Doorgaan – Vooral doorgaan!

geld dans

  • Het is het geld dat ons doet worstelen

Innoveren en samenwerken is de noodzakelijke stap in de transformatie van het sociaal domein. Er is veel aan het veranderg een aantal jaren duren. We zitten met zijn allen in een veranderingsproces, met verschuivingen in macht, zeggenschap en geld. Die beweging mag en moet niet stilvallen nu er – al dan niet tijdelijk – extra geld komt voor het sociaal domein in het algemeen en de zorg voor jeugd in het bijzonder. Wij moeten doorgaan. Vooral doorgaan en doorpakken!

De transformatie in het maatschappelijk domein betekent een andere manier van denken en doen. Voor bestuurders en beleidsmakers, voor professionals en vrijwilligers. Met onze inwoners voorop. Samen moeten wij de participatiemaatschappij vormgeven.

Voor mij is het belangrijk om daarbij echt te leren van de praktijk, van de mensen om wie het gaat. Ook, omdat mensen, zeker als ze veel problemen hebben, hun oplossing het liefste zelf willen regelen. Het gaat er daarbij om hoe wij als overheid en als professionals in de ondersteuning goed aansluiten op wat mensen zelf al kunnen en graag willen. Waarbij het onze taak kan zijn hen te helpen overzicht te krijgen over hun leefsituatie. Om vervolgens een eerste stap te kunnen zetten om hun bestaanszekerheid te borgen.

Mensen met meerdere problemen hebben altijd één of twee acute problemen die rechtstreeks verband houden met die bedreiging van hun bestaanszekerheid. Die prioritaire problemen (financiën, wonen, overzicht) vragen om een snelle, meestal professionele, oplossing. Voor de één komt die bestaanszekerheid tot uitdrukking in financiële degelijkheid, voor de ander is dat het behoud van een (vrijwilligers-)baan die past als een jas, of een gezonde woning.

Maslow, een bekend Amerikaans psycholoog, ontwikkelde in de jaren zestig al de theorie van de toenemende behoefte. Kort door de bocht: alleen als in je basisbehoeften, zoals eten en drinken en een dak boven je hoofd is voorzien, als je je veilig en geliefd voelt en erkend wordt door je omgeving, kun je werken aan de volgende stap: die van zelfactualisatie. Dat betekent ook dat armoedebestrijding, schuldhulpverlening en participatie belangrijke vliegwielen zijn bij de transformatie van ons zorgstelsel. Daaruit kunnen nieuwe perspectieven ontstaan, andere manieren van omgaan met elkaar, maar ook nieuwe impulsen voor onderwijs en participatie en manieren waarop de mens wordt benaderd binnen de geestelijke en lichamelijke gezondheidszorg. Immers, een toegenomen bewustzijn werkt ook door naar de onderliggende lagen.

Jeugdigen, volwassenen en  ouderen die met psychosociale problemen kampen hebben wellicht ook medische of psychologische hulp nodig. Meestal echter richten wij ons op het reduceren, bestrijden of hanteerbaar maken van de gevolgen van een dieperliggende oorzaak. Als wij ons (te veel) daarop blijven focussen, faciliteren wij eerder het probleem, dan dat wij het oplossen.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de meest indringende opgave voor en bij de transformatie gaat over de behoefte aan, of beter: de noodzaak tot maatwerk. De hamvraag daarbij is: lukt het ons als professionals om uit onze koker te stappen en met inwoners te praten over wat de beste oplossing is? Nu bijvoorbeeld verwijzen veel huisartsen kinderen met gedragsproblemen automatisch door naar jeugd-(GGz-)instellingen. Dan komt het wel goed, is de gedachte. Nu heeft de huisarts drie keuzen. Hij kan een kind met probleemgedrag meteen doorverwijzen naar een instelling. Hij kan zelf pillen voorschrijven, of hij kan met het wijkteam in de gemeente praten over de context waarin dit kind opgroeit. Door samen naar de situatie van het gezin als geheel te kijken, kan blijken dat de oorzaak van het probleem een hele andere bron heeft dan het symptoom dat wij (willen) zien doet vermoeden.

