Lijf en lijden

cialo.png

  • Body (Cialo)

Een patholoog-anatoom, zijn anorectische dochter en een vrouwelijke psychiater die haar seksualiteit ontkent: de hoofdpersonen in Body blijken op heel verschillende manieren in de ban te zijn van het lichaam.

Janusz, Olga en Anna zijn de protagonisten in Szumowska’s vertelling over hoe de omgang met het lichaam symbool kan staan voor de levensopvatting van verschillende generaties in het huidige Polen.

Janusz is de oudere, door het leven getekende, licht verbitterde lijkschouwer en weduwnaar die dagelijks met dode lichamen – objecten – wordt geconfronteerd. Zijn dochter Olga haat haar lichaam en is zo anorectisch geworden dat haar vader haar naar een kliniek brengt. Daar komt ze onder behandeling van Anna, een psychologe die, na het verlies van een kind, alleen in een flat leeft met een grote dog. Anna zet zich volledig in voor haar patiënten die ze met behulp van ‘primal scream’-therapie probeert te bevrijden van obsessies en neuroses, thuis houdt ze spiritistische seances om de geesten van de doden op te roepen. Haar eigen lichaam beschouwt ze als seksloos.

https://youtu.be/BuakADd8Ds8

Regisseur Malgorzata Szumowska (1973) weet het thema zo neer te zetten dat niet de zwaarte van de dood overheerst maar het leven een kans krijgt. Op de voorgrond staan de persoonlijke betrekkingen – tussen vader en dochter, tussen dochter, psycholoog en vader – en ook de meer zwart-komische, absurde kanten van de hedendaagse Poolse maatschappij krijgen een gezicht.

Szumowska’s zesde speelfilm won de Audience Award voor beste Europese film (European Film Awards) en de European Film Award voor Best European Editor. Ze werd genomineerd voor een European Film Award voor beste Europese regisseur.

Advertenties

Zeurende geluksdrang

happy film.png

  • The Happy movie

De Oostenrijkse grafisch ontwerper Stefan Sagmeister is beroemd, woont in New York, en is zeer succesvol. Toch voelt hij een leegte en gaat op zoek naar geluk.

Drie wegen bewandelt hij: meditatie, cognitieve gedragstherapie en medicatie. In de documentaire The Happy Film volgen we zijn queeste. Zijn gids is de bekende psycholoog Jonathan Haidt – die de nuchterheid zelve blijkt. Sagmeister houdt steeds op een schaal van 1 tot 10 bij wat de ‘interventies’ bij hem teweegbrengen, maar punt is dat hij ook driemaal hartstochtelijk verliefd wordt: lastige factoren die de ‘zuiverheid’ van de metingen danig verstoren. Haidt denkt hem nog te helpen door het verschil uit te leggen tussen (duurzame) kameraadschappelijke en (kortstondige) passionele liefde, maar het paradepaardje Sagmeister slaat diens goede raad in de wind.

Stefan is de exemplarische moderne mens voor wie het beste niet goed genoeg is, en die zijn coregisseur weliswaar machteloos ziet sterven aan ongeneeslijke kanker, maar bij wie dat niet leidt tot enige relativering van zijn exhibitionistische geluksstreven. Hij is bereid daar ook medisch alles voor uit de kast te trekken, en krijgt een arts zover hem de SSRI Lexapro voor te schrijven. ‘I love Big Pharma!’, roept hij uit.

De container voorbij

dagelijks leven.png

  • Op zoek naar het gewone leven

Weet u het nog? Premier Balkenende, destijds de leider van dit land. Hij trad met zijn ’U kijkt zo lief’ de symbolische orde waar een leider zich bewust dient te zijn. Buiten de orde ook van de praktijk van gelijkwaardigheid die Nederland probeert na te streven.

