de gevoelige snaar

onzichtbaar maar intens
zijn de vibraties
de tintelende trillingen
die het zijn laten voelen

diep door in het hart
dringt de ontroering

diep door in het hoofd
wortelt de vertedering

verder dan het oog kijkt
horizont zich de verwondering

luider dan het oor hoort
laat zich de verbazing horen

diep in lijf en leden
gloeit de opwinding
de indringende stilte
besprenkelt de ziel
met het heet van de hartstocht
of het ijs van de verkilling

de schreeuw van de gevoelige snaar
geraakt door de ander
giert door het lichaam
gehoord en ongehoord
bespeelt wie geraakt wil worden
en gaat in diepgang en betekenis
de verbeeldingskracht van het woord voorbij

Advertenties

Luister ’s naar me

De Week van de Opvoeding 2012 (1-7 oktober) draaide om ontmoeting en uitwisseling tussen ouders, medeopvoeders, kinderen en jongeren. Daarbij stond een positieve benadering voorop. Het thema van de Week van de Opvoeding 2012 was ‘Luister ’s naar me!’.

Iedereen kon meedoen aan de Week van de Opvoeding: ouders, kinderen of jongeren. Maar ook professionals of vrijwilligers, werkzaam op scholen, in de kinderopvang, bij peuterspeelzalen, Centra voor Jeugd en Gezin, bibliotheken, sport-, cultuur- of welzijnsverenigingen, buurthuizen, speeltuinen, jeugdzorginstellingen, gemeenten, enzovoort.

In het kader van de Week van de Opvoeding 2012 was er voor alle ouders en opvoeders, kinderen én professionals in Nederland het opvoedweekgeschenk: het boek ‘Luister ’s naar me’. Tijdens een van de activiteiten tijdens de week van de opvoeding kreeg ook ik dit boekje in handen. Het bevat veel inspirerende en direct in de opvoedpraktijk te hanteren voorbeelden. Nadat je dit makkelijk geschreven boekje uit hebt, heb je niet alleen een beter inzicht in het gedrag van je kind, maar worden je ook meteen een hoop antwoorden op vragen over de opvoeding als vanzelf duidelijk2.

Het opvoedgeschenk 2012 is altijd handig om bij de hand te hebben. En dan, dan blijkt er toch een raar addertje in het opvoedgras te liggen. Op pagina 4 van dat gratis uitgegeven boekje staat namelijk het volgende te lezen:

“Alle rechten voorbehouden. Het Opvoedweekgeschenk is speciaal door Hollandsch-Welvaren ontwikkeld in het kader van de Week van de Opvoeding 2012. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën , opnamen of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Hollandsch-Welvaren.”

Ik heb het die middag een paar keer nagelezen om te zien of ik het echt goed gelezen had. En voor de zekerheid heb ik de exacte tekst hierboven nog maar eens op papier gezet. Het staat er echt: “Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, ….of openbaar gemaakt …. zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Hollandsch-Welvaren.”

Ik heb de deelnemers aan de betreffende activiteit het boekje nadrukkelijk aangeprezen. Ze ook gewezen op het copyright. En hen daarbij uitgenodigd en aangemoedigd alles te doen wat in het boekje staat. Maar ik heb hen ook uitgenodigd zich niets aan te trekken van het in het boekje geformuleerde copyright. Want juist in deze uitgave zou het gangbare, maar beschermende, copyright vervangen moeten zijn voor het ‘right to copy’. Deze standaard – met bijbehorend symbool – speciaal door Alares ontworpen – houdt in dat het boek dan wel de inhoud vrij mag worden verspreid, gekopieerd, ge-download en verwerkt in online-mashups. Zo kan de inhoud worden aangevuld en verbeterd en blijft het actueel. Niet in de laatste plaats omdat het boekje – hoe goed en inspirerend ook geschreven – in feite gebruik maakt van door de eeuwen heen gegroeide en gepraktiseerde opvoedprincipes. Opvoedprincipes die veruit de meeste gezinnen dan wel opvoeders gebruiken zonder zich hiervan bewust te zijn. En dat dan weer, omdat de opvoeding (gelukkig) in veruit de meeste gevallen ‘vanzelf’ goed gaat. Dat doet vervolgens weer niets af aan de toevoegende waarde van het boekje voor gezinnen en professionele opvoedingsmilieus waar sprake is van situaties waarin deze vanzelfsprekendheden niet zo vanzelfsprekend meer zijn.

