Hugo, het verwarde oliemannetje

kop in het zand

  • Wat ziet struisvogel Hugo in het zand?

Met extra geld en verplichte regionale samenwerking wil de minister van Welzijn en Zorg, Hugo de Jonge, de problemen in de jeugdzorg oplossen. Het symboliseert de kloof tussen de lokale overheden en hun inwoners en de rijksoverheid. Minister de Jonge in Den Haag spreekt een heel andere taal dan ooit wethouder de Jonge in Rotterdam. De conclusie? Hugo ontpopt zich als het verwarde oliemannetje dat in plaats van smeerolie zand in de machine van de transformatie gooit.

Om vernieuwing goed op gang te brengen, moeten de intensieve hulp en de eerste lijn worden verbeterd en de preventie en het pedagogisch klimaat in bijvoorbeeld gezin of school worden versterkt. En juist die versterking, waarvan nut en noodzaak sinds de decentralisatie (2015) bij gemeenten nadrukkelijk op het vizier staat, gaat nu weer de ijskast in.

De door De Jonge voorgestelde nieuwe ordening (centraliseren op regionaal- en bovenregionaal niveau) zal naar verwachting immers ook effecten hebben op de zorggelden die de gemeenten ontvangen en door gemeenten tot nu toe ook gebruikt kunnen worden voor de versterkte sturing op lokale jeugdhulp.  De aanpak die De Jonge voorstelt houdt in dat gemeenten delen van de jeugdzorg weer uit handen moeten geven:

  1. Op bovenregionale schaal wordt de jeugdzorg+, JB en JR en Veilig Thuis en het te ontwikkelen expertisecentrum specialistische jeugdhulp georganiseerd.
  2. Op regionale schaal worden pleegzorg, gezinsvervangende jeugdhulp, spoedzorg overdag, behandeling en hulp aan jongeren met een beperking, logeervoorzieningen en eenheid in de toegang belegd.
  3. Lokaal wordt al het overige, veelal in de vorm van algemene voorzieningen en kortdurende interventies en ook het Algemeen- en Scho0l Maatschappelijk Werk en de lokale publieke gezondheid, georganiseerd.

De voorstellen van De Jonge ontregelen de jeugdhulp alleen maar verder. De dans om het geld zal er niet minder om worden. En de jeugdhulp daardoor niet beter. Als de minister van VWS echt ballen had, verloste hij de sector van het verderfelijke aanbestedingscircus. De kantelingsdroom binnen het sociaal domein heeft geleid tot een heuse inkoopindustrie. Wat de vraag oproept of de zorg er is voor de mensen of de mensen er zijn voor (het zorgen voor werk voor) de aanbieders. Dit pennywise maar pound-foolish marktdenken levert niet alleen bureaucratische gedrochten en juridische steekspelen op. Het heeft ook desastreuze gevolgen voor de kwaliteit, de continuïteit en de kosten van jeugdhulp en beleid. Als wethouder in Rotterdam deelde hij die kritiek luidkeels. Als minister zwijgt hij daarover als het spreekwoordelijke graf.

De gekozen oplossing richting is in mijn ogen dus bizar. Net zo bizar als voor de wijzigingsvoorstellen het juichen langs de lijn van vakbonden en organisaties is. Ik vind dat – vanuit de belangen van ouders en kinderen en de betrokken medewerkers – ongelooflijk en pervers. Het is immers uitgesloten dat wij in een de huidige overspannen arbeidsmarkt voor meer dan een miljard aan nieuwe arbeidskrachten vinden? Het oplossende antwoord hierop is: de handen ineen te slaan. Niet door samen te staken, maar door samen te werken.

Ook het werken met regio’s als bestuurlijke eenheid is kwestieus. Niet alleen als het gaat om democratische verantwoording of gedwongen samenwerking. Erger is de dikke streep die daarmee gehaald wordt door de overtuiging dat de lokale overheid het dichtst bij de inwoners staat en dus het beste kan inschatten wat een passend antwoord op situaties is. Regiovorming vergroot de afstand tot de inwoners én de optelsom van verschillende samenwerkingen leidt tot een complex geheel, wat afbreuk doet aan de effectiviteit van gemeenten. De praktijk van alle dag leert dat ook. Gemeenten gijzelen elkaar en besluiten blijven daardoor uit of hebben, door de bestuurlijke drukte eromheen, een zo hoog compromisgehalte dat geen professional of inwoner nog kan begrijpen wat de bedoeling is.

Het terugdraaien van de decentralisatieafspraken herbergt een aantal risico’s waaronder het vergroten van bestaande puinhopen en meer bureaucratie die ook meer geld kost, iets wat ten koste gaat van de ondersteuning van jeugdigen en hun ouders/opvoeders.

De plannen van De Jonge duiden op een minister in verwarring. Zoals de hele overheid in verwarring lijkt. De oorzaak van deze verwarring ligt in tegengestelde denksystemen (Daniel Kahnemann; ‘Thinking fast, Thinking slow’). De politiek hanteert het snelle denksysteem (systeem 1) en is gericht op onmiddellijk handelen met rechtvaardiging achteraf en daarmee een grote kans op fouten. Het tweede systeem (systeem 2) is gericht op het maken van een goede verklarende probleemanalyse en het afwegen van alternatieven met als gevolg minder kans op fouten. Daat vraagt tijd en reflexief gedrag. Juist dat zijn ingrediënten die politici zichzelf ontzeggen. Het gevolg is een (politiek) probleem met verschillende aandoeningen en beperkingen. De aandoeningen waaraan zij lijden rijgen zich in hoog tempo aaneen: het aardgas, het stikstofbesluit en de verhoudingen met Europa bijvoorbeeld. Of de (aanpak van de) personele tekorten bij de politie, binnen het onderwijs, de jeugdhulp en de zorg.

De beperkingen waaraan politici leiden zijn naast het snelle denksysteem ook kortzichtigheid en het denken op korte termijn. Zij moeten telkens herkozen worden. Het gevolg: er wordt geen rekening gehouden met de lange termijn, zoals het leefbaar houden van onze planeet, of het houdbaar houden van onze jeugdhulp. Enkel de kortetermijnwensen gelden, want daarmee kunnen zij scoren.

