Protesteren is niet genoeg

protest.png

  • Een slechte actie vindt altijd goede argumenten

Werkers in de jeugdzorg wordt gevraagd maandag 3 september 2018 je vrij te houden voor een grote jeugdzorgmanifestatie in Den Haag! Waarom? Omdat er een eind moet komen aan de enorme werkdruk en administratieve last. De organiserende vakbond – FNV – eist  minstens € 750 miljoen extra voor de jeugdzorg, minder administratie en minder aanbestedingswaanzin. Tijd om actie te ondernemen!

Sta ik hier achter? Ja, en nee. Het is zeker tijd om in te grijpen! Ik begrijp nut en noodzaak. Voor de toekomst van het vak, voor gezond en prettig werken en voor kwaliteit voor het kind! Maar de eisen – lees oplossingen – die (voor-)gesteld worden, zijn wat mij betreft wel van de nodige kanttekeningen te voorzien.

  1. Regeldruk begint bij vaak bij onszelf

Zeker, de administratieve regeldruk is groot en moet binnen de zorg omlaag. Daarmee ben ik het eens. Een overmaat aan regeldruk kost veel geld, beperkt het werkplezier van medewerkers, leidt tot hogere werkdruk en heeft daarmee een negatief effect op de kwaliteit van en tijd voor zorg.

Ondanks alle initiatieven om de regeldruk terug te dringen, is de administratieve belasting de afgelopen jaren niet aantoonbaar verminderd. Wat zeg ik?  De regeldruk is gestegen, onder meer als gevolg van de decentralisaties in 2015. Maar niet alleen de overheid, uitvoeringsorganisaties en toezichthouders veroorzaken die regeldruk veroorzaken. Zij komt ook voort uit eigen interpretatie van die regels door zorgorganisaties zelf. Bovendien leggen zij zichzelf en haar professionals ook allerlei aanvullende regels op. 80% van de gewraakte regelgeving komt niet van de landelijke overheid, maar wordt in de weg naar en op de werkvloer bedacht door de mensen zelf. Om het voor hen beter beheersbaar te maken.

Mijn advies: bestuur de regels om het beste middel te vinden om ze te overtreden!

  1. Aanbestedingswaanzin: verkeerde mensen vragen verkeerde dingen

Aanbestedingen zijn bedoeld om de beste partij te zoeken voor het leveren van zakelijke producten en diensten. Wie wel eens een aanbestedingsdocument heeft gezien, weet hoeveel werk daarin gaat zitten. 30 tot 50 pagina’s is het minimum. Zo een document wordt vervolgens verspreid onder mogelijke aanbieders, zij krijgen de kans om vragen in te dienen en vervolgens dienen zij een voorstel te schrijven conform een specifiek format. Deze voorstellen wordt vervolgens gewogen tegen vooraf opgestelde criteria en daaruit volgt een keuze voor een aanbieder. Dat lijkt heel eerlijk en efficiënt, maar niets is minder waar. Waar een aanbesteding geschikt kan zijn voor het inkopen van standaardproducten, is het ronduit ongeschikt voor alles waar creativiteit, inzicht en menselijk talent bij nodig is. Na zo’n 40 jaar werken in de zorg weet ik dat de beste ideeën voor ontstaan in dialoog. Juist een diepgaand en goed gesprek over de situatie en wensen voor de toekomst brengt nieuwe inzichten en mogelijkheden naar voren. Dingen die noch de inkopende organisatie noch de aanbieder hadden kunnen bedenken. Dat is bij uitstek iets dat samen, in gesprek moet gebeuren. Hoe eerder in het proces deze dialoog plaatsvindt, hoe beter de oplossingen worden. Een aanbestedingstraject legt de vraag en aanpak eenzijdig en gedetailleerd vast voordat er ruimte is voor een dialoog met de aanbieders. Dit is een verarming van het proces en zorgt voor en minder kwalitatief aanbod dan mogelijk zou zijn met zo een dialoog.

Het beste recept voor een succesvol systeem? Werk samen met partners waarmee je eerder succesvol hebt samengewerkt. En dat kan bij aanbesteden niet, omdat de beste partner op papieren criteria wordt gekozen, met papieren antwoorden, en een technocratische rekensom waar ‘de beste’ uit rolt. (Zie ook: De speld op de mouw regeert)

  1. Geld is niet het grootste probleem, maar ons gebrek aan samenwerking

Het onderwijs heeft een ernstig tekort aan leraren. De jeugdhulp barst uit zijn voegen. Passend onderwijs wringt. Er zijn veel knelpunten bij onderwijs en jeugdhulp. Met een onmiddellijk roep om meer geld als gevolg. Terwijl de oplossing niet ligt in meer geld. De echte oplossing? Sla de handen ineen. Wij hebben samen de opdracht om de verschillende speelvelden met elkaar te verbinden en de plannen over en weer af te stemmen.

Samenwerking ligt voor de hand omdat de doelstelling dezelfde is, namelijk: bevorderen dat kinderen en ouders die behoefte hebben aan hulp bij het opgroeien, de opvoeding en het onderwijs (kosten-)effectiever, sneller en preventiever ondersteuning krijgen. Tegelijkertijd moet er een eind komen aan de explosieve groei van gespecialiseerd onderwijs en gespecialiseerde zorg. Deze hulp moet zoveel mogelijk in en met de eigen sociale omgeving geboden worden. Het aantal hulpverleners met wie ze te maken hebben, wordt tot een minimum beperkt.

