Wie is hier nou gek?

debiel.png

  • DEBIEL – Wie is hier nou gek?

Rahima is 26, maar heeft het niveau van een kind van 5. Het weerhield regisseur Dewi Reijs er niet van om een film met Rahima te maken. “Het was een te gekke tijd.”

DEBIEL is een korte jeugdfilm (15min.) over Yildiz, een Turks verstandelijk gehandicapt meisje. Zij komt terecht achter de schermen van een modeshow, Die dag gaat haar grootste wens in vervulling

De film is het regiedebuut van Dewi Reijs.

Toelichting

Dewi Reijs (33) en de Turkse Rahima Güngor kwamen veel bij elkaar over de vloer. Tien jaar lang waren ze buurmeisjes in de Baarsjes in Amsterdam. “We zijn echt vriendinnen, hoe verschillend we ook zijn”, zegt Dewi. “Rahima was vaak bezig met verkleden. Ik vond dat grappig en dacht: hier moet ik wat mee.”

Dewi studeerde aan de Amsterdamse Toneelschool en Kleinkunstacademie en is actrice en regisseur. Ze besloot een film te maken, geïnspireerd op ex-buurmeisje Rahima. “Het was moeilijk om aan financiering te komen. Omdat ik iemand met een verstandelijke beperking een grote rol had gegeven, dachten ze: eerst zien, dan geloven.”

Debiel
Nu geloven ze Dewi wel. ‘Debiel’ is haar regiedebuut en de korte film is genomineerd voor de Short Film Corner van het Filmfestival in Cannes. Naast Rahima heeft ook Emmy-winnares Maryam Hassouni een hoofdrol. De film gaat over een verstandelijk beperkt meisje, Yildiz, dat net als Rahima van kleding houdt. Door toeval komt ze op de catwalk van een grote modeshow terecht. Op die dag gaat haar grootste wens in vervulling.

Rahima is verstandelijk gehandicapt geboren. Iemand opbellen is lastig voor Rahima, maar bij Dewi kletst ze veel. “Daarom gingen de repetities voor de film ook goed. Ze kende me al, vertrouwde me.” Maar: het kostte tijd. Veel tijd. “Rahima kan niet veel onthouden. Ik moest dingen eindeloos herhalen. Vooral de teksten waren heel moeilijk.” Soms wist Rahima niet meer wat ze moest zeggen. “Even wachten”, zei ze dan tijdens de repetities. “Het wordt moeilijk in mijn hoofd, mijn hoofd zit vol.”

Onbegrip
Rahima oefende met de acteurs en de crew in de gymzaal van de dagopvang in Osdorp. Er waren op de set altijd begeleiders aanwezig, naast Dewi. “Ik stond vaak naast de camera en deed voor wat ze moest doen. Ze snapte wel dat ze aan het acteren was, maar je kunt tegen iemand zoals Rahima niet zeggen: ‘Ga eens naar links’. Dat begreep ze niet. Daarom moesten we ook veel meer repeteren dan ‘normaal’ is in de filmwereld.”

Na de opnames voelde Rahima zich als een filmster. “Op een gegeven moment ging ze wel een beetje naast d’r schoenen lopen. Dan was ze geïnterviewd, sprak ze klasgenootjes van de dagopvang en dan deed ze alsof ze heel bijzonder was. Ik zei dan: ‘Dat mag je nooit doen’. Maar ik kon er ook wel om lachen.”

Met de titel van de film wil Dewi een statement maken. “‘Debiel’ is misleidend. Je denkt in eerste instantie dat het om Rahima gaat. Want, eerlijk is eerlijk: mensen met een verstandelijke beperking worden zowel door kinderen als volwassenen vaak ‘debiel’ genoemd. ‘Ha, zie die debiel, daar’. Met mijn film wil ik mensen laten inzien: wie is hier nou debiel? Rahima is uniek om wie ze is, maar in de film zie je dat ‘normale’ mensen juist debiel kunnen doen.”

