Nachtleven

midnight family.png

  • Midnight Family

De documentaire Midnight Family van Amerikaan Luke Lorentzen behandelt veel thema’s. Van ‘ouderschap en opvoeden’ tot ‘de falende staat’. Maar ‘overleven’ springt eruit.

In de eerste plaats voor de patiënten die noodgedwongen een beroep doen op de private ambulance van de familie Ochoa. Vader Fer en zijn minderjarige zonen Juan en Josué zijn hiermee in het gat gesprongen dat is ontstaan in Mexico-City. Voor de 9 miljoen inwoners staan daar slechts 45 publieke ambulances paraat. Regelmatig komt er geen opdagen bij een ongeluk of calamiteit. Het sein voor de Ochoa’s en hun concurrenten om zich met een noodgang naar de plek des onheils te spoeden. Wie als eerste arriveert, wint het vrachtje. En daarmee de kans op inkomen. En op overleven. Want meer dan eens blijkt de patiënt platzak en onverzekerd. En even zo vaak romen corrupte agenten de inkomsten af voor eigen gewin. En de rekeningen voor diesel, verbandmiddelen en taco’s blijven binnenstromen. Dan is de keuze voor het betalende maar verder gelegen privéziekenhuis voor die patiënt met dat zeer ernstige hoofdletsel wel lastig, maar onontkoombaar.

Jeugdhulp als verdienmodel kapitale fout

verdienmodel.png

  • Het meeste wat we nodig hebben is onder handbereik

De enige luxe die kinderen écht willen, is bij hun ouders wonen.  En aandacht. Maar veel ouders zitten dan met de handen in het haar. Natuurlijk, ze willen het beste voor hun kinderen, maar dan wel graag ‘all-inclusive’ verzorgd door anderen. Want opvoeden? Daar hebben wij de tijd niet (meer) voor! Het gevolg is dat bij steeds meer gemeenten de kosten voor jeugdhulp over de schoenen lopen.

De (gecreëerde) vraag naar jeugdzorg blijft ongeremd stijgen. Niet, omdat onze jeugd zoveel moeilijker is geworden. Wel, omdat te veel ouders het steeds lastiger lijken te vinden ‘ gewone’ opvoedproblemen zelf op te lossen.  Kinderen lijken een luxeartikel te zijn geworden om mee te kunnen pronken.

Wij werken ons uit de naad. Om ons (te) dure huis te kunnen betalen. Om de tweede auto te kunnen bekostigen en om de tweede of derde vakantie per jaar veilig te stellen. Om nog maar te zwijgen over de festivals die wij met regelmaat willen bezoeken. Of dat hele speciale restaurant, waar je toch echt moet zijn geweest. Bij dat alles passen kinderen prima, zo lang ze maar geen last veroorzaken.

Kinderen die zich niet aan de regels willen houden? Drukke kinderen? Hoogbegaafd, of juist iets minder? Alles wat ons rustige leven dreigt te verstoren is een probleem dat direct opgelost moet worden. Door de overheid wel te verstaan. Meer precies: door hulpverleners die de overheid regelt en betaald. En wel nu!

Als de overheid of de door de overheid georganiseerde hulpverlening niet stante pede thuis geeft, spreken wij er schande van. Dan struikelen wij uit verontwaardiging over de woorden waarmee wij dat duidelijk menen te moeten maken. Helemaal als de hulpverleners de euvele moed hebben om te suggereren dat het gedrag van onze kinderen wellicht iets te maken kan hebben met ons eigen gedrag. Het gebrek aan tijd en aandacht voor onze kinderen bijvoorbeeld. We rennen en schreeuwen nog net niet schuimbekkend naar het gemeentehuis om ons beklag te doen als de hulpverleners niet snel genoeg antwoord geven op vragen en kwesties die ons verontrusten.

Dit probleem wordt nog eens versterkt, doordat heel wat ‘hulpverleners’ er een verdienmodel in zien. Onder het mom van ‘het belang van het kind’ worden heel wat ondersteuningsvormen ontwikkelt die onze opvoedingsverlegenheid faciliteren in plaats van oplossen. Er wordt te veel zorg geboden die kinderen beschadigt. Een ongemakkelijke werkelijkheid voor de duizenden mensen die dagelijks werken om juist dat te voorkomen.

