Wie is er eigenlijk (niet) gek?

  • Doe eens gek; doe normaal en zet uw masker af!

Wie is er eigenlijk gek.png

Tussen de dertig- en vijftigduizend mensen in Nederland hebben momenteel Parkinson. Er zijn er heel wat meer die last hebben van angst- en stemmingsstoornissen – dat loopt in de honderdduizenden. Alles bij elkaar zijn meer dan 1,5 miljoen mensen in behandeling voor een of andere psychische stoornis of psychisch ongemak.

Veel ‘gezonde’ mensen kampen met depressieve gevoelens, angsten, vormen van dwang, overspannenheid of de gevolgen van traumatische ervaringen in hun leven. Een overlevingsstrategie die velen hanteren, is het dragen van maskers. Het voor de buitenwereld mooi weer spelen. Terwijl van binnen de eenzaamheid en moedeloosheid levensgroot aanwezig zijn.

Wanneer we een longontsteking hebben, een gebroken been of een hartafwijking gaan we naar de dokter of het ziekenhuis, laten we ons onderzoeken en volgt een behandeling. Dat is heel normaal. Anders wordt het, als we psychisch ziek zijn. Blijkbaar is dat een teken van zwakte, een falen in een maatschappij die drijft op verhalen van succes en zelfredzaamheid.

Zou er bij u en mij begrip zijn dat het doen van een boodschap alle energie kan kosten? Dat opstaan en de dag beginnen misschien wel de grootste overwinning van die dag is? Dat leven met paniek elke ontmoeting tot een bedreigende situatie maakt?

De psychisch zieke worstelt vaak met schaamte. Wat daarbij komt, is de angst van de ander. De buren durven de psychisch zieke niet uit te nodigen op de koffie. Kan je wel een normaal gesprek voeren? Is het wel veilig voor de kinderen? Zo kan het gebeuren dat iemand met een psychiatrische problematiek klem zit tussen de eigen schaamte en de angst van de samenleving.

U en ik kunnen daaraan wat doen. Door voor elkaar zichtbaar te zijn en elkaar als gewone mensen tegemoet te treden. Door eens gek te doen en onze maskers af te zetten. Als wij onze uitdagingen delen, zullen wij ontdekken dat wij allemaal veel normaler blijken te zijn dan wat ons vaak oppervlakkige contact doet vermoeden.

 

Advertenties

Ben ik nou gek?

depressie.png

  • Nooit eens een depressie? Zeg, voel jij je wel goed?

Een tsunami van kritiek daalt neer over het plan van Menzis om aanbieders met betere uitkomsten financieel te belonen. ‘Een waanzinnige gedachte’, vindt de een. “Zeer gevaarlijk”, zegt de ander. ‘Alsof de verschillen in behandelresultaten zijn terug te voeren op de verschillen in inspanning en kwaliteit van de behandelaren” De GGZ slaagt er – als vanouds – weer in om met een goed doordachte reactie  onrust te strooien over dit voornemen. Tijd dus voor een tegengeluid. Want het idee van Menzis is zo gek nog niet. Vind ik!

Ik bespeur namelijk een subjectieve zelfanalyse bij veel professionals in de GGZ. Hun eigen effectiviteit schatten ze steevast dwaas hoog in. Die mening stoelt vrijwel nooit op harde cijfers. Ik zie ook een onderling hopeloos verdeelde en een met het eigen imago schermutselende beroepsgroep. “Wanneer loodgieters eenzelfde wazige opvatting over hun nering zouden ventileren als therapeuten, dan lekte heel Nederland van binnenuit en konden we ons landje doortrekken.”

Therapeutische uitmuntendheid vraagt niet om nog meer of nieuwe behandelmethoden en -technieken. Integendeel. Het is niet de therapeut of zijn therapiemodel wat een therapie doet slagen. De meest krachtige factor tot verandering is de cliënt (de mens) zelf en wat zich afspeelt in zijn of haar leven buiten de therapiekamer. De zogenaamde extra-therapeutische factoren. Gevolgd door de tot stand gebrachte relatie tussen cliënt en therapeut (zie ook Barry L. Duncan, Scott D Miller, Jacqueline A Sparks 2004).