Het veronderstelt een transformatie – zoals dat heet – waarbij de eigen verantwoordelijkheid en het probleemoplossend vermogen van ouders en kinderen versterkt worden. Vaak gaan onderwijs en de jeugdzorg over dezelfde jeugdigen. Veel problemen van jeugdigen spelen namelijk zowel thuis als op school als in de vrije tijd, maar worden veelal door verschillende diensten en hulpverleners opgepakt. Wij kunnen, nee moeten een eind maken aan deze versnippering en verkokering. Een integrale aanpak waarbij de verbinding wordt gelegd tussen jeugdhulp en het (passend) onderwijs is een belangrijke randvoorwaarde voor het welslagen van geformuleerde ambities.

Kleinere klassen, minder werkdruk, effectieve aandacht voor ouders en kinderen en minder jeugdzorg. Het valt allemaal te realiseren. Niet met meer geld, maar door bestaande budgetten slimmer toe te delen. Anders gezegd: hevel een belangrijk deel van de jeugdhulp over naar het onderwijs. Ouders voeden hun jeugdigen immers niet in hun eentje op. De school, voorzieningen als opvang, jeugdwerk en sport dragen eveneens bij aan de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Die zijn nu onvoldoende op elkaar gericht/ Kan het? Zeker, als wij elkaar zo gek krijgen het gewoon te doen! (zie ook: Doe eens gek, doe normaal!)

Het risico van de voorgestelde manifestatie is dat het meer van hetzelfde is. Dat de eisen in de postvakjes terecht komen van politici en bestuurders Waarin soortgelijke verzoeken liggen vanuit talloze andere hoeken. Met als resultaat: teleurstelling en energieverlies. Gewoon, omdat niet alle wensen ingewilligd, want betaald kunnen worden. Ik ben niet tegen actie. Maar protesteren is niet genoeg. Natuurlijk, voor elke actie vinden wij altijd wel goede argumenten. Maar de beste actie is dat te doen wat haalbaar is en beter voor onze toekomst!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.
Advertenties

Monstertjes hebben ouders….

bully parants.png

  • Geluk komt van aandacht, ongeluk van verwaarlozen

Dit wordt geen leuke blog om te lezen. Althans, als u ook een van ‘afwezige’ ouders bent. Ouders die geen tijd meer hebben of maken om vanaf het prilste begin genoeg tijd met hun kinderen door te brengen. Als u zo’n terugtrekkende ouder bent, die wel de ‘lusten’, maar niet de ‘lasten’ wil van het hebben van kinderen. Zo’n vader of moeder die zich met alle energie op werk, carrière en het betalen van hypotheek, vakanties en spullen stort, en steeds minder in zijn of haar kinderen investeert. Met (een deel van hen) heb ik namelijk een stevig appeltje te schillen.

Schreeuwende, rond rennende kinderen in een restaurant en ouders die er lachend en vertederd naar te kijken. Kinderen die brutaal alles vragen wat ze willen weten en geen ouder die hen de mond snoert. Kinderen die alles willen hebben en het nog krijgen ook. Niets moet, alles mag, want dat is beter voor… ja, voor wie eigenlijk? Pedagogische weifelachtigheid en gemakzuchtige verwennerij hebben een generatie van onuitstaanbare prinsen en prinsesjes gebaard. Mirjam Schöttelndreier veegde in haar boek “Monsters van kinderen, draken van ouders” (1996) al eens de vloer aan met deze eigentijdse opvoedingsverdwazing. Vergeefs, zo lijkt het anno 2018. Het is tegenwoordig normaal om kinderen al in hun vroegste levensjaren in grote mate aan de zorg van anderen over te laten. Aan grootouders, gastouders, wisselende crècheleidsters en onderwijsgevenden.

Zo leerde mij deze week ook week een krantenbericht (AD). Volgens dat bericht moeten basisscholen in het speciaal onderwijs extra kleuterklassen openen om de toestroom van jonge kinderen met gedragsproblemen aan te kunnen. Volgens diezelfde scholen hebben niet per se die of meer kinderen aandoeningen, maar ontstaat het probleemgedrag met name door complexere thuissituaties: kinderen worden niet goed meer opgevoed.

U kent vast ook die verwende prinsjes en prinsesjes. Kindertjes die zich aan geen enkel gebod wat gelegen laten liggen. Of scholen die kinderen ’s ochtend of ’s middag ‘bijvoeren’ omdat ze thuis niet meer gezond eten.

De ‘losse’ nieuwtjes over deze ontwikkelingen roepen bij mij inmiddels niet allen medelijden of verbazing op. Ze leiden tot regelrechte irritatie. Simpelweg, omdat ze voor mij symbool staat voor een fundamenteel maatschappelijk probleem. Een probleem dat wij met onze jeugdhulp – hoe goed ook bedoeld – eerder dreigen te faciliteren, dan tegen te gaan.

Want laten wij eerlijk zijn: veel van die berichten over drukke, onbeschofte, ongezonde en ongelukkige kinderen hebben vaak te maken met de zich terugtrekkende of afwezige ouder. Ouders die geen tijd meer hebben of maken voor hun kinderen.

