Protesteren is niet genoeg

protest.png

  • Een slechte actie vindt altijd goede argumenten

Werkers in de jeugdzorg wordt gevraagd maandag 3 september 2018 je vrij te houden voor een grote jeugdzorgmanifestatie in Den Haag! Waarom? Omdat er een eind moet komen aan de enorme werkdruk en administratieve last. De organiserende vakbond – FNV – eist  minstens € 750 miljoen extra voor de jeugdzorg, minder administratie en minder aanbestedingswaanzin. Tijd om actie te ondernemen!

Sta ik hier achter? Ja, en nee. Het is zeker tijd om in te grijpen! Ik begrijp nut en noodzaak. Voor de toekomst van het vak, voor gezond en prettig werken en voor kwaliteit voor het kind! Maar de eisen – lees oplossingen – die (voor-)gesteld worden, zijn wat mij betreft wel van de nodige kanttekeningen te voorzien.

  1. Regeldruk begint bij vaak bij onszelf

Zeker, de administratieve regeldruk is groot en moet binnen de zorg omlaag. Daarmee ben ik het eens. Een overmaat aan regeldruk kost veel geld, beperkt het werkplezier van medewerkers, leidt tot hogere werkdruk en heeft daarmee een negatief effect op de kwaliteit van en tijd voor zorg.

Ondanks alle initiatieven om de regeldruk terug te dringen, is de administratieve belasting de afgelopen jaren niet aantoonbaar verminderd. Wat zeg ik?  De regeldruk is gestegen, onder meer als gevolg van de decentralisaties in 2015. Maar niet alleen de overheid, uitvoeringsorganisaties en toezichthouders veroorzaken die regeldruk veroorzaken. Zij komt ook voort uit eigen interpretatie van die regels door zorgorganisaties zelf. Bovendien leggen zij zichzelf en haar professionals ook allerlei aanvullende regels op. 80% van de gewraakte regelgeving komt niet van de landelijke overheid, maar wordt in de weg naar en op de werkvloer bedacht door de mensen zelf. Om het voor hen beter beheersbaar te maken.

Mijn advies: bestuur de regels om het beste middel te vinden om ze te overtreden!

  1. Aanbestedingswaanzin: verkeerde mensen vragen verkeerde dingen

Aanbestedingen zijn bedoeld om de beste partij te zoeken voor het leveren van zakelijke producten en diensten. Wie wel eens een aanbestedingsdocument heeft gezien, weet hoeveel werk daarin gaat zitten. 30 tot 50 pagina’s is het minimum. Zo een document wordt vervolgens verspreid onder mogelijke aanbieders, zij krijgen de kans om vragen in te dienen en vervolgens dienen zij een voorstel te schrijven conform een specifiek format. Deze voorstellen wordt vervolgens gewogen tegen vooraf opgestelde criteria en daaruit volgt een keuze voor een aanbieder. Dat lijkt heel eerlijk en efficiënt, maar niets is minder waar. Waar een aanbesteding geschikt kan zijn voor het inkopen van standaardproducten, is het ronduit ongeschikt voor alles waar creativiteit, inzicht en menselijk talent bij nodig is. Na zo’n 40 jaar werken in de zorg weet ik dat de beste ideeën voor ontstaan in dialoog. Juist een diepgaand en goed gesprek over de situatie en wensen voor de toekomst brengt nieuwe inzichten en mogelijkheden naar voren. Dingen die noch de inkopende organisatie noch de aanbieder hadden kunnen bedenken. Dat is bij uitstek iets dat samen, in gesprek moet gebeuren. Hoe eerder in het proces deze dialoog plaatsvindt, hoe beter de oplossingen worden. Een aanbestedingstraject legt de vraag en aanpak eenzijdig en gedetailleerd vast voordat er ruimte is voor een dialoog met de aanbieders. Dit is een verarming van het proces en zorgt voor en minder kwalitatief aanbod dan mogelijk zou zijn met zo een dialoog.

Het beste recept voor een succesvol systeem? Werk samen met partners waarmee je eerder succesvol hebt samengewerkt. En dat kan bij aanbesteden niet, omdat de beste partner op papieren criteria wordt gekozen, met papieren antwoorden, en een technocratische rekensom waar ‘de beste’ uit rolt. (Zie ook: De speld op de mouw regeert)

  1. Geld is niet het grootste probleem, maar ons gebrek aan samenwerking

Het onderwijs heeft een ernstig tekort aan leraren. De jeugdhulp barst uit zijn voegen. Passend onderwijs wringt. Er zijn veel knelpunten bij onderwijs en jeugdhulp. Met een onmiddellijk roep om meer geld als gevolg. Terwijl de oplossing niet ligt in meer geld. De echte oplossing? Sla de handen ineen. Wij hebben samen de opdracht om de verschillende speelvelden met elkaar te verbinden en de plannen over en weer af te stemmen.

