Iedereen heeft een handvat

handvat.png

  • Aan ons de kunst het op de juiste wijze te vatten

Ondanks ieders streven de jeugdhulp ‘integraal, toegankelijk en dicht bij het kind’ te organiseren heeft de transitie van de jeugdhulp de afgelopen jaren weinig verandering gebracht. Of het moet de ongelofelijke bureaucratie en verspilling zijn. Van meer preventie, slimmere samenwerking en een einde aan verkokering en perverse prikkels is nog te weinig sprake. De kosten lopen inmiddels de spuigaten uit en zorgaanbieders, individuele hulpverleners én ambtenaren lijken het spoor bijster. Gaat het nog goed komen?

De vraag naar professionele jeugdzorg stijgt al jaren en de problematiek wordt steeds complexer. Met als gevolg steeds langere wachtlijsten en kosten die uit de hand lopen. Sinds 2015 ligt de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg bij gemeenten. Maar dit leidt nog niet of onvoldoende tot positieve ontwikkelingen. De oorzaak daarvan ligt naar mijn stellige overtuiging in de zucht naar beheersing. Van de kosten bijvoorbeeld. De huidige manier van aanbesteden brengt met zich dat alles draait om de laagste prijs. Willen we de kwaliteit van de jeugdhulp behouden of verbeteren, dan is een andere koers nodig. Snel en drastisch!

Problemen bij opgroeien en opvoeden worden onnodig vaak bekeken door een psychopathologische bril. Ouders, leerkrachten, hulpverleners en zorgverzekeraars versterken elkaar hierin. De moeder die alles honderd keer moet zeggen, denkt aan een psychiatrische stoornis. School ook, want dan komen extra middelen beschikbaar. De hulpverlener ook want de vergoedingentabel van de zorgverzekeraar is identiek aan het handboek van de psychiatrie. Maar wie is het kind van de rekening?

Bij moeilijkheden in de opvoeding is de neiging ontstaan met een label het probleem tot een stoornis of een dysfunctie van het kind te maken, om Micha de Winter (2015) te parafraseren. Dat moet anders. Meer nadruk op opvoeden en minder behandelen. Wat heeft dit kind nodig? Wat hebben deze ouders nodig? Wat is in deze specifieke situatie passend. Dat zijn de vragen die gesteld zouden moeten worden. De woorden van Piet de Ruyter, hij was de eerste hoogleraar Orthopedagogiek aan de Vrije Universiteit Amsterdam en hield zich onder meer bezig met de ontwikkeling van de praktisch pedagogische gezinshulpverlening – klinken met de kennis van nu profetisch: orthopedagogiek is een bittere noodzaak geworden. Want als negen op de tien kinderen lekker in hun vel zitten, zullen het vooral de opvoeders zijn die hulp nodig hebben.

De problemen waarmee de jeugdhulp en jeugdzorg te maken hebben, zijn dus even complex als simpel. Gedrags- en opvoedingsproblemen staan namelijk meestal niet op zichzelf. Ze hebben bijna altijd te maken met de sociale en maatschappelijke omgeving waarin ouders kinderen grootbrengen. Zo heeft armoede een grote impact op opvoeding en ontwikkeling van kinderen en jongeren. Voor beleidsmakers en de (lokale) politiek betekent dit dat voor adequate jeugdhulp er meer ‘ontkokerd’ zal moeten worden. Echte transformatie van jeugdzorg heeft pas kans van slagen als wij in plaats van de traditionele beleidsdomeinen, de dagelijkse ervaringen, zorgen en knelpunten van gezinnen met problemen centraal durven stellen. Zo leert ook de praktijk.

Hulpverlening op de sportschool bijvoorbeeld. Zij blijkt soms veel effectiever (en leuker!) dan het (gemedicaliseerde) denkkader van binnen de ‘klassieke’ jeugdzorg. Zo leerde de praktijk binnen City Deal. Jonge ondernemers met een sportschool in Leeuwarden kwamen in contact met jongeren met meervoudige problemen, die ‘hulpverleningsmoe’ waren. De ondernemers, zelf ervaringsdeskundigen, wilden de jongeren in de sportschool helpen uit de problemen te komen door ze met behulp van sport discipline bij te brengen en ‘op te voeden’. Maar ze waren geen zorgaanbieder. Het resultaat: tevredenheid bij alle betrokkenen en de sportschool is inmiddels gecontracteerd zorgaanbieder geworden; tegen een scherp tarief.

Meetellen en meedoen is voor ouders en kinderen het beste medicijn. Als wij dat aan ouders en kinderen weten mee te geven dan gloort er nieuwe hoop aan de horizon.