Dat is een harde constatering. Ik weet het. Maar het wordt ook tijd dat wij dat weer durven te zeggen. Niet, omdat het moedig is, maar omdat de rechten van onze kinderen daarom vragen!. Ik weet en begrijp dat het vandaag de dag lastig is om dit onderwerp te bespreken. Als ouders dit als aanval opvatten, dan zij het zo. Ik ga er dan vanuit dat zij de door mij aangereikte schoen passen. Mij gaat het maar om één ding: het belang van het kind. Ik wil iedereen aansporen n aanspreken dat belang nu eens als vertrekpunt te nemen.

Wat ik – helaas – te vaak en toenemend zie, is dat ouders de focus op zichzelf leggen en de kinderen ‘erbij’ doen. De leuke dingen, ja die horen bij hen. Maar de opvoeding? Dat is iets wat ze steeds meer zien als de taak van een ander. Met als resultaat dat ouders ’s avonds of in het weekeinde hun kinderen droppen bij een sportclub, zodat zij zelf ‘rustig’ boodschappen kunnen doen. Of ouders die hun kinderen uren met de tablet of computer laten spelen, omdat zij er dan in ieder geval geen last van hebben en hun eigen ding kunnen doen. Tijd voor je kind is niet meer logisch of vanzelfsprekend. Sterker nog, wij noemen het ‘qualitytime’.

Die verfoeilijke ouderlijke afwezigheid leidt tot een onleefbare samenleving met een onopgevoede generatie. En dan gaat het niet alleen om egoïstische en brutale kinderen, maar ook om stille binnenvetters. Het gebrek aan ouderlijke aandacht kweekt kinderen die permanent negatieve aandacht vragen, maar ook kinderen die fundamenteel onzeker in het leven staan. Kinderen zijn vaak een hele goede spiegel van ons functioneren als ouder. Schreeuwen ze, zijn ze gestrest, gedragen ze zich egoïstisch? Dan hebben ze het hoogstwaarschijnlijk van ons. Wat wij als ouders voorleven, dat doen zij na.

Daarom is mijn pleidooi: Laten wij onze kinderen weer op de eerste plaats zetten, en ons vanaf de wieg weer over hen ontfermen.  Daar, en door ons wordt een basis gelegd voor het gevoel van veiligheid en geborgenheid. Dáár leert een kind cruciale dingen als eten, spelen, zich sociaal gedragen.

En wij, overheid en hulpverleners, moeten stoppen met het faciliteren van de onwillige ouders.  Wij moeten vaders en moeders weer durven aanspreken op hun eigen opvoedingsverantwoordelijkheid. Want kinderen hebben is superleuk, geweldig, gezellig. Maar…je kunt als ouders alleen een kinderen wensen en opvoeden als je daar zelf voor de volle 100% achter staat. Want laten we eerlijk zijn. Een kind krijgen en opvoeden is een hele verantwoordelijkheid. En jij, als ouder, jij blijft altijd eindverantwoordelijke als ouder. Kies daar dus ook voor.

Laten wij die draken van ouders een halt toeroepen. Ouders die te aarzelend en gemakzuchtig om zich als ouder te gedragen, te tolerant en daardoor onmachtig. Ouders die weigeren echt volwassen te worden. Ouders die zo nodig tijd voor zichzelf willen hebben, niet geclaimd willen worden, en niet kunnen wachten tot hun kinderen groot zijn.

Dat heeft niks met ouderwets denken te maken. Het heeft te maken met de constatering dat ouders tegenwoordig wel kinderen willen, maar er nauwelijks tijd voor willen maken. En dat kan niet. Een kind is geen ding dat je af en toe tevoorschijn haalt en weer wegstopt als het niet goed uitkomt. Het is geen speeltje of statussymbool. Een kind verdient aandacht, liefde, tijd. Daar gaat het mij om. Om de basale rechten van een kind dat er zijn mag en niet vraagt om een vorm van gesubsidieerde opvang in een instituut dat – met de beste bedoelingen – juist de kinderverwaarlozing mogelijk maakt. Laten we daarin weer eens investeren. In elkaar en in onze kinderen. Daar wordt iedereen beter van.

De eerste stap? Begin eens klein. Door bijvoorbeeld ’s ochtends rustig met je kinderen aan tafel te ontbijten en te praten. Zet die wekker eerder, en doe het, elke dag. Of lees je kinderen eens zelf voor, in plaats van ze ‘met de tablet’ te laten inslapen. Zo geven wij onze kinderen aandacht en liefde mee, is plaats van een dossier van een kinderopvangorganisatie.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

 

 

Doe eens gek; doe normaal!

kleine klas.png

  • Kan ik u zo gek krijgen gewoon te doen?

Het onderwijs heeft een ernstig tekort aan leraren. De jeugdhulp barst uit zijn voegen. Passend onderwijs wringt. Er zijn veel knelpunten bij onderwijs en jeugdhulp. Met een onmiddellijk roep om meer geld als gevolg. Terwijl de oplossing niet ligt in meer geld. De echte oplossingen ligt in het met elkaar verbinden van deze problemen. Kleinere klassen, minder werkdruk, effectieve aandacht voor ouders en kinderen en minder jeugdzorg. Het valt allemaal te realiseren. Niet met meer geld, maar door bestaande budgetten slimmer toe te delen.

Ik pleit voor een trendbreuk. Maak jeugdhulp structureel – en daarmee vanzelfsprekend – onderdeel van de ondersteuningsstructuur op school. Anders gezegd: hevel een belangrijk deel van de jeugdhulp over naar het onderwijs. Ouders voeden hun jeugdigen immers niet in hun eentje op. De school, voorzieningen als opvang, jeugdwerk en sport dragen eveneens bij aan de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Die zijn nu onvoldoende op elkaar gericht.

