Hoe het waardeloze ons verrukt

waardenvol.png

  • Van waardeloze naar waardenvolle samenleving

Hoewel het uitgangspunt in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) is dat het tot de eigen verantwoordelijkheid van de burgers en hun sociaal netwerk behoort om de beperkingen in de zelfredzaamheid te compenseren, mag mantelzorg niet worden afgedwongen. Dit heeft de Centrale Raad van Beroep op 11 januari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:17) bepaald in een beroepszaak over een geweigerd pgb voor huishoudelijke hulp. Deze uitspraak werd mij deze week door een rechter nog eens onder de aandacht gebracht. Omdat er geen sprake is van mantelzorg als de zorgverlener voor zijn diensten betaald wil worden. Hetgeen naar mijn mening de deur wagenwijd openzet voor een verdere individualisering van onze samenleving. Want waarom zou ik voor mijn naasten, vrienden of buren nog mantelzorg verrichten als ik er ook voor betaald kan krijgen?

Hoe lang duurt het nog voor wij het kopje koffie dat wij gaan drinken bij onze ouders als betaalde informele zorg (willen) kunnen declareren bij de overheid? Onder het mom van ‘het bestrijden van hun (gevoel van) eenzaamheid! En wanneer zullen wij als opa en oma ontdekken dat wij het op de kleinkinderen passen kunnen aanmerken als betaalde informele zorg; ter ontlasting van de (overbelaste) ouders, omdat die toch echt beiden recht hebben op een beetje vrije tijd naast hun werk? En tegelijkertijd klagen wij steen en been over de stijgende premies voor onze ziektekostenverzekering en de almaar toenemende belastingdruk. Die wij dus stiekempjes zelf veroorzaken!

Mensen leven langer en dat gaat gepaard met een toename van het aantal chronisch zieke patiënten. Deze grote demografische veranderingen zetten ons zorgsysteem onder druk. De Nederlandse zorguitgaven zijn in 2018 gestegen tot precies 100 miljard euro, een record. Tegelijkertijd is er een tekort aan zorgpersoneel dat in 2020 naar schatting zal zijn opgelopen tot 500.000 werknemers.

Sociale veranderingen in een samenleving vragen het bewustzijn dat voor elkaar zorgen en onderlinge verbondenheid niet ondergeschikt mag zijn aan geld verdienen en zelfontplooiing. En juist dat lijkt in toenemende mate het geval. De voordelen die samengaan met de opkomst van wetenschap en techniek – die heeft geleidt tot een mechanisering van onze samenleving – maakt dat wij tijd en zorg voor elkaar steeds meer opvatten als technische en economische factoren. Bedoeld of onbedoeld gaat dat ook gepaard met verlies van positieve waarden als zorgzaamheid en verbondenheid.

In toenemende mate zie ik onze waardenvolle samenleving afkalven naar een waardeloze samenleving. Waarin mensen het te druk hebben om voor elkaar te zorgen. ‘Mijn moeder wassen? Daar ben ik niet voor’, hoor je. Of: ‘Ik ben toch geen mantelzorger!’ Terwijl men wel graag veertien dagen vakantie boekt.

Wij schijnen in rap tempo te vergeten resp. blind te worden voor het feit dat mensen die goede contacten hebben met anderen gelukkiger zijn en zowel fysiek als geestelijk gezonder en beter in staat om tegenspoed, sociale isolatie en uitgesloten zijn tegen te gaan. In de basis gaat het daarbij om relaties. Hoewel we meer en meer geneigd zijn het belang hiervan in ons dagelijks leven te onderschatten.

De basale menselijke behoeftes zijn ‘zichtbaarheid’ en ‘erkenning’. Tellen en meetellen dus. Daarom ook is het belangrijk om kennissen of vrienden te hebben waarmee je een interesse, een hobby of een verleden deelt. Daarnaast zijn er mensen nodig waarbij je echt je hart kunt luchten. Dit kan variëren van vertrouwenspersonen (partner, familie), tot vrienden of buren, (ex-)collega’s, kennissen en leden van bijvoorbeeld het koor of de sportvereniging.

In onze jacht op individuele ontplooiing en economische vooruitgang hollen deze waarden steeds meer uit en worden zij waardenloos gemaakt. Het gevolg is dat wij steeds minder samenleven. En juist daarin schuilt naar mijn idee de kern van de afbraak van onze samenleving.

