Gelukkige jeugd; daar horen problemen bij!

gelukkige jeugd.png

  • Laten wij ons laten stimuleren door het optimisme van kinderen.

Nederlandse jongeren zijn gelukkig ongelukkig. Ze zijn druk en blij met hun sociale relaties. Ze zijn ongelukkig door schoolwerk, gebruiken minder vaak een condoom, en drinken best veel. Dat leert ons het internationale onderzoek Health Behaviour in School-aged Children (HBSC). In Nederland een gezamenlijk project van de Universiteit Utrecht, het Trimbos-instituut en het Sociaal en Cultureel Planbureau. En ondanks dat alles groeit de behoefte aan (jeugd)zorg. Tijd voor bezinning en normalisatie zou ik zeggen.

Als ik kennis neem van onderzoeken als het hiervoor bedoelde, dan bekruipt mij elke keer een unheimisch gevoel. Is de jeugd nu zoveel lastiger geworden, of zijn wij als maatschappij meer eisend en minder tolerant geworden. Is elk ‘probleem’ wel een probleem? Of is het gewoon gemakkelijk als je er een ‘probleemetiket’ op kunt plakken. Dan kunnen wij het ‘probleem’ de schuld geven en anderen er mee aan de slag laten gaan.

Negen op de tien 12 tot 25-jarigen zijn tevreden met hun leven. Vooral met hun vriendenkring en psychische gezondheid – aldus het CBS (2016). Dat nergens ter wereld het welbevinden van kinderen zo groot is, wisten we al van Unicef (2007-2013).

Paradoxaal genoeg liggen veel te veel ouders ’s nachts wakker: een op de zes kinderen in Nederland krijgt een vorm van hulp (Jo Hermanns; 2015). Ook het aantal kinderen dat medicijnen krijgt voorgeschreven bij problemen met opvoeden en opgroeien is exponentieel gegroeid, en groeit nog steeds.

Deze trend zien we ook bij leerproblemen. Hooguit 3 – 4% van de kinderen heeft ernstige dyslexie, maar sinds de overheid in 2009 besloot om de dyslexie behandelingen te vergoeden blijft het aantal groeien. Saillant detail daarbij: er zijn veel meer kinderen die zorg krijgen dan er kinderen zijn die volgens bevolkingsstudies problemen zouden hebben die professionele zorg nodig maakt. Zelfs het meest pessimistische epidemiologisch onderzoek komt niet tot zo een hoge schatting van het aantal kinderen dat ernstige problemen heeft. In het algemeen gaat men uit van ongeveer 2 tot 5 % die dit type hulp nodig hebben (Hermanns, 2013).

De graag gehanteerde verklaring dat ‘veel problemen tegenwoordig eerder worden gediagnosticeerd door toegenomen deskundigheid’ vind ik er een uit het rijk der fabelen. Zoals ook de verklaring  dat het zo goed gaat met de jeugd omdat er zoveel professionele hulp wordt geboden. Van veel interventies is (nog) niet eens bekend noch bewezen dat ze effectief zijn.

Hoe heeft het dan zover kunnen komen dat de opvoeding niet meer zonder professionele hulp lijkt te kunnen? Kennelijk willen en verwachten wij dat al onze kinderen ‘storingsvrij’ zijn. Hetgeen leidt tot een tendens om uitdagingen in opvoeding en onderwijs psychopathologisch te definiëren. En we praten dientengevolge over gedrag van kinderen in termen van ADHD, autisme, depressie. Als je problemen hebt met je kind omdat het zich afwijkend gedraagt en je hebt daar een label voor – Asperger, ADHD, ODD – dan is het het probleem van het kind geworden. Dat is het beeld dat wij hebben geconstrueerd.

En nee, de problemen met de jeugd nemen niet toe.  Alle indicatoren die iets zeggen over hun welbevinden, hun (psychische) gezondheid, de criminaliteit, het middelengebruik en de schoolprestaties staan in het groen (Landelijke Jeugdmonitor 2016).

Probleemgedrag is bovendien altijd een subjectief en normatief begrip. Waar de een zich zorgen maakt over agressief gedrag, noemt een ander dit gezonde assertiviteit. Waar een ouder teruggetrokken gedrag ziet, pakt de leerkracht de checklist autisme. Waar een orthopedagoog bij een 3-jarige bij de leeftijd passende overbeweeglijkheid ziet, kan een kinderpsychiater adhd-kenmerken signaleren.