Ook VU-hoogleraar klinische psychologie Pim Cuijpers reageerde kritisch in de Volkskrant. Hij noemde het plan “onzalig”, want het is volgens hem nauwelijks te zeggen of een patiënt opknapt door een behandeling. “Veel mensen knappen spontaan op”, zegt hij….. Als dat zo is, waarom zetten wij dan überhaupt behandeling in?

Laat ik het wat concreter maken.

Deze week verscheen ook (toevallig?) een Artikel dat zegt dat huisartsen het aantal studenten met psychische problemen zie stijgen. “De nood is hoog”, kopt het artikel. “Psychologen zijn niet aan te slepen. Steeds meer studenten kampen met psychische problemen. De oorzaak is een opeenstapeling van stressfactoren: toegenomen prestatiedruk op universiteiten, angst voor schulden, de invloed van sociale media.”

Precies, denk ik dan. Dat is wat wij doen: wij bieden behandelingen aan om de gevolgen te bestrijden, te verzachten of hanteerbaar te maken. Wij lopen over van begrip voor de cliënt, diepen het probleem graag uit., Waardoor er vaak een vicieuze cirkel ontstaat met als gevolg een steeds groter wordend probleem dat voor de persoon die er last van heeft alleen maar ingewikkelder en onoverzichtelijker wordt. De sfeer wordt beladen met problemen, waardoor het gevaar dreigt dat de oplossing steeds verder uit het zicht raakt er ook de hoop op verbetering zal afnemen. Het doet mij denken aan de boodschap in het boek “Ooit een haan horen zeggen dat-ie vroeger ’n eitje was?; een psychiatrische patiënt kijkt liever vooruit dan terug (Stichting Pandora, Amsterdam, 1991 ISBN9071227049). Of, zoals meiden bij Fier Fryslan (slachtoffers van eer gerelateerd en huiselijk geweld, seksueel geweld en mensenhandel mij eens spiegelden: “Jullie hulpverleners willen alleen maar praten over onze problemen. Wij willen praten over onze toekomst. Over opleiding, werk enzo.”

Juist deze boodschap schraagt de inzet van Menzis. Zij willen goede uitkomsten belonen en niet langer (alleen) het aantal behandelingen resp. de inzet. Het belang en het oordeel van de patiënt wordt daarin meegewogen. Terecht, zeg ik. Met onze zorg is veel geld gemoeid. Dat geld moet worden ingezet om de uitkomst voor de patiënt te verbeteren. Dat zou een onverstandige maatregel zijn als wij het probleem als vertrekpunt nemen. Niemand op de wereld kan mij vertellen hoe een depressie ontstaat, bij wie, hoe ernstig die wordt en hoe lang die gaat duren. Die kennis is er gewoon niet. Wat wij wel weten is wat wel werkt: een oplossingsgerichte aanpak.

“Doe je ogen eens open” vraag ik de GGZ-collega’s dan ook. “Overschat je eigen effectiviteit niet.” Geschoolde en gekwalificeerde therapeuten in alle disciplines overschatten hun eigen effectiviteit met gemiddeld 60%!” Zegt ook psycholoog Scott D. Miller, Ph.D. (Institute for the Study of Therapeutic Change, Center for Clinical Excellence). Een psycholoog kan betere psychologische zorg bieden door te werken volgens het principe van ‘practice based evidence’ in plaats van ‘evidence based practice’ (Zie ook http://www.scottdmiller.com/). Zeker als hij of zij daarbij ook de (mogelijkheden van) de context meeneemt.

Anders gezegd: isoleer niet het ‘probleem’, maar plaats het in haar context. Focus de behandeling niet op het beperken van het problematische functioneren. Herstel van het onproblematisch functioneren vraagt om het kijken (en durven zien!) van kansen en mogelijkheden. En laat dat nu precies het fundament zijn van de decentralisatiebeweging van en bij de meeste – zo niet alle – gemeenten: het plaatsen van de inwoners in het bredere denk- en kijkraam van hun talenten en omgeving. Volgens mij kunnen bepaalde onderdelen van behandelingen snel worden geschrapt omdat blijkt dat ze niet helpen. Vindt ook Ernst Klunder, voorzitter van Volante, een samenwerkingsverband van grote ggz-instellingen. Het belangrijkste en werkende bestanddeel in heel veel therapieën blijkt namelijk gewoon ‘tijd’ en ‘aandacht. Tijd om te luisteren naar het verhaal, tijd om het te plaatsen in zijn context en aandacht voor de mogelijkheden.

