Niet samen staken, maar samenwerken!

samen staken of.png

  • Ik blijf het toch zeggen…

De vakbonden sloten onlangs een akkoord met minister van Onderwijs. Desondanks kwam de achterban in opstand, en er werd (weer) gestaakt. De 460 miljoen extra die voor het onderwijs werd toegezegd is volgens docenten en bonden niet voldoende. Volgens hen is er jaarlijks 423,5 miljoen euro extra nodig. Het grootste gedeelte van dat geld, ruim 241 miljoen euro, moet volgens hen naar het basisonderwijs. Met dat geld kan de werkdruk worden verlaagd door meer leraren aan te trekken en kunnen de salarissen worden verhoogd. Ook leraren in het voortgezet onderwijs hebben last van een hoge werkdruk. Om dat te beperken, is ook meer geld nodig. Daarnaast willen leraren dat er voldoende geld beschikbaar wordt gesteld om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren.

In dezelfde week pleit Jeugdzorg Nederland voor extra financiële middelen op de korte om de caseload structureel te verlagen. Oftewel: er moeten mensen bij.

Twee beroepsgroepen die zich, samen met ouders en andere opvoeders ontfermen over de (toekomst en ontwikkeling van) onze jeugd vragen beiden om forse financiële investeringen. Met name om de werkdruk te verlagen. Kleinere klassen en meer tijd voor aandacht. Het zijn idealen die mij uit het hart gegrepen zijn.

De wensen en claims van onderwijsgevenden en jeugdhulpverleners roepen echter ook vragen op. De krapte op de arbeidsmarkt in de onderwijs-, jeugd- en zorgsector is urgent en dagelijks voelbaar. Als er geen maatregelen worden genomen, is over een aantal jaar een tekort van 100.000 tot 125.000 professionals. Vacatures zijn niet alleen lastig te vervullen vanwege (gelukkig!) de economische voorspoed. Door deze tekorten sprake is van een te hoge werkdruk. Tegelijkertijd is het uitgesloten dat wij in een zo overspannen arbeidsmarkt voor meer dan een miljard aan nieuwe arbeidskrachten vinden. Of wij moeten ze importeren.

Extra geld voor onderwijs, jeugdhulp en zorg zal het probleem dus niet oplossen. Eerder zal het de frustratie doen toenemen. Er is wel geld, maar geen mens is geinteresseerd in het werk. Het gevolg zal zijn dat uitzend- en detacheringsbureaus en zzp’ers handig inspringen op het tekort. Ze vullen – tegen hogere tarieven – de lege plekken op. Met niet alleen een verder oplopende kloof in de honorering, maar ook afnemende kwaliteit en continuïteit als resultaat. De roep om meer geld is helemaal niet zo logisch als het wel lijkt.

George Brouwer, een oud-gedeputeerde voor onder andere de jeugdhulp in Zuid-Holland leerde mij als wethouder (1994 – 1998) ooit een belangrijke les. Eindeloos schaven aan voorstellen tot iedereen tevreden is, werkt niet. Wissel (politieke) wensen uit. Het is een wijze raad. Wat ook in het hier voorliggende probleem is niet het gebrek aan geld, maar het gebrek aan samenwerking ons probleem.

Het uitruilen van de wensen van de onderwijs-, jeugd- en zorgsector is niet alleen verstandiger, het is ook vele malen beter voor onze kinderen. Uitruilen heeft grote voordelen. Het leidt tot minder schotten, snellere actie en meer tijd en aandacht tegen – per saldo – lagere kosten.

Voor onze jeugd geven wij – terecht – miljarden uit. Is het niet aan jeugdgezondheidszorg, dan wel aan onderwijs, sport of jeugdhulp. En allemaal claimen zij dat er te weinig middelen zijn om hun doelstellingen op een adequate manier te bereiken. Het onderwijs bijvoorbeeld heeft een ernstig tekort aan leraren. De jeugdhulp op haar beurt barst uit zijn voegen en het Passend Onderwijs wringt. Er zijn veel gelijkluidende knelpunten, met een overeenkomstige roep om meer geld als antwoord op dezelfde behoefte: meer tijd en aandacht voor de kinderen (tegen een eerlijker beloning). Het oplossende antwoord hierop is: sla de handen ineen. Niet door samen te staken, maar door samen te werken.

Samenwerken, in termen van het samengaan van onderwijs en jeugdhulp ligt zo voor de hand, dat wij er overheen of langsheen kijken. Kinderen brengen het grootste deel van hun jeugd door op school en (rondom) thuis. Naast een opvoedplicht voor ouders kennen wij bovendien een leerplicht voor alle jeugdigen tot het 18de levensjaar.  Niet alleen hun doelstellingen zijn dezelfde, maar ook hun belangen zijn gelijk: het bevorderen dat kinderen (en hun ouders) bij het opgroeien, de opvoeding en het onderwijs op een adequate wijze ondersteund, gestimuleerd en gefaciliteerd worden. Zoveel als mogelijk in en samen met de eigen sociale omgeving.

Vaak gaan onderwijs en jeugdhulp over dezelfde jeugdigen. Veel lastige situaties spelen namelijk zowel thuis als op school en in de vrije tijd. Door ons stelsel- en beheer-denken worden zij veelal door verschillende diensten en hulpverleners opgepakt. Wij moeten een eind durven maken aan deze trend van versnippering en verkokering. Door een aanpak waarbij er verbinding wordt gemaakt tussen jeugdhulp en het (passend) onderwijs.