Veel problemen in het leven van mensen hebben hun wortels in de jeugd. Het tijdig signaleren van (het ontstaan van) deze problemen en het bieden van de benodigde ondersteuning of zorg aan kinderen, jongeren en hun ouders kan dat vaak voorkómen. Dat weten we al jaren.

Zeker, dat begint bij ouders die het beste willen voor hun zoon of dochter. En ja, de meeste jeugdigen in Nederland ontwikkelen zich zonder al te veel problemen tot autonome en sociale volwassenen die een positieve bijdrage leveren aan de samenleving. Omdat de ouders het opvoeden met vallen en opstaan leren en toepassen en als opvoeder met hun kind meegroeien.

Soms echter lukt dat niet. Omdat ouders en/of hun jeugdigen uit het evenwicht geraken, doordat er binnen het gezin of de omgeving sprake is van bijzondere omstandigheden. Eigenschappen van jeugdigen en ouders en/of kenmerken van de omgeving kunnen het gezinsleven en/of het proces van opgroeien en opvoeden extra belasten. Eén enkel probleem vormt meestal nog geen al te groot risico. Lastiger wordt het als er meer aan de hand lijkt. Als problemen en stressfactoren voor en bij ouders en/of jeugdigen toenemen, neemt de draagkracht om de daaraan verbonden opgave zelf aan te kunnen echter vaak evenredig af. Terwijl juist dan de sociale steun van de directe omgeving – in de  vorm van tijd en aandacht – de belangrijkste factor is.

En wat hebben wij gedaan? Wij hebben die ondersteuning – met de beste bedoelingen – kapot gesegmenteerd. Naast het op grote schaal werken aan ‘storingsvrije kinderen’ heeft dit een tendens tot gevolg om uitdagingen in opvoeding en onderwijs psychopathologisch te definiëren. En we praten dientengevolge over gedrag van kinderen in termen van ADHD, autisme, depressie. Als je problemen hebt met je kind omdat het zich afwijkend gedraagt en je hebt daar een label voor – Asperger, ADHD, ODD – dan is het een probleem van het kind geworden. Dat is het beeld dat wij hebben geconstrueerd. De hoeveelheid en kringen van professionals rondom ouders en jeugdigen zijn daardoor in de loop der jaren stevig gegroeid. Net zo goed als de systemen (toegangspoortjes) die erop gericht zijn om dat tegen te gaan.

Terwijl veel ‘problemen’ heel normaal zijn. Somberheid, angst, druk gedrag, tegendraadsheid, agressie, het zijn tot op zekere hoogte normale verschijnselen bij jeugdigen. Veel van deze problemen zijn gebonden aan de ontwikkelingsfase waarin jeugdigen zich bevinden.

Hoe graag wij dat misschien ook willen geloven: de problemen met de jeugd nemen niet echt toe. Alle indicatoren die iets zeggen over hun welbevinden, hun (psychische) gezondheid, de criminaliteit, het middelengebruik en de schoolprestaties staan in het groen (Sleeboom, Hermanns, & Hermanns, 2010; Landelijke Jeugdmonitor 2016). Wat het werkelijke probleem is, is onze (professionele) handelingsverlegenheid. Ons gebrek aan tijd en aandacht.

Kinderen die op de basisschool les krijgen in kleinere klassen blijken later beter te presteren en hebben minder gedragsproblemen. Resultaten elders zijn daarover kristalhelder: Kinderen in kleine klassen rekenen en lezen niet alleen beter. Kleine klassen blijken ook een goed middel tegen ongelijkheid. Onderzoek leert dat de leerlingen die in kleinere klassen zitten minder vaak in de jeugdcriminaliteit belanden, een lager percentage tienerzwangerschappen kennen, vaker een  startkwalificatie halen, vaker een vervolgopleiding doen en slagen., naar betere universiteiten gaan, meer spaargeld hebben, vaker een huwelijkspartner vinden, in betere wijken wonen en vaker een eigen huis hebben. Keer op keer blijkt hetzelfde. Kinderen uit kleinere klassen scoren beter op zowel cognitieve als non-cognitieve vaardigheden. Migrantenkinderen en kinderen van minderbedeelde ouders boeken zelfs de meeste ‘leer’-winst als de klassen kleiner zijn. Dat heeft een positief effect op hun hele latere leven. Onderzoeken daarover (Tennessee, Zweden, Israël, Amerika)  laten geen ruimte voor twijfel.

Leraren en jeugdhulpverleners zal dat niet verbazen. Beiden weten wat werkelijk werkt: tijd en aandacht. En juist over gebrek aan tijd en aandacht klaagt het onderwijs. Daarover klaagt ook de jeugdhulp. Beiden willen dat oplossen door meer van hetzelfde te bieden. Terwijl de oplossing naar mijn mening niet vraagt om meer, maar om anders! Als onderwijs en jeugdhulp de handen in elkaar slaan, zijn kleinere klassen (in liefst kleinere scholen) mogelijk met meer ruimte om tijd en aandacht te geven aan jeugdigen.

