Hé AP, waar ben je nu?

autoriteit.png

  • De pers heeft de kunst gedood om niets te zeggen, als zij zwijgen moet.

Wetten zijn gemaakt voor mensen. Een wet is nooit bedoeld om mensen verstoken te laten van de hulp die zij nodig hebben. Het kan dan ook nooit zo zijn dat hulpverleners, zich verschuilend achter de regels rond privacy, patiënten de noodzakelijke zorg onthouden. En toch is dat bijna dagelijks de praktijk. Professionals in de zorg gaan (te) zorgvuldig mee om. Uit angst over de schreef te gaan. Of om op de vingers getikt te worden door de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Tegelijkertijd zie ik media schaamteloos privacygegevens de wereld in slingeren.  Zoals ook nu weer in de zaak Thijs H., de verdachte van drie moorden in Heerlen en Den Haag. En de AP houdt zich – voor zover waarneembaar – muisstil!

De Autoriteit Persoonsgegevens is de Nederlandse gegevensbeschermingsautoriteit en het zelfstandig bestuursorgaan dat in Nederland bij wet als toezichthouder is aangesteld voor het toezicht op het verwerken van persoonsgegevens. De organisatie houdt zich dus bezig met privacy. Terwijl heel Nederland inmiddels waarschijnlijk meer over Thijs H. weet dan zijn verschillende hulpverleners daarvoor ooit van elkaar wisten, zwijgt die waakhond!

Ikzelf huldig en praktiseer nadrukkelijk het uitgangspunt dat, waar het gaat om het uitwisselen van gegevens met anderen, of om het betrekken van de familie bij de hulp of behandeling, de wet meer ruimte biedt dan menig hulpverlener vaak denkt. Soms is die ruimte zelfs geen kwestie van mogen maar van moeten gebruiken.

Ieder mens heeft wel persoonlijke dingen die hij niet aan de grote klok wil hangen. Met name als we hulpverleners daarover in vertrouwen nemen, moeten we ervan op aan kunnen dat dat vertrouwen niet wordt beschaamd. Daarom zijn er wetten gemaakt die ervoor moeten zorgen dat onze privacy wordt gewaarborgd. In ons land is de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer een recht dat stevig ligt verankerd in de grondwet en van daaruit de basis vormt voor verdere wetgeving. Ook in artikel 8 van het ‘Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens’ is de bescherming van de persoonlijke levenssfeer voor personen gewaarborgd. De wet- en regelgeving bepaalt ook wanneer en hoe instanties gegevens met elkaar mogen uitwisselen. Zo wordt voorkomen dat uw privacygevoelige gegevens al te gemakkelijk op straat komen te liggen.

Vaak wordt door hulpverlenende en andere instellingen gedacht dat zij door de wetgever vleugellam zijn gemaakt met betrekking tot dat delen van informatie met anderen. Die gedachte is onjuist, maar bepaald niet zelden ons doen en laten.

Eerder deze week wilde ik een brief sturen naar de ouders van 14, 15 en 16-jarigen in een gemeente. Om ze uit te nodigen voor een Stapavond voor ouders in een regionaal bekend café. Om hen mee te nemen in de belevingswereld van hun puberende kinderen. Toen ik vanuit het sociaal team in die gemeente bij die gemeente vroeg om het adressenbestand werd mij dat geweigerd. Omdat – volgens de verantwoordelijke privacy-officer – de wettelijke grondslag daarvoor ontbrak. Mijn beroep op de Jeugdwet en de daarin opgenomen wettelijke preventietaak werd weggehoond. En een onschuldige uitnodigingsbrief werd dus niet verstuurd.

In diezelfde periode staan alle media – televisie, social media en kranten – bol van persoonlijke informatie over Thijs H. Informatie die voor het onderzoek in die zaak ongetwijfeld relevant is. De gemiddelde Nederlander – alle begrijpelijke nieuwsgierigheid ten spijt – heeft er echter geen recht op. De media lappen dat allemaal aan hun laars.