Ben ik te somber? Ik denk het niet. Onlangs publiceerde de Inspectie Jeugdzorg een signalement over de gesloten jeugdzorg. De inspectie stelt vast dat het verdienmodel van de instellingen boven de rechtspositie van jongeren gaat. Én inmiddels is er sprake van een wildgroei aan lichte vormen van jeugdhulp. De Jeugdwet stelt geen grenzen aan de jeugdzorg. Niemand weet waar de zorgplicht van de gemeente ophoudt. Zo zien we nu gemeenten betalen voor oppasgroot­ouders, voor huiswerkklassen, voor therapie met paarden, met honden en met lama’s, Boer en Zorg, mindfulness voor kinderen en programma’s voor hoogbegaafde kinderen. Met als gevolg dat de ouders en kinderen die echt hulp nodig hebben – en geloof mij, die zijn er zeker – de daarvoor bestemde specialistische zorg ernstig in de knel zien geraken, waardoor zij verstoken raken of blijven van passende zorg.

Als er al politieke keuzes gemaakt worden om de ongebreidelde stijging van de kosten voor jeugdzorg een halt toe te roepen, dan liggen hier kansen en opgaven. De discussie waar gebruikelijke zorg ophoudt en publieke zorg begint, wordt namelijk veel te weinig gevoerd. En als dat wel het geval is, zijn het vaak financiële beheer motieven.  Een debat over eigen verantwoordelijkheid van ouders wordt vermeden. Een discussie in de eigen gemeente over welke ondersteuning door ouders zelf geregeld en betaald moet worden? Menig lokaal politicus laat het wel uit zijn hoofd.

Voor alle vormen van jeugdhulp geldt dat er een sterke groei te zien is: steeds meer ouders en jeugdigen doen er een beroep op. Vooral de instroom van kinderen en jongeren in de GGZ is explosief. Er lis dus wel iets aan de hand met de (opvoeding en begeleiding van) de Nederlandse jeugd.

Volgens mij is de dieperliggende verklaring hiervoor de manier waarop in de huidige samenleving gekeken wordt naar opvoedproblemen. De afname van ons tolerantieniveau bijvoorbeeld. Gedrag dat nog niet zo lang geleden als gedrag werd geïnterpreteerd dat hoorde bij het jong-zijn, wordt nu als maatschappelijke overlast gezien. Jengelende kinderen, driftbuien van een peuter leiden al lang niet meer tot begrip, maar tot verwijten. Vechtpartijtjes tussen jonge pubers of een fysieke aanval van een 12-jarige wordt al snel geïnterpreteerd als gewelddadig gedrag.

Natuurlijk, kinderen en jongeren kunnen onuitstaanbaar, lastig of agressief zijn. En daaraan moeten grenzen gesteld worden. En als we dan daarvan last hebben, proberen we dat niet op te lossen door ruimte te geven, grenzen te stellen én te communiceren, maar door “iemand te bellen”. We bellen een professional of een van de vele meldpunten. Dat is een prima idee als het gaat om kindermishandeling, huiselijk geweld of criminaliteit, maar dat zijn nu juist de problemen die onvoldoende gemeld worden. We bellen eigenlijk vooral voor die problemen waar we zelf last van hebben. Als ouders lijken we het opvoeden verleerd te zijn. We hebben instellingen en professionals nodig die geleerd hebben voor jeugdproblemen om onze opvoedproblemen op te lossen. En daarbij komt dat er dan al heel snel geroepen wordt om maatregelen en meer bevoegdheden van de overheid om in te grijpen.

Zeker, ik realiseer mij dat mijn betoog redelijk kort door de bocht is. Net zo goed als dat kritiek op de jeugd en zijn opvoeders van alle tijden is. Toch meen ik dat er op dit moment wat meer aan de hand is met het opvoeden in Nederland. Nederland heeft een uitgebreid systeem van bijzondere voorzieningen voor jeugdigen bij wie het opvoeden en opgroeien met behoorlijke problemen gepaard gaat. Dat is een goede zaak en een belangrijke verworvenheid van onze samenleving. Het is ook niet zo dat ouders het altijd met z’n tweeën of alleen kunnen klaren: steun en inzet van naasten en anderen is essentieel en wordt veelvuldig gezocht. Daarom gaat het meestal ook wel goed, al zal perfectie nooit bereikt kunnen worden.

Nogmaals, grote groepen kinderen en hun opvoeders hebben veel aan gespecialiseerde hulp, zorg, behandeling of onderwijs. Een pleidooi om dat type voorzieningen af te schaffen zou een rechtstreekse aanval op onze beschaving zijn. En snelle en adequate reacties op overlast en criminaliteit horen bij een rechtsstaat.

Een belangrijke levensvoorwaarde voor kinderen is, dat ze zich veilig voelen in het gezin waarin zij opgroeien. Ouders moeten kinderen geborgenheid en bescherming bieden. Kinderen moeten kunnen rekenen op hun ouders; zij reageren voorspelbaar, beschermen het kind tegen zichzelf, of tegen plagende broers en zussen. In de gewone dingen wekken ouders een gevoel van veiligheid: het liedje voor het slapen gaan, het lichtje dat blijft branden, het eigen speelhoekje.