Oplossingsgerichte gespreksvoering, gebaseerd op tijd en aandacht verschilt wezenlijk van de doorgaans gehanteerde (probleemgerichte) gespreksvoering. Exploratie en analyses van de factoren die een probleem veroorzaken of in stand houden zorgen niet automatisch voor verbetering van dat probleem. Kenmerkend bij de oplossingsgerichte gespreksvoering is dat

  • Problemen als uitdagingen/kansen worden gezien
  • De probleemhouder/cliënt de expert is
  • Je niet stuk maakt wat niet stuk is
  • Dat als iets werkt, je daarmee doorgaat
  • Als iets werkt, ga ermee door
  • Als iets niet werkt, je het anders moet doen

De interventies zijn erop gericht de probleemhouders/cliënten te helpen de aandacht te verleggen naar juist die momenten waarop het anders is, waardoor oplossingen mogelijk zijn.

Ben ik nou gek? Ik ben gek genoeg om daaraan te twijfelen. Wereldwijd wordt enorm veel energie en geld gestoken in onderzoek naar en betere behandelingen voor depressie. Met gematigd succes. Er bestaat een alternatieve route: stimulatie van geluk!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Wie is hier nou gek?

debiel.png

  • DEBIEL – Wie is hier nou gek?

Rahima is 26, maar heeft het niveau van een kind van 5. Het weerhield regisseur Dewi Reijs er niet van om een film met Rahima te maken. “Het was een te gekke tijd.”

DEBIEL is een korte jeugdfilm (15min.) over Yildiz, een Turks verstandelijk gehandicapt meisje. Zij komt terecht achter de schermen van een modeshow, Die dag gaat haar grootste wens in vervulling

De film is het regiedebuut van Dewi Reijs.

Toelichting

Dewi Reijs (33) en de Turkse Rahima Güngor kwamen veel bij elkaar over de vloer. Tien jaar lang waren ze buurmeisjes in de Baarsjes in Amsterdam. “We zijn echt vriendinnen, hoe verschillend we ook zijn”, zegt Dewi. “Rahima was vaak bezig met verkleden. Ik vond dat grappig en dacht: hier moet ik wat mee.”

Dewi studeerde aan de Amsterdamse Toneelschool en Kleinkunstacademie en is actrice en regisseur. Ze besloot een film te maken, geïnspireerd op ex-buurmeisje Rahima. “Het was moeilijk om aan financiering te komen. Omdat ik iemand met een verstandelijke beperking een grote rol had gegeven, dachten ze: eerst zien, dan geloven.”

Debiel
Nu geloven ze Dewi wel. ‘Debiel’ is haar regiedebuut en de korte film is genomineerd voor de Short Film Corner van het Filmfestival in Cannes. Naast Rahima heeft ook Emmy-winnares Maryam Hassouni een hoofdrol. De film gaat over een verstandelijk beperkt meisje, Yildiz, dat net als Rahima van kleding houdt. Door toeval komt ze op de catwalk van een grote modeshow terecht. Op die dag gaat haar grootste wens in vervulling.

Rahima is verstandelijk gehandicapt geboren. Iemand opbellen is lastig voor Rahima, maar bij Dewi kletst ze veel. “Daarom gingen de repetities voor de film ook goed. Ze kende me al, vertrouwde me.” Maar: het kostte tijd. Veel tijd. “Rahima kan niet veel onthouden. Ik moest dingen eindeloos herhalen. Vooral de teksten waren heel moeilijk.” Soms wist Rahima niet meer wat ze moest zeggen. “Even wachten”, zei ze dan tijdens de repetities. “Het wordt moeilijk in mijn hoofd, mijn hoofd zit vol.”

Onbegrip
Rahima oefende met de acteurs en de crew in de gymzaal van de dagopvang in Osdorp. Er waren op de set altijd begeleiders aanwezig, naast Dewi. “Ik stond vaak naast de camera en deed voor wat ze moest doen. Ze snapte wel dat ze aan het acteren was, maar je kunt tegen iemand zoals Rahima niet zeggen: ‘Ga eens naar links’. Dat begreep ze niet. Daarom moesten we ook veel meer repeteren dan ‘normaal’ is in de filmwereld.”

