Als zwakte kracht wordt

dadels.png

  • Dadels

Op een dag kwam een oude vrouw bij een wijze man met de vraag of hij met haar zoon wilde spreken. Haar zoon gaf al het geld, dat hij dagelijks verdiende uit voor dadels en aan zijn moeder, die niets bezat en een zeer armoedig leven leidde, gaf hij niets. De wijze man beloofde met haar zoon te spreken, maar pas na een wachttijd van zeven weken.

Nadat de zeven weken waren verstreken, werd de jonge man bij de wijze gebracht die vriendelijk tot hem sprak: “Je bent een jong mens met verstand en inzicht. Denk er eens aan wat je moeder voor je gedaan heeft, welk grote offers ze voor je bracht, haar hele arbeidsloon heeft ze weggegeven voor je opvoeding en opleiding. Nu is zij oud en jij hebt werk, waardoor je zou haar kunnen onderhouden. Maar in plaats daarvan verkwist je al je geld aan dadels. Is dat rechtvaardig, is dat juist? Luister naar het geweten dat in je hart brandt en leg deze slechte gewoonte af.”

De jonge man had met aandacht geluisterd, nam zich de woorden van de wijze ter harte en veranderde zijn leven.

Maar de leerlingen van de wijze verwonderden zich en vroegen hem waarom hij zeven weken gewacht had om dit gesprek met de jonge man te voeren. De wijze antwoordde: “Ik zelf eet ook heel graag dadels en ik voelde dat ik geen recht en geen kracht had de jonge man aan te bevelen hiervan afstand te doen als ik er niet zelf tenminste zeven weken vanaf kon zien. Het is onmogelijk een ander te helpen van een zwakheid afstand te doen zolang men zichzelf aan deze zwakheid overgeeft.”

De parabel van de panfluit

panfluit
Er was eens een boom, een onbekende boom ergens langs de waterkant, en geplant door niemand weet nog wie. Hij leefde daar breeduit met vele takken. Hij droeg de forse stem van de wind, of de doodse stilte van de avondlucht.

’s Winters was het leven kaal en zwiepend op de harde wind en met zijn twijgen als toegeklemde vuisten vol nieuwe belofte, stond hij maar te wachten tot het lente werd.

Ga je gang, knipoogde dan de voorjaarszon, en dan kwam hij weer toe aan zijn oude, groene uitbundigheid: zijn takken liepen weer ui en schoten bloesem van ingehouden leven een lust voor de ogen!

En als de zomer kwam, maakte hij een donkere hand, gevuld met schaduw, gratis voor iedereen en soms een parapluie tegen de stromende regen.

Zo leefde die boom met al zijn takken jaar in jaar uit zijn krachten verbergend en ontplooiend, op en neer in telkens vier seizoenen.

Maar op zekere dag kwam er een man, gewapend met een mes. De takken hielden van louter schrik het ruisen in. Er was geen ontkomen meer aan: de mooiste tak werd afgesneden, en de man nam hem mee naar zijn huis. Een dode tak, voorgoed van de stam en uit het leven weggesneden. Weggevallen uit de schaduw van velen, onopvallend, en straks natuurlijk vergeten: wat is een tak over een hele boom?

Drie dagen later kwam die man weer terug, en de boom stond windstil van doodsangst met al zijn takken: wie treft vandaag het bittere lot?

Maar kijk, de man ging zitten aan de voet van de boom, en blies op de afgesneden tak, die hij zijn panfluit noemde. Hij speelde een lied, en de boom verstond: “Horen jullie mij? Ik leef! Lk leef! En meer dan ooit tevoren! lk leef! lk fluit! lk zing!”

Hoe hoger het bamboe groeit, des te dieper is zijn buiging

  • Wat de bamboe leert.

bamboe-bos

In het midden van het koninkrijk lag een grote, prachtige tuin. De tuinman genoot ervan om in de tuin te wandelen als het te heet werd. Hij hield bijzonder veel van een bamboe, de mooiste van alle bomen in de tuin. In de loop van de jaren groeide de bamboe uit tot een sterke, krachtige boom en hij was zich van de gunst van de tuinman bewust.