Het extra geld dat het Rijk nu wil uittrekken voor de zorg voor jeugd draagt een groot risico in zich: nieuwe ruimte voor zorgaanbieders om het volume aan geleverde zorg te vergroten. Nieuwe ruimte ook om opvoedingsproblemen steeds meer te laten overnemen door een professioneel circuit van jeugdhulpverleners, orthotherapeuten en psychologen en ze zo af te pakken van ouders en opvoeders.

Ik zal niet beweren dat er geen financieel probleem is. Op dit moment is dat zeker het geval. Omdat wij eigenlijk geïntensiveerd doen, wat wij – ook voor de decentralisatie – altijd al deden. Er is echter geen enkele reden om de gelden structureel toe te kennen. Omdat ‘geld erbij’ niet automatisch leidt tot betere en beter beheersbare jeugdhulp. Integendeel. Meer geld zal de behoefte aan nog meer zorg eerder doen toenemen dan terugdringen. Betere en beheersbare jeugdhulp is gebaat bij een andere verhouding van ons jegens uitdagingen, wetten en regels. Dat vraagt kijken naar hetzelfde vraagstuk vanuit een ander perspectief. Over denken en doen in kansen en oplossingen.

Een betere regiovoering, betere sturing en betere samenwerking in combinatie met het gebruik van de juiste vliegwielen zal niet allen een halt toeroepen aan de toenemende hoeveelheid indicaties, waarbij steeds meer geld naar steeds meer nieuwe aanbieders met steeds onduidelijker kwaliteit gaat. Een zekere krapte in budget zal de kwaliteit van zorg juist vergroten door aanbieders uit te dagen om – samen met ouders, opvoeders en jeugdigen – de afweging te maken of zij iets doen dat werkt.

Daarom zeg ik, van harte: Laten wij ons niet laten afleiden door de rammelende buidels met geld. Zij stimuleren slechts de worstelpartij om de poet die ons al te lang afleidt van de werkelijke opgave. Wij moeten doorgaan met het veranderproces met verschuivingen in macht, zeggenschap en geld. Vooral doorgaan en doorpakken!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

 

Advertenties

Ongemakkelijke waarheid

tijd en aandacht.png

  • Jeugdzorg is een zeepbel geworden!

Het budget van gemeenten voor jeugdzorg is te krap. Maar meer geld alleen is niet genoeg, vindt de sector. Waar moet al dat geld dan heen, vraag ik mij af. In de overtuiging dat meer geld voor jeugdzorg onze problemen alleen maar zal vergroten. Of dat onzin is? Nee! Het is een ongemakkelijke waarheid.

Jeugdzorg kampt met problemen. Nog altijd. Kinderen en huisartsen merken het aan lange wachtlijsten, gemeenten merken het aan tekorten op de begroting. Een eenduidige verklaring voor de stijging is er niet. Wel sterke vermoedens. Natuurlijk, wijkteams komen letterlijk achter de voordeur bij inwoners. Ze signaleren problemen van kinderen eerder. Naar mijn mening echter vooral omdat er sprake is van een nieuwe  ‘moraal’. Waarbij wij in alles wat ons als opvoeder s ‘last bezorgt’ graag als probleem definiëren. Want dan kunnen wij er anderen mee opzadelen.

Driftbuien, druk gedrag, slaap- of eetproblemen: de ouders van nu leggen hun problemen wat graag voor aan ‘deskundigen’. Want de ouders van nu zijn druk. Met het regelen en jongleren met acties, tijd, aandacht, energie, relaties en verwachtingen. Waardoor de tijd en aandacht voor de kinderen bij deze ‘renners en planners’ een schaars goed geworden is. Ze krijgen veel afgevinkt en voelen zich helemaal geweldig. Zolang de kinderen zich volgens hun verwachting gedragen. Ouders hebben geen tijd meer, of maken geen tijd meer, om vanaf het prilste begin genoeg tijd met hun kinderen door te brengen. Ze zijn te veel met zichzelf bezig. En met hun carrière, vakantie, hypotheek en spullen. Ze willen tijd voor zichzelf hebben, en niet geclaimd worden. Ze willen wel kinderen, maar ze willen er tegelijkertijd nauwelijks tijd voor vrijmaken. Het is tegenwoordig normaal om kinderen aan de zorg van anderen over te laten. Aan grootouders, gastouders, en hulpverleners.