We worden allemaal gek geboren

te gek

  • In Te Gek zie je 2 mensen. Gevolgd tijdens alledaagse beslommeringen. Kun jij zien wie cliënt is? Een docu over vooroordelen en je leven oppakken.

Synopsis
De documentaire ‘Te Gek’ draait om 2 mensen die elkaar, niet per toeval, tegenkomen in het leven. De één is maatje, de ander heeft een psychiatrisch verleden, ze worden aan elkaar gekoppeld. Beide worden gevolgd tijdens hun alledaagse beslommeringen, soms samen, soms alleen. De documentaire vertelt over hun leven, over hoe ze in de samenleving staan, waar ze tegen aan lopen enz. je hoort beide vertellen, ervaringen delen, de dag bespreken, steeds krijgt de kijker een stuk meer persoonlijkheid te zien, zonder dat ze exact weten wie de cliënt is en wie het maatje. Pas in de laatste minuten zal dit duidelijk uitgesproken worden of naar voren komen.

Doel
Het doel van de documentaire is het stigma en de vooroordelen rondom mensen met psychiatrische problemen bespreekbaar te maken. Eenzaamheid en het verkeren in een sociaal isolement is één van de grootste problemen. Veelal is men in de voorliggende perioden vervreemd geraakt van familie en vrienden. Het is moeilijk om zelfstandig zonder sociaal netwerk de draad weer op te pakken. Verschillende instellingen koppelen cliënten aan maatjes en helpen ze weer terug te laten keren in de maatschappij. Mensen hebben mensen nodig en hulp bij de gewone, dagelijkse dingen die je thuis of op het werk doet.

Gek op Sofie

“Doe eens goed gek.” Zo heet de Belgische voorlichtingscampagne die deze week is gelanceerd en die het vertekende beeld en de negatieve vooroordelen moet doorbreken die bestaan over mensen met een psychotische aandoening.

“Vooroordelen leiden tot een glazen plafond”, zegt psychiater Jeroen Kleinen van het Psychiatrisch Centrum Sint-Hiëronymus. “Wanneer je eenmaal het label psychosegevoeligheid hebt gekregen, worden veel zaken onbereikbaar. Niet omdat ze onmogelijk zijn, maar omdat je de kans niet meer krijgt.”

Mensen met een psychose raken overprikkeld en gaan de realiteit anders percipiëren. Ze krijgen de prikkels niet meer geordend, legt Kirsten Catthoor van het Psychiatrisch Ziekenhuis Stuivenberg uit. Dat kan leiden tot hallucinaties, waangedachten en paranoia, stemmingswisselingen, zich sociaal terugtrekken en in zeldzame gevallen agitatie of agressie.

Biologisch gesproken ligt een onevenwicht tussen de neurotransmitters (stoffen die informatie van de ene naar de andere zenuwcel doorgeven) in de hersenen aan de basis van een psychose. Er is een genetische component, aldus Catthoor, maar die speelt slechts in beperkte mate een rol. Psychische stress, migratie, wonen in een stedelijke omgeving en druggebruik gelden als risicofactoren die een psychose in de hand kunnen werken.

Volgens Catthoor is een psychose – gaande van een psychose-ervaring tot een chronische aandoening – niet zeldzaam. Naar schatting kampt tot 3 procent van de Belgische jongeren met psychosegevoeligheid. De eerste psychose manifesteert zich vaak tussen de leeftijd van 16 en 35 jaar. “Het hoeft geen risico te betekenen voor de rest van je leven”, benadrukt Catthoor.

Om duidelijk te maken dat psychose niet synoniem staat voor iets gevaarlijks en dat het te genezen is, heeft farmareus Janssen zijn schouders gezet onder de voorlichtingscampagne “Doe eens goed gek”. Die werd vorig jaar al in Nederland gelanceerd en vandaag in Brussel officieel voorgesteld. Bedoeling is het onderwerp bespreekbaar maken, onwetendheid wegnemen, negatieve vooroordelen de kop indrukken en de beeldvorming positief te veranderen.

