Jeugdhulp als verdienmodel kapitale fout

verdienmodel.png

  • Het meeste wat we nodig hebben is onder handbereik

De enige luxe die kinderen écht willen, is bij hun ouders wonen.  En aandacht. Maar veel ouders zitten dan met de handen in het haar. Natuurlijk, ze willen het beste voor hun kinderen, maar dan wel graag ‘all-inclusive’ verzorgd door anderen. Want opvoeden? Daar hebben wij de tijd niet (meer) voor! Het gevolg is dat bij steeds meer gemeenten de kosten voor jeugdhulp over de schoenen lopen.

De (gecreëerde) vraag naar jeugdzorg blijft ongeremd stijgen. Niet, omdat onze jeugd zoveel moeilijker is geworden. Wel, omdat te veel ouders het steeds lastiger lijken te vinden ‘ gewone’ opvoedproblemen zelf op te lossen.  Kinderen lijken een luxeartikel te zijn geworden om mee te kunnen pronken.

Wij werken ons uit de naad. Om ons (te) dure huis te kunnen betalen. Om de tweede auto te kunnen bekostigen en om de tweede of derde vakantie per jaar veilig te stellen. Om nog maar te zwijgen over de festivals die wij met regelmaat willen bezoeken. Of dat hele speciale restaurant, waar je toch echt moet zijn geweest. Bij dat alles passen kinderen prima, zo lang ze maar geen last veroorzaken.

Kinderen die zich niet aan de regels willen houden? Drukke kinderen? Hoogbegaafd, of juist iets minder? Alles wat ons rustige leven dreigt te verstoren is een probleem dat direct opgelost moet worden. Door de overheid wel te verstaan. Meer precies: door hulpverleners die de overheid regelt en betaald. En wel nu!

Als de overheid of de door de overheid georganiseerde hulpverlening niet stante pede thuis geeft, spreken wij er schande van. Dan struikelen wij uit verontwaardiging over de woorden waarmee wij dat duidelijk menen te moeten maken. Helemaal als de hulpverleners de euvele moed hebben om te suggereren dat het gedrag van onze kinderen wellicht iets te maken kan hebben met ons eigen gedrag. Het gebrek aan tijd en aandacht voor onze kinderen bijvoorbeeld. We rennen en schreeuwen nog net niet schuimbekkend naar het gemeentehuis om ons beklag te doen als de hulpverleners niet snel genoeg antwoord geven op vragen en kwesties die ons verontrusten.

Dit probleem wordt nog eens versterkt, doordat heel wat ‘hulpverleners’ er een verdienmodel in zien. Onder het mom van ‘het belang van het kind’ worden heel wat ondersteuningsvormen ontwikkelt die onze opvoedingsverlegenheid faciliteren in plaats van oplossen. Er wordt te veel zorg geboden die kinderen beschadigt. Een ongemakkelijke werkelijkheid voor de duizenden mensen die dagelijks werken om juist dat te voorkomen.

Ben ik te somber? Ik denk het niet. Onlangs publiceerde de Inspectie Jeugdzorg een signalement over de gesloten jeugdzorg. De inspectie stelt vast dat het verdienmodel van de instellingen boven de rechtspositie van jongeren gaat. Én inmiddels is er sprake van een wildgroei aan lichte vormen van jeugdhulp. De Jeugdwet stelt geen grenzen aan de jeugdzorg. Niemand weet waar de zorgplicht van de gemeente ophoudt. Zo zien we nu gemeenten betalen voor oppasgroot­ouders, voor huiswerkklassen, voor therapie met paarden, met honden en met lama’s, Boer en Zorg, mindfulness voor kinderen en programma’s voor hoogbegaafde kinderen. Met als gevolg dat de ouders en kinderen die echt hulp nodig hebben – en geloof mij, die zijn er zeker – de daarvoor bestemde specialistische zorg ernstig in de knel zien geraken, waardoor zij verstoken raken of blijven van passende zorg.