Wat dat van ons vraagt? Kritisch naar het eigen handelen kijken. Aan de hand van een paar heel simpele vragen. Wat betekent meedoen voor onszelf? Hoe ziet onze wereld eruit? Hoe is het voor ons om op een onbekende plek te zijn? Wanneer voelen wij ons ergens welkom? Wat doen anderen daarvoor voor ons? En hoe zou dat zijn als ik aan de andere kant van de tafel zou zitten? Als ik die vader of moeder, dat kind of die puber was?

Het antwoord op deze vragen kan ons helpen de juiste focus en houding aan te nemen. Want te vaak zijn bij ons, beleidsmakers en professionals, onze eigen idealen van ‘meedoen in de samenleving’ leidend in ons beleid en onze praktijk. Te vaak en te snel vergeten wij dat meedoen voor iedereen iets anders betekent. Zeker voor mensen in knellende posities. Niet onze norm moet leidend zijn, maar het ‘ideaal’ van de mensen voor en met wie wij werken.

Ouders en kinderen moeten wij zien als een belangrijke en onmisbare partner met wie wij meepraten, meedenken en zo nodig meebeslissen over alle zaken die voor hen belangrijk zijn. Zij weten waarvoor zij hulp nodig hebben, dus hun hulpvraag en hun oplossingen moeten het uitgangspunt van onze hulp zijn. Niet het aanbod. Samen met ouders en kinderen moeten wij beslissen over de juiste ondersteuning. Samen met jeugdigen en hun gezinnen beslissen over het bij hun situatie passende maatwerk. Dat is de taak van jeugdzorg, jeugdbeleid, onderwijs en loopbaanbegeleiding. Om samen om deze mensen bij te dragen aan een samenleving die levenskwaliteit voor álle kinderen, jongeren en hun gezinnen hoog in het vaandel heeft.

De focus moet daarbij liggen op de werkzame factoren binnen het opvoedings- en ontwikkelingsklimaat. Die moeten wij willen zien, herkennen en stimuleren. En in relatie daarmee de mogelijkheden van jeugdigen en hun gezinsleden ontrafelen en versterken. Want iedereen heeft een handvat. Het is alleen de kunst die op de juiste wijze te vatten.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Advertenties

Winnen kun je alleen, als anderen meedoen!

huldigen

  • Waarom huldigen wij alleen de winnaars

De Olympische Winterspelen 2018 zijn begonnen. Het zal niemand ontgaan zijn En, omdat er maar een de beste kan zijn, hebben wij voor al die anderen de troostspreuk al klaar: “Meedoen is belangrijker dan winnen.” Een obligate opmerking, waarmee wij hen eigenlijk aan de schandpaal nagelen. Want alleen de winnaars huldigen wij vervolgens!

“Meedoen is belangrijker dan winnen!” Het wordt zo vaak  herhaald dat niemand zich meer afvraagt of de stelling nog wel klopt. En als hij klopt, is ons doen en laten er dan ook naar? Of papegaaien wij er maar wat op los. Omdat het lekker bekt; lekker ‘sociaal’ staat?

“Meedoen is belangrijker dan winnen’. Helaas is het een cliché dat meedoen belangrijker is dan winnen. En nog gelogen ook, want uiteindelijk wil iedereen het liefste op de hoogste trede janken bij zijn eigen volkslied.

“Meedoen is belangrijker dan winnen’. Ik blij het desondanks toch zeggen. Omdat ik dat echt van mening ben. Ook, al zie ik dat ons doen en laten vaak iets heel anders zegt. De winnaars ja, die huldigen wij. Liefst met een praaltocht op de platte wagen of een ridderorde. De verliezers mogen daarbij langs de kant staan. Hun aandacht bestaat uit eindeloze praat- en analyseprogramma’s waarin anderen hen de oorzaak van hun falen graag en langdurig inwrijven. Waarbij de beste stuurlui natuurlijk op de spreekwoordelijke wal staan.

Ons sportklimaat is overigens een prima afspiegeling van onze maatschappij. Dagelijks boeren politici, bestuurders en bazen het in elke microfoon die hen onder de neus geduwd wordt. Of schreeuwen zij het – bij gebrek aan een microfoon – van de daken: “In onze participatiemaatschappij telt en doet iedereen mee. Het gaat niet om de knikkers, het gaat om het spel!”

Waarom dan, zo vraag ik mij af, zitten er nog elke dag opnieuw duizenden mensen thuis op de bank? Mensen die niet mogen of kunnen meespelen, omdat wij – in de jacht op de knikkers – in het spel hen voorbij kijken. Onze  prestatiemaatschappij nodigt zo niet bepaald uit tot meedoen.

Meedoen bestaat uit tweerichtingsverkeer en gedijt bij échte belangstelling voor elkaar.  Als de ander na een snel ‘Hoe gaat het?’ doorloopt en geen oog voor je heeft als het wat minder gaat – of daar oeverloos over blijft dooremmeren – is dat weinig inspirerend en motiverend om je deel te voelen van de samenleving. Of, in sporttermen, om je deel te voelen van de prestatie.

