De NIMBY-bestuurders

nimby

  • Het juiste of het gemakkelijkste pad

Als er een moeilijk gesprek of pijnlijke situatie in de lucht hangt, zegt ons instinct: RENNEN! Confrontatie uit de weg gaan, telefoon niet opnemen, verdwijnen in je werk, feesten, drinken, kop in het zand. Iedereen doet dat wel een. Schuift moeilijke gesprekken of ingewikkeld werk voor zich uit en doet z’n best om aardig gevonden te worden. Alles om ongemakkelijke situaties te voorkomen. Weglopen voor een probleem is heel menselijk en tot op zekere hoogte ook te begrijpen. Maar waar je ook heen vlucht, die angst of het probleem verdwijnt er niet mee. Er komt een moment dat je er iets mee moet. En dat is niet per se makkelijk of leuk.

Een paar honderd euro per maand hebben gezinnen in armoede per maand extra nodig. Anders moeten zij hun kinderen deelname aan de sportclub ontzeggen of van de aankoop van noodzakelijke kleding afzien. Of, erger nog, hun gezin gezonde voeding ontzeggen. Zij klagen erover dat bij gezinnen met hogere inkomens sprake is van een overschot. De goede raad die zij veelal krijgen is, dat zij moeten leren de tering naar de nering te zetten. Oftewel, de uitgaven aanpassen aan de inkomsten. Meestal wordt er iets mee bedoeld als ‘ze moeten even de broekriem aanhalen’.

Een half miljard euro hebben de gemeenten extra nodig, anders moeten voorzieningen zoals zwembaden en bibliotheken sluiten. Dat zegt de ‘G40’, de organisatie van de veertig grootste gemeenten. De gemeenten krijgen al jaren minder geld en moeten daar steeds meer van doen. Hóe ze hun geld besteden mogen ze zelf bepalen. De G40 klaagt dat er in Den Haag een overschot is, maar dat gemeenten niet worden gecompenseerd. Ook mag een gemeentebegroting – net als de bankrekening van gezinnen die van een minimum moeten rondkomen, niet in de rode cijfers gaan.

Moeten wethouders niet net als die gezinnen zelf maar zorgdragen dat ze hun cijfers op orde hebben, of moeten anderen of het rijk bijspringen?

Ik zal niet beweren dat er geen extra geld naar de hiervoor bedoelde gezinnen of gemeenten moet. Als dat helpt om betere keuzes te maken, is dat prima. Anders ligt dat als extra geld maakt dat er noodzakelijke keuzes uit de weg gegaan worden. Vanwege dat laatste heb ik mijn vraagtekens bij de opstelling van de G40. De binnen het sociaal domein gevraagde transformatie vraagt – net als de transformatie van ons energiestelsel – verregaande keuzes. De effecten van die keuzes zal iedereen (moeten) merken.

De overheid dat zijn wij, u en ik. Wij hebben uit ons midden mensen tot bestuurders gekozen. Hun taak is het de verschillende belangen en keuzemogelijkheden in beeld te brengen. Om vervolgens – liefst samen met de inwoners die zij vertegenwoordigen – tot keuzes komen.  Waarbij duidelijk moet zijn dat niet alles en zeker niet tegelijkertijd kan Als de inwoners een zwembad gesubsidieerd willen hebben, of een betere bibliotheek, meer groenonderhoud of betere wegen, dan kan dat, als diezelfde bestuurders op andere terreinen – de zorg voor elkaar bijvoorbeeld – op hun inwoners (kiezers) kunnen rekenen.

De overheid is een functie, een rol binnen onze netwerksamenleving. Iedereen in die samenleving is gewoon een burger, ook ambtenaren en bestuurders! Ambtenaar-burgers en bestuurder-burgers – of dat nu bij gemeenten, provincies en departementen is, zijn geen de door ons vooruitgeschoven posten. Het zijn geen geldfabrieken. Integendeel, zij beheren uw en mijn centen. Dat deel van ons inkomen dat wij – volgens democratisch gemaakte afspraken – bijdragen aan een gezamenlijke pot, dat wij rijksbudget noemen. Uit dat gezamenlijk ingelegde geld betalen wij de voorzieningen waarvan wij vinden dat die tot nut en belang van iedereen zijn. Als nu ons wensenlijstje langer of groter is dan ons budget toelaat, dan moeten wij rond de tafel om opnieuw tot keuzes te komen. Juist dit laatste zijn wij – verwend door alsmaar toenemende luxe en gemak – een beetje vergeten of ontwend. Wij doen niets liever dan andermans geld uitgeven. Gemakshalve vergetend dat ‘andermans geld’ niks meer of minder dan ook en mede onze inleg is.