De jeugdzorg kampt niet zozeer met geldgebrek. Als een kwart van alle geld voor jeugdhulp opgaat aan het circus van aanbesteding en er jaarlijks naar schatting rond de 2300 kwetsbare mensen “in behandeling” zijn bij zorgaanbieders die zich schuldig maken aan fraude en zorgverwaarlozing (hiermee is zeker 100 miljoen euro gemoeid), waag ik dat te betwijfelen. Zo bezien is het miljardenbudget voor jeugdhulp als het schieten met financiële hagel. Volstrekt ongericht en weinig effectief.

Het serieus probleem is een goede politiek-bestuurlijke aansturing. Met organisatorische eilanden als gevolg. Waardoor geen adequate ondersteuning op tijd en op maat gegeven kan worden. De rijksoverheid moet zorgdragen voor voldoende financiering van de jeugdhulp richting gemeenten. Gemeenten moeten de bureaucratie uit de jeugdhulp weghalen door te stoppen met het circus van aanbestedingen.

Ik ontken niet dat er ruimte voor verbetering is.  Maar de roep om steeds meer geld en verplichte samenwerking zullen de situatie niet verbeteren. Het menselijk maken van de hele hulpverlening wel! Structuur- en marktdenken naast geldlust spelen een te grote rol! Natuurlijk, minder administratieve lasten en reële tarieven zijn goed. Net als meer ruimte om aanbieders onderling en met gemeenten te laten samenwerken. Maar dat zijn zaken die ook zonder een structuurverandering en politiek paniekvoetbal goed te realiseren zijn. Willen wij echt een paar stappen vooruitkomen, dan is meer nodig dan een passend budget. Geduld, vertrouwen en een continue dialoog met inwoners in hun situatie bijvoorbeeld.

Jeugdigen en ouders weer in hun kracht zetten? Dat kunnen professionals die de ruimte en tijd krijgen om dar bij te springen of in te voegen waar dat van toevoegende waarde is: in de eigen leefomgeving van ouders en kinderen. Voldoende menskracht die daarvoor eerlijk wordt betaald, kunnen wij op lokaal niveau realiseren door jeugdhulp en onderwijs met elkaar te verbinden. Zo gemakkelijk kan het zijn. Daarvoor hoeft het stelsel niet op de schop. De nieuwe maatregelen versnipperen het stelsel weer in verschillende ‘lagen’, met een eigen financiering en aansturing. Daarmee strooit Hugo, het verwarde oliemannetje, zand in het radarwerk dat op lokaal niveau (eindelijk) op stoom kwam.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Slappe knieën

opvoeden 2.png

  • Opvoeden? Doe het lekker zelf!

“Kinderen moeten gelukkig zijn en hun dromen waarmaken – daar zijn alle ouders het over eens. Een complete generatie wordt op dit moment echter te verwend opgevoed. En als het tegen zit, mag ‘de overheid’ (lees: gemeente, het onderwijs, de jeugdhulp) het oplossen.  Ouders creëren te weinig weerbaarheid bij jongeren en kinderen, en dat is zorgelijk en – op den duur – onbetaalbaar.” Een lokale bestuurder die dat durft te beweren kom ik – helaas – nauwelijks tegen. Omdat daar de bevolking van de betreffende gemeente vermoedelijk nog lang over zal napraten.

En toch meen ik dat betere jeugdhulp in ons land dergelijke bestuurders meer en hard nodig heeft dan het geld waarom velen in Den Haag bedelen.

Gemeenten vormen de bestuurslaag die het dichtst bij de inwoners staat. Dat is juist! En daarom zijn zij ook bij uitstek geschikt om vorm en inhoud te geven aan de bij hun inwoners passende ondersteuning. Om die reden ook worden de laatste decennia steeds meer taken belegd bij de gemeenten. De kracht van deze beweging blijkt – zoals wel vaker – tegelijkertijd de achilleshiel: gemeenten staan te dicht bij de burger als het gaat om een goed beheer van de portemonnee.

Vooral in het sociale domein heeft per 1 januari 2015 een grote verschuiving plaatsgevonden. Gemeenten zijn sedertdien verantwoordelijk voor jeugdzorg, werk en inkomen en zorg aan langdurig zieken en ouderen. Gemeenten krijgen 1 budget vanuit het gemeentefonds om deze taken uit te voeren. En komen daaraan – naar eigen zeggen – fors tekort. Wethouders met jeugdzorg in hun portefeuille klagen steen en been over de aanhoudende tekorten op de jeugdzorg. Uitspraken als ,,Wij vinden het namelijk niet te pruimen dat de staatsschuld wordt afgelost met onze financiële reserves, doordat Den Haag, waar het geld tegen de plinten klotst, blijft korten op de budgetten voor jeugdzorg.” En “Er komt een eind aan de rek van de gemeenten.” Komen in tientallen varianten voorbij. Wat mij daarbij stoort is dat al die bestuurders voor de oplossing van hun problemen kennelijk maar één kijkrichting hebben: het Rijk. Daarbij doen zij alles wat in hun macht ligt, om het Rijk aansprakelijk te stellen voor de tekorten.

Laat ik duidelijk zijn: ik beweer niet dat er niet (tijdelijk) extra geld nodig is om het lokale speelveld van het sociaal domein op orde te brengen. Maar er is echt veel meer nodig dan geld alleen. Bovendien: elke euro die er extra uit Den Haag richting gemeenten gaat, komt – per saldo – uit de portemonnee van de inwoners.

Opvoeden is kennen en erkennen en begint bij de ouders. Zij moeten een echte relatie met hun kinderen opbouwen. Een goede ouder begeleidt en ondersteunt de kinderen. Stimuleert z’n kind om zelfstandig iets te doen. Toont zelf goed gedrag, kleineert of beledigt nooit, toont dagelijks liefde, corrigeert verkeerd gedrag, laat z’n kind in zijn waarde en weet met wie z’n kind omgaat. Hij of zij maakt elke dag even tijd voor zijn kind en praat en luistert met en naar z’n kind. Dat is de basis van iedere opvoeding. En ja, dat betekent ook hard werken, net als in een huwelijk. Een relatie bouwt zichzelf niet op, maar moet actief opgebouwd en onderhouden worden. Persoonlijke warmte en aandacht is in het contact met je kinderen van levensbelang. Ziehier de ingrediënten waaraan wij in onze samenleving een chronisch tekort hebben (opgebouwd). Veel ouders werken te hard. Voor hun baan, carrière, of status. Tijd en aandacht voor de kinderen ontbreekt vaak. Met alle gevolgen van dien.