Als er al politieke keuzes gemaakt worden om de ongebreidelde stijging van de kosten voor jeugdzorg een halt toe te roepen, dan liggen hier kansen en opgaven. De discussie waar gebruikelijke zorg ophoudt en publieke zorg begint, wordt namelijk veel te weinig gevoerd. En als dat wel het geval is, zijn het vaak financiële beheer motieven.  Een debat over eigen verantwoordelijkheid van ouders wordt vermeden. Een discussie in de eigen gemeente over welke ondersteuning door ouders zelf geregeld en betaald moet worden? Menig lokaal politicus laat het wel uit zijn hoofd.

Voor alle vormen van jeugdhulp geldt dat er een sterke groei te zien is: steeds meer ouders en jeugdigen doen er een beroep op. Vooral de instroom van kinderen en jongeren in de GGZ is explosief. Er lis dus wel iets aan de hand met de (opvoeding en begeleiding van) de Nederlandse jeugd.

Volgens mij is de dieperliggende verklaring hiervoor de manier waarop in de huidige samenleving gekeken wordt naar opvoedproblemen. De afname van ons tolerantieniveau bijvoorbeeld. Gedrag dat nog niet zo lang geleden als gedrag werd geïnterpreteerd dat hoorde bij het jong-zijn, wordt nu als maatschappelijke overlast gezien. Jengelende kinderen, driftbuien van een peuter leiden al lang niet meer tot begrip, maar tot verwijten. Vechtpartijtjes tussen jonge pubers of een fysieke aanval van een 12-jarige wordt al snel geïnterpreteerd als gewelddadig gedrag.

Natuurlijk, kinderen en jongeren kunnen onuitstaanbaar, lastig of agressief zijn. En daaraan moeten grenzen gesteld worden. En als we dan daarvan last hebben, proberen we dat niet op te lossen door ruimte te geven, grenzen te stellen én te communiceren, maar door “iemand te bellen”. We bellen een professional of een van de vele meldpunten. Dat is een prima idee als het gaat om kindermishandeling, huiselijk geweld of criminaliteit, maar dat zijn nu juist de problemen die onvoldoende gemeld worden. We bellen eigenlijk vooral voor die problemen waar we zelf last van hebben. Als ouders lijken we het opvoeden verleerd te zijn. We hebben instellingen en professionals nodig die geleerd hebben voor jeugdproblemen om onze opvoedproblemen op te lossen. En daarbij komt dat er dan al heel snel geroepen wordt om maatregelen en meer bevoegdheden van de overheid om in te grijpen.

Zeker, ik realiseer mij dat mijn betoog redelijk kort door de bocht is. Net zo goed als dat kritiek op de jeugd en zijn opvoeders van alle tijden is. Toch meen ik dat er op dit moment wat meer aan de hand is met het opvoeden in Nederland. Nederland heeft een uitgebreid systeem van bijzondere voorzieningen voor jeugdigen bij wie het opvoeden en opgroeien met behoorlijke problemen gepaard gaat. Dat is een goede zaak en een belangrijke verworvenheid van onze samenleving. Het is ook niet zo dat ouders het altijd met z’n tweeën of alleen kunnen klaren: steun en inzet van naasten en anderen is essentieel en wordt veelvuldig gezocht. Daarom gaat het meestal ook wel goed, al zal perfectie nooit bereikt kunnen worden.

Nogmaals, grote groepen kinderen en hun opvoeders hebben veel aan gespecialiseerde hulp, zorg, behandeling of onderwijs. Een pleidooi om dat type voorzieningen af te schaffen zou een rechtstreekse aanval op onze beschaving zijn. En snelle en adequate reacties op overlast en criminaliteit horen bij een rechtsstaat.

Een belangrijke levensvoorwaarde voor kinderen is, dat ze zich veilig voelen in het gezin waarin zij opgroeien. Ouders moeten kinderen geborgenheid en bescherming bieden. Kinderen moeten kunnen rekenen op hun ouders; zij reageren voorspelbaar, beschermen het kind tegen zichzelf, of tegen plagende broers en zussen. In de gewone dingen wekken ouders een gevoel van veiligheid: het liedje voor het slapen gaan, het lichtje dat blijft branden, het eigen speelhoekje.