Ik ben er daarom van overtuigd dat het goed is om na te gaan of wij als maatschappij wel goed met onze jongeren omgaan. Wordt hun omgeving wel voldoende ingezet? Waar blijft de eigen verantwoordelijkheid van ouders? Zou jeugdzorg niet meer moeten richten op ouders en opvoeders en hun onmacht dan op de kinderen zelf? Moeten wij niet meer denken aan en aandacht geven aan de (toenemende) opvoedingsverlegenheid? En moeten wij niet veel meer durven ‘normaliseren’?

Normaliseren is één van de kernthema’s in de transformatie van het sociaal domein. Het gaat daarbij om de zienswijze dat kwetsbaarheid bij het leven hoort en de problematiek rondom opvoeden en opgroeien kan daar niet van uitgesloten zijn. Niet het oplossen van problemen staat centraal, maar het ontzorgen en normaliseren van de situatie rond kinderen. Het gaat om het herstel van het gewone leven.

Normaliseren vraagt ons het ‘gewone’ leven altijd in beeld te houden, ongeacht de situatie van het kind en het gezin, ongeacht de hoeveelheid specialistische zorg. De vraag is ‘Waar wil je naar toe werken?’.

Deze benadering heeft ook gevolgen voor de wijze waarop we de zorg organiseren. Professionals moeten kunnen schakelen tussen formele kaders en het alledaagse. Maar ook de moed en het vermogen om ouders en andere opvoeder voortdurend methodisch te reflecteren op het eigen handelen. Ook zij moeten de bereidheid en het vermogen hebben om zichzelf onder ogen te zien… Bij opvoeden horen ook de problemen.

Het moet ouders duidelijk worden gemaakt dat veel problemen bij opgroeien en opvoeden normaler zijn dan deskundigen willen doen geloven. Strijd hoort bij opvoeden.

Het moet dus anders. Met meer nadruk op opvoeden en minder behandelen. Wat heeft dit kind nodig? Wat hebben deze ouders nodig? zijn de vragen die gesteld zouden moeten worden. Met de kennis van nu zeg ik orthopedagogiek is een bittere noodzaak. Maar als negen op de tien kinderen lekker in hun vel zitten, zullen het vooral de opvoeders zijn die hulp nodig hebben.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

 

 

 

Advertenties

Doe eens gek; doe normaal!

kleine klas.png

  • Kan ik u zo gek krijgen gewoon te doen?

Het onderwijs heeft een ernstig tekort aan leraren. De jeugdhulp barst uit zijn voegen. Passend onderwijs wringt. Er zijn veel knelpunten bij onderwijs en jeugdhulp. Met een onmiddellijk roep om meer geld als gevolg. Terwijl de oplossing niet ligt in meer geld. De echte oplossingen ligt in het met elkaar verbinden van deze problemen. Kleinere klassen, minder werkdruk, effectieve aandacht voor ouders en kinderen en minder jeugdzorg. Het valt allemaal te realiseren. Niet met meer geld, maar door bestaande budgetten slimmer toe te delen.

Ik pleit voor een trendbreuk. Maak jeugdhulp structureel – en daarmee vanzelfsprekend – onderdeel van de ondersteuningsstructuur op school. Anders gezegd: hevel een belangrijk deel van de jeugdhulp over naar het onderwijs. Ouders voeden hun jeugdigen immers niet in hun eentje op. De school, voorzieningen als opvang, jeugdwerk en sport dragen eveneens bij aan de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Die zijn nu onvoldoende op elkaar gericht.

Veel problemen in het leven van mensen hebben hun wortels in de jeugd. Het tijdig signaleren van (het ontstaan van) deze problemen en het bieden van de benodigde ondersteuning of zorg aan kinderen, jongeren en hun ouders kan dat vaak voorkómen. Dat weten we al jaren.

Zeker, dat begint bij ouders die het beste willen voor hun zoon of dochter. En ja, de meeste jeugdigen in Nederland ontwikkelen zich zonder al te veel problemen tot autonome en sociale volwassenen die een positieve bijdrage leveren aan de samenleving. Omdat de ouders het opvoeden met vallen en opstaan leren en toepassen en als opvoeder met hun kind meegroeien.

Soms echter lukt dat niet. Omdat ouders en/of hun jeugdigen uit het evenwicht geraken, doordat er binnen het gezin of de omgeving sprake is van bijzondere omstandigheden. Eigenschappen van jeugdigen en ouders en/of kenmerken van de omgeving kunnen het gezinsleven en/of het proces van opgroeien en opvoeden extra belasten. Eén enkel probleem vormt meestal nog geen al te groot risico. Lastiger wordt het als er meer aan de hand lijkt. Als problemen en stressfactoren voor en bij ouders en/of jeugdigen toenemen, neemt de draagkracht om de daaraan verbonden opgave zelf aan te kunnen echter vaak evenredig af. Terwijl juist dan de sociale steun van de directe omgeving – in de  vorm van tijd en aandacht – de belangrijkste factor is.