De heftige maatschappelijke discussies over de tekorten in de jeugdhulp maskeren het werkelijke probleem.  “Problemen van kinderen worden steeds minder gezien als horend bij een (soms moeizaam) proces van opgroeien en opvoeden, en steeds meer als een signaal dat professionals moeten optreden en zo nodig ingrijpen. Zo ontstaat een toenemende ‘export’ van kinderen uit hun gewone leefsituatie naar professionele behandelcontexten. Ongeveer één op de zeven kinderen heeft op dit moment een indicatie voor speciale zorg, speciaal onderwijs of hulp in een justitieel kader. De verwachting is dat deze pedagogische professionals kinderen en/of ouders ‘repareren’, zodat het opgroeien en opvoeden daarna ongestoord kan verlopen” (Het opvoeden verleerd; J Hermanns, 2009).

De door Hermanns gesignaleerde ontwikkeling vraagt van ons en de door ons gekozen bestuurders een kritische zelfreflectie. Met implicaties voor zowel de rol van ouders, leerkrachten en professionele hulpverleners. En lokale bestuurders!  Want jeugdhulp kan niet alleen anders. Het moet anders! Het vraagt meer samen praten over hoe ze elkaar kunnen ondersteunen en daar samen afspraken over kunnen maken.

Naast de roep om extra geld zouden lokale bestuurder stelling moeten durven nemen tegen de slapheid en de laksheid van de in onze samenleving gegroeide opvoedingscultuur, waarin gehoorzaamheid een vies woord is, waarin grillen van kinderen en jeugdigen in toom worden gehouden door ze behandelen als prinsjes en prinsesjes en waarin de pleziertjes van sociale media en rondhangen met leeftijdgenoten voorrang krijgen boven serieuze studie en zelfverbetering.

De jeugdzorg lijkt een bodemloze put. Dat is en blijft zij, als wij niet op de juiste wijze investeren. De beste investering is opvoeden. En dat vraagt eerst en vooral een investering (in tijd en aandacht) van ouders zelf.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Wie doet de opvoeding?

bad parents

  • En nou is het afgelopen!

Soms kruipt mij de gedachte dat ‘goede ouders’- juist door onze jeugdhulp – een uitstervend ras zijn.  Een goede ouder begeleidt en ondersteunt. Stimuleert z’n kind om zelfstandig iets te doen. Toont zelf goed gedrag. Kleineert of beledigt nooit. Toont dagelijks liefde. Zegt sorry. Straft verkeerd gedrag. Laat z’n kind in zijn waarde. Weet met wie z’n kind omgaat. Stelt normen en waarden boven succes. Maakt elke dag even tijd voor zijn kind. Praat en luistert.

In september 2009 kopte een artikel in Trouw “Wie doet de opvoeding?” Met als conclusie: Ouders en docenten. Vandaag de dag lijkt die vraag als antwoord te hebben: ‘de staat’!

Ouders zijn naar mij overtuiging de eerst verantwoordelijken voor de opvoeding van hun kind. In toenemende mate echter lijkt het dat ouders wel de lusten, maar niet de lasten van de opvoedingstaak accepteren. Zodra het moeilijk wordt, is de overheid het aanspreekpunt en het (financiële) haasje.

Uitdagingen en vragen horen bij ouderschap. Tegelijkertijd zie ik dat ouders steeds vaker niet langer een ‘neus’ hebben voor ‘gewoon opvoeden’. Hierdoor komt de opvoeding van kinderen steeds meer in handen van professionals. Dat kan niet alleen anders. Het moet anders!

Op de kinderafdeling van een ziekenhuis zag ik op een poster geschreven: ‘Let meer op uw kinderen dan op de monitor’. Hoewel het een oproep is aan ouders in een medische context, verbeeldt deze poster ook een trend in de jeugdhulpverlening. Het is een tendens om risico’s en opvoedproblemen steeds meer neer te leggen bij de samenleving dan wel overheid.

Diezelfde overheid echter heeft, met de beste bedoelingen, precies dat gedaan wat zij niet moest doen: bijgedragen aan het verminderen van de steun die ouders elkaar onderling geven en de steun uit de nabije omgeving teruggedrongen. Gevolg: opvoeden is vervangen door superspecialisatie en zwaardere inzet dat nodig en gewenst.

Het effect hiervan is dat ouders en professionals steeds meer de kinderen als potentiële risicogevallen aanmerken.

En nou is het afgelopen! Nou is het klaar! Ik wil niet meer dat ouders (te gemakkelijk) wegkomen met hun handelingsverlegenheid. Zeker niet zonder zichzelf in te spannen om handelingsbekwaam te worden.

Het is een terugkerende ergernis. Ouders die bellen met de mededeling dat “er nu een oplossing voor hun kind gezocht moet worden.” Terwijl diezelfde handelingsverlegenheid toch vooral een probleem van de ouders lijkt te zijn. Wat je ook gewoon kunt oplossen. Niet, door de verantwoordelijkheid voor de opvoeding te verleggen (van thuis naar overheid), maar door handelingsbekwaam te worden; bijvoorbeeld. Ouders moeten niet de mogelijkheid krijgen zo snel bij de pakken neer te zitten. Of het (lastige) pakket dat ‘opvoeden’ heet door te schuiven naar anderen.