Knuffelen, lachen, corrigeren en ontwikkelen. Warmte, aandacht en zorg zijn echter geen zaken die je kunt kopen. Sterker nog, het kost niks.  Je kunt het ongelimiteerd weggeven in de vorm van complimentjes, tijd en aandacht. Het kost niets en levert een hoop op.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

 

 

 

Liefhebben

liefhebbers.png

  • De Liefhebbers

“De Liefhebbers” gaat over familiebanden maar vooral over het zelf herstellend vermogen van de mens.

Jan (Jeroen Krabbé) en Lea (Beppie Melissen) hebben vier volwassen kinderen, die ze hebben voorbereid op het echte leven: doorzetten, nooit opgeven en sterk zijn. De kinderen konden daarmee in hun eigen leven een eind op weg komen. Maar de onderlinge relaties komen op scherp te staan als blijkt dat hun vader al een jaar worstelt met beginnende dementie. Voor ieder lid van het gezin start een eigen acceptatieproces. Hiervoor moeten ze de confrontatie met elkaar én met zichzelf aangaan, want zelfs onvoorwaardelijke familiebanden hebben hun grenzen.

Regisseur Anna van der Heide studeerde in 2003 af aan de regieopleiding op de Toneelacademie Maastricht. Ze regisseerde onder meer de films Brammetje baas (2012) en Meester kikker (2016), de korte film Man in pak (2012) en de feelgood dramaserie Vrolijke kerst (2014). Voor haar korte film MissiePoo16 (2007) ontving ze een Gouden Kalf.

Hand in hand – opvoeden doe je niet alleen

Week van de opvoeding 2019 Hand in hand
  • Week van de Opvoeding | Hand in Hand

De Week van de Opvoeding 2019 staat in het teken van opvoeden en ouderschap.Wat is een goede opvoeding? Wat vind je belangrijk in het ouderschap en wat doet het met je? De Week is van maandag 7 tot en met zondag 13 oktober 2019. Het thema is dit jaar “Hand in hand”.  Want, opvoeden doe je niet alleen, maar samen. Hand in hand met ouders of opvoeders, spelen ook de school, sportvereniging, buren, vrienden en familie een rol in de opvoeding van het kind. Zij vormen samen de omgeving waarin kinderen opgroeien en worden opgevoed. Hoe beter opvoeders en betrokken organisaties samenwerken en elkaar versterken, hoe beter het kind gezond, kansrijk en veilig kan opgroeien.

De Week is een mooi moment om even stil te staan bij het besef dat opvoeden samenspel is. Tussen ouders en kinderen, maar ook tussen ouders onderling en tussen ouders en grootouders, leerkrachten, kinderverzorgsters, buren, meeleef- steun of logeer-gezinnen.Want opvoeden is geen sinecure. En superhelden (ook bekend als ‘ouders’) zijn opvoeders ook niet.

 

Best lastig

ideale opvoeder 2.png

  • De perfecte ouder bestaat niet

Een van mijn broers woonde in zijn pubertijd een periode bij onze directe buren. Omdat het tussen hem en onze ouders niet altijd boteren wilde. Mijn zoon heeft voor een (succesvol afgeronde) opleiding als ingenieur weg- en waterbouw gekozen dankzij een goede vriend van ons gezin. Wij mochten als jonge ouders een pleegzoon grootbrengen, omdat zijn moeder ons dat vertrouwen gaf. Waarom ik deze ontboezemingen doe? Omdat zij het bewijs zijn van de stelling dat een goede opvoeding meer vraagt dan goede ouders alleen. Goede opvoeding vraagt een heel dorp. Succesvolle opvoeding vraagt een samenleving die voor de kinderen samenspant met ouders. Want opvoeden is best lastig!

