Opvoeden is een ernstige zaak

opvoeden.png

  • Neem hem daarom niet al te serieus!

Natuurlijk, opvoeden kan best lastig zijn. Alleen al, omdat elk kind weer anders is. Net zoals zijn ouders en de omstandigheden waarin een kind opgroeit. Uitputting, twijfel, schuldgevoel. Het zijn zaken die elke opvoeder wel eens ervaart. Opvoeden is dat ook een ernstige zaak. En tegelijkertijd moeten wij haar niet te serieus nemen. Want opvoeden kan ook een eindeloos en overweldigende klus zijn. Als wij ons doen en laten ook durven relativeren. Als wij iets van de creativiteit en veerkracht van onze kinderen zouden durven adopteren. Als wij de lachspiegeltjes die zij ons voorhouden durven kijken. Dat is ook de boodschap die ik tijdens de Week van de Opvoeding 2018 graag wil meegeven aan alle opvoeders. Want opvoeden is eindeloos!

 

Advertenties

Gelukkige jeugd; daar horen problemen bij!

gelukkige jeugd.png

  • Laten wij ons laten stimuleren door het optimisme van kinderen.

Nederlandse jongeren zijn gelukkig ongelukkig. Ze zijn druk en blij met hun sociale relaties. Ze zijn ongelukkig door schoolwerk, gebruiken minder vaak een condoom, en drinken best veel. Dat leert ons het internationale onderzoek Health Behaviour in School-aged Children (HBSC). In Nederland een gezamenlijk project van de Universiteit Utrecht, het Trimbos-instituut en het Sociaal en Cultureel Planbureau. En ondanks dat alles groeit de behoefte aan (jeugd)zorg. Tijd voor bezinning en normalisatie zou ik zeggen.

Als ik kennis neem van onderzoeken als het hiervoor bedoelde, dan bekruipt mij elke keer een unheimisch gevoel. Is de jeugd nu zoveel lastiger geworden, of zijn wij als maatschappij meer eisend en minder tolerant geworden. Is elk ‘probleem’ wel een probleem? Of is het gewoon gemakkelijk als je er een ‘probleemetiket’ op kunt plakken. Dan kunnen wij het ‘probleem’ de schuld geven en anderen er mee aan de slag laten gaan.

Negen op de tien 12 tot 25-jarigen zijn tevreden met hun leven. Vooral met hun vriendenkring en psychische gezondheid – aldus het CBS (2016). Dat nergens ter wereld het welbevinden van kinderen zo groot is, wisten we al van Unicef (2007-2013).

Paradoxaal genoeg liggen veel te veel ouders ’s nachts wakker: een op de zes kinderen in Nederland krijgt een vorm van hulp (Jo Hermanns; 2015). Ook het aantal kinderen dat medicijnen krijgt voorgeschreven bij problemen met opvoeden en opgroeien is exponentieel gegroeid, en groeit nog steeds.

Deze trend zien we ook bij leerproblemen. Hooguit 3 – 4% van de kinderen heeft ernstige dyslexie, maar sinds de overheid in 2009 besloot om de dyslexie behandelingen te vergoeden blijft het aantal groeien. Saillant detail daarbij: er zijn veel meer kinderen die zorg krijgen dan er kinderen zijn die volgens bevolkingsstudies problemen zouden hebben die professionele zorg nodig maakt. Zelfs het meest pessimistische epidemiologisch onderzoek komt niet tot zo een hoge schatting van het aantal kinderen dat ernstige problemen heeft. In het algemeen gaat men uit van ongeveer 2 tot 5 % die dit type hulp nodig hebben (Hermanns, 2013).

De graag gehanteerde verklaring dat ‘veel problemen tegenwoordig eerder worden gediagnosticeerd door toegenomen deskundigheid’ vind ik er een uit het rijk der fabelen. Zoals ook de verklaring  dat het zo goed gaat met de jeugd omdat er zoveel professionele hulp wordt geboden. Van veel interventies is (nog) niet eens bekend noch bewezen dat ze effectief zijn.

Hoe heeft het dan zover kunnen komen dat de opvoeding niet meer zonder professionele hulp lijkt te kunnen? Kennelijk willen en verwachten wij dat al onze kinderen ‘storingsvrij’ zijn. Hetgeen leidt tot een tendens om uitdagingen in opvoeding en onderwijs psychopathologisch te definiëren. En we praten dientengevolge over gedrag van kinderen in termen van ADHD, autisme, depressie. Als je problemen hebt met je kind omdat het zich afwijkend gedraagt en je hebt daar een label voor – Asperger, ADHD, ODD – dan is het het probleem van het kind geworden. Dat is het beeld dat wij hebben geconstrueerd.

En nee, de problemen met de jeugd nemen niet toe.  Alle indicatoren die iets zeggen over hun welbevinden, hun (psychische) gezondheid, de criminaliteit, het middelengebruik en de schoolprestaties staan in het groen (Landelijke Jeugdmonitor 2016).