Terwijl ze de ene dag nog moord en brand schreeuwen over een onbedoeld – niet opzettelijke, maar wel dom – datalek bij een voormalig Bureau Jeugdzorg, lopen diezelfde media een dag later te koop met het hele hebben en houden van een individu. Een ingetrapte badkamerdeur, een sociaal isolement, het slikken van antidepressiva en een recente zelfmoordpoging. Het ligt allemaal op straat. Terwijl de man in kwestie – dankzij een wel geoorloofde. inbreuk op zijn privacy, juist om hem de juiste behandeling en zijn omgeving veiligheid te kunnen bieden – inmiddels al vast zat. Het Openbaar Ministerie zwijgt. Vanwege het lopende onderzoek en vanwege het recht op privacy. De media trekken zich daar lekker niks van aan en de Autoriteit Persoonsgegevens zwijgt in alle talen.

Begrijpt u mij goed: als het gaat om de verloedering van kwetsbare mensen tegen te gaan, of als het gaat om het beschermen van de veiligheid van mensen, is het delen van informatie wat mij betreft heel legitiem.  Maar als die elementen hun geldigheid hebben verloren, herleeft naar mijn overtuiging het recht op privacy.

Waarom mogen hulpverleners hun neus niet ongevraagd in andermans zaken steken en mag de pers dat wel? Waarom zijn hulpverleners – wiens wettelijke opdracht het is mensen te helpen – vaak met handen en voeten gebonden aan de plicht tot geheimhouding en mogen journalisten en lieden die zichzelf zo noemen, dat straffeloos publiek maken?

Waar het voor hulpverleners informatie delen vaak niet eens een kwestie is van mogen, maar van moeten, geldt voor media hetzelfde als voor u en mij als inwoner van dit land: Informatie-uitwisseling mag, “als dat noodzakelijk is om bepaalde basisbehoeften of hulp- en zorgverlening dan wel veiligheid binnen het bereik van mensen te brengen”. En dat moet zorgvuldig gebeuren. Zeker ook, omdat voor medische of strafrechtelijke gegevens nog strengere regels gelden. Daarom mijn verzuchting: “Hé AP, waar ben je nu?”

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Advertenties

Hypocriet

hypocriet.png

  • Het voorbeeld doet volgen

De aandacht voor het borgen van privacy is met name door nationale en Europese regelgeving een prioriteit geworden, door respectievelijk de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Het blijkt dat het nog niet zo eenvoudig is om in de praktijk invulling te geven aan het borgen van privacy. Daarom geven mijn collega’s en ik daaraan in ons werk veel aandacht. En dan is daar Beau!

Beau (van Erven Dorens) en zijn Rotterdam Project (RTL4). Met kennelijke compassie met zwervers en daklozen neemt hij de kijker mee naar de duistere wereld van Rotterdamse daklozen. Eerlijk is eerlijk, de enkele keer dat ik hem zag ontroerde het programma mij ook. Met aandacht voor zwervers en daklozen is ook niks mis. En toch schuurde het bij mij nadat ik – later thuisgekomen – middenin dit programma viel waar mijn partner naar zat te kijken.

Terwijl ik dagelijks alert moet zijn op het niet onnodig of onnodig veel delen van informatie van mensen waarvoor ik moet zorgen, staat Beau voor het oog van een miljoenenpubliek schaamteloos het hele hebben en houden van een twintigjarige schildersknecht uit de doeken te doen. Van de ene op de andere minuut weet heel Nederland dat deze – overigens ontwapenend lieve gozer – dakloos is dankzij een stevige schuld dankzij zijn vader. Hoezo privacy?