Ik wil het beste voor mijn kinderen. Net als alle ouders. Dat is mijn diepste overtuiging. Ik wil dat ze gelukkig zijn. Dat ze het goed hebben en dat ellende hen bespaart blijft. Ik zie ze graag opgroeien tot zelfverzekerde en authentieke volwassenen. Mensen die stevig in hun schoenen staan en vol vertrouwen en plezier de wereld in trekken. Elke ouder heeft zo’n beeld. De werkelijkheid van alledag is desondanks veel minder vanzelfsprekend. Het ene kind blijkt het andere niet. Dat maakt opvoeden tot een uitdagende en lastige opgave tegelijkertijd.

Een kind krijgen is een wonder. Het mooiste dat een mens kan overkomen. Een kind zien ontwikkelen van baby tot volwassene is een ontdekkingsreis. Van en voor het kind, net zo goed als van en voor de ouders en andere opvoeders waarmee kinderen te maken krijgen. Als ouder wil je het graag goed doen. Maar vanzelfsprekend is dat niet. Want er wordt geen handleiding bijgeleverd. Nooit! En elk kind is anders. Gelukkig wel.

Laten we eerlijk zijn. Eigenlijk heeft geen enkele ouder enig idee over hoe je je kinderen goed op moet voeden. Wij weten hoe onze ouders het deden. Of de ouders van vriendjes en vriendinnetjes. Vaak ook nemen wij ons voor dat wij dingen echt anders zullen doen als wijzelf ooit ouder mogen worden. En als het dan zover is, blijkt het allemaal anders en is opvoeden een hele opgave. Wat zeg ik, opvoeden is ploeteren! Soms zelfs op hoop en zegen.

Het gezin is voor mij de plek waarin een kind opgroeit in liefde, de plek waar mensen van elkaar houden en voor een kind zorgen. Dat kunnen ook twee mannen of twee vrouwen zijn, maar ook een alleenstaande ouder. Het gaat er uiteindelijk om dat een kind veilig is en dat het liefde ontvangt. Ook kinderen vinden en ervaren dat. Al kunnen ze dat op die leeftijd misschien nog niet onder woorden brengen zoals beschreven Connie Palmen in haar “Logboek van een onbarmhartig jaar”, geschreven na het overlijden van haar (tweede) man en D66-coryfee Hans van Mierlo.

Het krijgen van kinderen is voor de meeste mensen een wereldervaring. Iedere ouder wil zijn of haar kinderen op een goede manier opvoeden. Dat is een mooie uitdaging, maar gaat niet vanzelf. Ouders komen dagelijks voor dilemma’s te staan en willen de beste beslissingen voor hun kinderen nemen. Als (groot)ouder weet ik uit ervaring dat kinderen zich prettiger voelen en beter presteren als je geïnteresseerd en betrokken bent bij de dagelijkse dingen die jouw (klein)kind bezighouden. Het kan daarbij helpen eraan te denken dat je zelf ook eenmaal jong bent geweest. Je kunt hun hartstochten, hun verontwaardiging en hun verdrietjes niet alleen beter verdragen, maar zelfs begrijpen. Wij hebben geen flauw idee hoe groot het krediet is dat kinderen ons geven, en hoe snel wij dat ook weer verspelen.

Dat het ondanks al onze inspanningen en goede bedoelingen nog wel eens misloopt, maakt ons nog geen slechte ouder. De meeste ouders raken wel eens de weg kwijt in de opvoeding. Soms ook lukt het ouders niet (meer) om hun kinderen dat te geven wat nodig is. Soms ook kunnen ooit hevig op elkaar verliefde ouders elkaar langzaam maar zeker de tent uitvechten. Met alle vervelende gevolgen van dien. En ja, er zijn talloze dreinende kinderen, dikke kinderen, gepeste of juist pestende kinderen. Er zijn meer vernielende en coma zuipende kinderen dan ons lief zijn, Of hangjongeren die dag en nacht aan hun Iphone of Ipad vastgeklonken zitten. Die agressief zijn tegen broertjes of zusjes, ouders of buren. En er zijn kinderen die in de criminaliteit belanden of verslaafd raken. Compleet ben ik dan nog niet, maar duidelijk is, dat de opvoeddroom van menig ouder lelijk in duigen kan vallen.