Kleinere klassen, minder werkdruk, effectieve aandacht voor ouders en kinderen en minder jeugdzorg. Het valt allemaal te realiseren. Niet met meer geld, maar vooral door bestaande budgetten slimmer toe te delen. Bijvoorbeeld door een belangrijk deel van de jeugdhulp over te hevelen resp. samen te voegen met het onderwijsbudget. Ouders voeden hun jeugdigen immers niet alleen op. De school, voorzieningen als opvang, jeugdwerk en sport dragen eveneens bij aan de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Die zijn nu – mede door de perverse prikkel van afzonderlijke financieringsstromen – onvoldoende op elkaar gericht.

Onderwijs en jeugdhulp worden alleen beter als wij het lef hebben om de dominante en heersende benadering (geld als de panacee voor onze problemen) te doorbreken. Als wij samen een omgeving scheppen waar waarbinnen advies en ondersteuning voor ouders, kinderen en jongeren niet alleen vanzelfsprekend, maar ook verbonden aan de eigen leefomgeving is. Zonder dat er direct een label opgeplakt moet of wordt. Als wij daarin slagen kunnen wij in plaats van fluiten naar de (boze) overkant weer fluitend naar en aan ons werk!

Kan het? Zeker, als wij elkaar zo gek krijgen het gewoon te doen! (Zie ook: Doe eens gek, doe normaal!). Mijn pleidooi is dan ook dat de ministers van Onderwijs en Jeugdhulp nu eens echt werk maken van het op een andere leest schoeien van de zorg voor onze jeugd. Met het versterken van de eigen verantwoordelijkheid en het probleemoplossend vermogen van ouders en kinderen als doel.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Wie spijbelt er eigenlijk?

spijbelen.png

  • De oplossing is er, maar wij verzuimen ze toe te passen

Minister Slob (Onderwijs) is ontevreden over aantal thuiszitters. Terecht, want er komen steeds weer nieuwe thuiszitters bij. En dus hebben de partijen van het thuiszitterspact (ministeries van OCW, VWS en J&V, VNG, PO-Raad, VO-Raad en Ingrado) afgesproken dat er versneld extra maatregelen komen. Om te voorkomen dat jongeren thuis komen te zitten, of om jongeren die toch thuis te zitten zo snel mogelijk weer het onderwijs in te krijgen. Klinkt allemaal heel verstandig en dapper. Och is het een gotspe.

In een land waarin wij leerplicht kennen voor jongeren vanaf 5 jaar, totdat zij een diploma (startkwalificatie) hebben of 18 jaar worden, moet thuiszitten onbestaanbaar zijn. Toch hebben er in het hele schooljaar 2017-2018 4479 jongeren langer dan drie maanden thuisgezeten. Volgens de officiële cijfers dan en een ‘enge’ definitie van het begrip ‘thuiszitters’. Het ministerie van OCW hanteert voor een thuiszitter de definitie ‘Leerlingen die ingeschreven zijn op school, maar langer dan 4 weken thuiszitten’. Daarnaast is er ‘absoluut verzuim’. Dat zijn leerlingen die wel leerplichtig zijn, maar niet op een school staan ingeschreven en dus niet naar school gaan. Een derde groep zijn leerlingen die zijn vrijgesteld van de leerplicht omdat ze niet in staat zouden zijn tot het volgen van onderwijs. Een vergeten groep van thuiszitters zijn die leerlingen die wel zijn ingeschreven, maar geen onderwijs krijgen en waarvan de school het thuiszitten gemakshalve ontkent. Omdat het óf wel zo makkelijk is, of omdat hun aanwezigheid en gedrag het aanzien van de school kan schaden. Het werkelijke aantal ‘thuiszitters’ ligt dus fors hoger.

Géén thuiszitters meer: dat was en is één van de belangrijke doelstellingen van de invoering van passend onderwijs.

Met de komst van passend onderwijs is de zorgplicht ingevoerd. Deze zorgplicht maakt de school waar een leerling is ingeschreven, verantwoordelijk voor plaatsing en het onderwijs van de leerling. Toch zeggen scholen regelmatig nee zeggen tegen ‘moeilijke’ leerlingen. Zoeken scholen uitvluchten om ‘moeilijke’ leerlingen niet aan te nemen.

Dat het niet altijd makkelijk is voor scholen en onderwijsgevenden om aan de zorgplicht te voldoen begrijp ik. Toch maakt het de uitvluchten niet terecht.

Hebben leerkrachten het ook zonder de komst van ‘moeilijke’ leerlingen dan al niet zwaar genoeg? De onderwijssector is immers al jaren koploper als het gaat om burn-outklachten. Een op de vijf mensen in het onderwijs heeft ermee te maken. Is dat verwonderlijk? Nee! Het onderwijsbeleid wordt steeds meer gedreven door een economische logica waarbij leerkrachten aangemoedigd worden om zo efficiënt en effectief mogelijk te werken en onderworpen aan meer controle en verantwoordingsplicht. Ruimte om les en aandacht te geven aan de leerlingen komt daarbij steeds meer in het gedrang. Zo is er minder ruimte voor het lesgeven en de leerlingen zelf, maar ook voor collegiale relaties en voor het privéleven van de leerkracht. Dit heeft een emotioneel belastende impact op leerkrachten en kan leiden tot burn-outklachten.

Toch meen ik dat wij het paard achter de wagen spannen, wanneer wij deze argumenten accepteren als verklaring voor het probleem van de thuiszitters. Als de disbalans tussen werklast en draagkracht bij de onderwijsgevenden het probleem is, moeten wij niet gaan tornen aan het onderwijsrecht van onze jeugdigen. Dan moeten wij de oorzaken wegnemen. Niet, door het bestaan van ‘moeilijke’ leerlingen te ontkennen, maar door de draagkracht van ons onderwijssysteem te versterken. Juist ook, omdat het de terugkerende dagelijkse problemen met gedragsmoeilijke kinderen zijn die hun burn-outklachten veroorzaken.

