De parabel van Levijitzchak van Berditchev

Rabbi Levi

Eens reisde een koning door een groot woud. Hij drong zo diep in het woud door dat hij er in verdwaalde, en kon onmogelijk de weg terug vinden.

In het diepste van het woud ontmoette hij eenvoudige boeren, en vroeg hun om hem uit het woud te leiden, maar zij waren niet in staat om hem te helpen, want zij hadden nooit gehoord van de koningsallé, welke direct leidt naar het koninklijke paleis.

Ten slotte vond de koning een wijs en begrijpelijk man en vroeg om zijn hulp. De wijze bemerkte onmiddellijk dat het de koning was, en was diep ontroerd bij deze ontmoeting. In zijn wijsheid, leidde hij de koning onmiddellijk naar het juiste pad en begeleidde hem tot in het koninklijke paleis en stond hem bij tot aan het punt dat hij volledig in ere was hersteld en plaats genomen had op zijn majestueuze troon.

De redder, vond uiteraard, grote gunst bij de koning.

Tijd verging en de wijze man handelde onfatsoenlijk op zo danige wijze dat het de koning ergerde. De koning beschouwde hem als iemand die de koninklijke wetten had overschreden en sleepte hem voor het gerecht.

De man wist dat hij zeer streng zou worden aangepakt. In grote angst knielde hij voor de koning en smeekte om de verlening van een gunst, voordat het gerecht zou oordelen. Hij wenste te worden gekleed in dezelfde kleren die droeg bij de eerste ontmoeting met de koning in het woud. En ook de koning zou de originele kleding dragen van toen. De koning aanvaardde zijn verzoek. Toen de woudontmoeting opnieuw was geënsceneerd door het dragen van hun originele kleding, herinnerde de koning zich krachtig en helder de levensreddende vriendelijkheid van zijn redder. Grote vergevensgezindheid werd bij hem opgewekt toen hij zich eveneens herinnerde hoe hij opnieuw in ere werd hersteld op de troon. Met begaanheid en genade vergaf de koning grootmoedig zijn redder en bracht hem terug naar zijn hoge positie van eer.

Schaduw boven de zonnewijzer

perzian king

Eens wilde een koning in het Oosten zijn onderdanen een genoegen doen. Daarom bracht hij van een van zijn reizen een zonnewijzer mee die hij op het plein in de hoofdstad van zijn rijk plaatste.

Zijn geschenk veranderde het leven van de mensen. Ze begonnen de dagdelen te onderscheiden, ze werden punctueler, ordelijker, betrouwbaarder, ze leerden de betekenis van licht en schaduw kennen en kregen inzicht in de werkingen van het licht. En zo werd hun leven verlicht.
Toen de koning stierf vroegen de mensen zich af hoe ze de gestorvene op waardige wijze konden gedenken en zijn meest waardevolle geschenk konden behoeden.

Omdat de zonnewijzer het symbool van de genade van de koning was en de mensen uiterlijke en innerlijke rijkdom had bezorgd, besloten ze een prachtige tempel met een gouden koepeldak voor de zonnewijzer te bouwen.

Maar toen de tempel voltooid was en de koepel zich boven de zonnewijzer welfde, konden de zonnestralen de wijzer niet meer bereiken.De schaduw die de burgers de hoogte en intensiteit van het licht had getoond, was verdwenen, nu het gemeenschappelijke oriëntatiepunt, de zonnewijzer, afgeschermd was.

De ene burger was niet meer precies, de ander niet meer betrouwbaar, weer een ander niet meer ordelijk. Het inzicht in de samenhang tussen licht en donker ging verloren en de diepe betekenis van de levende tegenwoordigheid van het licht werd niet meer herkend.

En zo viel het innerlijk koninkrijk uiteen. En daarna het uiterlijke koninkrijk.

De dwaas en de koning

dwaas en de koning

Er was eens een dwaas die op reis ging naar het paleis van de koning. Onderweg werd hij door de mensen nagewezen en uitgelachen. ‘Wat moet een dwaas als jij nu bij de koning?! riepen ze spottend.

‘Nou, ik wordt de leraar van de koning,’ antwoordde de dwaas met grote stelligheid.
Maar zijn antwoord bracht de mensen alleen maar meer aan het lachen.

Toen de dwaas bij het paleis aan kwam, meende de koning dat hij korte metten kon maken met de dwaas en wel wat grappen met hem kon uithalen.

‘Hoe kom je erbij de koning te durven storen?’ vroeg de vorst op strenge toon.
‘Ik kom hier om uw leraar te worden,’ zei de dwaas zelfverzekerd.
De koning lachte zich krom: ‘Wat zou een dwaas als jij mij nu kunnen leren?’
‘Ziet u wel,’ zei de dwaas. ‘U stelt me meteen al een vraag.’