Gemeenten die voor hun lokale taken meer geld vragen, omdat zij lokaal te maken keuzes niet willen, kunnen of durven maken, doen in feite niets anders dan het lastige keuzeproces uit de weg gaan. Door het maken van keuzes door te schuiven naar een andere bestuurslaag. In dit geval het rijk.

Het rijk kan – als zij die keuze maakt – gemeenten meer geld uitkeren. En ook dan moeten er keuzes gemaakt worden. Doen wij taak x of y dan niet? Of minder? En zo ja, welke taak dan? Of kiezen wij ervoor een grotere inleg te vragen van onze inwoners? Die vervolgens klagen over het feit dat de overheid wel gemakkelijk omgaat met ‘hun’ centen.

Het vraagt een samenleving om een samenleving te realiseren. Wanneer u en ik lid willen zijn van de samenleving moeten wij ook de verantwoordelijkheid aanvaarden voor de keuzes die dat vraagt. Dan hebben wij niet de optie, noch het voorrecht, om ons lidmaatschap van de samenleving te weigeren wanneer we het ons uitkomt. Wij – en dat geldt ook voor de door ons gekozen bestuurders – kunnen onszelf niet distantiëren van en de schuld geven aan ‘de overheid’ als dat ons beter uitkomt. Gezamenlijk nemen we allemaal deel aan en bestaan ​​we uit dat ‘ding’ dat we ‘de maatschappij’ of ‘de overheid’ noemen.

De dans om en de focus op het geld van de G40 vind ik daarom kwestieus.  Zij verzuimen hun eigen inwoners te betrekken bij de keuzes die gemaakt moeten worden en de consequenties daarvan. Elk huishouden in Nederland, en dat geldt ook het huishouden van de samenleving, moet keuzes maken. Iedereen moet voortdurend keuzes maken en sommige keuzes zijn onvermijdelijk.

In het persoonlijke leven nemen wij de belangrijke beslissingen zelf, maar besluiten over hoe ons land wordt ingericht, welke regels er gelden, waar onze belastingcenten aan worden besteed etc. worden namens ons door anderen (die wij daarvoor kiezen) genomen. Zij zijn uiteindelijk onze vertegenwoordigers die namens ons keuzes maken.

De bestuurders van de G40 gedragen zich als NIMBY’s: mensen die een bepaalde ontwikkeling toejuichen, maar hier geen consequenties aan willen verbinden. Daardoor ontstaat een doorschuifeffect. Juist dit doorschuifeffect faciliteert het probleem: wij kunnen of durven geen keuzes meer te maken. Wij durven elkaar niet meer te zeggen: als wij dit willen, dan kan dit of dat niet (meer, in dezelfde omvang of alleen als uzelf daarvoor wat wilt doen).

Goed besturen draait om delen en verbinden. Waarbij bestuurders de (door ons aan hen opgedragen en geaccepteerde) taak hebben om de keuzes te maken en te verdedigen die bijdragen aan de samenleving die wij wensen. Inclusief de keuze om de inwoners – u en mij dus – aan te spreken, en zo nodig te confronteren, met dat wat nodig is om de tering naar de nering te zetten. De keuze voor (meer of minder) inleg (in centen) of bijdrage (in het zelf doen) daaraan is daar een van.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Veerkrachtige kinderen

Florida project.png

  • The Florida Project

Een kwart van de Amerikaanse kinderen groeit op in armoede. Met The Florida Project laat Sean Baker zien welke impact dat op hen heeft, hoe ze desondanks overeind blijven, maar uiteindelijk bij al hun semi-volwassen lefgozerij toch ook ‘gewoon’ kwetsbare kinderen zijn.

