de die ruimte belemmerede schotten of posities te slopen. En ja, dat is iets waar wijzelf actief mee aan de slag moeten. Met een ander soort bril. Niet zo’n irritante multivocaaaaaale als die van Eylove, maar een bril om te achterhalen wie waar echt behoefte aan heeft om zijn leven of bijdrage daaraan zinvol te laten zijn.

Een dergelijke transformatie en  kanteling vragen meer dan fluwelen handschoentjes om (emotionele) intelligentie en denkkracht. Om een andere manier van kijken, persoonlijke dienstbaarheid en ware verbinding met de ander. Alleen wanneer wij zo ‘puur en eerlijk’ onze intenties en bedoelingen nastreven, kunnen we haar bereiken. Om dat te verwezenlijken moeten wij het volk niet langer verlakken met holle frasen op onze ‘etiketten’ van beleid. Dat begint met het durven stellen van de vraag: “Wat is mijn toevoegende waarde? Hoe ziet mijn rol eruit in de toekomst? En welke veranderslagen moet ik doormaken om aantrekkelijk te blijven voor mijn omgeving?”

Bent u bang voor de uitkomst? Ik niet. Want wie het lef, vertrouwen en de zelfreflectie heeft die dit vraagt, zal ervaren dat juist hij of zij een graag geziene gast is. Een gast die tot wasdom komt, juist door anderen tot wasdom te laten komen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Spiegeltje, spiegeltje aan de wand

blaming.png

  • De slachtoffers van zich zelven geven altijd aan anderen de schuld

Minister Hugo de Jonge vindt de vernieuwing van de jeugdhulp onvoldoende geslaagd. Deze is, zo zegt hij, sinds de decentralisatie onvoldoende van de grond gekomen. Op kleinere schaal zette ook de Nijmeegse Wethouder Bert Frings (GroenLinks) zijn kanttekeningen. Hij zei teleurgesteld te zijn in de kwaliteit van de aanbieders. Tegelijkertijd heeft hun ‘klagen’ iets van slachtoffers die anderen de schuld geven van het eigen tekortschieten.

De transformatie van jeugdhulp verloopt moeizaam. Dat is waar. De oorzaak daarvan ligt niet aan het tekortschieten van de een of de ander. Het buizen is een collectieve verantwoordelijkheid.  Ieder voor zich strijdt als Joris met de Draak met een veelkoppig monster in verschillende gedaanten. Een monster bovendien dat al veel langer ons doen en laten beheerst.

Zo is er de kop ‘Samenwerking’. Samenwerking is belangrijk; zingen wij in koor. Niet alleen binnen de zorg, maar ook met welzijn, jeugd- en jongerenwerk, onderwijs en justitie. Waar wij echter samenwerking prediken, zaaien wij verdeeldheid. In de zucht naar kostenreductie bijvoorbeeld, kiest menige overheid als basis voor de inkoop en contractering voor het instrument van aanbesteding. Aanbieders die enerzijds als partners worden aangesproken, worden daarmee anderzijds als concurrenten tegenover elkaar gesteld.  Terwijl juist de manier waarop partijen in de sector samenwerken van groot belang is; het is en blijft de slagader van succes.

Om daartoe te komen zullen partijen het gesprek aan moeten gaan over het verdienmodel, de doelstellingen en de procesinrichting. Zonder helderheid hierover zal de slagader dichtslibben (miscommunicatie, verspillingen), waardoor het succes uitblijft, of erger….Ik denk dat overheden, aanbieders en inwoners de uitdagingen in de jeugdhulp alleen aankunnen als zij op een wezenlijk andere manier gaan (samen)werken. Simpel gezegd: “Het loont om goed samen te werken!

En dat brengt ons bij de volgende kop: “Vertrouwen”. Dat blijkt nog ver te zoeken. Zo is eigenlijk door de gehele sector en op alle niveaus waarneembaar. Marktwerking en concurrentie werken door in de verhoudingen. De mogelijkheden tot samenwerking nemen daardoor eerder af dan toe, terwijl dit juist belangrijk is in de zorgketens van tegenwoordig. Herstel van het vertrouwen is van groot belang. Ook omdat zij aan de basis ligt van de – voor het denken en doen op eigen kracht denken noodzakelijke – professionele autonomie.

Het vaak zeer opportunistische gedrag van alle betrokkenen vraagt hierbij aandacht. Alles moet kunnen voor de cliënten, alles moet uit de kast gehaald worden, maar er moeten ook financiële doelstellingen worden gehaald. Aanbieders van hun kant hebben de mond vol van de menselijke maat, maar de oplossingen moeten wel binnen hun productenportfolio passen. Het gevolg is een soort van polderoverleg, waarbij zowel de kool als de geit wordt gespaard. Om te overleven probeert iedereen dat spel te beheersen. Het gaat dan vaak niet meer om de beste oplossingen aan te dragen, maar om de slag in de arena te winnen.