Niet alleen zijn we minder goed in staat elkaar te ondersteunen in het dagelijks leven maar juist ook bij problemen of ziekte. Omdat wij ze voor en bij elkaar niet meer signaleren en kunnen tackelen, maar ook omdat wij nauwelijks nog vaardigheden en een natuurlijke professionaliteit ten aanzien daarvan ontwikkelen. Het gevolg daarvan is dat wij onnodig in de problemen raken, minder zelfredzaam zijn en afhankelijker worden van deskundigen.

Het is dan ook niet vreemd dat de kosten voor ons zorgstelsel de pan uit rijzen.  We hebben er zelf geen antwoord meer op. We richten onze wereld in op een manier waarin wij niks meer met elkaar te maken hebben. Tenzij het economisch gewin oplevert! Onze samenleving is er een geworden van ‘u vraagt en ‘de overheid’ draait. (voor de kosten op). Met tegelijkertijd een obsessieve belangstelling voor flexibiliteit en maatwerk die aansluit op wat wij nodig hebben.

Mijn pleidooi? Wij moeten als samenleving weer waarden durven omarmen. Investeren in de meest nabije relaties (partner, familie, vrienden) die voedend en ondersteunend zijn voor ons. Met wie wij onze wensen, behoeften en gevoelens openlijk kunnen en durven delen. Een samenleving ook die er schande van durft te spreken dat wij voor het ‘elkaar helpen’ een vergoeding (durven) vragen. Het monster van ‘eenzaamheid’ bijvoorbeeld kunnen wij dan bestrijden met sociale verbondenheid en sociale contacten als de tegenhanger van eenzaamheid. En ja, daar moeten wij zelf actief aan werken en in investeren. Door ruimte te maken en ruimte te geven naast ruimte te krijgen om het gedoe van alle dag in het sociale contact in te bedden. Elkaar steunen, hulp aanbieden en hulp vragen. Want zorgen voor elkaar, dat doe je gewoon!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

 

Advertenties

Slappe knieën

opvoeden 2.png

  • Opvoeden? Doe het lekker zelf!

“Kinderen moeten gelukkig zijn en hun dromen waarmaken – daar zijn alle ouders het over eens. Een complete generatie wordt op dit moment echter te verwend opgevoed. En als het tegen zit, mag ‘de overheid’ (lees: gemeente, het onderwijs, de jeugdhulp) het oplossen.  Ouders creëren te weinig weerbaarheid bij jongeren en kinderen, en dat is zorgelijk en – op den duur – onbetaalbaar.” Een lokale bestuurder die dat durft te beweren kom ik – helaas – nauwelijks tegen. Omdat daar de bevolking van de betreffende gemeente vermoedelijk nog lang over zal napraten.

En toch meen ik dat betere jeugdhulp in ons land dergelijke bestuurders meer en hard nodig heeft dan het geld waarom velen in Den Haag bedelen.

Gemeenten vormen de bestuurslaag die het dichtst bij de inwoners staat. Dat is juist! En daarom zijn zij ook bij uitstek geschikt om vorm en inhoud te geven aan de bij hun inwoners passende ondersteuning. Om die reden ook worden de laatste decennia steeds meer taken belegd bij de gemeenten. De kracht van deze beweging blijkt – zoals wel vaker – tegelijkertijd de achilleshiel: gemeenten staan te dicht bij de burger als het gaat om een goed beheer van de portemonnee.

Vooral in het sociale domein heeft per 1 januari 2015 een grote verschuiving plaatsgevonden. Gemeenten zijn sedertdien verantwoordelijk voor jeugdzorg, werk en inkomen en zorg aan langdurig zieken en ouderen. Gemeenten krijgen 1 budget vanuit het gemeentefonds om deze taken uit te voeren. En komen daaraan – naar eigen zeggen – fors tekort. Wethouders met jeugdzorg in hun portefeuille klagen steen en been over de aanhoudende tekorten op de jeugdzorg. Uitspraken als ,,Wij vinden het namelijk niet te pruimen dat de staatsschuld wordt afgelost met onze financiële reserves, doordat Den Haag, waar het geld tegen de plinten klotst, blijft korten op de budgetten voor jeugdzorg.” En “Er komt een eind aan de rek van de gemeenten.” Komen in tientallen varianten voorbij. Wat mij daarbij stoort is dat al die bestuurders voor de oplossing van hun problemen kennelijk maar één kijkrichting hebben: het Rijk. Daarbij doen zij alles wat in hun macht ligt, om het Rijk aansprakelijk te stellen voor de tekorten.