Zo is er tegenwoordig een brugklastraining. Want het idee van de brugklas zou onze tieners wel eens bang kunnen maken of onzeker? Zou wel goed komen? Als iemand over de brugklas begint, zeurt een stemmetje in het hoofd van onze tieners: alles wordt anders! Ja, en, denk ik dan. Hoe ging dat destijds met mij? Ik herinner mij die tijd nog goed; het laatste schooljaar op de basisschool, de musical, die laatste schooldag. Het was enerverend en spannend, maar ook uitdagend. En het leverde heel wat gespreksstof op aan de keukentafel thuis. Ongemakkelijke gesprekken soms ook. Voor mij, zowel als voor mijn ouders. Al hadden die daarmee al de nodige ervaring. Ik was per slot nummer zes die die overstap maakte!

De huidige tijd vraagt veel van ouders en kinderen. Waar vroeger de moeders nog klaar zaten met het kopje thee en waar kinderen na school nog heerlijk in en rondom huis konden tuttelen, moet er tegenwoordig gewerkt worden en is er weinig tijd voor elkaar.  Tegelijkertijd stellen wij steeds hogere (cito) eisen aan ouders en kinderen bij hun functioneren op het werk en school. Met het tempo van een hogesnelheidslijn loodsen wij onze kinderen door hun ontwikkeling. Waarbij uitstel of doublures uitgesloten (moeten) zijn. Alles moet perfect zijn en vinden we het moeilijk om afwijkingen van de norm te accepteren. En tegelijkertijd zijn er duizenden prikkels van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat. Al deze componenten samen leggen een enorme druk op kinderen. Als zij zich vervolgens ongelukkig voelen of betonen, doen ze hun ouders verdriet en dat is het laatste wat ze willen. Zo komen met name de kinderen steeds meer onder druk te staan en vliegen zij vaker en eerder de bocht. Met Jeugdzorg als antwoord, want tegenwoordig lijkt dat geen taak meer te zijn voor de ouders. Die besteden dat uit. Aan professionele instituten die van dit oudergemak een mooi verdienmodel van gemaakt hebben.

Het opvoeden van kinderen gaat met vallen en opstaan. Kinderen zijn niet altijd even makkelijk. Spijbelen, een boze bui, niet luisteren, te laat thuiskomen en ook liegen kunnen allemaal horen bij het gedrag van opgroeiende kinderen. Soms ook leidt dit soort gedrag tot problemen en kun je spreken van opvoedingsproblemen. Denk maar eens aan het gedrag van uw eigen kinderen in de peuter- of pubertijd.

De meeste opvoedingsprobleem zijn  – anders dan wij onszelf en anderen graag willen doen geloven – in eerste de plaats een probleem van ouders. Juist zij echter lijken zich – in toenemende mate – machteloos te voelen. Of onzeker, bezorgd en zelfs kwaad. Want dat dit een probleem van onszelf – de opvoeders – is, vinden wij een ongemakkelijke waarheid. Die wij dan ook graag bestrijden. Met een beroep op Jeugdzorg. Omdat wij ‘het beste’ voor onze kinderen willen. Onder het motto ‘gun je kind een eigen label’ ontschuldigen wij zo onszelf en zadelen wij onze kinderen op met een aan dat ‘label’ verbonden identiteit. In mijn optiek is jeugdzorg zo doorgeschoten naar de andere kant, en is jeugdzorg te rekbaar geworden.

Natuurlijk, er is jeugd die problemen heeft en specifieke zorg nodig heeft. Zoals er ook ouders zijn die daarbij extra ondersteuning verdienen of moeten krijgen. Ik ben dan ook ferm voorstander van een goed werkend en deugdelijk Jeugdzorg systeem. Vandaag de dag echter is Jeugdzorg een verzamelnaam voor een ratjetoe aan voorzieningen. Een systeem dat door marktwerking te veel professionals kent die in het ontzorgen van ouders en opvoeders vooral een verdienmodel zien. Met als resultaat een  tsunami aan overbodige oplossingen die niet van toegevoegde waarde zijn voor onze kinderen.

Echt van toevoegende waarde voor kinderen zijn veiligheid, structuur en aandacht. Geboden door mensen die voor onze kinderen van betekenis zijn: de eigen ouders.