De campagne bestaat uit twee korte filmpjes – getiteld “Gek op Sofie” – die op de sociale media worden uitgerold. In beide filmpjes nemen bekende Vlamingen Peter Van De Veire en Bill Barberis (“Thuis”) de bestaande vooroordelen en stigma’s rond psychoses op de korrel (zie onder). In een documentaire wordt tot slot dieper ingegaan op de aanleiding van de campagne en de nood aan betere bewustwording.

Voor een gek is een wijze gekker dan een gek voor een wijze

  • Hoe onbegrensd laten wij ons voor gek houden door de onbetaalbare houding van “wat de gek er voor geeft?”

Blanco cheque

Zorgverzekeraars Nederland (ZN) heeft in op 18 mei 2015 een brief aan de Tweede Kamer benadrukt dat het op dit moment van groot belang is om het tempo hoog te houden bij het transparanter maken van de GGZ. ZN vindt het positief dat de GGZ-sector met veel goede initiatieven is gestart om de samenleving inzicht te geven in de kwaliteit van de GGZ-zorg. Ook vindt ZN dat de intensieve samenwerking tussen alle betrokken partijen goed verloopt. Wel wijst ZN erop dat de acties die momenteel gestart worden niet eerder dan 2017 de gewenste kwaliteitsinformatie zullen opleveren.

Wat mij betreft heeft ZN op een punt gelijk: het tempo van het transparanter maken van de GGZ moet hoog gehouden worden. Wat zeg ik: het moet als de sodemieter verhoogd worden. Gezien de huidige, beperkte aantoonbare kwaliteit én het ontbreken van een transparante productstructuur, maak ik mij zowel ernstig zorgen als druk over het voornemen van de minister om de GGZ in 2017 volledig risicodragend te maken voor de GGZ-kosten.

Waar mijn zorg en irritatie op gebaseerd is? Op de – te vaak voorkomende – houding van GGz-aanbieders die zeggen: “geef ons gewoon de macht (en het geld) en we regelen het goed voor de cliënt”. De blanco cheque die en het blinde vertrouwen dat (sommige) GGZ-aanbieders zo vragen is mij toch echt teveel van het goede. Natuurlijk – en gelukkig – zijn er ook witte raven onder de aanbieders, maar die zijn – helaas – eerder de spreekwoordelijke uitzondering.

“Om het maar heel bot te stellen: Dit kind is naar ons verwezen via de huisarts en de enige vraag die u (gemeente|PPD) dan mag stellen is: Is er een verwijzing van de huisarts ? Deze vraag mogen wij met ‘Ja’ of ‘Nee’ beantwoorden. In dit geval dus ‘Ja’ en daarmee houdt het op. De Gemeente geeft dan een beschikkingsnummer af en stuurt dat schriftelijk naar de hulpverlener en de ouders (eis vanuit een Gemeentewet). Daarna sturen wij een nota en betaalt de gemeente deze rechtstreeks aan ons.”

Bovenstaand bericht ontving ik deze week als reactie van een GGz-aanbieder. Het was een antwoord op een vraag van een medewerker van het sociaal team waaraan ik leiding geef. De betreffende gemeente heeft bij dat team de Toegang tot en de kwaliteitsbewaking – de zorginhoudelijke toetsing – belegd. Hiervoor bestaat het team uit gekwalificeerde en daarvoor opgeleide professionals. Zij weten en voelen zich verantwoordelijk voor goede ondersteuning net zo goed als een goede besteding van het budget en de inhuur van kwalitatief goede en bij de aard van de vraag en noodzakelijke zorg passende zorgverlener. Hierbij speelt de voorkeur van de cliënt/ouder nadrukkelijk een rol. Zij kunnen kiezen uit de door de gemeente/regio hiervoor gecontracteerde aanbieders. Wanneer door de toeloop bij een aanbieder cliënten met wachttijden worden geconfronteerd, stellen wij betrokkenen in de gelegenheid stellen om uit te zien naar andere aanbieder.