De samenleving – u en ik – wijzen graag met een beschuldigende vinger naar de ouders als de oorzaak van al dat leed. Niet zelden wordt zo onze samenleving een vijandige en onveilige omgeving. Vol verwijten, beschuldigingen, betutteling en kritiek. Dit is niet alleen zinloos en schadelijk voor de ouders en voor de kinderen. Het is ook niet eerlijk. Want opvoeden is best lastig. En juist als het lastig wordt, heb je je omgeving hard nodig. Niet om jou te vertellen wat jij fout doet. Wel, om jou te helpen het anders te doen. Opvoeden kan veel minder lastig zijn, als je het kunt doen met een beetje hulp van familie, vrienden of buren. Want soms zijn draagkracht en draaglast niet meer in evenwicht met elkaar en is er extra hulp nodig. Soms zelfs zoveel hulp dat specialisten erbij gehaald moeten worden of dat ouders hun kinderen aan specialisten moeten overdragen. Dat is – anders dan wij niet zelden ongezegd of ongezouten suggereren – geen schande. Integendeel. Ouders die hun omgeving inschakelen verdienen alle lof en waardering. Veel meer en eerder dan al die ouders die uitstralen dat opvoeden alleen maar leuk is en dat zij het geweldig hebben gedaan met hun kind of kinderen.

Natuurlijk is het belangrijk dat kinderen genoeg kunnen spelen, dat opvang is geregeld, dat het consultatiebureau goed werkt, dat er veilige routes zijn naar school, dat wij aandacht hebben voor gezond opgroeien. Het allerbelangrijkste echter is dat alle ouders zich gesteund weten. In goede, maar zeker in lastiger tijden. Want de echt goede opvoeder zal het erkennen: je hebt de hele gemeenschap nodig om jouw kinderen goed te laten opgroeien.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

 

 

 

Slappe knieën

opvoeden 2.png

  • Opvoeden? Doe het lekker zelf!

“Kinderen moeten gelukkig zijn en hun dromen waarmaken – daar zijn alle ouders het over eens. Een complete generatie wordt op dit moment echter te verwend opgevoed. En als het tegen zit, mag ‘de overheid’ (lees: gemeente, het onderwijs, de jeugdhulp) het oplossen.  Ouders creëren te weinig weerbaarheid bij jongeren en kinderen, en dat is zorgelijk en – op den duur – onbetaalbaar.” Een lokale bestuurder die dat durft te beweren kom ik – helaas – nauwelijks tegen. Omdat daar de bevolking van de betreffende gemeente vermoedelijk nog lang over zal napraten.

En toch meen ik dat betere jeugdhulp in ons land dergelijke bestuurders meer en hard nodig heeft dan het geld waarom velen in Den Haag bedelen.

Gemeenten vormen de bestuurslaag die het dichtst bij de inwoners staat. Dat is juist! En daarom zijn zij ook bij uitstek geschikt om vorm en inhoud te geven aan de bij hun inwoners passende ondersteuning. Om die reden ook worden de laatste decennia steeds meer taken belegd bij de gemeenten. De kracht van deze beweging blijkt – zoals wel vaker – tegelijkertijd de achilleshiel: gemeenten staan te dicht bij de burger als het gaat om een goed beheer van de portemonnee.

Vooral in het sociale domein heeft per 1 januari 2015 een grote verschuiving plaatsgevonden. Gemeenten zijn sedertdien verantwoordelijk voor jeugdzorg, werk en inkomen en zorg aan langdurig zieken en ouderen. Gemeenten krijgen 1 budget vanuit het gemeentefonds om deze taken uit te voeren. En komen daaraan – naar eigen zeggen – fors tekort. Wethouders met jeugdzorg in hun portefeuille klagen steen en been over de aanhoudende tekorten op de jeugdzorg. Uitspraken als ,,Wij vinden het namelijk niet te pruimen dat de staatsschuld wordt afgelost met onze financiële reserves, doordat Den Haag, waar het geld tegen de plinten klotst, blijft korten op de budgetten voor jeugdzorg.” En “Er komt een eind aan de rek van de gemeenten.” Komen in tientallen varianten voorbij. Wat mij daarbij stoort is dat al die bestuurders voor de oplossing van hun problemen kennelijk maar één kijkrichting hebben: het Rijk. Daarbij doen zij alles wat in hun macht ligt, om het Rijk aansprakelijk te stellen voor de tekorten.

Laat ik duidelijk zijn: ik beweer niet dat er niet (tijdelijk) extra geld nodig is om het lokale speelveld van het sociaal domein op orde te brengen. Maar er is echt veel meer nodig dan geld alleen. Bovendien: elke euro die er extra uit Den Haag richting gemeenten gaat, komt – per saldo – uit de portemonnee van de inwoners.

Opvoeden is kennen en erkennen en begint bij de ouders. Zij moeten een echte relatie met hun kinderen opbouwen. Een goede ouder begeleidt en ondersteunt de kinderen. Stimuleert z’n kind om zelfstandig iets te doen. Toont zelf goed gedrag, kleineert of beledigt nooit, toont dagelijks liefde, corrigeert verkeerd gedrag, laat z’n kind in zijn waarde en weet met wie z’n kind omgaat. Hij of zij maakt elke dag even tijd voor zijn kind en praat en luistert met en naar z’n kind. Dat is de basis van iedere opvoeding. En ja, dat betekent ook hard werken, net als in een huwelijk. Een relatie bouwt zichzelf niet op, maar moet actief opgebouwd en onderhouden worden. Persoonlijke warmte en aandacht is in het contact met je kinderen van levensbelang. Ziehier de ingrediënten waaraan wij in onze samenleving een chronisch tekort hebben (opgebouwd). Veel ouders werken te hard. Voor hun baan, carrière, of status. Tijd en aandacht voor de kinderen ontbreekt vaak. Met alle gevolgen van dien.

De heftige maatschappelijke discussies over de tekorten in de jeugdhulp maskeren het werkelijke probleem.  “Problemen van kinderen worden steeds minder gezien als horend bij een (soms moeizaam) proces van opgroeien en opvoeden, en steeds meer als een signaal dat professionals moeten optreden en zo nodig ingrijpen. Zo ontstaat een toenemende ‘export’ van kinderen uit hun gewone leefsituatie naar professionele behandelcontexten. Ongeveer één op de zeven kinderen heeft op dit moment een indicatie voor speciale zorg, speciaal onderwijs of hulp in een justitieel kader. De verwachting is dat deze pedagogische professionals kinderen en/of ouders ‘repareren’, zodat het opgroeien en opvoeden daarna ongestoord kan verlopen” (Het opvoeden verleerd; J Hermanns, 2009).

De door Hermanns gesignaleerde ontwikkeling vraagt van ons en de door ons gekozen bestuurders een kritische zelfreflectie. Met implicaties voor zowel de rol van ouders, leerkrachten en professionele hulpverleners. En lokale bestuurders!  Want jeugdhulp kan niet alleen anders. Het moet anders! Het vraagt meer samen praten over hoe ze elkaar kunnen ondersteunen en daar samen afspraken over kunnen maken.

Naast de roep om extra geld zouden lokale bestuurder stelling moeten durven nemen tegen de slapheid en de laksheid van de in onze samenleving gegroeide opvoedingscultuur, waarin gehoorzaamheid een vies woord is, waarin grillen van kinderen en jeugdigen in toom worden gehouden door ze behandelen als prinsjes en prinsesjes en waarin de pleziertjes van sociale media en rondhangen met leeftijdgenoten voorrang krijgen boven serieuze studie en zelfverbetering.

