Teken van wijsheid

fluit herder.png

  • Wijsheid uit de bron

Een meester onderrichte zijn leerling Ali in de diepste geheimen van de wijsheid, en beval hem deze geheimen in zijn hart te bewaren en er nooit over te spreken, opdat de wijsheid niet misbruikt zou kunnen worden.

Ali hield de geheimen veertig dagen in zichzelf verborgen zoals een zwangere vrouw haar kind draagt. Maar op een dag kon hij het niet langer volhouden, hij moest erover spreken maar dat mocht hij niet. In zijn nood liep hij het bos in en kwam bij een bron. Hij boog voorover, duwde zijn hoofd onder water en riep zijn geheimen het water in. Toen voelde hij zich verlost en de benauwenis was verdwenen. Na enkele dagen groeide naast de bron een rietstengel. Het groeide en groeide, en al heel gauw was het zo groot als een mens.

Een jonge schaapherder kwam bij de bron om te drinken. Terwijl hij zijn dorst leste, werd ineens zijn hart verlicht. Zijn blik viel op de grote rietstengel, hij sneed het af en maakte er een fluit van. Terwijl hij zijn schapen hoedde, speelde hij op de fluit. Mensen die voorbijtrokken hoorden zijn fluitspel en begonnen te huilen van ontroering en verrukking. Zelfs de schapen kwamen bij elkaar om naar zijn spel te luisteren.

De faam van de fluitspelende herder verspreidde zich al snel door het hele land.

Uiteindelijk hoorde ook de wijze meester van de schaapherder en zijn spel, en hij wenste de herder te zien. Deze werd bij hem gebracht en de meester verzocht hem op zijn fluit te spelen. Toen de herder speelde werden de harten van de leerlingen, die op dat moment bij de meester waren, verlicht, en de verrukking was zo intens dat iedereen zijn tranen de vrije loop liet.

En de meester zei met een geheimzinnige glimlach: “De melodie van de fluit vertelt van de geheimen die ik Ali eens heb toevertrouwd – hij heeft dus toch gesproken.”

De parabel van de panfluit

panfluit

Er was eens een boom, een onbekende boom ergens langs de waterkant, en geplant door niemand weet nog wie. Hij leefde daar breeduit met vele takken. Hij droeg de forse stem van de wind, of de doodse stilte van de avondlucht.

’s Winters was het leven kaal en zwiepend op de harde wind en met zijn twijgen als toegeklemde vuisten vol nieuwe belofte, stond hij maar te wachten tot het lente werd.

Ga je gang, knipoogde dan de voorjaarszon, en dan kwam hij weer toe aan zijn oude, groene uitbundigheid: zijn takken liepen weer ui en schoten bloesem van ingehouden leven een lust voor de ogen!

En als de zomer kwam, maakte hij een donkere hand, gevuld met schaduw, gratis voor iedereen en soms een parapluie tegen de stromende regen.

Zo leefde die boom met al zijn takken jaar in jaar uit zijn krachten verbergend en ontplooiend, op en neer in telkens vier seizoenen.

Maar op zekere dag kwam er een man, gewapend met een mes. De takken hielden van louter schrik het ruisen in. Er was geen ontkomen meer aan: de mooiste tak werd afgesneden, en de man nam hem mee naar zijn huis. Een dode tak, voorgoed van de stam en uit het leven weggesneden. Weggevallen uit de schaduw van velen, onopvallend, en straks natuurlijk vergeten: wat is een tak over een hele boom?

Drie dagen later kwam die man weer terug, en de boom stond windstil van doodsangst met al zijn takken: wie treft vandaag het bittere lot?

Maar kijk, de man ging zitten aan de voet van de boom, en blies op de afgesneden tak, die hij zijn panfluit noemde. Hij speelde een lied, en de boom verstond: “Horen jullie mij? Ik leef! Lk leef! En meer dan ooit tevoren! lk leef! lk fluit! lk zing!”

  • Van de hand van Jan van Opbergen

 

Ali en de waterput

ali waterput.png

Een wijze meester onderrichte zijn leerling Ali in de diepe geheimen van de wijsheid, en beval hem deze geheimen in zijn borst te bewaren en er nooit over te spreken, opdat de wijsheid niet misbruikt zou kunnen worden.

Ali hield de geheimen veertig dagen in zijn borst verborgen zoals een zwangere vrouw haar kind draagt. Maar toen kon hij ze niet meer terughouden, hij moest erover spreken, het werd hem te benauwd in de borst – maar spreken mocht hij niet.

In zijn nood liep hij de wildernis in en kwam bij een waterput. Hij boog voorover, duwde zijn hoofd onder water en riep zijn geheimen het water in. Toen voelde hij zich verlost en de benauwenis was verdwenen.

Na enkele dagen groeide naast de waterput een riet. Het groeide en groeide, en al heel gauw was het zo groot als een mens.

Een jonge schaapherder kwam bij de put om te drinken. Terwijl hij zijn dorst leste, werd ineens zijn hart verlicht. Zijn blik viel op het riet, hij sneed het af en maakte er een fluit van. Terwijl hij zijn schapen hoedde, speelde hij op de fluit. Mensen die voorbijtrokken hoorden zijn fluitspel en begonnen te huilen van ontroering en verrukking. Zelfs de schapen kwamen bij elkaar om naar zijn spel te luisteren.

De faam van de fluit spelende herder verspreidde zich in het gehele land.

Uiteindelijk hoorde ook de wijze meester van de schaapherder en zijn spel, en hij wenste de herder te zien. Deze werd bij hem gebracht en de meester verzocht hem op zijn fluit te spelen. Toen de herder speelde werden de harten van de leerlingen, die op dat moment bij de meester waren, verlicht, en de verrukking was zo intens dat iedereen zijn tranen de vrije loop liet.

En de meester zei met een geheimzinnige glimlach: “De melodie van de fluit vertelt van de geheimen die ik Ali eens heb toevertrouwd – hij heeft dus toch gesproken.”