De betweters zullen mij ervan overtuigen dat dit vooraf en achter de schermen natuurlijk best goed geregeld is. De knul zal ongetwijfeld op de hoogte gebracht zijn en een toestemmingsverklaring hebben ondertekend. Dat is echter niet het beeld dat de programmamaker en zijn crew oproepen. Zij suggereren dat zij de knul achteloos overvallen en confronteren met zijn eigen (!) verhaal. Er is – zo doet het programma vermoeden – al heel veel over deze knul gesproken, zonder dat hij daarvan afwist. En dat knelt naar mijn overtuiging met de richtlijnen en afspraken rond privacy.

Er kleven nog wel meer vraagtekens aan dit – ongetwijfeld naast commerciële ook met oprechte bedoelingen gemaakte – programma.

Beau spreekt dus volgens het programma een niets vermoedende knaap aan op straat. Confronteert hem met zijn probleem en biedt hem en passant een bedrag van 10.000 euro aan. Om te werken aan de oplossing van zijn probleem. Hij mag er ook nog een nachtje over slapen. In een voor hem geregeld hotel; op kosten weer van Beau. Prachtige, gewaardeerde en prijs waardige emo-televisie. Dat is inmiddels zeker. Maar toch!

Onbedoeld waarschijnlijk, maar ondertussen toch, geeft Beau daarmee een prachtig voorbeeld van hoe eenvoudig het is om mensen – en vooral jeugdigen – te verleiden. Hij doet precies dat, waarvoor bij wijze van spreken op diezelfde avond een ander programma (Misdaad Anoniem) ons waarschuwt! Wordt geen geldezel, money mule of katvanger. Allemaal termen voor mensen die door criminelen geronseld worden om geld wit te wassen. Dat schuurt. Ook, omdat diezelfde schildersjongen van knuffelkonijn in een handomdraai het doelwit is van massale verontwaardiging als hij besluit een iPhone X ter waarde van 1159 te kopen. Ruim 1/10e deel van het totale geldbedrag dat bestemd was om hem uit de problemen te helpen. Waarom? Zodat hij Pokémons met de telefoon kon vangen. Wij, kijkers die onszelf graag dit soort onzinnige prullaria cadeau, doen reageren massaal verbijsterend hypocriet. Hoe kan hij dat nou doen.

Dat wij allemaal – inclusief ikzelf – in katzwijm kunnen vallen voor programma’s als het Rotterdam Project of bijvoorbeeld Boer zoekt Vrouw verbaast mij niet. Het is echter ook hypocriet. Want programma’s als deze mogen kennelijk wel wat ‘de gewone burger’ niet mag. Of wat een professioneel hulpverlener verboden wordt. Hem of haar zelfs en gevangenisstraf of iets dergelijks kan opleveren.  Het voelt niet goed als wij vinden dat ProRail terecht geïrriteerd is over spoorlopers in Boer zoekt vrouw terwijl er al een tijd campagne wordt gevoerd tegen spoorlopen, omdat dat levensgevaarlijk is en tot veel vertraging voor reizigers leidt.

Privacy is een hekel punt. Wat deel je wel/niet? Zeker voor mensen van wie delen van hun leven op straat of de buis gegooid word. Zij betalen een hoge prijs (zie ook: ‘SuperStreamMe’ van BNN (2015)). Dat zal zeker niet het oogmerk zijn van de programmamakers, maar bijdragen aan de juiste beeldvorming doet het niet.

Het succes van dit soort programma’s maakt de vraag niet minder relevant wat nu precies de grens moet zijn van privacybescherming. Waarom genieten wij massaal van publiekelijk gemaakte ellende aan de zelfkant van de maatschappij om vervolgens moord en brand te schreeuwen als een professional – omwille van adequate zorg – in onze ogen niet zorgvuldig genoegd is geweest in de uitwisseling van die informatie met een andere professional.  Kennelijk mag dat voor het oog van miljoenen wel, maar in de bescherming van een spreekkamer niet!