De 6-jarige Moonee woont met haar moeder Halley in een motel in de schaduw van Disney World Florida. De zomervakantie is net begonnen en Moonee vult haar dagen door samen met haar vriendjes het terrein te verkennen en kattenkwaad uit te halen.

Haar 22-jarige moeder doet ondertussen haar best om zo goed ze kan voor haar te zorgen, maar wil ondertussen als twintiger ook gewoon wat lol kunnen beleven en belandt uiteindelijk in de prostitutie. Motelmanager Bobby (schitterende rol van acteur Willem Dafoe, te midden van een cast die grotendeels bestaat uit amateurs) lijkt de enige volwassene in de omgeving te zijn die de kinderen in het gareel probeert te houden. Totdat het echte leven Halley inhaalt en ze de harde realiteit onder ogen moet komen.

 

Het lijkt wel oorlog

oorlog3.png

  • Je kunt niet alleen maar onkruid wieden. Je moet soms ook een bloemetje planten.

Wanneer gaan we het sociaal team omdopen tot ‘de sociale militie’ die wel even korte metten zal maken met alle problemen en uitdagingen waarmee mensen worden geconfronteerd? Die vraag struint de laatste dagen door mijn hoofd. Als gevolg van de constatering dat het sociaal beleid steeds meer ‘oorlogstermen’ het vakjargon lijken te beheersen.

Het sociaal domein kent steeds meer termen die het beeld van een slagveld oproepen. Eerder dan van een samen-krachtige samenleving. Opschalen, frontlijnwerker, taskforce, aanvalsplan, doorbraakmethode, stadsmarinier, escalatieladder. Het zijn woorden waarmee wij graag duidelijk maken dat wij de problemen serieus nemen. En dat wij de slag daartegen willen en zullen winnen. Een te waarderen inzet; dat zeker. Tegelijkertijd roepen dit soort van termen ook verwachtingen op.

Neem bijvoorbeeld de armoede.  In een in 2015 verschenen beleidsdocument lees ik: “2015 is een cruciaal jaar in onze strijd tegen armoede en voor duurzame ontwikkeling. Er moet ambitie worden getoond indien wij erin willen slagen de belangrijke doelstellingen te verwezenlijken die we onszelf hebben opgelegd: extreme armoede uitbannen en alle mensen een duurzame toekomst bieden. We moeten mensen de kans geven om het heft in handen te nemen, ongelijkheid bestrijden en gedeelde welvaart tot stand brengen door inclusieve en duurzame groei. De aanpak van deze vraagstukken is een lastige opgave die alleen tot een goed einde kan worden gebracht indien wij verantwoordelijkheden opnemen die stroken met onze eigen doelstellingen en wij onze krachten bundelen in een sterk sociaal partnerschap.”

Anno 2017 moeten wij constateren dat de cruciale strijd waarover toen gesproken werd kennelijk verloren is. Volgens het CBS neemt de armoede in Nederland sinds de laatste jaren toe in plaats van af. Met een cumulatie van armoederisico’s, bijvoorbeeld gezondheidsproblemen en schuldenproblematiek, als gevolg.

Er is een ‘ongebreidelde bestrijdingsbegeerte’ ontstaan, mede door de bloeiende zorgindustrie, die leidt tot nóg meer zorg. In menig beleidsplan staat de term ‘aanpakken’. We pakken alles maar aan. De zware woorden die wij – met alle goede bedoelingen – daarbij gebruiken blijken steeds vaker een valkuil. Omdat ze leiden tot desillusie en onvrede als de verwachtingen die wij oproepen zo vol gaten geschoten worden. Met ‘boze-burger’ partijen als antwoord.

Het is dan ook niet verwonderlijk als de ronkende beleidstaal die wij gebruiken eerder tot scepsis dan tot tevredenheid leidt. Sterker, het lijkt erop dat de mobilisatie van krachten alleen maar leidt tot nog meer ongenoegen. Het Nederlandse sociale systeem blaast zichzelf zo met snelle oplossingen, loze beloften en ondoordachte beleidsmaatregelen. Met alleen ‘oorlogstaal’ krijg je geen krachtiger samenleving. Daarin spreken heeft een katalyserend effect.