Overbelasting is een probleem dat niet uniek is voor het onderwijssysteem alleen. Er zijn veel partijen betrokken bij thuiszitters, ieder met zijn eigen complexe problematiek. De school, het samenwerkingsverband en de leerplichtambtenaar, regelmatig ook jeugdhulp en soms ook justitie. Zij werken allemaal hard aan het oplossen van hun eigen probleem. Zij werken samen zoals velen leven in de grote stad: samen eenzaam!

Onderwijs en Jeugdzorg vragen het Rijk om extra middelen. Beiden ‘claimen’ zo’n 750 miljoen per jaar tekort te komen. Gelden die nodig zijn voor meer en beter gehonoreerd personeel. Zelfs als het Rijk aan deze parallelle claims tegemoet zou komen: waar halen wij in onze overspannen arbeidsmarkt vandaag de dag voor anderhalf miljard nieuwe medewerkers vandaan?

Een passend antwoord op de problemen rond passend onderwijs en passende jeugdhulp is naar mijn mening te vinden als de betrokken ministeries, professionals en hun koepel- en vakorganisaties hun problemen op een hoop gooien en samen oplossen. Als zij nauwer samenwerken kunnen wij kleinere klassen met meer tijd en aandacht voor de leerlingen realiseren. Dan ook kunnen wij – samen met ouders – veel meer uitdagingen rond opvoeden en gedrag in de eigen leefomgeving van kinderen en jeugdigen op- en aanpakken. Wij kunnen dan meer kinderen uit de jeugdhulp gewoon thuis laten wonen en samen met hun buurtgenoten naar school laten gaan.

Kortom: laten wij samen een doorbraak forceren. Door de samenwerking tussen partijen kracht bij te zetten. Niet door elkaars spijbelgedrag te begrijpen en goed te praten, maar door de handen (en de portemonnee) echt ineen te slaan.

  • Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Uit elkaar – en de school dan?

scheiden.png

Verus

Verus in Woerden is de vereniging voor katholiek en christelijk onderwijs in Nederland. Ruim 4000 scholen in het basisonderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs zijn aangesloten. Vanuit het hart inspireert, begeleidt en ondersteunt Verus bestuurders, toezichthouders, schoolleiders, docenten en ouders, zodat de kwaliteit van het onderwijs en daarmee het welzijn van kinderen en studenten verbetert, als dienst aan onze samenleving.

Over het thema school en scheiding maakte Verus een paar handige thema-video’s.

In- en uitschrijven van een leerling

Een gescheiden moeder wil haar kind op school inschrijven, maar ze heeft geen handtekening van haar ex-partner mee. Een vader komt met zijn vriendin naar het oudergesprek. Of de nieuwe partner van een ouder biedt aan bij schoolactiviteiten te helpen. Oh help, wat zijn uw rechten en plichten als school? Wie heeft recht op welke informatie?

Gebiedsverbod

Morgenavond ouderavond. Een moeder stapt woest uw kantoor binnen. Haar ex heeft een gebiedsverbod en rumor has it dat hij naar de ouderavond komt. Wat doet u?

De juristen van Verus wijzen u de weg. Zij speelden diverse situaties voor u uit. In dit filmpje: het Gebiedsverbod

Dit filmpje kwam tot stand met medewerking van Marjolein Triest en Dinja Becude-Voeten van SBO de Horizon.

Omgangsregeling

De ouderavond

Protesteren is niet genoeg

protest.png

  • Een slechte actie vindt altijd goede argumenten

Werkers in de jeugdzorg wordt gevraagd maandag 3 september 2018 je vrij te houden voor een grote jeugdzorgmanifestatie in Den Haag! Waarom? Omdat er een eind moet komen aan de enorme werkdruk en administratieve last. De organiserende vakbond – FNV – eist  minstens € 750 miljoen extra voor de jeugdzorg, minder administratie en minder aanbestedingswaanzin. Tijd om actie te ondernemen!

Sta ik hier achter? Ja, en nee. Het is zeker tijd om in te grijpen! Ik begrijp nut en noodzaak. Voor de toekomst van het vak, voor gezond en prettig werken en voor kwaliteit voor het kind! Maar de eisen – lees oplossingen – die (voor-)gesteld worden, zijn wat mij betreft wel van de nodige kanttekeningen te voorzien.

  1. Regeldruk begint bij vaak bij onszelf

Zeker, de administratieve regeldruk is groot en moet binnen de zorg omlaag. Daarmee ben ik het eens. Een overmaat aan regeldruk kost veel geld, beperkt het werkplezier van medewerkers, leidt tot hogere werkdruk en heeft daarmee een negatief effect op de kwaliteit van en tijd voor zorg.

Ondanks alle initiatieven om de regeldruk terug te dringen, is de administratieve belasting de afgelopen jaren niet aantoonbaar verminderd. Wat zeg ik?  De regeldruk is gestegen, onder meer als gevolg van de decentralisaties in 2015. Maar niet alleen de overheid, uitvoeringsorganisaties en toezichthouders veroorzaken die regeldruk veroorzaken. Zij komt ook voort uit eigen interpretatie van die regels door zorgorganisaties zelf. Bovendien leggen zij zichzelf en haar professionals ook allerlei aanvullende regels op. 80% van de gewraakte regelgeving komt niet van de landelijke overheid, maar wordt in de weg naar en op de werkvloer bedacht door de mensen zelf. Om het voor hen beter beheersbaar te maken.

Mijn advies: bestuur de regels om het beste middel te vinden om ze te overtreden!