Ik zou willen dat wij en programmamakers ons dat iets beter en vaker realiseren als wij in onze luie stoel stilletjes zitten te sniffen over die lieve schilderknecht. Of wanneer wij – samen met Pauw – ons (nogmaals) verkneukelen over de onhandigheid van mensen bij hun first date. Het voorbeeld doet volgen! Wat vandaag anderen gebeurt, kan morgen ons lot zijn!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Boeman blijkt vriend

laurel en hardy.png

  • Een ware professional heeft altijd een goede grond

Voor wie even niet opgelet heeft: In mei 2018 wordt in Nederland de Europese privacy wet (GDPR) van kracht onder de naam AVG (Algemene verordening gegevensbescherming). Het belangrijkste hieruit is dat je alleen persoonsgebonden gegevens mag opslaan zolang je hiervoor een geldige grondslag (reden) hebt. In de aanloop naar deze datum worden wij doodgegooid met artikelen over deze nieuwe wetgeving èn wat er gebeurt als we er nièt aan voldoen. Het is, als je de vele gesprekken en artikelen daarover moet geloven, enge shit. En dat op zijn beurt is volgens mij nou weer bullshit.

Interessant fenomeen is dat het bij dit alles vooral gaat om de formele en administratieve verplichtingen. Is er een informatie beleid? Is er een beveiligingsbeleid? Welke rol hebben persoonsgebonden data hierin? Zijn beleid en processen op dit gebied geborgd in organisatorische maatregelen? Wat gebeurt er als er fouten worden gemaakt? Past de organisatie zich daar op aan? Dat alles is best wel even een klusje. Maar laten wij dat niet spannender maken dan het is: een lastig, maar uiteindelijk technisch klusje.

Natuurlijk, de wetgeving wordt actief en wij moeten er echt aan voldoen. Maar moeten wij daarvan in paniek raken? Nee, we moeten het uitzoeken, regelen en organiseren. Dat is heel wat anders. Bovendien, doelstelling van de Autoriteit Persoonsgegevens is niet om zoveel mogelijk boetes op te leggen, maar het borgen van de – uw en onze –  privacy! Zij wil borgen wat wij wensen! En ja, de nieuwe wetgeving vergt een andere houding ten aanzien van het omgaan met persoonsgebonden data. We kunnen niet meer zomaar onbezonnen allerlei persoonlijke gegevens verzamelen delen en analyseren. Het doel moet legitiem zijn, en dat is een goede zaak.

Veel interessanter en uitdagender dan de papieren exercitie en het daarmee verbonden informatiemanagement is het vraagstuk van de praktische toepassing. Binnen mijn eigen werkveld – zorg en welzijn – bijvoorbeeld. Want juist daar wordt in de praktijk privacy vaak als belemmering ervaren. De beleving is dat privacy betekent dat er geen gegevens gedeeld mogen worden. En al helemaal niet zonder voorafgaande toestemming van de betrokken persoon of personen. U herkent ze waarschijnlijk wel, de privacy-schaamlappen:  ‘Ik heb een vertrouwensrelatie met mijn cliënt, daar zit mijn cliënt niet op te wachten, ik heb een beroepsgeheim, ik kan alleen gegevens delen na een schriftelijke toestemming van mijn cliënt, ik mag alleen gegevens delen binnen mijn discipline. Nee, ik mag geen gegevens delen!”  Dat is allemaal bullshit! De rechters van het Europees Hof hebben namelijk ook een Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens vastgesteld.

Er kan en mag dan ook veel meer dan wij denken. Juist dankzij die vaak verguisde wet- en regelgeving. Omdat juist die wet- en regelgeving ons professionals een prachtig en uniform afwegingskader biedt. Zij bevat krachtige en prachtige bepalingen die een andere – minder angstige – manier van kijken mogelijk maken. Met als uitgangspunt: het doel van ons handelen is leidend! Zo ook bevestigde mij deze week Jolanda van Boven weer. Zij hield een schitterend betoog voor welzijns- en zorgprofessionals in de gemeente Wijchen. Zij reikte hen in haar presentatie een paar simpele zorgvuldigheidskleppen aan:

  1. Met welk doel deel ik gegevens?
  2. Welke noodzaak is er?
  3. Communicatie met betrokkenen over het voornemen om informatie te delen. En als daartegen bezwaar is het wegen van argumenten om informatie te delen met de bezwaren van leerlingen of ouders.