Op een dag kwam de tuinman naar de boom toe, maakte een diepe buiging en zei: “Mijn lieve bamboe, ik heb je nodig.”

De dag was gekomen waarvoor de bamboe geschapen was en de bamboe sprak zacht: “Meester, ik ben bereid. Doe met mij wat je wilt.”

“Bamboe,” vervolgde de meester plechtig, “als ik je wil gebruiken, moet ik je vellen.”

“Mij vellen? Je hebt me toch altijd voor de mooiste boom van je tuin gehouden? Doe het niet!”

“Mijn lieve bamboe,” antwoordde de meester, “als ik je niet vel, ben je voor niets nuttig.”

Het werd stil in de tuin, de wind hield zijn adem in, de bamboe boog zijn kroon en sprak zacht: “Meester, als je mij niet kunt gebruiken zonder mij te vellen, dan ben ik bereid, vel mij!”
“Mijn lieve bamboe, ik moet al je takken en bladeren verwijderen.”

“O nee, dat niet, neem mijn schoonheid, maar laat me mijn bladeren.”

“Als ik ze niet verwijder, kan ik je niet gebruiken.”
De zon verstopte zich, een vlinder vloog weg en de bamboe trilde bij de gedachte wat er met hem zou gebeuren, maar zei in één adem: “Meester, verwijder mijn takken en bladeren.”

“Bamboe,” vervolgde de tuinman, “je moet nog iets anders doen: ik zal je door midden zagen en je hart er uit snijden. Als ik dat niet doe, heb ik er niets aan.”

“Ja ,meester, doe wat nodig is.”

Toen velde de tuinman de bamboe, verwijderde takken en bladeren, zaagde hem doormidden en verwijderde het hart. Daarna bracht hij hem naar een bron met fris water midden in een verdroogde akker. Voorzichtig legde hij de bamboe op de grond, het ene einde van de bamboe in de bron, terwijl het andere eind tot in het waterkanaal afliep.

De bron verheugde zich, het water klaterde door het open lichaam van de bamboe tot in het kanaal en de verdorde velden werden bewaterd. Men plantte rijst en de tijd vergleed. De kiemen groeiden en de oogsttijd kwam.

Zo gebeurde het dat de eens zo majesteitelijke bamboe in zijn bescheiden toestand tot een grote zegen werd. Toen hij nog groot en mooi was, groeide hij voor zichzelf en hij verheugde zich er over, maar na zijn omhakking werd hij tot een kanaal, waar de meester zich van bediende om zijn rijk te bevruchten.

De parabel van de steenhouwers

steenhouwer

Op een zonnige dag wandelde een man in een vallei.

Bij het afdalen na een heuvel passeerde hij een kleine steengroeve waar een andere man aan het werk was. De wandelaar vroeg: “Wat bent u aan het doen?

De man keek op van zijn werk en zei: “Ziet u dat niet? Ik ben stenen aan het uithakken!

De man liep verder.

Niet veel later kwam hij nog een kleine steengroeve tegen waar ook iemand in de weer was met hamer en beitel. Weer vroeg hij: “Wat bent u aan het doen?

Deze steenhouwer keek op van zijn werk en zei: “Ziet u dat niet? Ik ben geld aan het verdienen om mijn gezin te kunnen onderhouden!

De man liep verder.

Nog iets verder passeerde hij nogmaals een kleine steengroeve. Ook hier werkte een man zich in het zweet.
Hij vroeg: “Wat bent u aan het doen?

De man keek op van zijn werk en zei: “Om te zien wat ik aan het doen ben, moet u nog een klein stukje verder wandelen. Daar wordt een nieuwe kathedraal gebouwd met de stenen die ik uithak!

De parabel van Levijitzchak van Berditchev

Rabbi Levi

Eens reisde een koning door een groot woud. Hij drong zo diep in het woud door dat hij er in verdwaalde, en kon onmogelijk de weg terug vinden.

In het diepste van het woud ontmoette hij eenvoudige boeren, en vroeg hun om hem uit het woud te leiden, maar zij waren niet in staat om hem te helpen, want zij hadden nooit gehoord van de koningsallé, welke direct leidt naar het koninklijke paleis.