De meeste kinderen in Nederland ontwikkelen zich zonder al te veel problemen tot autonome en sociale volwassenen die een positieve bijdrage leveren aan de samenleving. Daarnaast is er een (groeiende) groep van van ouders met thuiswonende kinderen die zegt zich wel eens zorgen te maken over de opvoeding of ontwikkeling van één of meerdere van hun kinderen. Deze ouders zoeken daarvoor hulp of advies buiten het eigen gezin, de familie of de vriendenkring. Veel ouders weten kennelijk niet zo goed hoe ze met veel voorkomende problemen van hun kinderen om moeten gaan. Terwijl heel veel van die ‘problemen’ eigenlijk heel normaal zijn. Somberheid, angst, druk gedrag, tegendraadsheid, agressie, het zijn – tot op zekere hoogte – normale verschijnselen bij kinderen. Verbonden aan de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden. Het is het moment waarop dit soort gedrag optreedt, de duur en de intensiteit die maken of iets wel of niet zorgen moet baren (Van Yperen, 2009). Omdat veel problemen heel normaal zijn, is het omgaan met die problemen te beschouwen als een gewone opvoedingsopgave voor ouders, beroepsopvoeders (pedagogisch medewerkers, leerkrachten) en gemeenschappen zoals buurt en gemeenten.

Intussen stijgt het aantal jongeren onder de 23 jaar dat jeugdzorg krijgt gestaag, zo blijkt uit cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek en krijgt een op de tien jongeren in Nederland een vorm van hulp. Dat is een zware last voor gemeenten, Dat komt enerzijds doordat gemeenten de jongeren die de hulp nodig hebben beter weten te vinden. Tegelijkertijd wordt de jeugdhulp ‘opgerekt’: steeds meer vormen van hulp valt onder jeugdzorg. Van kindercoaches tot brugklastraining. Mede daarom pleit ik ervoor om de drempel naar professionele jeugdhulp te verhogen. Niet, door te ontkennen dat opvoeden lastig is, maar door te durven erkennen dat kwetsbaarheid bij het leven hoort en problematiek rondom opvoeden en opgroeien daar dan ook niet van uitgesloten zijn. Deze zienswijze opent niet alleen het venster naar een andere kijk op hulp en opvoeden. Het brengt ouders ook weer in positie. Omdat het appelleert aan het ‘gewone’ leven.

Goede jeugdhulp is niet het ‘uit het gezin weg organiseren’ van problemen, maar het – zo nodig samen met het gezin – leren hanteren ervan.  Zo ook kunnen wij voorkomen dat ‘gewone’ opvoedingsvraagstukken worden geframed als jeugdzorg. Terwijl het eigenlijk over heel gewone (en ja, soms ook verdraaid lastige) opvoedingsvraagstukken gaat. Kortom, de boodschap: moet niet zijn dat ‘de overheid’ voor ouders en kinderen kan (en zal) zorgen. Dan zal de jeugdzorg een gevaar voor de jeugd worden. Goede opvoeding en jeugdhulp begint bij ouders die begeleiden en ondersteunen. Die kinderen stimuleren iets zelfstandig te doen. Die gevraagd gedraag zelf voorleven. Die kinderen in hun waarde laten, juist ook door normen de stellen en waarden over te brengen. En ja, dat vraagt elke dag even iets van onze eigen tijd!

Ouders die dat alles niet kunnen of willen opbrengen, of ouders die niet meer zo goed weten hoe ze hun kinderen moeten opvoeden, moeten wij durven confronteren met de ongemakkelijke waarheid dat niet ‘hun’  of ‘de’ kind(eren) het probleem zijn, maar hun eigen (niet) doen of laten. Om vervolgens samen met hen te bezien hoe wij dat kunnen veranderen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Mag ik bij jou schuilen?

mag ik bij jou schuilen.png

  • Opvoeden kun je niet alleen

Als het om opvoeden gaat, weten we het altijd beter dan anderen. De meeste ouders vinden dat ze het zelf vrij aardig doen. Maar over andere ouders zijn we een stuk kritischer. Andermans kinderen zijn te brutaal, asociaal, stiekem en ongehoorzaam. En die vervelende kinderen zijn natuurlijk nooit van jezelf. Nee, die ouders….

Ik ben best een goede vader (en opa), denk ik. Toch realiseer ik mij dat het opvoeden van de (klein-)kinderen een opgave was en is, die ik nooit alleen tot een goede einde brengen kon of kan. Niet, omdat ik het niet wil, maar omdat het niet kan!

Als ouder moet je  vooral niet op een voetstuk gaan staan. Een deel van de opvoeding moet je (willen) toevertrouwen aan vakmensen als kinderdagverblijfleidsters, juffen, meesters en grootouders. Dat is heilzamer voor iedereen!

Bovenstaande mijmeringen doken afgelopen dagen op toen ik kennis nam van het verslag van het congres ‘Werk maken van MeeleefGezinnen’ in Doorn (april 2019). Een meeleefgezin is méér dan een logeeradres. Meeleefgezinnen bieden de mogelijkheid de zorg voor je kind te delen.

Sommige kinderen hebben extra of andere aandacht nodig. Ouders kunnen daarbij tegen grenzen aan lopen. Omdat thuis bijvoorbeeld de verhoudingen scheef groeien. Of als dat ten koste gaat van henzelf, van de andere kinderen, van het gezin. Dan is het hebben van een Meeleefgezin verdraaid prettig. Het kind groeit dan op in twee gezinnen, die eendrachtig samenwerken. Beide zijn een thuis voor het kind. Ze vullen elkaar aan en versterken elkaar. De samenstelling van het meeleefgezin maakt niet uit en ook de leeftijd doet niet ter zake. Dit levert een meervoudige winsituatie op: het kind kan in gezinsverband opgroeien, de ouders worden ontlast en het meeleefgezin krijgt een boeiende extra taak. Het is naast een hele mooie, niet nieuwe gedachte.

Zelf ben ik ‘er een van twaalf’. Oftewel: ik kom uit een groot gezin. Negen broers en twee zussen. Niet zelden echter zaten er vroeger bij ons thuis meer dan twaalf kinderen aan tafel. Dat bleken – achteraf – kinderen die mijn vader (meester aan de lagere school) meenam naar huis. Omdat het – vriendelijk gezegd – bij hen thuis even niet meer ging. Soms bleef het bij één keer mee-eten. Anderen schoven regelmatig aan en weer anderen bleven af en toe of voor langere tijd een nachtje bij ons slapen. Het omgekeerde gebeurde overigens ook. Een van mijn broers heeft zo in zijn puberjaren een langere periode bij onze buren gewoond. Gewoon, omdat het tussen hem en mijn ouders niet liep zoals zij dat – over en weer – wensten of verwachten. En dat leverde destijds forse confrontaties op. Waar het thuis over de kleinste dingen uit de hand kon lopen, wisten de buren mijn broer precies dat te bieden en te laten doen wat nodig was.