Probleemgedrag is bovendien altijd een subjectief en normatief begrip. Waar de een zich zorgen maakt over agressief gedrag, noemt een ander dit gezonde assertiviteit. Waar een ouder teruggetrokken gedrag ziet, pakt de leerkracht de checklist autisme. Waar een orthopedagoog bij een 3-jarige bij de leeftijd passende overbeweeglijkheid ziet, kan een kinderpsychiater adhd-kenmerken signaleren.

Ik ben er daarom van overtuigd dat het goed is om na te gaan of wij als maatschappij wel goed met onze jongeren omgaan. Wordt hun omgeving wel voldoende ingezet? Waar blijft de eigen verantwoordelijkheid van ouders? Zou jeugdzorg niet meer moeten richten op ouders en opvoeders en hun onmacht dan op de kinderen zelf? Moeten wij niet meer denken aan en aandacht geven aan de (toenemende) opvoedingsverlegenheid? En moeten wij niet veel meer durven ‘normaliseren’?

Normaliseren is één van de kernthema’s in de transformatie van het sociaal domein. Het gaat daarbij om de zienswijze dat kwetsbaarheid bij het leven hoort en de problematiek rondom opvoeden en opgroeien kan daar niet van uitgesloten zijn. Niet het oplossen van problemen staat centraal, maar het ontzorgen en normaliseren van de situatie rond kinderen. Het gaat om het herstel van het gewone leven.

Normaliseren vraagt ons het ‘gewone’ leven altijd in beeld te houden, ongeacht de situatie van het kind en het gezin, ongeacht de hoeveelheid specialistische zorg. De vraag is ‘Waar wil je naar toe werken?’.

Deze benadering heeft ook gevolgen voor de wijze waarop we de zorg organiseren. Professionals moeten kunnen schakelen tussen formele kaders en het alledaagse. Maar ook de moed en het vermogen om ouders en andere opvoeder voortdurend methodisch te reflecteren op het eigen handelen. Ook zij moeten de bereidheid en het vermogen hebben om zichzelf onder ogen te zien… Bij opvoeden horen ook de problemen.

Het moet ouders duidelijk worden gemaakt dat veel problemen bij opgroeien en opvoeden normaler zijn dan deskundigen willen doen geloven. Strijd hoort bij opvoeden.

Het moet dus anders. Met meer nadruk op opvoeden en minder behandelen. Wat heeft dit kind nodig? Wat hebben deze ouders nodig? zijn de vragen die gesteld zouden moeten worden. Met de kennis van nu zeg ik orthopedagogiek is een bittere noodzaak. Maar als negen op de tien kinderen lekker in hun vel zitten, zullen het vooral de opvoeders zijn die hulp nodig hebben.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

 

 

 

Paal en perk stellen

knuppel

  • Als knuppel of zakdoek vrij spel hebben

Hoewel de media  nog wel eens anders willen suggereren, zijn gemeenten tevreden over hun sociale (wijk)teams. Zo blijkt uit een landelijke peiling onder Nederlandse gemeenten naar de stand van zaken rond de sociale (wijk)teams. Het merendeel van de gemeenten, 83 procent, beschikt over een of meer (wijk)teams. 78 procent daarvan is tevreden over de bijdrage van deze teams aan het realiseren van de doelen van de transitie. Tegelijkertijd gaan deze teams gebukt onder een hoge werkdruk en een toenemend aantal hulpvragers met complexe problemen. Gemeenten maken zich hier zorgen over.

De toegenomen werkdruk kent meerdere oorzaken. Zo is er minder tijd voor het werken aan preventie en zijn er langere wachtlijsten omdat de inzet op zwaardere casussen meer tijd vraagt. Maar de hogere werkdruk wordt ook veroorzaakt door – als gevolg van bezuinigingen – vermindering van het aanbod in de tweede lijn, waardoor de doorstroming stagneert. Belangrijker echter vind ik de vraag of en hoe de sociale (wijk)teams de juiste ervaren en gekwalificeerde mensen vinden. Het beschikken over de juiste kennis en vaardigheden heeft, zo leert mijn adviespraktijk, ook veel invloed op de ervaren werkdruk.

Jeugdprofessionals dienen namelijk over een aantal cruciale vaardigheden te beschikken. Naast analytische en schrijfvaardigheden is gespreksvaardigheid daarbij een van de meest wezenlijke. En aan gespreksvaardigheid lijkt het niet zelden te schorten. Met name, doordat professionals vaak heel goed kunnen engageren, maar het lastig vinden om te positioneren.

Engageren is de vaardigheid om jeugdige, ouders en andere betrokkenen te motiveren tot actieve medewerking. Positioneren is de vaardigheid om duidelijke grenzen te stellen aan de cliënt of het systeem waarvan de cliënt deel uitmaakt. Schakelen tussen deze twee vaardigheden blijkt voor menig professional een opgave.