Meer geld voor het sociaal domein? Ik vind het prima en wat mij betreft ook niet onnodig. Meer dan dat echter is een  koerswijziging nodig. En een fundamentele gedragsverandering bij ons als ouders, opvoeders en schoen, die een rol spelen in het leven van kinderen. Gebeurt dat niet, dan zal de Jeugdzorg een bodemloze put blijven. Dat is misschien een ongemakkelijke waarheid, maar wel een die hout snijdt en onze jeugd een goede toekomst geeft.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

 

Fluiten(d) naar de overkant

jeugdzorg actie.png

  • De manier van kijken maakt het verschil

Met zo’n vierhonderd collega’s hielden op 14 januari 2019 de jeugdhulpwerkers een fluitconcert voor het ministerie van VWS. Verantwoordelijk Minister Hugo de Jonge kwam naar buiten, zei dat hij helemaal achter de jeugdwerkers staat en deelde appelflappen uit. Concrete plannen om de jeugdzorg te redden – het doel van deze actie – bleven uit.

Laat ik het maar eerlijk zeggen. Ik heb tegenstrijdige gevoelens bij deze actie. Ik heb begrip voor het belangrijkste onderwerp: de werkdruk. Veroorzaakt door een teveel aan taken, toenemende zwaarte De constatering dat er wat dit betreft sprake is van een nijpende situatie kan ik onderschrijven. Mede hierdoor kan goede, passende en tijdige jeugdhulp niet meer worden gegarandeerd.

Verder protesteren zij tegen de explosie aan administratieve lasten en kantoortaken als gevolg van de ‘aanbestedingswaanzin’ door gemeenten. Ook bij dat pleidooi sluit ik mij van harte aan. Negentig procent (!) van de contracten voor jeugdhulp en Wmo-voorzieningen besteden gemeenten Europees aan, terwijl dat niet nodig is. Er bestaat simpelweg geen verplichting om jeugdhulp (Europees) aan te besteden. Het ‘aanbestedingsspook’ is een vleesgeworden verzinsel van beheerzuchtige bestuurders en ambtenaren waarbij begrippen als betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit de dekmantel zijn geworden van een ongebreidelde verantwoordingsdrift met alle een lawine aan administratieve struikelstenen als gevolg. Mijn kruistocht daartegen (zie onder andere Alleen de markt groeit, wanneer wij zorg verspillen en De speld op de mouw regeert) krijgt inmiddels stevige bijval van onder ander het Public Procurement Research Centre (PPRC, het Onderzoekscentrum publieke inkoop en opdrachtgeverschap) en het Nederlands Jeugdinstituut (NJi).

Bij een andere oplossing die de jeugdhulpwerkers, de vakbonden en werkgevers voor hun probleem zien heb ik echter forse vraagtekens. De roep om meer geld (750 miljoen euro) is minder logisch dan zij lijkt. Het extra budget, deels bedoeld om de bezuiniging van 450 miljoen terug te draaien die sinds 2015 is opgelegd en deels als extra investering voor de toegenomen vraag naar zorg, beschouw ik als een stap terug in de tijd.  Niet het gebrek aan geld, maar het gebrek aan samenwerking is ons probleem.

Voor onze jeugd geven wij – terecht – miljarden uit. Is het niet aan jeugdgezondheidszorg, dan wel aan onderwijs, sport of jeugdhulp. En allemaal claimen zij dat er te weinig middelen zijn om hun doelstellingen op een adequate manier te bereiken. Het onderwijs bijvoorbeeld heeft een ernstig tekort aan leraren. De jeugdhulp op haar beurt barst uit zijn voegen en het Passend Onderwijs wringt. Er zijn veel gelijkluidende knelpunten, met een overeenkomstige roep om meer geld.  Ik meen dat de oplossing daarin niet ligt. De echte oplossing is samenwerking.

Samenwerking, in termen van het samengaan van deze sectoren, ligt voor de hand. Niet alleen de doelstelling is dezelfde, maar ook de belangen zijn gelijk: het bevorderen dat kinderen (en hun ouders) bij het opgroeien, de opvoeding en het onderwijs op een adequate wijze ondersteund, gestimuleerd en gefaciliteerd worden. Zoveel als mogelijk in en samen met de eigen sociale omgeving.