En wat hebben wij gedaan? Wij hebben die ondersteuning – met de beste bedoelingen – kapot gesegmenteerd. Naast het op grote schaal werken aan ‘storingsvrije kinderen’ heeft dit een tendens tot gevolg om uitdagingen in opvoeding en onderwijs psychopathologisch te definiëren. En we praten dientengevolge over gedrag van kinderen in termen van ADHD, autisme, depressie. Als je problemen hebt met je kind omdat het zich afwijkend gedraagt en je hebt daar een label voor – Asperger, ADHD, ODD – dan is het een probleem van het kind geworden. Dat is het beeld dat wij hebben geconstrueerd. De hoeveelheid en kringen van professionals rondom ouders en jeugdigen zijn daardoor in de loop der jaren stevig gegroeid. Net zo goed als de systemen (toegangspoortjes) die erop gericht zijn om dat tegen te gaan.

Terwijl veel ‘problemen’ heel normaal zijn. Somberheid, angst, druk gedrag, tegendraadsheid, agressie, het zijn tot op zekere hoogte normale verschijnselen bij jeugdigen. Veel van deze problemen zijn gebonden aan de ontwikkelingsfase waarin jeugdigen zich bevinden.

Hoe graag wij dat misschien ook willen geloven: de problemen met de jeugd nemen niet echt toe. Alle indicatoren die iets zeggen over hun welbevinden, hun (psychische) gezondheid, de criminaliteit, het middelengebruik en de schoolprestaties staan in het groen (Sleeboom, Hermanns, & Hermanns, 2010; Landelijke Jeugdmonitor 2016). Wat het werkelijke probleem is, is onze (professionele) handelingsverlegenheid. Ons gebrek aan tijd en aandacht.

Kinderen die op de basisschool les krijgen in kleinere klassen blijken later beter te presteren en hebben minder gedragsproblemen. Resultaten elders zijn daarover kristalhelder: Kinderen in kleine klassen rekenen en lezen niet alleen beter. Kleine klassen blijken ook een goed middel tegen ongelijkheid. Onderzoek leert dat de leerlingen die in kleinere klassen zitten minder vaak in de jeugdcriminaliteit belanden, een lager percentage tienerzwangerschappen kennen, vaker een  startkwalificatie halen, vaker een vervolgopleiding doen en slagen., naar betere universiteiten gaan, meer spaargeld hebben, vaker een huwelijkspartner vinden, in betere wijken wonen en vaker een eigen huis hebben. Keer op keer blijkt hetzelfde. Kinderen uit kleinere klassen scoren beter op zowel cognitieve als non-cognitieve vaardigheden. Migrantenkinderen en kinderen van minderbedeelde ouders boeken zelfs de meeste ‘leer’-winst als de klassen kleiner zijn. Dat heeft een positief effect op hun hele latere leven. Onderzoeken daarover (Tennessee, Zweden, Israël, Amerika)  laten geen ruimte voor twijfel.

Leraren en jeugdhulpverleners zal dat niet verbazen. Beiden weten wat werkelijk werkt: tijd en aandacht. En juist over gebrek aan tijd en aandacht klaagt het onderwijs. Daarover klaagt ook de jeugdhulp. Beiden willen dat oplossen door meer van hetzelfde te bieden. Terwijl de oplossing naar mijn mening niet vraagt om meer, maar om anders! Als onderwijs en jeugdhulp de handen in elkaar slaan, zijn kleinere klassen (in liefst kleinere scholen) mogelijk met meer ruimte om tijd en aandacht te geven aan jeugdigen.

Ouders hebben dan ook – veel meer dan nu het geval is – de gelegenheid krijgen om dicht bij huis, in hun eigen buurt, hulp en advies bij opvoedingsvraagstukken te vragen. Dat hoeft niet altijd bij professionals te gebeuren. De opgave is om te zorgen dat wat normaal is, ook weer de gewoonste zaak van de wereld is. Het moet niet alleen. Het kan ook. Zonder dat de sluizen van de Nederlandse Bank opengezet moeten worden. Als onderwijs en jeugdhulp de krachten bundelen kunnen zij niet alleen de  ervaren werkdruk laten kantelen naar werkplezier. Zij kunnen elkaar ook ontzorgen en versterken. Met beter onderwijs en betere jeugdhulp als uitkomst! Kan ik u zo gek krijgen dat gewoon te doen?

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.