I can’t stop holding you

ray.png

  • Vasthouden is een hardnekkige verslaving

De overheveling van Wmo, participatie en jeugdzorg naar gemeenten (2015) brengt bij overheden, professionele organisaties voor welzijns- en zorg en hun professionals een proces van loslaten op gang. In feite moeten alle actoren uitgaan van de eigen regie bij inwoners. Die kunnen het beste zelf bepalen welke hulp en ondersteuning – naast het eigen netwerk – nodig is. En juist dat loslaten blijkt moeilijk: wij kunnen niet stoppen vast te houden!

Een dezer dagen wees een collega mij op de film “Ray” (2004). Deze biopic is een hommage aan de man met de karakteristieke stem, die geldt als een van de meest invloedrijke musici van onze tijd. De film ontroert en fascineert. Niet alleen vanwege de muziek. Het -voor mij – mooiste fragment uit de film is het moment waarop Rays moeder hem letterlijk en figuurlijk loslaat. Ik wil dit fragment graag delen. Ook, omdat het een prachtige metafoor is voor op opgave van loslaten.

Het gaat over Ray als klein jongetje. Hij wordt blind en het filmpje laat zien hoe zijn moeder hiermee om gaat. Tijdens het kijken dacht ik meermalen “Mens, moeder, doe wat! Help jouw kind”.  Gaandeweg werd ik bozer en meer verontwaardigd. Tot het moment waarop ik mij realiseerde dat wat zij deed ongelofelijk knap was. Zij wist dat het voor Ray beter was zelf te ontdekken hoe hij zich moet redden in het leven. Dat, zo moest ik erkennen, dat is loslaten om grip te krijgen en te houden!

Loslaten, vertrouwen en verantwoordelijkheid geven, autonomie van de ander waarderen. Het zijn de prachtige en waardevolle principes die de grondplaat vormen van het denken en doen bij eigen kracht. Wij schrijven en spreken daarover aanhoudend. Maar dat denken ook doen? Dat blijkt verschrikkelijk lastig. Omdat wij bang zijn zelf het houvast te verliezen of – zoals wij onszelf graag en liever nog doen geloven – van de ander af te nemen. Vasthouden blijkt een (hardnekkige) verslaving. Natuurlijk moeten wij omzien naar elkaar. Omzien is echter iets anders dan  ‘zorgen voor’. Terwijl wij voor de mensen om ons hen faciliterend en aanvullend moeten zijn, zijn wij vooral nog regisserend “Doe het vooral zelf, maar doe het wel zo!”.

Loslaten, ruimte, vertrouwen en verantwoordelijkheid geven. Het vraagt erkenning van de ander. Van zijn of haar mogelijkheden. Van zijn of haar eigen kracht. Hij of zij komt daardoor beter tot zijn recht, wordt onafhankelijker en krachtiger. Dat is de les die Ray’s moeder ons nog eens leert. Loslaten, betekent tijdelijk het houvast durven verliezen, omdat niet loslaten betekent dat jij en/of de ander voor altijd het houvast zal verliezen.

Wij willen mensen aan wie wij gehecht zijn of voor wie wij willen zorgen beschermen. Tegelijkertijd doen wij juist door vast te houden het tegenovergestelde. Van nature willen wij de ander beschermen tegen (mentale) rampen, zoals eenzaamheid, financiële onzekerheid of een onaangenaam leven. Wij willen dat zij veilig zijn. Maar juist het vasthouden houdt de afhankelijkheid van de ander in stand en draagt bij aan groeiende onveiligheid. Goedbedoeld creëren wij een rampzalige blokkade voor de eigen veerkracht van de ander.

Loslaten en vasthouden zijn desondanks geen tegenstrijdige overtuigingen. Feitelijk gaat het om het accepteren van beiden. Een probleem is het als of het loslaten of het vasthouden ons obsedeert. Juist dan zal angst zich van ons meester maken. Vanwege de mogelijkheid dat we datgene – wat we met zo veel moeite bij ons weten te houden en waarvan we denken dat het ons betekenis geeft – kunnen verliezen.

Onze problemen ontstaan door onze gepassioneerde gehechtheid aan ‘regie’ hebben. In control zijn. Waarbij wij gemakkelijk voorbij lopen aan het gevaar diezelfde behoefte van en angst bij de ander over het hoofd te zien. Het probleem van niets of iets doen is dat je nooit weet wanneer je ermee moet ophouden. Juist daarom houden wij vast aan oude patronen en situaties. Dat is ons vertrouwd en voelt veilig.