  1. Aanbestedingswaanzin: verkeerde mensen vragen verkeerde dingen

Aanbestedingen zijn bedoeld om de beste partij te zoeken voor het leveren van zakelijke producten en diensten. Wie wel eens een aanbestedingsdocument heeft gezien, weet hoeveel werk daarin gaat zitten. 30 tot 50 pagina’s is het minimum. Zo een document wordt vervolgens verspreid onder mogelijke aanbieders, zij krijgen de kans om vragen in te dienen en vervolgens dienen zij een voorstel te schrijven conform een specifiek format. Deze voorstellen wordt vervolgens gewogen tegen vooraf opgestelde criteria en daaruit volgt een keuze voor een aanbieder. Dat lijkt heel eerlijk en efficiënt, maar niets is minder waar. Waar een aanbesteding geschikt kan zijn voor het inkopen van standaardproducten, is het ronduit ongeschikt voor alles waar creativiteit, inzicht en menselijk talent bij nodig is. Na zo’n 40 jaar werken in de zorg weet ik dat de beste ideeën voor ontstaan in dialoog. Juist een diepgaand en goed gesprek over de situatie en wensen voor de toekomst brengt nieuwe inzichten en mogelijkheden naar voren. Dingen die noch de inkopende organisatie noch de aanbieder hadden kunnen bedenken. Dat is bij uitstek iets dat samen, in gesprek moet gebeuren. Hoe eerder in het proces deze dialoog plaatsvindt, hoe beter de oplossingen worden. Een aanbestedingstraject legt de vraag en aanpak eenzijdig en gedetailleerd vast voordat er ruimte is voor een dialoog met de aanbieders. Dit is een verarming van het proces en zorgt voor en minder kwalitatief aanbod dan mogelijk zou zijn met zo een dialoog.

Het beste recept voor een succesvol systeem? Werk samen met partners waarmee je eerder succesvol hebt samengewerkt. En dat kan bij aanbesteden niet, omdat de beste partner op papieren criteria wordt gekozen, met papieren antwoorden, en een technocratische rekensom waar ‘de beste’ uit rolt. (Zie ook: De speld op de mouw regeert)

  1. Geld is niet het grootste probleem, maar ons gebrek aan samenwerking

Het onderwijs heeft een ernstig tekort aan leraren. De jeugdhulp barst uit zijn voegen. Passend onderwijs wringt. Er zijn veel knelpunten bij onderwijs en jeugdhulp. Met een onmiddellijk roep om meer geld als gevolg. Terwijl de oplossing niet ligt in meer geld. De echte oplossing? Sla de handen ineen. Wij hebben samen de opdracht om de verschillende speelvelden met elkaar te verbinden en de plannen over en weer af te stemmen.

Samenwerking ligt voor de hand omdat de doelstelling dezelfde is, namelijk: bevorderen dat kinderen en ouders die behoefte hebben aan hulp bij het opgroeien, de opvoeding en het onderwijs (kosten-)effectiever, sneller en preventiever ondersteuning krijgen. Tegelijkertijd moet er een eind komen aan de explosieve groei van gespecialiseerd onderwijs en gespecialiseerde zorg. Deze hulp moet zoveel mogelijk in en met de eigen sociale omgeving geboden worden. Het aantal hulpverleners met wie ze te maken hebben, wordt tot een minimum beperkt.

Het veronderstelt een transformatie – zoals dat heet – waarbij de eigen verantwoordelijkheid en het probleemoplossend vermogen van ouders en kinderen versterkt worden. Vaak gaan onderwijs en de jeugdzorg over dezelfde jeugdigen. Veel problemen van jeugdigen spelen namelijk zowel thuis als op school als in de vrije tijd, maar worden veelal door verschillende diensten en hulpverleners opgepakt. Wij kunnen, nee moeten een eind maken aan deze versnippering en verkokering. Een integrale aanpak waarbij de verbinding wordt gelegd tussen jeugdhulp en het (passend) onderwijs is een belangrijke randvoorwaarde voor het welslagen van geformuleerde ambities.

Kleinere klassen, minder werkdruk, effectieve aandacht voor ouders en kinderen en minder jeugdzorg. Het valt allemaal te realiseren. Niet met meer geld, maar door bestaande budgetten slimmer toe te delen. Anders gezegd: hevel een belangrijk deel van de jeugdhulp over naar het onderwijs. Ouders voeden hun jeugdigen immers niet in hun eentje op. De school, voorzieningen als opvang, jeugdwerk en sport dragen eveneens bij aan de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Die zijn nu onvoldoende op elkaar gericht/ Kan het? Zeker, als wij elkaar zo gek krijgen het gewoon te doen! (zie ook: Doe eens gek, doe normaal!)

Het risico van de voorgestelde manifestatie is dat het meer van hetzelfde is. Dat de eisen in de postvakjes terecht komen van politici en bestuurders Waarin soortgelijke verzoeken liggen vanuit talloze andere hoeken. Met als resultaat: teleurstelling en energieverlies. Gewoon, omdat niet alle wensen ingewilligd, want betaald kunnen worden. Ik ben niet tegen actie. Maar protesteren is niet genoeg. Natuurlijk, voor elke actie vinden wij altijd wel goede argumenten. Maar de beste actie is dat te doen wat haalbaar is en beter voor onze toekomst!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Monstertjes hebben ouders….

bully parants.png

  • Geluk komt van aandacht, ongeluk van verwaarlozen

Dit wordt geen leuke blog om te lezen. Althans, als u ook een van ‘afwezige’ ouders bent. Ouders die geen tijd meer hebben of maken om vanaf het prilste begin genoeg tijd met hun kinderen door te brengen. Als u zo’n terugtrekkende ouder bent, die wel de ‘lusten’, maar niet de ‘lasten’ wil van het hebben van kinderen. Zo’n vader of moeder die zich met alle energie op werk, carrière en het betalen van hypotheek, vakanties en spullen stort, en steeds minder in zijn of haar kinderen investeert. Met (een deel van hen) heb ik namelijk een stevig appeltje te schillen.