Samenwerking ligt voor de hand omdat de doelstelling dezelfde is, namelijk: bevorderen dat kinderen en ouders die behoefte hebben aan hulp bij het opgroeien, de opvoeding en het onderwijs (kosten-)effectiever, sneller en preventiever ondersteuning krijgen. Tegelijkertijd moet er een eind komen aan de explosieve groei van gespecialiseerd onderwijs en gespecialiseerde zorg. Deze hulp moet zoveel mogelijk in en met de eigen sociale omgeving geboden worden. Het aantal hulpverleners met wie ze te maken hebben, wordt tot een minimum beperkt.

Het veronderstelt een transformatie – zoals dat heet – waarbij de eigen verantwoordelijkheid en het probleemoplossend vermogen van ouders en kinderen versterkt worden. Vaak gaan onderwijs en de jeugdzorg over dezelfde jeugdigen. Veel problemen van jeugdigen spelen namelijk zowel thuis als op school als in de vrije tijd, maar worden veelal door verschillende diensten en hulpverleners opgepakt. Wij kunnen, nee moeten een eind maken aan deze versnippering en verkokering. Een integrale aanpak waarbij de verbinding wordt gelegd tussen jeugdhulp en het (passend) onderwijs is een belangrijke randvoorwaarde voor het welslagen van geformuleerde ambities.

Kleinere klassen, minder werkdruk, effectieve aandacht voor ouders en kinderen en minder jeugdzorg. Het valt allemaal te realiseren. Niet met meer geld, maar door bestaande budgetten slimmer toe te delen. Anders gezegd: hevel een belangrijk deel van de jeugdhulp over naar het onderwijs. Ouders voeden hun jeugdigen immers niet in hun eentje op. De school, voorzieningen als opvang, jeugdwerk en sport dragen eveneens bij aan de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Die zijn nu onvoldoende op elkaar gericht/ Kan het? Zeker, als wij elkaar zo gek krijgen het gewoon te doen! (zie ook: Doe eens gek, doe normaal!)

Het risico van de voorgestelde manifestatie is dat het meer van hetzelfde is. Dat de eisen in de postvakjes terecht komen van politici en bestuurders Waarin soortgelijke verzoeken liggen vanuit talloze andere hoeken. Met als resultaat: teleurstelling en energieverlies. Gewoon, omdat niet alle wensen ingewilligd, want betaald kunnen worden. Ik ben niet tegen actie. Maar protesteren is niet genoeg. Natuurlijk, voor elke actie vinden wij altijd wel goede argumenten. Maar de beste actie is dat te doen wat haalbaar is en beter voor onze toekomst!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.
Advertenties

De speld op de mouw regeert!

beren 2.png

  • Van beren op de weg naar durven kiezen!

Het vraagstuk ‘subsidiëren of inkopen’ of ‘subsidiëren of aanbesteden’ staat op heel wat agenda’s. Zo leerde het nieuws van de afgelopen weken. Overheden en organisaties binnen het werkveld van welzijn en zorg wikken en wegen maar komen niet tot keuzes. Zij zien teveel beren op de weg. Wanneer je vervolgens vraagt hoe die beren er dan uitzien, of welke kleur ze hebben, weten ze het eigenlijk niet. Hetgeen bij mij de vraag doet rijzen, of zij die beren überhaupt wel hebben gezien! Eerder lijkt er sprake is van een grenzeloze besluiteloosheid. Het is tijd dat overheden op dit punt nu eens durven doen!

Voor gemeenten blijft het inkopen van Wmo en jeugdhulp een complexe opgave, zo blijkt uit onderzoek. In de afgelopen jaren is het ontbreken van kennis en betrouwbare informatie daarover een voortdurende bron van discussie geworden. En ook nu nog worstelen gemeenten – net als de betrokken aanbieders van welzijn en zorg – met de voortdurend verschillende en met elkaar conflicterende opvattingen daarover. Diverse gemeenten ervaren het ‘moeten aanbesteden’ van zorgtaken als knelpunt. Zo ook de minister van VWS, Hugo de Jonge. In een brief aan de Tweede Kamer (juli 2018) constateert hij dat veel gemeenten worstelen met aanbestedingen in het sociaal domein. Ze ervaren deze volgens hem vaak als een administratieve last die veel complexiteit met zich meebrengt. De minister wil daarom onder meer in Europa ruimte zoeken om “aanbesteden in het sociaal domein op passende wijze vorm te geven.”

De opstelling van de minister helpt bepaald niet bij het geven van duidelijkheid. Zijn stellingname roept de vraag op, of hij zelf wel grip heeft op de materie. In diezelfde week immers presenteerde Binnenlands Bestuur een even interessante als andere stelling: “Negentig procent van de contracten voor Wmo-voorzieningen en jeugdhulp besteden gemeenten Europees aan, terwijl dat niet nodig is.”

Moet aanbesteden nu wel, of niet?