Laat ik duidelijk zijn: ik beweer niet dat er niet (tijdelijk) extra geld nodig is om het lokale speelveld van het sociaal domein op orde te brengen. Maar er is echt veel meer nodig dan geld alleen. Bovendien: elke euro die er extra uit Den Haag richting gemeenten gaat, komt – per saldo – uit de portemonnee van de inwoners.

Opvoeden is kennen en erkennen en begint bij de ouders. Zij moeten een echte relatie met hun kinderen opbouwen. Een goede ouder begeleidt en ondersteunt de kinderen. Stimuleert z’n kind om zelfstandig iets te doen. Toont zelf goed gedrag, kleineert of beledigt nooit, toont dagelijks liefde, corrigeert verkeerd gedrag, laat z’n kind in zijn waarde en weet met wie z’n kind omgaat. Hij of zij maakt elke dag even tijd voor zijn kind en praat en luistert met en naar z’n kind. Dat is de basis van iedere opvoeding. En ja, dat betekent ook hard werken, net als in een huwelijk. Een relatie bouwt zichzelf niet op, maar moet actief opgebouwd en onderhouden worden. Persoonlijke warmte en aandacht is in het contact met je kinderen van levensbelang. Ziehier de ingrediënten waaraan wij in onze samenleving een chronisch tekort hebben (opgebouwd). Veel ouders werken te hard. Voor hun baan, carrière, of status. Tijd en aandacht voor de kinderen ontbreekt vaak. Met alle gevolgen van dien.

De heftige maatschappelijke discussies over de tekorten in de jeugdhulp maskeren het werkelijke probleem.  “Problemen van kinderen worden steeds minder gezien als horend bij een (soms moeizaam) proces van opgroeien en opvoeden, en steeds meer als een signaal dat professionals moeten optreden en zo nodig ingrijpen. Zo ontstaat een toenemende ‘export’ van kinderen uit hun gewone leefsituatie naar professionele behandelcontexten. Ongeveer één op de zeven kinderen heeft op dit moment een indicatie voor speciale zorg, speciaal onderwijs of hulp in een justitieel kader. De verwachting is dat deze pedagogische professionals kinderen en/of ouders ‘repareren’, zodat het opgroeien en opvoeden daarna ongestoord kan verlopen” (Het opvoeden verleerd; J Hermanns, 2009).

De door Hermanns gesignaleerde ontwikkeling vraagt van ons en de door ons gekozen bestuurders een kritische zelfreflectie. Met implicaties voor zowel de rol van ouders, leerkrachten en professionele hulpverleners. En lokale bestuurders!  Want jeugdhulp kan niet alleen anders. Het moet anders! Het vraagt meer samen praten over hoe ze elkaar kunnen ondersteunen en daar samen afspraken over kunnen maken.

Naast de roep om extra geld zouden lokale bestuurder stelling moeten durven nemen tegen de slapheid en de laksheid van de in onze samenleving gegroeide opvoedingscultuur, waarin gehoorzaamheid een vies woord is, waarin grillen van kinderen en jeugdigen in toom worden gehouden door ze behandelen als prinsjes en prinsesjes en waarin de pleziertjes van sociale media en rondhangen met leeftijdgenoten voorrang krijgen boven serieuze studie en zelfverbetering.

De jeugdzorg lijkt een bodemloze put. Dat is en blijft zij, als wij niet op de juiste wijze investeren. De beste investering is opvoeden. En dat vraagt eerst en vooral een investering (in tijd en aandacht) van ouders zelf.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

De veren van de rabbi

veren.png

Er was eens een jongen met een grote fantasie. Altijd vertelde hij verhalen over zijn vriendjes, maar vaak waren die verhalen niet zo leuk. Kortom, hij roddelde.

De ouders praten op hem in, maar de jongen bleef roddelen en kwaadspreken over zijn vriendjes. Ten einde raad vroegen ze de rabbi om raad. Die ontbood de jongen en informeerde: ‘Waarom roddel je zo over je eigen vrienden?’

‘Ach,’ antwoordde de jongen, ‘dat zijn maar praatjes. Die doen geen kwaad en ik kan mijn woorden altijd weer terug nemen.’