“Leer los te laten.” Zeg ik daarom. Niet om iets of iemand te laten vallen, maar om ruimte te creëren en eigen veerkracht te versterken. Loslaten geeft ruimte aan de ander, om zelf te doen wat zelf kan. De ‘regie in eigen hand te nemen. Loslaten is niet: de ander buitensluiten, niet zien, horen of luisteren of negeren. Loslaten is met compassie naar de ander kijken. Liefdevol dapper zijn. Liefdevol onvriendelijk ook. Laten wij dat leren van Ray’s moeder. Niet perfect, niet ideaal, maar (de ander) heel helpend en versterkend!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Het lijkt wel oorlog

oorlog3.png

  • Je kunt niet alleen maar onkruid wieden. Je moet soms ook een bloemetje planten.

Wanneer gaan we het sociaal team omdopen tot ‘de sociale militie’ die wel even korte metten zal maken met alle problemen en uitdagingen waarmee mensen worden geconfronteerd? Die vraag struint de laatste dagen door mijn hoofd. Als gevolg van de constatering dat het sociaal beleid steeds meer ‘oorlogstermen’ het vakjargon lijken te beheersen.

Het sociaal domein kent steeds meer termen die het beeld van een slagveld oproepen. Eerder dan van een samen-krachtige samenleving. Opschalen, frontlijnwerker, taskforce, aanvalsplan, doorbraakmethode, stadsmarinier, escalatieladder. Het zijn woorden waarmee wij graag duidelijk maken dat wij de problemen serieus nemen. En dat wij de slag daartegen willen en zullen winnen. Een te waarderen inzet; dat zeker. Tegelijkertijd roepen dit soort van termen ook verwachtingen op.

Neem bijvoorbeeld de armoede.  In een in 2015 verschenen beleidsdocument lees ik: “2015 is een cruciaal jaar in onze strijd tegen armoede en voor duurzame ontwikkeling. Er moet ambitie worden getoond indien wij erin willen slagen de belangrijke doelstellingen te verwezenlijken die we onszelf hebben opgelegd: extreme armoede uitbannen en alle mensen een duurzame toekomst bieden. We moeten mensen de kans geven om het heft in handen te nemen, ongelijkheid bestrijden en gedeelde welvaart tot stand brengen door inclusieve en duurzame groei. De aanpak van deze vraagstukken is een lastige opgave die alleen tot een goed einde kan worden gebracht indien wij verantwoordelijkheden opnemen die stroken met onze eigen doelstellingen en wij onze krachten bundelen in een sterk sociaal partnerschap.”

Anno 2017 moeten wij constateren dat de cruciale strijd waarover toen gesproken werd kennelijk verloren is. Volgens het CBS neemt de armoede in Nederland sinds de laatste jaren toe in plaats van af. Met een cumulatie van armoederisico’s, bijvoorbeeld gezondheidsproblemen en schuldenproblematiek, als gevolg.

Er is een ‘ongebreidelde bestrijdingsbegeerte’ ontstaan, mede door de bloeiende zorgindustrie, die leidt tot nóg meer zorg. In menig beleidsplan staat de term ‘aanpakken’. We pakken alles maar aan. De zware woorden die wij – met alle goede bedoelingen – daarbij gebruiken blijken steeds vaker een valkuil. Omdat ze leiden tot desillusie en onvrede als de verwachtingen die wij oproepen zo vol gaten geschoten worden. Met ‘boze-burger’ partijen als antwoord.

Het is dan ook niet verwonderlijk als de ronkende beleidstaal die wij gebruiken eerder tot scepsis dan tot tevredenheid leidt. Sterker, het lijkt erop dat de mobilisatie van krachten alleen maar leidt tot nog meer ongenoegen. Het Nederlandse sociale systeem blaast zichzelf zo met snelle oplossingen, loze beloften en ondoordachte beleidsmaatregelen. Met alleen ‘oorlogstaal’ krijg je geen krachtiger samenleving. Daarin spreken heeft een katalyserend effect.

Denken in oorlogstermen heeft een katalyserend effect. Het brengt vaak meer regelgeving en nog strengere wetgeving met zich. Intussen neemt daardoor het wantrouwen van inwoners en professionals  tegenover de overheid toe. Toch blijft het denken in ‘oorlogstermen’ aantrekkelijk. Voor alle betrokkenen.

Informatie die negatief wordt gebracht kan sneller op instemming rekenen. Dat is bekend uit de psychologie. En er spreekt urgentie uit, zoals slecht nieuws ook beter verkoopt. Politici net zo goed als professionals en inwoners spinnen daar garen bij. Er is geen aandacht voor ‘de banaliteit van het goede’.

