De homo en de dingen waar het verlangen naar uit gaat

• Waar stokpaardjes en mensbeelden langs elkaar heenlopen en heen leven, is verscheidenheid slechts een brok ellende en frustratie

Bent u oeconomicus, ludens of faber? U weet het niet? Laat ik u dan helpen:
• de homo oeconomicus (quasi-Latijn voor “economische mens”) staat voor een mensbeeld waarbij de mens eerst en vooral een economisch wezen is, gericht op de efficiënte, rationele of logische wijze van bevrediging van zijn behoeften;
• de homo faber (Latijn voor”werkende mens”) staat voor een mensbeeld waarbij mensen wezens zijn met een aangeboren drang tot arbeid en creativiteit. Een aangeboren drang om werktuigen en techniek te ontwikkelen, gericht op het naar hun hand zetten van de eigen leefomgeving.
• de homo ludens (Latijn voor “spelende mens”) staat voor een mensbeeld waarin de mens eerst en vooral een spelend wezen is. In de jaren 1960 werd het concept homo ludens nieuw leven ingeblazen door de provobeweging en kabouters.

Weet u het nu? Of u oeconomicus, ludens of faber bent?

Ik heb zelf de nodige moeite met dit ‘hokjesdenken’. Het mist de nuance en heeft –vrijwel altijd een negatieve lading. En ook daar verzet ik mij tegen. Dit ‘hokjesdenken’ verzwakt volgens mij de samenleving. Omdat wij mensen in een bepaalde categorie vervolgens ook dezelfde eigenschappen toekennen. En zo – systematisch – alle waarden en normen, alle sociale verbanden, samenhang en het vermogen tot co-creatie uithollen. Immers, waar gelijkheid heerst, hechten mensen steeds minder belang aan onder- en verscheidenheid. Terwijl juist onder- en verscheidenheid de menselijke motor zijn, creëren en stimuleren wij kuddegedrag.

Tocqueville (Frans aristocraat, politiek filosoof en socioloog, historicus en staatsman – Verneuil-sur-Seine, 29 juli 1805 – Cannes, 16 april 1859) schreef eens: “De overheid zal de samenleving in een net spannen van ingewikkelde, gedetailleerde en eenvormige verordeningen waardoor zelfs de meest originele en wilskrachtige geesten zullen worden gelijkgeschakeld. Men zal mensen tot niets dwingen, maar men zal zoveel belemmeringen aan de persoonlijke activiteiten opleggen, dat uiteindelijk elk initiatief uitdooft. Zonder op enigerlei wijze tiranniek te moeten optreden, worden mensen monddood en willoos gemaakt. De natie zal een kudde angstige en vlijtige schapen worden, met de overheid als zorgzame herder.”
— uit “Over de democratie in Amerika”

Wij, de samenleving, reageren hierop. Met een beweging die wij duiden met verschillende benamingen: vermaatschappelijking, zelfredzaamheid, eigen kracht, vitale samenleving, participatiemaatschappij, doe-democratie, etc.

Hoewel dat precies de beweging is die de overheid wil, blijft zij – als de zorgzame herder – last houden van de gelijkheidsreflex: in gelijke gevallen moeten wij ook gelijk handelen. Om dat mogelijk te maken, moeten wij categoriseren. Vanwege het politiek en bestuurlijk ongemak bij variëteit en verschil. En dus dreigt de valkuil van de beheersreflex.

De gelijksheidsreflex staat, net als de beheersreflex, haaks op de basisidee van de beoogde maatschappelijke beweging: het ontginnen en exploreren van de inspiratie van mensen: het verlangen en de ambitie. En de daaruit voortvloeiende eigen kracht.

Inspiratie
Nelson Mandela had in zijn inauguratierede voor het presidentschap van Zuid-Afrika in 1994 een aantal prachtige boodschappen:

We zeggen tegen onszelf: wie ben ik om briljant, leuk, getalenteerd en geweldig te zijn?
Maar in werkelijkheid kun je je afvragen waarom je dat niet zou zijn.

Je helpt de wereld niet door je kleiner voor te doen dan je bent.
Het is onze natuur om te stralen, zoals kinderen stralen.

De innerlijke kracht is niet alleen in sommigen van ons, maar in iedereen.
En wanneer we ons licht laten stralen, nodigen we anderen vanzelf uit hetzelfde te doen.


Aansluiten op de eigen kracht van mensen betekent dat er verschil gaat – en mag/moet – ontstaan. Als wij dat niet willen aanvaarden, is de hervorming van ons sociale stelsel een dode letter. Het betekent dat wij – overheid en inwoners – de gelijkheidsreflex moeten durven weerstaan. Hoe lastig dat ook is.

Hierbij hoort ook dat wij het maatschappelijk initiatief omhelzen en aanvaarden als het uitgangspunt van de eigen kracht. En niet als sluitstuk. Of, zoals José Manshanden (lid van de Raad Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) en themadirecteur Sociaal/lid Directieraad Gemeente Utrecht) het onlangs verwoorde: “Eigen verantwoordelijkheid eerst; dan publieke bijdrage en niet andersom” (9 november 2013, netwerkbijeenkomst „Durft u het aan?” te Groningen).

Een eerste stap in de goede richting is loslaten! Op alle overheidsniveaus! Want terwijl de rijksoverheid – met vallen en opstaan – probeert zich aan de rol van ‘zorgzame herder’ te ontworstelen, dreigen gemeenten die rol juist weer naar zich toe te trekken. Immers, het stimuleren van het zelforganiserend vermogen van de samenleving vraagt juist om een houding van ‘op je handen haar gaan zitten’ en ‘mogelijk maken’ (zie ook: Ban de roltrap – Peter Paul Doodkorte) in plaats van ‘de handjes laten wapperen’.

De mens is een complex wezen, met veel meer kanten dan de wetenschap hem als oeconomicus, ludens of faber toeschrijft. Wat ons als mensen verbindt is dat ieder van ons dromen, verlangens en ambities heeft. Ze zijn groot of klein, privé of professioneel. Ieder van ons heeft die onderstroom van verlangen. Zij inspireert, geeft energie en geeft diepte aan ons leven. En iedereen weet ook, hoe lastig het is of zijn kan, ze waar te maken. Door persoonlijke beperkingen dan wel belemmeringen. Door praktische bezwaren, etc. Daarin ligt ook de uitdaging voor eenieder van ons: het (her-)ontdekken en ontginnen van onze verlangens en ambities. Door ruimte voor het verlangen. En de verzilvering daarvan. Omdat het ons leven mooier, leuker, rijker, spannender en diepgaander kan maken. Dat kan…als wij mensen in en met hun passie laten werken. Het is die kracht van het individu die wij moeten aanspreken.

Samenvattend
Elk succes begint met een verlangen. Dat verlangen, die bezieling, is wat mensen succesvol maakt. Een succesvolle samenleving creëren wij als wij het verlangen en de bezieling van mensen met elkaar weten te verbinden. Vertrouwen, binding, creatiedrang en mogelijk maken zijn daarbij de belangrijke elementen.

Advertenties

Ban de roltrap

Durf eens een flutoverheid te zijn

De verhouding tussen overheid, inwoners, instellingen en bedrijven verandert. Er wordt een groter beroep gedaan op eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid van mensen. Wat betekent dat voor de rol van de overheid zelf? En voor maatschappelijke organisaties, welzijns- en andere zorgorganisaties?

Duidelijk is, dat de omvorming van ons sociale stelsel pleit voor een verandering die voor niemand zonder gevolgen blijft. Er moeten nieuwe waarden komen, een nieuwe moraal, nieuwe omgangsvormen. En er zijn nieuwe antwoorden nodig.

De beoogde beweging vraagt ook om het directer aansluiten bij de mogelijkheden van de mensen zelf. Scherper koersen op energieke en creatieve initiatieven en deze faciliteren. Daarbij speelt de kunst van de verleiding een grote rol. Niet zo zeer de (gecreëerde) mentale gesteldheid van onze inwoners als wel het functioneren van de institutionele wereld is daarbij de uitdaging. De traditionele dienstverleningsinstelling van hulpverleners en overheden is meer dan voorkomend. Een schitterende verbeelding van dat wat ik bedoel, is te zien in het filmpje “roltrap of trap”: http://www.youtube.com/watch?v=IeAJJDRn_H0

piano
Voor elk vraagstuk of probleem bedenken wij – genereus en minutieus – een geïnstitutionaliseerde oplossing. Daartoe gestimuleerd dan wel uitgedaagd door een andere – goedbedoelde, maar pervers uitwerkende – stelregel: laagdrempeligheid. Begrijpt u mij goed: ik heb niets tegen het ‘nabij’ en ‘vertrouwd’ organiseren van ondersteuning dan wel voorzieningen. Anders wordt dat, wanneer die laagdrempeligheid elke vorm van eigen initiatief onnodig maakt of doodslaat. Als laagdrempeligheid verwordt tot een obstakel voor de eigen kracht van mensen. Of, zoals Jos van der Lans dat eens verwoordde: “Alles in Nederland wordt op de een of andere manier vanuit beleid, politiek en overheid onder controle gebracht en gehouden. Elk risico moet worden uitgesloten of vermeden. Bij elk vraagstuk of probleem staan er professionals op om de oplossingen te realiseren en te begeleiden.”

De daadwerkelijke omvorming van het sociale domein bewerkstelligen wij niet door het eigen initiatief van de inwoners verplicht te stellen. Mantelzorg of tegenprestaties te gaan formaliseren. De omvorming begint met een ‘andere’ overheid. Een overheid die – hoe goed bedoeld ook – dingen niet meer regelt. Een overheid dus die daadwerkelijk loslaat.

Loslaten dus; maar niet in de betekenis van ‘laten vallen’. Met ‘loslaten’ bedoel ik: het creëren van ruimte voor eigen initiatief, voor zelforganisatie en eigen verantwoordelijkheid. En het wegnemen van georganiseerde obstakels die juist dat in de weg staan.

‘Loslaten’, zo leert de praktijk van decentralisatie, transitie en transformatie, is in beleidsvoornemens wel makkelijk gezegd en geschreven, maar niet zo makkelijk gedaan. Zelf kom ik het regelmatig tegen. En bezondig ik mij er zelf aan. Ik wil iets heel graag of wil dat dingen sneller gaan dan ze gaan en wordt dan ongeduldig en gefrustreerd. Ga het regelen.

Elke vader of moeder weet dat opvoeden vanaf dag 1 – de dag van de geboorte – een proces van loslaten is. De eerste stapjes zijn nog magisch: “Kijk eens, wat hij/zij al kan…”. Daarna wordt het voor veel ouders al snel een lastig af te leggen parcours. Met angst als katalysator: “Kan mijn kind dat zelf wel?” en “Als dat maar goed gaat” of “Daar ben je nog te jong voor”.

Enig idee waarom de meeste kinderen zo snel leren lopen? Omdat we ze bij ieder stapje stevig aanmoedigen. Dat principe, Daar gaat het om. Het zelfvertrouwen laten groeien, door los te laten, wat je los kunt laten; onder veilige condities. En om aanmoediging vanaf de zijlijn. Succes is dan verzekerd.

Gun als overheid – zoals ouders hun kinderen – inwoners (weer) leerervaringen. Stimuleer eigen initiatief, zeg niet meteen: “Dat kan (nog) niet” of “Dat lukt nooit”. Er zijn talloze situaties waarin kleine en grote nieuwe ervaringen opgedaan kunnen worden. Vraag niet te veel “moeten”. Spreek mensen aan op dat wat zij al lang kunnen. En ja, dat betekent ook: het voorbeeld zijn. Maak fouten, laat zien hoe je ze weer hersteld. Laat zien dat dingen spannend kunnen zijn. Laat zien hoe je daar ook zelf onzeker over kunt zijn. En versta de kunst van loslaten en verleiden. Het mooiste van de verleiding is eraan toegeven. En daarmee hoeven we niet te wachten. We kunnen vandaag al beginnen.

De eerste stap? Niet in de organisatiereflex schieten. Leg de lat niet te hoog. Wil niet alles perfect doen. Trek niet alle verantwoordelijkheid naar je toe. Dat helpt je om los te laten en te relativeren. Wees een goed genoeg overheid! De overtuiging “Als ik het niet doe, doet niemand het.” Is improductief. Het is natuurlijk helemaal niet zo, dat alles in het honderd loopt als jij je als overheid ergens minder druk over maakt. Kijk een naar de bruisende kracht die ontstaat als je iets niet meer doet. Geniet van de sociale energie die dat losmaakt En applaudisseer daarvoor. Als die trotse vader of moeder bij de eerste stapjes van hun kind.