Ten slotte vond de koning een wijs en begrijpelijk man en vroeg om zijn hulp. De wijze bemerkte onmiddellijk dat het de koning was, en was diep ontroerd bij deze ontmoeting. In zijn wijsheid, leidde hij de koning onmiddellijk naar het juiste pad en begeleidde hem tot in het koninklijke paleis en stond hem bij tot aan het punt dat hij volledig in ere was hersteld en plaats genomen had op zijn majestueuze troon.

De redder, vond uiteraard, grote gunst bij de koning.

Tijd verging en de wijze man handelde onfatsoenlijk op zo danige wijze dat het de koning ergerde. De koning beschouwde hem als iemand die de koninklijke wetten had overschreden en sleepte hem voor het gerecht.

De man wist dat hij zeer streng zou worden aangepakt. In grote angst knielde hij voor de koning en smeekte om de verlening van een gunst, voordat het gerecht zou oordelen. Hij wenste te worden gekleed in dezelfde kleren die droeg bij de eerste ontmoeting met de koning in het woud. En ook de koning zou de originele kleding dragen van toen. De koning aanvaardde zijn verzoek. Toen de woudontmoeting opnieuw was geënsceneerd door het dragen van hun originele kleding, herinnerde de koning zich krachtig en helder de levensreddende vriendelijkheid van zijn redder. Grote vergevensgezindheid werd bij hem opgewekt toen hij zich eveneens herinnerde hoe hij opnieuw in ere werd hersteld op de troon. Met begaanheid en genade vergaf de koning grootmoedig zijn redder en bracht hem terug naar zijn hoge positie van eer.

Het verhaal van de pijl en de roos

PijlRoos

Elke week komen ze bij de Rebbe, Van heinde en ver. Voor ze de grote zaal binnen gingen fluisterden ze de Rebbe toe, al hun problemen, zorgen grote en kleine, hun dilemma’s, hun vragen, hun ideeën. Dan knikt de Rebbe. Interessant dilemma, goed idee, mooie vraag, komt u vooral binnen, en ga zitten.

Als iedereen de zaal in is gegaan en een plekje heeft gevonden begint de Rebbe te vertellen. En halverwege het verhaal dat hij vertelt beginnen de mensen te elkaar schuins aan te kijken en te knikken. Ja, zo is het. Dat heeft de Rebbe goed gezien, wat een mooi idee, hoe komt hij er op.

Als tenslotte de Rebbe het verhaal beëindigd heeft staat iedereen op en bedankt de Rebbe uitbundig en men gaat tevreden naar huis. Geïnspireerd en vol daadkracht.

De Rebbe heeft een leerling die dat week aan week vol verbazing aanziet. Hoe doet de Rebbe dat. Al die honderden verschillende vragen en dilemma’s iedere week weer. En dan iedereen weten te raken zodat mensen tevreden naar huis gaan. Dat stukje verhaalkunst wil hij ook wel leren. Op een dag tijdens een wandeling durft hij het te vragen aan zijn meester.

Rebbe hoe is het mogelijk dat u week in week uit al die honderden mensen met elk hun eigen vragen met slechts een verhaal te kunt beantwoorden. En dat bovendien elke week te herhalen met een ander verhaal.

Een goede vraag zegt de Rebbe, ga vooral zitten.

Mijn verhalen zijn als de Pijl en de roos. En hij vertelt over die kroonprins die de beste schutter van de wereld wil worden. Hij oefent en oefent wekenlang. Hij haalt wel een percentage van 95 procent midden in de roos. Na die oefening keert hij terug naar de burcht van zijn vader om vol trots zijn kunst te vertonen. Maar aangekomen bij de muren van het kasteel ziet hij allemaal rozen met de pijl exact in het midden. 100 procent score. Volkomen uit het lood stuurt hij zijn dienaar de burcht in die even later terug komt met de hofnar. Verbijsterd zegt de prins dat het onmogelijk is dat zo’n nitwit, zo’n clown nooit beter dan hem kan zijn en nog wel zonder de oefening en moeite zoals hij zich getroost had. Hoe heb jij dat gedaan. Ach meester, zegt de hofnar knipogend, ik was wat aan het spelen met mijn pijl en boog. En vervolgens heb ik op de muur overal waar een pijl in zat een roos getekend.