Knuffelen, lachen, corrigeren en ontwikkelen. Warmte, aandacht en zorg zijn echter geen zaken die je kunt kopen. Sterker nog, het kost niks.  Je kunt het ongelimiteerd weggeven in de vorm van complimentjes, tijd en aandacht. Het kost niets en levert een hoop op.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

 

 

 

Hand in hand – opvoeden doe je niet alleen

Week van de opvoeding 2019 Hand in hand
  • Week van de Opvoeding | Hand in Hand

De Week van de Opvoeding 2019 staat in het teken van opvoeden en ouderschap.Wat is een goede opvoeding? Wat vind je belangrijk in het ouderschap en wat doet het met je? De Week is van maandag 7 tot en met zondag 13 oktober 2019. Het thema is dit jaar “Hand in hand”.  Want, opvoeden doe je niet alleen, maar samen. Hand in hand met ouders of opvoeders, spelen ook de school, sportvereniging, buren, vrienden en familie een rol in de opvoeding van het kind. Zij vormen samen de omgeving waarin kinderen opgroeien en worden opgevoed. Hoe beter opvoeders en betrokken organisaties samenwerken en elkaar versterken, hoe beter het kind gezond, kansrijk en veilig kan opgroeien.

De Week is een mooi moment om even stil te staan bij het besef dat opvoeden samenspel is. Tussen ouders en kinderen, maar ook tussen ouders onderling en tussen ouders en grootouders, leerkrachten, kinderverzorgsters, buren, meeleef- steun of logeer-gezinnen.Want opvoeden is geen sinecure. En superhelden (ook bekend als ‘ouders’) zijn opvoeders ook niet.

 

Best lastig

ideale opvoeder 2.png

  • De perfecte ouder bestaat niet

Een van mijn broers woonde in zijn pubertijd een periode bij onze directe buren. Omdat het tussen hem en onze ouders niet altijd boteren wilde. Mijn zoon heeft voor een (succesvol afgeronde) opleiding als ingenieur weg- en waterbouw gekozen dankzij een goede vriend van ons gezin. Wij mochten als jonge ouders een pleegzoon grootbrengen, omdat zijn moeder ons dat vertrouwen gaf. Waarom ik deze ontboezemingen doe? Omdat zij het bewijs zijn van de stelling dat een goede opvoeding meer vraagt dan goede ouders alleen. Goede opvoeding vraagt een heel dorp. Succesvolle opvoeding vraagt een samenleving die voor de kinderen samenspant met ouders. Want opvoeden is best lastig!

Ik wil het beste voor mijn kinderen. Net als alle ouders. Dat is mijn diepste overtuiging. Ik wil dat ze gelukkig zijn. Dat ze het goed hebben en dat ellende hen bespaart blijft. Ik zie ze graag opgroeien tot zelfverzekerde en authentieke volwassenen. Mensen die stevig in hun schoenen staan en vol vertrouwen en plezier de wereld in trekken. Elke ouder heeft zo’n beeld. De werkelijkheid van alledag is desondanks veel minder vanzelfsprekend. Het ene kind blijkt het andere niet. Dat maakt opvoeden tot een uitdagende en lastige opgave tegelijkertijd.

Een kind krijgen is een wonder. Het mooiste dat een mens kan overkomen. Een kind zien ontwikkelen van baby tot volwassene is een ontdekkingsreis. Van en voor het kind, net zo goed als van en voor de ouders en andere opvoeders waarmee kinderen te maken krijgen. Als ouder wil je het graag goed doen. Maar vanzelfsprekend is dat niet. Want er wordt geen handleiding bijgeleverd. Nooit! En elk kind is anders. Gelukkig wel.

Laten we eerlijk zijn. Eigenlijk heeft geen enkele ouder enig idee over hoe je je kinderen goed op moet voeden. Wij weten hoe onze ouders het deden. Of de ouders van vriendjes en vriendinnetjes. Vaak ook nemen wij ons voor dat wij dingen echt anders zullen doen als wijzelf ooit ouder mogen worden. En als het dan zover is, blijkt het allemaal anders en is opvoeden een hele opgave. Wat zeg ik, opvoeden is ploeteren! Soms zelfs op hoop en zegen.

Het gezin is voor mij de plek waarin een kind opgroeit in liefde, de plek waar mensen van elkaar houden en voor een kind zorgen. Dat kunnen ook twee mannen of twee vrouwen zijn, maar ook een alleenstaande ouder. Het gaat er uiteindelijk om dat een kind veilig is en dat het liefde ontvangt. Ook kinderen vinden en ervaren dat. Al kunnen ze dat op die leeftijd misschien nog niet onder woorden brengen zoals beschreven Connie Palmen in haar “Logboek van een onbarmhartig jaar”, geschreven na het overlijden van haar (tweede) man en D66-coryfee Hans van Mierlo.