Het eenzijdig benadrukken van een van beide aspecten leidt als snel tot problemen in de communicatie. Wanneer een professional zonder zich te positioneren te veel invoegt en aansluit op de cliënt en zijn/haar systeem, brengt dat het gevaar met zich dat de professional ‘ingezogen raakt’ en het zicht op het noodzakelijke positioneren verliest. Anderzijds kan er sprake zijn van een te sterk positionering, met het verlies van vertrouwen als gevolg.  Juist daarom ook moet de professional binnen het sociaal domein in staat zijn om voortdurend tussen deze twee vaardigheden te schakelen. Als knuppel of zakdoek vrij spel hebben, zijn verwarring en chaos troef. Met (ervaren) werkdruk als gevolg.

Voor veel professionals blijkt juist het stellen van grenzen een dingetje. Zeker binnen het sociaal domein is te zien dat mensen, vanuit goede bedoelingen, zo voortdurend hun grenzen verleggen en uiteindelijk over hun grenzen heen gaan. Dit kan tal van redenen hebben, maar de gevolgen van geen grenzen stellen zijn onmiskenbaar. Mensen staan minder stevig in hun schoenen en de kwaliteit van het werk wordt minder. Mensen zijn minder in staat om prioriteiten te stellen en raken soms het overzicht kwijt. En juist dat zijn werkdruk verhogende aspecten.

Juist hiermee zie ik in de praktijk van alledag professionals binnen sociale (wijk-)teams struggelen. Positioneren (lees: eisen stellen) beschouwen zij als iets voor daarvoor in het leven geroepen instituties: politie, jeugdbescherming, etc.  Gek eigenlijk, omdat dit vraagstuk ook doet denken aan een proces dat elke professionals kent en heeft doorgemaakt: Opvoeden. Ouders zijn, net als professionals, altijd op zoek naar de juiste balans tussen een aantal uitersten:

  • Controleren versus vrijlaten
  • Gericht op jezelf (als opvoeder) versus gericht op je cliënt
  • Streng versus toegeeflijk
  • Beschermen versus zelf laten ervaren
  • Star versus flexibel zijn
  • Consequent versus inconsequent zijn.

Feitelijk gaat het steeds over grenzen (durven) stellen. En dat betekent regels afspreken. Dit heeft niets te maken met onvriendelijkheid, maar alles met het geven van duidelijkheid. En daar is iedereen bij gebaat. Mag je dan als professional helemaal niet engageren? Natuurlijk wel. Maar je moeten er niet in doorschieten. Net zo goed als dat je niet moet doorschieten in het grenzen stellen.

Het is zorgelijk als kennelijk juist deze basale opvoedkundige vaardigheid ontbreekt bij professionele hulpverleners. Velen van hen zijn immers zelf ook vader of moeder! En, als het thuis wel lukt om de balans tussen liefde, geduld en wijsheid te praktiseren, waarom lukt dat dan niet bij het professioneel handelen? Of, moeten wij vrezen dat dit ook thuis steeds minder goed lukt?

Dit alles doet mij denken aan het boek ”De grenzeloze generatie” (Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2009; ISBN 978 90 468 0674 6; 285 blz.;) Een belangrijke conclusie van de schrijvers daarvan is, dat veel opvoeders de jeugdcultuur als vertrekpunt nemen. Die opvoeders hebben een soort dwangmatige behoefte om ”forever young” (altijd jong) te zijn. Als diezelfde opvoeders professionele hulpverleners worden of zijn, dan zal het nog verdraaid lastig worden om de werkdruk van professionals naar een verantwoord niveau terug te brengen. Professionals die alleen maar tof willen zijn en hun cliënten niet tot de orde durven roepen organiseren daarmee immers hun eigen tegenstand en oplopende werkdruk.

Het idee dat grenzen binnen de hulpverlening overbodig zijn, is een narcistische misvatting. Die grenzeloosheid moet ingeperkt worden en vraagt om (professionele) positionering. Mensen in nood hebben behoefte aan structuur en duidelijkheid. Daarom moeten professionals verantwoordelijk willen zijn voor zowel het engagement als de positionering. En, als dat nodig is, daarin de regie (durven) nemen. Dat zijn geen vrijblijvende zaken, maar zaken van wezenlijk belang. Ook voor de door professionals (ervaren) werkdruk.

Regels

  • zijn niet bélastend, maar ontlastend
  • voorkomen steeds dezelfde discussie
  • het scheelt daardoor veel tijd
  • bevorderen de sfeer
  • bieden veiligheid
  • geven houvast
  • stimuleren het zelfvertrouwen
  • brengen respect bij
  • leren rekening te houden met anderen
  • afwijken wordt ervaren als een beloning
  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.