Zie hier de oorzaak van het eindeloze wikken en wegen. Eigenlijk wil niemand het, zoekt iedereen muizengaatjes en geitenpaadjes om er onder uit te komen, maar doen wij ondertussen braaf wat wij denken dat wij moeten doen. Daarbij voorbij lopend aan de logica van ons gezonde verstand. De speld op de mouw regeert!

Of ik gek ben geworden? Ik meen van niet. Ik weet mij ook gesteund door onderzoek (van het PPRC en het Nederlands Jeugdinstituut (NJi); juli 2018) en de praktijk in enkel gemeentes die – als waren zij Asterix en Obelix in bezet Gallie – moedig weerstand bieden aan de onzinnige aanbestedingsfetish waaronder Nederland gebukt gaat.

Zeker, ik erken dat er op dit punt grote onduidelijkheid is onder de gemeenten. Het is echter een onduidelijkheid die zij zelf organiseren. Ze spreken in inkoopdocumenten vaak van een ‘aanbesteding conform Zeeuws model’ of ‘bestuurlijk aanbesteden’ terwijl feitelijk niet wordt aanbesteed. Ze houden zich bij de inkoopprocedure aan meer regels dan volgens de wet strikt noodzakelijk is. Zo stelt ook onderzoeker Niels Uenk (PPRC).

De urgentie van een discussie over ‘verplicht Europees aanbesteden’ die op het Binnenhof en in veel gemeenten wordt gevoerd, is – helaas – een bezigheidstherapie geworden voor besluiteloze bestuurders, managers en andere betrokkenen.

‘Subsidiëren of inkopen’ of ‘subsidiëren of aanbesteden’ is een keuze die voortvloeit uit de wijze waarop je als overheid iets wilt realiseren en met welke partijen je daartoe wilt gaan samenwerken. Met het verlenen van subsidie of het geven van een opdracht worden die samenwerkingsrelaties geformaliseerd. Het is een keuze die samenhangt met de wijze waarop je wilt sturen. Oftewel: het gaat over het antwoord op de vraag hoe je als overheid partijen in de samenleving zover probeert te krijgen dat zij bijdragen aan het realiseren van een maatschappelijk gewenste situatie.

Beide regimes – subsidiëren of aanbesteden – bieden in principe dezelfde sturingsmogelijkheden. Het is niet zo dat subsidie betere of slimmere sturingsmogelijkheden biedt dan inkoop, of andersom. Kernpunt is met name de vraag hoe overheden de relaties met partijen in de samenleving vorm willen geven. Als partijen of als partners.

Die laatste vraag is cruciaal. Steeds meer gemeenten en organisaties voor zorg en welzijn ontdekken dat optimaal samenwerken in de keten essentieel is om toevoegende waarde te creëren. En juist daarbij past het – ten onrechte – veelgebruikte instrument van ‘aanbesteden’ slecht bij. Samenwerken binnen welzijn en zorg is een teamsport; om succesvol te zijn heb je zowel goede spelers als goed samenspel nodig. Daarbij moet er niet alleen op de kosten worden gelet (vaak de bron van de keuze voor aanbesteden), maar vooral en meer ook op kwaliteit, innovatievermogen, risicoreductie en de mogelijkheden voor synergie. Zaken als lokaal partnerschap en samenwerking, continuïteit van de zorginfrastructuur en ruimte voor lange termijn investeringen moeten centraal staan.

Samenvattend: Bestaat er een verplichting om (Europees) aan te besteden in de zorg? Het antwoord op die vraag is eenduidige ‘nee’: er is geen verplichting tot aanbesteden opgenomen in bijvoorbeeld de Jeugdwet of de Wmo 2015. In deze wetten staan slechts bepalingen die alleen gelden als gemeenten er zelf voor kiezen om aan te besteden, omdat zij een overheidsopdracht in de markt willen zetten. Dit is echter niet de enige manier waarop zij aan hun verplichtingen in het sociaal domein kunnen voldoen. Gemeenten hebben de keuze uit 4 mogelijkheden: Inbesteden, Subsidie, Overheidsopdracht en Open House. Dat zijn geen beren op de weg, maar keuzes die gemeenten moeten (durven) maken. Het ‘spook van de aanbesteding’ is dus voor een groot deel narigheid die wij zelf veroorzaken met het zien van niet bestaande beren op de weg en spinsels in onze hoofden!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Eénmaal… andermaal… verkocht!

koeienmarkt.png

  • Zullen wat nieuws afspreken?

Éénmaal… andermaal… verkocht! Wie is de gelukkige eigenaar van de prijskoe Bertha of één van de andere dieren? Menige doortrapte koehandel loopt volkomen uit de hand. Maar wie heeft nu eigenlijk wie te pakken? Alleen wie met boerenverstand biedt en listiger is dan de rest krijgt de lucratiefste dieren in handen en wint koehandel!