Het krijgen van kinderen is voor de meeste mensen een wereldervaring. Iedere ouder wil zijn of haar kinderen op een goede manier opvoeden. Dat is een mooie uitdaging, maar gaat niet vanzelf. Ouders komen dagelijks voor dilemma’s te staan en willen de beste beslissingen voor hun kinderen nemen. Als (groot)ouder weet ik uit ervaring dat kinderen zich prettiger voelen en beter presteren als je geïnteresseerd en betrokken bent bij de dagelijkse dingen die jouw (klein)kind bezighouden. Het kan daarbij helpen eraan te denken dat je zelf ook eenmaal jong bent geweest. Je kunt hun hartstochten, hun verontwaardiging en hun verdrietjes niet alleen beter verdragen, maar zelfs begrijpen. Wij hebben geen flauw idee hoe groot het krediet is dat kinderen ons geven, en hoe snel wij dat ook weer verspelen.

Dat het ondanks al onze inspanningen en goede bedoelingen nog wel eens misloopt, maakt ons nog geen slechte ouder. De meeste ouders raken wel eens de weg kwijt in de opvoeding. Soms ook lukt het ouders niet (meer) om hun kinderen dat te geven wat nodig is. Soms ook kunnen ooit hevig op elkaar verliefde ouders elkaar langzaam maar zeker de tent uitvechten. Met alle vervelende gevolgen van dien. En ja, er zijn talloze dreinende kinderen, dikke kinderen, gepeste of juist pestende kinderen. Er zijn meer vernielende en coma zuipende kinderen dan ons lief zijn, Of hangjongeren die dag en nacht aan hun Iphone of Ipad vastgeklonken zitten. Die agressief zijn tegen broertjes of zusjes, ouders of buren. En er zijn kinderen die in de criminaliteit belanden of verslaafd raken. Compleet ben ik dan nog niet, maar duidelijk is, dat de opvoeddroom van menig ouder lelijk in duigen kan vallen.

De samenleving – u en ik – wijzen graag met een beschuldigende vinger naar de ouders als de oorzaak van al dat leed. Niet zelden wordt zo onze samenleving een vijandige en onveilige omgeving. Vol verwijten, beschuldigingen, betutteling en kritiek. Dit is niet alleen zinloos en schadelijk voor de ouders en voor de kinderen. Het is ook niet eerlijk. Want opvoeden is best lastig. En juist als het lastig wordt, heb je je omgeving hard nodig. Niet om jou te vertellen wat jij fout doet. Wel, om jou te helpen het anders te doen. Opvoeden kan veel minder lastig zijn, als je het kunt doen met een beetje hulp van familie, vrienden of buren. Want soms zijn draagkracht en draaglast niet meer in evenwicht met elkaar en is er extra hulp nodig. Soms zelfs zoveel hulp dat specialisten erbij gehaald moeten worden of dat ouders hun kinderen aan specialisten moeten overdragen. Dat is – anders dan wij niet zelden ongezegd of ongezouten suggereren – geen schande. Integendeel. Ouders die hun omgeving inschakelen verdienen alle lof en waardering. Veel meer en eerder dan al die ouders die uitstralen dat opvoeden alleen maar leuk is en dat zij het geweldig hebben gedaan met hun kind of kinderen.

Natuurlijk is het belangrijk dat kinderen genoeg kunnen spelen, dat opvang is geregeld, dat het consultatiebureau goed werkt, dat er veilige routes zijn naar school, dat wij aandacht hebben voor gezond opgroeien. Het allerbelangrijkste echter is dat alle ouders zich gesteund weten. In goede, maar zeker in lastiger tijden. Want de echt goede opvoeder zal het erkennen: je hebt de hele gemeenschap nodig om jouw kinderen goed te laten opgroeien.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

 

 

 

Slappe knieën

opvoeden 2.png

  • Opvoeden? Doe het lekker zelf!

“Kinderen moeten gelukkig zijn en hun dromen waarmaken – daar zijn alle ouders het over eens. Een complete generatie wordt op dit moment echter te verwend opgevoed. En als het tegen zit, mag ‘de overheid’ (lees: gemeente, het onderwijs, de jeugdhulp) het oplossen.  Ouders creëren te weinig weerbaarheid bij jongeren en kinderen, en dat is zorgelijk en – op den duur – onbetaalbaar.” Een lokale bestuurder die dat durft te beweren kom ik – helaas – nauwelijks tegen. Omdat daar de bevolking van de betreffende gemeente vermoedelijk nog lang over zal napraten.