Ouders hebben dan ook – veel meer dan nu het geval is – de gelegenheid krijgen om dicht bij huis, in hun eigen buurt, hulp en advies bij opvoedingsvraagstukken te vragen. Dat hoeft niet altijd bij professionals te gebeuren. De opgave is om te zorgen dat wat normaal is, ook weer de gewoonste zaak van de wereld is. Het moet niet alleen. Het kan ook. Zonder dat de sluizen van de Nederlandse Bank opengezet moeten worden. Als onderwijs en jeugdhulp de krachten bundelen kunnen zij niet alleen de  ervaren werkdruk laten kantelen naar werkplezier. Zij kunnen elkaar ook ontzorgen en versterken. Met beter onderwijs en betere jeugdhulp als uitkomst! Kan ik u zo gek krijgen dat gewoon te doen?

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Afstemming: Een polderwoord om (in) te verzuipen

integraal kindcentrum.jpeg

  • Jeugdhulp en (Passend) onderwijs: van afstemmen naar samen optreden

Kleinere klassen, minder werkdruk, effectieve aandacht voor ouders en kinderen. Het valt allemaal te realiseren. Niet met meer geld, maar door bestaande budgetten slimmer toe te delen. Ik pleit daarom voor een verdergaande stap: maak jeugdhulpverlening structureel – en daarmee een vanzelfsprekend – onderdeel van de ondersteuningsstructuur op school. Oftewel: hevel een belangrijk deel van de jeugdhulp over naar het onderwijs. Ouders voeden hun jeugdigen immers niet in hun eentje op. De school en voorzieningen als opvang, jeugdwerk en sport dragen eveneens bij aan de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Die zijn nu onvoldoende op elkaar gericht. Het stevig pedagogisch fundament, een gedeelde visie op de ontwikkeling en opvoeding van de jeugd binnen en buiten de school – en op de daaruit voortvloeiende taken van ouders, betrokken professionals en hun instituties – ontbreekt daardoor.

Veel problemen in het leven van mensen hebben hun wortels in de jeugd. Het tijdig signaleren van (het ontstaan van) deze problemen en het bieden van de benodigde ondersteuning, hulp of zorg aan kinderen, jongeren en hun ouders kan dat vaak voorkómen. Dat weten we al jaren. Dat begint bij ouders die het beste willen voor hun zoon of dochter. En ja, de meeste jeugdigen in Nederland ontwikkelen zich zonder al te veel problemen tot autonome en sociale volwassenen die een positieve bijdrage leveren aan de samenleving. Omdat de ouders het opvoeden met vallen en opstaan leren en toepassen en als opvoeder met hun kind meegroeien.

Soms echter lukt dat niet. Omdat ouders en/of hun jeugdigen uit het evenwicht geraken, doordat er binnen het gezin of de omgeving sprake is van bijzondere omstandigheden. Eigenschappen van jeugdigen en ouders en/of kenmerken van de omgeving kunnen het gezinsleven en/of het proces van opgroeien en opvoeden extra belasten. Eén enkel probleem vormt meestal nog geen al te groot risico. Lastiger wordt het als er meer aan de hand lijkt. Als problemen en stressfactoren voor en bij ouders en/of jeugdigen toenemen, neemt de draagkracht om de daaraan verbonden opgave zelf aan te kunnen echter vaak evenredig af.

Terwijl juist dan de sociale steun van de directe omgeving de belangrijkste factor is, hebben wij die ondersteuning in de afgelopen jaren – met de beste bedoelingen – kapot gesegmenteerd. Door zorg en goede bedoelingen meer en meer te vertalen in psychopathologie, ontwikkelingsstoornissen, handicaps en/of disfunctionele gezinsinteracties. De hoeveelheid en kringen van professionals rondom ouders en jeugdigen zijn daardoor in de loop der jaren stevig gegroeid. Terwijl veel ‘problemen’ heel normaal zijn. Somberheid, angst, druk gedrag, tegendraadsheid, agressie, het zijn tot op zekere hoogte normale verschijnselen bij jeugdigen. Veel van deze problemen zijn gebonden aan de ontwikkelingsfase waarin jeugdigen zich bevinden.

Taboeonderwerpen in de persoonlijke levenssfeer uitgezonderd willen en proberen bijna alle ouders hun vragen, onzekerheden of problemen (in eerste instantie) in hun directe, persoonlijke omgeving en netwerk op te lossen. Vrienden, familie, buren, lotgenoten zijn meestal de eersten die geraadpleegd worden; of met wie de zorgen gedeeld worden (Snijders, 2006; SCP, 2011). Pas daarna komen andere opvoeders en zorgverleners in beeld, met de huisarts vaak voorop. Daarnaast neemt men ook de leerkracht, de peuterspeelzaalleidster en de jeugdarts of jeugdverpleegkundige in vertrouwen. In een nog later stadium worden pedagogen, CJG-medewerkers, jeugdzorg of maatschappelijk werk genoemd als professionals waarbij men hulp zoekt (Snijders, 2006; Hoogenboezem en Van der Meer, 2009; Diekstra c.s., 2010). Ouders hebben – zo blijkt – vooral behoefte aan een ondersteuner die respect heeft voor de ervaringsdeskundigheid van de ouder. En aan communicatie die vooral gericht is op wederzijdse uitwisseling.

