Protocolitis en regulatureluur

te goed

  • Te goed geregeld

Te goed geregeld van journalist/schrijver Chris van der Heijden is een onthutsend boek. Niet omdat er zoveel nieuws in staat, wel omdat hij nauwkeurig en zeer helder verwoordt hoe ongebreidelde regelzucht, de ‘protocolitis’ en ‘regulatureluur’ om zich heen heeft gegrepen, en in vooral het onderwijs en de zorg tot een vorm van bureaucratisering heeft geleid die menig professional het werkende leven zuur maakt.

Van der Heijden stelt vast dat kabinet op kabinet heeft geprobeerd de (eigen) regelzucht in te dammen en dat talloze rapporten en initiatieven hebben getracht het bureaucratische tij te keren. Zonder succes. Het heeft louter geleid tot ‘overheidsblablabla, adviseursgeklets en managersgeleuter’. Hij ziet daarbij wel over het hoofd dat niet alleen de overheid ‘regeltjesgenerator’ is, vaak zijn de professionals en hun instituties dat zelf ook.

Van der Heijden zet het vraagstuk in breed, ook historisch perspectief, beseft dat de remedie allesbehalve simpel is, en hamert alvast op meer ‘vertrouwen’ en ‘optimisme’. Maar zo optimistisch stemt zijn boek niet. Niet alleen de regels moeten overboord, hetzelfde moet gebeuren met de discussie over die regels, en zéker met al die duurbetaalde consultants die in opdracht van de overheid en andere instanties regels onderzoeken om regels te bedenken waardoor de regeldruk minder zou worden. Tegelijkertijd weet Van der Heijden ook dat in de moderne samenleving niet-ordenen geen optie is: het is immers de vooruitgangsgedachte ‘die tot steeds nieuwe en verondersteld betere ordeningen dwingt, tot meer beheersing, nieuwe afspraken, andere regels, meer verordeningen, meer wetten (…).’ Alleen – paradox – die ‘ordeningen ordenen niet alleen, ze creëren een nieuwe chaos’.

‘Het roer moet om’ figureert uiteraard ook in het boek: de berichten over de resultaten zijn ‘tegenstrijdig’, luidt Van der Heijdens mismoedige constatering.

Advertenties

Wie durft te verdwalen, vindt nieuwe wegen | Deel 4

wie durft

  • In de hand houden wat je uit handen geeft: Sturen en Bekostigen

Sedert 1 januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de nieuwe taken vanuit de Jeugdzorg, de AWBZ en de Participatiewet. De overgang van Rijk, provincie, zorgverzekeraar en zorgkantoor naar gemeenten heeft tot doel de zorgstelsels eenvoudiger, efficiënter en effectiever te maken. Het uiteindelijke doel is een veilige omgeving voor kwetsbare burgers, het versterken van eigen kracht en het probleemoplossend vermogen van het gezin (systeem) en de sociale omgeving.

Voor veel taken geldt dat gemeenten een contract of subsidierelatie zijn aangegaan met professionele dienstverleners. Het organiseren hiervan stelt gemeenten voor een enorme uitdaging. Sturen en Bekostigen zijn daarbij – naast Monitoren – belangrijke thema’s voor alle betrokken partijen.

Met het wegvallen van de schotten en de noodzaak tot budgetbeheersing resp. –besparing, groeit het besef dat iedere euro tot zijn recht moet komen en dat de wijze van sturen en bekostigen daarin instrumenteel is.

Goed sturen en bekostigen is ook een kunst. Net als het inrichten van een daarop aansluitende monitor. Er zijn verschillende vormen met verschillende effecten en vaak zullen deze moeten worden gecombineerd.

Deel vier van het vierluik “Wie durft te verdwalen, vindt nieuwe wegen” zoomt in op de elementen die bij sturen, bekostigen en monitoren een rol spelen.

Zie ook:

  1. Wie durft te verdwalen, vindt nieuwe wegen | Deel 1 | Inleiding, Doel en Stand van zaken.
  2. Wie durft te verdwalen, vindt nieuwe wegen | Deel 2 | Transformeren, wat is het en wat vraagt het.
  3. Wie durft te verdwalen, vindt nieuwe wegen | Deel 3 | Opgave & Dilemma’s

Hand-out

Een hand-out van de volledige presentatie kun je hier downloaden:

Wie durft te verdwalen, vindt nieuwe wegen | Deel 3

wie durft

  • Transformatie sociaal domein: Opgave en dilemma’s

Met de invoering van de Participatiewet, de nieuwe Wmo en de Jeugdwet per 1 januari 2015 is het sociaal domein in één klap het grootste domein binnen het takenpakket van gemeenten geworden, zowel financieel als inhoudelijk. Integraliteit binnen het sociaal domein krijgt daarbij – terecht – steeds meer aandacht.