En toch meen ik dat betere jeugdhulp in ons land dergelijke bestuurders meer en hard nodig heeft dan het geld waarom velen in Den Haag bedelen.

Gemeenten vormen de bestuurslaag die het dichtst bij de inwoners staat. Dat is juist! En daarom zijn zij ook bij uitstek geschikt om vorm en inhoud te geven aan de bij hun inwoners passende ondersteuning. Om die reden ook worden de laatste decennia steeds meer taken belegd bij de gemeenten. De kracht van deze beweging blijkt – zoals wel vaker – tegelijkertijd de achilleshiel: gemeenten staan te dicht bij de burger als het gaat om een goed beheer van de portemonnee.

Vooral in het sociale domein heeft per 1 januari 2015 een grote verschuiving plaatsgevonden. Gemeenten zijn sedertdien verantwoordelijk voor jeugdzorg, werk en inkomen en zorg aan langdurig zieken en ouderen. Gemeenten krijgen 1 budget vanuit het gemeentefonds om deze taken uit te voeren. En komen daaraan – naar eigen zeggen – fors tekort. Wethouders met jeugdzorg in hun portefeuille klagen steen en been over de aanhoudende tekorten op de jeugdzorg. Uitspraken als ,,Wij vinden het namelijk niet te pruimen dat de staatsschuld wordt afgelost met onze financiële reserves, doordat Den Haag, waar het geld tegen de plinten klotst, blijft korten op de budgetten voor jeugdzorg.” En “Er komt een eind aan de rek van de gemeenten.” Komen in tientallen varianten voorbij. Wat mij daarbij stoort is dat al die bestuurders voor de oplossing van hun problemen kennelijk maar één kijkrichting hebben: het Rijk. Daarbij doen zij alles wat in hun macht ligt, om het Rijk aansprakelijk te stellen voor de tekorten.

Laat ik duidelijk zijn: ik beweer niet dat er niet (tijdelijk) extra geld nodig is om het lokale speelveld van het sociaal domein op orde te brengen. Maar er is echt veel meer nodig dan geld alleen. Bovendien: elke euro die er extra uit Den Haag richting gemeenten gaat, komt – per saldo – uit de portemonnee van de inwoners.

Opvoeden is kennen en erkennen en begint bij de ouders. Zij moeten een echte relatie met hun kinderen opbouwen. Een goede ouder begeleidt en ondersteunt de kinderen. Stimuleert z’n kind om zelfstandig iets te doen. Toont zelf goed gedrag, kleineert of beledigt nooit, toont dagelijks liefde, corrigeert verkeerd gedrag, laat z’n kind in zijn waarde en weet met wie z’n kind omgaat. Hij of zij maakt elke dag even tijd voor zijn kind en praat en luistert met en naar z’n kind. Dat is de basis van iedere opvoeding. En ja, dat betekent ook hard werken, net als in een huwelijk. Een relatie bouwt zichzelf niet op, maar moet actief opgebouwd en onderhouden worden. Persoonlijke warmte en aandacht is in het contact met je kinderen van levensbelang. Ziehier de ingrediënten waaraan wij in onze samenleving een chronisch tekort hebben (opgebouwd). Veel ouders werken te hard. Voor hun baan, carrière, of status. Tijd en aandacht voor de kinderen ontbreekt vaak. Met alle gevolgen van dien.

De heftige maatschappelijke discussies over de tekorten in de jeugdhulp maskeren het werkelijke probleem.  “Problemen van kinderen worden steeds minder gezien als horend bij een (soms moeizaam) proces van opgroeien en opvoeden, en steeds meer als een signaal dat professionals moeten optreden en zo nodig ingrijpen. Zo ontstaat een toenemende ‘export’ van kinderen uit hun gewone leefsituatie naar professionele behandelcontexten. Ongeveer één op de zeven kinderen heeft op dit moment een indicatie voor speciale zorg, speciaal onderwijs of hulp in een justitieel kader. De verwachting is dat deze pedagogische professionals kinderen en/of ouders ‘repareren’, zodat het opgroeien en opvoeden daarna ongestoord kan verlopen” (Het opvoeden verleerd; J Hermanns, 2009).

De door Hermanns gesignaleerde ontwikkeling vraagt van ons en de door ons gekozen bestuurders een kritische zelfreflectie. Met implicaties voor zowel de rol van ouders, leerkrachten en professionele hulpverleners. En lokale bestuurders!  Want jeugdhulp kan niet alleen anders. Het moet anders! Het vraagt meer samen praten over hoe ze elkaar kunnen ondersteunen en daar samen afspraken over kunnen maken.