Ouders en jeugdigen willen de ondersteuning in de vorm van een flexibele en efficiënte dienstverlening. Op basis van gelijkwaardige samenwerking tussen professionals en ouders. Met heldere en eenduidige adviezen, die hen in hun rol positief bekrachtigen. Die adviezen moet dan bij voorkeur adviezen op maat zijn: adviezen die passen bij hun kind, aansluiten op de opvoedvisie van de ouders en toepasbaar zijn in hun specifieke situatie. Daarbij (en daarom?) blijkt de weg van steeds meer en zwaardere interventies niet tot de gewenste resultaten te leiden (Hermanns, 2009 – ‘het opvoeden verleerd’).

Ouders moeten veel meer dan nu het geval is de gelegenheid krijgen om dicht bij huis, in hun eigen buurt, hulp en advies bij opvoedingsvraagstukken te vragen. Dat hoeft niet altijd bij professionals te gebeuren. De opgave is om te zorgen dat wat normaal is, ook weer de gewoonste zaak van de wereld te laten zijn. Het moet dus anders: meer in de directe omgeving en nabijheid van kind en gezin. De stelselwijzingen in het kader van passend onderwijs en de transitie jeugdzorg bieden daarvoor een unieke kans. Niet alleen voor ouders en hun jeugdigen. Maar ook voor onderwijsgevenden en professionele hulpverleners. Met gebundelde krachten kunnen zij de vaak ervaren werkdruk laten kantelen naar werkplezier. Door elkaar te ontzorgen en te versterken.

Wij weten dat de jeugdgezondheidszorg een zeer hoog bereik heeft. Van circa 100% onder 0 jarigen naar ruim 84% onder 4 jarigen (CBS, 2010e). Jeugdigen van 5 tot 16 jaar zijn leerplichtig. Zij moeten naar school. Zo kunnen zij zich voorbereiden op de maatschappij en de arbeidsmarkt. Jongeren die na hun 16e nog geen startkwalificatie hebben, moeten tot hun 18e onderwijs volgen. In principe heeft het onderwijs daarmee een bereik van 100% van alle jeugdigen.

Schoolbesturen en gemeenten moeten dit bereik benutten. Door de verschillende speelvelden daadwerkelijk met elkaar te verbinden. Niet door afstemming, maar door krachtenbundeling. Juist aan de prachtig afgestemde grenzen is er vaak geen sprake van doorgaande lijnen en zijn de aansluitingen slecht. Het ‘op overeenstemming gericht overleg’ dat samenwerkingsverbanden en gemeenten moeten voeren, is te vrijblijvend om tot inhoudelijke samenwerking en normalisering te komen. Want, hoewel wij al jaren streven naar een meer samenhangend aanbod van voorzieningen voor jongeren en een betere verbinding tussen onderwijs en jeugdhulpverlening, laat de samenwerking nog steeds te wensen over. Onderwijs- en jeugdhulpverleningsprofessionals zijn over en weer vaak beperkt op de hoogte van de wederzijdse vormen van ondersteuning en begeleiding die ingezet worden om de ontwikkeling van een jongere te stimuleren. Daardoor krijgen kinderen en jongeren nog te weinig het meest passende aanbod zo dicht mogelijk bij hun eigen omgeving.

Stimulering, ondersteuning en zorg zo dicht mogelijk bij het kind georganiseerd en genormaliseerd, kan ervoor zorgen dat er meer en betere aandacht is voor de context waarin een kind opgroeit. Denk aan de gezinssituatie, het onderwijs- en didactische systeem, de sfeer in de klas, de dynamiek in de vriendengroepen, het mediagebruik van jeugdigen, passende vrijetijdsbesteding etc. Omdat de interactie met hun omgeving bij de analyse en aanpak van de uitdagingen die jeugdigen ervaren van groot belang is, moet het proces van opvoeden en opgroeien zo ingericht worden dat er een ongedeeld primair proces ontstaat.

Bundeling van opdrachtgeverschap – en daarmee krachten, budgetten en mandaten – zorgt voor de daarvoor benodigde ruimte. Zo ook kunnen ‘problemen’ eerder worden gesignaleerd en kan meer directe hulp worden geboden, waarmee wij vaker kunnen voorkomen dat de problemen verergeren.

En ja, ook dan blijft er altijd jeugd die specialistische zorg of ondersteuning nodig heeft. Maar, zoals Jo Hermanns vaak (terecht) oproept: “Kinderen moeten weer opgevoed worden en niet te snel behandeld. Ouders moeten gesteund worden en niet te snel naar een “gedragsmanagement programma” gestuurd worden. Scholen moeten de moeilijkste kinderen niet ervaren als een last maar juist als een professionele uitdaging. Burgers in het publieke domein zouden weer plezier in kinderen op straat moeten krijgen en zich mede verantwoordelijk moeten voelen voor hun welzijn.”

Droogland

- © Saris & den Engelsman

Er was eens een land, dat Droogland heette. Er waren geen sloten, rivieren en meren in dat land. Water werd geïmporteerd uit het buitenland, om de mensen te voorzien van drinken, en alle andere nuttige zaken zoals douchen, koken, spoelen etc. Iedereen was hier erg tevreden mee.

O ja, en regen – dat kende men ook. Om van dit uiterst vervelende ongemak af te zijn maakte men een superieur afvoersysteem zodat Droogland ook daadwerkelijk bleef wat het al eeuwen was – droog.

Ook granen, fruit en groentes werden ingevoerd. Erg veel natuur was er dan ook niet.