De participatiesamenleving waaraan wij met elkaar werken, vraagt een andere taal en keuze. Een keuze voor een bescheiden overheid en ruimte voor de samenleving. Waarbij de overheid de juiste voorwaarden schept waarbinnen de mensen in de samenleving zich kunnen ontplooien. Naast een sterke en vitale samenleving veronderstelt dit, dat mensen – inwoners en professionals – zelf ook de (financiële) ruimte krijgen om die verantwoordelijkheid in te vullen.

Die ruimte wordt door de ‘oorlogsretoriek’ dichtgemetseld. Alles wordt tot in de kleinste details geregeld, vaak op grond van bepalingen die al lang verouderd zijn. De problemen van mensen worden abstracte thema’s (armoede, werkloosheid, thuiszitters, levenseinde, asielzoekers) waarbij de mensen om wie het gaat geanonimiseerd worden. Terwijl het juist om mensen gaat. Met ieder zijn eigen (on-)mogelijkheden.  De ‘grootschaligheid’ van de thema’s laat daarvoor geen ruimte meer.

Armoede, werkloosheid, thuiszitten of asiel zoeken: het is geen keuze. Het is een gevolg van ongewenst ‘loslaten’.  De ‘oorlog’ die wij met de beste bedoelingen daaraan verklaren, maakt ongewild de slachtoffers daarvan tot daders. En de strijd daartegen beneemt ons het zicht op de werkelijke uitdaging: de oorzaak.

Het is daarom hoog tijd om de weinig verheffende oorlogsretoriek binnen het sociaal domein bij het grof vuil te zetten. Deze te vervangen door een discours dat uitgaat van compassie met mensen die kwetsbaar zijn. Bij die compassie hoort als vanzelfsprekend dat mensen zoveel mogelijk zeggenschap over hun eigen leven behoren te behouden. Daarbij gaat het in plaats van strijden tegen de onmogelijkheden om vertrouwen en het faciliteren van mogelijkheden. Dan ook zullen mensen in plaats van strijd waarde aan hun omgeving ontlenen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Het eigen hoofd verliezen om andermans hoed

  • Wanneer spaanders het werk overwoekeren zijn bezems gewenst

hoedaf

Ik denk dat ik de komende week een hoed koop. Een gaucho-achtige hoed. Samen met een rode Louis Vuitton-sjaal. En ik reken er op dat er wel een ijdel tuitende journalist te vinden is die dat te flamboyant vindt. Die meent dat een dienstverlener als ik eerst maar eens moet presteren, alvorens mij excentriek te gedragen. Ik zal hem dan vriendelijk toelachen. Het vervolgens vertellen dat ik die hoed niet voor mijzelf of zomaar op heb. Dat ik hem op heb om af te kunnen nemen. Uit diep respect voor onze mantelzorgers en hulpverleners!

Ik lees, luister en kijk met steeds meer tegenzin naar het werk van het Nederlandse journaille. De reden? In de eerste plaats de welhaast dolle jacht op een skoop. Een journalistieke (!) primeur die (politieke) commotie veroorzaakt. In de tweede plaats het feit dat commotie steeds vaker belangrijker lijkt dan feitelijkheid. In de derde plaats een kennelijke concentratie op wat écht onbelangrijk is. De bubbelbadperikelen van Dave Roelvink, de knieklachten van Patty Brard en – recentelijk – de hoed van voetbalinternational Depay.

Met als rechtvaardiging dat ‘dit’ is wat het publiek wil, kronkelen journalisten zich rond triviale nieuwsfeiten als rond een verrukkelijk feestbanket vol smeuïge gerechten. Journalistiek kan kennelijk bedreven worden door journalisten én door niet-journalisten; er is geen enkel verschil, want ze doen allebei journalistiek…Althans, zo noemen ze dat.

In plaats van de journalist die het nieuws een podium biedt, lijkt het vaker zo dat het (zogenaamde) nieuws de journalist een podium moet bieden. Het interview van Bert Maalderink met Memphis Depay over de (te?) flamboyante hoed van de voetbalinternational was het zoveelste tenenkrommend voorbeeld van een steeds doller draaiende nieuwsmachine. Wanneer zo’n onderwerpje geen nieuws is, dan maakt die machine er wel nieuws van, met enkele eenvoudige ingrepen. De kern van dat vraaggesprek? “Nee, jongeman, zo zijn we niet getrouwd: jij wint wedstrijden, dan zullen wij juichen, en als je dat niet doet, dan maken we je helemaal kapot, met je kapsones. Wie excentriek wil zijn, eerst moet excelleren.”