Naast de roep om extra geld zouden lokale bestuurder stelling moeten durven nemen tegen de slapheid en de laksheid van de in onze samenleving gegroeide opvoedingscultuur, waarin gehoorzaamheid een vies woord is, waarin grillen van kinderen en jeugdigen in toom worden gehouden door ze behandelen als prinsjes en prinsesjes en waarin de pleziertjes van sociale media en rondhangen met leeftijdgenoten voorrang krijgen boven serieuze studie en zelfverbetering.

De jeugdzorg lijkt een bodemloze put. Dat is en blijft zij, als wij niet op de juiste wijze investeren. De beste investering is opvoeden. En dat vraagt eerst en vooral een investering (in tijd en aandacht) van ouders zelf.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Ongemakkelijke waarheid

tijd en aandacht.png

  • Jeugdzorg is een zeepbel geworden!

Het budget van gemeenten voor jeugdzorg is te krap. Maar meer geld alleen is niet genoeg, vindt de sector. Waar moet al dat geld dan heen, vraag ik mij af. In de overtuiging dat meer geld voor jeugdzorg onze problemen alleen maar zal vergroten. Of dat onzin is? Nee! Het is een ongemakkelijke waarheid.

Jeugdzorg kampt met problemen. Nog altijd. Kinderen en huisartsen merken het aan lange wachtlijsten, gemeenten merken het aan tekorten op de begroting. Een eenduidige verklaring voor de stijging is er niet. Wel sterke vermoedens. Natuurlijk, wijkteams komen letterlijk achter de voordeur bij inwoners. Ze signaleren problemen van kinderen eerder. Naar mijn mening echter vooral omdat er sprake is van een nieuwe  ‘moraal’. Waarbij wij in alles wat ons als opvoeder s ‘last bezorgt’ graag als probleem definiëren. Want dan kunnen wij er anderen mee opzadelen.

Driftbuien, druk gedrag, slaap- of eetproblemen: de ouders van nu leggen hun problemen wat graag voor aan ‘deskundigen’. Want de ouders van nu zijn druk. Met het regelen en jongleren met acties, tijd, aandacht, energie, relaties en verwachtingen. Waardoor de tijd en aandacht voor de kinderen bij deze ‘renners en planners’ een schaars goed geworden is. Ze krijgen veel afgevinkt en voelen zich helemaal geweldig. Zolang de kinderen zich volgens hun verwachting gedragen. Ouders hebben geen tijd meer, of maken geen tijd meer, om vanaf het prilste begin genoeg tijd met hun kinderen door te brengen. Ze zijn te veel met zichzelf bezig. En met hun carrière, vakantie, hypotheek en spullen. Ze willen tijd voor zichzelf hebben, en niet geclaimd worden. Ze willen wel kinderen, maar ze willen er tegelijkertijd nauwelijks tijd voor vrijmaken. Het is tegenwoordig normaal om kinderen aan de zorg van anderen over te laten. Aan grootouders, gastouders, en hulpverleners.

Zo is er tegenwoordig een brugklastraining. Want het idee van de brugklas zou onze tieners wel eens bang kunnen maken of onzeker? Zou wel goed komen? Als iemand over de brugklas begint, zeurt een stemmetje in het hoofd van onze tieners: alles wordt anders! Ja, en, denk ik dan. Hoe ging dat destijds met mij? Ik herinner mij die tijd nog goed; het laatste schooljaar op de basisschool, de musical, die laatste schooldag. Het was enerverend en spannend, maar ook uitdagend. En het leverde heel wat gespreksstof op aan de keukentafel thuis. Ongemakkelijke gesprekken soms ook. Voor mij, zowel als voor mijn ouders. Al hadden die daarmee al de nodige ervaring. Ik was per slot nummer zes die die overstap maakte!

De huidige tijd vraagt veel van ouders en kinderen. Waar vroeger de moeders nog klaar zaten met het kopje thee en waar kinderen na school nog heerlijk in en rondom huis konden tuttelen, moet er tegenwoordig gewerkt worden en is er weinig tijd voor elkaar.  Tegelijkertijd stellen wij steeds hogere (cito) eisen aan ouders en kinderen bij hun functioneren op het werk en school. Met het tempo van een hogesnelheidslijn loodsen wij onze kinderen door hun ontwikkeling. Waarbij uitstel of doublures uitgesloten (moeten) zijn. Alles moet perfect zijn en vinden we het moeilijk om afwijkingen van de norm te accepteren. En tegelijkertijd zijn er duizenden prikkels van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat. Al deze componenten samen leggen een enorme druk op kinderen. Als zij zich vervolgens ongelukkig voelen of betonen, doen ze hun ouders verdriet en dat is het laatste wat ze willen. Zo komen met name de kinderen steeds meer onder druk te staan en vliegen zij vaker en eerder de bocht. Met Jeugdzorg als antwoord, want tegenwoordig lijkt dat geen taak meer te zijn voor de ouders. Die besteden dat uit. Aan professionele instituten die van dit oudergemak een mooi verdienmodel van gemaakt hebben.