Naast de koppen ‘samenwerking’ en ‘vertrouwen’ worden met grote regelmaat de andere koppen van het monster als schaamlap voor het wederzijds falen op tafel gelegd:

  • ‘Bureaucratie’: Iedereen wil ervan af en toch wordt het steeds erger. Elk nieuw kabinet belooft dat er gehakt gaat worden in de regels, maar niemand die er iets van merkt. Inmiddels is zelfs het meten en bestrijden van bureaucratie een bureaucratisch proces geworden!
  • ‘Privacy’: Het lijkt een schaamlap voor hulpverleners die niet hebben gedaan wat ze moeten doen; die zich niet door anderen in de kaarten willen laten kijken en zich dan op privacy beroepen.

De meest ingewikkelde kop is echter die van ‘transformatie’. Mogelijk, omdat deze kop zich veelal in de nevelen van verlegen onvermogen hult.

Je hoort het steeds meer: we leven in een transformatie-wereld. Met daarin een glansrol voor het fenomeen ‘eigen kracht’. Transformatie lijkt daarvoor te zijn uitgevonden. Alles moet anders. En goedkoper. ‘Zelf de regie pakken’, dat is ons antwoord op de bezuinigingen in het sociale domein. Teveel naar mijn smaak is transformatie daarmee verworden tot een instrumentele aanpak. Met de focus op vorm in plaats van attitude. Het gevolg is een cocktail van beweeglijkheid, onzekerheid, complexiteit en meerduidigheid, binnen en buiten onze organisaties. Wat weer op gespannen voet staat met een ongebreidelde (en toenemende) behoefte aan voorspelbaarheid en controle.

Alle betrokken partijen – overheden, aanbieders, professionals en inwoners – hebben een gerechtvaardigd belang bij de transformatie van de jeugdhulp. Elk van hen echter heeft ook een eigen perspectief op de aard, inhoud en het gewicht daarvan. Dat snapt iedereen. Maar leg dat eens aan elkaar uit en ga er minimaal over in gesprek.

Transformatie namelijk is, meer dan wij misschien wel willen, een zaak van verhoudingen. Jegens elkaar, jegens problemen, uitdagingen en de belangen die daarbij in het geding zijn. Als wij de transformatie tot een succes willen maken, vraagt dat daarom eerst en vooral om een dialoog over de belangen. Die moet je als partijen helder en transparant maken. En, als ze dat zijn, vraag dan eens aan elkaar hoe of, en hoe, die belangen samen gewaardeerd en geprioriteerd kunnen of moeten worden. Helaas gebeurt dat nu niet (overal). Er wordt niet – en in ieder geval te weinig openlijk – gesproken over onderlinge belangen. Liever immers geven wij anderen de schuld van het tekortschieten.

Heb ik vertrouwen in de toekomst? Jazeker! Omdat uiteindelijk iedereen hetzelfde belang dient: het belang van de inwoners van ons land. Maar het zal veel tijd, geld en energie kosten om dat uiteindelijk samen te realiseren.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Papieren tijgers bijten niet

papieren tijger3.png

  • Wat je afgesproken hebt, moet je waarmaken

Gemeenten, Rijk, jeugdhulpaanbieders en branches hebben een statement uitgebracht hoe zij met zorg en hulp – dicht bij huis – kunnen aansluiten op wat jongeren en gezinnen écht nodig hebben. Van zulke berichten word ik blij. En verwachtingsvol. In de wetenschap dat papieren tijgers niet bijten.

Alle betrokken partijen willen op korte termijn actie om tot verbeteringen te komen. De acties zullen zich vooral richten op versterking van samenwerking tussen gemeenten en zorgaanbieders in de jeugdregio’s. Problemen moeten worden benoemd, de juiste personen aangesproken en er moet doorgepakt worden!  Waar heb ik dat vaker gehoord. Was en is dat niet de gezamenlijke ambitie bij de grootste decentralisatieoperatie ooit?

Wie de evolutietheorie van Charles Darwin een beetje kent, kon voorspellen hoe het zou aflopen met die grootse ambitie. Want nadat wij de transitie (overdracht van taken) hadden gerealiseerd, is de ambitie onder invloed van beheers- en drift tot behoud vooral een papieren tijger geweest. Evolueren naar een tandeloze tijger zit er misschien nog wel in. Maar net als voor 99,9 procent van de diersoorten die ooit de aarde bevolkten, dreigt voor dit exemplaar toch ook nog te veel en te vaak: die zien we niet meer terug.

Wat je afgesproken hebt, moet je waarmaken. Dat geldt zeker voor de ambities binnen het sociaal domein. Iedereen moet meetellen en meedoen. Met een open oog en oor voor de mogelijkheden en beperkingen van elk individu. Maar niettemin stelt menig politicus, bestuurder, organisatie of professional alles in het werk om uitvoering van de zoveel mogelijk te ontlopen.