Gelijkwaardigheid speelt ook een belangrijke rol in het samenspel tussen professionals binnen het sociaal domein en de inwoners die ondersteuning vragen. Zeker, als het gaat om tot een integrale aanpak te komen bij het vinden   en realiseren van oplossingen in de gecompliceerde situaties waarin oplossingen zich niet als vanzelf aandienen.  Waarbij wij ook nog eens moeten aansluiten op ‘het gewone leven’ van die mensen.

Het sociale domein is in beweging. Sedert 1 januari 2015 hebben gemeenten nieuwe taken op het gebied van zorg en sociale zekerheid. Er verandert hierdoor veel. De eigen verantwoordelijkheid en eigen kracht van inwoners en hun omgeving spelen hierbij een belangrijke rol. Iedereen moet meer voor zichzelf en voor elkaar (gaan) zorgen. Aansluiten bij de kracht van het gewone leven is het paradigma: gerichtheid op een taak buiten het probleem, het gewone leven meebeleven, het bijdragen aan het zich nuttig voelen van mensen die deel uitmaken van de samenleving. Daarbij zijn gelijkwaardigheid en ‘het gewone leven’ belangrijke waarden. Het zijn die waarden ook waarvan elke professional binnen het sociaal domein zich vermoedelijk wel bewust is. Maar wat betekent het in en bij ons doen of laten? Gelijkwaardig zijn betekent, ongeacht afkomst, status, opleiding of inkomen, gelijk zijn. In combinatie met ‘het gewone leven’ is dat best een uitdaging. Want, wat is ‘het gewone leven’?

In welhaast alle lokale en regionale kaders over het sociaal domein lees je het terug: Hulp die geboden wordt, is gericht op herstel van het normale leven van kind en gezin. Wie verder leest, vindt nagenoeg nooit een definitie van ‘het gewone leven’. Veel verder dan “De leefomgeving van de inwoner (huishouden, gezin, wijk, school, werk vrije tijd) is het fundament.” Of, “De nadruk ligt op normaliseren en niet op problematiseren,” komt een uitwerking zelden.

‘Het gewone leven’ wordt daarbij – ook door mijzelf – veelal als een containerbegrip gehanteerd. Een begrip zonder scherp afgebakende betekenis. Een duiding waaraan de lezer zelf nader invulling kan geven en dat op veel verschillende toestanden, gebeurtenissen of zaken wordt toegepast.

Het gewone leven is het patroon van gebruikelijke handelingen en bezigheden die in een bepaalde periode door de meeste mensen als voor de hand liggend beschouwd worden. Gebeurtenissen of daden die geen bijzonder karakter hebben en volgens een min of meer regelmatig ritme terugkeren. Daarin zitten evidenties als eten en slapen, zaken als het doen van het huishouden of de afwas, inspanningen als studeren en werken en ook courante ontspanningen zoals het nemen van vakantie of een etentje uit huis. Ook werk, seksualiteit en sport behoren in principe tot het gewone leven.

Zo beschouwd kan en zal het gewone leven van ieder mens ook weer heel erg verschillend zijn. Simpelweg, omdat de sociaal-maatschappelijk omstandigheden per individu of huishouden kunnen verschillen. Het wonen, het werken, de relaties, het inkomen, alles dus wat te maken heeft met mensen onderling en het eigen – door mensen en hun omstandigheden ingerichte en aangeduide stukje van de wereld waarin zij wonen en leven. Zo zal ook het leven en wonen in een stad, dorp of streek verschillen. Door de al dan niet meer pluriforme samenstelling. Door andere faciliteiten of mogelijkheden.

Het gewone leven, en wat daarbij belangrijk is, is voor ieder mens dus wat anders. En dat gewone leven zit daarmee barstenvol met situaties die je met geen mogelijkheid neutraal kunt beschouwen. Ook, al doe je nog zo je best. Dat ervaren ook de professionals die actief zijn binnen het sociaal domein.  Zij reageren verschillend op de dingen die ze meemaken. De een effectiever ook dan de ander. Vreemd is dat niet. Want elk van die professionals heeft ook zijn eigen normen en waarden. Heeft ook een eigen opvatting over wat ‘het gewone leven’ is. Bepaald door de eigen situatie.  Dat alles maakt het best lastig om aan te sluiten bij het gewone leven van anderen.