Het opvoeden van kinderen gaat met vallen en opstaan. Kinderen zijn niet altijd even makkelijk. Spijbelen, een boze bui, niet luisteren, te laat thuiskomen en ook liegen kunnen allemaal horen bij het gedrag van opgroeiende kinderen. Soms ook leidt dit soort gedrag tot problemen en kun je spreken van opvoedingsproblemen. Denk maar eens aan het gedrag van uw eigen kinderen in de peuter- of pubertijd.

De meeste opvoedingsprobleem zijn  – anders dan wij onszelf en anderen graag willen doen geloven – in eerste de plaats een probleem van ouders. Juist zij echter lijken zich – in toenemende mate – machteloos te voelen. Of onzeker, bezorgd en zelfs kwaad. Want dat dit een probleem van onszelf – de opvoeders – is, vinden wij een ongemakkelijke waarheid. Die wij dan ook graag bestrijden. Met een beroep op Jeugdzorg. Omdat wij ‘het beste’ voor onze kinderen willen. Onder het motto ‘gun je kind een eigen label’ ontschuldigen wij zo onszelf en zadelen wij onze kinderen op met een aan dat ‘label’ verbonden identiteit. In mijn optiek is jeugdzorg zo doorgeschoten naar de andere kant, en is jeugdzorg te rekbaar geworden.

Natuurlijk, er is jeugd die problemen heeft en specifieke zorg nodig heeft. Zoals er ook ouders zijn die daarbij extra ondersteuning verdienen of moeten krijgen. Ik ben dan ook ferm voorstander van een goed werkend en deugdelijk Jeugdzorg systeem. Vandaag de dag echter is Jeugdzorg een verzamelnaam voor een ratjetoe aan voorzieningen. Een systeem dat door marktwerking te veel professionals kent die in het ontzorgen van ouders en opvoeders vooral een verdienmodel zien. Met als resultaat een  tsunami aan overbodige oplossingen die niet van toegevoegde waarde zijn voor onze kinderen.

Echt van toevoegende waarde voor kinderen zijn veiligheid, structuur en aandacht. Geboden door mensen die voor onze kinderen van betekenis zijn: de eigen ouders.

Meer geld voor het sociaal domein? Ik vind het prima en wat mij betreft ook niet onnodig. Meer dan dat echter is een  koerswijziging nodig. En een fundamentele gedragsverandering bij ons als ouders, opvoeders en schoen, die een rol spelen in het leven van kinderen. Gebeurt dat niet, dan zal de Jeugdzorg een bodemloze put blijven. Dat is misschien een ongemakkelijke waarheid, maar wel een die hout snijdt en onze jeugd een goede toekomst geeft.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

 

Mag ik bij jou schuilen?

mag ik bij jou schuilen.png

  • Opvoeden kun je niet alleen

Als het om opvoeden gaat, weten we het altijd beter dan anderen. De meeste ouders vinden dat ze het zelf vrij aardig doen. Maar over andere ouders zijn we een stuk kritischer. Andermans kinderen zijn te brutaal, asociaal, stiekem en ongehoorzaam. En die vervelende kinderen zijn natuurlijk nooit van jezelf. Nee, die ouders….

Ik ben best een goede vader (en opa), denk ik. Toch realiseer ik mij dat het opvoeden van de (klein-)kinderen een opgave was en is, die ik nooit alleen tot een goede einde brengen kon of kan. Niet, omdat ik het niet wil, maar omdat het niet kan!

Als ouder moet je  vooral niet op een voetstuk gaan staan. Een deel van de opvoeding moet je (willen) toevertrouwen aan vakmensen als kinderdagverblijfleidsters, juffen, meesters en grootouders. Dat is heilzamer voor iedereen!

Bovenstaande mijmeringen doken afgelopen dagen op toen ik kennis nam van het verslag van het congres ‘Werk maken van MeeleefGezinnen’ in Doorn (april 2019). Een meeleefgezin is méér dan een logeeradres. Meeleefgezinnen bieden de mogelijkheid de zorg voor je kind te delen.