Denken in oorlogstermen heeft een katalyserend effect. Het brengt vaak meer regelgeving en nog strengere wetgeving met zich. Intussen neemt daardoor het wantrouwen van inwoners en professionals  tegenover de overheid toe. Toch blijft het denken in ‘oorlogstermen’ aantrekkelijk. Voor alle betrokkenen.

Informatie die negatief wordt gebracht kan sneller op instemming rekenen. Dat is bekend uit de psychologie. En er spreekt urgentie uit, zoals slecht nieuws ook beter verkoopt. Politici net zo goed als professionals en inwoners spinnen daar garen bij. Er is geen aandacht voor ‘de banaliteit van het goede’.

De participatiesamenleving waaraan wij met elkaar werken, vraagt een andere taal en keuze. Een keuze voor een bescheiden overheid en ruimte voor de samenleving. Waarbij de overheid de juiste voorwaarden schept waarbinnen de mensen in de samenleving zich kunnen ontplooien. Naast een sterke en vitale samenleving veronderstelt dit, dat mensen – inwoners en professionals – zelf ook de (financiële) ruimte krijgen om die verantwoordelijkheid in te vullen.

Die ruimte wordt door de ‘oorlogsretoriek’ dichtgemetseld. Alles wordt tot in de kleinste details geregeld, vaak op grond van bepalingen die al lang verouderd zijn. De problemen van mensen worden abstracte thema’s (armoede, werkloosheid, thuiszitters, levenseinde, asielzoekers) waarbij de mensen om wie het gaat geanonimiseerd worden. Terwijl het juist om mensen gaat. Met ieder zijn eigen (on-)mogelijkheden.  De ‘grootschaligheid’ van de thema’s laat daarvoor geen ruimte meer.

Armoede, werkloosheid, thuiszitten of asiel zoeken: het is geen keuze. Het is een gevolg van ongewenst ‘loslaten’.  De ‘oorlog’ die wij met de beste bedoelingen daaraan verklaren, maakt ongewild de slachtoffers daarvan tot daders. En de strijd daartegen beneemt ons het zicht op de werkelijke uitdaging: de oorzaak.

Het is daarom hoog tijd om de weinig verheffende oorlogsretoriek binnen het sociaal domein bij het grof vuil te zetten. Deze te vervangen door een discours dat uitgaat van compassie met mensen die kwetsbaar zijn. Bij die compassie hoort als vanzelfsprekend dat mensen zoveel mogelijk zeggenschap over hun eigen leven behoren te behouden. Daarbij gaat het in plaats van strijden tegen de onmogelijkheden om vertrouwen en het faciliteren van mogelijkheden. Dan ook zullen mensen in plaats van strijd waarde aan hun omgeving ontlenen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

De buitenspelval moet ons beschamen

buitenspelval1.png

  • Waardigheid als waarde

“Soms,” vertrouwt Edwin mij toe, “wil ik liever niet meer wakker worden. Wachten op de postbode. Van dinsdag tot en met zaterdag is het middaguur een kwelling voor mij. Niet, dat ik haar graag zie. Integendeel. Het liefst kijk ik haar mijn deur voorbij. Want als zij komt en ook mijn deur aandoet, dan brengt zij nieuwe rampspoed. In de vorm van nieuwe nota’s of – erger nog – aanmaningen van eerdere. De zondag en de maandag zijn – wat dat betreft – zegeningen. Maar dan zijn er – net als alle dagen waarop de kinderen vrij waren – andere problemen. Dan vreest ik de momenten dat ik hen moet teleurstellen met een “Nee, dat kan niet. Daar is geen geld voor.” En dan de vrijdagen. Als ik naar de voedselbank moet. Dat is voor mij en mijn vrouw een schaamtevolle martelgang.”

Het verhaal van Edwin is niet uniek. Terwijl wij weer dagelijks de loftrompet steken over de prachtige economische ontwikkeling. Over de groei van werkgelegenheid ook. Ondertussen echter groeit de kloof tussen ‘arm’ en ‘rijk’. Een kloof die mensen, groot en klein – eenmaal naar ‘arm’ overgestoken – buitenspel verklaart.

Steeds vaker dringt zich, als ik Edwin spreek en zijn verhaal hoor, bij mij een almaar knagender gevoel van schuld op. “Hoe toch,” denk ik, “is het mogelijk dat wij als samenleving niet in staat zijn om voor mensen als Edwin die buitenspelval op te heffen?”

Schuld en schaamte vervreemden. Ze zijn de belangrijkste oorzaak van ontwrichting. In relaties, gezinnen en de maatschappij. Schuld, zo realiseer ik mij, vraagt om actie; die echter door schaamte wordt verlamt.

Beschamend is het gevoel door de ander te worden bekeken, be- of veroordeeld. Je voelt je vernederd, stom; je bent een loser. De ergste straf is die van het oog van de honende toeschouwer. Wie zich schaamt wil maar één ding: verdwijnen. Die neiging maakt dat ook dat het contact met de realiteit verloren gaat. Het negatieve beeld projecteren we op de ander. Wat des te gemakkelijker is, als ook die ander minder contact maakt, omdat die de schuldenaar als zondebok zien. Zo vergroot zich niet alleen stilletjes de armoede, maar meer nog de kloof.

Als wij dat alles weten, dan is niet kwijtschelding van schuld de eerste opgave. Eerder is dan het wegnemen van de schaamte de uitdaging. Dat is eigenlijk heel simpel, en daardoor waarschijnlijk ook zo verdomd moeilijk. Het vraagt namelijk om elkaar als mensen niet op economische waarde, maar op waardigheid aan te spreken.

Wie buitenspel staat, voelt zich minderwaardig. Niet gewaardeerd. Een gevoel dat eenvoudig te doorbreken is. Gewoon, met een simpele vraag: “Kun jij wat voor mij doen?” Omdat wij die vraag niet stellen, staat in Nederland dagelijks ruim 20% van het menselijk kapitaal buitenspel! En dat zijn mensen als Edwin. Mensen die – ieder op eigen wijze, net als jij en ik – willen meetellen en meedoen.

Meetellen en meedoen geeft waardigheid. Daarom roemen wij ook de prachtige economische groei. Feesten wij de toename van de werkgelegenheid die daarmee gepaard gaat. Diezelfde feestwoede maakt ons echter ook blind. Doet ons te gemakkelijk voorbij de grote en kleine Edwin’s kijken. Terwijl ook zij willen en kunnen deelnemen aan onze samenleving. Om hun recht daarop te respecteren is, eerder nog dan het kwijtschelden van schuld, een hervorming van ons waardensysteem nodig. Door dat te hervormen kunnen wij een einde maken aan erosie van de onze samenleving.

Het gebrek aan balans in onze samenleving wijst op een cruciaal cultureel aspect: de veranderende verbondenheid van mensen op elkaar. Die verbondenheid wordt meer en meer uitgedrukt in termen van morele schulden en verplichtingen. Wie ben ik iets verschuldigd? Wie is mij iets verschuldigd?

Maar wie bepaalt wat een schuld is en hoe deze vereffend kan worden? Waarom kan schuld alleen weggewassen met betaling? Omdat wij de waarde van waardigheid uit het oog zijn verloren! Schuld en verplichting zijn verbonden aan economische waarde: de financiële schuld. Wat wij nu aan anderen verschuldigd zijn, wordt uitgedrukt in bedragen die enkel vereffend kunnen met neutrale valuta. Contracten, niet morele overwegingen, binden de schuldenaar aan de schuldeiser.

Het gevolg van dit alles is de erosie van de sociale samenhang. De kloof van ‘arm’ en ‘rijk’. Omdat wij het gevoel van waarde en waardigheid hebben ingeruild voor de veronderstelde objectiviteit van een munt. In de plaats van wederkerigheid stimuleren wij morele leegte. Leegte die onze samenleving uit elkaar drijft en individuen kwetsbaar maakt.

Zo kijkend naar de opgave kan schuld in plaats van vernietigend, heel constructief en helend werken. Niet door haar kwijt te schelden, maar door haar te ruilen met waarde van waardigheid. Elk mens wil iets betekenen. Voor zichzelf en voor de ander. Elk mens heeft ook zijn eigen kwaliteiten. Als wij die weer (h)erkennen en die weer ruilen gaan, dan kunnen wij de breuk in de samenleving herstellen. Zo ook kunnen wij de ons beschamende buitenspelval samen elimineren.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.
  • Meer blogs en ideeën zijn te vinden op Verruim de horizon en Inspirituals

Net als de ander: meetellen en meedoen

armoede5.png

  • Een samenleving kan niet bloeien, als het grootste deel daarvan arm en ellendig is.

Eigenlijk, vind ik, moeten wij ons schamen voor de wijze waarop wij armoede bejegenen. ‘Effe geen cent te makken’, de tv-serie waarin het echtpaar Froger een maand lang ‘arm’ was, maakte heel wat los. Armoede is welhaast amusement geworden. Is dat wat er nodig is om armoede uit de taboesfeer te halen?

In ruim 40 procent van de meldingen die bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) binnenkomen omtrent ernstige zorgen over de situatie van een kind, speelt financiële problematiek van de opvoeders een rol. Deze vorm van armoede is naast psychische problematiek en verslavingsproblematiek een van de grootste risicofactoren voor kindermishandeling. Een soortgelijk signaal kwam de afgelopen week van de Nationale ombudsman over knelpunten van vrouwen in de vrouwenopvang. Vrouwen in de opvang (kunnen) onder de armoedegrens komen omdat de theorie van wet- en regelgeving (zak- en kleedgeld dan wel bijzondere bijstand) niet overeenkomt met de dagelijkse praktijk.

Armoede, zo leren ook deze berichten, is niet zelden een bron voor veel leed en zorg. De oorzaak ook van noodzakelijke zorg en aandacht. Desondanks lijkt het er op, dat wij meer aandacht hebben voor de gevolgen (kindermishandeling, huiselijk geweld, en wat dies meer zij. Anders gezegd: symptoombestrijding krijgt meer aandacht en geld dan oorzaakbestrijding. Dat komt, zo blijkt ook uit onderzoek, omdat de uitvoeringspraktijk van wet- en regelgeving rond sociale en financiële voorzieningen op het dagelijks leven van kwetsbare burgers in crisissituaties niet aansluit op dat wat werkelijk nodig is en helpt.

De verschillende vormen van mishandeling komen soms tegelijk voor. Verwaarlozing en mishandeling komen vaak tegelijk en in combinatie met andere vormen van huiselijk geweld voor, zoals geweld binnen het huwelijk. Naast de directe schade veroorzaken verwaarlozing en mishandeling problemen op lange termijn, zoals psychische problemen en drugs- of alcoholmisbruik.

Het risico van verwaarlozing of mishandeling wordt groter bij een mensen die alleenstaand zijn en weinig te besteden hebben, een drugs- of alcoholprobleem of een psychisch en psychiatrisch probleem hebben, zoals een gering gevoel van eigenwaarde of een persoonlijkheidsstoornis.

Armoede is allereerst een gebrek aan geld. Het betekent dat een huishouden (te) weinig geld heeft voor basisbehoeften zoals huur, gas, water en licht, voeding, kleding, persoonlijke verzorging, gezondheidszorg en onderwijs. Maar het betekent ook dat er weinig geld is voor ‘sociale participatie’ zoals het ontvangen van bezoek of op bezoek gaan, openbaar vervoer, vrije tijd (sport of hobby) en vakantie.

In Nederland ben je arm als je een inkomen hebt op of onder de lage inkomensgrens (zie hiernaast) en hier langere tijd van moet rondkomen zonder dat je de mogelijkheid hebt om spaargeld aan te boren.

Armoede komt in vele gradaties voor. Door het niet hebben van betaald werk, ten gevolge van echtscheidingen of faillissementen. Armoede leidt tot spanningen, gevoelens van onmacht en falen. Het zijn gevoelens die mensen irriteren, boos en wantrouwig maken. Prima voedingsbodems zijn het voor verwaarlozing en geweld. Niet, omdat mensen daarvoor kiezen, maar omdat ze geen andere uitweg of uitlaatklep meer hebben.

Natuurlijk zijn uitingen van verwaarlozing en geweld niet goed te praten. Begrijpen kan ik ze wel. Voor mensen die verstoken zijn van het meedoen aan een school of werk gerelateerd, sociaal maatschappelijk leven met, is de dreiging voor sociaal isolement of uitsluiting groot. Een samenleving die deze noden niet ziet, mag niet verwachten dat deze mensen nu en later respect tonen voor die samenleving.

Sociaal isolement en uitsluiting is daarmee niet alleen de grootste bron van heel veel kwaad, ergernis en zorg. Het is ook de knop waaraan wij kunnen draaien om de oorzaak weg te nemen. Mee mogen doen en integreren zijn basisvoorwaarden in het creëren van een samenleving, waarbinnen men elkaar respecteert. Met meedoen, maak je sociale contacten, leer je hoe met elkaar om te gaan, wat voor een ander over te hebben, hoe te winnen en te verliezen. Mensen die zulke dingen niet leren of kunnen, komen ernstig tekort. Met ontwrichtende gevolgen voor onze samenleving. Omdat het niet zonder gevolgen voor de toekomst blijft.

Juist daarom moeten wij aandacht geven aan de echte oorzaak van veel problemen waaraan wij wel aandacht besteden. Waar omheen een hele economische zorgindustrie is ontstaan. Het is tijd dat wij dat doen wat werkelijk werkt: aandacht geven aan mensen die buitenspel (dreigen te) staan. Hun veerkracht door aanspreken van eigen kwaliteiten, zelfvertrouwen en zelfbewustzijn en het stimuleren van maatschappelijke participatie. De eerste stap?

Het actief opzoeken van mensen in hun eigen leefomgeving (ook zorgmijders en zorgmissers) en hen uit hun sociale of financiële isolement helpen. Zoals de gemeente Zaanstad dat doet bijvoorbeeld. Daar maken zij door middel van muziek het onderwerp armoede bespreekbaar onder jongeren. Zij zetten de Zaanse band Skere Heren in om opgroeien in armoede uit de taboesfeer te halen, door optredens te geven en informatiebijeenkomsten te combineren met muziek. De manier waarop Skere Heren ‘skeer zijn’ (armoedig zijn) bespreekbaar maakt in rapteksten, maakt iets los bij de mensen waardoor zij minder schaamte voelen om over het onderwerp te praten.

Natuurlijk, wij kunnen ook niets doen. Maar niets doen is voor mij geen optie. Gewoon, omdat ik weet wat het oplevert, als je weet dat je meedoet en meetelt!

Rijkdom is een arm gewaad

arm en rijk.png

  • Tekens van rijkdom

De vader van een welgestelde familie nam zijn zoon op een dag mee voor een reis over het platteland. De man had het vaste voornemen om zijn zoon te laten zien hoe rijk en hoe arm mensen kunnen zijn. De man en zijn zoon verbleven een paar dagen op een boerderij van een familie die moeite had om rond te komen. Toen vader en zoon na een paar dagen weer terugreden naar hun landgoed, vroeg de vader aan zijn zoon wat hij van de afgelopen dagen vond.

‘Ik vond het geweldig, vader’, zei de zoon.

‘Heb je nu ontdekt hoe arm mensen kunnen zijn?’ vroeg zijn vader.
‘Ja, ik heb veel geleerd’, antwoordde de zoon. ‘Ik zag dat zij vier honden hebben, terwijl wij er maar een hebben. Ik zag dat zij een beekje hebben dat doorloopt tot het eind van de wereld terwijl wij een vijver hebben die maar tot halverwege de oprit komt.

Wij gebruiken lantaarns, terwijl zij iedere nacht naar de sterren kunnen kijken en ons landgoed loopt maar tot aan de weg, terwijl zij de wereld tot aan de horizon hebben. Wij hebben bedienden die voor ons zorgen, terwijl zij voor anderen zorgen. Wij hebben muren om ons landgoed staan om ons te beschermen, terwijl zij vrienden hebben om hen te beschermen.’

De vader zweeg verbijsterd. Toen sprak zijn zoon: ‘Dank u dat u mij hebt laten zien hoe arm we eigenlijk zijn.’