Mijn pleidooi veronderstelt dat wij nu eens echt werk maken van het op een andere leest schoeien van de zorg voor onze jeugd. Met het versterken van de eigen verantwoordelijkheid en het probleemoplossend vermogen van ouders en kinderen als doel.

Vaak gaan onderwijs en jeugdhulp over dezelfde jeugdigen. Veel van de problemen spelen namelijk zowel thuis als op school en in de vrije tijd. Door ons stelsel- en beheer-denken worden zij veelal door verschillende diensten en hulpverleners opgepakt. Wij moeten een eind durven maken aan deze trend van versnippering en verkokering. Door een aanpak waarbij er verbinding wordt gemaakt tussen jeugdhulp en het (passend) onderwijs.

Kleinere klassen, minder werkdruk, effectieve aandacht voor ouders en kinderen en minder jeugdzorg. Het valt allemaal te realiseren. Niet met meer geld, maar door bestaande budgetten slimmer toe te delen. Bijvoorbeeld door een belangrijk deel van de jeugdhulp over te hevelen resp. samen te voegen met het onderwijsbudget. Ouders voeden hun jeugdigen immers niet alleen op. De school, voorzieningen als opvang, jeugdwerk en sport dragen eveneens bij aan de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Die zijn nu – mede door de perverse prikkel van afzonderlijke financieringsstromen – onvoldoende op elkaar gericht.

Kan het? Zeker, als wij elkaar zo gek krijgen het gewoon te doen! (zie ook: Doe eens gek, doe normaal!)

Het risico van meer geld voor de jeugdhulp is dat wij nog meer van hetzelfde blijven doen. Of dat de eisen in de postvakjes van politici en bestuurders belanden. Daarin liggen soortgelijke verzoeken vanuit talloze andere hoeken. Ieder voor zich met goede argumenten onderbouwd. Maar niet alle wensen kunnen ingewilligd, want betaald worden. Juist daarom is ‘de handen ineenslaan’ de beste actie die wij kunnen ondernemen! De jeugdhulp wordt alleen beter als wij het lef hebben om de dominante en heersende benadering (geld als de panacee voor onze problemen) te doorbreken. Als wij samen een omgeving scheppen waar waarbinnen advies en ondersteuning voor ouders, kinderen en jongeren niet alleen vanzelfsprekend, maar ook verbonden aan de eigen leefomgeving is. Zonder dat er direct een label opgeplakt moet of wordt. Als wij daarin slagen kunnen wij in plaats van fluiten naar de (boze) overkant weer fluitend naar en aan ons werk!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Wat hebt u nodig?

Zes op tien gemeenten heeft tekort op jeugdhulp.png

Volgens onderzoek komt zes op de tien gemeenten geld tekort voor adequate jeugdhulp. Toch durven wij te stellen dat niet het geld het probleem is, maar het gebrek aan dialoog. Stel gewoon eens de simpele vraag: Wat hebt u nodig? En luister daar naar!

Meer weten? Ik kom graag eens met u sparren.

Peter Paul Doodkorte – pp.doodkorte@vondel-nassau.nl

La tête haute – de rauwe werkelijkheid van jeugdzorg

Van het rechte pad

La tête haute, nog maar een maand geleden de goed ontvangen openingsfilm van het prestigieuze filmfestival van Cannes, laat de rauwe werkelijkheid van de jeugdzorg zien. Centraal staat de jonge crimineel Malony, een volstrekt van de maatschappij vervreemde jongen. Al op 6-jarige leeftijd kon zijn alleenstaande, jeugdige moeder hem niet meer aan. Later in zijn tienerjaren werkt hij zich keer op keer in de nesten. Hij staat onder toezicht van een vriendelijke, welwillende kinderrechter (prachtige rol van Catherine Deneuve) en een maatschappelijk werker, brengt tijd door in verschillende jeuginstellingen, zelfs in de gevangenis. Maar ofschoon hij steeds mensen ontmoet die evenals de kinderrechter het beste met hem voor hebben, raakt hij toch altijd weer van het rechte pad.