Het werd ijzig stil in de troonzaal en alle leden van de hofhouding hielden de adem in.
Ook de koning wist even niets te zeggen, maar toen vermande hij zich: ‘Ik moet toegeven dat je slim hebt gereageerd, maar mijn vraag heb je niet beantwoord.’

‘Alleen een dwaas heeft op alles een antwoord, koning.’

‘Maar ….’ stamelde de koning verbouwereerd. ‘Hoe zouden mijn onderdanen het vinden als hun koning een dwaas als leraar zou hebben?’

‘Beter een dwaas als leraar, dan een dwaas als koning,’ klonk het antwoord.

De koning was behoorlijk uit het veld geslagen door de antwoorden van de dwaas, maar probeerde toch met een heel slimme vraag de zaak nog te redden. ‘Maar als ik en dwaas als leraar neem, ben ik dan niet zelf een dwaas?’

‘Alleen een dwaas zal altijd van zichzelf zeggen dat hij geen dwaas is, koning.’

En zo werd de dwaas de leraar van de koning.

De chinese nachtegaal

  • Hans Christiaan Andersen

Chinese_nachtegaal

De keizer in China woont in een paleis van porselein, in zijn bos zingt de nachtegaal het mooiste lied. Een visser hoort het lied en vindt het prachtig. Dichters en geleerden schrijven over de vogel en de keizer leest de geschriften. De keizer kent de nachtegaal niet, hij heeft zijn lied nog nooit gehoord. De kamerheer heeft ook nog nooit van de nachtegaal gehoord en zoekt in trappen en gangen. Het keukenmeisje kent de nachtegaal, ze hoort hem als ze naar haar zieke moeder bij het strand loopt. De hofjonkers horen koeien en de hofprediker een kikker, voordat de nachtegaal te horen is., Het dier ziet er gewoontjes uit en het meisje vraagt of het dier voor de keizer zingen wil. De nachtegaal zingt zo mooi, dat hij de gouden pantoffel om zijn hals mag dragen. Het dier bedankt echter voor de eer, hij heeft al tranen in de ogen van de keizer gezien en is hier tevreden mee.

De nachtegaal wordt vastgehouden in een eigen kooi en krijgt zijden bandjes om zijn poten. Iedereen in de stad spreekt over de bijzondere vogel. Op een dag krijgt de keizer een pakket, er zit een nagemaakte nachtegaal in. Een mechaniekje zorgt voor het geluid en het dier glinstert van zilver en goud. Het is een cadeau van de keizer van Japan en de mensen willen dat de vogels een duet zingen. Dit lukt niet en de mensen laten de namaakvogel zingen. Niemand merkt dat de nachtegaal ontsnapt door het raam en de keizer en zijn dienaren zijn boos. Maar al snel merkt men dat bij de kunstvogel alles vast staat, terwijl men maar moest afwachten wat men kreeg bij de echte nachtegaal. Het volk zal de vogel op zondag zien en er wordt een concert georganiseerd. Men houdt de vinger die men likkepot noemt omhoog en roept O, het lijkt alsof de bevolking in een roes van groene thee is gekomen.

De arme visser kent het geluid van de echte nachtegaal en vindt dat er iets ontbreekt. Er worden boeken over de namaaknachtegaal geschreven door de hofkapelmeester. Er staan moeilijke Chinese woorden in het boek en iedereen zegt dat hij de inhoud begrijpt, want anders volgt straf. Het hele jaar zingt de kunstvogel en iedereen kan meezingen. Op een dag gaat de vogel kapot en de keizer roept zijn lijfarts, maar die kan niks doen. Er wordt een horlogemaker gehaald, maar de tappen zijn versleten en men moet voortaan voorzichtig doen. Men durft de vogel slechts eenmaal per jaar te laten zingen, de hofkapelmeester houdt een toespraak bij die gelegenheid. Vijf jaar later is de keizer ziek en het land is in rouw. De Dood zit op de borstkast van de keizer en draagt de keizerlijke gouden kroon, een sabel en een vaandel.

Boze en goede daden worden bekeken en de keizer wil muziek horen, maar de kunstvogel blijft stil. De Dood blijft kijken, maar dan zingt de nachtegaal. De keizer krijgt troost en hoop en de gestalten verbleken. De Dood luistert ook naar de vogel en ruilt de sabel, het vaandel en de keizerskroon voor een lied. De nachtegaal zingt over het kerkhof met witte rozen een vlierstruik en de tranen van achtergeblevenen. De Dood zweeft als witte nevel uit het raam en de keizer dankt de nachtegaal. Hij wil een beloning geven, maar de nachtegaal zegt dat de tranen bij zijn eerste lied voldoende zijn. De nachtegaal zingt en de keizer valt in slaap. De nachtegaal zit bij het bed als hij wakker wordt en de keizer vraagt hem te blijven zingen. De nachtegaal zegt dat de keizer de kunstvogel houden moet, hijzelf zal elke avond op een tak buiten het raam zingen. De vogel gaat overal heen en iedereen wordt vrolijk, hij zingt van geluk en lijden.

De wens van de steenhouwer

steenhouwer

Er was eens een Japanse steenhouwer. Iedere dag ging hij naar het gebergte om stenen uit de wand te hakken. Het was een zwaar bestaan.

Op zekere dag moest hij bij een rijk man een grafsteen brengen. Toen hij bij diens huis aangekomen was en naar binnen keek, verbaasde hij zich over de rijkdom. De steenhouwer wiste zich het zweet van het voorhoofd en verzuchtte: “Ach, was ik maar rijk, dan hoefde ik niet de hele dag stenen te kappen”. Nauwelijks had hij deze woorden geuit of zijn wens werd vervuld. Toen hij ’s avonds thuiskwam was hij een rijk man. Al spoedig was hij zijn vorige bestaan vergeten.

Een tijd later zag hij de koning, die door zijn dienaren met een parasol beschermd werd tegen de zonnestralen, in zijn draagstoel voorbijkomen. De rijke man had echter wel last van de warmte en verzuchtte: “Ach was ik maar koning.” Direct werd ook deze wens vervuld. Als een koning werd hij onder de schaduw van een parasol rondgedragen.

Die zomer werd het steeds heter. Alles op het land verdorde onder de hitte van de zon, geen grassprietje bleef er over. Toen hij dit als koning merkte, verzuchtte hij: “Ach was ik maar de zon, die is nog veel machtiger dan ik” . Nauwelijks had hij dit uitgesproken, of hij veranderde in de zon. Trots zond hij zijn stralen naar de aarde en zorgde dat alle mensen, arm en rijk, een bruinverbrande huid kregen.

Maar toen er op een dag een wolk voor de zon trok, kon hij niet schijnen. Zijn licht kon er niet doorheen dringen. “Ach”, riep hij uit “was ik maar een wolk”. Ook deze wens werd vervuld; een paar tellen later was hij een wolk. Hij hield de zonnestralen tegen en bevloeide de aarde met zijn regenbuien.

Als wolk was hij echter pas tevreden, als hij een overvloed aan water naar beneden gestort had. Zo veel, dat de rivieren overstroomden en de dijken doorbraken. Alleen een eenzame, stevige rots was in staat zich overeind te houden. De wolk verbaasde zich over zijn kracht. “Ik wil een rots zijn”, riep hij uit. En hij werd rots. Geen watervloed kon hem uit zijn evenwicht brengen.

Op een dag hoorde hij een vreemd geluid. Toen de rots omlaag keek, zag hij een kleine mens; een steenhouwer die met een houweel stukken steen uit de voet van de rots brak. De rots raakte geheel buiten zichzelf en riep: “Een nietig mens is sterker dan ik, een machtige rots. Dan wil ik die mens zijn”. En voor de laatste keer werd zijn wens vervuld.

Hij was weer de steenhouwer van voorheen, die zijn kost verdiende in het zweet des aanschijns. Maar ondanks zijn zware beroep was hij gelukkig. Want een ding had hij voorgoed geleerd: wie niet tevreden is met zichzelf, is met niets tevreden.

De Koningen en hun Koning

koning koningen

Wie kent niet de hunkering naar veiligheid en geborgenheid of het hevige verlangen naar respect en aanzien. De volgende parabel vertelt wat er gebeurt wanneer aan deze verlangens wordt toegegeven. Het laat zien hoe zo valse koningen aan de macht komen en verschaft tegelijkertijd een inzicht in de aard van ware koningen en waar koningschap.

De parabel van de Koningen en hun Koning vertelt ons dat elke mens, van de boom van een kerel tot het kleine muurbloempje, het in zich heeft een ware koning te worden.

De Koningen en hun Koning
Eens, lang, lang geleden, gingen de bomen op zoek naar een koning. Ze zeiden tegen de olijfboom: “Wees toch koning over ons!” Maar de olijfboom antwoordde: “Ik geef goede olierijke vruchten, die warmen en verzadigen. Waarom zou ik dat opgeven om boven de bomen te gaan zweven?”

Toen zeiden de bomen tegen de vijgeboom: “Wees toch koning over ons!” Maar de vijgeboom antwoordde: “Ik geef goede zoete vruchten, die voeden en verzachten. Waarom zou ik dat opgeven om boven de bomen te gaan zweven?”

Daarop zeiden de bomen tegen de wijnstok: “Wees toch koning over ons!” Maar de wijnstok antwoordde: “Ik geef goede sappige vruchten, die verfrissen en vrolijk maken. Waarom zou ik dat opgeven om boven de bomen te gaan zweven?”

Drie keer hadden de bomen hetzelfde antwoord gekregen maar onverstoord zetten ze hun zoektocht voort. Zo kwam het dat ze tegen de doornstruik zeiden: “Wees toch koning over ons!”

En de doornstruik antwoordde: “Als jullie mij echt tot koning willen uitroepen, kom dan en schuil in mijn schaduw. Maar zo niet, dan zal er vuur van de doornstruik uitgaan dat zelfs de oudste en machtigste onder u zal verteren.”

De machtige ceders en alle andere bomen beefden van de schrik en spoedden zich naar de schaduw van de doornstruik beneden hen. Ze kromden hun ruggen en lieten hun takken hangen en voelden zich veilig in hun nieuwe schuilplaats. Maar in de koelte van de schaduw wilden hun vruchten niet rijpen en hun takken en gebladerte konden niet naar de duisternis van zijn schaduw toegroeien. De ruggen van de bomen kraakten en sommige braken maar dat deerde de doornstruik niet.

Voorzichtig, zonder de schaduw van de doornstruik te verlaten, reikten de bomen met een paar takken en wat blaadjes omhoog naar het licht.

De doornstruik spuwde onmiddellijk vuur. Zijn koortsachtige vlammen kropen over de grond en likten aan de basten van de bomen. Om van het vuur weg te komen, rechtten de bomen hun gekromde ruggen en verlieten zo de schaduw van de doornstruik terwijl hun dikke, weerbarstige stammen hen beschermde tegen zijn vuur.

De doornstruik keek omhoog naar de bomen. Rechtop, trots en fier en bevrijd van hun angsten en onderdanigheid stonden de bomen te baden in het licht. In de warmte van het licht waren ze thuis en hun goede vruchten begonnen opnieuw te groeien en te rijpen.

De doornstruik miste hun nabijheid. Hij miste hen zo erg dat hij zijn verlangen naar macht en aanzien vergat en alleen nog maar kon huilen. Niet langer verteerd door zijn spuwende vlammen en beschermd door zijn stekelige doornen vormden zich in de doornstruik kleine, tere rozenknopjes. Begoten met zijn tranen groeiden de knopjes uit tot heerlijk geurende rozen, vol schoonheid en liefde, die vervolgens rijpten in rozenbottels. Dat zijn goede vruchten die beschermen en versterken. En zo werd ook de doornstruik, die altijd toch al zo graag koning had willen zijn, een ware koning.

Want een ware koning dient terwijl de valse koning beveelt.

DE PARABEL VAN DE BAAL SHEM TOV

Baal Shem Tov

Er was eens een koning die maar één zoon had, die zeer onderlegd was en de oogappel van zijn vader. De koning besloot, voor het welzijn van de prins, dat hij zou reizen naar een ver afgelegen land om wijsheid en kennis te vergaren over het menselijke gedrag.

De koning voorzag zijn zoon van een brede escorte, een groep van notabelen en eminente staatsfunctionarissen, en een gevolg van bedienden om hem bij te staan. De koning schonk hem evenzo grote rijkdom, zodat hij met gemak en in luxe naar de vele landen en verre eilanden kon reizen. Hij hoopte dat de prins tot een hoog geestelijk niveau zou groeien bij het verwerven van wijsheid en ervaring.

Gedurende de lange reis gewende de zoon zich aan de grote luxe, en verspilde het geld aan zucht naar fysieke lusten; zijn levensstijl werd een continue toenemende vraag naar sensualiteit en zelfvoldoening.

Dit resulteerde uiteindelijk in de verkoop van alles wat hij bezat.

Ten slotte belandde hij zielsalleen in een ver afgelegen land waar men zijn vader niet kende was. Vanuit bittere armoede en leed besloot hij huiswaarts te keren. Maar er was zoveel tijd voorbijgegaan dat hij zijn eigen taal was vergeten. Bij terugkomst in zijn eigen land, probeerde hij te communiceren in gebarentaal en symbolische tekens, dat hij de zoon van de koning was, maar het volk begreep hem niet. Uiteindelijk bereikte hij de plaats van het koninklijke paleis en opnieuw probeerde hij met allerlei gebaren en tekens aan de aanwezige mensen duidelijk te maken wie hij was, maar het mocht niet baten. In volledige wanhoop schreeuwde hij met luide stem, in de hoop dat zijn vader hem zou horen en herkennen. Plotseling werd de koning gewaar dat dit de stem van zijn zoon was, huilend met grote smart. Dit riep al zijn vaderlijke gevoelens van liefde en begaanheid op, en hij omarmde en kuste zijn zoon.