Als Sven Kramer (terecht) gehuldigd en gevierd wordt omdat hij voor de derde keer op rij goud wint op 5 kilometer hard schaatsen, dan dankt hij dat succes net zo goed aan de schitterende prestaties van anderen. Het is immers geen kunst te winnen, als de rest er met de pet naar gooit!

Meedoen is meetellen. Het leidt tot een gevoel van trots, als je jouw eigen talenten kunt inzetten om nieuwe talenten te ontplooien. Juist het gevoel ertoe te doen, iets te kunnen betekenen voor een ander, maakt ons actief.

In een echte participatiemaatschappij is “Meedoen is belangrijker dan winnen” meer dan een cliché. Een echte participatiemaatschappij laat iedereen meedoen. Gewoon, omdat ‘iedereen telt en doet mee’ gebaseerd is op inclusief denken en doen, respect en ruimte voor diversiteit; ook bij en in prestaties.

Noem mij een zuurpruim of een idealist. Het zij zo, maar ik geloof dat écht! In een echte participatiemaatschappij doet iedereen mee. Iedereen, dat wil zeggen ook de mensen die dak- of thuisloos zijn. Ook de morbide verzamelaar van grafzerken of doppen van bierflesjes. Net zo goed als de mensen die niet zo hard  – of helemaal niet – kunnen schaatsen. Maar misschien juist weer heel goed zijn voor hun buurtjes. In een echte participatie maatschappij telt elke prestatie.

Het is de kunst om juist ook die prestaties te willen zien. Niet, om afbreuk te doen aan de schitterde prestaties van de (op een moment) allerbesten. Integendeel. Het is juist het presteren van al die anderen die glans en schittering geven aan de prestaties van de allerbesten. Juist daarom moeten wij goed blijven kijken en luisteren naar de prestaties van alle mensen en (ook) hun behoeftes serieus nemen. Want winnen kun je alleen, als anderen meetellen en meedoen!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

De toekomst adelt ons betekenis

arbeid adelt.png

  • Waardigheid en waarde zal het loon zijn

“Toegevoegde waarde”, zo kreeg ik onlangs aan een inspirerende ontwikkeltafel van een groep vrijdenkers bevestigd – “vindt in de toekomst haar basis niet in arbeid, maar in de betekenis van het doen en laten van mensen voor mensen (= puur kapitaal).” Met het leveren van wederdiensten kunnen mensen op een of andere manier hun waarde en betekenis voor de maatschappij vorm en inhoud geven. Wederdiensten krijgt de waarde van werk. Zo kan ieder mens, met zijn eigen mogelijkheden zich waardevol voelen. Gewoon, omdat uiteindelijk ieder mensen de ambitie heeft om iets te bereiken in het leven.

Volgens velen zou werkgelegenheid een belangrijk verkiezingsthema moeten zijn. Ik denk daar anders over. Niet werkgelegenheid of het arbeidsmarktbeleid is onze grote uitdaging. Die ligt in een fundamentele omslag in ons waarde denken!

Waarom? Omdat de economie gewoonweg verandert. Deze revolutie is stilletjes allang begonnen en zal in de komende jaren tot orkaankracht toenemen. Ons huidig economisch concept, enkel gebaseerd op ‘arbeid’ en ‘banen’ zal daarmee onhoudbaar worden. Als wij niet nu al beginnen, zullen de sociaaleconomische, sociaal-maatschappelijke en sociaal-culturele implicaties onze samenleving duurzaam ontwrichten. Simpelweg, omdat op termijn ons sociale stelsel niet meer te financieren valt op basis van werknemers- en werkgeverspremies.

De explosie aan technische ontwikkelingen die nog gaat komen, waaronder een toenemende robotisering van huidig werk, zal – tijdelijk vertraagd misschien, maar gestaag – leiden tot een verdere afkalving van de ‘klassieke’ werkgelegenheid. En daarmee van het daarop gebaseerde economisch model. Voortgaand inzetten op alleen werkgelegenheid als doel beschouw ik daarom als een heilloze opgave.

Veel mensen profiteren helemaal niet van welke economische groei dan ook. En allemaal leven wij in een enorme schuldeneconomie. Die ongelijke verdeling zit in ons geldsysteem. Dat gaat ten koste van ecologische, maatschappelijke en sociale waarden. Daarom ook is het tijd voor een hervorming van dat economisch stelsel.