De markt van welzijn en zorg heeft – helaas – steeds meer trekjes van de hiervoor geschetste koehandel. Met dit verschil: het eenvoudige handjeklap heeft plaatsgemaakt voor een brei van onbegrijpelijke en bureaucratische aanbestedingsellende. Goed voor de werkgelegenheid, maar slecht voor de zorg. Om over transparantie maar te zwijgen. Want volgens artikel 2.57 van de Aanbestedingswet mag een aanbestedende dienst vertrouwelijke informatie die hem door een ondernemer is verstrekt niet openbaar maken. Ook mogen bepaalde gegevens niet openbaar gemaakt worden (artikel 2.138) als rechtmatige commerciële belangen van ondernemers zouden kunnen worden geschaad.

Het gevolg is een koehandel waarin mensen per bosje als producten worden geveild. Zeker, je kunt het ook een zorgvuldig proces noemen. Maar feit blijft dat mensen en hun problemen worden geveild aan de laagst biedende partij. Marktwerking in de zorg is niet modern, dat is 19de-eeuws.

Het gevolg is dat zorgcowboys – tegen afbraakprijzen – het werk aannemen. Om vervolgens hun mensen zwaar onder druk te zetten en steeds minder kwaliteit leveren. En merkwaardig genoeg, menig bestuurder weet dit, maar verdedigt dit met een “we moeten reëel zijn”.

Het mag duidelijk zijn: ik ben geen voorstander van marktwerking binnen de zorg. In ieder geval niet op basis van de perversiteit die samengaat met de huidige aanbestedingsregels. Daarom ook werd ik deze week aangenaam verrast met de presentatie van een initiatiefwet tegen marktwerking in de zorg. GroenLinksleider Jesse Klaver en zorgwoordvoerder Corinne Ellemeet presenteerden zaterdag 24 februari een initiatiefwet waardoor gemeenten niet langer verplicht zijn de zorg aan te besteden.

Gemeenten zijn namelijk – volgens de uitleg van velen – verplicht om lokale zorg aan te besteden. Als het gaat om bedragen boven de 750.000 euro. Die marktwerking zorgt voor een aantal grote problemen: Door concurrentie op prijs hebben zorgverleners steeds minder tijd hebben voor hun cliënten en staan de salarissen zwaar onder druk. Daarnaast zorgen de aanbestedingen voor een bureaucratisch gedrocht wat veel tijd vraagt van aanbieders en gemeenten. Tot slot vergroot de aanbestedingsverplichting de kans dat mensen telkens met andere zorgverleners te maken krijgen. Terwijl juist in de zorg continuïteit en een vertrouwensrelatie essentiële zaken zijn. De initiatiefwet van Klaver en Ellemeet stelt daarom voor de verplichting om lokale zorg aan te besteden uit aanbestedingswet te schrappen.

Met GroenLinks, en heel veel uitvoerende professionals, directeuren en koepelorganisaties, ben ik van mening dat zorg geen markt is. En mensen in knelsituaties geen product zijn. De mensen die in de zorg werken doen dat werk vanuit hun hart: omdat ze mensen willen helpen. Maar in de wereld van het economisme verdwijnt juist die persoonlijke aandacht uit de zorg. Regels die ten koste gaan van de menselijk maat zijn sowieso niet te rechtvaardigen. Zij conflicteren met de beleidsuitgangspunten die maatwerk beloven.

In gemeenteland is het nu verkiezingstijd. Tegen de kandidaat-gemeenteraadsleden – en daarna zeker ook de kandidaat-wethouders – zeg ik daarom: Waar een weg is, is slechts een politieke wil nodig! Want los van de vermeende aanbestedingsplicht: er is een alternatief. Gemeenten hebben een alternatief. Zij kunnen namelijk ook besluiten de lokale welzijn en zorg te subsidiëren. Het vergt misschien wat lef en creativiteit. Maar het kan.; zo leert ook de praktijk. Kijk maar eens naar de gemeente Wijchen (www.rondomwijchen.com). Daar werken zo’n honderd grotere en kleinere spelers in coöperatief verband samen voor het welzijn en de zorg van de Wijchenaren. En dat alles op basis van subsidieafspraken. De raad wilde het, de professionals, de Wmo-raad, de aanbieders van welzijn en zorg en de professionals; iedereen wilde het.

Het is nu aan minister Hugo de Jonge (VWS) om kleur te bekennen. Als wethouder sprak hij zich al eerder uit tegen de verplichte aanbesteding. Hij zit nu op de stoel die daarover een beslissing kan voorbereiden en verdedigen. Hij kan wat nieuws afspreken. Want, wat zijn wetten uiteindelijk meer dan gezamenlijke afspraken? Natuurlijk, de preciezen en behoudzuchtigen zullen de standaard riedel opdreunen om met juridisch geneuzel zand te strooien in de machine van verandering: “Nee, de wet zegt dit.”, “Nee, kan niet juridisch me zus en me zo”. Naar de letter hebben zij wellicht gelijk. Maar de bedoeling van de wet was en is toch echt anders.

Gelukkig zijn er (Europese) regels over gelijke behandeling voor bedrijven. Maar in de zorg gaat het niet om een economisch belang. Daar moet het gaan over (het belang van) mensen. Ik, als inwoner, kind, partner, ouder en grootouder zou een opstand ontketenen tegen elke pretentie bij welke bestuurder dan ook die mij beschouwt alsof ik zijn ‘handel’ kan zijn. Daarom ook zeg ik tegen de binnenkort nieuw gekozen gemeenteraden: “Zullen we eens wat nieuws afspreken?”

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Als dingen fout lopen, loop dan niet met ze mee

fout lopen.png

  • De echte meesters komen binnen langs de achterdeur

“5 redenen waarom het inkoopcircus bij de jeugdzorg in Twente niet werkt”, kopte het Algemeen Dagblad op 9 december boven een artikel van Josien Kodde. “De jeugdzorg in Twente is geen ‘markt’. De sector moet worden verlost van het systeem van de jaarlijkse aanbestedingen. Dat vinden grote zorgaanbieders als Ambiq, Jarabee en Tactus.” Met deze aanbieders ben ik van mening dat lieden van geest een einde moeten maken aan dit circus van  onnozelen.

De jeugdzorg, tot 2015 gesubsidieerd door de provincies, kreeg sedert de decentralisaties te maken met marktwerking en aanbesteden. Met de decentralisaties werd daarmee een inkoopcircus ingevoerd dat weinig goeds brengt.  Zo vinden niet alleen de hulpverleners die ermee moeten werken, maar ook bijvoorbeeld partijen in de Tweede Kamer. Ook Kamerleden willen inmiddels dat gemeenten jeugdhulp kunnen inkopen zónder Europese aanbesteding. Zo  bleek uit het Algemeen Overleg Jeugdhulp in de Tweede Kamer op 23 februari 2017. Verschillende fracties vroegen toenmalig Staatssecretaris Van Rijn om te kijken naar alternatieven voor de zorginkoop.

Veel gemeenten hebben namelijk grote moeite met het inkopen van Jeugdzorg en de Tweede Kamer vreest – wat mij betreft terecht – dat er sprake is van doorgeslagen marktdenken. Natuurlijk moeten instellingen een gelijke kans krijgen voor een opdracht, maar de aanbestedingen lijken nu vooral – zo niet uitsluitend – gericht te zijn op de laagste prijs. Met desastreuze gevolgen voor de kwaliteit en continuïteit van zorg.

De aanbesteding van jeugdhulp voor 2018 in inmiddels in steeds meer regio’s uitgelopen op een worsteling. Zo leert ook berichtgeving in onder andere Binnenlands Bestuur en NRC. Verschillende jeugdhulpaanbieders hebben zich teruggetrokken of aangekondigd zich terug te trekken uit aanbestedingsrondes (William Schrikker Groep, Leger des Heils. Pluryn) in een of meerdere regio’s. In plaats van gesprekken over samenwerking en vernieuwing van de zorg, stokt de dialoog tijdens de aanbestedingsperiode en wordt noodzakelijke samenwerking bemoeilijkt. Op sommige plaatsen heeft de rechter de strijdende partijen al opnieuw rond de tafel moeten zetten.

De aanbestedingen zijn zo tot bureaucratisch gedrocht en juridisch steekspel verworden. Goed voor heel veel werkgelegenheid, dat wel. Maar ook voor een kostenpost die vak direct ten laste komt van voor uitvoerende zorg bestemde gelden.

De huidige minister van VWS, Hugo de Jonge, sloeg als wethouder in Rotterdam ook al alarm over de aanbestedingen in het sociale domein. Zijn ambitie ging destijds veel verder en Jeugdzorg Nederland deelt die terechte ambitie.

Wie nu (nog) roept “Er zijn Europese regels waarin staat wanneer je wel of niet moet aanbesteden. Daarin staat ook wanneer er een verlicht regime van toepassing is,” kent de mogelijkheden van de wet- en regelgeving onvoldoende. Er is – veel minder dan gedacht en uitgedragen – helemaal geen noodzaak tot het aanbesteden van jeugdzorg. Die ‘noodzaak’ is er alleen als je dat perse zo wilt uitleggen. Wie echter goed kijkt, leest en oordeelt, weet dat ook het opdragen van jeugdzorg op basis van subsidie tot de mogelijkheden behoort. Zo leerde ook mijn werkpraktijk in de gemeente Wijchen. Die gemeente subsidieert vanaf 1 januari 2018 de coöperatie Rondom Wijchen; een samenwerkingsverband van zo’n 60 aanbieders van welzijn en zorg. Vanuit de vaste overtuiging dat aanbesteden geen ander doel dient dat de race naar de laagste prijs. Maar ook, omdat het de zo gewenste en noodzakelijke samenwerking frustreert en meerjaren investeringen eerder belemmert dan stimuleert. Bovendien is een aanbestedingsprocedure duur en tijdrovend. Bovendien zijn gezonde prikkels tot marktwerking ook op subsidiegrondslag heel goed te incorporeren.