Mijn verhalen, zegt de Rebbe zijn als de pijl, die zijn weg aflegt van de strakgespannen boog van de schutter, door de lucht zoeft en het doel vindt precies in het hart van de roos.

Luister , zegt de Rebbe. Mijn verhalen zijn als de pijl. Ik weet alles van spannen en ontspannen, van vasthouden en loslaten , van richten en raken. Ik ben verantwoordelijk voor de pijl. Maar de luisteraars die bepalen zelf of ze de roos ophouden of niet om de pijl het hart te laten raken.

Zo raken mijn verhalen doel … of niet. De leerling knikt.

De Japanse steenhouwer

japanse steenhouwer

Lang geleden leefde er, in de bergen van het verre land Japan, een arme, hardwerkende steenhouwer.

Hij moest de weg die door de bergen voerde begaanbaar houden. Daarom was hij dag in dag uit bezig om met zijn houweel stukken van de berg langs de weg af te houwen en met die stukken steen de gaten in de weg te vullen.

Het was zwaar werk, de weg door de bergen was lang en er waren altijd reizigers: eenvoudige boeren die met hun vee op weg waren naar de markt, handelaars met zwaar bepakte ezels, vrouwen die terugkwamen van de markt met koopwaar in rieten manden, samurai te paard, mensen die hout gesprokkeld hadden in het bos en een bos takken op hun rug sjouwden en ook deftige reizigers in prachtige voertuigen.

Als er dan zo’n deftige, rijke edelman voorbij kwam, werd het de steenhouwer vaak teveel. Hij moest erg zuchten en liet zijn houweel met stevige slagen op de rotsen neerkomen.

Eens op een hete dag midden in de zomer, passeerde er een lange stoet prachtig geklede mensen, met in hun midden een draagkoets. Naast de koets liepen wel zes dienaren, die er voor zorgden dat het de man in de koets aan niets ontbrak.

De steenhouwer zag de rijke optocht voorbij trekken, terwijl hij juist stond uit te rusten van het harde werk en zijn bezwete voorhoofd afveegde met een oude doek.

“Ach”, klaagde hij, “zo’n koning wordt gedragen, er wordt hem koele drank aangereikt en ik kan onder de brandende zon mijn slavenwerk doen. Laat mij maar koning zijn! Die heeft tenminste macht.”

De reizigers verdwenen langzaam uit het zicht en de steenhouwer wilde weer aan het werk gaan, toen er plotseling een diep rommelend geluid uit de bergen kwam. De man keek om zich heen of er soms onweer in de lucht zat, maar nee, de lucht was helder en het was droog. Er was geen wolk te zien. Hij schrok: “Zou het dan een aardbeving zijn?” Er was nergens iets te zien, de grond trilde niet en de rotsen bewogen niet. Verbaasd hoorde de steenhouwer het rommelen dichterbij komen.

Het werd luider en luider en ineens klonk er een stem: “Wat hoor ik daar? Ben jij ontevreden met je bestaan?” De steenhouwer trilde van angst omdat hij absoluut niet zag vanwaar die stem kwam, het klonk werkelijk overal om hem heen. “Ik ben de berggeest”, sprak de zware donderstem, “ik zie wat jij ziet en ik hoor wat jij hoort”. “Ben je ontevreden met je bestaan?” herhaalde de stem van de berggeest. De steenhouwer stamelde iets dat op een antwoord leek: “Uhhh, uhh, ach ja…. eigenlijk wel”.

Donderend en nog luider dan daarvoor zei de berggeest: “Dan kan ik je helpen!”

Er was een heldere hemel en toch klonk er een donderslag, de steenhouwer voelde alsof een reusachtige hand hem optilde en hem door de lucht zwaaide. Het ging zo snel, dat alles om hem heen vervaagde, maar hij wilde het ook niet zien: nog steeds angstig kneep hij zijn ogen dicht.

Plotseling werd hij neergesmeten….

De steenhouwer wilde zich schrap zetten om zijn val op de harde rotsgrond te breken, maar in plaats daarvan kwam hij terecht op een zachte ondergrond. Met zijn ogen nog dicht tastte de steenhouwer voorzichtig om zich heen. Het voelde als wol en het rook ook nog bijzonder. Het schommelde alsof hij in een boot zat of in een draagstoel.

Op dat moment klonk er weer een stem, maar deze klonk veel zachter en mooier dan de bulderstem van de berggeest. “Hebt u goed geslapen, meester?”

Langzaam en voorzichtig opende hij zijn ogen. Hij keek rond: het was een draagstoel! De stem kwam van een meisje dat tegenover hem zat, het was een geisha. Haar zachte hand bette zijn bezwete voorhoofd droog met een zijden doek.

Nu besefte de steenhouwer wat er gebeurd was: Hij had immers zo gemopperd toen die rijke stoet langs gekomen was? Toen had hij gezegd: “Laat mij maar koning zijn!” De berggeest had hem geholpen en nu was hij ook werkelijk koning. Het was geen droom, het was echt!

Maar zou hij ook de macht van een koning hebben? “Ik heb dorst, geef me wat te drinken”, zei hij. Op hetzelfde moment kwam er door het gordijn van de draagkoets een dienaar, die zich voorover boog en een koele drank uitschonk in een prachtige versierde beker.

Een andere dienaar bewoog een waaier om hem koelte toe te wuiven. Vanaf dat moment liet de steenhouwer, die nu koning was, zijn macht goed gelden. Hij hoefde maar met zijn vingers te knippen om iets te laten gebeuren. De koning genoot ervan. Hij was de machtigste van de wereld, niets en niemand konden meer bereiken dan hij. Tenminste….hij merkte dat er soms dingen waren die ervoor zorgden dat niet alles ging zoals hij het wilde.

Als het heel erg warm was, dan verdroogde het land, gingen de mensen niet aan het werk, leek het wel alsof de tijd stil stond. En dat was de schuld van de zon. Toen hij op een dag in zijn draagkoets langs de verdorde landerijen reisde, vervloekte hij de macht van de zon. Als dat zo doorging, zou de hele oogst mislukken en de mensen zouden niet genoeg te eten hebben, dat was slecht voor het land en slecht voor de koning: “Ach,” klaagde hij, “die zon die schijnt maar en schijnt maar, zelfs een koning heeft niets meer te vertellen. Ik ben de baas! Laat mij de zon maar zijn!”

Hij sloot zijn ogen om een dutje te doen in de draagkoets.

Plotseling klonk er een diep rommelend geluid uit de bergen. De koning boog zich om naar buiten te kijken, zat er soms onweer in de lucht? Maar nee, de lucht was helder en het was droog. Er was geen wolk te zien.

Hij schrok: “Zou het dan een aardbeving zijn?” Er was nergens iets te zien, de grond trilde niet en de rotsen bewogen niet. Verbaasd hoorde de koning het rommelen dichterbij komen.

Opeens bedacht de koning, die eerst steenhouwer was geweest, dat dit al eens eerder was gebeurd. “Wat hoor ik daar? Ben jij ontevreden met je bestaan?” – “Ik ben de berggeest”, sprak de zware donderstem, “ik zie wat jij ziet en ik hoor wat jij hoort”. “Ben je ontevreden met je bestaan?” herhaalde de stem van de berggeest. De koning was eigenlijk wel tevreden, het was alleen de zon die nog machtiger was.

Hij stamelde: “Uhhh, uhh, och, nou…. nee, niet echt”.

Maar de berggeest scheen het niet te horen. Donderend en bulderend riep de berggeest: “Dan kan ik je helpen!”

Het was een heldere hemel en er klonk een donderslag, de koning voelde weer alsof een reusachtige hand hem optilde en hem door de lucht zwaaide. Het ging zo snel, dat alles om hem heen vervaagde, maar hij wilde het ook nu niet zien: nog steeds angstig kneep hij zijn ogen dicht.