Nog afgezien van de terechte verbazing van de voetballer dat het dragen van een hoed door hem in Nederland al gezien wordt als flamboyant – en dus nieuws – is deze betutteling van een zich journalist noemende ijdeltuit onverdraaglijk. “Er zijn” – zeg ik welgemeend tegen Maalderink – “mensen, wie een hoed beter staat dan hun hoofd.”

Bovendien neemt het vertrouwen in de media door dit soort van egotripperij af. Volgens het CBS had in 2013 nog maar 32 procent van de bevolking vertrouwen in de pers. De kritiek: journalisten zoeken sensatie, weten te weinig, praten elkaar na en zijn bevooroordeeld.

Die toenemende trivialiteit van het nieuws en de brengers ervan zie ik – zeer tot mijn spijt en ergernis – ook terug in de berichtgeving over de zorg. Veel van de hedendaagse berichtgeving over de veranderingen die plaatsvinden in de zorg krijgen een negatieve bijbetekenis mee. Elke dag kun je ze in de krant lezen of op tv zien; reportages over bezuinigingen, over ontslagen, over fraude, over ruziënde aandeelhouders, over te hoge kosten, over medische fouten, over slecht functionerende administratiesystemen, etc.

De koppen lokken met titels die vertellen hoe fout iets is, wat de nadelen van iets zijn, hoe verpestend iets is, etc. Het lijkt allemaal gebaseerd op de illusie dat negativiteit smeuïger is; en dus meer lezers trekt dan positiviteit. Na lezing kan de conclusie geen andere zijn dan “zie je nou wel, het is allemaal niets”.

Het beeld dat hiermee van zorg en zorgverleners wordt geschetst is zowel onterecht als zonde. Net zo onterecht als de suggestie dat het dragen van een (flamboyante) hoed door een enkeling de oorzaak is van het falen van het Nederlands elftal in de afgelopen WK-kwalificatie.

Het kan aan mij liggen maar ik hoor te weinig mooie verhalen over de zorg. Dat werk is hartstikke goed en nuttig. En er gebeuren dagelijks duizenden leuke en goede dingen. Kleine en grote wondertjes waarvan we te weinig terug zien in de media. Daarbij heeft het er alle schijn van dat hulpverleners door de al maar aanhoudende stroom negatieve berichtgeving kopschuw worden en steeds meer onder tafel kruipen.

Ik denk dat zorgverleners – van mantelzorgers tot doctoren – hun schroom wat moeten laten vallen en ook aandacht in de media moeten vragen voor de mooie dingen. Omdat die mantelzorger, die jeugdhulpverlener, die verpleegkundige, die artsen, die thuiszorgmedewerkers, enzovoort, enzovoort dat verdienen. Gewoon, omdat zij op door hun dagelijkse inzet op individueel niveau heel vaak echte game changers zijn. Mensen die met een simpel gebaar, een beetje aandacht of een nieuwe invalshoek de situatie van en voor mensen positief kunnen veranderen.

Ik zou willen dat het ondermaats geknutsel rond triviale randverschijnselen de echte journalisten wakker schrikt. Gewoon, omdat dat creatieve aspect sluipenderwijs het journalistieke ambacht verstikt. Teveel spaanders overwoekeren in toenemende mate het echte vakwerk. Nieuwe bezems om dat vuil te vegen zijn daarom gewenst.

De portee van dit verhaal? Pure journalistiek is en blijft vakwerk. Net zoals dat geldt voor het werken in de zorg. Dagelijks zijn duizenden zorgverleners in Nederland actief om hulp en ondersteuning te bieden aan mensen die het nodig hebben. Natuurlijk gaat er wel eens wat fout. Goed fout ook, soms. En ja, dat mag dan ook aan de kaak gesteld worden. Maar niet door enkel de man of vrouw aan te vallen; of een randverschijnsel tot mediahype te maken. Doe dat door op de inhoud in te gaan. De context te duiden. Door tegenstellingen en tegengestelde belangen en gevoelens met elkaar te verbinden: met compassie als uitgangspunt.

Naast kennis en kunde is dat wat zorgverlening kenmerkt: oprechte compassie. Anderen behandelen zoals je zelf behandeld zou willen worden. Vanuit die gedachte wordt het vanzelfsprekend om de ander het beste te gunnen. Compassie en gunnen beginnen altijd met luisteren. Ja, telkens weer eerst luisteren en toetsen of je goed geluisterd hebt.

Voor al die mensen die dat dag in dag uit doen neem ik graag – en met respect – mijn hoed af. Met een flamboyante buiging.