Schreeuwende, rond rennende kinderen in een restaurant en ouders die er lachend en vertederd naar te kijken. Kinderen die brutaal alles vragen wat ze willen weten en geen ouder die hen de mond snoert. Kinderen die alles willen hebben en het nog krijgen ook. Niets moet, alles mag, want dat is beter voor… ja, voor wie eigenlijk? Pedagogische weifelachtigheid en gemakzuchtige verwennerij hebben een generatie van onuitstaanbare prinsen en prinsesjes gebaard. Mirjam Schöttelndreier veegde in haar boek “Monsters van kinderen, draken van ouders” (1996) al eens de vloer aan met deze eigentijdse opvoedingsverdwazing. Vergeefs, zo lijkt het anno 2018. Het is tegenwoordig normaal om kinderen al in hun vroegste levensjaren in grote mate aan de zorg van anderen over te laten. Aan grootouders, gastouders, wisselende crècheleidsters en onderwijsgevenden.

Zo leerde mij deze week ook week een krantenbericht (AD). Volgens dat bericht moeten basisscholen in het speciaal onderwijs extra kleuterklassen openen om de toestroom van jonge kinderen met gedragsproblemen aan te kunnen. Volgens diezelfde scholen hebben niet per se die of meer kinderen aandoeningen, maar ontstaat het probleemgedrag met name door complexere thuissituaties: kinderen worden niet goed meer opgevoed.

U kent vast ook die verwende prinsjes en prinsesjes. Kindertjes die zich aan geen enkel gebod wat gelegen laten liggen. Of scholen die kinderen ’s ochtend of ’s middag ‘bijvoeren’ omdat ze thuis niet meer gezond eten.

De ‘losse’ nieuwtjes over deze ontwikkelingen roepen bij mij inmiddels niet allen medelijden of verbazing op. Ze leiden tot regelrechte irritatie. Simpelweg, omdat ze voor mij symbool staat voor een fundamenteel maatschappelijk probleem. Een probleem dat wij met onze jeugdhulp – hoe goed ook bedoeld – eerder dreigen te faciliteren, dan tegen te gaan.

Want laten wij eerlijk zijn: veel van die berichten over drukke, onbeschofte, ongezonde en ongelukkige kinderen hebben vaak te maken met de zich terugtrekkende of afwezige ouder. Ouders die geen tijd meer hebben of maken voor hun kinderen.

Dat is een harde constatering. Ik weet het. Maar het wordt ook tijd dat wij dat weer durven te zeggen. Niet, omdat het moedig is, maar omdat de rechten van onze kinderen daarom vragen!. Ik weet en begrijp dat het vandaag de dag lastig is om dit onderwerp te bespreken. Als ouders dit als aanval opvatten, dan zij het zo. Ik ga er dan vanuit dat zij de door mij aangereikte schoen passen. Mij gaat het maar om één ding: het belang van het kind. Ik wil iedereen aansporen n aanspreken dat belang nu eens als vertrekpunt te nemen.

Wat ik – helaas – te vaak en toenemend zie, is dat ouders de focus op zichzelf leggen en de kinderen ‘erbij’ doen. De leuke dingen, ja die horen bij hen. Maar de opvoeding? Dat is iets wat ze steeds meer zien als de taak van een ander. Met als resultaat dat ouders ’s avonds of in het weekeinde hun kinderen droppen bij een sportclub, zodat zij zelf ‘rustig’ boodschappen kunnen doen. Of ouders die hun kinderen uren met de tablet of computer laten spelen, omdat zij er dan in ieder geval geen last van hebben en hun eigen ding kunnen doen. Tijd voor je kind is niet meer logisch of vanzelfsprekend. Sterker nog, wij noemen het ‘qualitytime’.

Die verfoeilijke ouderlijke afwezigheid leidt tot een onleefbare samenleving met een onopgevoede generatie. En dan gaat het niet alleen om egoïstische en brutale kinderen, maar ook om stille binnenvetters. Het gebrek aan ouderlijke aandacht kweekt kinderen die permanent negatieve aandacht vragen, maar ook kinderen die fundamenteel onzeker in het leven staan. Kinderen zijn vaak een hele goede spiegel van ons functioneren als ouder. Schreeuwen ze, zijn ze gestrest, gedragen ze zich egoïstisch? Dan hebben ze het hoogstwaarschijnlijk van ons. Wat wij als ouders voorleven, dat doen zij na.

Daarom is mijn pleidooi: Laten wij onze kinderen weer op de eerste plaats zetten, en ons vanaf de wieg weer over hen ontfermen.  Daar, en door ons wordt een basis gelegd voor het gevoel van veiligheid en geborgenheid. Dáár leert een kind cruciale dingen als eten, spelen, zich sociaal gedragen.

En wij, overheid en hulpverleners, moeten stoppen met het faciliteren van de onwillige ouders.  Wij moeten vaders en moeders weer durven aanspreken op hun eigen opvoedingsverantwoordelijkheid. Want kinderen hebben is superleuk, geweldig, gezellig. Maar…je kunt als ouders alleen een kinderen wensen en opvoeden als je daar zelf voor de volle 100% achter staat. Want laten we eerlijk zijn. Een kind krijgen en opvoeden is een hele verantwoordelijkheid. En jij, als ouder, jij blijft altijd eindverantwoordelijke als ouder. Kies daar dus ook voor.

Laten wij die draken van ouders een halt toeroepen. Ouders die te aarzelend en gemakzuchtig om zich als ouder te gedragen, te tolerant en daardoor onmachtig. Ouders die weigeren echt volwassen te worden. Ouders die zo nodig tijd voor zichzelf willen hebben, niet geclaimd willen worden, en niet kunnen wachten tot hun kinderen groot zijn.