Na de opnames voelde Rahima zich als een filmster. “Op een gegeven moment ging ze wel een beetje naast d’r schoenen lopen. Dan was ze geïnterviewd, sprak ze klasgenootjes van de dagopvang en dan deed ze alsof ze heel bijzonder was. Ik zei dan: ‘Dat mag je nooit doen’. Maar ik kon er ook wel om lachen.”

Met de titel van de film wil Dewi een statement maken. “‘Debiel’ is misleidend. Je denkt in eerste instantie dat het om Rahima gaat. Want, eerlijk is eerlijk: mensen met een verstandelijke beperking worden zowel door kinderen als volwassenen vaak ‘debiel’ genoemd. ‘Ha, zie die debiel, daar’. Met mijn film wil ik mensen laten inzien: wie is hier nou debiel? Rahima is uniek om wie ze is, maar in de film zie je dat ‘normale’ mensen juist debiel kunnen doen.”

We worden allemaal gek geboren

te gek

  • In Te Gek zie je 2 mensen. Gevolgd tijdens alledaagse beslommeringen. Kun jij zien wie cliënt is? Een docu over vooroordelen en je leven oppakken.

Synopsis
De documentaire ‘Te Gek’ draait om 2 mensen die elkaar, niet per toeval, tegenkomen in het leven. De één is maatje, de ander heeft een psychiatrisch verleden, ze worden aan elkaar gekoppeld. Beide worden gevolgd tijdens hun alledaagse beslommeringen, soms samen, soms alleen. De documentaire vertelt over hun leven, over hoe ze in de samenleving staan, waar ze tegen aan lopen enz. je hoort beide vertellen, ervaringen delen, de dag bespreken, steeds krijgt de kijker een stuk meer persoonlijkheid te zien, zonder dat ze exact weten wie de cliënt is en wie het maatje. Pas in de laatste minuten zal dit duidelijk uitgesproken worden of naar voren komen.

Doel
Het doel van de documentaire is het stigma en de vooroordelen rondom mensen met psychiatrische problemen bespreekbaar te maken. Eenzaamheid en het verkeren in een sociaal isolement is één van de grootste problemen. Veelal is men in de voorliggende perioden vervreemd geraakt van familie en vrienden. Het is moeilijk om zelfstandig zonder sociaal netwerk de draad weer op te pakken. Verschillende instellingen koppelen cliënten aan maatjes en helpen ze weer terug te laten keren in de maatschappij. Mensen hebben mensen nodig en hulp bij de gewone, dagelijkse dingen die je thuis of op het werk doet.

Gek op Sofie

“Doe eens goed gek.” Zo heet de Belgische voorlichtingscampagne die deze week is gelanceerd en die het vertekende beeld en de negatieve vooroordelen moet doorbreken die bestaan over mensen met een psychotische aandoening.

“Vooroordelen leiden tot een glazen plafond”, zegt psychiater Jeroen Kleinen van het Psychiatrisch Centrum Sint-Hiëronymus. “Wanneer je eenmaal het label psychosegevoeligheid hebt gekregen, worden veel zaken onbereikbaar. Niet omdat ze onmogelijk zijn, maar omdat je de kans niet meer krijgt.”

Mensen met een psychose raken overprikkeld en gaan de realiteit anders percipiëren. Ze krijgen de prikkels niet meer geordend, legt Kirsten Catthoor van het Psychiatrisch Ziekenhuis Stuivenberg uit. Dat kan leiden tot hallucinaties, waangedachten en paranoia, stemmingswisselingen, zich sociaal terugtrekken en in zeldzame gevallen agitatie of agressie.

Biologisch gesproken ligt een onevenwicht tussen de neurotransmitters (stoffen die informatie van de ene naar de andere zenuwcel doorgeven) in de hersenen aan de basis van een psychose. Er is een genetische component, aldus Catthoor, maar die speelt slechts in beperkte mate een rol. Psychische stress, migratie, wonen in een stedelijke omgeving en druggebruik gelden als risicofactoren die een psychose in de hand kunnen werken.