‘Wie weet,’ zei de rabbi en hij praatte wat verder over koetjes en kalfjes. toen nam hij een veren kussen en zei tegen de jongen: ‘Neem dit kussen mee naar het marktplein, scheur het open en laat alle veren met de wind te laten meewaaien. kom daarna weer bij me terug.’

De jongen snapte niet waar dat goed voor kon zijn, maar het was leuk om te doen, dus hij stemde meteen in. Op het open marktplein blies de wind de veren alle kanten uit. Ze vlogen allemaal in het rond en dansten in de wind. Wat een prachtig gezicht. Toen het laatste veertje uit het kussen geschud was, keerde de jongen terug naar de rabbi.

‘Goed zo,’ zei de rabbi. ‘Ga terug naar de markt, raap alle veren weer op en stop ze in het kussen.’

‘Maar dat is onmogelijk,’ stamelde de jongen.

‘Dat heb je goed gezien,’ zei de rabbi. ‘Net zo onmogelijk als het terugnemen van al die roddels over je vriendjes die jij hebt verspreid. let dus voortaan op je woorden. Ze zijn als veren: eenmaal uitgestrooid, kun je ze nooit meer terughalen.’

Funan

funan.png

  • Rode Khmer door de ogen van een jong gezin

Funan is de aangrijpende Franse animatiefilm van regisseur Denis Do – met stemmen van François Baldassare, Bérénice Bejo – over de geschiedenis van het Rode Khmer regime door de ogen van een jong gezin.

Ten tijde van de Rode Khmer revolutie in Cambodja vecht een jonge moeder voor haar leven en dat van haar gezin. Vaders en moeders worden van hun kinderen gescheiden en dat wil ze koste wat kost voorkomen. Dit blijkt tevergeefs, tijdens een brute inval van het Khmer regime wordt het gezin in 1975 op gruwelijke wijze gescheiden. Vader en moeder belanden samen in een werkkamp, niet wetende waar hun zoon is. Het kamp ontvluchten om hun zoon te vinden blijkt een levensgevaarlijke missie.

Dit schrijnende verhaal heeft voor regisseur Denis Do ook een persoonlijke kant. Het verhaal is gebaseerd op de traumatische gebeurtenissen in de jeugd van zijn eigen moeder.

Funan is niet het eerste animatieproject waar Do aan meewerkte. Eerder was hij al betrokken bij Zombillénium (2017). Do zet met Funan zijn eerste eigen, animatie speelfilm neer. Hij won hiermee gelijk de prijs voor beste langspeelfilm op het Franse animatiefilmfestival Annecy. Het aangrijpende verhaal wordt begeleid door kleurrijke 2D-animatie die zwaar de nadruk legt op de adembenemede landschappen van Cambodja.

Wie doet de opvoeding?

bad parents

  • En nou is het afgelopen!

Soms kruipt mij de gedachte dat ‘goede ouders’- juist door onze jeugdhulp – een uitstervend ras zijn.  Een goede ouder begeleidt en ondersteunt. Stimuleert z’n kind om zelfstandig iets te doen. Toont zelf goed gedrag. Kleineert of beledigt nooit. Toont dagelijks liefde. Zegt sorry. Straft verkeerd gedrag. Laat z’n kind in zijn waarde. Weet met wie z’n kind omgaat. Stelt normen en waarden boven succes. Maakt elke dag even tijd voor zijn kind. Praat en luistert.

In september 2009 kopte een artikel in Trouw “Wie doet de opvoeding?” Met als conclusie: Ouders en docenten. Vandaag de dag lijkt die vraag als antwoord te hebben: ‘de staat’!

Ouders zijn naar mij overtuiging de eerst verantwoordelijken voor de opvoeding van hun kind. In toenemende mate echter lijkt het dat ouders wel de lusten, maar niet de lasten van de opvoedingstaak accepteren. Zodra het moeilijk wordt, is de overheid het aanspreekpunt en het (financiële) haasje.

Uitdagingen en vragen horen bij ouderschap. Tegelijkertijd zie ik dat ouders steeds vaker niet langer een ‘neus’ hebben voor ‘gewoon opvoeden’. Hierdoor komt de opvoeding van kinderen steeds meer in handen van professionals. Dat kan niet alleen anders. Het moet anders!