Afstappen van aanbestedingen is volgens mij op dit moment dus niet alleen inhoudelijke zwaar gewenst, maar ook wettelijk gezien mogelijk. Het inkoopsysteem kan daarmee een stuk eenvoudiger, aangenamer en minder kostbaar. Maar, zoals het wel vaker geschiedt: Voor de echte meester wordt de rode loper niet uitgerold. Zij komen binnen langs de achterdeur.

Bij dat alles wil ik ook een nadrukkelijk pleidooi houden om de onderhandelingen over redelijke kostprijzen voor diensten en producten binnen de zorg te centraliseren. Waarom zo moeilijk doen als het samen kan. Centralisatie van de onderhandelingen over tarieven zal naar mijn mening bijdragen aan de gewenste en noodzakelijke inhoudelijke decentralisatie. Als het geld duidelijk en geregeld is, kan en zal het bij het gesprek op decentraal niveau niet meer over de prijs gaan, maar over de beste en meest effectieve organisatie en slimme uitvoering van ondersteuning en zorg voor inwoners. Gesprekken gaan dan weer over kwaliteit, presentie en betekenis voor de mensen en wie voor hetzelfde geld beter bieden kan! Dat zijn pas echter pikkels voor passende zorg; op tijd en op de maat van mensen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Zwemmer in stroop

stroop.png

  • Het ongemak dat de trekschuit brengt

Is de transformatie (lees: omvorming) in ons sociaal domein een échte verandering, of is het een nieuwe verpakking voor ‘oud denken’. In ruil voor financiële risico’s en bezuinigingen kregen en krijgen gemeenten steeds meer ruimte voor lokaal beleid. Dat past in de filosofie van de nabije, maar ook slankere overheid die minder bevoogdend en betuttelend is en meer plek biedt aan inwoners, bewonersinitiatieven, ondernemers en maatschappelijke organisaties. Het nieuwe paradigma is ‘ieder het zijne’ in plaats van ‘iedereen is gelijk’.” Opgeteld: de participatiemaatschappij. Het beleidsjargon hiervoor is ‘transitie’: invoering op wet- en regelniveau. En daarna ander gedrag (transformatie). We moeten dus veranderen. In houding, gedrag, pragmatisme. Met steeds mondiger inwoners, naast meer zorgafhankelijken. Toch vraag is mij af, of er voldoende tijd en ruimte is om deze culturele omwenteling kans te geven. Vaker dan gewenst heb ik het gevoel een zwemmer in stroop te zijn.

Terugkijkend naar de start zie ik dat de overdracht, de invoering in wet- en regelgeving, goed gelukt is, Maar de omvorming verloopt trager dan gewenst. Niet, omdat wij – de professionals in de uitvoering – niet willen. Integendeel zelfs. De filosofie die aan de transformatie ten grondslag ligt, heeft breed draagvlak. Maar het instrumentarium waarmee wij mogen werken kent vele knelpunten in de uitvoering. En die zijn stroperig hardnekkig.

Een prominent onderwerp en thema zijn de aangescherpte aanbestedingswetgeving. Zij zijn een gevolg van het doorgeslagen marktdenken. Sinds 1 januari 2015 zijn de nieuwe Wmo en de Jeugdwet van kracht. In de Wmo zitten naast de al bestaande huishoudelijke hulp ook taken als begeleiding en beschermd wonen. De Jeugdwet regelt alle jeugdhulp: behandeling, begeleiding, (kortdurend) verblijf en persoonlijke verzorging. Ook de jeugd-ggz, jongeren met een beperking, kinderen en ouders met een opvoedvraag als gesloten jeugdzorg vallen hieronder. Al die nieuwe taken moeten gemeenten – naar de letter van (Europese- dan wel nationale) wet- en regelgeving inkopen en aanbesteden. Met marktwerking als het devies. Marktwerking immers zal leiden tot meer maatwerk en kostenbesparend werken!

Het gevolg is (te) veel aandacht voor beheersing en sturing op contractvoorwaarden, productomschrijvingen, voorschriften etc. Al die aanbestedingsprocessen zorgen bovendien voor veel administratieve drukte en stroperigheid. Voor gemeenten én aanbieders. Terwijl één van de doelen van de decentralisaties was die lasten terug te dringen. Bij kleinere aanbestedingen is bovendien de verhouding tussen procedurele kosten en opbrengsten vaak zoek. Aanbesteden: dat moet je niet willen.

Het voert hier te ver om de hele wet- en regelgeving op dit terrein op kromheid en inefficiëntie te analyseren. Duidelijk is dat zij volstrekt averechts werkt. Zorginhoudelijk zijn de bezwaren zo mogelijk nog groter. Kleinere, vaak flexibeler werkende aanbieders zijn voor aanbestedingen niet of onvoldoende toegerust. Waardoor zij zich terugtrekken. Met verschraling van het aanbod als gevolg. Daarnaast is bepaald aanbod ook beperkt beschikbaar. Het is buitengewoon omslachtig en risicovol om te proberen via een aanbesteding erop te sturen dat aanbieders daarvan er ook uit komen. Niet in de laatste plaats ook, omdat je in een aanbesteding niet naar één aanbieder mag toeschrijven.