Opvoeden doe je niet alleen. Weet ik ook uit eigen ervaring. Mijn zoon heeft een goede kop met hersens. Maar in zijn  puberjaren waren er naast de studie heel wat andere zaken die – in zijn ogen – net zo, zo niet belangrijker waren. Met de nodige onenigheid – en dus spanningen – over huiswerk maken, thuiskomen, enzovoort als gevolg. Dat het uiteindelijk toch goed gekomen is, hebben wij meer te danken aan ‘ome Dirk’ (eigenaar van een grond- weg- en waterbouwbedrijf) dan aan onze eigen opvoedvaardigheden. Zo vertelde onze zoon ons toen hij afgestudeerd was als ingenieur weg- en waterbouw. “Als ik met slechte schoolresultaten was thuisgekomen, had ik dat vervelend voor jullie gevonden. Maar Ome Dirk, die zou mij met een eind hout achterna gekomen zijn….” Achteraf kan ik makkelijk zeggen dat het simpel en logisch was of is, maar  die paar extra (vreemde, maar betrokken) ogen, die van een afstandje meekeken, boden hem en ons meer dan alleen een uitkomst.

In mijn dagelijks werk kom ik ze vaker tegen: ouders die – net als ik ooit –  bang zijn om te falen. Een derde van de Nederlandse ouders denkt zelfs ronduit tekort te schieten in de opvoeding van zijn of haar kinderen. De ouders voelen daarnaast een zware verantwoordelijkheid voor het zelfvertrouwen van hun kinderen, de psychische en lichamelijke gezondheid, de schoolcarrière en maatschappelijk succes. De ruime meerderheid van de opvoeders is bezorgd over het feit dat hun kind opgroeit in een samenleving die verhardt en steeds agressiever wordt. Het overgrote deel van hen vindt het ouderschap vermoeiend en ervaart het als uitermate stressvol. Ze hebben regelmatig het gevoel de opvoeding niet goed te doen. Dit gevoel van verantwoordelijkheid weegt zwaar. Soms zo zwaar, dat ouders vervolgens precies dat doen wat ze beter niet zouden doen: van alles een probleem maken. Met soms heel het gezin ontwrichtende gevolgen van dien.

Meeleefouders kunnen voor ouders zowel als kinderen een verademing zijn. Omdat er heel veel soorten regels, afspraken en gewoonten zijn die kunnen verschillen per gezin en huishouden. De aanpak van de een past nu eenmaal beter dan de aanpak van een ander. Juist dat maakt een MeeleefGezin zo interessant. Je faalt niet als ouder als je anderen bij de opvoeding van jouw kinderen betrekt. Integendeel. Het is daarmee een meer dan goed alternatief voor residentiele jeugdhulp. Waar kinderen in de knel vooral kennismaken met andere kinderen in de knel.

Kinderen opvoeden is geen sinecure. En superhelden (ook bekend als ‘ouders’) zijn opvoeders ook niet. Opvoeden is samenspel. Tussen ouders en kinderen, maar ook tussen ouders onderling en tussen ouders en grootouders, leerkrachten, kinderverzorgsters, buren, meeleef- steun of logeer-gezinnen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

 

 

Protesteren is niet genoeg

protest.png

  • Een slechte actie vindt altijd goede argumenten

Werkers in de jeugdzorg wordt gevraagd maandag 3 september 2018 je vrij te houden voor een grote jeugdzorgmanifestatie in Den Haag! Waarom? Omdat er een eind moet komen aan de enorme werkdruk en administratieve last. De organiserende vakbond – FNV – eist  minstens € 750 miljoen extra voor de jeugdzorg, minder administratie en minder aanbestedingswaanzin. Tijd om actie te ondernemen!

Sta ik hier achter? Ja, en nee. Het is zeker tijd om in te grijpen! Ik begrijp nut en noodzaak. Voor de toekomst van het vak, voor gezond en prettig werken en voor kwaliteit voor het kind! Maar de eisen – lees oplossingen – die (voor-)gesteld worden, zijn wat mij betreft wel van de nodige kanttekeningen te voorzien.

  1. Regeldruk begint bij vaak bij onszelf

Zeker, de administratieve regeldruk is groot en moet binnen de zorg omlaag. Daarmee ben ik het eens. Een overmaat aan regeldruk kost veel geld, beperkt het werkplezier van medewerkers, leidt tot hogere werkdruk en heeft daarmee een negatief effect op de kwaliteit van en tijd voor zorg.

Ondanks alle initiatieven om de regeldruk terug te dringen, is de administratieve belasting de afgelopen jaren niet aantoonbaar verminderd. Wat zeg ik?  De regeldruk is gestegen, onder meer als gevolg van de decentralisaties in 2015. Maar niet alleen de overheid, uitvoeringsorganisaties en toezichthouders veroorzaken die regeldruk veroorzaken. Zij komt ook voort uit eigen interpretatie van die regels door zorgorganisaties zelf. Bovendien leggen zij zichzelf en haar professionals ook allerlei aanvullende regels op. 80% van de gewraakte regelgeving komt niet van de landelijke overheid, maar wordt in de weg naar en op de werkvloer bedacht door de mensen zelf. Om het voor hen beter beheersbaar te maken.

Mijn advies: bestuur de regels om het beste middel te vinden om ze te overtreden!