Sommige kinderen hebben extra of andere aandacht nodig. Ouders kunnen daarbij tegen grenzen aan lopen. Omdat thuis bijvoorbeeld de verhoudingen scheef groeien. Of als dat ten koste gaat van henzelf, van de andere kinderen, van het gezin. Dan is het hebben van een Meeleefgezin verdraaid prettig. Het kind groeit dan op in twee gezinnen, die eendrachtig samenwerken. Beide zijn een thuis voor het kind. Ze vullen elkaar aan en versterken elkaar. De samenstelling van het meeleefgezin maakt niet uit en ook de leeftijd doet niet ter zake. Dit levert een meervoudige winsituatie op: het kind kan in gezinsverband opgroeien, de ouders worden ontlast en het meeleefgezin krijgt een boeiende extra taak. Het is naast een hele mooie, niet nieuwe gedachte.

Zelf ben ik ‘er een van twaalf’. Oftewel: ik kom uit een groot gezin. Negen broers en twee zussen. Niet zelden echter zaten er vroeger bij ons thuis meer dan twaalf kinderen aan tafel. Dat bleken – achteraf – kinderen die mijn vader (meester aan de lagere school) meenam naar huis. Omdat het – vriendelijk gezegd – bij hen thuis even niet meer ging. Soms bleef het bij één keer mee-eten. Anderen schoven regelmatig aan en weer anderen bleven af en toe of voor langere tijd een nachtje bij ons slapen. Het omgekeerde gebeurde overigens ook. Een van mijn broers heeft zo in zijn puberjaren een langere periode bij onze buren gewoond. Gewoon, omdat het tussen hem en mijn ouders niet liep zoals zij dat – over en weer – wensten of verwachten. En dat leverde destijds forse confrontaties op. Waar het thuis over de kleinste dingen uit de hand kon lopen, wisten de buren mijn broer precies dat te bieden en te laten doen wat nodig was.

Opvoeden doe je niet alleen. Weet ik ook uit eigen ervaring. Mijn zoon heeft een goede kop met hersens. Maar in zijn  puberjaren waren er naast de studie heel wat andere zaken die – in zijn ogen – net zo, zo niet belangrijker waren. Met de nodige onenigheid – en dus spanningen – over huiswerk maken, thuiskomen, enzovoort als gevolg. Dat het uiteindelijk toch goed gekomen is, hebben wij meer te danken aan ‘ome Dirk’ (eigenaar van een grond- weg- en waterbouwbedrijf) dan aan onze eigen opvoedvaardigheden. Zo vertelde onze zoon ons toen hij afgestudeerd was als ingenieur weg- en waterbouw. “Als ik met slechte schoolresultaten was thuisgekomen, had ik dat vervelend voor jullie gevonden. Maar Ome Dirk, die zou mij met een eind hout achterna gekomen zijn….” Achteraf kan ik makkelijk zeggen dat het simpel en logisch was of is, maar  die paar extra (vreemde, maar betrokken) ogen, die van een afstandje meekeken, boden hem en ons meer dan alleen een uitkomst.

In mijn dagelijks werk kom ik ze vaker tegen: ouders die – net als ik ooit –  bang zijn om te falen. Een derde van de Nederlandse ouders denkt zelfs ronduit tekort te schieten in de opvoeding van zijn of haar kinderen. De ouders voelen daarnaast een zware verantwoordelijkheid voor het zelfvertrouwen van hun kinderen, de psychische en lichamelijke gezondheid, de schoolcarrière en maatschappelijk succes. De ruime meerderheid van de opvoeders is bezorgd over het feit dat hun kind opgroeit in een samenleving die verhardt en steeds agressiever wordt. Het overgrote deel van hen vindt het ouderschap vermoeiend en ervaart het als uitermate stressvol. Ze hebben regelmatig het gevoel de opvoeding niet goed te doen. Dit gevoel van verantwoordelijkheid weegt zwaar. Soms zo zwaar, dat ouders vervolgens precies dat doen wat ze beter niet zouden doen: van alles een probleem maken. Met soms heel het gezin ontwrichtende gevolgen van dien.

Meeleefouders kunnen voor ouders zowel als kinderen een verademing zijn. Omdat er heel veel soorten regels, afspraken en gewoonten zijn die kunnen verschillen per gezin en huishouden. De aanpak van de een past nu eenmaal beter dan de aanpak van een ander. Juist dat maakt een MeeleefGezin zo interessant. Je faalt niet als ouder als je anderen bij de opvoeding van jouw kinderen betrekt. Integendeel. Het is daarmee een meer dan goed alternatief voor residentiele jeugdhulp. Waar kinderen in de knel vooral kennismaken met andere kinderen in de knel.

Kinderen opvoeden is geen sinecure. En superhelden (ook bekend als ‘ouders’) zijn opvoeders ook niet. Opvoeden is samenspel. Tussen ouders en kinderen, maar ook tussen ouders onderling en tussen ouders en grootouders, leerkrachten, kinderverzorgsters, buren, meeleef- steun of logeer-gezinnen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden