Gladiatoren van de nieuwe tijd

gladiatoren.png

  • Wie daagt wie nu uit?

Nederlanders moeten meer te zeggen krijgen over hun eigen leefomgeving. Dat zegt de overheid. Daarom heeft zij onder meer het ‘uitdaagrecht’ beschreven. Daarmee moet het makkelijker worden voor inwoners om aan de overheid een alternatief plan voor te stellen. Dit ‘uitdaagrecht’ moet breder worden ingezet, zegt ook de overheid. Maar als het er op aan komt, geeft diezelfde overheid niet thuis! Het ‘recht van uitdaging’ lijkt zo een hol begrip en een loze belofte te zijn.

De Wet maatschappelijke ondersteuning kent al zo’n uitdaagrecht – right to challenge – maar dat werkt niet zo soepel als zou moeten. Aan de keukentafel ja, op individueel niveau, daar wil het meestal nog wel lukken. Echter, zodra het ‘systeem’ zelf wordt uitgedaagd wordt het ingewikkelder zo niet onmogelijk. Neem de ingewikkelde aanbestedingsregels in de wet. Die zorgen er juist voor dat inwoners worden belemmerd in hun mogelijkheid om gemeenten uit te dagen meer zorgtaken zelf uit te voeren. Het aanbestedingsrecht, de Wet openbaarheid van bestuur, de Gemeentewet en de rechtsbeschermingsprocedure uit de algemene Wet bestuursrecht sluiten onvoldoende aan op onervaren, lokaalgebonden en kleinschalige initiatieven. Zo leert de ervaring.

In zo’n honderd gemeenten hebben inwoners het Right to Challenge: het recht om taken van de gemeente over te nemen als ze denken dat ze dat slimmer, beter, goedkoper of anders kunnen doen. Minister Ollongren (BZK) streeft naar een verdubbeling van het aantal gemeenten in 2022. Op papier zal dat waarschijnlijk wel lukken. Het denken ook doen zal lastiger blijken. Het op papier zetten is een, maar dan ben je er nog niet. Je moet er echt mee aan de slag, je moet er als overheid werk in steken. Je moet er actief mee naar buiten, en – in de eerste plaats – je moet willen en durven loslaten.

Stel, dat als gladiatoren in hun tijd, de inwoners van Amsterdam de overheid zouden uitdagen met een plan om ‘hun’ Slotervaartziekenhuis voortaan zelf te gaan exploiteren. Zou het ogen? Ik zou het wensen, maar waag het ernstig te betwijfelen. En wat te denken van de inwoners van de gemeenten Haren (Groningen) en Landgraaf (Limburg). Zij wilden wat graag zelf hun boontjes doppen, maar kregen of krijgen nul op het rekest.

Als inwoners geïnspireerd worden om lokale publieke taken over te nemen en daarvoor overgaan tot participatie, is  frustratie hun lot. Want in het gunstigste geval krijgen zij een beetje ondersteuning in de vorm van lippendienst. Meestal echter worden diezelfde inwoners weggezet als goed bedoelende amateurs. Een muur van verzet, een tsunami van tegenargumenten en gebrek aan openheid zijn vaak hun deel..

Dit laatste lijkt vooral het gevolg van het feit dat het juridisch kader achterloopt op de maatschappelijke ontwikkelingen. Een goede toepassing van ‘right to challenge’ vereist een herziening van de rechtsverhoudingen tussen inwoners en bestuur.

Het ‘recht van uitdagen’ is een mooi iets, maar als er zo’n initiatief komt, moeten de mensen niet van het kastje naar de muur worden gestuurd. Vaak is de angst dat inwoners hun werk gaan overnemen. Overheden moeten er duidelijk mee leren omgaan dat inwoners net even op een andere manier aankijken tegen dingen, de zaken net even anders inrichten. Zij denken niet in geldpotjes en afdelingen, ze willen gewoon iets voor elkaar krijgen.

Het ‘right to challenge’ veronderstelt een omslag van burger- naar overheidsparticipatie. Van (als inwoner) ‘mogen meepraten’ naar (als overheid) ‘betrokken zijn bij’. Dat vraagt transparantie en openheid. Het veelt geen reacties in de trant van ‘U (inwoner) kent de context net; u weet niet waar u over praat’.  Als dat al zo zou zijn, dan is dat niet aan de inwoners te wijten, maar aan een tekort schietende overheid.

Mijn voorlopige conclusie? Het lijkt wel of overheid de inwoners met initiatieven heeft (her)ontdekt, maar meestal blijft het beperkt tot kleine, tijdelijke projecten van een goedwillende ambtenaar of vooruitstrevende wethouder, maar ze komen niet voort uit een bestuurlijke visie op burgerinitiatieven. En dat is volgens mij de uitdaging voor de komende jaren. Want burgerparticipatie is nog te vaak iets dat moet worden afgevinkt. Terwijl het beleid er zo veel beter van wordt. Zeker, nu gemeenten steeds meer taken op zich zien afkomen. Een proces dat begon met de decentralisaties van jeugdhulp, werk en zorg en wordt gevolgd door de Omgevingswet, de energietransitie en de overgang naar aardgasvrije wijken. Dat alles gaat niet vanzelf’ en al helemaal niet zonder de inwoners. Dat vraagt een heel ander type dialoog. Gebaseerd op betrokkenheid vooraf in plaats van bezwaren achteraf.

Of het zal lukken overheden zo te laten kantelen? Ik ben ervan overtuigd. Is het niet op basis van echte overtuiging, dan wel omdat de wal het schip keert. Immers, ondanks de – op zijn vriendelijkst gezegd – tegenstribbelende medewerking van heel wat overheden zien wij een gestage toename van burgercoöperaties op het gebied van energie, gezondheid, zorg, onderwijs, werkgelegenheid en woningbouw. Als antwoord vaak op de grootschalige instanties en professionele instellingen. Mensen willen graag en weer het heft in eigen hand.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Advertenties

Winnen kun je alleen, als anderen meedoen!

huldigen

  • Waarom huldigen wij alleen de winnaars

De Olympische Winterspelen 2018 zijn begonnen. Het zal niemand ontgaan zijn En, omdat er maar een de beste kan zijn, hebben wij voor al die anderen de troostspreuk al klaar: “Meedoen is belangrijker dan winnen.” Een obligate opmerking, waarmee wij hen eigenlijk aan de schandpaal nagelen. Want alleen de winnaars huldigen wij vervolgens!

“Meedoen is belangrijker dan winnen!” Het wordt zo vaak  herhaald dat niemand zich meer afvraagt of de stelling nog wel klopt. En als hij klopt, is ons doen en laten er dan ook naar? Of papegaaien wij er maar wat op los. Omdat het lekker bekt; lekker ‘sociaal’ staat?

“Meedoen is belangrijker dan winnen’. Helaas is het een cliché dat meedoen belangrijker is dan winnen. En nog gelogen ook, want uiteindelijk wil iedereen het liefste op de hoogste trede janken bij zijn eigen volkslied.

“Meedoen is belangrijker dan winnen’. Ik blij het desondanks toch zeggen. Omdat ik dat echt van mening ben. Ook, al zie ik dat ons doen en laten vaak iets heel anders zegt. De winnaars ja, die huldigen wij. Liefst met een praaltocht op de platte wagen of een ridderorde. De verliezers mogen daarbij langs de kant staan. Hun aandacht bestaat uit eindeloze praat- en analyseprogramma’s waarin anderen hen de oorzaak van hun falen graag en langdurig inwrijven. Waarbij de beste stuurlui natuurlijk op de spreekwoordelijke wal staan.

Ons sportklimaat is overigens een prima afspiegeling van onze maatschappij. Dagelijks boeren politici, bestuurders en bazen het in elke microfoon die hen onder de neus geduwd wordt. Of schreeuwen zij het – bij gebrek aan een microfoon – van de daken: “In onze participatiemaatschappij telt en doet iedereen mee. Het gaat niet om de knikkers, het gaat om het spel!”

Waarom dan, zo vraag ik mij af, zitten er nog elke dag opnieuw duizenden mensen thuis op de bank? Mensen die niet mogen of kunnen meespelen, omdat wij – in de jacht op de knikkers – in het spel hen voorbij kijken. Onze  prestatiemaatschappij nodigt zo niet bepaald uit tot meedoen.

Meedoen bestaat uit tweerichtingsverkeer en gedijt bij échte belangstelling voor elkaar.  Als de ander na een snel ‘Hoe gaat het?’ doorloopt en geen oog voor je heeft als het wat minder gaat – of daar oeverloos over blijft dooremmeren – is dat weinig inspirerend en motiverend om je deel te voelen van de samenleving. Of, in sporttermen, om je deel te voelen van de prestatie.

Als Sven Kramer (terecht) gehuldigd en gevierd wordt omdat hij voor de derde keer op rij goud wint op 5 kilometer hard schaatsen, dan dankt hij dat succes net zo goed aan de schitterende prestaties van anderen. Het is immers geen kunst te winnen, als de rest er met de pet naar gooit!

Meedoen is meetellen. Het leidt tot een gevoel van trots, als je jouw eigen talenten kunt inzetten om nieuwe talenten te ontplooien. Juist het gevoel ertoe te doen, iets te kunnen betekenen voor een ander, maakt ons actief.

In een echte participatiemaatschappij is “Meedoen is belangrijker dan winnen” meer dan een cliché. Een echte participatiemaatschappij laat iedereen meedoen. Gewoon, omdat ‘iedereen telt en doet mee’ gebaseerd is op inclusief denken en doen, respect en ruimte voor diversiteit; ook bij en in prestaties.

Noem mij een zuurpruim of een idealist. Het zij zo, maar ik geloof dat écht! In een echte participatiemaatschappij doet iedereen mee. Iedereen, dat wil zeggen ook de mensen die dak- of thuisloos zijn. Ook de morbide verzamelaar van grafzerken of doppen van bierflesjes. Net zo goed als de mensen die niet zo hard  – of helemaal niet – kunnen schaatsen. Maar misschien juist weer heel goed zijn voor hun buurtjes. In een echte participatie maatschappij telt elke prestatie.

Het is de kunst om juist ook die prestaties te willen zien. Niet, om afbreuk te doen aan de schitterde prestaties van de (op een moment) allerbesten. Integendeel. Het is juist het presteren van al die anderen die glans en schittering geven aan de prestaties van de allerbesten. Juist daarom moeten wij goed blijven kijken en luisteren naar de prestaties van alle mensen en (ook) hun behoeftes serieus nemen. Want winnen kun je alleen, als anderen meetellen en meedoen!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Wrijven in de vlek neemt haar niet weg

kwestbaar.png

  • Een echte pleister is beter dan valse aandacht

Ik zal de laatste zijn die beweert dat de meest kwetsbare gezinnen in ons land adequaat geholpen worden. Dat kan en moet veel beter. Wat mij in de recente berichtgeving daarover stoort is de suggestie dat dit komt door – of een gevolg is van – de decentralisatie van de jeugdhulp naar gemeenten. Dat schept een vals beeld. Het voelt ook een beetje als wrijven is een al langer bestaande vlek. En met wrijven in de vlek, neem je die nog niet weg!

Medio april 2017 stelden het Toezicht Sociaal Domein/Samenwerkend Toezicht Jeugd in een kritische rapportage dat de meest kwetsbare gezinnen nog onvoldoende geholpen worden door de wijkteams. Het uitgangspunt een-gezin-een-plan-een-regisseur komt volgens de stellers niet goed van de grond. De gezamenlijke Toezichthouders onderbouwen deze bevindingen adequaat en zorgvuldig. “De conclusies zijn verontrustend”, stelt Esther Deursen programmadirecteur Toezicht Sociaal Domein.

In de berichtgeving rondom de bedoelde rapportage stoppen de media vervolgens een venijnige boodschap: de gemeenten kunnen de zorg voor kwetsbare gezinnen niet aan. Om daarbij fijntjes te verwijzen naar de decentralisaties in 2015. Als gevolg waarvan deze zorg de verantwoordelijkheid van gemeenten is geworden.

Ik ben nog maar eens even terug in de tijd gegaan. Om vast te stellen dat de zorg voor kwetsbare gezinnen al veel langer een zorg is. “Gezinnen met een geringe sociale redzaamheid zijn kwetsbaar. Zij hebben vaak een combinatie van problemen, bijvoorbeeld op het gebied van zorg, onderwijs, huisvesting, financiën en justitie. Vaak krijgen deze gezinnen niet de zorg die ze nodig hebben.” Aldus de “Staat van de Gezondheidszorg” van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Zij schreef dit in 2010.