Dat heeft niks met ouderwets denken te maken. Het heeft te maken met de constatering dat ouders tegenwoordig wel kinderen willen, maar er nauwelijks tijd voor willen maken. En dat kan niet. Een kind is geen ding dat je af en toe tevoorschijn haalt en weer wegstopt als het niet goed uitkomt. Het is geen speeltje of statussymbool. Een kind verdient aandacht, liefde, tijd. Daar gaat het mij om. Om de basale rechten van een kind dat er zijn mag en niet vraagt om een vorm van gesubsidieerde opvang in een instituut dat – met de beste bedoelingen – juist de kinderverwaarlozing mogelijk maakt. Laten we daarin weer eens investeren. In elkaar en in onze kinderen. Daar wordt iedereen beter van.

De eerste stap? Begin eens klein. Door bijvoorbeeld ’s ochtends rustig met je kinderen aan tafel te ontbijten en te praten. Zet die wekker eerder, en doe het, elke dag. Of lees je kinderen eens zelf voor, in plaats van ze ‘met de tablet’ te laten inslapen. Zo geven wij onze kinderen aandacht en liefde mee, is plaats van een dossier van een kinderopvangorganisatie.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

 

 

Doe eens gek; doe normaal!

kleine klas.png

  • Kan ik u zo gek krijgen gewoon te doen?

Het onderwijs heeft een ernstig tekort aan leraren. De jeugdhulp barst uit zijn voegen. Passend onderwijs wringt. Er zijn veel knelpunten bij onderwijs en jeugdhulp. Met een onmiddellijk roep om meer geld als gevolg. Terwijl de oplossing niet ligt in meer geld. De echte oplossingen ligt in het met elkaar verbinden van deze problemen. Kleinere klassen, minder werkdruk, effectieve aandacht voor ouders en kinderen en minder jeugdzorg. Het valt allemaal te realiseren. Niet met meer geld, maar door bestaande budgetten slimmer toe te delen.

Ik pleit voor een trendbreuk. Maak jeugdhulp structureel – en daarmee vanzelfsprekend – onderdeel van de ondersteuningsstructuur op school. Anders gezegd: hevel een belangrijk deel van de jeugdhulp over naar het onderwijs. Ouders voeden hun jeugdigen immers niet in hun eentje op. De school, voorzieningen als opvang, jeugdwerk en sport dragen eveneens bij aan de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Die zijn nu onvoldoende op elkaar gericht.

Veel problemen in het leven van mensen hebben hun wortels in de jeugd. Het tijdig signaleren van (het ontstaan van) deze problemen en het bieden van de benodigde ondersteuning of zorg aan kinderen, jongeren en hun ouders kan dat vaak voorkómen. Dat weten we al jaren.

Zeker, dat begint bij ouders die het beste willen voor hun zoon of dochter. En ja, de meeste jeugdigen in Nederland ontwikkelen zich zonder al te veel problemen tot autonome en sociale volwassenen die een positieve bijdrage leveren aan de samenleving. Omdat de ouders het opvoeden met vallen en opstaan leren en toepassen en als opvoeder met hun kind meegroeien.

Soms echter lukt dat niet. Omdat ouders en/of hun jeugdigen uit het evenwicht geraken, doordat er binnen het gezin of de omgeving sprake is van bijzondere omstandigheden. Eigenschappen van jeugdigen en ouders en/of kenmerken van de omgeving kunnen het gezinsleven en/of het proces van opgroeien en opvoeden extra belasten. Eén enkel probleem vormt meestal nog geen al te groot risico. Lastiger wordt het als er meer aan de hand lijkt. Als problemen en stressfactoren voor en bij ouders en/of jeugdigen toenemen, neemt de draagkracht om de daaraan verbonden opgave zelf aan te kunnen echter vaak evenredig af. Terwijl juist dan de sociale steun van de directe omgeving – in de  vorm van tijd en aandacht – de belangrijkste factor is.

En wat hebben wij gedaan? Wij hebben die ondersteuning – met de beste bedoelingen – kapot gesegmenteerd. Naast het op grote schaal werken aan ‘storingsvrije kinderen’ heeft dit een tendens tot gevolg om uitdagingen in opvoeding en onderwijs psychopathologisch te definiëren. En we praten dientengevolge over gedrag van kinderen in termen van ADHD, autisme, depressie. Als je problemen hebt met je kind omdat het zich afwijkend gedraagt en je hebt daar een label voor – Asperger, ADHD, ODD – dan is het een probleem van het kind geworden. Dat is het beeld dat wij hebben geconstrueerd. De hoeveelheid en kringen van professionals rondom ouders en jeugdigen zijn daardoor in de loop der jaren stevig gegroeid. Net zo goed als de systemen (toegangspoortjes) die erop gericht zijn om dat tegen te gaan.

Terwijl veel ‘problemen’ heel normaal zijn. Somberheid, angst, druk gedrag, tegendraadsheid, agressie, het zijn tot op zekere hoogte normale verschijnselen bij jeugdigen. Veel van deze problemen zijn gebonden aan de ontwikkelingsfase waarin jeugdigen zich bevinden.

Hoe graag wij dat misschien ook willen geloven: de problemen met de jeugd nemen niet echt toe. Alle indicatoren die iets zeggen over hun welbevinden, hun (psychische) gezondheid, de criminaliteit, het middelengebruik en de schoolprestaties staan in het groen (Sleeboom, Hermanns, & Hermanns, 2010; Landelijke Jeugdmonitor 2016). Wat het werkelijke probleem is, is onze (professionele) handelingsverlegenheid. Ons gebrek aan tijd en aandacht.