Als het sociaal team (of – zoals in dit geval – de huisarts) vaststelt dat tweede lijns zorg aangewezen is, wordt de aard en omvang (inzet van zorg) en het daarmee beoogde resultaat vertaalt naar een plan van aanpak (het persoonlijk plan). De aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn/haar oordeel de vorm en inhoud van de behandeling is en het daarmee beoogde of te bereiken resultaat. Hij mag en zal dit oordeel mede baseren op de professionele protocollen en richtlijnen. Bij sommige verwijzingen het niet mogelijk op voorhand in te schatten welke specifieke ondersteuning geëigend is. Een logische start is dan (de bekostiging van) een nadere diagnose op basis waarvan – opnieuw samen met de client/ouders van de jeugdige – het persoonlijk plan bijgesteld of aangevuld kan worden.

Omdat het sociaal team verantwoordelijk is voor de kwaliteitsbewaking en het daarmee gemoeide budget wordt dit plan altijd getoetst door het sociaal team. Daarmee wordt ook de bekostiging van de verwijzing (door de huisarts) geborgd. In geval een huisarts voor een jeugdige – conform de Jeugdwet – een verwijzing doet, nemen zij die verwijzing voor de vervolgstappen dus als basis. Dit betekent ook dat mijn collega’s – als deskundige op hun vakgebied, moeten kunnen vaststellen met welke feitelijke activiteiten een cliënt het beste gebaat is en wat of het beoogde of gewenste resultaat van die inzet is. In het samenspel van cliënt/ouder – sociaal team – aanbieder richten mijn collega’s zich hierbij vooral op de beoordeling van de integraliteit van het totale pan van aanpak en bewaken zij of de cliënt weet wat de volgende stappen zijn, welke inzet daarmee is gemoeid en of de cliënt daarmee akkoord gaat. Op basis daarvan keuren mijn collega’s een persoonlijk plan goed of af. Het persoonlijk plan is in mijn gemeente meteen ook de beschikking.

Bij dit alles worden dus enkel en alleen professionals betrokken die bij de actuele hulpvraag van een jeugdige en zijn/haar ouders betrokken zijn. Professionals zonder eigen beroepsgeheim (zoals bijvoorbeeld assistenten, maatschappelijk werkers en dergelijke) die zo bij de zorgverlening betrokken zijn, hebben een afgeleid beroepsgeheim. Voor hen gelden dezelfde regels van het beroepsgeheim als voor BIG-professionals. Dit sluit ook aan bij de “Handreiking Beroepsgeheim – 6 stappen voor zorgvuldig handelen” van GGZ Nederland waarin staat te lezen: “De zwijgplicht geldt in beginsel tegenover iedere derde, maar niet tegenover de patiënt of overige zorgverleners die bij de actuele behandeling betrokken zijn. Doorslaggevend is de vraag of de hulpverleners betrokken zijn bij de actuele hulpverlening. “

Zoals bekend ben ik groot voorstander van het geven van meer ruimte aan professionals en meer werken op basis van vertrouwen vooraf. Dat alles overigens wel in combinatie met onafhankelijke checks en balances! De door mij gewraakte opstelling van de GGZ-aanbieders die van die ‘school’ zijn, maakt het niet alleen moeilijk om de inhoudelijke discussie met ze aan te gaan. Het maakt niet alleen een verantwoorde (financiële) werktoedeling onmogelijk. Het dreigt u en mij ook over te leveren aan een machtig monopolistisch bolwerk. Een bolwerk dat zonder checks en balances over uw en mijn (geestelijke) gezondheid en portemonnee kan regeren. En daar word ík gestoord van!