Op zekere dag ontstonden er zomaar ineens kleine stroompjes, die weldra uitgroeiden tot rivieren van enige omvang. Men wist zich in eerste instantie geen raad. Mensen begonnen te protesteren: Dit kan toch niet! We zullen verdrinken! Onze kinderen zullen sterven aan de meest verschrikkelijke ziektes. Onze huizen zullen wegspoelen. Men keek met z’n allen naar de Overheid – die zou het allemaal wel weer gaan oplossen.

Het water bleef
Het liep toch anders. Het water bleef…. En ging niet meer weg. Er kwamen dijken. Sloten werden gegraven, uiteindelijk een heel stelsel van waterwegen, meren en opslagsystemen. Daarnaast ontdekte men dat het water eigenlijk best ook leuk was: er kwamen bedrijfjes die boten gingen maken. Weer anderen gingen deze verhuren. Kopen kon natuurlijk ook als je dat wilde. Zeilen werd een favoriete sport. Sommige dorpjes maakten zoveel slootjes en bruggetjes dat er toeristen van over de hele wereld kwamen om dat fenomeen te zien.

Het water werd ook een bron van totaal nieuwe industrieën: landbouw kwam op, er ontstonden nieuwe beroepen zoals boer, tuinder, kassenarchitect, landbouwingenieur. Droogland werd wereldexporteur van snijbloemen, gekweekt met behulp van dat nieuwe water.

Nieuwe types huizen kwamen op: de zogenaamde woonboot, een soort drijvend huis ontstond. Zomaar uit het niets eigenlijk. Mensen begonnen gewoon zelf te pionieren.

De dijkexperts van Droogland werden over de hele wereld gevraagd voor waterprojecten. De bruggenbouwers van Droogland werden wereldberoemd door hun uitdagende projecten.

Het begrip natuur werd geheel opnieuw gedefinieerd. Er kwam bos, parken, groen. De kwaliteit van leven nam toe.

Het onderwijs
Temidden van deze, we kunnen wel zeggen roerige ontwikkeling (we spreken over een periode van zo’n 25 jaar) bleef er één sector in Droogland opmerkelijk rustig. Het onderwijs. Er werden nog steeds oude kopieën van kaarten gemaakt waarin de aloude structuur van Droogland te zien was. De kinderen kregen daar les in en werden getoetst op deze oude kennis. Alle expertise die werd ontwikkeld naar aanleiding van de komst van het water ontstond om het onderwijs heen – en niet erin.

De voordehandliggende vraag of de diploma’s van de kinderen dan nog wel aansloten op de wereld van alledag, werd door het Ministerie handig omzeild door extra aandacht te besteden aan het nog efficiënter toetsen van de oude kennis, onder het motto “hoe scherper je toetst, hoe beter het onderwijs”. Om de inhoud en waarde van de opgedane kennis werd niet gemaald. Er werden nog slimmere methodes gevonden om kinderen tot prestaties te dwingen. Haalde je je cijfer niet – jammer, geen plaats. Was je niet op tijd klaar – sorry, geen beurs meer. En zo werd de aandacht handig afgeleid van waar het echt om ging: onderwijs dat écht aansluit op de behoeften van de maatschappij van morgen.

En zo bleef dit eilandje van rust in deze dynamische samenleving – wat het altijd al was: een eilandje van rust. Er werden wel werkgroepen opgericht om te bestuderen of deze vernieuwingen konden worden omgebouwd tot nieuwe curricula. Maar het schoot niet echt op.

De moraal
Hebben we het onderwijs in z’n huidige vorm nog nodig?

We maken een systeem waarin kinderen beheerd kunnen worden

  • Het construeren van een redelijke verklaring voor ‘makkelijk’ gedrag

continurooster

Steeds meer scholen werken met een continurooster met vijf gelijke dagen. Alle groepen hebben gelijke schooltijden en gaan op alle dagen van de week van 8.30 uur tot 14.00 naar school. Dus ook op de woensdag en de vrijdag. Aan het einde van de ochtend wordt er onder begeleiding van de eigen leerkracht 15 minuten geluncht en aansluitend 30 minuten buiten gespeeld ook onder begeleiding van de eigen leerkracht. Alle kinderen blijven op school en er zijn geen kosten aan verbonden. Het klinkt geweldig, maar ik heb mijn twijfels.

Mijn kleinzoon, Joshua, zit op zo’n school. Nu het continurooster is ingevoerd, heeft hij tussen de middag precies 15 minuten om zijn boterhammen te eten. Maar Joshua heeft nog zoveel andere dingen te doen….En dus komt het steeds vaker voor dat hij na schooltijd een deel van de lunch nog in zijn schooltas heeft zitten: “De tijd was op,” verklaart Joshua.

Volgens mij is het belangrijk voor kinderen dat zij tussen de middag voldoende tijd hebben voor ontspanning, eten, met een vriendje of vriendinnetje spelen, etc. Kortom, even wat anders doen.

Ben ik ouderwets? Misschien. Maar alleen sta zeker niet in mijn aarzelingen. Onderzoeksinstituut ITS van de Radboud Universiteit Nijmegen heeft in 2010 een uitgebreide literatuurstudie gedaan naar het continurooster. Daaruit bleek dat de effecten van het continurooster nauwelijks onderzocht zijn en het vooral om beschrijvingen en meningen gaat. Inmiddels loop het aantal basisscholen met een continurooster ‘lekker op’. Waarom? Daarvoor zijn een heleboel argumenten te bedenken:

  • Het is makkelijker voor ouders om hun werktijden op school af te stemmen.
  • Ouders hoeven hun kind maar één keer te brengen en te halen.
  • Jongere broertjes en zusjes hoeven ook maar één keer heen en weer.
  • Het is rustiger voor de kinderen.
  • Kinderen zijn eerder thuis.
  • Naschoolse- of buitenschoolse opvang hebben, net als sport-, muziek- en cultuurverenigingen meer tijd om hun activiteiten aan te bieden.