“Vanwege het meervoudige karakter van de problematiek en het grote aantal partners dat bij deze zorg betrokken is, komt adequate zorg niet vanzelfsprekend tot stand,” schreven de inspecties voor gezondheidszorg, jeugdzorg en onderwijs toen. Zij hebben destijds het initiatief genomen om met een groot aantal organisaties op het gebied van onderwijs, jeugdzorg en gezondheidszorg, randvoorwaarden te ontwikkelen voor verantwoorde zorg aan gezinnen met geringe sociale redzaamheid. Want”, zo stelden toen de Inspecties: “Verantwoorde zorg voor gezinnen met geringe sociale redzaamheid is alleen mogelijk als alle relevante instellingen betrokken zijn en als deze instellingen effectief met elkaar samenwerken en de zorg goed op elkaar afstemmen”.

Dat alles was de verontrustende stand van zaken ver voor de decentralisaties van 2015. Het lukt ons kortom in de praktijk gedurende een lange reeks van jaren en ondanks de decentralisaties onvoldoende om de problematiek van deze complexe gezinnen goed aan te pakken. Om met deze gezinnen en betrokken professionals ‘een samenhangende aanpak tot stand te brengen. Een aanpak die effectief de problemen oplost of beheersbaar maakt en nieuwe problemen helpt te voorkomen. Kwetsbare gezinnen hebben kennelijk een andere aanpak nodig dan die wij gedurende langere tijd boden of niet bieden.

Natuurlijk, gemeenten en hun professionals kunnen veel beter kijken of de sociale wijkteams die kwetsbare gezinnen echt vooruit helpen. Ook ik ben ervan overtuigd dat kwetsbare gezinnen het best af zijn met één contactpersoon en met hulpverleners en instanties die goed samenwerken. Maar dat is niet voldoende.

De kwetsbaarheid ontstaat namelijk in een wisselwerking tussen gezinnen, hun sociale omgeving en de hulpverlening. En juist daarin blijkt dat er een verschraling heeft plaatsgevonden. Voor alle gezinnen zijn professionals en beroepskrachten, zoals pedagogisch medewerkers van kinderdagverblijven, huisartsen, medewerkers van consultatiebureaus en leerkrachten, belangrijke gesprekspartners over opvoeding (Van den Broek et al. 2012; Stam en Doodkorte 2011). Datzelfde geldt echter ook voor medewerkers schuldhulpverlening, bijstandsconsulenten en arbeidsbemiddelaars. Voor hulpverlening die werkt is het belangrijk dat deze professionals en beroepskrachten niet de regels, maar de vraag centraal stellen. De steeds vaker voorkomende – en met de beste bedoelingen gehanteerde – screeningslijsten en het type vragen dat daarin wordt gesteld draagt daaraan niet bij. Zij maken de ondersteuning en zorg daardoor eerder tot een opsporingsapparaat En daarmee bemoeizuchtig.

Hulpverleners komen meestal in actie na een melding of indicatie van een acute situatie. Dikwijls zijn in een acute situatie de problemen al dusdanig gegroeid dat er sprake is van een veelheid en diversiteit aan problemen. Op basis waarvan ook een veelvoud aan specialisten aan de slag gaat. Hierdoor worden vaak de problemen eerder versterkt dan opgelost (Van den Berg et al. 2008). Daarbij staan te vaak de symptomen in plaats van de oorzaken centraal.

Als wij kwetsbare gezinnen echt willen helpen, dan is aandacht voor het mee kunnen doen aan de samenleving een eerste vereiste. Gezinnen die niet weten hoe ze de maand moeten doorkomen, die geen (volledige) maaltijd op tafel kunnen zetten, die geen kleding kunnen kopen of hun kinderen naar sportverenigingen kunnen sturen help je niet met gesprekken met professionals. Mensen die hun rekeningen niet meer kunnen voldoen, die hypotheek- of huurachterstanden hebben of mensen die na het voldoen van alle rekeningen rond moeten komen van zo’n klein bedrag dat ze hier niet hun boodschappen meer van kunnen doen. Die zijn niet gebaat bij behandeling. Behandeling geeft geen oplossing voor het ’s nachts wakker liggen, omdat je bang bent om uit huis te worden gezet, de deurwaarder regelmatig bij je aan de deur staat of je je kind geen brood mee naar school kan geven. Sturen op eigen kracht en zelfredzaamheid is voor deze gezinnen niet voldoende.

Wat nodig is, is ruimte en aandacht voor praktische en materiële ondersteuning. Richt je eens op de vraag of de kwetsbaarheid al dan niet samenhangt met geldgebrek in of participatie van het gezin. En als dat zo is, verstrek dan eens de financiële middelen of instrumenten om die oorzaak te elimineren. Hard geld is dan vaak effectiever, efficiënter (en goedkoper!) dan goedbedoeld pamperen.