Volgens Catthoor is een psychose – gaande van een psychose-ervaring tot een chronische aandoening – niet zeldzaam. Naar schatting kampt tot 3 procent van de Belgische jongeren met psychosegevoeligheid. De eerste psychose manifesteert zich vaak tussen de leeftijd van 16 en 35 jaar. “Het hoeft geen risico te betekenen voor de rest van je leven”, benadrukt Catthoor.

Om duidelijk te maken dat psychose niet synoniem staat voor iets gevaarlijks en dat het te genezen is, heeft farmareus Janssen zijn schouders gezet onder de voorlichtingscampagne “Doe eens goed gek”. Die werd vorig jaar al in Nederland gelanceerd en vandaag in Brussel officieel voorgesteld. Bedoeling is het onderwerp bespreekbaar maken, onwetendheid wegnemen, negatieve vooroordelen de kop indrukken en de beeldvorming positief te veranderen.

De campagne bestaat uit twee korte filmpjes – getiteld “Gek op Sofie” – die op de sociale media worden uitgerold. In beide filmpjes nemen bekende Vlamingen Peter Van De Veire en Bill Barberis (“Thuis”) de bestaande vooroordelen en stigma’s rond psychoses op de korrel (zie onder). In een documentaire wordt tot slot dieper ingegaan op de aanleiding van de campagne en de nood aan betere bewustwording.

Voor een gek is een wijze gekker dan een gek voor een wijze

  • Hoe onbegrensd laten wij ons voor gek houden door de onbetaalbare houding van “wat de gek er voor geeft?”

Blanco cheque

Zorgverzekeraars Nederland (ZN) heeft in op 18 mei 2015 een brief aan de Tweede Kamer benadrukt dat het op dit moment van groot belang is om het tempo hoog te houden bij het transparanter maken van de GGZ. ZN vindt het positief dat de GGZ-sector met veel goede initiatieven is gestart om de samenleving inzicht te geven in de kwaliteit van de GGZ-zorg. Ook vindt ZN dat de intensieve samenwerking tussen alle betrokken partijen goed verloopt. Wel wijst ZN erop dat de acties die momenteel gestart worden niet eerder dan 2017 de gewenste kwaliteitsinformatie zullen opleveren.

Wat mij betreft heeft ZN op een punt gelijk: het tempo van het transparanter maken van de GGZ moet hoog gehouden worden. Wat zeg ik: het moet als de sodemieter verhoogd worden. Gezien de huidige, beperkte aantoonbare kwaliteit én het ontbreken van een transparante productstructuur, maak ik mij zowel ernstig zorgen als druk over het voornemen van de minister om de GGZ in 2017 volledig risicodragend te maken voor de GGZ-kosten.

Waar mijn zorg en irritatie op gebaseerd is? Op de – te vaak voorkomende – houding van GGz-aanbieders die zeggen: “geef ons gewoon de macht (en het geld) en we regelen het goed voor de cliënt”. De blanco cheque die en het blinde vertrouwen dat (sommige) GGZ-aanbieders zo vragen is mij toch echt teveel van het goede. Natuurlijk – en gelukkig – zijn er ook witte raven onder de aanbieders, maar die zijn – helaas – eerder de spreekwoordelijke uitzondering.

“Om het maar heel bot te stellen: Dit kind is naar ons verwezen via de huisarts en de enige vraag die u (gemeente|PPD) dan mag stellen is: Is er een verwijzing van de huisarts ? Deze vraag mogen wij met ‘Ja’ of ‘Nee’ beantwoorden. In dit geval dus ‘Ja’ en daarmee houdt het op. De Gemeente geeft dan een beschikkingsnummer af en stuurt dat schriftelijk naar de hulpverlener en de ouders (eis vanuit een Gemeentewet). Daarna sturen wij een nota en betaalt de gemeente deze rechtstreeks aan ons.”