Maar een continurooster heeft ook nadelen, voor zowel leerlingen al leerkrachten.

  • Voor sommige ouders is het juist lastig dat de school eerder uit is.
  • Kosten van de naschoolse- (nso) of buitenschoolse opvang (bso) kunnen hoger worden doordat er meer uren moeten worden afgenomen.
  • Kinderen kunnen tussen de middag niet even naar huis en daar in een kleine omgeving even tot rust komen.
  • Geen keuze tussen wel of niet overblijven.

Ik voel mee met een heleboel van die argumenten. Ik kan ook niet om het feit heen dat in veel klassen meer dan de helft van de kinderen overblijft. Omdat de ouder(s) werken moet(-en). Ook het argument dat het veiliger is (minder verkeersbewegingen) lijkt valide: de afstand van huis naar school is vermoedelijk in de loop der jaren groter geworden. Al lijkt het er ook op dat het (opnieuw) handiger is voor de papa’s en de mama’s: die brengen en halen hun kinderen in toenemende mate met de auto. En als je op je werk zit is dat lastig….

Het door de voorstanders gebruikte argument dat het continurooster meer rust, duidelijkheid en regelmaat voor kinderen geeft, klinkt goed. Maar komt wel gezocht over. Die rust, duidelijkheid en regelmaat was er ook bij de oudere schoolroosters. Het heeft – vooralsnog – meer de schijn van een verregaande rationalisatie van het onderwijs als productieproces. Waarbij wij woorden als efficiënt en effectief graag bezigen.

Efficiënt en effectief is het zeker – voor (een deel van) de onderwijzers en onderwijzeressen en (eveneens een deel van) de werkende papa’s en mama’s. En ja, het lost voor de volwassenen veel logistieke problemen op. En als we dat vervolgens ook nog kunnen verpakken in “werkdruk omlaag, prestaties omhoog” lijkt het allemaal wonderwel ook nog in de comfortzone van de onderwijsgevenden te passen.

Toen meen ik dat het onderwijs met het omarmen van het continurooster teveel (met een schuin oog) kijkt naar het bedrijfsleven. Daar probeert men elke vorm van tijdsverspilling te elimineren en anders wel te reduceren. Verplaatsing van kinderen, onrustige bewegingen/afleiding en het produceren van fouten worden binnen het onderwijs als verspilling benoemd. Daarmee wordt immers geen (leer-)waarde toegevoegd. Bovendien levert het concentreren van de activiteit tijd op. Maar, geldt dat ook voor het onderwijs?

Ja, wellicht kan hiermee de werkdruk worden verlaagd. Maar wanneer we de ontwikkeling van kinderen werkelijk centraal stellen kunnen we niet werken met standaardisatie en maximalisatie van het productieproces.

Wordt het Nederlandse onderwijs beter als kinderen minder lang naar school gaan? Ik denk niet dat een kind dat meer uren op school zit, ook meer het leert. Dat blijkt ook uit een onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Maar wordt het Nederlandse onderwijs dan ook beter als kinderen minder lang naar school gaan? Dat valt volgens het CBS zonder nader onderzoek niet te zeggen. Het hangt namelijk ook af van de invulling die wordt gegeven aan de extra tijd die leerlingen en leraren daarmee krijgen.

Leren is een ontdekkingsreis, en kinderen zijn ontdekkingsreizigers. Dat vraagt een benadering die de interesse van de kinderen serieus neemt, hen aanmoedigt om hun omgeving onderzoekend tegemoet te treden en ruimte biedt voor fouten.
Als iets daarbij waarde en betekenis, dan is het wel een betekenisvolle context. Een context die laat zien en ervaren, waardoor kinderen zich iets eigen (kunnen) maken. En dat vraat tijd. Wanneer we bijvoorbeeld kijken naar de concentratie op een taak die het kind niet zelf uitgekozen heeft, dan zien we dat een kind van 6 jaar zich zo’n tien minuten kan concentreren op één en dezelfde taak. Bij kinderen van 10 jaar is dit zo’n twintig minuten en een kind van dertien kan zich zo’n dertig minuten achter elkaar concentreren op een taak die het niet zelf gekozen heeft. Heel anders is dit met bezigheden die het kind zelf gekozen heeft ( met lego spelen, spannend boek lezen, iets bouwen etcetera), we zien dan een veel langere periode van concentratie.

Mij lijkt daarom een continurooster voor zowel leerkrachten als leerlingen eerder een extra mentale belasting dan een ontlasting. Voor leerkrachten zie ik ook als bijkomend nadeel dat een natuurlijk overlegmoment met collega’s wegvalt; dat betekent extra vergaderen of slechtere onderlinge informatieoverdracht. Maar bij gebrek aan onderzoek, realiseer ik me dat dit – ook van mijn kant – slechts hypothesen zijn. Ik houd me daarom zeer aanbevolen voor betere cijfers en onderzoeksgegevens over de effecten van het continurooster.