Kinderen die op de basisschool les krijgen in kleinere klassen blijken later beter te presteren en hebben minder gedragsproblemen. Resultaten elders zijn daarover kristalhelder: Kinderen in kleine klassen rekenen en lezen niet alleen beter. Kleine klassen blijken ook een goed middel tegen ongelijkheid. Onderzoek leert dat de leerlingen die in kleinere klassen zitten minder vaak in de jeugdcriminaliteit belanden, een lager percentage tienerzwangerschappen kennen, vaker een  startkwalificatie halen, vaker een vervolgopleiding doen en slagen., naar betere universiteiten gaan, meer spaargeld hebben, vaker een huwelijkspartner vinden, in betere wijken wonen en vaker een eigen huis hebben. Keer op keer blijkt hetzelfde. Kinderen uit kleinere klassen scoren beter op zowel cognitieve als non-cognitieve vaardigheden. Migrantenkinderen en kinderen van minderbedeelde ouders boeken zelfs de meeste ‘leer’-winst als de klassen kleiner zijn. Dat heeft een positief effect op hun hele latere leven. Onderzoeken daarover (Tennessee, Zweden, Israël, Amerika)  laten geen ruimte voor twijfel.

Leraren en jeugdhulpverleners zal dat niet verbazen. Beiden weten wat werkelijk werkt: tijd en aandacht. En juist over gebrek aan tijd en aandacht klaagt het onderwijs. Daarover klaagt ook de jeugdhulp. Beiden willen dat oplossen door meer van hetzelfde te bieden. Terwijl de oplossing naar mijn mening niet vraagt om meer, maar om anders! Als onderwijs en jeugdhulp de handen in elkaar slaan, zijn kleinere klassen (in liefst kleinere scholen) mogelijk met meer ruimte om tijd en aandacht te geven aan jeugdigen.

Ouders hebben dan ook – veel meer dan nu het geval is – de gelegenheid krijgen om dicht bij huis, in hun eigen buurt, hulp en advies bij opvoedingsvraagstukken te vragen. Dat hoeft niet altijd bij professionals te gebeuren. De opgave is om te zorgen dat wat normaal is, ook weer de gewoonste zaak van de wereld is. Het moet niet alleen. Het kan ook. Zonder dat de sluizen van de Nederlandse Bank opengezet moeten worden. Als onderwijs en jeugdhulp de krachten bundelen kunnen zij niet alleen de  ervaren werkdruk laten kantelen naar werkplezier. Zij kunnen elkaar ook ontzorgen en versterken. Met beter onderwijs en betere jeugdhulp als uitkomst! Kan ik u zo gek krijgen dat gewoon te doen?

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Afstemming: Een polderwoord om (in) te verzuipen

integraal kindcentrum.jpeg

  • Jeugdhulp en (Passend) onderwijs: van afstemmen naar samen optreden

Kleinere klassen, minder werkdruk, effectieve aandacht voor ouders en kinderen. Het valt allemaal te realiseren. Niet met meer geld, maar door bestaande budgetten slimmer toe te delen. Ik pleit daarom voor een verdergaande stap: maak jeugdhulpverlening structureel – en daarmee een vanzelfsprekend – onderdeel van de ondersteuningsstructuur op school. Oftewel: hevel een belangrijk deel van de jeugdhulp over naar het onderwijs. Ouders voeden hun jeugdigen immers niet in hun eentje op. De school en voorzieningen als opvang, jeugdwerk en sport dragen eveneens bij aan de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Die zijn nu onvoldoende op elkaar gericht. Het stevig pedagogisch fundament, een gedeelde visie op de ontwikkeling en opvoeding van de jeugd binnen en buiten de school – en op de daaruit voortvloeiende taken van ouders, betrokken professionals en hun instituties – ontbreekt daardoor.

Veel problemen in het leven van mensen hebben hun wortels in de jeugd. Het tijdig signaleren van (het ontstaan van) deze problemen en het bieden van de benodigde ondersteuning, hulp of zorg aan kinderen, jongeren en hun ouders kan dat vaak voorkómen. Dat weten we al jaren. Dat begint bij ouders die het beste willen voor hun zoon of dochter. En ja, de meeste jeugdigen in Nederland ontwikkelen zich zonder al te veel problemen tot autonome en sociale volwassenen die een positieve bijdrage leveren aan de samenleving. Omdat de ouders het opvoeden met vallen en opstaan leren en toepassen en als opvoeder met hun kind meegroeien.

Soms echter lukt dat niet. Omdat ouders en/of hun jeugdigen uit het evenwicht geraken, doordat er binnen het gezin of de omgeving sprake is van bijzondere omstandigheden. Eigenschappen van jeugdigen en ouders en/of kenmerken van de omgeving kunnen het gezinsleven en/of het proces van opgroeien en opvoeden extra belasten. Eén enkel probleem vormt meestal nog geen al te groot risico. Lastiger wordt het als er meer aan de hand lijkt. Als problemen en stressfactoren voor en bij ouders en/of jeugdigen toenemen, neemt de draagkracht om de daaraan verbonden opgave zelf aan te kunnen echter vaak evenredig af.

Terwijl juist dan de sociale steun van de directe omgeving de belangrijkste factor is, hebben wij die ondersteuning in de afgelopen jaren – met de beste bedoelingen – kapot gesegmenteerd. Door zorg en goede bedoelingen meer en meer te vertalen in psychopathologie, ontwikkelingsstoornissen, handicaps en/of disfunctionele gezinsinteracties. De hoeveelheid en kringen van professionals rondom ouders en jeugdigen zijn daardoor in de loop der jaren stevig gegroeid. Terwijl veel ‘problemen’ heel normaal zijn. Somberheid, angst, druk gedrag, tegendraadsheid, agressie, het zijn tot op zekere hoogte normale verschijnselen bij jeugdigen. Veel van deze problemen zijn gebonden aan de ontwikkelingsfase waarin jeugdigen zich bevinden.