Filmmaakster Emmanuelle Bercot heeft gezegd dat ze vooral ook de toewijding en het geduld van de hulpverleners wil laten zien. Daarin is ze zeker geslaagd. La tête haute is recht voor z’n raap en komt zonder omwegen ter zake. Toch wordt niet helemaal duidelijk waar Malony’s intense, plotse woedeaanvallen, zijn nihilistische kijk op het bestaan en zijn diepgewortelde drang tot zelfvernietiging vandaan komen. De suggestie is dat het niet louter sociale wortels zijn, maar dat Malony in zekere zin ook zo is ‘gemaakt’. Hetgeen de film overigens nog realistischer maakt.

La tête haute, vanaf 2 juli in de bioscoop.

Ook in nieuw geluk en nieuwe vrijheid moeten wij ons leren schikken

  • Chaos is het woord voor een orde die we nog niet begrijpen

Chaos-Order

Al langer is er sprake van decentralisaties in het openbaar bestuur. Het meest in het oog springend zijn de decentralisaties in het sociaal domein. Gemeenten nemen taken van de rijksoverheid en provincies over op het gebied van jeugdzorg, werk en inkomen en zorg aan langdurig zieken en ouderen. De aanleiding voor de vernieuwing van het sociaal domein is tweeledig. Ten eerste moet er door de vergrijzing, bezuinigingen en decentralisaties meer gedaan worden met minder middelen. Ten tweede vindt een verschuiving plaats van een verzorgingsstaat naar een participatiestaat, omdat men veronderstelt dat inwoners publieke taken beter kunnen realiseren dan de overheid of de markt. De vernieuwing van het sociaal domein gaat zodoende in de kern om het realiseren van een effectiever en efficiënter sociaal domein. De belangrijkste actoren dienen hiervoor een andere  positie innemen:

  • Van de inwoners wordt verwacht dat ze bij het oplossen van problemen meer uit gaan van de eigen kracht en het eigen netwerk en zich in de samenleving actiever opstellen als vrijwilliger.
  • Professionals moeten inwoners ondersteunen in het versterken van de eigen kracht en het bij elkaar brengen van het informele netwerk; alleen als het niet anders kan voeren zij zelf nog de taken uit.
  • De gemeente moet zich beperken tot het stellen van kaders voor, het faciliteren van en toezicht houden op inwoners en professionals en gaat zich daarnaast ook zelf effectiever en efficiënter organiseren.

Deze verandering in het sociaal domein is een belangrijk onderwerp voor gemeenten. Het is een grote bestuurlijke verschuiving van taken, er gaat erg veel geld in om en het raakt veel mensen. Daarom volgt het Rijk de voortgang met een Transitiecommissie Sociaal Domein (TSD). Die bracht onlangs haar tweede voortgangsrapportage uit. De belangrijkste conclusie daarvan: Gemeenten hebben wel een beging gemaakt met de invulling van de veranderingen, maar de beoogde kanteling (transformatie) staat nog in de kinderschoenen. De verbinding tussen Wmo, Jeugd en de Participatiewet wordt nog (te) weinig gemaakt en vernieuwing komt mondjesmaat van de grond.

Natuurlijk, gemeenten hebben al wat meer handen en voeten gegeven aan het overdragen van overheidstaken aan inwoners. Maar waar de ene gemeente dat doet door rechtstreeks initiatieven van inwoners te stimuleren, richt de andere gemeente zich vooral op de ondersteuning van eigen kracht door professionals. Ondanks die verschillende accenten is overal te zien dat gemeenten de intentie hebben om meer over te laten aan de inwoner. Ook, al is dat nog niet overal even helder uitgewerkt. Hieraan liggen verschillende oorzaken ten grondslag.

De eerste is dat gemeenten en hun partnerorganisaties moeite hebben om zich de nieuwe werkwijze eigen te maken. De kanteling vraagt binnen bestaande instituties ook om een interne herstructurering. Het proces van contact – vraagverheldering – oplossing – arrangement, krijgt alleen de juiste lading als het hele primaire proces daar ook op is ingericht. Dit vraagt een omslag van beleids- naar uitvoeringsregie.