  1. Aanbestedingswaanzin: verkeerde mensen vragen verkeerde dingen

Aanbestedingen zijn bedoeld om de beste partij te zoeken voor het leveren van zakelijke producten en diensten. Wie wel eens een aanbestedingsdocument heeft gezien, weet hoeveel werk daarin gaat zitten. 30 tot 50 pagina’s is het minimum. Zo een document wordt vervolgens verspreid onder mogelijke aanbieders, zij krijgen de kans om vragen in te dienen en vervolgens dienen zij een voorstel te schrijven conform een specifiek format. Deze voorstellen wordt vervolgens gewogen tegen vooraf opgestelde criteria en daaruit volgt een keuze voor een aanbieder. Dat lijkt heel eerlijk en efficiënt, maar niets is minder waar. Waar een aanbesteding geschikt kan zijn voor het inkopen van standaardproducten, is het ronduit ongeschikt voor alles waar creativiteit, inzicht en menselijk talent bij nodig is. Na zo’n 40 jaar werken in de zorg weet ik dat de beste ideeën voor ontstaan in dialoog. Juist een diepgaand en goed gesprek over de situatie en wensen voor de toekomst brengt nieuwe inzichten en mogelijkheden naar voren. Dingen die noch de inkopende organisatie noch de aanbieder hadden kunnen bedenken. Dat is bij uitstek iets dat samen, in gesprek moet gebeuren. Hoe eerder in het proces deze dialoog plaatsvindt, hoe beter de oplossingen worden. Een aanbestedingstraject legt de vraag en aanpak eenzijdig en gedetailleerd vast voordat er ruimte is voor een dialoog met de aanbieders. Dit is een verarming van het proces en zorgt voor en minder kwalitatief aanbod dan mogelijk zou zijn met zo een dialoog.

Het beste recept voor een succesvol systeem? Werk samen met partners waarmee je eerder succesvol hebt samengewerkt. En dat kan bij aanbesteden niet, omdat de beste partner op papieren criteria wordt gekozen, met papieren antwoorden, en een technocratische rekensom waar ‘de beste’ uit rolt. (Zie ook: De speld op de mouw regeert)

  1. Geld is niet het grootste probleem, maar ons gebrek aan samenwerking

Het onderwijs heeft een ernstig tekort aan leraren. De jeugdhulp barst uit zijn voegen. Passend onderwijs wringt. Er zijn veel knelpunten bij onderwijs en jeugdhulp. Met een onmiddellijk roep om meer geld als gevolg. Terwijl de oplossing niet ligt in meer geld. De echte oplossing? Sla de handen ineen. Wij hebben samen de opdracht om de verschillende speelvelden met elkaar te verbinden en de plannen over en weer af te stemmen.

Samenwerking ligt voor de hand omdat de doelstelling dezelfde is, namelijk: bevorderen dat kinderen en ouders die behoefte hebben aan hulp bij het opgroeien, de opvoeding en het onderwijs (kosten-)effectiever, sneller en preventiever ondersteuning krijgen. Tegelijkertijd moet er een eind komen aan de explosieve groei van gespecialiseerd onderwijs en gespecialiseerde zorg. Deze hulp moet zoveel mogelijk in en met de eigen sociale omgeving geboden worden. Het aantal hulpverleners met wie ze te maken hebben, wordt tot een minimum beperkt.

Het veronderstelt een transformatie – zoals dat heet – waarbij de eigen verantwoordelijkheid en het probleemoplossend vermogen van ouders en kinderen versterkt worden. Vaak gaan onderwijs en de jeugdzorg over dezelfde jeugdigen. Veel problemen van jeugdigen spelen namelijk zowel thuis als op school als in de vrije tijd, maar worden veelal door verschillende diensten en hulpverleners opgepakt. Wij kunnen, nee moeten een eind maken aan deze versnippering en verkokering. Een integrale aanpak waarbij de verbinding wordt gelegd tussen jeugdhulp en het (passend) onderwijs is een belangrijke randvoorwaarde voor het welslagen van geformuleerde ambities.

Kleinere klassen, minder werkdruk, effectieve aandacht voor ouders en kinderen en minder jeugdzorg. Het valt allemaal te realiseren. Niet met meer geld, maar door bestaande budgetten slimmer toe te delen. Anders gezegd: hevel een belangrijk deel van de jeugdhulp over naar het onderwijs. Ouders voeden hun jeugdigen immers niet in hun eentje op. De school, voorzieningen als opvang, jeugdwerk en sport dragen eveneens bij aan de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Die zijn nu onvoldoende op elkaar gericht/ Kan het? Zeker, als wij elkaar zo gek krijgen het gewoon te doen! (zie ook: Doe eens gek, doe normaal!)

Het risico van de voorgestelde manifestatie is dat het meer van hetzelfde is. Dat de eisen in de postvakjes terecht komen van politici en bestuurders Waarin soortgelijke verzoeken liggen vanuit talloze andere hoeken. Met als resultaat: teleurstelling en energieverlies. Gewoon, omdat niet alle wensen ingewilligd, want betaald kunnen worden. Ik ben niet tegen actie. Maar protesteren is niet genoeg. Natuurlijk, voor elke actie vinden wij altijd wel goede argumenten. Maar de beste actie is dat te doen wat haalbaar is en beter voor onze toekomst!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Doe eens gek; doe normaal!

kleine klas.png

  • Kan ik u zo gek krijgen gewoon te doen?

Het onderwijs heeft een ernstig tekort aan leraren. De jeugdhulp barst uit zijn voegen. Passend onderwijs wringt. Er zijn veel knelpunten bij onderwijs en jeugdhulp. Met een onmiddellijk roep om meer geld als gevolg. Terwijl de oplossing niet ligt in meer geld. De echte oplossingen ligt in het met elkaar verbinden van deze problemen. Kleinere klassen, minder werkdruk, effectieve aandacht voor ouders en kinderen en minder jeugdzorg. Het valt allemaal te realiseren. Niet met meer geld, maar door bestaande budgetten slimmer toe te delen.

Ik pleit voor een trendbreuk. Maak jeugdhulp structureel – en daarmee vanzelfsprekend – onderdeel van de ondersteuningsstructuur op school. Anders gezegd: hevel een belangrijk deel van de jeugdhulp over naar het onderwijs. Ouders voeden hun jeugdigen immers niet in hun eentje op. De school, voorzieningen als opvang, jeugdwerk en sport dragen eveneens bij aan de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Die zijn nu onvoldoende op elkaar gericht.

Veel problemen in het leven van mensen hebben hun wortels in de jeugd. Het tijdig signaleren van (het ontstaan van) deze problemen en het bieden van de benodigde ondersteuning of zorg aan kinderen, jongeren en hun ouders kan dat vaak voorkómen. Dat weten we al jaren.