Door aanbestedingen komt ook de continuïteit van de in een gemeente opgebouwde infrastructuur in het gedrang. Dit knelt in de uitvoering, omdat bij langdurige zorgtrajecten het opbouwen van een vertrouwensband met een hulpverlener van groot belang is voor de effectiviteit van geboden hulp.

De echte transformatie en innovatie in het sociaal domein veelt een dergelijke top-down benadering niet. Die vraagt om samenwerking rond een gedeelde maatschappelijke opgave. Samenwerking kun je niet louter overlaten aan het spel van de markt. Marktwerking staat in schril contrast met het – ook door de regering – gewenste verantwoord marktgedrag. Basisprincipes daarvoor zijn: werken vanuit cliëntperspectief en een solide infrastructuur voor welzijn en zorg. Dat is alleen mogelijk op basis van meerjarig partnerschap, een gezonde arbeidsmarkt en een dialooggerichte werkwijze. Hierbij past pragmatisme en goed Hollands koopmanschap. Ook, omdat wij inmiddels weten dat meer marktwerking de prijs kan drukken, maar het aantal verrichtingen waarschijnlijk omhoog jaagt.

Kappen dus met marktwerking en de striktere aanbestedingsregels voor zorg en welzijn opschorten. En wel snel een beetje.

Doorpakken en doen is dus het devies. Accepteer geen bureaucratie en toon lef in het belang van je inwoners. Zoek de grenzen op om dit soort van absurditeiten te doorbreken. Hou het zo simpel mogelijk en wees kritisch over bemoeienis.

Of ik hoopvol ben dat dit werkt? Op de langere termijn zal het pragmatisme het wel winnen. Maar de overheid en het bestuur werkt met het tempo van een trekschuit. U weet wel, zo’n historisch schip dat vanaf de wal werd voortgetrokken door mens- of paardenkracht. Op de kortere termijn ben ik daarom als zwemmer in stroop best pessimistisch gestemd. Want aleer de politiek daarover heeft besloten…

Desondanks moeten u en ik de komende jaren doen wat is bedacht. Want daarmee ontstaat echt verandering, ondernemerschap en innovatie. Ik houd bij daarbij vast aan een citaat uit het essay “Ter verdediging van Utopia”. Daarin breekt Merijn Oudenampsen een lans voor het utopische denken. “Een aansprekend punt op de horizon houdt ons in beweging”, stelt hij. “Als we tien stappen in de richting van dat doel nemen, wijkt het weliswaar evenzovele stappen terug, maar dat is helemaal niet erg. Het echte doel is “te blijven lopen.”

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Alleen de markt groeit, wanneer we zorg verspillen

geldverspilling3

  • Het geld snelt voorbij aan wie in wantrouwen handelt

De transformatie vraagt om nieuwe vormen van sturing, verantwoording en monitoring in het brede sociaal domein. Maar, hoe doe je dat, als je daarbij bekneld raakt in standaarden, systemen en structuren die dat niet ondersteunen. Als efficiency, rendement, controle en beheersing in plaats van het welzijn van de mensen voorop staan. Als de prijs bepaalt wie wat mag leveren? Hardnekkige problemen blijven dan onopgelost en daadwerkelijke omvorming blijft. Het moet beter. Maar hoe dan?

Duidelijk is dat marktwerking niet bijdraagt aan de beoogde inhoudelijke omvorming. Aanbieders en – meer nog – hun professionals – willen wel, maar kunnen niet innoveren. Omdat gemeenten op zo laag mogelijke prijs aanbesteden. Het gevolg? Gemeenten en aanbieders houden elkaar – vaak onbedoeld en ongewild – in een wederzijdse wurggreep. Daardoor komt innovatie onvoldoende van de grond. Eerdere marktanalyses, uitgevoerd in het kader van de transitie jeugdzorg, maar ook recentere onderzoeken tonen dat ook aan.

De oorzaak van dit alles ligt volgens mij in niet geringe mate in een (te) rigide uitleg en toepassing van de Europese aanbestedingsregels. Natuurlijk, er zijn Europese regels, maar de letterknechten hanteren die regels veel te strikt. Met precies het effect dat de Europese regelgeving beoogt te bestrijden: een onevenredige verstoring van de interne markt. Ik wijs bijvoorbeeld op de vele uitglijders die eerder zijn gemaakt bij het aanbesteden van de thuiszorg. Daar ging het om relatief eenvoudige hulpverlening. Binnen belangrijke segmenten als de Wmo en de jeugdhulp zitten veel ingewikkelder kanten.

Ik ben overigens niet per se tegen aanbesteden, maar binnen het sociaal domein zijn er ook belangrijke argumenten te vinden die pleiten voor een subsidiegrondslag. En, anders dan ik vaak hoor beweren: het staat Nederland en haar gemeenten vrij om – binnen zekere randvoorwaarden – voor het sociaal domein met subsidies te werken. Waarmee bovendien ook verantwoord marktgedrag – continuïteit van zorg, van infrastructuur, van werkgelegenheid en van contract gediend is.

De diensten binnen het sociaal domein bevinden zich op het grensvlak tussen publieke belangen op nationaal en decentraal niveau en de regels van de interne markt. Decentrale overheden hebben volgens de Europese regelgeving en de rechtspraak van het Hof van Justitie een ruime beleidsvrijheid bij het omschrijven en laten uitvoeren van deze diensten van algemeen belang. Concreet betekent dit dat een decentrale overheid een onderneming – zoals een samenwerkingsverband van aanbieders – mag belasten met het uitvoeren van een taak in het publiek belang. Tenzij de verhoudingen op de interne markt onevenredig verstoord worden.

Aanbesteding of subsidies: het gaat bij contractering om het vastleggen en kunnen sturen op het te bereiken doel. De te hanteren methodiek (aanbesteden of subsidiering) is daarvoor minder relevant. Welke contractvorm ook gekozen wordt, essentieel is, dat tussen opdrachtgever en opdrachtnemer de verantwoording – in termen van prestaties en prestatiedoelstellingen – helder is vastgelegd. Opdat een helder en eenduidig beeld over de geleverde diensten en daarmee behaalde resultaten ontstaat. Bijna altijd weegt daarbij overigens de facto de prijs zwaarder dan de voor de inwoners belangrijke zaken als kwaliteit of continuïteit. De veronderstelling dat bij aanbesteding de resultaten scherper gedefinieerd kunnen worden dan bij subsidies – en dus ook makkelijker afrekenbaar zijn – is dan ook eerder een vondst dat werkelijkheid. In de praktijk kan met beide vormen hetzelfde bereikt worden.

Mijn voorkeur voor het werken met subsidies binnen het sociaal domein kent verschillende pijlers. Allereerst is het een vertrouwd instrument en levert het in de praktijk meer continuïteit (verantwoord marktgedrag) op. Meest wezenlijk echter is de ontwikkelopgave binnen het sociaal domein zelf. Die vraagt naast een professioneel en robuust opdrachtgeverschap om partnerschap. Eerder nog dan vernieuwing of uitbreiding van aanbod of activiteiten. Dat bereik je niet eerder of beter door marktwerking of een andere vorm van contractering. Wel door gericht te sturen op samenwerking tussen partijen. Met een gebieds- of themagerichte opdracht rond de opgave aan een groep van partijen bijvoorbeeld. Op basis van een helder geformuleerde opdracht (het ‘wat’). Een opdracht die richting geeft aan en ruimte biedt voor een geïnspireerde uitvoeringspraktijk. Met een daarop afgestemde en toegeruste vorm van verantwoordelijkheidsverdeling (sturing) en bekostiging.

Aan de hand van een in gezamenlijkheid geformuleerde heldere opdracht (het ‘wat’), en aansluitend op het sociale profiel van en de problematiek in de gemeente, bepalen de opdrachtnemers in onderling overleg en afstemming hoe de opgave maatschappelijk herkenbaar, adequaat, betaalbaar en efficiënt uitgevoerd kan of moet worden. Met zo een aanpak bereik je meer samenhang en integraliteit en geven we professionals de ruimte. Zo ook kunnen partijen elkaar scherp houden en de lokale doelen in het sociaal domein realiseren. Tenslotte – en dat is ook niet onbelangrijk – het voorkomt een enorm kostbaar en bureaucratisch circus van ingewikkelde en tijdrovende procedures. Daarmee valt ook inhoudelijke winst te boeken: de lange doorlooptijd van aanbestedingsprocedures bieden nauwelijks ruimte om noodzakelijke wijzigingen in het hulpaanbod op korte(re) termijn door te voeren. Dat kan betekenen dat we producten contracteren die niet meer voldoen aan de wensen van inwoners en gemeenten.

Innovatie is noodzakelijk om binnen de financiële kaders goede zorg voor alle inwoners te ontwikkelen en aan te bieden. Natuurlijk is efficiënt en effectief inkopen en subsidiëren daarbij belangrijk. Maar het geld snelt voorbij, als wij in wantrouwen handelen. Als wij kwaliteit, vertrouwen en ruimte als basis nemen, zullen wij minder zorg verspillen. Vernieuwing immers, krijgt vorm in de interactie tussen professional, inwoners en hun netwerk! Breng daarom de gezamenlijke inzet in beeld, evalueer en toets op resultaat. Kortom, breng informatie over het functioneren van het domein als geheel bijeen. Ga daarover met elkaar en transparant en met de juiste expertises om tafel. Het realiseren van een gelijk speelveld voor grote, kleine of nieuwe spelers hoort daarbij!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.