Plotseling voelde hij totale rust en stilte om hem heen. Weg was de zoete geur van rijkdom en van macht. Hij opende zijn ogen, wat hij nu zag was helemaal nieuw voor hem, hij was in een totaal andere wereld. Om hem heen was niets, in de verte stond of hing iets ronds in de lucht. Hij snapte er niets van en wilde zich achter de oren krabben, maar: hij had geen handen meer!

In ieder geval was hij geen koning meer. Hij keek naar de bol voor hem en merkte dat er steeds meer te zien was. Hij zag dat de bol niets anders was dan de wereld en hij kon zelfs de mensen zien. Die hielden een hand boven de ogen en keken smekend naar hem op. Boeren stonden bij hun verdroogde velden. Ze keken naar hem? De steenhouwer, die ooit koning mocht zijn, was nu de zon!

Hij had geklaagd en gezegd: “Laat mij de zon maar zijn!” De berggeest had hem gehoord en gezegd: “Ik kan je helpen!” De zon had alle macht over de wereld, hij kon voedsel laten groeien, maar ook laten verdrogen.

De zon die ooit koning was, die ooit steenhouwer was, kon tevreden zijn. Hij stuurde zijn stralen naar waar hij maar wilde en genoot van zijn kracht. Tenminste…..hij merkte dat er soms toch wel dingen waren die er voor zorgden dat niet alles ging zoals hij wilde. Al een paar zomers werd zijn werk tenietgedaan door plotselinge regenbuien en verkoelende windvlagen.

Dat was de schuld van de wind! En de zon klaagde en mopperde: “Waar blijft mijn macht? Laat mij maar de wind en de storm zijn!” De zon wilde nog wat verzengende stralen naar de woestijn sturen, toen er plotseling een enorm gedonder van de wereld kwam. Het gedonder veranderde in een zware stem die bulderde: “Wat hoor ik daar? Ben jij ontevreden met je bestaan?” – “Ik ben de berggeest”, sprak de zware donderstem, “ik zie wat jij ziet en ik hoor wat jij hoort”. “Ben je ontevreden met je bestaan?” herhaalde de stem van de berggeest.

De zon had dit al eens eerder meegemaakt en begreep dat dit de kans was om nog machtiger te worden. De vorige keren was hij bang geweest, maar nu niet meer!

De berggeest donderde: “Dan kan ik je helpen!”

De zon die ooit koning was, die ooit steenhouwer was, verwachte weer van alles, maar er gebeurde niets…….hoewel? De wereld draaide weer snel. Het duurde even tot hij besefte dat niet de wereld sneller bewoog, maar dat hij zelf voortraasde over de wereldbol. Hij was de wind, hij was de storm! En dat zou de wereld weten. Op de meest onverwachte momenten zorgde hij ervoor dat alles op zijn kop werd gezet.

Dan was hij een warm lentebriesje en dan ineens een herfststorm die de bomen uit de grond rukte. De wind, die ooit de zon was, die ooit de koning was, die ooit de steenhouwer was, beukte en bulderde, woei en gierde en waaide en was tevreden. Niets hield hem tegen, niets kon hem deren.

Seizoen in, seizoen uit deed hij zijn werk. Maar ook nu kon hij toch ook weer niet helemaal tevreden zijn. Want er waren dingen die leken te lachen om zijn kracht: de bergen stonden op de wereldbol, zoals ze daar al duizenden jaren stonden: onverwoestbaar voor wat dan ook. Zelfs met een taifoen richtte de wind niets uit. Dus hij mopperde en klaagde en hij was het nu zelf die de berggeest opriep: “Waar blijf je nou? Ik dacht dat je me zou helpen?”

De wind die ooit de zon was, die ooit koning was, die ooit steenhouwer was, wachtte op het bulderen dat van de aarde af zou komen om hem te helpen.Er bulderde inderdaad iets: niet van buiten af, juist in hem donderde het.

Er klonk geen stem, dat was ook niet nodig. Hij werd zelf het wezen van de rotsen, van de bergen; hij was de bergen! Denken was niet meer nodig, onveranderlijk, onbeweeglijk vast; steen bleef steen……