Zijn mensen in de toekomst dan overbodig? Integendeel. De technologische ontwikkelingen kunnen een zegen zijn voor de her- en erkenning van andere waarden. Die van mensen voor en met elkaar. Waarde dus, die zich ontleent aan het betekenis geven aan mensen. Niet, door hen ‘nutteloos’ bezig te houden; of – als dat niet lukt – kunstmatig in het leven te houden met een uitkering. Begrippen als ‘werk, ‘arbeid’ en ‘loonwaarde’, splijten – onbedoeld, maar toch – onze samenleving. In cohorten van werkenden en niet werkenden, van verdienenden en niet verdienenden, van arm en rijk. Als wij deze begrippen vervangen door ‘bijdragen van waarde’ – voor een ander en de samenleving – in gelijkwaardiger verhouding te staan.

Een dienst van waarde is gebaseerd op overeenkomsten die burgers en instanties met elkaar sluiten, waarbij afspraken worden gemaakt over diensten die zij elkaar in ruil leveren. Geld zal daarbij een minder belangrijk betaalmiddel worden. Meer en meer mensen zullen mensen met een dienst van waarde (willen) betalen. Iets wat jij eenvoudig kunt doen, kan voor een ander heel waardevol zijn. Zo kan jij jouw spullen of talenten aanbieden en terugvragen van de ander.

Als wij als maatschappij vinden dat het belangrijk is dat er kinderen geboren worden en door hun ouders worden opgevoed, is dat wat waard. Als wij vinden dat mensen die niet of niet onvoldoende voor zichzelf kunnen zorgen, geholpen moeten worden, is dat wat waard. Als mensen bijdragen aan deze punten zouden ze daarvoor ook beloond moeten worden. Ook als ze dat – volgens het economisch arbeidsmodel niet beroepsmatig doen.

Op termijn zal de samenleving zo haar kapitaal niet meer ontlenen aan de loonwaarde van mensen, maar aan hun menswaarde. Dat vraagt een samenleving, waarbij niet arbeid of loonwaarde de dragende pijler is, maar het meedoen en meetellen van ieder mens.

Gelooft u mij niet? Kijk dan eens naar de stille opmars – nationaal en internationaal – van lokale munten. In Nederland alleen al zijn er inmiddels tientallen lokale muntinitiatieven.

Een aansprekend voorbeeld van een goed werkend lokale complementaire munt is de Bristol Pound. Het volledige loon van de burgemeester wordt uitbetaald in de Bristol Pound (1 Bristol Pound = 1 Sterling Pound. Bristol Pound) en komt volledig terecht in de lokale economie. De lokale economie is ook ingericht op de Bristol Pound met geschikte fysieke en digitale mogelijkheden, voldoende vraag en aanbod, grote bekendheid en binding aan de lokale munt.

In de toekomst zal – om te beginnen binnen lokale gemeenschappen – de nadruk meer en meer gelegd worden op deze andere waarden. Soms met alleen ondernemende doelstellingen, vaak met ecologische en sociale doelen of een combinatie hiervan. Met als grootste winst en voordeel van dat alles, dat niet langer enkel arbeid adelt en aanzien geeft. Ieder mens kan met waardigheid betekenis en waarde toevoegen.

Welke antwoorden wij van de politieke leiders de komende periode mogen dan wel moeten verwachten? Voor de komende kabinetsperiode zou een eerste stap kunnen zijn om – in plaats van een wet Werk en Zekerheid – te komen tot een wet Waarde en Zekerheid. De verantwoordelijk minister zou naast een arbeidsmarkt het nieuwe paradigma van waardenmarkt moeten creëren. En, als wij een regering krijgen met visie en lef, zal daarna het verbod op werk zonder loon sneuvelen. In combinatie met het invoeren van (voorlopers van) het basisinkomen. Daarmee samenhangend wordt het woord ‘tegenprestatie’ vervangen door ‘dienst van waarde.’

Misschien zal ik met deze boodschap (voorlopig nog) een roepende in de woestijn zijn. Mede door het aantrekken van de economie – en daarmee de arbeidsmarkt – laten wij ons graag in slaap sussen. Zeker, zolang wijzelf nog ‘gewoon’ mogen meedoen. Wat ik aankaart lijkt daarom wellicht onbetaalbare dagdromerij. Maar is dat ook zo?

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Net als de ander: meetellen en meedoen

armoede5.png

  • Een samenleving kan niet bloeien, als het grootste deel daarvan arm en ellendig is.

Eigenlijk, vind ik, moeten wij ons schamen voor de wijze waarop wij armoede bejegenen. ‘Effe geen cent te makken’, de tv-serie waarin het echtpaar Froger een maand lang ‘arm’ was, maakte heel wat los. Armoede is welhaast amusement geworden. Is dat wat er nodig is om armoede uit de taboesfeer te halen?

In ruim 40 procent van de meldingen die bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) binnenkomen omtrent ernstige zorgen over de situatie van een kind, speelt financiële problematiek van de opvoeders een rol. Deze vorm van armoede is naast psychische problematiek en verslavingsproblematiek een van de grootste risicofactoren voor kindermishandeling. Een soortgelijk signaal kwam de afgelopen week van de Nationale ombudsman over knelpunten van vrouwen in de vrouwenopvang. Vrouwen in de opvang (kunnen) onder de armoedegrens komen omdat de theorie van wet- en regelgeving (zak- en kleedgeld dan wel bijzondere bijstand) niet overeenkomt met de dagelijkse praktijk.

Armoede, zo leren ook deze berichten, is niet zelden een bron voor veel leed en zorg. De oorzaak ook van noodzakelijke zorg en aandacht. Desondanks lijkt het er op, dat wij meer aandacht hebben voor de gevolgen (kindermishandeling, huiselijk geweld, en wat dies meer zij. Anders gezegd: symptoombestrijding krijgt meer aandacht en geld dan oorzaakbestrijding. Dat komt, zo blijkt ook uit onderzoek, omdat de uitvoeringspraktijk van wet- en regelgeving rond sociale en financiële voorzieningen op het dagelijks leven van kwetsbare burgers in crisissituaties niet aansluit op dat wat werkelijk nodig is en helpt.

De verschillende vormen van mishandeling komen soms tegelijk voor. Verwaarlozing en mishandeling komen vaak tegelijk en in combinatie met andere vormen van huiselijk geweld voor, zoals geweld binnen het huwelijk. Naast de directe schade veroorzaken verwaarlozing en mishandeling problemen op lange termijn, zoals psychische problemen en drugs- of alcoholmisbruik.

Het risico van verwaarlozing of mishandeling wordt groter bij een mensen die alleenstaand zijn en weinig te besteden hebben, een drugs- of alcoholprobleem of een psychisch en psychiatrisch probleem hebben, zoals een gering gevoel van eigenwaarde of een persoonlijkheidsstoornis.

Armoede is allereerst een gebrek aan geld. Het betekent dat een huishouden (te) weinig geld heeft voor basisbehoeften zoals huur, gas, water en licht, voeding, kleding, persoonlijke verzorging, gezondheidszorg en onderwijs. Maar het betekent ook dat er weinig geld is voor ‘sociale participatie’ zoals het ontvangen van bezoek of op bezoek gaan, openbaar vervoer, vrije tijd (sport of hobby) en vakantie.

In Nederland ben je arm als je een inkomen hebt op of onder de lage inkomensgrens (zie hiernaast) en hier langere tijd van moet rondkomen zonder dat je de mogelijkheid hebt om spaargeld aan te boren.

Armoede komt in vele gradaties voor. Door het niet hebben van betaald werk, ten gevolge van echtscheidingen of faillissementen. Armoede leidt tot spanningen, gevoelens van onmacht en falen. Het zijn gevoelens die mensen irriteren, boos en wantrouwig maken. Prima voedingsbodems zijn het voor verwaarlozing en geweld. Niet, omdat mensen daarvoor kiezen, maar omdat ze geen andere uitweg of uitlaatklep meer hebben.

Natuurlijk zijn uitingen van verwaarlozing en geweld niet goed te praten. Begrijpen kan ik ze wel. Voor mensen die verstoken zijn van het meedoen aan een school of werk gerelateerd, sociaal maatschappelijk leven met, is de dreiging voor sociaal isolement of uitsluiting groot. Een samenleving die deze noden niet ziet, mag niet verwachten dat deze mensen nu en later respect tonen voor die samenleving.

Sociaal isolement en uitsluiting is daarmee niet alleen de grootste bron van heel veel kwaad, ergernis en zorg. Het is ook de knop waaraan wij kunnen draaien om de oorzaak weg te nemen. Mee mogen doen en integreren zijn basisvoorwaarden in het creëren van een samenleving, waarbinnen men elkaar respecteert. Met meedoen, maak je sociale contacten, leer je hoe met elkaar om te gaan, wat voor een ander over te hebben, hoe te winnen en te verliezen. Mensen die zulke dingen niet leren of kunnen, komen ernstig tekort. Met ontwrichtende gevolgen voor onze samenleving. Omdat het niet zonder gevolgen voor de toekomst blijft.

Juist daarom moeten wij aandacht geven aan de echte oorzaak van veel problemen waaraan wij wel aandacht besteden. Waar omheen een hele economische zorgindustrie is ontstaan. Het is tijd dat wij dat doen wat werkelijk werkt: aandacht geven aan mensen die buitenspel (dreigen te) staan. Hun veerkracht door aanspreken van eigen kwaliteiten, zelfvertrouwen en zelfbewustzijn en het stimuleren van maatschappelijke participatie. De eerste stap?