Omdat partners binnen het sociaal domein minder happig zijn op de consequenties van die beweging. (Verantwoord) loslaten, andere werkinvulling, minder omzet, enzo verder. Belangrijker nog dan deze ‘praktische’ bezwaren is wellicht de collectieve moeite die wij – mijzelf incluis – hebben om de omvormingsopdracht (transformatie) concreet handen en voeten te geven.

‘Eigen kracht’: het lijkt een hol begrip. Tegelijkertijd is het wel de rode draad voor de hele transformatie, en voor alle facetten die in de transformatie aan de orde zijn. Wat houdt het precies in? Wat zijn concreet de consequenties ervan in het sociaal domein en wat vraagt dit van de betrokkenen? Het eigen kracht-denken heeft namelijk vooral impact op de professional, de manager en het politiek bestuur.

Professionals verwerven door het eigen kracht-denken hun eigenwaarde op een andere manier. De expertrol op afstand wordt lastiger, ze worden geacht zelf zuiver te blijven en zich niet te verschuilen achter protocollen. Hun zekerheid neemt af, de ‘echtheid’ neemt toe, het werk gaat van denken naar meer hands-on, en het vraagt om een betere combinatie van denken en doen. Het vermogen om eigen werk met je collega’s te organiseren neemt toe, het vermogen om samen verantwoordelijkheid te nemen ook.

Managers moeten meer verbinding op de gezamenlijke stip aan de horizon organiseren. Ze moeten vertrouwen geven aan anderen, zodat zij in beweging komen. Loslaten is een van de hefbomen. Inhoudelijke sturing en het geven van instructies passen niet meer. Het gaat om bezieling en korte cirkels, waarbij de medewerker verantwoordelijkheid krijgt en verantwoordelijk wordt gehouden.

Ook het politiek bestuur moet afscheid nemen van ‘in control’ willen zijn. Terwijl hun natuurlijke houding er een is van meer kaders scheppen. Inhoudelijke normen bedenken blijkt lastig. Politici en bestuurders moeten leren omgaan met tragiek en pech. Sturen op gewenste uitkomsten, op doelen, is wat anders dan sturen op basis van output. Is de dienst juist uitgevoerd? Zijn de juiste handelingen verricht (volgens het juiste behandelprotocol)? Zijn de uren gemaakt? Zijn er voldoende contactmomenten geweest?

Eigen kracht heeft zo effect op alle actoren. De wijze waarop zij sturen, samenwerken, contracteren en organiseren beïnvloedt hoe het in de wijk en bij de inwoner aan tafel werkt. Dat vraagt een nieuw evenwicht tussen sturing, samenwerken, autonomie en verantwoording.

Of ik dat niet zie gebeuren? Welzeker. Ik zie her en der in den lande goede en inspirerende initiatieven. Zo ben ik zelf professioneel betrokken bij een gemeente die daadwerkelijk dat avontuur aan wil gaan. In Wijchen (Gelderland) werken gemeente en de organisaties voor welzijn en zorg aan een nieuwe vorm van samenwerking. Samen hebben zij, gebaseerd op een gezamenlijke verkenning, een model voor een gebiedsgerichte werkwijze en bekostiging uitgewerkt. Met enerzijds de veranderopgave (transformatie) binnen het sociaal domein en anderzijds het beheersbaar houden van de uitgaven daarvoor als leidraad.

Onder voorwaarde van een verschuiving van verantwoordelijkheden en mandaat naar de organisaties van welzijn en zorg worden daarmee tegelijkertijd (administratieve) barrières en belemmeringen voor inwoners, professionals en hun organisaties worden weggenomen.

Met dat model als basis hebben zij vervolgens de dialoog gevoerd over de kaders waaraan de uitwerking in vorm (organisatie en proces) en inhoud (houding en gedrag) zal worden getoetst. Zo is overeenstemming bereikt over de vorming van een coöperatie waarin alles aanbieders samenwerken.  De gemeente en coöperatie verhouden zich als subsidieverstrekker en subsidieontvanger. De gemeente definieert de door de coöperatie uit te voeren activiteiten en de daarmee beoogde doelen. De leden en leveranciers hebben zich  verplicht tot en zijn aanspreekbaar op het samenhangend en integraal vorm geven van de welzijn en zorg voor de inwoners in de gemeente.

Of het een eenvoudig proces is? Integendeel. Waar de visie en doelstelling gedeeld wordt, blijken vooral wet- en regelgeving een molensteen om de nek van de ambitie. De ruimte voor de ‘meer redelijke’ methode op basis van is – als wij alles doen wat ‘moet’ nog onvoldoende of nog niet voorhanden is. Desondanks heeft de gemeenteraad deze week besloten om het ‘avontuur’ aan te gaan. Dat is, wat mij betreft pas echt een statement.