Het ‘vermarkten’ van kennis over opvoeden is een ontwikkeling waarover ik mij al langer verbaas. Veel van de hedendaagse opvoedmethoden zijn met gemeenschapsmiddelen tot stand gebracht, en dienen derhalve dus zonder kosten ter beschikking te staan van en voor iedereen die ervan gebruik wil maken. Zo is het eigenlijk raar dat wij voor een besluitvormingsmodel als de Eigen Kracht-conferenties bedragen tussen € 1.900,- (conferenties bij leervragen) en € 4.500,- (conferenties voor een groep, wijk of buurt) moeten betalen. Terwijl dit besluitvormingsmodel – inclusief de daaraan ten grondslag liggende attitude – eigenlijk tot de standaard vaardigheden van elke dienst- of hulpverlener zou moeten behoren.

Eenzelfde kanttekening valt te maken bij Triple P. Een methode die binnen de hulpverlening ook zijn opmars maakt. Deze vanuit Australië afkomstige methode staat voor: Promoting Positive Parenting en reikt ouders verschillende handvatten aan voor de dagelijkse opvoeding. Ouders leren hoe zij gewenst gedrag bij hun kind kunnen stimuleren en ongewenst gedrag kunnen reguleren.
De inhoud van de methode is interessant, bruikbaar en sterk. Het is echter zonde om daarvoor een dure en intensieve training te volgen als men zich de uitgangspunten, basisprincipes en het begrip zelfregulatie ook op een andere manier eigen kan maken.

Het eveneens uit Australië afkomstige “Families by Families” is in feite niets anders dan varianten op wat wij in Nederland ‘maatjes-projecten’ of noaberschap (nabuurschap) noemen. In het verlengde van het gedachtegoed van “eigen kracht”, worden daarbij pedagogisch sterke families of personen als vrijwilligers gekoppeld aan families die te kampen hebben met problemen. Zij komen regelmatig bij elkaar over de vloer, gaan op gezamenlijke trips, eten zo nu en dan samen en fungeren als rolmodel en coach. Maar het moet toch niet nodig zijn om in Australië een licentie te moeten kopen om in Nederland “Families helpen Families”. Ook zonder een dergelijke (kostbare) licentie zullen er in gemeenten veel gezinnen te vinden zijn die van harte bereid zijn om bij te springen bij of me te lopen met een gezin dat tijdelijk in de knel zit.

Mijn pleidooi is dan ook: stop het vermarkten van allerlei generieke opvoedprincipes. Durf te erkennen dat het feitelijk en veelal gaat om het weer expliciet maken van dat wat in de achterliggende jaren wellicht is vervaagd of weggezakt.

Alle zogenaamd ‘evidenced based opvoedmethoden’ kennen per saldo dezelfde basisprincipes: rust, reinheid, regelmaat, in combinatie met veiligheid, aandacht en het recht op meedoen. Vanwege dit generieke karakter ben ik dan ook van mening dat ‘Luister ’s naar me’ en opvoeden- of besluitvormingsmethoden zoals de hiervoor aangehaalde altijd – en in ieder geval sneller dan tot nu toe gebruikelijk – voorzien moeten zijn van de tekst: Alles (uit deze uitgave) mag – in elke vorm en op elke wijze – worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van wie of wat dan ook.

1 Alles uit deze tekst mag – in elke vorm en op elke wijze – worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van wie of wat dan ook.

2In het boek “Luister ’s naar me” neemt ontwikkelingspsycholoog en gezinstherapeut Steven Pont de lezer mee in een boeiend gedachtenexperiment. Via een handige constructie maakt hij van de lezer weer eventjes een kind. De afhankelijkheid die je dan meteen weer voelt! De behoefte die je hebt dat dingen je goed worden uitgelegd! De wens je gehoord en gezien te voelen! En vooral ook er voor anderen echt toe te doen!

Later, Als je groot bent

Je herinnert het je natuurlijk nog van toen je een kleine jongen of een klein meisje was. Dat je vader of je moeder tegen je zei, ‘wacht maar tot later, als je groot bent’. Daar kwam natuurlijk altijd iets achter, iets dat je nu nog niet mocht of nog niet kon. Zelf alleen naar school lopen of nog veel later zelf autorijden. Het woord ‘later’ werd je met de paplepel ingegoten. Later is nooit nu, het is altijd de horizon, het perspectief, de hoop of de angst.

De toekomst voor de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de zorg voor jeugd begint niet over vele jaren. Die toekomst is dichterbij dan je denkt. Zij is eigenlijk al begonnen. Dat dachten alle gemeentebesturen in ons land tenminste. Totdat het regeerakkoord Rutte II kwam. Daarin staat te lezen dat alleen de circa 25 grootste gemeenten verantwoordelijk worden voor taken die van Rijk of provincies naar het lokale bestuur worden verschoven. Onduidelijk is of dit alleen geldt voor toekomstige decentralisaties, of dat ook Wet werken naar Vermogen, de decentralisatie jeugdzorg en de AWBZ/WMO veranderingen hieronder vallen. In dat geval hebben 380 gemeenten zich de afgelopen jaren voor niks voorbereid op de komst van die taken. Want gemiddeld kent een gemeente in Nederland momenteel 40.000 inwoners. En 95% van alle gemeenten heeft nu minder dan 100.000 inwoners, wat volgens het regeerakkoord te klein is om de nieuwe taken aan te kunnen.

Het regeerakkoord Rutte II laat zo opnieuw zien dat de ingesleten routines van het paradigma van de verzorgingsstaat, met zijn nadruk op centraal ingrijpen, grootschaligheid, uniformiteit en gelijkheid dominant zijn in het politieke debat. En juist dat paradigma past niet bij de veranderende maatschappelijke verhoudingen. Bovendien spreekt de rijksoverheid met gespleten tong.

Sinds de economische crisis staat grootschaligheid in de publieke perceptie gelijk aan onbeheersbaarheid, grootheidswaan en zelfverrijking. De pleitbezorgers van opschaling van overheidsorganisatie spuien ongemeen felle kritiek op instellingen die door hun expansiedrift in het ongerede zijn geraakt. Meavita, Philadelphia, Zonnehuizen en Vestia worden met graagte aangevoerd als een duidelijk bewijs voor het failliet van het grootschaligheidsdenken.

Is grootschaligheid dan een probleem? Wel als de nadelen groter zijn dan de voordelen. Bij het gevoel van binding, bescherming en thuiskomen maakt maatvoering het verschil. Menselijkheid vraagt kleinschaligheid.

Ik constateer daarom met lede ogen dat de rijksoverheid grootschaligheid lijkt te prefereren boven kleinschalige oplossingen. Kleinschalige oplossingen dragen bij aan een betere positie van de burgers. Het debat over de decentralisaties – feitelijk: transformaties – dreigt nu inderdaad weer een debat over systemen te worden. Waarbij vooral het denken in termen van beheer onevenredig teveel aandacht krijgt. Dit druist in tegen alles wat we met de transformaties willen: meer inzet en betrokkenheid van de mensen zelf. Wie dat wil, moet een structuur bouwen die de kans daarop zo groot mogelijk maakt. Die structuur bouw je niet door schaalvergroting, maar door schaalverkleining.

Groot- en kleinschaligheid hoeven elkaar volgens overigens niet uit te sluiten. Als grootschalige organisaties maar in staat zijn kleinschalig en op maat uit te leveren. Oftewel: de organisatie mag systeemgedreven zijn, als de uitvoering maar contextgedreven is en kan zijn. De kwaliteit van het primaire proces in de zorg voor jeugd en gezin – en voor mensen in het algemeen –draait om datgene wat er tussen mensen gebeurt. Daar moet je de ondersteuning en het systeem op inrichten, niet andersom.

Mijn argwaan jegens grootschaligheid heeft te maken met de daaraan verbonden verleiding tot groot, groter en grootst. Bovendien, zo toont onderzoek van het Centrum voor de economie van de lagere overheid (Coelo) van de Rijksuniversiteit Groningen aan, zijn grotere gemeenten prijziger dan kleinere zelfstandige gemeenten. Voor dit onderzoek – dat liep van 2001 tot 2012 – is gekeken naar de herindelingen van afgelopen tien jaar. Zonder uitzondering maakten de grotere gemeenten meer kosten. En tegelijkertijd is er de relativerende wetenschap dat geen enkel (wetenschappelijk) onderzoek een direct verband tussen schaalgrootte en de kwaliteit van de (financiële) prestaties aantoont. Net zo goed als dat ik uit ervaring weet dat als je klein bent, je bepaalde ambities niet of minder gemakkelijk kunt verwezenlijken.

Naar mijn idee echter moet bij de met de decentralisaties te bereiken transformatie het accent daar liggen waar het hoort; bij de burger en zijn woon- en leefomgeving. Zij zijn de drijvende krachten bij het eigen kracht denken dat diezelfde overheid zo nadrukkelijk predikt. Daarbij hoort de vraag wat de kleinst mogelijke eenheid is om het zonder hulpstructuren te kunnen. Het antwoord op die vraag zal leren dat er meer toevoegende structuren nodig zijn naarmate de omgeving groter en anoniemer wordt.

Het plan van Rutte II, gericht op het realiseren van grotere gemeenten is daarom arrogant ondoordacht. Als je wilt dat mensen uit gaan van hun eigen kracht, zich betrokken voelen bij hun buurt, hun stad, hun land, dan moet je die op een menselijke schaal vormgeven. Besturen zijn er immers voor mensen, en niet andersom. Wat we nodig hebben is méér decentralisatie, méér verantwoordelijkheid en beslissingsmacht voor burgers, en dus plattere organisaties. Wie pleit voor schaalvergroting, pleit voor een organisatie die niet zo vlak mogelijk is, maar juist piramidaal. Hoe groter de schaal, hoe verder de top van de piramide afstaat van de basis. Hoe groter de schaal, hoe meer tussenlagen, hoe meer bureaucratie, hoe meer vervreemding. Voor wie is dat nuttig?

De opstellers van het Divosa-rapport ‘De mythe van de schaal’ hielden deze reflex terecht tegen het licht. De veronderstelling dat de toenemende complexiteit van de regelgeving en de steeds stijgende prestatiedruk organisatorische schaalvergroting noodzakelijk maken is empirisch niet te onderbouwen. Organisaties kunnen daarom beter op zoek gaan naar hun natuurlijke schaal. Een vindplaatsbenadering, waarbij de omvang van een bestuurlijk construct niet wordt bepaald door bestuurlijke afwegingen, zoals bedrijfsvoering en beheersbaarheid, maar door het gedrag van de mensen waarmee en waarvoor gewerkt wordt. Die inzet van gemeenten mag Rutte II niet verstoren. Zij moet daarvoor ruimte creëren. Net zoals ik de ruimte kreeg en krijg om mijn dromen van ‘vroeger, toen ik klein was’ waar te maken.

Hallo wereld!

Peter Paul J. Doodkorte is getrouwd met Adri Doodkorte-Oosterom, (pleeg)vader van Michael, Patrick en Jitske en opa van Danny, Noa, Joshua, Julian en Benthe.

Zijn persoonlijkheid wordt gekenmerkt door authenticiteit, een grote werklust, gedrevenheid en passie. Hij kan luisterend en beschouwend zijn, maar ook doortastend en besluitvaardig. Hij kan mensen enthousiasmeren en inspireren en zo mensen in/en hun organisaties uitdagen en prikkelen om zich verder te ontwikkelen.

Met zijn verhaal, anekdotes en ervaringen op tal van maatschappelijke en economische werkterreinen inspireert hij zijn publiek en zet hij hen op een nieuw denkspoor. Hij kan anderen motiveren het beste uit zichzelf te halen en hun talenten te ontwikkelen. Mede daarom is hij een veelgevraagd spreker bij en dagvoorzitter van symposia en congressen en een begenadigd schrijver.

Peter Paul J. Doodkorte is als Partner verbonden aan Vondel & Nassau, een organisatieadviesbureau dat overheden en organisaties helpt de strategische doelen scherp te krijgen en deze daadwerkelijk te realiseren. Werkend vanuit maatschappelijke betrokkenheid pakken ze organisatie- en samenlevingsvraagstukken pragmatisch aan: ze schrijven geen dikke rapporten, maar komen met een gedegen advies en een resultaatgerichte aanpak. Centrale waarden in het werk zijn open communicatie, participatie en medezeggenschap. De zorg voor mensen is zijn passie en expertisegebied.