Het actief opzoeken van mensen in hun eigen leefomgeving (ook zorgmijders en zorgmissers) en hen uit hun sociale of financiële isolement helpen. Zoals de gemeente Zaanstad dat doet bijvoorbeeld. Daar maken zij door middel van muziek het onderwerp armoede bespreekbaar onder jongeren. Zij zetten de Zaanse band Skere Heren in om opgroeien in armoede uit de taboesfeer te halen, door optredens te geven en informatiebijeenkomsten te combineren met muziek. De manier waarop Skere Heren ‘skeer zijn’ (armoedig zijn) bespreekbaar maakt in rapteksten, maakt iets los bij de mensen waardoor zij minder schaamte voelen om over het onderwerp te praten.

Natuurlijk, wij kunnen ook niets doen. Maar niets doen is voor mij geen optie. Gewoon, omdat ik weet wat het oplevert, als je weet dat je meedoet en meetelt!

De geranium heeft zijn tijd gehad…

geranium2.png

  • Zullen wij weer eens naar de mensen zelf kijken?

Geraniums worden geassocieerd met alles wat burgerlijk is. Van Dale (2005) vermeldt naast achter de geraniums zitten de vergelijkbare uitdrukkingen ‘achter de kachel blijven (‘thuisblijven’, vaak met ongunstige bijklank) en ‘achter de (toon)bank raken’, liggen (‘vergeten worden, niet meer in tel zijn, geminacht worden’). Op de een of andere manier wordt ouder worden of ouder zijn geassocieerd met ‘niet mee meedoen’, uitgeteld zijn’. Ik weet inmiddels beter.

De 65 plussers van nu staan volop in het leven, zijn gezonder en grotendeels meegegroeid met het digitale tijdperk. Zij voelen zich bij lange na niet oud, uitgeteld of wat dies meer zij. Dat is ook wat ik jaarlijks ervaar als ik naar mijn – min of meer vaste – vakantiestek in Frankrijk (Des Arcades, St. Pantaléon) reis. Daar waar ik samen met mijn vrouw  en vrienden graag vertoef, zijn wij (nog) de jongere generatie. Verhoudingsgewijs dan. De gemiddelde leeftijd van de campinggasten ligt daar eerder boven dan onder de zeventig. Al kun je dat aan hun activiteiten – van wandelen, en fietsen tot hardlopen – niet aflezen. Neem Greet. Volgend jaar wordt zij zeventig. Maar wie haar meemaakt ziet eerder een pittige tante van een jaar of vijftig dan een oma van (bijna) zeventig.

Greet kwam vorig jaar (2015) min of meer toevallig aanwaaien op de camping. Deze was op dat moment alles, behalve seizoensklaar. De voorgenomen verkoop ketste op het laatste moment – het seizoen was eigenlijk al begonnen – af. De van oorsprong Nederlandse eigenaar – was op dat moment al terug in Nederland en moest hals over kop terug, de camping op orde brengen en runnen. Makkelijk gezegd, maar zonder de gebruikelijke jaarlijkse seizoen krachten geen eenvoudige opgave. Toch lukte het hem om binnen 10 dagen de hele camping weer als vanouds te laten draaien. Dankzij de nodige ‘ouderen van dagen’ en Greet in het bijzonder. Als een witte tornado veegde en poetste zij de toiletgebouwen, stacaravans en tenten. En, zo besloot Greet, omdat zij de verdere vakantie toch geen vastomlijnde plannen had: ze zou blijven. Om hand- en poetsdiensten te verlenen. Ik overdrijf niet als ik zeg dat de camping er sedertdien schoner bij stond dan ooit eerder.

Dit jaar is Greet opnieuw present. Trots als een pauw is zij inmiddels uitgegroeid de ongekroonde koningen van het campinghuishouden. Samen met ‘opa’ Jos bestiert zij de facilitaire diensten; tot en met het dagelijks ophalen van het vuilnis toe. En wie haar ziet rondstruinen weet een ding zeker: de geraniums hebben wat Greet betreft hun tijd gehad. Want Greet telt en doen nog van harte mee.

Het  beleid  van  de  zorg  en  de  overheid,  vastgesteld  in  de  Wet  maatschappelijke  ondersteuning  (Wmo),  is  er  op  gericht  dat  iedereen  kan meedoen in de maatschappij. In de praktijk van alle dag blijkt dat nog niet zo makkelijk te realiseren. De idealen die de zorgsector en de overheid voor ogen hebben, sluiten lang niet altijd aan bij de idealen, de mogelijkheden en de ervaringen van mensen om wie het draait. Ik stel mij regelmatig de vraag van wie het ideaal is dat we nastreven. Te vaak  blijken de  idealen  of productie van  de  organisatie  en van professionals leidend. Individuele verhalen, mogelijkheden en behoeften van mensen verdwijnen daarbij vaak naar de achtergrond. Zoals bij Joop (83) en Mien (85) bijvoorbeeld.

