Galerij

Het zien van het geheel

  • De parabel van de steenhouwers

steenhouwers

Op een zonnige dag wandelde een man in een vallei. Bij het afdalen na een heuvel passeerde hij een kleine steengroeve waar een andere man aan het werk was. De wandelaar vroeg: “Wat bent u aan het doen?”

De man keek op van zijn werk en zei: “Ziet u dat niet? Ik ben stenen aan het uithakken!”

De man liep verder.

Niet veel later kwam hij nog een kleine steengroeve tegen waar ook iemand in de weer was met hamer en beitel. Weer vroeg hij: “Wat bent u aan het doen?”

Deze steenhouwer keek op van zijn werk en zei: “Ziet u dat niet? Ik ben geld aan het verdienen om mijn gezin te kunnen onderhouden!”

De man liep verder.

Nog iets verder passeerde hij nogmaals een kleine steengroeve. Ook hier werkte een man zich in het zweet. Hij vroeg: “Wat bent u aan het doen?”

De man keek op van zijn werk en zei:

“Om te zien wat ik aan het doen ben, moet u nog een klein stukje verder wandelen. Daar wordt een nieuwe kathedraal gebouwd met de stenen die ik uithak!”

De parabel van de steenhouwers

steenhouwer

Op een zonnige dag wandelde een man in een vallei.

Bij het afdalen na een heuvel passeerde hij een kleine steengroeve waar een andere man aan het werk was. De wandelaar vroeg: “Wat bent u aan het doen?

De man keek op van zijn werk en zei: “Ziet u dat niet? Ik ben stenen aan het uithakken!

De man liep verder.

Niet veel later kwam hij nog een kleine steengroeve tegen waar ook iemand in de weer was met hamer en beitel. Weer vroeg hij: “Wat bent u aan het doen?

Deze steenhouwer keek op van zijn werk en zei: “Ziet u dat niet? Ik ben geld aan het verdienen om mijn gezin te kunnen onderhouden!

De man liep verder.

Nog iets verder passeerde hij nogmaals een kleine steengroeve. Ook hier werkte een man zich in het zweet.
Hij vroeg: “Wat bent u aan het doen?

De man keek op van zijn werk en zei: “Om te zien wat ik aan het doen ben, moet u nog een klein stukje verder wandelen. Daar wordt een nieuwe kathedraal gebouwd met de stenen die ik uithak!

De Japanse steenhouwer

japanse steenhouwer

Lang geleden leefde er, in de bergen van het verre land Japan, een arme, hardwerkende steenhouwer.

Hij moest de weg die door de bergen voerde begaanbaar houden. Daarom was hij dag in dag uit bezig om met zijn houweel stukken van de berg langs de weg af te houwen en met die stukken steen de gaten in de weg te vullen.

Het was zwaar werk, de weg door de bergen was lang en er waren altijd reizigers: eenvoudige boeren die met hun vee op weg waren naar de markt, handelaars met zwaar bepakte ezels, vrouwen die terugkwamen van de markt met koopwaar in rieten manden, samurai te paard, mensen die hout gesprokkeld hadden in het bos en een bos takken op hun rug sjouwden en ook deftige reizigers in prachtige voertuigen.

Als er dan zo’n deftige, rijke edelman voorbij kwam, werd het de steenhouwer vaak teveel. Hij moest erg zuchten en liet zijn houweel met stevige slagen op de rotsen neerkomen.

Eens op een hete dag midden in de zomer, passeerde er een lange stoet prachtig geklede mensen, met in hun midden een draagkoets. Naast de koets liepen wel zes dienaren, die er voor zorgden dat het de man in de koets aan niets ontbrak.

De steenhouwer zag de rijke optocht voorbij trekken, terwijl hij juist stond uit te rusten van het harde werk en zijn bezwete voorhoofd afveegde met een oude doek.

“Ach”, klaagde hij, “zo’n koning wordt gedragen, er wordt hem koele drank aangereikt en ik kan onder de brandende zon mijn slavenwerk doen. Laat mij maar koning zijn! Die heeft tenminste macht.”

De reizigers verdwenen langzaam uit het zicht en de steenhouwer wilde weer aan het werk gaan, toen er plotseling een diep rommelend geluid uit de bergen kwam. De man keek om zich heen of er soms onweer in de lucht zat, maar nee, de lucht was helder en het was droog. Er was geen wolk te zien. Hij schrok: “Zou het dan een aardbeving zijn?” Er was nergens iets te zien, de grond trilde niet en de rotsen bewogen niet. Verbaasd hoorde de steenhouwer het rommelen dichterbij komen.

Het werd luider en luider en ineens klonk er een stem: “Wat hoor ik daar? Ben jij ontevreden met je bestaan?” De steenhouwer trilde van angst omdat hij absoluut niet zag vanwaar die stem kwam, het klonk werkelijk overal om hem heen. “Ik ben de berggeest”, sprak de zware donderstem, “ik zie wat jij ziet en ik hoor wat jij hoort”. “Ben je ontevreden met je bestaan?” herhaalde de stem van de berggeest. De steenhouwer stamelde iets dat op een antwoord leek: “Uhhh, uhh, ach ja…. eigenlijk wel”.

Donderend en nog luider dan daarvoor zei de berggeest: “Dan kan ik je helpen!”

Er was een heldere hemel en toch klonk er een donderslag, de steenhouwer voelde alsof een reusachtige hand hem optilde en hem door de lucht zwaaide. Het ging zo snel, dat alles om hem heen vervaagde, maar hij wilde het ook niet zien: nog steeds angstig kneep hij zijn ogen dicht.

Plotseling werd hij neergesmeten….

De steenhouwer wilde zich schrap zetten om zijn val op de harde rotsgrond te breken, maar in plaats daarvan kwam hij terecht op een zachte ondergrond. Met zijn ogen nog dicht tastte de steenhouwer voorzichtig om zich heen. Het voelde als wol en het rook ook nog bijzonder. Het schommelde alsof hij in een boot zat of in een draagstoel.

Op dat moment klonk er weer een stem, maar deze klonk veel zachter en mooier dan de bulderstem van de berggeest. “Hebt u goed geslapen, meester?”

Langzaam en voorzichtig opende hij zijn ogen. Hij keek rond: het was een draagstoel! De stem kwam van een meisje dat tegenover hem zat, het was een geisha. Haar zachte hand bette zijn bezwete voorhoofd droog met een zijden doek.

Nu besefte de steenhouwer wat er gebeurd was: Hij had immers zo gemopperd toen die rijke stoet langs gekomen was? Toen had hij gezegd: “Laat mij maar koning zijn!” De berggeest had hem geholpen en nu was hij ook werkelijk koning. Het was geen droom, het was echt!

Maar zou hij ook de macht van een koning hebben? “Ik heb dorst, geef me wat te drinken”, zei hij. Op hetzelfde moment kwam er door het gordijn van de draagkoets een dienaar, die zich voorover boog en een koele drank uitschonk in een prachtige versierde beker.

Een andere dienaar bewoog een waaier om hem koelte toe te wuiven. Vanaf dat moment liet de steenhouwer, die nu koning was, zijn macht goed gelden. Hij hoefde maar met zijn vingers te knippen om iets te laten gebeuren. De koning genoot ervan. Hij was de machtigste van de wereld, niets en niemand konden meer bereiken dan hij. Tenminste….hij merkte dat er soms dingen waren die ervoor zorgden dat niet alles ging zoals hij het wilde.

Als het heel erg warm was, dan verdroogde het land, gingen de mensen niet aan het werk, leek het wel alsof de tijd stil stond. En dat was de schuld van de zon. Toen hij op een dag in zijn draagkoets langs de verdorde landerijen reisde, vervloekte hij de macht van de zon. Als dat zo doorging, zou de hele oogst mislukken en de mensen zouden niet genoeg te eten hebben, dat was slecht voor het land en slecht voor de koning: “Ach,” klaagde hij, “die zon die schijnt maar en schijnt maar, zelfs een koning heeft niets meer te vertellen. Ik ben de baas! Laat mij de zon maar zijn!”

Hij sloot zijn ogen om een dutje te doen in de draagkoets.

Plotseling klonk er een diep rommelend geluid uit de bergen. De koning boog zich om naar buiten te kijken, zat er soms onweer in de lucht? Maar nee, de lucht was helder en het was droog. Er was geen wolk te zien.

Hij schrok: “Zou het dan een aardbeving zijn?” Er was nergens iets te zien, de grond trilde niet en de rotsen bewogen niet. Verbaasd hoorde de koning het rommelen dichterbij komen.

Opeens bedacht de koning, die eerst steenhouwer was geweest, dat dit al eens eerder was gebeurd. “Wat hoor ik daar? Ben jij ontevreden met je bestaan?” – “Ik ben de berggeest”, sprak de zware donderstem, “ik zie wat jij ziet en ik hoor wat jij hoort”. “Ben je ontevreden met je bestaan?” herhaalde de stem van de berggeest. De koning was eigenlijk wel tevreden, het was alleen de zon die nog machtiger was.

Hij stamelde: “Uhhh, uhh, och, nou…. nee, niet echt”.

Maar de berggeest scheen het niet te horen. Donderend en bulderend riep de berggeest: “Dan kan ik je helpen!”

Het was een heldere hemel en er klonk een donderslag, de koning voelde weer alsof een reusachtige hand hem optilde en hem door de lucht zwaaide. Het ging zo snel, dat alles om hem heen vervaagde, maar hij wilde het ook nu niet zien: nog steeds angstig kneep hij zijn ogen dicht.

Plotseling voelde hij totale rust en stilte om hem heen. Weg was de zoete geur van rijkdom en van macht. Hij opende zijn ogen, wat hij nu zag was helemaal nieuw voor hem, hij was in een totaal andere wereld. Om hem heen was niets, in de verte stond of hing iets ronds in de lucht. Hij snapte er niets van en wilde zich achter de oren krabben, maar: hij had geen handen meer!

In ieder geval was hij geen koning meer. Hij keek naar de bol voor hem en merkte dat er steeds meer te zien was. Hij zag dat de bol niets anders was dan de wereld en hij kon zelfs de mensen zien. Die hielden een hand boven de ogen en keken smekend naar hem op. Boeren stonden bij hun verdroogde velden. Ze keken naar hem? De steenhouwer, die ooit koning mocht zijn, was nu de zon!

Hij had geklaagd en gezegd: “Laat mij de zon maar zijn!” De berggeest had hem gehoord en gezegd: “Ik kan je helpen!” De zon had alle macht over de wereld, hij kon voedsel laten groeien, maar ook laten verdrogen.

De zon die ooit koning was, die ooit steenhouwer was, kon tevreden zijn. Hij stuurde zijn stralen naar waar hij maar wilde en genoot van zijn kracht. Tenminste…..hij merkte dat er soms toch wel dingen waren die er voor zorgden dat niet alles ging zoals hij wilde. Al een paar zomers werd zijn werk tenietgedaan door plotselinge regenbuien en verkoelende windvlagen.

Dat was de schuld van de wind! En de zon klaagde en mopperde: “Waar blijft mijn macht? Laat mij maar de wind en de storm zijn!” De zon wilde nog wat verzengende stralen naar de woestijn sturen, toen er plotseling een enorm gedonder van de wereld kwam. Het gedonder veranderde in een zware stem die bulderde: “Wat hoor ik daar? Ben jij ontevreden met je bestaan?” – “Ik ben de berggeest”, sprak de zware donderstem, “ik zie wat jij ziet en ik hoor wat jij hoort”. “Ben je ontevreden met je bestaan?” herhaalde de stem van de berggeest.

De zon had dit al eens eerder meegemaakt en begreep dat dit de kans was om nog machtiger te worden. De vorige keren was hij bang geweest, maar nu niet meer!

De berggeest donderde: “Dan kan ik je helpen!”

De zon die ooit koning was, die ooit steenhouwer was, verwachte weer van alles, maar er gebeurde niets…….hoewel? De wereld draaide weer snel. Het duurde even tot hij besefte dat niet de wereld sneller bewoog, maar dat hij zelf voortraasde over de wereldbol. Hij was de wind, hij was de storm! En dat zou de wereld weten. Op de meest onverwachte momenten zorgde hij ervoor dat alles op zijn kop werd gezet.

Dan was hij een warm lentebriesje en dan ineens een herfststorm die de bomen uit de grond rukte. De wind, die ooit de zon was, die ooit de koning was, die ooit de steenhouwer was, beukte en bulderde, woei en gierde en waaide en was tevreden. Niets hield hem tegen, niets kon hem deren.

Seizoen in, seizoen uit deed hij zijn werk. Maar ook nu kon hij toch ook weer niet helemaal tevreden zijn. Want er waren dingen die leken te lachen om zijn kracht: de bergen stonden op de wereldbol, zoals ze daar al duizenden jaren stonden: onverwoestbaar voor wat dan ook. Zelfs met een taifoen richtte de wind niets uit. Dus hij mopperde en klaagde en hij was het nu zelf die de berggeest opriep: “Waar blijf je nou? Ik dacht dat je me zou helpen?”

De wind die ooit de zon was, die ooit koning was, die ooit steenhouwer was, wachtte op het bulderen dat van de aarde af zou komen om hem te helpen.Er bulderde inderdaad iets: niet van buiten af, juist in hem donderde het.

Er klonk geen stem, dat was ook niet nodig. Hij werd zelf het wezen van de rotsen, van de bergen; hij was de bergen! Denken was niet meer nodig, onveranderlijk, onbeweeglijk vast; steen bleef steen……

De wens van de steenhouwer

steenhouwer

Er was eens een Japanse steenhouwer. Iedere dag ging hij naar het gebergte om stenen uit de wand te hakken. Het was een zwaar bestaan.

Op zekere dag moest hij bij een rijk man een grafsteen brengen. Toen hij bij diens huis aangekomen was en naar binnen keek, verbaasde hij zich over de rijkdom. De steenhouwer wiste zich het zweet van het voorhoofd en verzuchtte: “Ach, was ik maar rijk, dan hoefde ik niet de hele dag stenen te kappen”. Nauwelijks had hij deze woorden geuit of zijn wens werd vervuld. Toen hij ’s avonds thuiskwam was hij een rijk man. Al spoedig was hij zijn vorige bestaan vergeten.

Een tijd later zag hij de koning, die door zijn dienaren met een parasol beschermd werd tegen de zonnestralen, in zijn draagstoel voorbijkomen. De rijke man had echter wel last van de warmte en verzuchtte: “Ach was ik maar koning.” Direct werd ook deze wens vervuld. Als een koning werd hij onder de schaduw van een parasol rondgedragen.

Die zomer werd het steeds heter. Alles op het land verdorde onder de hitte van de zon, geen grassprietje bleef er over. Toen hij dit als koning merkte, verzuchtte hij: “Ach was ik maar de zon, die is nog veel machtiger dan ik” . Nauwelijks had hij dit uitgesproken, of hij veranderde in de zon. Trots zond hij zijn stralen naar de aarde en zorgde dat alle mensen, arm en rijk, een bruinverbrande huid kregen.

Maar toen er op een dag een wolk voor de zon trok, kon hij niet schijnen. Zijn licht kon er niet doorheen dringen. “Ach”, riep hij uit “was ik maar een wolk”. Ook deze wens werd vervuld; een paar tellen later was hij een wolk. Hij hield de zonnestralen tegen en bevloeide de aarde met zijn regenbuien.

Als wolk was hij echter pas tevreden, als hij een overvloed aan water naar beneden gestort had. Zo veel, dat de rivieren overstroomden en de dijken doorbraken. Alleen een eenzame, stevige rots was in staat zich overeind te houden. De wolk verbaasde zich over zijn kracht. “Ik wil een rots zijn”, riep hij uit. En hij werd rots. Geen watervloed kon hem uit zijn evenwicht brengen.

Op een dag hoorde hij een vreemd geluid. Toen de rots omlaag keek, zag hij een kleine mens; een steenhouwer die met een houweel stukken steen uit de voet van de rots brak. De rots raakte geheel buiten zichzelf en riep: “Een nietig mens is sterker dan ik, een machtige rots. Dan wil ik die mens zijn”. En voor de laatste keer werd zijn wens vervuld.

Hij was weer de steenhouwer van voorheen, die zijn kost verdiende in het zweet des aanschijns. Maar ondanks zijn zware beroep was hij gelukkig. Want een ding had hij voorgoed geleerd: wie niet tevreden is met zichzelf, is met niets tevreden.