Zeker, dat begint bij ouders die het beste willen voor hun zoon of dochter. En ja, de meeste jeugdigen in Nederland ontwikkelen zich zonder al te veel problemen tot autonome en sociale volwassenen die een positieve bijdrage leveren aan de samenleving. Omdat de ouders het opvoeden met vallen en opstaan leren en toepassen en als opvoeder met hun kind meegroeien.

Soms echter lukt dat niet. Omdat ouders en/of hun jeugdigen uit het evenwicht geraken, doordat er binnen het gezin of de omgeving sprake is van bijzondere omstandigheden. Eigenschappen van jeugdigen en ouders en/of kenmerken van de omgeving kunnen het gezinsleven en/of het proces van opgroeien en opvoeden extra belasten. Eén enkel probleem vormt meestal nog geen al te groot risico. Lastiger wordt het als er meer aan de hand lijkt. Als problemen en stressfactoren voor en bij ouders en/of jeugdigen toenemen, neemt de draagkracht om de daaraan verbonden opgave zelf aan te kunnen echter vaak evenredig af. Terwijl juist dan de sociale steun van de directe omgeving – in de  vorm van tijd en aandacht – de belangrijkste factor is.

En wat hebben wij gedaan? Wij hebben die ondersteuning – met de beste bedoelingen – kapot gesegmenteerd. Naast het op grote schaal werken aan ‘storingsvrije kinderen’ heeft dit een tendens tot gevolg om uitdagingen in opvoeding en onderwijs psychopathologisch te definiëren. En we praten dientengevolge over gedrag van kinderen in termen van ADHD, autisme, depressie. Als je problemen hebt met je kind omdat het zich afwijkend gedraagt en je hebt daar een label voor – Asperger, ADHD, ODD – dan is het een probleem van het kind geworden. Dat is het beeld dat wij hebben geconstrueerd. De hoeveelheid en kringen van professionals rondom ouders en jeugdigen zijn daardoor in de loop der jaren stevig gegroeid. Net zo goed als de systemen (toegangspoortjes) die erop gericht zijn om dat tegen te gaan.

Terwijl veel ‘problemen’ heel normaal zijn. Somberheid, angst, druk gedrag, tegendraadsheid, agressie, het zijn tot op zekere hoogte normale verschijnselen bij jeugdigen. Veel van deze problemen zijn gebonden aan de ontwikkelingsfase waarin jeugdigen zich bevinden.

Hoe graag wij dat misschien ook willen geloven: de problemen met de jeugd nemen niet echt toe. Alle indicatoren die iets zeggen over hun welbevinden, hun (psychische) gezondheid, de criminaliteit, het middelengebruik en de schoolprestaties staan in het groen (Sleeboom, Hermanns, & Hermanns, 2010; Landelijke Jeugdmonitor 2016). Wat het werkelijke probleem is, is onze (professionele) handelingsverlegenheid. Ons gebrek aan tijd en aandacht.

Kinderen die op de basisschool les krijgen in kleinere klassen blijken later beter te presteren en hebben minder gedragsproblemen. Resultaten elders zijn daarover kristalhelder: Kinderen in kleine klassen rekenen en lezen niet alleen beter. Kleine klassen blijken ook een goed middel tegen ongelijkheid. Onderzoek leert dat de leerlingen die in kleinere klassen zitten minder vaak in de jeugdcriminaliteit belanden, een lager percentage tienerzwangerschappen kennen, vaker een  startkwalificatie halen, vaker een vervolgopleiding doen en slagen., naar betere universiteiten gaan, meer spaargeld hebben, vaker een huwelijkspartner vinden, in betere wijken wonen en vaker een eigen huis hebben. Keer op keer blijkt hetzelfde. Kinderen uit kleinere klassen scoren beter op zowel cognitieve als non-cognitieve vaardigheden. Migrantenkinderen en kinderen van minderbedeelde ouders boeken zelfs de meeste ‘leer’-winst als de klassen kleiner zijn. Dat heeft een positief effect op hun hele latere leven. Onderzoeken daarover (Tennessee, Zweden, Israël, Amerika)  laten geen ruimte voor twijfel.

Leraren en jeugdhulpverleners zal dat niet verbazen. Beiden weten wat werkelijk werkt: tijd en aandacht. En juist over gebrek aan tijd en aandacht klaagt het onderwijs. Daarover klaagt ook de jeugdhulp. Beiden willen dat oplossen door meer van hetzelfde te bieden. Terwijl de oplossing naar mijn mening niet vraagt om meer, maar om anders! Als onderwijs en jeugdhulp de handen in elkaar slaan, zijn kleinere klassen (in liefst kleinere scholen) mogelijk met meer ruimte om tijd en aandacht te geven aan jeugdigen.

Ouders hebben dan ook – veel meer dan nu het geval is – de gelegenheid krijgen om dicht bij huis, in hun eigen buurt, hulp en advies bij opvoedingsvraagstukken te vragen. Dat hoeft niet altijd bij professionals te gebeuren. De opgave is om te zorgen dat wat normaal is, ook weer de gewoonste zaak van de wereld is. Het moet niet alleen. Het kan ook. Zonder dat de sluizen van de Nederlandse Bank opengezet moeten worden. Als onderwijs en jeugdhulp de krachten bundelen kunnen zij niet alleen de  ervaren werkdruk laten kantelen naar werkplezier. Zij kunnen elkaar ook ontzorgen en versterken. Met beter onderwijs en betere jeugdhulp als uitkomst! Kan ik u zo gek krijgen dat gewoon te doen?

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Iedereen heeft een handvat

handvat.png

  • Aan ons de kunst het op de juiste wijze te vatten

Ondanks ieders streven de jeugdhulp ‘integraal, toegankelijk en dicht bij het kind’ te organiseren heeft de transitie van de jeugdhulp de afgelopen jaren weinig verandering gebracht. Of het moet de ongelofelijke bureaucratie en verspilling zijn. Van meer preventie, slimmere samenwerking en een einde aan verkokering en perverse prikkels is nog te weinig sprake. De kosten lopen inmiddels de spuigaten uit en zorgaanbieders, individuele hulpverleners én ambtenaren lijken het spoor bijster. Gaat het nog goed komen?