Taboeonderwerpen in de persoonlijke levenssfeer uitgezonderd willen en proberen bijna alle ouders hun vragen, onzekerheden of problemen (in eerste instantie) in hun directe, persoonlijke omgeving en netwerk op te lossen. Vrienden, familie, buren, lotgenoten zijn meestal de eersten die geraadpleegd worden; of met wie de zorgen gedeeld worden (Snijders, 2006; SCP, 2011). Pas daarna komen andere opvoeders en zorgverleners in beeld, met de huisarts vaak voorop. Daarnaast neemt men ook de leerkracht, de peuterspeelzaalleidster en de jeugdarts of jeugdverpleegkundige in vertrouwen. In een nog later stadium worden pedagogen, CJG-medewerkers, jeugdzorg of maatschappelijk werk genoemd als professionals waarbij men hulp zoekt (Snijders, 2006; Hoogenboezem en Van der Meer, 2009; Diekstra c.s., 2010). Ouders hebben – zo blijkt – vooral behoefte aan een ondersteuner die respect heeft voor de ervaringsdeskundigheid van de ouder. En aan communicatie die vooral gericht is op wederzijdse uitwisseling.

Ouders en jeugdigen willen de ondersteuning in de vorm van een flexibele en efficiënte dienstverlening. Op basis van gelijkwaardige samenwerking tussen professionals en ouders. Met heldere en eenduidige adviezen, die hen in hun rol positief bekrachtigen. Die adviezen moet dan bij voorkeur adviezen op maat zijn: adviezen die passen bij hun kind, aansluiten op de opvoedvisie van de ouders en toepasbaar zijn in hun specifieke situatie. Daarbij (en daarom?) blijkt de weg van steeds meer en zwaardere interventies niet tot de gewenste resultaten te leiden (Hermanns, 2009 – ‘het opvoeden verleerd’).

Ouders moeten veel meer dan nu het geval is de gelegenheid krijgen om dicht bij huis, in hun eigen buurt, hulp en advies bij opvoedingsvraagstukken te vragen. Dat hoeft niet altijd bij professionals te gebeuren. De opgave is om te zorgen dat wat normaal is, ook weer de gewoonste zaak van de wereld te laten zijn. Het moet dus anders: meer in de directe omgeving en nabijheid van kind en gezin. De stelselwijzingen in het kader van passend onderwijs en de transitie jeugdzorg bieden daarvoor een unieke kans. Niet alleen voor ouders en hun jeugdigen. Maar ook voor onderwijsgevenden en professionele hulpverleners. Met gebundelde krachten kunnen zij de vaak ervaren werkdruk laten kantelen naar werkplezier. Door elkaar te ontzorgen en te versterken.

Wij weten dat de jeugdgezondheidszorg een zeer hoog bereik heeft. Van circa 100% onder 0 jarigen naar ruim 84% onder 4 jarigen (CBS, 2010e). Jeugdigen van 5 tot 16 jaar zijn leerplichtig. Zij moeten naar school. Zo kunnen zij zich voorbereiden op de maatschappij en de arbeidsmarkt. Jongeren die na hun 16e nog geen startkwalificatie hebben, moeten tot hun 18e onderwijs volgen. In principe heeft het onderwijs daarmee een bereik van 100% van alle jeugdigen.

Schoolbesturen en gemeenten moeten dit bereik benutten. Door de verschillende speelvelden daadwerkelijk met elkaar te verbinden. Niet door afstemming, maar door krachtenbundeling. Juist aan de prachtig afgestemde grenzen is er vaak geen sprake van doorgaande lijnen en zijn de aansluitingen slecht. Het ‘op overeenstemming gericht overleg’ dat samenwerkingsverbanden en gemeenten moeten voeren, is te vrijblijvend om tot inhoudelijke samenwerking en normalisering te komen. Want, hoewel wij al jaren streven naar een meer samenhangend aanbod van voorzieningen voor jongeren en een betere verbinding tussen onderwijs en jeugdhulpverlening, laat de samenwerking nog steeds te wensen over. Onderwijs- en jeugdhulpverleningsprofessionals zijn over en weer vaak beperkt op de hoogte van de wederzijdse vormen van ondersteuning en begeleiding die ingezet worden om de ontwikkeling van een jongere te stimuleren. Daardoor krijgen kinderen en jongeren nog te weinig het meest passende aanbod zo dicht mogelijk bij hun eigen omgeving.

Stimulering, ondersteuning en zorg zo dicht mogelijk bij het kind georganiseerd en genormaliseerd, kan ervoor zorgen dat er meer en betere aandacht is voor de context waarin een kind opgroeit. Denk aan de gezinssituatie, het onderwijs- en didactische systeem, de sfeer in de klas, de dynamiek in de vriendengroepen, het mediagebruik van jeugdigen, passende vrijetijdsbesteding etc. Omdat de interactie met hun omgeving bij de analyse en aanpak van de uitdagingen die jeugdigen ervaren van groot belang is, moet het proces van opvoeden en opgroeien zo ingericht worden dat er een ongedeeld primair proces ontstaat.

Bundeling van opdrachtgeverschap – en daarmee krachten, budgetten en mandaten – zorgt voor de daarvoor benodigde ruimte. Zo ook kunnen ‘problemen’ eerder worden gesignaleerd en kan meer directe hulp worden geboden, waarmee wij vaker kunnen voorkomen dat de problemen verergeren.

En ja, ook dan blijft er altijd jeugd die specialistische zorg of ondersteuning nodig heeft. Maar, zoals Jo Hermanns vaak (terecht) oproept: “Kinderen moeten weer opgevoed worden en niet te snel behandeld. Ouders moeten gesteund worden en niet te snel naar een “gedragsmanagement programma” gestuurd worden. Scholen moeten de moeilijkste kinderen niet ervaren als een last maar juist als een professionele uitdaging. Burgers in het publieke domein zouden weer plezier in kinderen op straat moeten krijgen en zich mede verantwoordelijk moeten voelen voor hun welzijn.”