De daarmee samenhangende transformatie in het sociaal domein is in volle gang. Betrokken publieke organisaties en professionals werken aan minder systeemoplossingen en kaders, stellen de inwoner centraal en leveren maatwerk. Het sociaal domein is in beweging en die beweging is voortdurend. Het streven steeds is beter te ‘doen wat nodig is’ voor inwoners in knelsituaties. Hierbij dienen zich regelmatig complexe vraagstukken, nieuwe maatschappelijke opgaven en dilemma’s aan. Niet in de laatste plaats, omdat de opgaven in het sociaal domein vaak de verschillende vakgebieden, geografische- en organisatorische grenzen en organisatiedoelen overstijgen. Dit vraagt om krachtige samenwerking.

Deel 3 van het vierluik “Wie durft te verdwalen, vindt nieuwe wegen” focust op deze opgave en daarbij opdoemende dilemma’s.

Zie ook:

  1. Wie durft te verdwalen, vindt nieuwe wegen | Deel 1 | Inleiding, Doel en Stand van zaken.
  2. Wie durft te verdwalen, vindt nieuwe wegen | Deel 2 | Transformeren, wat is het en wat vraagt het.

Hand-out

Een hand-out van de volledige presentatie kun je hier downloaden:

Wie durft te verdwalen, vindt nieuwe wegen | Deel 2

wie durft

  • Transformeren, wat is het en wat vraagt het?

Inwoners die meepraten over het lokale sociale beleid, over hun leefomgeving en hun bestuur. Het is een prachtig ideaal en paradigma. Het is tegelijkertijd geen luxe maar noodzaak in een snel veranderende samenleving,

Alleen, hoe doe je dat? Wij worstelen met wat ‘transformatie’ nu werkelijk inhoudt en vraagt. Wat betekent integraal werken. Welke informatie en sturing is nodig? Hoe meten wij de resultaten?

De onderstaande presentatie, mede gebaseerd op wijze lessen van Jan Rotmans en inzichten die de Raad voor het Openbaar Bestuur deelde, is samengevat in een vierluik. Zij beoogt een verkenning van de vraagstukken waarvoor gemeenten, professionals en andere betrokkenen worstelen. Met als doel het – in ontmoeting en gesprek – samen vinden van passende antwoorden.

In het (onderstaande) tweede ‘luik’ focussen wij op het ‘transformeren’. Wat is het en wat vraagt het.

Zie ook:

  1. Wie durft te verdwalen, vindt nieuwe wegen | Deel 1 | Inleiding, Doel en Stand van zaken.
  2. Wie durft te verdwalen, vindt nieuwe wegen | Deel 3 | Opgave & Dilemma’s
  3. Wie durft te verdwalen, vindt nieuwe wegen | Deel 4 | Sturen & Bekostigen

Hand-out

Een hand-out van de volledige presentatie kun je hier downloaden:

Wie durft te verdwalen, vindt nieuwe wegen | Deel 1

wie durft.png

  • Haagse theorie versus lokale realiteit

Inwoners die meepraten over het lokale sociale beleid, over hun leefomgeving en hun bestuur. Het is een prachtig ideaal en paradigma. Het is tegelijkertijd geen luxe maar noodzaak in een snel veranderende samenleving,

Alleen, hoe doe je dat? Wij worstelen met wat ‘transformatie’ nu werkelijk inhoudt en vraagt. Wat betekent integraal werken. Welke informatie en sturing is nodig? Hoe meten wij de resultaten?

De onderstaande presentatie, mede gebaseerd op wijze lessen van Jan Rotmans en inzichten die de Raad voor het Openbaar Bestuur deelde, is samengevat in een vierluik. Zij beoogt een verkenning van de vraagstukken waarvoor gemeenten, professionals en andere betrokkenen worstelen. Met als doel het – in ontmoeting en gesprek – samen vinden van passende antwoorden.

In het (onderstaande) eerste ‘luik’ focussen wij op de aanleiding, het doel en de stand van zaken.

Zie ook:

  1. Wie durft te verdwalen, vindt nieuwe wegen | Deel 2 | Transformeren, wat is het en wat vraagt het.
  2. Wie durft te verdwalen, vindt nieuwe wegen | Deel 3 | Opgave & Dilemma’s
  3. Wie durft te verdwalen, vindt nieuwe wegen | Deel 4 | Sturen & Bekostigen

Hand-out

Een hand-out van de volledige presentatie kun je hier downloaden:

Pijn en glorie

dolor

  • De pijnen van een regisseur

De semiautobiografische film Dolor y Gloria (Pijn en Glorie) van de Spaanse regisseur Pedro Almodóvar laat zien hoe regisseur Salvador Mallo na een succesvolle carrière ten onder dreigt te gaan aan fysieke (rugpijn, hoofdpijn en slikproblematiek) en mentale aandoeningen (angst en depressie).

Salvador (Antonio Banderas) bezoekt de acteur Frederico (Leonardo Sbaraglia) die dertig jaar eerder de hoofdrol in Salvadors meesterwerk vertolkte. De mannen hebben elkaar sinds de première van deze film niet meer gezien. Bij de hernieuwde kennismaking besluit Salvador voor het eerst in zijn leven heroïne te proberen en daarmee beginnen de trips naar onder meer zijn jeugd. Frederico wil weer terug het toneel op en krijgt zijn oude vriend zover dat hij een van diens autobiografische teksten mag opvoeren.

Pijn en Glorie is traag en ingetogen, maar ook persoonlijk en gelaagd. Voor de kijker is er ruimte voor eigen interpretatie: het is namelijk niet altijd even duidelijk wat een herinnering precies toevoegt aan de boodschap van de film. De muzikale begeleiding (Alberto Iglesias) is prachtig en draagt bij aan de emotie en melancholie van het verhaal. De scène waarin Frederico, bij toeval, het levensverhaal van Salvador opbiecht aan de oude jeugdliefde van de regisseur is zeer ontroerend en zal menig kijker bijblijven.

De NIMBY-bestuurders

nimby

  • Het juiste of het gemakkelijkste pad

Als er een moeilijk gesprek of pijnlijke situatie in de lucht hangt, zegt ons instinct: RENNEN! Confrontatie uit de weg gaan, telefoon niet opnemen, verdwijnen in je werk, feesten, drinken, kop in het zand. Iedereen doet dat wel een. Schuift moeilijke gesprekken of ingewikkeld werk voor zich uit en doet z’n best om aardig gevonden te worden. Alles om ongemakkelijke situaties te voorkomen. Weglopen voor een probleem is heel menselijk en tot op zekere hoogte ook te begrijpen. Maar waar je ook heen vlucht, die angst of het probleem verdwijnt er niet mee. Er komt een moment dat je er iets mee moet. En dat is niet per se makkelijk of leuk.

Een paar honderd euro per maand hebben gezinnen in armoede per maand extra nodig. Anders moeten zij hun kinderen deelname aan de sportclub ontzeggen of van de aankoop van noodzakelijke kleding afzien. Of, erger nog, hun gezin gezonde voeding ontzeggen. Zij klagen erover dat bij gezinnen met hogere inkomens sprake is van een overschot. De goede raad die zij veelal krijgen is, dat zij moeten leren de tering naar de nering te zetten. Oftewel, de uitgaven aanpassen aan de inkomsten. Meestal wordt er iets mee bedoeld als ‘ze moeten even de broekriem aanhalen’.

Een half miljard euro hebben de gemeenten extra nodig, anders moeten voorzieningen zoals zwembaden en bibliotheken sluiten. Dat zegt de ‘G40’, de organisatie van de veertig grootste gemeenten. De gemeenten krijgen al jaren minder geld en moeten daar steeds meer van doen. Hóe ze hun geld besteden mogen ze zelf bepalen. De G40 klaagt dat er in Den Haag een overschot is, maar dat gemeenten niet worden gecompenseerd. Ook mag een gemeentebegroting – net als de bankrekening van gezinnen die van een minimum moeten rondkomen, niet in de rode cijfers gaan.

Moeten wethouders niet net als die gezinnen zelf maar zorgdragen dat ze hun cijfers op orde hebben, of moeten anderen of het rijk bijspringen?

Ik zal niet beweren dat er geen extra geld naar de hiervoor bedoelde gezinnen of gemeenten moet. Als dat helpt om betere keuzes te maken, is dat prima. Anders ligt dat als extra geld maakt dat er noodzakelijke keuzes uit de weg gegaan worden. Vanwege dat laatste heb ik mijn vraagtekens bij de opstelling van de G40. De binnen het sociaal domein gevraagde transformatie vraagt – net als de transformatie van ons energiestelsel – verregaande keuzes. De effecten van die keuzes zal iedereen (moeten) merken.

De overheid dat zijn wij, u en ik. Wij hebben uit ons midden mensen tot bestuurders gekozen. Hun taak is het de verschillende belangen en keuzemogelijkheden in beeld te brengen. Om vervolgens – liefst samen met de inwoners die zij vertegenwoordigen – tot keuzes komen.  Waarbij duidelijk moet zijn dat niet alles en zeker niet tegelijkertijd kan Als de inwoners een zwembad gesubsidieerd willen hebben, of een betere bibliotheek, meer groenonderhoud of betere wegen, dan kan dat, als diezelfde bestuurders op andere terreinen – de zorg voor elkaar bijvoorbeeld – op hun inwoners (kiezers) kunnen rekenen.

De overheid is een functie, een rol binnen onze netwerksamenleving. Iedereen in die samenleving is gewoon een burger, ook ambtenaren en bestuurders! Ambtenaar-burgers en bestuurder-burgers – of dat nu bij gemeenten, provincies en departementen is, zijn geen de door ons vooruitgeschoven posten. Het zijn geen geldfabrieken. Integendeel, zij beheren uw en mijn centen. Dat deel van ons inkomen dat wij – volgens democratisch gemaakte afspraken – bijdragen aan een gezamenlijke pot, dat wij rijksbudget noemen. Uit dat gezamenlijk ingelegde geld betalen wij de voorzieningen waarvan wij vinden dat die tot nut en belang van iedereen zijn. Als nu ons wensenlijstje langer of groter is dan ons budget toelaat, dan moeten wij rond de tafel om opnieuw tot keuzes te komen. Juist dit laatste zijn wij – verwend door alsmaar toenemende luxe en gemak – een beetje vergeten of ontwend. Wij doen niets liever dan andermans geld uitgeven. Gemakshalve vergetend dat ‘andermans geld’ niks meer of minder dan ook en mede onze inleg is.

Gemeenten die voor hun lokale taken meer geld vragen, omdat zij lokaal te maken keuzes niet willen, kunnen of durven maken, doen in feite niets anders dan het lastige keuzeproces uit de weg gaan. Door het maken van keuzes door te schuiven naar een andere bestuurslaag. In dit geval het rijk.

Het rijk kan – als zij die keuze maakt – gemeenten meer geld uitkeren. En ook dan moeten er keuzes gemaakt worden. Doen wij taak x of y dan niet? Of minder? En zo ja, welke taak dan? Of kiezen wij ervoor een grotere inleg te vragen van onze inwoners? Die vervolgens klagen over het feit dat de overheid wel gemakkelijk omgaat met ‘hun’ centen.

Het vraagt een samenleving om een samenleving te realiseren. Wanneer u en ik lid willen zijn van de samenleving moeten wij ook de verantwoordelijkheid aanvaarden voor de keuzes die dat vraagt. Dan hebben wij niet de optie, noch het voorrecht, om ons lidmaatschap van de samenleving te weigeren wanneer we het ons uitkomt. Wij – en dat geldt ook voor de door ons gekozen bestuurders – kunnen onszelf niet distantiëren van en de schuld geven aan ‘de overheid’ als dat ons beter uitkomt. Gezamenlijk nemen we allemaal deel aan en bestaan ​​we uit dat ‘ding’ dat we ‘de maatschappij’ of ‘de overheid’ noemen.

De dans om en de focus op het geld van de G40 vind ik daarom kwestieus.  Zij verzuimen hun eigen inwoners te betrekken bij de keuzes die gemaakt moeten worden en de consequenties daarvan. Elk huishouden in Nederland, en dat geldt ook het huishouden van de samenleving, moet keuzes maken. Iedereen moet voortdurend keuzes maken en sommige keuzes zijn onvermijdelijk.

In het persoonlijke leven nemen wij de belangrijke beslissingen zelf, maar besluiten over hoe ons land wordt ingericht, welke regels er gelden, waar onze belastingcenten aan worden besteed etc. worden namens ons door anderen (die wij daarvoor kiezen) genomen. Zij zijn uiteindelijk onze vertegenwoordigers die namens ons keuzes maken.

De bestuurders van de G40 gedragen zich als NIMBY’s: mensen die een bepaalde ontwikkeling toejuichen, maar hier geen consequenties aan willen verbinden. Daardoor ontstaat een doorschuifeffect. Juist dit doorschuifeffect faciliteert het probleem: wij kunnen of durven geen keuzes meer te maken. Wij durven elkaar niet meer te zeggen: als wij dit willen, dan kan dit of dat niet (meer, in dezelfde omvang of alleen als uzelf daarvoor wat wilt doen).

Goed besturen draait om delen en verbinden. Waarbij bestuurders de (door ons aan hen opgedragen en geaccepteerde) taak hebben om de keuzes te maken en te verdedigen die bijdragen aan de samenleving die wij wensen. Inclusief de keuze om de inwoners – u en mij dus – aan te spreken, en zo nodig te confronteren, met dat wat nodig is om de tering naar de nering te zetten. De keuze voor (meer of minder) inleg (in centen) of bijdrage (in het zelf doen) daaraan is daar een van.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden