Ga nou eens gewoon zelf opvoeden

Gepubliceerd 8 mei 2012 | MT | Podium | P.P.J. Doodkorte
opvoeden
Opvoeden gaat – dankzij een stroom van boeken, rapporten en adviezen – gepaard met een levendige belangstelling onder alle lagen van de bevolking en de overheid. In dit debat wordt alles meegenomen wat ook maar enigszins te maken heeft met de opvoeding van onze kinderen. Podiumauteur P.P.J. Doodkorte pleit voor ouderwets opvoeden.

Toen ik ruim 35 jaar geleden als groepsopvoeder in de jeugdzorg begon, vertelde men mij dat bij 15% van de jeugdigen opvoedproblemen worden gesignaleerd. Bij 1% gaat het om zware problematiek, bij 4% om matige problematiek en bij 10% om lichte problematiek. Anno 2012 zijn deze cijfers nog altijd gangbaar. Dus kennelijk doen wij het als opvoeders ‘met ons boerenverstand’ zo slecht nog niet. En tegelijkertijd is de zorgconsumptie onder kinderen nergens zo hoog als in Nederland. En ze stijgt nog altijd snel. De GGZ zag in twee jaar tijd 18 procent meer kinderen, het aantal onder toezichtstellingen steeg van 23.000 in 2005 naar 33.000 in 2009. Een op de 12 jongeren komt in aanmerking voor de Wajong. Er is kortom sprake van een paradox.

Overdiagnosticering
Zijn er nog normale kinderen? In de snel veranderende samenleving lijken ouders, professionals en politici steun te zoeken bij labels: Wij speuren naar problemen bij kinderen om er vervolgens een label op te plakken. In onze maatschappij genereert een label namelijk hulp en geld. Het is bijvoorbeeld nodig om begeleid onderwijs te krijgen. Achterstand levert geld op. Problematiseren is dus profijtelijk en leidt tot overdiagnosticering. En ja, we grijpen te snel naar psychofarmaca. Er zijn vandaag de dag niet meer kinderen die aan adhd lijden dan – pakweg – 30 jaar geleden. Maar het ritalinegebruik is de laatste vijf jaren wel verdubbeld. En ja, soms hebben zij wel degelijk hun nut.

Verlegen of overgevoelig, stout of bipolair? Ruwe kanten van het karakter worden plots een gedragsstoornis. Steeds vroeger signaleren we wat er mis is, autisme kunnen we al bij een kind van zes maanden vaststellen. En omdat we in Nederland geneigd zijn dingen uit te besteden aan mensen die ervoor geleerd hebben, komt de ‘patiënt’ al gauw in contact met specialisten. De diagnose wordt soms als het ware een deel van de identiteit van het kind. De jeugdige ziet zich als iemand met een bijzondere eigenschap en de omgeving gaat hem zo behandelen. Met een harde diagnose én niet zelden een voorschrift als gevolg.

Ouders horen veel en maken zich sneller druk. Zij zoeken vaak houvast en een deskundig advies. Wat zij vooral moeten beseffen, is dat de diagnose ‘slechts’ nuttig is om te weten. Het belangrijkste is wat daarop volgt. Opvoeden is geen zwart- witverhaal, geen exacte wetenschap. Ik kan geen kind in een scanner steken om te zien of hij een gedrags- of leerstoornis heeft. We moeten diagnoses blijven stellen, maar dan wel multidisciplinair. Een samenwerking van ouders, leerkrachten, sociaal werkers, pedagogen en artsen. Door evaluaties en meerdere gesprekken maken we betere diagnoses en realiseren we een beter afgestemde reactie. En dat hoeft niet altijd medicatie of behandeling te betekenen, dat kan ook een andere manier van opvoeden zijn.

Opvoeden
Wat is opvoeden precies? Heeft opvoeden zin? Er zijn kasten vol boeken over geschreven. En je kunt overal cursussen en trainingen over opvoeding volgen. Maar, opvoeden is geen exacte wetenschap. Het is geen kwestie van het simpel samenvoegen van verschillende ‘grondstoffen’ in de juiste samenstelling. Opvoeden is een samenspel van verschillende factoren en in de eerste plaats een interactie tussen ouder(s) en kind. En ja, dat gaat met vallen en opstaan. Het is een voortduren bewegen tussen uitersten:
 controleren ↔ vrijlaten
 gericht op jezelf (als opvoeder) ↔ gericht op je kind
 streng ↔ toegeeflijk
 beschermen ↔ zelf laten ervaren
 star ↔ flexibel
 consequent ↔ inconsequent

Iedere ouder stelt zich wel eens vragen over de opvoeding van zijn kind en twijfelt aan zijn aanpak. Of het nu gaat over het starten van een zindelijkheidstraining, een kleuter die niet wil eten, een achtjarige die tussen zijn ouders in slaapt of het omgaan met een koppige puber. Niemand kent de waarheid, maar elke mening telt. Opvoeding is mensenwerk. Niet alleen de ouders hebben invloed op de opvoeding van hun kind. Ook de school, de vriendjes, de sportclub en de leeftijd zijn van invloed. In zijn Opvoedingscanon geeft René Diekstra de volgende definitie van opvoeden: Opvoeding is iedere invloed die mensen, bedoeld of onbedoeld, uitoefenen op de ontwikkeling van een kind.

En ook de media – waaronder televisie, computer, internet, radio , etc. hebben een zekere invloed op de ontwikkeling van een kind. En ja, die verschillende invloeden worden nog wel eens onderschat.

Probleem van de gemeenschap
Ik herhaal het nog maar eens: opvoeden is geen exacte wetenschap. Voor ieder probleem bestaan er verscheidene oplossingen. Welke oplossing voor welk gezin resp. welk kind de juiste is, hangt af van verschillende factoren: het karakter van het kind, de omgeving, de relatie van de ouders, de woonsituatie van het gezin. Professioneel opvoeden – en ja, dat doen de meeste ouders – vereist een combinatie van dienstbaarheid, passie en nuchterheid. ’t Moet nuchter, met boerenverstand, niet ‘uit het boekje’, maar altijd met volledige aandacht. Eerst aanvoelen, dan invoelen. Consistent en consequent zijn als ouder is belangrijk. Afhankelijk van het kind moet je hen belonen, confronteren, straffen en grenzen stellen. Praktijkgerichtheid en logica zijn, net als theoretisch denken, ook onderdelen van pedagogische intelligentie.

Natuurlijk zijn er gevallen waarin individuele hulp door specialisten zinvol is. Maar in het algemeen tonen onderzoeken aan dat dergelijke behandelingen zelden werken. Sterker nog, kinderen worden er regelmatig slechter van. De maatschappij doet er daarom verstandig aan ‘moeilijke’ kinderen op een andere manier aan te pakken. Niet individueel, maar juist als gemeenschap: op straat, op school en thuis. Waar nodig met ondersteuning van specialisten. Hun doel moet echter niet het behandelen zijn, maar het herstellen van een gewoon leven voor het kind. De beroepsmatige opvoeders moeten ook niet denken dat zij wel weten wat het probleem is, maar de ouders en kinderen zien als experts van hun eigen leven. Zij kunnen het best aangeven waar problemen én oplossingen liggen.

Accepteren
Opvoeden heeft dus zin, maar realiseer je dat je als ouder of beroepskracht niet almachtig bent. Er zijn nu eenmaal een hoop dingen waar je geen invloed op hebt. De aanleg van je kind bijvoorbeeld, die kun je met de beste wil van de wereld niet veranderen. En ook niet met regels, grenzen, straffen of beloningen. Ook de wereld waarin je kind opgroeit kun je niet naar je hand zetten. Accepteer dus dat je een hoop dingen niet kunt veranderen. En richt je aandacht op de momenten waarop je je kind wel kunt bijsturen. Kortom, als we nou weer eens gewoon gingen opvoeden.

Eerdere bijdragen:
 De teerling is geworpen, er is geen weg terug
 Bouwstenen voor naadloze zorg
 Waarom incidentenpolitiek niet werkt

Over de auteur:
Dit Podiumartikel is geschreven door Peter Paul Doodkorte, toentertijd partner van BMC.

Advertenties

Jeugdzorg in het grijze circuit

Gepubliceerd 18 aug 2006 | Binnenlands Bestuur | Peter Paul J. Doodkorte
doolhof 2
Onder invloed van de WJz staat de jeugdzorg beter en sterker dan ooit tevoren op de kaart. Wat niet weg neemt, dat veel nog beter moet. In de aansluiting tussen lokaal jeugdbeleid en provinciale jeugdzorg zitten nog de nodige knelpunten. Belangrijke oorzaak is de keuze voor een ‘smal’ bureau jeugdzorg, dat geen licht ambulante hulp meer mag verlenen. De daardoor lokaal ontstane leemte is duidelijk merkbaar. Bureaus jeugdzorg geven wel invulling aan hun wettelijke aansluitingstaken (advisering, deskundigheidsbevordering en contact onderhouden met voorliggende voorzieningen), maar versnippering van het lokale aanbod maakt uitvoering erg arbeidsintensief.

Ook geven gemeenten aan dat zij moeite hebben met het invullen van de hen toebedachte regierol, omdat verschillende voor het lokale jeugdbeleid relevante organisaties (jeugdgezondheidszorg, maatschappelijk werk, politie en voortgezet onderwijs) bovenlokaal functioneren.

In het complexe krachtenveld van het lokale jeugdbeleid is een krachtige, eenduidige sturing nodig. Het Centrum voor Jeugd en Gezin, in combinatie met de introductie van de verwijsindex en het elektronisch kinddossier, past daarbinnen uitstekend. Het biedt mogelijkheden tot het terugdringen van het aantal spelers, geeft bureaus jeugdzorg een focus voor de inrichting van haar aansluitingstaken, biedt ruimte voor heldere, toets- en afrekenbare afspraken over taakverdeling en regievoering en draagt zo bij aan een betere communicatie tussen voorliggende voorzieningen en de jeugdzorg en daarmee versterking van de keten.

Het door sommigen verfoeide ‘duale’ karakter van de WJz (jeugdbeleid bij gemeenten, jeugdzorg bij provincie) draagt juist bij aan het elkaar aanspreken op verbeteringen. Veel van de voorgestelde verbeteringen (Inventgroep, Gideongemeenten, Operatie Jong) passen dan ook goed binnen het huidige stelsel van de WJz. Ik verwacht dan ook dat de provincies het kabinetsbesluit van harte zullen ondersteunen en – op korte termijn – met stimuleringsregelingen komen, die de vorming van de Centra voor Jeugd en Gezin stevig zullen stimuleren.

Als dat eenmaal is geregeld, is verdere decentralisatie van verantwoordelijkheden en bevoegdheden zeker denkbaar, maar de vorming van Centra voor Jeugd en Gezin moet niet leiden tot een hernieuwde discussie over (weer) een wijziging van stelsel of aansturing.

Peter Paul J. Doodkorte, toentertijd senior adviseur BMC

De teerling is geworpen. Er is geen weg terug.

Gepubliceerd 25 april 2012 | MT | Podium | P.P.J. Doodkorte
Dobbelsteen
Ruim dertig jaar terug kwam Podiumauteur Peter Paul Doodkorte met zijn vrouw, pleegzoon en eerstgeborene in de Capelse wijk Schollevaar wonen. Bij zijn huisarts hingen prenten aan de muur van Jörg Müller van het Zwitserse dorp Güllen door de jaren heen. De boodschap? We bevinden ons in een voortgaande weg van vernieuwing en ontwikkeling.

Ik moest de afgelopen week regelmatig aan die prentenserie denken. De reden? Mij werd gevraagd naar de mogelijke consequenties van de val van het Kabinet Rutte 1 voor de lopende transformaties. Het gaat om taken die nu georganiseerd worden in de jeugdzorg en de AWBZ. Annex hieraan zijn de nieuwe Wet Werken naar Vermogen en de regelgeving over Passend Onderwijs. En, hoewel ik daar natuurlijk niet over ga, beweerde (en beweer) ik dat dit volgens mij voor de beweging an sich geen consequenties kan en zal hebben.

Ik durf dat met de nodige stelligheid te beweren. Want, hoewel de invoerings- en veranderingstrajecten – als gevolg van de landelijke politiek-bestuurlijke constellatie – nog omgeven zijn met veel vraagstukken en onduidelijkheden: Men is de brug overgestoken. Het is de wens en verwachting dat de gemeentelijke overheid als “eerste overheid” in de komende jaren aanvullende taken krijgt rond de organisatie van de zorg voor haar inwoners.

De rode draad die dwars door het gedachtegoed van de verschillende transformaties loopt is namelijk een zich al langer ontwikkelende paradigmashift. Deze paradigmashift heeft te maken met technologische vernieuwingen, voortschrijdende wetenschappelijke inzichten en veranderingen in de onder- en bovenstroom van de samenleving.

Vooral de voortschrijdende wetenschappelijke inzichten en veranderingen in de onder- en bovenstroom van de samenleving tonen al langer de hang naar, behoefte aan en noodzaak tot de in gang gezette paradigmashift. De dragende principes daarvan zijn:

 Eigen regie en eigen verantwoordelijkheid staat voorop.
 Bij beginnend of beperkt regieverlies gaat versterking van de sociale steunstructuur (familie, vrienden, buren, maatjes etc) voor de inzet van professionals.
 Zelfredzame burgers faciliteren, minder of niet zelfredzame burgers ondersteunen bij de maximaal mogelijke eigen regievoering.
 Preventie gaat voor curatie.

Denken en doen vanuit het eigen kracht-principe is een ontwikkeling die in eerste instantie wellicht veel trager van de grond is gekomen dan verwacht. De oorzaak daarvan lag vooral in de omstandigheid dat het ons economisch (te) goed ging. Hierdoor was de noodzaak om daadwerkelijk met deze ontwikkeling aan de slag te gaan veel minder. Hoewel de totale keten – en in het bijzonder de burger zelf – absoluut baat zou hebben bij de implementatie ervan, gebeurde het niet. Omdat het voor geen van de partijen uit de keten aantrekkelijk was om zijn individuele strategie te wijzigen.

Dat deze beweging de afgelopen twee jaar in een stroomversnelling kwam heeft veel te maken met het feit dat de economische omstandigheden ons er ook toe noodzaken stevig op de kosten te gaan letten. En die noodzaak is met de val van het Kabinet Rutte 1 niet weggevallen. Integendeel zou ik haast zeggen. Dit is geen bedreiging voor de gewenste ontwikkeling, maar juist een extra kans. Ook, omdat wij er allemaal baat bij hebben dat het verder van de grond komt.

Dus, als het gaat om de nauwkeurigheid van het tijdsbestek waarbinnen een en ander plaats zal vinden, dan geldt wellicht dat de politieke bestuurlijke ontwikkelingen het tempo van deze paradigmashift wellicht tijdelijk afzwakken. Maar zij die hopen dat de val van het kabinet wellicht tot een echte koerswijziging zal leiden – de beweging wel weer zal doen overwaaien – zullen bedrogen uitkomen. Dat wens, hoop en verwacht ik. Want de teerling is geworpen. Er is geen weg terug. De beweging moet en zal doorgezet worden, zodat we uit dat vreemde zorgbeknellingssysteem komen waar niet (de mogelijkheden van) de mens/burger centraal staat, maar een stelsel van indicaties, diagnoses, verantwoordingsstelsels, dossiervorming en regels.

Afsluitend constateer ik voorzichtig dat het wel eens veel sneller zou kunnen gaan verlopen dan menigeen nu voor mogelijk houdt. Dat laatste komt vooral, doordat er meer en meer partijen opstaan die de betekenisvolle kracht van deze beweging al langere tijd doorhebben en daarin ook investeren. Er is daarvoor een breed en groeiend maatschappelijk draagvlak. Aan de slag dus!

Eerdere bijdragen:
 Bouwstenen voor naadloze zorg
 Waarom incidentenpolitiek niet werkt
 De kunst van het loslaten
 De kracht van een compliment

Over de auteur:
Dit Podiumartikel is geschreven door Peter Paul Doodkorte, toentertijd partner van BMC.

Voorkom stress op vakantie

Gepubliceerd 2 juli 2012 | MT | Podium | P.P.J. Doodkorte
vakantiestress
Vakantie. Werk thuislaten of juist op de hoogte blijven? Podiumauteur Peter Paul Doodkorte biedt een anti-stress vakantieplan.

Als u dit leest ben ik net – of al weer langer – terug van drie weken (werk)vakantie. Drie weken was ik in het zuiden van Frankrijk ondergedompeld in afwisseling. Samen mijn mijn vrouw – en later ook onze dochter – was ik welkom bij een camping in Saint Pantaléon, Frankrijk. Waar je echt Frans kampeert rondom de karakteristieke 13de eeuwse watermolen met vismeertje op een domein van 12 ha. Gelegen in de Quercy Blanc; een ideale uitvalsbasis voor het ontdekken van Lot, Dordogne en Aveyron. Onze idyllisch en prachtig gelegen mobil home was van alle gemakken en luxe voorzien. Dus ook internet.

Werk thuislaten
Vakantie of een sabbatical kan ontspannend werken, maar dan moet je het wel goed aanpakken. Professor Dov Eden, organisatiepsycholoog op de Universiteit van Tel Aviv, onderzocht het stressniveau onder achthonderd professoren vóór, tijdens en na hun vakantie van een weekend, week, seizoen of jaar. Wat bleek? De duur van de vakantie maakt niet veel uit om tot rust te kunnen komen: zolang je het werk maar letterlijk thuis laat. Het is de bedoeling dat je uitrust op vakantie en je je batterij weer eens goed oplaadt. Maar al te vaak lukt dat amper. De eerste dagen ben je aan het bijkomen van de laatste stressvolle dagen op het werk en de tweede helft van je vakantie ben je je alweer druk aan het maken over het werk dat op je ligt te wachten.

Het is zo makkelijk nog niet om de dagelijkse sleur en stress los te laten. Ik kreeg vooraf dan ook de nodige goede tips mee:
 Zorg dat je vakantie lang genoeg is. Twee weken is een minimum om je lichaam en geest tot rust te brengen.
 Laat je laptop, blackberry en paparassen van het werk thuis!
 Neem geen telefoontjes van je werk aan op vakantie.
 Vertel aan iedereen op je werk dat je onbereikbaar bent.
 Blijf met je gedachten in het nu. Geef simpelweg aandacht aan wat er hier en nu gebeurt met degene met wie je nu op vakantie bent.
 Laat los. Laat je zorgen, angsten, verwachtingen en wensen vrij. Ze zijn er vast ook nog steeds als je terugkomt, dus besteed er tijdens je vakantie even geen aandacht aan.
 Kijk geen televisie. Helemaal niet. Laat de wereld maar even aan zichzelf over.
 Lezen is prima, maar dan wel een roman en geen werkgerelateerde lectuur.
 Luister naar muziek, of maak muziek. Prima om tot rust te komen.

Relaxte vakantie
Vakantiegangers zijn niet per definitie gelukkiger dan thuisblijvers, zo blijkt ook uit onderzoek van de Universiteit Tilburg. Alleen mensen die een heel relaxte vakantie hebben gehad, voelen zich daardoor echt beter. Maar wat is een relaxte vakantie?

Velen vinden een vakantie pas relaxt als ze volledig loskomen van het werk. In hun ogen kun je een relaxte vakantie wel vergeten als de laptop van het werk meegaat op reis. Mijn vrouw was daar jaren erg stellig in en gaf aan dat de laptop zeker thuis moest blijven. Inmiddels weet zij beter. Ik laat tijdens mijn vakantie mijn mailverkeer gewoon doorgaan. Niet dat dit direct nodig is, maar uit hetzelfde Tilburgse onderzoek bleek ook dat het meenemen van de laptop voor velen juist stressverlagend werkt. Tijdens de vakantie kan de mail dan worden ‘weggewerkt’. Degenen die hun laptop thuislaten –hebben aan het einde van de vakantie vaak last van stress door het vooruitzicht een grote berg mail te moeten wegwerken.

Als ik nu thuiskom, kan ik de eerste dagen nog even rustig nagenieten. Bovendien heb ik heerlijk van de nodige wedstrijden van het Europese voetbalkampioenschap kunnen genieten, de nodige boeken kunnen lezen en – ook tijdens het werk – van een heerlijk glas rosé. Een vakantie doet veel goede dingen met mij. Ontspanning, opladen, nieuwe ideeën en verse moed. Ik kom dan ook na elke vakantie met een grote glimlach en gezonde blik weer op kantoor. En, ik heb tref niet enkele honderden ongelezen e-mails aan.

Terug van vakantie actieplan
Mocht u echter wel tot de categorie mensen behoren die het werk echt helemaal los laat tijdens de vakantie, en bent u bij terugkomst overladen door e-mails, dan heb ik een de volgende tips voor u: maak gebruik van 1 archiefmap en 3 actiemappen. Dit zijn de map ‘Bewaren’, waarin je alle mails opslaat die je niet meer gebruikt. De map ‘Wachten Op’ is voor alle mails waarmee anderen bezig zijn. De map ‘Later / Misschien’ is voor actiepunten die je wel wilt onthouden, maar die voorlopig geen aandacht vragen en tot slot de map ‘Doen Deze Week’ waar je alle mails in zet die je binnen een week wilt behandelen. Met deze structuur kun je optimaal een Terug van Vakantie Actie uitvoeren. Het gaat als volgt:
 Begin gewoon bovenaan met de mails te lezen en te verwerken richting je actiemappen als altijd.
 Werk zo de eerste week weg, gaat het lekker doe je nog een week.
 Ga scannen: door de mails heen scrollen op zoek of je op basis van afzender en onderwerp kan zien dat die mail echt nog behandeld moet worden. Die plaats je in de bijbehorende map.
 Tot slot ga je naar de map Doen Deze Week, die fungeert als takenlijst en doe alle acties die je in 2 minuten uit kunt voeren. Pak dan een goede kop koffie en ga eens een rustig rondje langs de collega’s doen. Je bent dan 2 uur verder en je kunt weer aan het werk met een lege inbox. Met frisse moed!

En, niet te vergeten, zet voordat je op vakantie gaat de Out-of-Office of Afwezigheidsmelder aan. Dit is typerend voor MS Exchange met Outlook, maar de meeste systemen kennen er wel een (of je kunt het via je webmail activeren bij je Internet Provider). Zorg dat Out-of-Office mensen altijd een duidelijk alternatief krijgen. Dus niet alleen melden dat je er niet bent, maar ook bij wie ze wel terecht kunnen incl. email adres en tel. nr. En zet tot slot de datum van terugkomst altijd een dagje verder dan waar is. Klopt niet maar werkt wel.

Eerdere bijdragen:
 Er zijn meer slechte ouders dan kinderen
 Wees niet perfect
 Transformatie is boven alles een kwestie van loslaten

Over de auteur:
Dit Podiumartikel is geschreven door Peter Paul Doodkorte, toentertijd partner van BMC.

Er zijn meer slechte ouders dan slechte kinderen

Gepubliceerd 25 juni 2012 | MT | Podium | P.P.J. Doodkorte
parents-fight
Het plan om jeugdzorg bij de gemeenten onder te brengen, krijgt steeds meer kritiek. Podiumauteur Peter Paul Doodkorte vindt dat niet terecht. De gemeenten moeten bij hun zoektocht naar langdurige oplossingen vooral naar ouders kijken.

Instellingen, beroepskrachten en cliënten weten niet precies wat de transitie van de jeugdzorg voor hen betekent en dat brengt risico’s met zich mee. Dat blijkt uit het rapport van de Werkgroep Overgangsmaatregelen dat staatssecretaris Marlies Veldhuijzen van Zanten van VWS op 19 juni aan de Tweede Kamer stuurde. Staatssecretarissen Fred Teeven (VVD, V&J) en Marlies Veldhuizen van Zanten hadden in de Tweede Kamer vervolgens hun handen vol om het draagvlak voor de overgang van de Jeugdzorg van provincies naar gemeenten overeind te houden. Parlementaire steun voor de transitie in de sector dreigt af te brokkelen nu bij veel fracties onduidelijk is hoe de jeugdzorg er vanaf 2016 uit gaat zien. Maar, zo concludeert lector Goos Cardol terecht, jeugdzorg organiseer je niet achter de tekentafel. Gemeenten moeten op zoek naar langdurige oplossingen, vooral ook door te kijken naar de ouders.

Het gezin vertrouwen teruggeven
We komen in Nederland uit een tijd dat alle heil van de staat werd verwacht. Echter, ieder mens is van waarde en komt tot recht in de relatie tot de ander. Opvoeden, opleiden en opgroeien doe je dan ook samen. De kleinste vorm waarin dat gebeurt, is het gezin. De overheid moet hen het vertrouwen teruggeven en daarop aanspreken. De principiële grondhouding moet zijn dat mensen zelf met oplossingen komen. En natuurlijk gaat het daarbij om gedeelde verantwoordelijkheid. Daar waar het niet lukt, komt de overheid in beeld.

Het gezin is voor mij de plek waarin een kind opgroeit in liefde, de plek waar mensen van elkaar houden en voor een kind zorgen. Dat kunnen ook twee mannen of twee vrouwen zijn, maar ook een alleenstaande ouder. Het gaat er uiteindelijk om dat een kind veilig is en dat het liefde ontvangt. Ook kinderen vinden en ervaren dat. Al kunnen ze dat op die leeftijd misschien nog niet zo onder woorden brengen als beschreven in Connie Palmen’s “Logboek van een onbarmhartig jaar”, geschreven na het overlijden van haar (tweede) man en D66-coryfee Hans van Mierlo.

Zij citeert de afscheidswoorden van zijn dochter Marie: “In het Vondelpark is een speelplaats voor kleine kinderen. Omringd door heggen is er een zandbak en daarnaast staan wat klimrekken. Een is rond en best hoog. Om de zandbak staan toestellen heen, staan allemaal groene bankjes. En op die bankjes zitten moeders en een paar vaders. De moeders en vaders lezen de krant, praten met elkaar of kijken wat.

De kinderen spelen en scharrelen rond, soms alleen, soms met elkaar. Sommigen zitten eindeloos taartjes te bakken op de rand van de zandbak, anderen rennen, klimmen en klauteren. Allemaal onderzoeken ze, op hun eigen manier. Ze doen dat in de wetenschap dat moeder of vader achter hen zit. Als er iets eng is, iets niet lukt, er gevallen is of honger dreigt dan gaan ze naar het bankje. Dan is er een aai, een koekje, bemoediging of geruststelling. Maar ook als de kindjes trots zijn, iets moois zien of doen is het bankje belangrijk. Dan wordt er meegekeken, bewonderd. Als er geen moeder of vader op dat bankje zat dan was het minder leuk om taartjes te bakken, te eng om hoog te klimmen. De wereld kan ten volle ontdekt worden omdat er iemand voor ze op het bankje zit.

In de pubertijd vindt, op meerdere fronten, een herhaling van de peutertijd plaats en spelen de bankjes weer een rol. De puber wil de wereld in, ontdekken, experimenteren. Mooie taartjes bakken en hoog klimmen, maar dan anders. Hij wil dat natuurlijk doen zonder zijn ouders, maar ze moeten wel op het bankje zitten. Ik stapte de wereld in, scharrelde er rond en was dan weer even thuis. Voor en aai, bewondering, geruststelling en soms voor advies.”

Relatie tussen ouders en school
Steeds meer (lokale) overheden stimuleren scholen – soms in de vorm van dwingende voorschriften – om een ouderplan op te stellen, of aantoonbaar inspanningen te verrichten om ouders nauwer bij de school te betrekken. Dat heeft te maken met het voortschrijdende inzicht dat ouders een essentiële schakel zijn tussen school en leerling, met het streven van overheid én scholen om de kwaliteit van onderwijs te verbeteren, en onderwijsachterstanden te verkleinen. Ouderbetrokkenheid kan daar een bijdrage aan leveren.

Het versterken van de relatie tussen ouders en (in het bijzonder) school staat wat mij betreft dan ook hoog op de agenda bij de verdere invulling van de zorg voor jeugd. Ook peuterspeelzalen, instellingen voor kinderopvang en jeugdzorg zien het belang ervan in, getuige de vele initiatieven die er in Nederland op dit gebied zijn. Dit is niet zo vreemd, want ontwikkelingsstimulering thuis leidt aantoonbaar tot betere kansen voor kinderen. Dit blijkt uit nationaal en internationaal onderzoek.

Het beste voor het kind
Het krijgen van kinderen is voor de meeste mensen een wereldervaring. Iedere ouder wil zijn of haar kinderen op een goede manier opvoeden. Dat is een mooie uitdaging, maar gaat niet vanzelf. Ouders komen dagelijks voor dilemma’s te staan en willen de beste beslissingen voor hun kinderen nemen. Als (groot)ouder weet ik uit ervaring dat kinderen zich prettiger voelen en beter presteren als je geïnteresseerd en betrokken bent bij de dagelijkse dingen die jouw (klein)kind bezighouden. Het kan daarbij helpen eraan te denken dat je zelf ook eenmaal jong bent geweest. Je kunt hun hartstochten, hun verontwaardiging en hun verdrietjes niet alleen beter verdragen, maar zelfs begrijpen. Wij hebben geen flauw idee hoe groot het krediet is dat kinderen ons geven, en hoe snel men dat verspeelt.

Bij de toekomstige inrichting van de zorg voor jeugd moeten wij de focus richten op het faciliteren – en aanspreken – van de ouders en – waar nodig – in partnerschap ons samen verantwoordelijk weten voor het goede verloop van het opgroeien en meedoen van onze kinderen. Dat partnerschap is gebaseerd op de overtuiging dat ouders en maatschappij een gezamenlijk belang hebben als het gaat om de opvoeding en ontwikkeling van onze kinderen: zorgen voor optimale omstandigheden om de ontwikkeling van hen zo goed mogelijk te laten verlopen. Voor het tot stand brengen van dat partnerschap is het uitspreken van wederzijdse verwachtingen nodig, evenals duidelijke wederzijdse verantwoordelijkheden die het handelen sturen: ze worden niet alleen gedeeld, maar vooral ook beleefd. Kinderen imiteren hun ouders, studenten hun docenten (en de meeste wetenschappers andere wetenschappers).

Lege fietsband
“Kinderen zijn net bomen”, zei een opa, waaraan ik toevoeg dat alleen voldoende water geven niet genoeg is om ze recht te laten groeien. Een steuntje bij de stam en af en toe wat snoeiwerk hoort daar ook bij. Opvoeden is een mooie maar moeilijke uitdaging vind (ook) ik. Het is een kwestie van liefde, geduld en wijsheid. En de laatste twee groeien waar de eerste heerst. De beste manier om je kinderen thuis te houden is voor een gezellige sfeer zorgen en hun fietsbanden laten leeglopen.

Eerdere bijdragen:
 Wees niet perfect
 Transformatie is boven alles een kwestie van loslaten
 De gift van wederkerigheid

Over de auteur:
Dit Podiumartikel is geschreven door Peter Paul Doodkorte, toentertijd partner van BMC.

De gift van wederkerigheid

Gepubliceerd 11 juni 2012 | MT | Podium | P.P.J. Doodkorte
wederkerigheid
Tegenover het recht op ondersteuning staat de plicht van de ontvanger om zo min mogelijk en zo kort mogelijk van die ondersteuning gebruik te maken. Podiumauteur Peter Paul Doodkorte legt uit waarom de gift van wederkerigheid niet goed werkt bij de overheid.

Onlangs mocht ik samen met Albert Jan Kruiter van het Instituut voor Publieke Waarden een presentatie verzorgen over de mogelijke ontwikkelingsrichting van de zorg voor jeugd in de regio Gooi- en Vecht. Kruiter en ik kennen elkaar wel uit eerdere opdrachten, maar hadden vooraf geen contact gezocht ter afstemming van onze beider bijdragen. Kruiter mocht aftrappen.

Noodlottige omhelzing
Albert Jan Kruiter, die op de proefschrifteditie van Mild despotisme promoveerde, hield een inspirerend en zeer inzichtgevend betoog waarin hij beschreef en haarscherp duidde dat onze huidige democratie en verzorgingsstaat in crisis verkeren. Een crisis die al was voorspeld door zijn grote leermeester, de Franse filosoof Alexis de Tocqueville (1805-1859). Hij veronderstelde dat de moderne democratie uiteindelijk zal verzanden in mild despotisme: een onbeheersbare, centrale en bureaucratische overheid die een individualistische samenleving in toom probeert te houden, terwijl een individualistische samenleving bureaucratie en controle over zich afroept. Overheid en samenleving houden elkaar zo gevangen in een noodlottige omhelzing.

Ter onderbouwing van de noodlottige omhelzing tussen overheid en samenleving beschreef hij onder meer de gang van zaken rond de Algemene wet bijzonder ziektekosten (Awbz) die in 1968 van kracht werd. Kruiter poneerde de forse stelling dat democratie als staats- en samenlevingsvorm in principe zelfdestructief is. Een democratische samenleving moet steeds meer aan het eigenbelang van de burger appelleren om hem tevreden te houden. En anderzijds moet de overheid steeds verder het privédomein van de burger binnendringen voor toezicht, handhaving en controle. Dat is inderdaad wat we om ons heen zien gebeuren. Maar hoe nu verder?

Perverse effecten
Het betoog van Kruiter heeft recentelijk forse ondersteuning gekregen in de publicatie “Tegenkracht organiseren: Lessen uit de kredietcrisis” van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO). Het advies start met werkwijzen in de financiële sector. Aan bod komen de hypotheekverstrekking aan mindervermogenden in de VS, het gebruik van risicoprofielen om klanten te classificeren en het belonen met bonussen. Deze goedbedoelde en productieve werkwijzen resulteerden uiteindelijk in perverse uitkomsten. Oorspronkelijke doelen raakten uit beeld, classificaties gingen een eigen leven leiden en financiële prikkels beloonden de verkeerde ‘successen’.

Vergelijkbare situaties kunnen zich voordoen in maatschappelijke sectoren. Het advies bekijkt onder meer de Cito-toets in het primair onderwijs, de indicatiestelling in de zorg en de financieringsstromen in het hbo. Het risico bestaat dat productieve werkwijzen ook daar zo dominant worden dat perverse effecten niet uitblijven. Op dat moment overheersen de kortetermijnbelangen de noodzakelijke langetermijnbelangen. Een verklaring hiervoor is gelegen in het streven naar een beheersing van de complexe werkelijkheid. Gaandeweg kan er een situatie ontstaan waarin men aan andere zienswijzen voorbij gaat en organisaties steeds eenvormiger worden. Omdat dit proces zich langzaam en stapsgewijs voltrekt, is het vaak pas zichtbaar als de perverse effecten zich in verregaande vorm aandienen.

Principes loslaten
Het betoog van Kruiter, in combinatie met de door mij herkende bevindingen in de RMO-publicatie, gaf zijn toehoorders niet alleen veel stof tot nadenken, maar sterkte mij in het ‘houvast’ dat ik in de afgelopen periode formuleerde voor de ontwikkelingsrichting van de zorg voor jeugd en gezin.

Wij zijn toe aan een diepgaande, duurzame verandering. In het bijzonder geldt dit de fundamentele en structurele omzetting van schadelijk denken en contraproductief gedrag van groepen en individuen. Voor het bewerkstelligen hiervan zijn tal van samenhangende ‘systeeminnovaties’ nodig: vernieuwingen op het niveau van onder andere technologieën, regels en organisatievormen. Maar ook op betrekkingsniveau. Kijkend door de ogen van de mensen voor wie het is bedoeld, moeten wij werken aan concentratie van menskracht en middelen gericht op het – naar vermogen – meetellen en meedoen van alle mensen.

Dit vraagt het aanspreken van de zelfredzaamheid en de eigen kracht van huishoudens. Met als uitgangspunt dat mensen en huishoudens eigenaar van hun eigen probleem én oplossing zijn. Zij hebben daarbij recht op ondersteuning (niet te verwarren met ‘zorgplicht’ vanwege de overheid) op kansen. Waarbij wij een aantal principes moeten durven loslaten:
 Klantdenken: Bevordert achterover leunen
 Doelgroepenbenadering: Bevordert door- en afschuiven
 Lokettenfetisjisme: Bevordert versnippering
 Doorverwijzen: Bevordert afschuiven
 Labellen: Bevordert shopgedrag
 Productieafspraken: Bevordert pervers gedrag

Dit vergt ‘omdenken’. Van
 klantdenken naar /partnerdenken
 gelijke rechten naar ruimte voor verschillen
 ‘zorgen voor’ naar ‘zorgen dat’
 domeindenken naar denken in leefroutes
 beheersdenken naar ontwikkeldenken
 protocollen naar vakmanschap

Niet de caritas, het goed doen, is het belangrijkste maar juist de wederkerigheid, het idee dat men elkaar nodig heeft en dat men elkaar iets te bieden heeft. De wederkerigheid zorgt ervoor dat iedereen gelijkwaardig is aan de ander. Deze ‘wederkerige versterking’ is de basis van de samenwerking. Burgerkracht in optima forma.

Wederkerigheid
Steeds meer komt het besef op dat de professional een inspirerende coach dient te zijn die, uitgaande van de motivatie en eigen kracht van mensen ondersteunt in de stappen die hij wil en kan – of moet – zetten. Daarbij gaat het niet alleen om de eigen kracht maar ook om de kracht van het netwerk. De kunst voor de professional is niet over te nemen en oplossingen aan te dragen, maar te coachen en te faciliteren zodanig dat de eigen kracht en sociale netwerken wordt ingezet om dat te bereiken wat een bewoner of groep bewoners graag wil bereiken.

Het zelfstandig keuzes kunnen blijven maken en wederkerigheid zijn daarbij wat mij betreft de kernbegrippen. Binnen de wederkerigheid verrichten mensen over en weer prestaties in het vertrouwen dat deze vroeg of laat worden beantwoord. Als je iets geeft aan een ander, voelt die ander zich verplicht vroeg of laat iets terug te geven. Als je het niet doet, als je niet helpt wie jou hielp, voel je je beschaamd. Het is heel iets anders dan in het krijt staan bij de bakker omdat je de rekening niet betaalde. De ethiek van de gift is veel verplichtender dan de ethiek van het contract.

Eerdere bijdragen:
 Laat een ander groeien
 Pak kluitjesvoetbal aan
 Word een autonome manager

Over de auteur:
Dit Podiumartikel is geschreven door Peter Paul Doodkorte, toentertijd partner van BMC.

Pak kluitjesvoetbal aan

Gepubliceerd 21 mei 2012 | MT | Podium | P.P.J. Doodkorte
F3_kluitjesvoetbal
Binnen veel organisaties is het fenomeen ‘kluitjesvoetbal’ bekend. Echt effectief is het niet. Podiumauteur Peter Paul Doodkorte ziet mogelijkheden binnen de jeugdzorg om ‘kluitjesvoetbal’ aan te pakken en op te lossen.

Kluitjesvoetbal is volgens de definitie van Wikipedia een manier van voetballen, waarbij het hele team naar de bal toeloopt, en dus alle spelers op een kluitje staan. Dit komt voor bij kinderelftallen, en is als uitdrukking bruikbaar voor zulk gedrag van een groep volwassenen. Een speltechnisch nadeel is dat spelers elkaar in de weg lopen, en dat een uitbraak van de tegenstander in het geheel niet kan worden verdedigd. Het team heeft geen beheersing van de situatie, zelfs niet in het drukke gebiedje. Kluitjesvoetbal is te voorkomen door taakbesef en samenwerking.Al decennia lang zien wij bij organisaties op het gebied van zorg, werk en welzijn ‘kluitjesvoetbal’ . Met al gevolg onvoldoende samenwerking en langs elkaar heen werken. De wijkgerichte aanpak, waarbij duidelijk is wie wat doet, is hierop een kansrijk antwoord. Maar we staan, zo stel ik vast, voor wat dat betreft in ons land nog in de kinderschoenen. Want hoewel gebiedsgericht werken ook impliceert dat wij het aantal spelers terugbrengen bestaat er tegelijkertijd bij de verschillende spelers c.q. organisaties nog een enorme angst voor het loslaten.

Te veel van alles
Hoe gaat het nu: we zoeken oplossingen vanuit ons eigen instituut. In plaats van uit te gaan van wat mensen zelf nodig hebben. Ik noem dat wel “het gewone leven”: mensen willen een geregeld leven, met werk, een gezin, een prettig huis. Maar onze samenleving zit zo in elkaar dat zelfs dat lastig te realiseren is. Dit is een klein land, en er is genoeg kwaliteit, maar er zijn te veel instituten. Hierdoor is de zorg voor jeugd en gezin compleet overgeorganiseerd. In de huidige tijd gaat teveel tijd verloren met allerlei overleg over samenwerking en met allerlei (deel-)projecten. En ja, er is ook te veel beleid. Er is veel te veel van alles. Het is allemaal kluitjesvoetbal in de oase, met daaromheen grote woestijnen.

Om los te komen van het kluitjesvoetbal, moeten wij het oude systeem en de overmaat aan aparte organisaties loslaten. Loslaten betekent niet dat betrokken organisaties zich moeten terugtrekken op hun kerntaak; wat die ook moge wezen. We moeten kijken hoe we deze kerntaken zo kunnen dóórontwikkelen dat we echt het verschil kunnen maken voor kwetsbare mensen. We moeten vraag en aanbod weer bij elkaar brengen. Professionals zijn daarbij nodig, maar allerlei afzonderlijke organisaties met hun eigen aansturing niet. Het kan dan ook helemaal geen kwaad om weer eens even ‘back to basics’ te gaan.

Kloof dichten
Ik signaleerde in dit verband al vaker een gebrek aan ambachtelijkheid: de kloof die zich bevindt tussen de beleidsmakers aan de ene kant en de mensen in de wijken die dat beleid moeten uitvoeren. Om die kloof te dichten is inderdaad een complete systeemvernieuwing noodzakelijk. Dat is lastig te realiseren; en het kost tijd. Maar dat laat de opdracht onverlet: we moeten toe naar systemen die zelfontwikkelde oplossingen creëren. Met de huidige systemen en daaraan verbonden organisaties, die juist van bovenaf van alles opleggen, lukt dat niet.

De individuele professional weet prima waar behoefte aan is en kan ook prima de verbinding leggen naar andere partijen. Omdat hij of zij denkt vanuit de specifieke context en de specifieke vraag van het huishouden waar hij bij betrokken is. Daar kun je geen generieke oplossingen vanuit de organisatie voor bedenken.

Spelers reduceren
Ik pleit er dan ook voor dat we de transformatie van de zorg voor jeugd gebruiken om het aantal spelers aanmerkelijk te reduceren. Samenwerkende professionals moeten zich laten leiden door de mogelijke kansen. Met een open oog voor het specifieke probleem dat zich voordoet. We moeten van aanbodsturing via vraagsturing naar resultaat- en kanssturing. Dit vraagt om het oppakken van regie op de primaire functies in de buurt. Als we problemen willen oplossen, moeten wij daarbij aansluiten.

Organiseer de zorg voor jeugd daarom bijvoorbeeld rond de school; een kans nu de jeugdzorg wordt gedecentraliseerd naar de gemeentes. Hiermee raken we aan het thema van het aanvoerderschap: het gaat nu om burgerkracht. Van professionals en instellingen wordt een ondersteunende rol verwacht. Professionals moeten vertrekken als ze niet meer nodig zijn.

Gebiedsgericht werken
Kluitjesvoetbal tussen overheden en partners blijkt een steeds terugkerend probleem. Door de jongere en zijn gezin centraal te stellen wordt geprobeerd stappen te zetten in een beter functionerend systeem van zorg rondom de jeugd. Maar, ik herhaal het nog maar eens: de zorg voor jeugd kent een complexe bestuurlijke en organisatorische context met (te) veel organisaties. Er worden inmiddels inspanningen verricht om de zorg te bundelen, zodat deze op een optimale manier kan worden aangeboden. De uitvoering van de zorg voor jeugd gaat daarbij steeds nadrukkelijker in de richting van gebiedsgericht werken. Daarbij is voor de uiteindelijke kwaliteit daarvan de taak- en rolopvatting van de praktijkprofessional van groot belang.

Gebiedsgericht werken kenmerkt zich met frontlijnlogica, waarbij er uitgegaan wordt van het werk zelf, op de publieke werkvloer. Het gaat daarbij om het primaire proces in de relatie tussen burger en praktijkprofessional. Van daaruit wordt gedacht, gehandeld, georganiseerd en gestuurd. Het komt er bij de transformatie van de zorg voor jeugd op aan in steeds wisselende verbindingen te zoeken naar samenwerkingsverbanden, coalities en allianties die dat proces verder brengen. Dat is bovendien nodig omdat de verschillende partijen vaak niet in staat zijn alle relevante aspecten van het vraagstuk te overzien. Samenwerking is daarbij geen afdoende aanpak. In de praktijk blijkt dat dit moeizaam kan verlopen. Wanneer belangen niet per definitie in lijn liggen met elkaar, verantwoordelijkheden uiteenlopen, informatie verspreid is over meerdere partijen, rationaliteit en opvattingen over de urgentie van problemen verschillen en de ideeën over waar het heen moet voortdurend verschuiven tussen en binnen partijen, is samenwerking buitengewoon lastig tot stand te brengen en vol te houden.

Einde aan kluitjesvoetbal
In het kader van het nieuwe jeugdbeleid worden bestuurlijke en financiële verantwoordelijkheden voor een groot aantal voorzieningen overgeheveld naar de gemeente: de jeugd-ggz, de provinciale jeugdzorg, de gesloten jeugdzorg, de jeugdreclassering en de zorg voor licht verstandelijk gehandicapte jeugd. Ik verwacht dat als gevolg van nieuwe opvattingen, het gebiedsgericht werken en de daarbij aan de burgers toebedachte rol het speelveld voor organisaties (gelukkig) razendsnel zal veranderen. Hierdoor ontstaat druk op de verschillende uitvoerders. Het wordt voor hen in toenemende mate te ingewikkeld om te bewegen en te manoeuvreren in de kluitjescontext. Gebiedsgebonden teams, territoriale in plaats van organisatie-gebonden eenheden vormen de basis voor interventies, projectmatig werken en toezicht op de zorg voor jeugd. Zij zullen een eind maken aan het kluitjesvoetbal en de zorg dichterbij de burger organiseren en beter toegankelijk maken.

Eerdere bijdragen:
* Word een autonome manager
* Ga nou eens gewoon zelf opvoeden
* De teerling is geworpen, er is geen weg terug

Over de auteur:
Dit Podiumartikel is geschreven door Peter Paul Doodkorte, toentertijd partner van BMC.