Bovenstaand bericht ontving ik deze week als reactie van een GGz-aanbieder. Het was een antwoord op een vraag van een medewerker van het sociaal team waaraan ik leiding geef. De betreffende gemeente heeft bij dat team de Toegang tot en de kwaliteitsbewaking – de zorginhoudelijke toetsing – belegd. Hiervoor bestaat het team uit gekwalificeerde en daarvoor opgeleide professionals. Zij weten en voelen zich verantwoordelijk voor goede ondersteuning net zo goed als een goede besteding van het budget en de inhuur van kwalitatief goede en bij de aard van de vraag en noodzakelijke zorg passende zorgverlener. Hierbij speelt de voorkeur van de cliënt/ouder nadrukkelijk een rol. Zij kunnen kiezen uit de door de gemeente/regio hiervoor gecontracteerde aanbieders. Wanneer door de toeloop bij een aanbieder cliënten met wachttijden worden geconfronteerd, stellen wij betrokkenen in de gelegenheid stellen om uit te zien naar andere aanbieder.

Als het sociaal team (of – zoals in dit geval – de huisarts) vaststelt dat tweede lijns zorg aangewezen is, wordt de aard en omvang (inzet van zorg) en het daarmee beoogde resultaat vertaalt naar een plan van aanpak (het persoonlijk plan). De aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn/haar oordeel de vorm en inhoud van de behandeling is en het daarmee beoogde of te bereiken resultaat. Hij mag en zal dit oordeel mede baseren op de professionele protocollen en richtlijnen. Bij sommige verwijzingen het niet mogelijk op voorhand in te schatten welke specifieke ondersteuning geëigend is. Een logische start is dan (de bekostiging van) een nadere diagnose op basis waarvan – opnieuw samen met de client/ouders van de jeugdige – het persoonlijk plan bijgesteld of aangevuld kan worden.

Omdat het sociaal team verantwoordelijk is voor de kwaliteitsbewaking en het daarmee gemoeide budget wordt dit plan altijd getoetst door het sociaal team. Daarmee wordt ook de bekostiging van de verwijzing (door de huisarts) geborgd. In geval een huisarts voor een jeugdige – conform de Jeugdwet – een verwijzing doet, nemen zij die verwijzing voor de vervolgstappen dus als basis. Dit betekent ook dat mijn collega’s – als deskundige op hun vakgebied, moeten kunnen vaststellen met welke feitelijke activiteiten een cliënt het beste gebaat is en wat of het beoogde of gewenste resultaat van die inzet is. In het samenspel van cliënt/ouder – sociaal team – aanbieder richten mijn collega’s zich hierbij vooral op de beoordeling van de integraliteit van het totale pan van aanpak en bewaken zij of de cliënt weet wat de volgende stappen zijn, welke inzet daarmee is gemoeid en of de cliënt daarmee akkoord gaat. Op basis daarvan keuren mijn collega’s een persoonlijk plan goed of af. Het persoonlijk plan is in mijn gemeente meteen ook de beschikking.

Bij dit alles worden dus enkel en alleen professionals betrokken die bij de actuele hulpvraag van een jeugdige en zijn/haar ouders betrokken zijn. Professionals zonder eigen beroepsgeheim (zoals bijvoorbeeld assistenten, maatschappelijk werkers en dergelijke) die zo bij de zorgverlening betrokken zijn, hebben een afgeleid beroepsgeheim. Voor hen gelden dezelfde regels van het beroepsgeheim als voor BIG-professionals. Dit sluit ook aan bij de “Handreiking Beroepsgeheim – 6 stappen voor zorgvuldig handelen” van GGZ Nederland waarin staat te lezen: “De zwijgplicht geldt in beginsel tegenover iedere derde, maar niet tegenover de patiënt of overige zorgverleners die bij de actuele behandeling betrokken zijn. Doorslaggevend is de vraag of de hulpverleners betrokken zijn bij de actuele hulpverlening. “

Zoals bekend ben ik groot voorstander van het geven van meer ruimte aan professionals en meer werken op basis van vertrouwen vooraf. Dat alles overigens wel in combinatie met onafhankelijke checks en balances! De door mij gewraakte opstelling van de GGZ-aanbieders die van die ‘school’ zijn, maakt het niet alleen moeilijk om de inhoudelijke discussie met ze aan te gaan. Het maakt niet alleen een verantwoorde (financiële) werktoedeling onmogelijk. Het dreigt u en mij ook over te leveren aan een machtig monopolistisch bolwerk. Een bolwerk dat zonder checks en balances over uw en mijn (geestelijke) gezondheid en portemonnee kan regeren. En daar word ík gestoord van!