Om dat te bereiken moet bij kwetsbare gezinnen m.i. het primaat binnen het sociaal domein niet – anders dan nu nog vaak het geval – liggen bij zorg en welzijn, maar bij inkomensondersteuning en participatie. Gemeenten en professionals moeten daarmee aan de bak.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Isolement doodt

sociaal isolement

  • Film over sociaal isolement, door studenten van de opleiding Culturele en Maatschappelijke Vorming
Sociale contacten zijn belangrijk en zullen in de toekomst steeds belangrij-ker worden. Nederland verandert steeds meer van een verzorgingssamenleving naar een participatiesamenleving. Burgers moeten minder beroep doen op gefinancierde voorzieningen en meer putten uit eigen kracht en ondersteuning van informele sociale netwerken. Het beschikken over sociale contacten die ondersteuning bieden wint daardoor steeds meer aan belang.

Ook in nieuw geluk en nieuwe vrijheid moeten wij ons leren schikken

  • Chaos is het woord voor een orde die we nog niet begrijpen

Chaos-Order

Al langer is er sprake van decentralisaties in het openbaar bestuur. Het meest in het oog springend zijn de decentralisaties in het sociaal domein. Gemeenten nemen taken van de rijksoverheid en provincies over op het gebied van jeugdzorg, werk en inkomen en zorg aan langdurig zieken en ouderen. De aanleiding voor de vernieuwing van het sociaal domein is tweeledig. Ten eerste moet er door de vergrijzing, bezuinigingen en decentralisaties meer gedaan worden met minder middelen. Ten tweede vindt een verschuiving plaats van een verzorgingsstaat naar een participatiestaat, omdat men veronderstelt dat inwoners publieke taken beter kunnen realiseren dan de overheid of de markt. De vernieuwing van het sociaal domein gaat zodoende in de kern om het realiseren van een effectiever en efficiënter sociaal domein. De belangrijkste actoren dienen hiervoor een andere  positie innemen:

  • Van de inwoners wordt verwacht dat ze bij het oplossen van problemen meer uit gaan van de eigen kracht en het eigen netwerk en zich in de samenleving actiever opstellen als vrijwilliger.
  • Professionals moeten inwoners ondersteunen in het versterken van de eigen kracht en het bij elkaar brengen van het informele netwerk; alleen als het niet anders kan voeren zij zelf nog de taken uit.
  • De gemeente moet zich beperken tot het stellen van kaders voor, het faciliteren van en toezicht houden op inwoners en professionals en gaat zich daarnaast ook zelf effectiever en efficiënter organiseren.

Deze verandering in het sociaal domein is een belangrijk onderwerp voor gemeenten. Het is een grote bestuurlijke verschuiving van taken, er gaat erg veel geld in om en het raakt veel mensen. Daarom volgt het Rijk de voortgang met een Transitiecommissie Sociaal Domein (TSD). Die bracht onlangs haar tweede voortgangsrapportage uit. De belangrijkste conclusie daarvan: Gemeenten hebben wel een beging gemaakt met de invulling van de veranderingen, maar de beoogde kanteling (transformatie) staat nog in de kinderschoenen. De verbinding tussen Wmo, Jeugd en de Participatiewet wordt nog (te) weinig gemaakt en vernieuwing komt mondjesmaat van de grond.

Natuurlijk, gemeenten hebben al wat meer handen en voeten gegeven aan het overdragen van overheidstaken aan inwoners. Maar waar de ene gemeente dat doet door rechtstreeks initiatieven van inwoners te stimuleren, richt de andere gemeente zich vooral op de ondersteuning van eigen kracht door professionals. Ondanks die verschillende accenten is overal te zien dat gemeenten de intentie hebben om meer over te laten aan de inwoner. Ook, al is dat nog niet overal even helder uitgewerkt. Hieraan liggen verschillende oorzaken ten grondslag.

De eerste is dat gemeenten en hun partnerorganisaties moeite hebben om zich de nieuwe werkwijze eigen te maken. De kanteling vraagt binnen bestaande instituties ook om een interne herstructurering. Het proces van contact – vraagverheldering – oplossing – arrangement, krijgt alleen de juiste lading als het hele primaire proces daar ook op is ingericht. Dit vraagt een omslag van beleids- naar uitvoeringsregie.