De vraag naar professionele jeugdzorg stijgt al jaren en de problematiek wordt steeds complexer. Met als gevolg steeds langere wachtlijsten en kosten die uit de hand lopen. Sinds 2015 ligt de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg bij gemeenten. Maar dit leidt nog niet of onvoldoende tot positieve ontwikkelingen. De oorzaak daarvan ligt naar mijn stellige overtuiging in de zucht naar beheersing. Van de kosten bijvoorbeeld. De huidige manier van aanbesteden brengt met zich dat alles draait om de laagste prijs. Willen we de kwaliteit van de jeugdhulp behouden of verbeteren, dan is een andere koers nodig. Snel en drastisch!

Problemen bij opgroeien en opvoeden worden onnodig vaak bekeken door een psychopathologische bril. Ouders, leerkrachten, hulpverleners en zorgverzekeraars versterken elkaar hierin. De moeder die alles honderd keer moet zeggen, denkt aan een psychiatrische stoornis. School ook, want dan komen extra middelen beschikbaar. De hulpverlener ook want de vergoedingentabel van de zorgverzekeraar is identiek aan het handboek van de psychiatrie. Maar wie is het kind van de rekening?

Bij moeilijkheden in de opvoeding is de neiging ontstaan met een label het probleem tot een stoornis of een dysfunctie van het kind te maken, om Micha de Winter (2015) te parafraseren. Dat moet anders. Meer nadruk op opvoeden en minder behandelen. Wat heeft dit kind nodig? Wat hebben deze ouders nodig? Wat is in deze specifieke situatie passend. Dat zijn de vragen die gesteld zouden moeten worden. De woorden van Piet de Ruyter, hij was de eerste hoogleraar Orthopedagogiek aan de Vrije Universiteit Amsterdam en hield zich onder meer bezig met de ontwikkeling van de praktisch pedagogische gezinshulpverlening – klinken met de kennis van nu profetisch: orthopedagogiek is een bittere noodzaak geworden. Want als negen op de tien kinderen lekker in hun vel zitten, zullen het vooral de opvoeders zijn die hulp nodig hebben.

De problemen waarmee de jeugdhulp en jeugdzorg te maken hebben, zijn dus even complex als simpel. Gedrags- en opvoedingsproblemen staan namelijk meestal niet op zichzelf. Ze hebben bijna altijd te maken met de sociale en maatschappelijke omgeving waarin ouders kinderen grootbrengen. Zo heeft armoede een grote impact op opvoeding en ontwikkeling van kinderen en jongeren. Voor beleidsmakers en de (lokale) politiek betekent dit dat voor adequate jeugdhulp er meer ‘ontkokerd’ zal moeten worden. Echte transformatie van jeugdzorg heeft pas kans van slagen als wij in plaats van de traditionele beleidsdomeinen, de dagelijkse ervaringen, zorgen en knelpunten van gezinnen met problemen centraal durven stellen. Zo leert ook de praktijk.

Hulpverlening op de sportschool bijvoorbeeld. Zij blijkt soms veel effectiever (en leuker!) dan het (gemedicaliseerde) denkkader van binnen de ‘klassieke’ jeugdzorg. Zo leerde de praktijk binnen City Deal. Jonge ondernemers met een sportschool in Leeuwarden kwamen in contact met jongeren met meervoudige problemen, die ‘hulpverleningsmoe’ waren. De ondernemers, zelf ervaringsdeskundigen, wilden de jongeren in de sportschool helpen uit de problemen te komen door ze met behulp van sport discipline bij te brengen en ‘op te voeden’. Maar ze waren geen zorgaanbieder. Het resultaat: tevredenheid bij alle betrokkenen en de sportschool is inmiddels gecontracteerd zorgaanbieder geworden; tegen een scherp tarief.

Meetellen en meedoen is voor ouders en kinderen het beste medicijn. Als wij dat aan ouders en kinderen weten mee te geven dan gloort er nieuwe hoop aan de horizon.

Wat dat van ons vraagt? Kritisch naar het eigen handelen kijken. Aan de hand van een paar heel simpele vragen. Wat betekent meedoen voor onszelf? Hoe ziet onze wereld eruit? Hoe is het voor ons om op een onbekende plek te zijn? Wanneer voelen wij ons ergens welkom? Wat doen anderen daarvoor voor ons? En hoe zou dat zijn als ik aan de andere kant van de tafel zou zitten? Als ik die vader of moeder, dat kind of die puber was?

Het antwoord op deze vragen kan ons helpen de juiste focus en houding aan te nemen. Want te vaak zijn bij ons, beleidsmakers en professionals, onze eigen idealen van ‘meedoen in de samenleving’ leidend in ons beleid en onze praktijk. Te vaak en te snel vergeten wij dat meedoen voor iedereen iets anders betekent. Zeker voor mensen in knellende posities. Niet onze norm moet leidend zijn, maar het ‘ideaal’ van de mensen voor en met wie wij werken.

Ouders en kinderen moeten wij zien als een belangrijke en onmisbare partner met wie wij meepraten, meedenken en zo nodig meebeslissen over alle zaken die voor hen belangrijk zijn. Zij weten waarvoor zij hulp nodig hebben, dus hun hulpvraag en hun oplossingen moeten het uitgangspunt van onze hulp zijn. Niet het aanbod. Samen met ouders en kinderen moeten wij beslissen over de juiste ondersteuning. Samen met jeugdigen en hun gezinnen beslissen over het bij hun situatie passende maatwerk. Dat is de taak van jeugdzorg, jeugdbeleid, onderwijs en loopbaanbegeleiding. Om samen om deze mensen bij te dragen aan een samenleving die levenskwaliteit voor álle kinderen, jongeren en hun gezinnen hoog in het vaandel heeft.

De focus moet daarbij liggen op de werkzame factoren binnen het opvoedings- en ontwikkelingsklimaat. Die moeten wij willen zien, herkennen en stimuleren. En in relatie daarmee de mogelijkheden van jeugdigen en hun gezinsleden ontrafelen en versterken. Want iedereen heeft een handvat. Het is alleen de kunst die op de juiste wijze te vatten.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.