Op de kinderafdeling van een ziekenhuis zag ik op een poster geschreven: ‘Let meer op uw kinderen dan op de monitor’. Hoewel het een oproep is aan ouders in een medische context, verbeeldt deze poster ook een trend in de jeugdhulpverlening. Het is een tendens om risico’s en opvoedproblemen steeds meer neer te leggen bij de samenleving dan wel overheid.

Diezelfde overheid echter heeft, met de beste bedoelingen, precies dat gedaan wat zij niet moest doen: bijgedragen aan het verminderen van de steun die ouders elkaar onderling geven en de steun uit de nabije omgeving teruggedrongen. Gevolg: opvoeden is vervangen door superspecialisatie en zwaardere inzet dat nodig en gewenst.

Het effect hiervan is dat ouders en professionals steeds meer de kinderen als potentiële risicogevallen aanmerken.

En nou is het afgelopen! Nou is het klaar! Ik wil niet meer dat ouders (te gemakkelijk) wegkomen met hun handelingsverlegenheid. Zeker niet zonder zichzelf in te spannen om handelingsbekwaam te worden.

Het is een terugkerende ergernis. Ouders die bellen met de mededeling dat “er nu een oplossing voor hun kind gezocht moet worden.” Terwijl diezelfde handelingsverlegenheid toch vooral een probleem van de ouders lijkt te zijn. Wat je ook gewoon kunt oplossen. Niet, door de verantwoordelijkheid voor de opvoeding te verleggen (van thuis naar overheid), maar door handelingsbekwaam te worden; bijvoorbeeld. Ouders moeten niet de mogelijkheid krijgen zo snel bij de pakken neer te zitten. Of het (lastige) pakket dat ‘opvoeden’ heet door te schuiven naar anderen.

De meeste kinderen in Nederland ontwikkelen zich zonder al te veel problemen tot autonome en sociale volwassenen die een positieve bijdrage leveren aan de samenleving. Daarnaast is er een (groeiende) groep van van ouders met thuiswonende kinderen die zegt zich wel eens zorgen te maken over de opvoeding of ontwikkeling van één of meerdere van hun kinderen. Deze ouders zoeken daarvoor hulp of advies buiten het eigen gezin, de familie of de vriendenkring. Veel ouders weten kennelijk niet zo goed hoe ze met veel voorkomende problemen van hun kinderen om moeten gaan. Terwijl heel veel van die ‘problemen’ eigenlijk heel normaal zijn. Somberheid, angst, druk gedrag, tegendraadsheid, agressie, het zijn – tot op zekere hoogte – normale verschijnselen bij kinderen. Verbonden aan de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden. Het is het moment waarop dit soort gedrag optreedt, de duur en de intensiteit die maken of iets wel of niet zorgen moet baren (Van Yperen, 2009). Omdat veel problemen heel normaal zijn, is het omgaan met die problemen te beschouwen als een gewone opvoedingsopgave voor ouders, beroepsopvoeders (pedagogisch medewerkers, leerkrachten) en gemeenschappen zoals buurt en gemeenten.

Intussen stijgt het aantal jongeren onder de 23 jaar dat jeugdzorg krijgt gestaag, zo blijkt uit cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek en krijgt een op de tien jongeren in Nederland een vorm van hulp. Dat is een zware last voor gemeenten, Dat komt enerzijds doordat gemeenten de jongeren die de hulp nodig hebben beter weten te vinden. Tegelijkertijd wordt de jeugdhulp ‘opgerekt’: steeds meer vormen van hulp valt onder jeugdzorg. Van kindercoaches tot brugklastraining. Mede daarom pleit ik ervoor om de drempel naar professionele jeugdhulp te verhogen. Niet, door te ontkennen dat opvoeden lastig is, maar door te durven erkennen dat kwetsbaarheid bij het leven hoort en problematiek rondom opvoeden en opgroeien daar dan ook niet van uitgesloten zijn. Deze zienswijze opent niet alleen het venster naar een andere kijk op hulp en opvoeden. Het brengt ouders ook weer in positie. Omdat het appelleert aan het ‘gewone’ leven.

Goede jeugdhulp is niet het ‘uit het gezin weg organiseren’ van problemen, maar het – zo nodig samen met het gezin – leren hanteren ervan.  Zo ook kunnen wij voorkomen dat ‘gewone’ opvoedingsvraagstukken worden geframed als jeugdzorg. Terwijl het eigenlijk over heel gewone (en ja, soms ook verdraaid lastige) opvoedingsvraagstukken gaat. Kortom, de boodschap: moet niet zijn dat ‘de overheid’ voor ouders en kinderen kan (en zal) zorgen. Dan zal de jeugdzorg een gevaar voor de jeugd worden. Goede opvoeding en jeugdhulp begint bij ouders die begeleiden en ondersteunen. Die kinderen stimuleren iets zelfstandig te doen. Die gevraagd gedraag zelf voorleven. Die kinderen in hun waarde laten, juist ook door normen de stellen en waarden over te brengen. En ja, dat vraagt elke dag even iets van onze eigen tijd!

Ouders die dat alles niet kunnen of willen opbrengen, of ouders die niet meer zo goed weten hoe ze hun kinderen moeten opvoeden, moeten wij durven confronteren met de ongemakkelijke waarheid dat niet ‘hun’  of ‘de’ kind(eren) het probleem zijn, maar hun eigen (niet) doen of laten. Om vervolgens samen met hen te bezien hoe wij dat kunnen veranderen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Eenzame bloem?

eenzame bloem.png

  • Alles in het ene

In China leefde eens een monnik die heel goed in tuinieren was. Zelfs de koning werd jaloers op zijn tuin en op een dag kwam er iemand bij de koning en zei: “Nu moet u er toch eens gaan kijken. Ik heb nog nooit zulke bloemen gezien – miljoenen, de hele tuin van de zenmeester staat vol met bloemen. En de geur – het is zo heerlijk. U mag dat niet missen! U moet echt gaan kijken.”

Het was te veel voor de koning om de tuin van die arme man te gaan bekijken. Hij had zelf een grote tuin, honderden vierkante meters groen. Er werkten honderden tuinlieden. Maar de man hield aan: “Het gebeurt misschien nooit weer.”

De koning moest dus wel gaan en zei: “Ga jij maar vast en zeg hem dat ik morgenochtend naar zijn tuin kom kijken.”

Dat werd de monnik meegedeeld en de volgende morgen kwam de koning met zijn hele hofhouding, zijn generaals, de koningin en de prinses. De hele stad lag stil; duizenden mensen verzamelden zich rond het klooster. De koning kwam, keek om zich heen en zei: “Wat! Men heeft mij gezegd dat er miljoenen bloemen waren en ik zie slechts één bloem in de tuin!” De monnik zei: “Inderdaad. Er waren er miljoenen, maar vannacht hebben we ze allemaal weggehaald, omdat we in het ene geloven.”

De koning werd een beetje verdrietig en zei: “Maar zij staat er zo eenzaam bij.” De monnik lachte en zei: “Zij is niet eenzaam, zij is de mooiste en in haar zijn alle bloemen.”

Tussen uitputting en vitaliteit

Schemerland_5c2c9b2cde74e

  • Schemerland

Jeanne, de hoofdpersoon uit Berthe Spoelstra’s debuutroman Schemerland, praat niet meer. Ze ligt diep weggezonken in haar matras en strekt haar armen uit. Zelfs het pakken van een glas water op haar nachtkastje kost haar te veel moeite.

Haar blik dwaalt langs haar eigen voeten, de afbladderende ruimte en het binnenvallende licht. Het is haar enige, dagelijkse houvast. Maar dan wordt de rust in het leven van deze zwijgende vrouw onderbroken: haar kinderen besluiten dat het niet meer gaat. Ze beginnen hun moeders spullen in te pakken en klaar te maken voor hun plek in het verzorgingshuis. En dat terwijl juist Jeannes herinneringen voldoende waren om haar gelukkig te houden, leek het. Wie weet op deze leeftijd wat het beste voor haar is: haar kroost of zijzelf?

Spoelstra schreef in Schemerland op een krachtige, taalgevoelige manier over de naderende dood, en over het contrast tussen lichamelijke uitputting en geestelijke vitaliteit dat daaraan vooraf kan gaan. De schrijfster neemt ons mee in het fantasierijke brein van een oudere vrouw die niet wil stoppen met dromen, en zo volume geeft aan een leven dat verder schrijnend klein gebleven is. Tegelijkertijd steekt Jeanne ook haar twijfels over haar keuzes uit het verleden niet onder stoelen of banken. Heeft zij altijd wel het goede gedaan? En hoeveel zin heeft het nu nog bij die keuzes stil te staan?

  • Schemerland, Berthe Spoelstra, Van Oorschot, 276 blz., 20 euro.