Natuurlijk, de professionals doen hun uiterste best om alles wat er in hun werkpraktijk voorkomt door een neutrale bril te bekijken. Desondanks heeft hun oordeel altijd een zekere mate van subjectiviteit. Gerelateerd aan en voortkomen uit het eigen referentiekader. Steeds zullen eigen normen en waarden een rol spelen bij de afwegingen die gemaakt worden.

Juist daarom is het van belang dat professionals binnen het sociaal domein leren om met een brede blik en een zekere onbevangenheid te kijken naar de situatie en de mensen met en voor wie zij werken. Met het risico dat het leidt tot een zekere opdringerigheid van antwoorden of oplossingen.

Een professional binnen het sociaal domein moet de bereidheid hebben de vraag van de inwoner vanuit diens invalshoek (sociaal‐ethisch en existentieel te bezien. Het vraagt om een professionele benadering in zorg en welzijn waarin het draait om de relationele afstemming van hulp en steun op wat goed kan zijn voor de unieke behoeftige ander. Dat vraagt om nabijheid en aandacht, het serieus nemen van de ander. Ook in zijn soms onbegrijpelijke gedrag. Aansluiten bij het gewone leven vraagt om radicale aansluiting en leefwereldgerichtheid. Om zorgzaamheid en het verlangen of appèl dat uitgaat van de ander. Aansluiten bij het gewone leven vraagt om een houding van mee willen lopen met de ander. De bereidheid ook om, als de situatie daarom vraagt – al dan niet tijdelijk – jezelf in te voegen in zijn of haar doen en laten.

Een dergelijke houding wijkt nogal af van wat we gewoonlijk zien in zorg, welzijn, dienstverlening en onderwijs. Het is ook de broodnodige correctie op de doorgeschoten verzakelijking en vermarkting van de zorg. Een correctie die ons niet alleen kan inspireren, maar ook kan laden met nieuwe energie. Niet alleen door zijn direct praktische toepasbaarheid, maar vooral ook door de eenvoud en wijsheid die eruit spreekt, De vraagstelling is: Wat kan er in het leven van alledag gedaan worden om een vastgelopen situatie weer vlot te krijgen? Wat kunnen professionals doen voor het herstel van het gewone leven? In de wetenschap dat het niet hun gewone leven is dat telt, maar dat van de ander. Dat namelijk, dat is het gewone leven: de container voorbij!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Over de schreef

lamant double.png

  • L’amant double – In therapie bij een tweeling

Chloé, 25 jaar, woont alleen, heeft geen contact met haar moeder, kent haar vader niet en was als kind ‘een ongelukje’. Ze voelt zich ‘leeg’.

Al in de eerste tien minuten van L’amant double (regie: François Ozon) komen we dat allemaal te weten als ze op aanraden van haar gynaecoloog een psychiater consulteert vanwege onverklaarde buikklachten. Die psychiater gaat vervolgens professioneel behoorlijk over de schreef als hij een verhouding met haar begint en met haar gaat samenwonen. Dan ontdekt Chloé dat haar geliefde een deel van zijn leven verborgen houdt. Hij heeft een tweelingbroer, die ook psychiater is, en die zijn patiënten heel ‘anders’ benadert dan zijn broer. Ook bij hem gaat Chloé in therapie, ook met hem begint ze een affaire.

Vervolgens ontwikkelt zich een thrillerachtig drama waarin (parasitaire) tweelingen, spiegelbeelden, erotiek en verlangen, macht en kinky seks mixen tot een semifreudiaans brouwsel. Dat alles gehuld in een bewust nogal steriel uitgevallen omgeving – zowel qua kleuren en aankleding als qua innerlijke zieleroerselen. Thematisch knoopt de film aan bij eerder werk van Ozon – wiens protagonisten vaak hun verbeelding nodig hebben om zich staande te houden in de werkelijkheid – en bij films van illustere voorbeelden als Brian De Palma, David Cronenberg en Alfred Hitchcock.

Als het slot sterker is dan de sleutel

sleutel slot 1.png

  • Een goed idee kan nooit een gesloten systeem binnenkomen

“Als een hamer het enige gereedschap is waarover je beschikt, ben je geneigd ieder probleem als een spijker te zien.” Dat was mijn reactie toen mij gevraagd werd of er wel voldoende focus was op het voorkomen van het uit huis plaatsen van jeugdigen. Want ondanks de transformatie binnen het sociaal domein is er sprake van een toename van ‘jeugdhulp met verblijf’ van circa 33.000 kinderen en jongeren in 2015 naar ruim 36.000 in 2016. Dit staat haaks op het juist zoveel mogelijk voorkomen van residentiële plaatsingen.

Op basis van deze cijfers is de gemakkelijke conclusie dat de opzet van de Jeugdwet, om hulp zoveel mogelijk thuis te bieden en bij uithuisplaatsingen kinderen en jongeren in pleeggezinnen te plaatsen, is mislukt. Ikzelf ben daar (nog) niet van overtuigd.

Ik zie en hoor steeds vaker de ambitie om deze kinderen in plaats van in een residentiële instelling in een gezinsvorm te laten wonen. Gemeenten en de professionals in de wijkteams doen er alles aan om de inzet van netwerkstrategieën te stimuleren en vroegtijdig de kracht van de gemeenschap te benutten, bijvoorbeeld in de vorm van steungezinnen. Hiermee willen zij het verergeren van problemen – en daarmee een deel van de uithuisplaatsingen – voorkomen. Kinderen – zo is het motto – groeien zoveel mogelijk thuis op, eventueel met de inzet van een steunnetwerk.

Dat er desondanks eerder sprake is van een stijgende dan dalende trend in het aantal uithuisplaatsingen ligt dus niet aan de visie of inzet. Geloof me, als ik zeg dat niet jeugdzorg faalt, maar het systeem (lees wet- en regelgeving en bureaucratie) die adequate jeugdzorg mogelijk moet maken. Ik noem een paar voorbeelden.

Wanneer een kind leer- of gedragsproblemen vertoont, focust men vaak te veel op de problemen of klachten. Men vergeet dan te kijken naar het ‘totale’ kind, en het kind in zijn omgeving. Dit wordt versterkt door het systeem.

Kern van het vaststellen van een aanspraak op jeugdhulp is dat er een in de persoon gelegen oorzaak is aan te wijzen. Als de genoemde problemen hun oorsprong vinden in omgevingsfactoren is er geen sprake van een grondslag voor Jeugdhulp. Tegelijkertijd weten wij dat de meeste genoemde redenen voor uithuisplaatsing en pleegzorg in ons land geen in de persoon van het kind gelegen factoren zijn. Pedagogische onmacht van de biologische ouders (47 procent), emotionele verwaarlozing (31 procent), fysieke verwaarlozing (24 procent) en verslavingsproblemen van de biologische ouders (22 procent) worden het vaakst genoemd als oorzaak. In 22 procent van de gevallen worden er andere redenen genoemd, bijvoorbeeld een echtscheiding of het overlijden van een of beide biologische ouders (Okma-Rayzner; 2006).

De wetgever heeft dit toch onderkend, zult u zeggen. In de jeugdwet immers is het familiegroepsplan als een belangrijk instrument opgenomen. Ouders en/of gezinnen hebben de mogelijkheid een familiegroepsplan op te stellen, samen met familie, vrienden en anderen uit de sociale omgeving van de jeugdige. In het familiegroepsplan staat welke problemen de jeugdige of het gezin heeft, welke hulp nodig is, en wie die hulp geeft. Ouders, familieleden of andere directbetrokkenen kunnen een familiegroepsplan maken. Op deze manier kunnen zij meedenken en helpen aan een oplossing. De grondslag daarvoor moet echter wel in de persoon van de jeugdige gevonden worden. Waardoor diezelfde jeugdige ook als de oorzaak en ‘drager’ van het probleem wordt geëtiketteerd. Een ‘gezinsindicatie’ is – wettelijk gezien – niet mogelijk.

Het onbedoelde en ongewenste bijeffect van dit alles is, dat bij de aanpak van de problemen de focus toch – meer dan gewenst – op alleen de jeugdige komt te liggen. Een effect wat vaak nog eens versterkt wordt door de meer product- dan resultaatgerichte inkoopsystematiek binnen de jeugdhulp. De oplossing of het antwoord op een de problemen is een vast omschreven product (jeugdhulp met verblijf, ambulante ondersteuning, enzovoort). Deze productbenadering focust vooral op de vraag of het voldoet aan bepaalde criteria. Ruimte voor een procesbenadering is er nauwelijks. Waardoor ruimte voor het ontwikkelen van capabilities binnen het gehele kindsysteem ontbreekt.

Anders dan wij met de stelselwijziging in de jeugdhulp beoogden, is onze zorg door dit alles nog te veel probleem- en te weinig omgevingsgericht. Binnen een omgevingsgerichte aanpak past een instrumentarium gebaseerd op besluit en toewijzing, indicatiestelling of verwijzing of behandelplan niet (meer). Zolang wij echter dat begrippenkader blijven hanteren kunnen wij niet succesvol transformeren.

Gelukkig wordt er desondanks binnen het sociaal domein door professionals volop geëxperimenteerd. Maar, zoals bestuurskundige Jan Kees Helderman het zo mooi formuleert: “Het ‘systeem’ werkt vaak niet mee. Dat kan echt beter.” (Zomernummer 2017 Zorg+Welzijn). Ik onderschrijf dan ook van harte zijn pleidooi: ‘Ga één keer per kwartaal met systeemwereld en uitvoering bij elkaar te zitten en bespreek elkaars werk, signaleer knelpunten en praat over wet- en regelgeving.’ Alleen door voortdurende interactie en reflectie tussen systeem en werkelijkheid kunnen wij de spanning tussen dromen en daden wegnemen. Als dat niet gebeurt, blijven de vele bloempjes die bloeien nog te veel ‘incident’. Als we betere, bij de praktijk passende systemen willen ontwikkelen, dan moet die praktijk worden ontsloten. Gebeurt dat niet, dan zal het slot altijd sterker blijven dan de sleutel die het moet openen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Tolereer de liefde niet!

liefde mensen 1.png

  • Aanvaardt het verschil

Is liefde universeel? Ja, het komt overal ter wereld voor. Zij maakt ook geen onderscheid in gedrags- en identiteitsaspecten. Zo dacht en denk ik erover. Liefde kent veel verschillende facetten en uitingsvormen. Mensen die van mekaar houden kennen de volgende gevoelens: blij zijn met elkaar, meeleven met de ander, je goed voelen bij de ander, bewondering en respect hebben, de ander grappig vinden, ontroerd geraken door de ander, elkaar begrijpen, elkaar aantrekkelijk vinden…

Liefde tussen mensen ontroert (mij). Zoals ik deze week ook ontroert werd door het prachtige animatiefilmpje “In a Heartbeat”. Deze korte film, gemaakt door Esteban Bravo en Beth Davis, gaat over een homoseksuele jongen die op slag verliefd wordt op een schoolgenootje. Hij probeert zijn liefde te verbergen, maar zijn hart blijkt net een stuk sterker. Ik deelde het filmpje via een van mijn blogs (Inspirituals). Met als titel “Uit de kast”.

Toevallig werd er diezelfde dag in een televisie-interview over dat filmpje gesproken. Luisterend naar dat interview realiseerde ik mij dat de door mij gekozen titel “Uit de kast”, hoe goed bedoeld ook, eigenlijk heel ongepast was. Onbedoeld namelijk stelt zij de liefde tussen twee mensen van hetzelfde geslacht in een bijzonder hoekje.

Uit de kast komen, ook wel een coming-out genoemd (een verkorting van het Engelse coming out of the closet), is een uitdrukking die veelvuldig wordt gebruikt voor het moment waarop een homo, lesbienne of biseksueel ervoor kiest om openlijk voor zijn of haar seksuele geaardheid uit te komen.

Een coming-out wordt gezien als een gezonde stap in het proces van zelfverwerkelijking en in de kast blijven als een beperking en onderdrukking van de eigen persoonlijkheid. Deze negatieve lading is al vervat in de kastmetafoor: in de kast is het donker en benauwd, uit de kast is men vrij en in het licht. Uit de kast komen wordt vaak gezien als een politiek of persoonlijk statement en ertoe zal leiden dat de acceptatie ervan toeneemt. Uit de kast komen suggereert zo iets als ‘ik weet dat ik bijzonder ben’. Terwijl ‘wij’ – de Nederlandse samenleving althans – wil uitstralen dat liefde tussen wee mensen van hetzelfde geslacht net zo gewoon is (of hoort te zijn) als de liefde tussen mensen van verschillende sekse. Met hetzelfde recht kan dan ook beweerd worden dat ik (of wij)  met ‘uit de kast’ komen die ander als een buitenstaander positioneren en daarmee tot doelwit maken van discriminatie.

Als een jongen ‘op’ een meisje is, of andersom, en dit aan de wereld kenbaar maakt, dan spreken wij immers ook niet over ‘uit de kast komen’. Kennelijk, zo moest ik voor mijzelf vaststellen, denk en doe ik ook nog aan gender-discriminatie. De term betekent in de praktijk “de nadelige of bijzondere behandeling van een groep of geslacht of het geslacht van een persoon”. Veelal gebaseerd op het gedrag en onze houding jegens die groep of persoon, op basis van een clichématige opvatting.

Ik realiseerde mij dat mijn diep gevoelde aanvaarding van het universele karakter van liefde juist door mijn woord- en taalgebruik onbedoeld toch het karakter van ‘tolerantie’ droeg. Mijn nobele individuele inborst, die ervoor zorgt dat ik — op basis van welke criteria ook — bepaalde dingen ‘verdraag’.

Tolerantie is goed, ruimdenkend en nobel, intolerantie slecht, kleingeestig of kortzichtig. Maar ‘tolerantie’ – de bereidheid om andere mensen afwijkend te laten denken en handelen – suggereert ook iets van ‘gedogen’. Gedogen betekent geen toelaten, want dat zou op acceptatie kunnen lijken. Nee, gedogen houdt in dat we iets laten passeren hoewel we er niet gelukkig mee zijn: liever gingen we over tot een verbod, maar omdat een verbod niet haalbaar is, zien we bepaalde dingen door de vingers.

Het laatste dat ik wil is de liefde tussen twee mensen ‘tolereren’ of ‘gedogen’. Omdat het suggereert dat het niet normaal is. Terwijl ik die mening wel ben toegedaan en ook wil uitdragen. Ik heb dan ook de titel boven het stukje over ‘In a Heartbeat’ meteen vervangen door: Gewoon, liefde! Want dat is het: gewoon, liefde!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Een vleugje zout

salt.png

  • De pop van zout

Een pop van zout reisde vele duizenden kilometers over land en kwam uiteindelijk bij de zee. Gefascineerd keek ze naar de oneindige watermassa die volstrekt anders was dan alles wat ze tot nu toe had gezien.

“Wie ben je?”, vroeg de pop.

Glimlachend antwoordde de oceaan: “Kom binnen en zie zelf.”

Toen stapte de pop het grote water binnen. Maar met elke stap loste ze meer op en werd minder en minder, totdat er nog maar een heel klein beetje van haar over bleef. Net voordat het laatste restje verdween riep de pop verwonderd: “Nu weet ik, wie ik ben!”