Ik leerde Mientje en Joop zo’n acht jaar terug kennen. Op de eerder bedoelde camping in Frankrijk, ja. Vorig jaar, zo bleek dit voorjaar, was hun laatste jaar dat ze naar Frankrijk konden afreizen. Ziekte – volgens de artsen niet meer te behandelen – van Joop houdt hen nu thuis. Met Mien en Joop gaat het – gegeven de omstandigheden – op dit moment best. Mocht ik met eigen ogen aanschouwen toen ik hen net voor mijn vakantie nog even bezocht.

Vanwege de ziekte van Joop werd hen – met de beste bedoelingen – hulp in het huishouden aangeboden. “Maar,” zeggen beiden, “dat hebben wij helemaal niet nodig. We moeten helemaal geen vreemde over de vloer.”  Waar Mien en Joop wel behoefte aan hebben? Aan vrienden en bekenden die af en toe eens langskomen. Hen een luisterend oor bieden. Die hun verhalen delen. Maar daarin voorziet ons door productie en ‘winst’ gebaseerde zorgstelsel nu net niet!

Begrijpt u mij goed: De verzorgingsstaat als zodanig wordt door mij niet ter discussie gesteld. Die vind ik – net als velen – nog steeds heel belangrijk. Maar de kracht daarvan is ook haar achilleshiel: wij willen (te) graag zorgen voor de ander in plaats van zorgen dat de ander kan meedoen en meetellen. Zorg wordt al snel een vorm van verregaand paternalisme. De ironie is dat een deel van de zorg die wij organiseren daardoor precies veroorzaakt  wat ze beoogt te bestrijden: afhankelijkheid en uitsluiting.

Het huidig adagium voor ons zorgstelsel predikt ‘eigen kracht’. Zelfredzaamheid, eigen regie en eigen verantwoordelijkheid zijn daarbij verheven tot normen waaraan iedereen in principe en naar vermogen moet willen voldoen.

Dat dit denken inmiddels populair is (in de zin van gewoon), wil nog niet zeggen dat het daarmee werkelijkheid is. Integendeel; ben ik geneigd te zeggen.

Ik ben niet tegen zelfredzaamheid en eigen regie of participatie. Dat mag uit het voorgaande duidelijk zijn geworden. Wel zet ik vraagtekens bij de manier waarop deze begrippen worden gebruikt. De verzorgingsstaat is – net als haar tegenhanger – de participatiesamenleving – een systeem dat mensen dwangmatig ontregelt. Niet door het beroep op zelfredzaamheid en eigen regie, maar door het ritueel waarmee dit beroep op ons wordt gedaan. Zij missen de menselijke maat van betrokkenheid en geluk. Het antwoord daarop is mensen laten ervaren dat zij meetellen en meedoen. Op basis van hun eigen mogelijkheden en beperkingen.

Hé dooie…

Voor de ogen van haar klasgenoten heeft een vijftienjarige scholiere uit Staphorst dinsdag een einde aan haar leven gemaakt. Op weg van huis naar school sprong zij bij een spoorwegovergang voor de trein vlak voor de school zou beginnen. Dit bericht schrok mij – zoals velen – deze week op.

Het bericht bracht en brengt mij even stevig van slag. Omdat het bij mij appelleerde aan eenzelfde gebeurtenis, zo’n 43 jaar terug. Als brugklasser – ik bezocht dat jaar de scholengemeenschap Nebo-Mariënbosch te Nijmegen – was ik ooggetuige van eenzelfde noodsprong van een klasgenootje. Wij fietsten na schooltijd met een groepje van 5 klasgenoten van school via d’Almarasweg richting huis. Die weg kruiste met een spoorbaan. De spoorwegovergang sloot juist toen wij kwamen aanrijden. En terwijl wij rustig voor de spoorbomen stonden te wachten, stapte mijn klasgenootje rustig van zijn fiets en liep vlak voor onze ogen en de aanstormende trein het spoor op.

Het waarom van zijn doen is mij nooit helemaal duidelijk geworden. Destijds werd gezegd dat de oorzaak lag in een slecht rapport. En ouders die dat niet zouden pruimen. Nu, zoveel jaren later, realiseer ik mij dat hij destijds ook wel geplaagd of gepest werd met zijn prestatiedrang.

De sedert afgelopen dinsdag naar aanleiding van dit voorval – voor de zoveelste keer – oplaaiende discussie over de impact van pesten op een kinderleven riep ook andere herinneringen op. Als jong jochie vond ik het verschrikkelijk wanneer ik door straat-, buurt- en klasgenootjes werd aangeroepen met “hé dooie”. De wijze waarop dat gebeurde gaf mij een sterk gevoel van schaamte voor mijn naam. En een gevoel van vernedering. Ik wilde dan het liefst stilletjes wegkruipen of verdwijnen.

Het grappige is dat onze zoon, door zijn vrienden ook regelmatig aangeroepen met hetzelfde “hé dooie’’ dit juist meer als een geuzennaam lijkt te beschouwen. En onze kleindochter verklaarde op de 21ste september – toen onze zoon officieel in het huwelijk trad met haar moeder – vol trots ‘dat mama nu ook (eindelijk) Doodkorte mag heten’. Wat ik maar zeggen wil: het is vaak ook een combinatie van meerdere factoren: de toon van de muziek, de omstandigheid, de persoonskenmerken van het individu, enzovoort.

Er gaan – zo blijkt uit onderzoek – zeker zo’n vijfduizend kinderen niet meer naar school omdat ze daar zo gepest worden. De angst voor afwijzing maakt dat ze uit angst thuisblijven en geen basis- of voortgezet onderwijs meer volgen. Dat zijn rampzalige en schokkende cijfers.

Volgens Kinderombudsman Marc Dullaert is het tijd: er moet nu écht werk worden gemaakt van een aanpak van pesten. “Na elk incident laait de maatschappelijke discussie over pesten weer op, om na een paar weken weer stil te vallen”, aldus Dullaert.

In het Kinderrechtenverdrag staat dat alle kinderen recht hebben op een veilige omgeving en dat ze moeten worden beschermd tegen discriminatie, dus ook tegen pesten. Dullaert wil daarom in gesprek gaan met kinderen, onderwijsorganisaties en pestdeskundigen om de problematiek van pesten in Nederlandse scholen aan te pakken. Volgens anderen dient elke school in Nederland voorzien te zijn van een pestprotocol, iets waar de onderwijsinspectie op toeziet.

Ik juich de aandacht voor pesten en pesters toe. Het pestprotocol echter wijs ik af. Met de Kinderombudsman vraag ik mij af of deze protocollen concreet genoeg zijn om een veilige omgeving voor kinderen en jongeren te bieden. Net zoals het toezicht daarop van de Inspectie. Protocollen kunnen werken als schaamlap bij gebrek aan persoonlijke moed. We hebben toch een plan/protocol?

Wezenlijker vind ik dat wij volwassenen ons meer bewust zijn van ons voorbeeldgedrag. Ouders, leerkrachten, werkgevers en collega’s alsook politici bezondigen zich met grote regelmaat aan pestgedrag. Ga maar eens op voetvalvelden luisteren naar wat de ouders de tegenstanders van hun kinderen toewensen. Hoor eens wat ouders tegen leerkrachten – vaak waar alle leerlingen bij aanwezig zijn – zeggen wanneer hen iets dwarszit. Verwonder je over de manieren van omgang van sommige personeelsleden met elkaar. En maak eens kennis met het ‘hekcircuit’: ouders die aan het hek roddelen over leerkrachten, collega’s op het werk die over elkaar kletsen, etc. Aan het hek, op de werkvloer en in de politieke arena worden velen, vaak zonder zich te kunnen verdedigen, ‘afgemaakt’. En ook de media – ja, zij doen het net zo hard, en met nog meer impact – maken zich er schuldig aan. De vernedering van het moeten aftreden, een strafrechtelijk onderzoek of een persoonlijk faillissement: we wrijven het er graag, hard en langdurig in. En ja, ook het iemand publiekelijk molesteren – met woorden of daden – kan als een ernstige vorm van vernedering worden gezien. Met – zo leerden andere (recente) voorvallen ons – soms een dodelijke afloop.

Pesten gaat over de angst van het niet mogen meedoen. Over het gevoel van niet meetellen. En iedereen wil graag meetellen, gezien worden, meedoen en serieus genomen worden. En aan het gevoel van meetellen en meedoen kunnen wij als volwassenen veel doen. Het begint met verschillen te accepteren, te respecteren en te omarmen. Accepteren is iemand nemen zoals hij is. Respect betekent oorspronkelijk ‘omzien naar’, en geeft aan dat iemand rekening houdt met een ander persoon etc. Voor veel mensen is respect een basishouding, een manier om mensen tegemoet te treden. Maar in alle gevallen geldt dat accepteren, respecteren en omarmen werkwoorden zijn. En werken doe je niet door op de tribune zitting te nemen, maar door in actie te komen. Dus, mag ik u uitnodigen samen met mij van de tribune af te komen en het speelveld te betreden?

1 De familienaam Doodkorte is afkomstig van een boerderij (kotte) welke de naam “Doetkotte” droeg, letterlijk dus “dode boerderij”. De boerderij was gelegen aan de Doetkottenweg in Gronau/Epe in het “amt Horstmar” behorende bij het Grafshaft Steinfurt en was eigendom van de graaf van Steinfurt.