Let op: communicatie over het voornemen om informatie mag en moet niet verward worden met het vragen om toestemming! Het toestemmingsvereiste is – zoals Jolanda dat noemde –  “een ‘vluchtstrook’ voor de professional, die daarmee wegloopt voor de eigen professionele verantwoordelijkheid.” Zo ook maakte zij korte metten met het niet durven doen terwijl het wel nodig is. “Ook niet handelen is een verantwoordelijkheid. Natuurlijk is het beroepsgeheim belangrijk, maar dat betekent niet dat je niks kan doen. Het Europese Hof leert ons dat het recht op menselijke waardigheid belangrijker is dan het recht op zelfbeschikking.” 

In de wetgeving wordt toestemming van de betrokkene als belangrijke pijler genoemd, maar niet als dé pijler. Bij het delen van gegevens moet het ‘transparantiebeginsel’ worden gehanteerd: iemand heeft het recht te weten wat er waar vastligt en wat wordt uitgewisseld tussen wie. Dit betekent dat wij als professional aan betrokkenen moeten vertellen wat wij van plan zijn te gaan doen. Wanneer betrokkenen met tegenargumenten komen, kunt wij de voor- en tegenargumenten tegen elkaar afwegen.

De eerste vraag is dus niet of wij informatie mogen delen, maar wat ons doel is als wij informatie willen delen. Bij die afweging kunnen wij putten uit twee bronnen: 1. Ons eigen vakgebied en 2. de wetgeving. Bij onze weging zijn vervolgens drie principes relevant: kiezen voor de minst ingrijpende maatregel (subsidiariteit), kijken naar de verhouding tussen maatregel en doel (proportionaliteit) en antwoord vinden op de vraag of de meest geschikte maatregel is getroffen (doelmatigheid). Belangrijk daarbij is dat wij onze motivering documenteren.  En dus zorgdragen voor een goede dossieropbouw. Dat bevordert de transparantie.

Als wij willen komen tot één plan en één regisseur, dan kan dat dus. Maar wel binnen kaders van zorgvuldigheid, argumentatie en documentatie. Zo omgaan met privacy maakt dat zijn in plaats van struikelsteen een vliegwiel voor de transformatie binnen het sociaal domein kan zijn. Dat vraagt van ons om cultuurverandering en zorgvuldige en bewuste sturing, gebaseerd op een wijziging van onze paradigma.

Wanneer wij integraal willen werken, zullen wij breder moeten willen en durven kijken dan de eigen discipline. Als wij meer aandacht  willen hebben voor en geven aan preventie, moeten wij al gegevens willen delen in het stadium ‘waar we ons zorgen maken’. En als wij proactief willen handelen, zijn wij verplicht iets met onze kennis te doen als wij ons zorgen maken om mensen met en voor wie wij werken. Niets doen is ook een keuze waar wij net zo verantwoordelijk voor zijn.

De conclusie? Privacy waarborgen is geen belemmering, maar een hulpmiddel voor betere, transparante en gelijkwaardigere dienstverlening. Privacy, zo blijkt, is niet statisch of juridisch maar heeft een duidelijke ethische component. Die gaat over het antwoord op de vraag  wie wij als dienstverlener willen zijn en hoe wij onze werkprocessen daarop inrichten. Wij kunnen doen wat écht nodig is door aansluiting te vinden bij de persoon om wie het gaat. Niet door het voor hem of haar te bepalen, maar door samen te werken op basis van open en gelijkwaardige communicatie vanuit doel en noodzaak. Met inzet en verantwoordelijkheid van onze eigen professionaliteit, gebed in een gezamenlijk afwegingskader met eenduidige afspraken over privacy. Privacy is dus niet de boeman waarvoor wij haar graag houden. Zij is een vriend van alles en iedereen die zorgvuldige zorg vraagt, krijgt en geeft.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Bennie Voor vraagt om uitleg

Sinds 1 januari 2015 zijn de decentralisaties in het sociaal domein een feit. Taken als jeugdzorg, de uitvoering van de WMO, WLZ en Participatiewet zijn nu lokaal belegd. Van gemeenten, (jeugd)zorginstellingen, partijen in het participatietraject en burgers wordt verwacht dat ze met meer eigen initiatief werken en meer vanuit hun eigen kracht.

Bennie Voor is hulpverlener. Hij werkt in een sociaal wijkteam en probeert aan die uitdaging handen en voeten te geven. Maar, zo ontdekt hij, wet- en regelgeving werken niet altijd mee…

Daarom vraagt hij soms om uitleg…

U kunt onderstaande strip (van de video) hier ook als pdf-downloaden.

Bennie vraagt uitleg.png

Privacy van de gespleten tong

gluren.png

  • Ook anderen hebben het recht om de gordijnen af te sluiten!

Privacy is het hoogste goed…Dat willen wij onszelf en de ander graag doen geloven. De essentie is dat het onderkennen van privacyaspecten in alle handelingen centraal moet staan. Op deze manier wordt bereikt dat bij welke handeling dan ook rekening wordt gehouden met de eigen privacy of de privacy van anderen. En dat doet het. Zolang het onszelf betreft!

Hoezo privacy? Toen besloten werd onze vingerafdrukken centraal op te slaan was er de nodige tegenstand. En nu de telefoongegevens worden bewaard alsof we allemaal criminelen zijn morren we. Als het onze eigen privacy betreft die geschonden dreigt, zijn wij oprecht verontwaardigd.

Toch vraag ik mij af of wij nog recht van spreken hebben, als we ons tegelijkertijd – van hoog tot laag – verlustigen aan privézaken van anderen. De media prediken privacy, om vervolgens dieper dan diep te gaan graven in relaties van anderen. We verwittigen de wereld met alle ins en outs van zaken die ons eigenlijk niks aangaan. En, of je nu wilt of niet, je moet er nog getuige van zijn ook. En ja, ik realiseer mij heel goed dat waar het mij met een gevoel van schaamte kan vervullen, anderen zich graag verlustigen en wentelen in het leed van anderen. Omdat het zo herkenbaar is!

Zoals de afgelopen dagen. Toen het boek Juliana – Vorstin in een mannenwereld van schrijfster Jolanda Withuis verscheen. Onder het mom van wetenschappelijk onderzoek, historische waarde en staatsveiligheid wordt onbeschaamd en onbeteugeld ingezoomd op het huwelijk van wijlen prinses Juliana en prins Bernhard. De media stort zich gelijk een wervelwind op elk detail.

Waar halen wij in hemelsnaam het recht vandaan om te gaan interpreteren wat mensen denken of doen, terwijl je er niet bij bent geweest. Om ondertussen ongeduldig te zuchten dat het naatje pet is met onze privacybescherming. We spreken (terecht) schande van een door een tiener of wraaklustige echtgenoot op Facebook geplaatste naaktfoto. Maar waarom tonen wij diezelfde foto dan bij herhaling aan anderen? Om ons gelijk te halen?

Het is een onbegrijpelijke dubbele moraal. Privacy moet! Maar we smullen ervan. We wroeten graag en diep. In andermans leven. De brutale manier waarop wij – overheden, particulieren, journalisten en televisiemakers materiaal over anderen verzamelen en (mis-)gebruiken, staat in schril contrast met de privacy die wij voor onszelf eisen.

Begrijpt u mij goed. Ik ben geen privacy-fetisjist. In mijn dagelijkse werk wordt ik vaker bevraagd op mijn standpunt in deze. Het antwoord is heel simpel: Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Het doorbreken van dat recht kan en mag alleen als de persoon in kwestie daarmee instemt (wie vroeg Juliana toestemming?) of als er een legitiem belang (de gezondheid of de veiligheid van de persoon in kwestie of zijn omgeving) mee gediend is. En in die gevallen dien je er heel zorgvuldig mee om te gaan en alleen dat te delen wat er – in relatie tot het probleem, het vraagstuk of de oplossing – toe doet.

Zie ook https://verruimdehorizon.wordpress.com/2013/04/14/privacy-de-schaamlap-voorbij/.

Als ik mij aan die stel- en leefregel niet wil of kan houden dan mag u mij – als ik schande spreek over de schending van privacy – hypocriet noemen.

Toen ik deze week overspoeld werd met de reacties op het boek van Jolanda Withuis dacht ik oprecht aan een uitspraak van Bert Jaap Koops, hoogleraar regulering van technologie in Tilburg: “Het ergste wat je over iemand te weten kan komen is alles.” Laten wij dat eens wat vaker in onze hersenpan laten indalen. Want ook anderen hebben het recht om de gordijnen af te sluiten!

 

Chronische desorganisatie

  • Zo het al waanzin is, dan is er toch systeem in

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Psychische aandoeningen zijn taboe en eng. Anders dan andere ziekten hebben zij een grote impact op de omgeving. De omstanders voelen zich machteloos, bang, raken in verwarring en willen er niets mee van doen te hebben.

Psychische aandoeningen komen weliswaar enorm vaak voor, maar er ligt een taboe op het noemen en bespreekbaar maken. Vindt (ook) GGZ Nederland, de brancheorganisatie voor de geestelijke gezondheidszorg en verslavingszorg in Nederland. Om hun pleidooi kracht bij te zetten voeren zij regelmatig campagnes om bekendheid te geven aan hun werk. Terecht, vind ik.

Grotere openheid is een goede zaak. Psychische ziektes zijn net zo goed ziektes als een hartkwaal, diabetes of hooikoorts. Bovendien komen geestelijke stoornissen zo vaak voor, dat ze gerust tot het dagelijks leven gerekend mogen worden: een op de vier volwassen Nederlanders krijgt ergens in zijn leven een psychische stoornis. Dat betekent dat iedereen er ooit mee te maken krijgt; hetzij zelf, hetzij bij een partner, kind, ouder, broer of zus.

Jammer, verbijsterend, schokkend en tegelijkertijd ook onbegrijpelijk ook vind ik daarom de voortdurende houding van sommige aanbieders van geestelijke gezondheid die – met de schaamlap van privacy als legitimatie – weigeren om openheid van zaken te geven over dat wat zij eigenlijk doen met en voor de mensen waarmee en voorzij zeggen te werken.

De verschuiving van de verantwoordelijkheid voor jeugdzorg naar gemeenten is een grote verandering binnen de GGZ in Nederland. Deze transformatie brengt veel vragen met zich mee. De GGZ staat daarmee – net als alle andere hulpverleners en financiers – voor een grote uitdaging: er is een groeiende groep cliënten, maar er is minder budget dan voorheen.

Als het gaat om de transitie van de jeugdzorg onderscheidt een deel van de GGZ-aanbieders zich met een bijzonder tweeslachtige opstelling. Waar de mond spreekt klinkt luidt het enthousiasme: “Uitgaande van de cliënt, de jongere die hulp nodig heeft, was de hulpverlening voorheen veel te verkokerd en er werd te veel vanuit instellingen en aanbieders geredeneerd. En te weinig vanuit de behoefte van de cliënten zelf. Het moest op de schop en daar is iedereen nu wel enthousiast over. Zo wordt nu veel meer gekeken hoe kinderen in hun eigen omgeving zo goed mogelijk geholpen worden. Alle aanbieders in de jeugdzorg kijken hoe ze elkaar kunnen versterken. Natuurlijk vraagt dat om aanpassingen en anders denken.”