De tweede oorzaak is gelegen in het diffuse kader dat aan de kanteling ten grondslag ligt. Het is een – meer of minder – beschreven richting, maar voor het stappenproces van (contact – vraagverheldering – oplossing –arrangement) is er geen blauwdruk. Uiteindelijk bepaalt de dialoog met de inwoner het arrangement. Dit vraagt om een dialooggestuurd proces om de gezamenlijke verantwoordelijkheid te benadrukken.

Dialoogsturing is overigens ook van belang om het voor de veranderingen benodigde draagvlak bij de inwoners te ontwikkelen en te borgen. Het is nog geen vanzelfsprekendheid dat zij de taken die hen toegeschoven worden ook daadwerkelijk zullen (kunnen) uitvoeren. De kanteling van het sociaal domein kan ingrijpende gevolgen hebben voor inwoners, zowel voor hen die zorg ontvangen als voor hen die het moeten gaan verlenen. Voor sommige zaken zullen inwoners wel vanuit zichzelf van alles willen ondernemen, op andere terreinen niet. Bepaalde taken zullen daardoor blijven liggen. Ten slotte kunnen mantelzorgers overvraagd worden. En dat kan betekenen dat ontplooiingsmogelijkheden belemmerd raken en verschillen tussen sociaaleconomische klassen worden vergroot.

Dit alles vraagt meer dan een optimistische houding over de verstrekkendheid van de kanteling. Naast een cultuuromslag en systeemveranderingen betekent dit een (ontwikkel)proces van enkele jaren om tot een gekantelde en duurzame uitvoering te komen. Belangrijk onderdeel en instrument is – ook volgens de TSD – het instrument van de inkoop en bekostiging van de ondersteuning en zorg. De reden hiervoor is dat gemeenten verschillende keuzes (kunnen) maken voor de inrichting van en de sturing op de gewenste effecten en resultaten.

Als gemeenten voor hun inwoners de beste kwaliteit en beschikbaarheid van zorg en ondersteuning willen realiseren, maar wel binnen de daarvoor beschikbare middelen, is het nodig dat gemeenten een systeem inrichten dat dit kan/gaat bewerkstelligen. Bekend is immers dat er ‘meer met minder’ moet worden gedaan, dus het moet ‘anders met minder’. Wanneer het niet anders vormgegeven wordt, kan dit leiden tot onverantwoorde financiële consequenties.

Deze laatste innovatieroute loopt niet alleen via de inwoners, maar ook via de zorgaanbieders. Ook voor veel andere routes zijn zij overigens van betekenis en belang. Daarom ook is het pleidooi van de TSD – te komen tot een duurzame relatie tussen gemeenten en aanbieders, met concrete afspraken over innovatie – meer dan terecht. Om die reden ook hebben veel gemeenten ook vorig jaar al gekozen voor het bestuurlijk aanbesteden.

Bestuurlijk aanbesteden is een methodiek waarbij een gemeente langdurige, flexibele convenanten sluit met leveranciers van zorg- en welzijnsdiensten. Deze methodiek erkent en gaat er van uit dat er sprake is van wederzijdse afhankelijkheid tussen de opdracht gevende gemeente(n) en (zorg-) aanbieders. Beide partijen hebben de ander nodig om de eigen doelstellingen te kunnen realiseren. Belangrijke voordelen van bestuurlijk aanbesteden zijn dat de inwoner maximale keuzevrijheid heeft waardoor een zo hoog mogelijke klanttevredenheid bereikt.

Partijen moeten zich daarbij realiseren dat kwaliteit van zorg en doelmatigheid hand in hand gaan. Aanbieders moeten daarom niet (langer) gefinancierd worden op basis van ingezette producten. Dat is mogelijk is als we van een product(-ie) gerichte bekostiging overstappen naar een resultaat- of uitkomst-gestuurde bekostiging. Daarom is voor dit jaar een belangrijke opgave om, in overleg met alle partijen te komen tot een breed gedeelde en breed gedragen visie met als uitkomst de introductie van uitkomstfinanciering die ruimte biedt aan innovatieve arrangementen en concrete resultaatafspraken. Dat alles vraagt om rustige onbevangenheid en ruimte voor een tussenperiode waarin wij met tumult, schermutselingen en een ogenschijnlijk nutteloze chaos de bodem leggen voor een orde die wij nu nog niet begrijpen. Want ook dat is kanteling.