De tweede oorzaak is gelegen in het diffuse kader dat aan de kanteling ten grondslag ligt. Het is een – meer of minder – beschreven richting, maar voor het stappenproces van (contact – vraagverheldering – oplossing –arrangement) is er geen blauwdruk. Uiteindelijk bepaalt de dialoog met de inwoner het arrangement. Dit vraagt om een dialooggestuurd proces om de gezamenlijke verantwoordelijkheid te benadrukken.

Dialoogsturing is overigens ook van belang om het voor de veranderingen benodigde draagvlak bij de inwoners te ontwikkelen en te borgen. Het is nog geen vanzelfsprekendheid dat zij de taken die hen toegeschoven worden ook daadwerkelijk zullen (kunnen) uitvoeren. De kanteling van het sociaal domein kan ingrijpende gevolgen hebben voor inwoners, zowel voor hen die zorg ontvangen als voor hen die het moeten gaan verlenen. Voor sommige zaken zullen inwoners wel vanuit zichzelf van alles willen ondernemen, op andere terreinen niet. Bepaalde taken zullen daardoor blijven liggen. Ten slotte kunnen mantelzorgers overvraagd worden. En dat kan betekenen dat ontplooiingsmogelijkheden belemmerd raken en verschillen tussen sociaaleconomische klassen worden vergroot.

Dit alles vraagt meer dan een optimistische houding over de verstrekkendheid van de kanteling. Naast een cultuuromslag en systeemveranderingen betekent dit een (ontwikkel)proces van enkele jaren om tot een gekantelde en duurzame uitvoering te komen. Belangrijk onderdeel en instrument is – ook volgens de TSD – het instrument van de inkoop en bekostiging van de ondersteuning en zorg. De reden hiervoor is dat gemeenten verschillende keuzes (kunnen) maken voor de inrichting van en de sturing op de gewenste effecten en resultaten.

Als gemeenten voor hun inwoners de beste kwaliteit en beschikbaarheid van zorg en ondersteuning willen realiseren, maar wel binnen de daarvoor beschikbare middelen, is het nodig dat gemeenten een systeem inrichten dat dit kan/gaat bewerkstelligen. Bekend is immers dat er ‘meer met minder’ moet worden gedaan, dus het moet ‘anders met minder’. Wanneer het niet anders vormgegeven wordt, kan dit leiden tot onverantwoorde financiële consequenties.

Deze laatste innovatieroute loopt niet alleen via de inwoners, maar ook via de zorgaanbieders. Ook voor veel andere routes zijn zij overigens van betekenis en belang. Daarom ook is het pleidooi van de TSD – te komen tot een duurzame relatie tussen gemeenten en aanbieders, met concrete afspraken over innovatie – meer dan terecht. Om die reden ook hebben veel gemeenten ook vorig jaar al gekozen voor het bestuurlijk aanbesteden.

Bestuurlijk aanbesteden is een methodiek waarbij een gemeente langdurige, flexibele convenanten sluit met leveranciers van zorg- en welzijnsdiensten. Deze methodiek erkent en gaat er van uit dat er sprake is van wederzijdse afhankelijkheid tussen de opdracht gevende gemeente(n) en (zorg-) aanbieders. Beide partijen hebben de ander nodig om de eigen doelstellingen te kunnen realiseren. Belangrijke voordelen van bestuurlijk aanbesteden zijn dat de inwoner maximale keuzevrijheid heeft waardoor een zo hoog mogelijke klanttevredenheid bereikt.

Partijen moeten zich daarbij realiseren dat kwaliteit van zorg en doelmatigheid hand in hand gaan. Aanbieders moeten daarom niet (langer) gefinancierd worden op basis van ingezette producten. Dat is mogelijk is als we van een product(-ie) gerichte bekostiging overstappen naar een resultaat- of uitkomst-gestuurde bekostiging. Daarom is voor dit jaar een belangrijke opgave om, in overleg met alle partijen te komen tot een breed gedeelde en breed gedragen visie met als uitkomst de introductie van uitkomstfinanciering die ruimte biedt aan innovatieve arrangementen en concrete resultaatafspraken. Dat alles vraagt om rustige onbevangenheid en ruimte voor een tussenperiode waarin wij met tumult, schermutselingen en een ogenschijnlijk nutteloze chaos de bodem leggen voor een orde die wij nu nog niet begrijpen. Want ook dat is kanteling.