De jeugdzorg lijkt een bodemloze put. Dat is en blijft zij, als wij niet op de juiste wijze investeren. De beste investering is opvoeden. En dat vraagt eerst en vooral een investering (in tijd en aandacht) van ouders zelf.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Wie doet de opvoeding?

bad parents

  • En nou is het afgelopen!

Soms kruipt mij de gedachte dat ‘goede ouders’- juist door onze jeugdhulp – een uitstervend ras zijn.  Een goede ouder begeleidt en ondersteunt. Stimuleert z’n kind om zelfstandig iets te doen. Toont zelf goed gedrag. Kleineert of beledigt nooit. Toont dagelijks liefde. Zegt sorry. Straft verkeerd gedrag. Laat z’n kind in zijn waarde. Weet met wie z’n kind omgaat. Stelt normen en waarden boven succes. Maakt elke dag even tijd voor zijn kind. Praat en luistert.

In september 2009 kopte een artikel in Trouw “Wie doet de opvoeding?” Met als conclusie: Ouders en docenten. Vandaag de dag lijkt die vraag als antwoord te hebben: ‘de staat’!

Ouders zijn naar mij overtuiging de eerst verantwoordelijken voor de opvoeding van hun kind. In toenemende mate echter lijkt het dat ouders wel de lusten, maar niet de lasten van de opvoedingstaak accepteren. Zodra het moeilijk wordt, is de overheid het aanspreekpunt en het (financiële) haasje.

Uitdagingen en vragen horen bij ouderschap. Tegelijkertijd zie ik dat ouders steeds vaker niet langer een ‘neus’ hebben voor ‘gewoon opvoeden’. Hierdoor komt de opvoeding van kinderen steeds meer in handen van professionals. Dat kan niet alleen anders. Het moet anders!

Op de kinderafdeling van een ziekenhuis zag ik op een poster geschreven: ‘Let meer op uw kinderen dan op de monitor’. Hoewel het een oproep is aan ouders in een medische context, verbeeldt deze poster ook een trend in de jeugdhulpverlening. Het is een tendens om risico’s en opvoedproblemen steeds meer neer te leggen bij de samenleving dan wel overheid.

Diezelfde overheid echter heeft, met de beste bedoelingen, precies dat gedaan wat zij niet moest doen: bijgedragen aan het verminderen van de steun die ouders elkaar onderling geven en de steun uit de nabije omgeving teruggedrongen. Gevolg: opvoeden is vervangen door superspecialisatie en zwaardere inzet dat nodig en gewenst.

Het effect hiervan is dat ouders en professionals steeds meer de kinderen als potentiële risicogevallen aanmerken.

En nou is het afgelopen! Nou is het klaar! Ik wil niet meer dat ouders (te gemakkelijk) wegkomen met hun handelingsverlegenheid. Zeker niet zonder zichzelf in te spannen om handelingsbekwaam te worden.

Het is een terugkerende ergernis. Ouders die bellen met de mededeling dat “er nu een oplossing voor hun kind gezocht moet worden.” Terwijl diezelfde handelingsverlegenheid toch vooral een probleem van de ouders lijkt te zijn. Wat je ook gewoon kunt oplossen. Niet, door de verantwoordelijkheid voor de opvoeding te verleggen (van thuis naar overheid), maar door handelingsbekwaam te worden; bijvoorbeeld. Ouders moeten niet de mogelijkheid krijgen zo snel bij de pakken neer te zitten. Of het (lastige) pakket dat ‘opvoeden’ heet door te schuiven naar anderen.