Als de daad bij het woord gevoegd moet worden, komt de aap uit de mouw en verzetten nodige aanbieders van GGZ die zich met hand en tand tegen het transparanter en overzichtelijker maken van dat wat zij doen. Afstemming met andere hulpverleners; zoals de gemeentelijke sociale teams? Aan me nooit nee nooit niet!

Het navolgende citaat uit een recente mailwisseling zegt genoeg: “Om het maar heel bot te stellen: Dit kind is naar ons verwezen via de huisarts en de enige vraag die u dan mag stellen is: Is er een verwijzing van de huisarts ? Deze vraag mogen wij met Ja of Nee beantwoorden. Als dat dus Ja is, houdt het daarmee op. De Gemeente geeft dan een beschikkingsnummer af en stuurt dat schriftelijk naar ons (de hulpverlener) en de ouders. Daarna sturen wij ( de hulpverlener) een nota en betaalt de gemeente deze daarna rechtstreeks aan ons.” In het vervolg van deze mailwisseling wenst de betreffende aanbieder alleen de code 000 te declareren. Dit betekent: DBC (nog) onbekend. “Na sluiting van de DBC krijgt de gemeente een DBC nota waarop uiteraard de juiste productcode wel staat vermeld.” “De gemeente” – zo stelt de aanbieder in kwestie – “betaalt dan deze DBC nota aan de hulpverlener.”

Gemeenten en hun sociale teams verzetten bergen om de decentralisaties binnen het sociaal domein handen en voeten te geven. Samen met zorgaanbieders zitten zij aan tafel om met elkaar te spreken over daarbij passende structuren en (financiële) verantwoordelijkheden. De inzet daarbij is dat ondersteuning en hulpverlening bestaat uit een gecoördineerde maatwerkaanpak waar verschillende disciplines in samenwerken. Het kan hierbij gaan om (een combinatie van) opvoedproblemen, gedragsproblemen, psychiatrische stoornissen en beperkte verstandelijke vermogens bij kind en/of ouders. Dat vergt samenspraak van, met en tussen alle betrokkenen.

Om goede zorg op tijd en op maat te kunnen leveren is het nodig de daarvoor benodigde middelen goed in beeld te hebben. Dat staat of valt met goede sturingsinformatie. Dit heeft met name betrekking op het contractbeheer. Wanneer deze informatie niet op orde is levert de gemeente zich uit aan de uitvoerders: de gemeente schrijft dan als het ware een blanco cheque uit. Dat mag en kan niet de bedoeling zijn. Daarom ook moeten de oude systemen om. Zegt ook GGZ Nederland.

In woord spreekt menig GGZ aanbieder dan ook groot enthousiasme uit. Als de daad bij het woord gevoegd moet worden zijn er echter bij meerdere aanbieders heel veel hobbels en struikelsteentjes die associaties oproepen die variëren van aanstellerij tot iets wat dicht in de buurt komt van misdadigheid.

Patiënten/cliënten vragen zelf vaak nadrukkelijk om een verschuiving van het accent van behandeling van de ziekte, naar aandacht voor wat iemand wél kan. Samen met onderwijsgevenden, hulpverleners zorgverzekeraars, landelijke en lokale overheid, werkgevers, moeten GGZ-instellingen juist daarom aan de slag met samenwerking. Hiervoor is meer nodig dan het uitspreken van enthousiasme. Dat vraagt de bereidheid om over de eigen grenzen heen te kijken. Het lef om met een frisse blik op bestaande wet- en regelgeving en financieringsvormen de traditionele patronen van denken en doen los te laten. Ik daag alle GGZ-behandelaren dan ook van harte uit om in actie te komen en kleur te bekennen. Opdat de chronische desorganisatie van tegenwerkers nu eens doorbroken wordt.