De meeste kinderen in Nederland ontwikkelen zich zonder al te veel problemen tot autonome en sociale volwassenen die een positieve bijdrage leveren aan de samenleving. Daarnaast is er een (groeiende) groep van van ouders met thuiswonende kinderen die zegt zich wel eens zorgen te maken over de opvoeding of ontwikkeling van één of meerdere van hun kinderen. Deze ouders zoeken daarvoor hulp of advies buiten het eigen gezin, de familie of de vriendenkring. Veel ouders weten kennelijk niet zo goed hoe ze met veel voorkomende problemen van hun kinderen om moeten gaan. Terwijl heel veel van die ‘problemen’ eigenlijk heel normaal zijn. Somberheid, angst, druk gedrag, tegendraadsheid, agressie, het zijn – tot op zekere hoogte – normale verschijnselen bij kinderen. Verbonden aan de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden. Het is het moment waarop dit soort gedrag optreedt, de duur en de intensiteit die maken of iets wel of niet zorgen moet baren (Van Yperen, 2009). Omdat veel problemen heel normaal zijn, is het omgaan met die problemen te beschouwen als een gewone opvoedingsopgave voor ouders, beroepsopvoeders (pedagogisch medewerkers, leerkrachten) en gemeenschappen zoals buurt en gemeenten.

Intussen stijgt het aantal jongeren onder de 23 jaar dat jeugdzorg krijgt gestaag, zo blijkt uit cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek en krijgt een op de tien jongeren in Nederland een vorm van hulp. Dat is een zware last voor gemeenten, Dat komt enerzijds doordat gemeenten de jongeren die de hulp nodig hebben beter weten te vinden. Tegelijkertijd wordt de jeugdhulp ‘opgerekt’: steeds meer vormen van hulp valt onder jeugdzorg. Van kindercoaches tot brugklastraining. Mede daarom pleit ik ervoor om de drempel naar professionele jeugdhulp te verhogen. Niet, door te ontkennen dat opvoeden lastig is, maar door te durven erkennen dat kwetsbaarheid bij het leven hoort en problematiek rondom opvoeden en opgroeien daar dan ook niet van uitgesloten zijn. Deze zienswijze opent niet alleen het venster naar een andere kijk op hulp en opvoeden. Het brengt ouders ook weer in positie. Omdat het appelleert aan het ‘gewone’ leven.

Goede jeugdhulp is niet het ‘uit het gezin weg organiseren’ van problemen, maar het – zo nodig samen met het gezin – leren hanteren ervan.  Zo ook kunnen wij voorkomen dat ‘gewone’ opvoedingsvraagstukken worden geframed als jeugdzorg. Terwijl het eigenlijk over heel gewone (en ja, soms ook verdraaid lastige) opvoedingsvraagstukken gaat. Kortom, de boodschap: moet niet zijn dat ‘de overheid’ voor ouders en kinderen kan (en zal) zorgen. Dan zal de jeugdzorg een gevaar voor de jeugd worden. Goede opvoeding en jeugdhulp begint bij ouders die begeleiden en ondersteunen. Die kinderen stimuleren iets zelfstandig te doen. Die gevraagd gedraag zelf voorleven. Die kinderen in hun waarde laten, juist ook door normen de stellen en waarden over te brengen. En ja, dat vraagt elke dag even iets van onze eigen tijd!

Ouders die dat alles niet kunnen of willen opbrengen, of ouders die niet meer zo goed weten hoe ze hun kinderen moeten opvoeden, moeten wij durven confronteren met de ongemakkelijke waarheid dat niet ‘hun’  of ‘de’ kind(eren) het probleem zijn, maar hun eigen (niet) doen of laten. Om vervolgens samen met hen te bezien hoe wij dat kunnen veranderen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

En plots ben je weer alleen met zijn tweeën…

If Mama Ain’t Happy, Nobody’s Happy (2014)

Het lege-nestsyndroom geldt ook andersom: hoe voelt het om als kind je ouder(s) alleen achter te laten? De filmmaker onderzoekt het in een soort dubbelslag: de academie voltooien is óók een nest verlaten. De Jong zet haar vader en moeder voor de camera en vraagt. Door expliciet te spelen met regisseursaanwijzingen vormt de documentaire een intrigerende mix van feit en fictie waar de werkelijkheid moeiteloos doorheen prikt.