Samenvattend
De gewenste veranderende verhouding tussen overheid, inwoners, instellingen en bedrijven bereiken wij niet door te ontzorgen; door over te nemen. Het vraagt om een vernuftige en creatieve kunst van verleiding en stimulering. Het exploreren van de eigen kracht van mensen vraagt om het herkennen en stimuleren van hun eigen mogelijkheden en talenten. Een ‘mogelijk makende’ overheid levert daarbij – als terreinknecht in plaats van als ‘regisseur’ – de essentie: de toevoegende waarde. De vraag die wij daarom bij de omvorming van het sociaal domein moeten beantwoorden is niet (primair): wat moeten de mensen zelf doen, maar waar willen (en soms: moeten) wij van toevoegende waarde zijn.

Te ver gaan is misschien wel onhandiger dan tekort schieten

• De uitzondering regeert
Stel: je hebt tien gebeurtenissen. Negen daarvan volgen een bepaalde wetmatigheid. De tiende niet. Dat is de uitzondering. Wij zouden het geen uitzondering noemen, als er geen regel was waaraan de negen andere gebeurtenissen gebonden waren.

Is de of een uitzondering een probleem? Wat mij betreft niet. Totdat de uitzondering tot de norm voor ons doen en laten wordt gemaakt. Dan gaat het goede onder het slechte leiden. Of wordt het ongewone gewoon.

Een aantal jaren terug werd ik door een vriend uitgenodigd voor een voetbalwedstrijd. PSV-Ajax. Onderweg naar de wedstrijd was mijn verwachtingspatroon hoog. Ik verheugde mij op een leuke wedstrijd. Mijn humeur veranderde echter op slag, nadat ik mijn auto geparkeerd had. De route naar het stadion was – aan beide zijden – afgezet met reusachtige containers. Hoewel ik een nietsvermoedend bezoeker was werd ik, samen met anderen als vee naar binnen gedreven. Het was toen dat ik mij realiseerde dat de uitzondering – de kwaadwillende hooligan – regeert. Het effect? Ik voelde mij verschrikkelijk onheus behandeld. Voelde de wijze waarop met mij werd omgesprongen als een flagrante schending van mijn redelijkheid. Een toenemende neiging om ‘mijn beste vriend’ (want, zo leerde ik, dat is de politie toch?) aan te vliegen, borrelde in mij op. En precies dat gedrag te vertonen dat nu juist niet gewenst was.

De uitzondering regeert. Die werkelijkheid is onthutsend en tenenkrommend. Uitzonderingen willen wij ‘fixen’, regelen. In elk gesprek dat ik over de gewenste (door)ontwikkeling van ons zorgstelsel voer, is er altijd wel iemand die de uitzondering aanvoert als reden voor verregaande regelgeving. De uitzondering wordt daarbij gebruikt als bevestiging van het bewijs dat de regel fout is.

Regels zijn er niet voor niets: ze bieden houvast. Wanneer wij echter uitzonderingen tot de standaard van ons denken en doen maken, heeft dit twee perverse effecten. Het gewone, wetmatige wordt – juist door overregulering – onbestuurbaar. Dit leidt tot frustraties. Omdat de regelgeving als onzinnig en bureaucratisch wordt ervaren. Maar ook de uitzondering leidt hieronder. Het is plotseling geen uitzondering meer, maar regel. En juist de uitzondering veelt eigenlijk de regel niet. De uitzondering vraagt maatwerk.

Helaas wordt dat vaak slecht begrepen. Incidenten (uitzonderingen op de regel) zijn generatoren voor regelgeving. Terwijl het juist een incident of uitzondering is, omdat het een niet voorziene of – meer dan gebruikelijk – een complexe gebeurtenis is.

Ik beweer niet dat de uitzondering de regel bevestigt. Als er namelijk een regel is, dan geldt die in elk geval minstens meestal, anders is het geen regel. De uitzondering is dan de situatie die niet aan de regelvereisten voldoet. Het is omdat er sprake is van een uitzondering, dat er ook een regel moet zijn. Een regel die in specifieke situatie dus niet van toepassing kan zijn. Anders gezegd: zonder algemene regel bestaat er geen uitzondering. Het is dus niet zozeer de aard of inhoud van de uitzondering, maar wel het bestaan ervan dat de regel bevestigd.

Ongewone of uitzonderlijke situaties zijn per definitie niet te vatten in regels. Doen wij dat wel, dan zal een volgende uitzondering weer tot nieuwe regelgeving leiden. Het resultaat: een de maatschappij en ons doen en laten overwoekerend regeloerwoud.

Omgaan met uitzonderingen vraagt om algemene regels, die gelden afgezien van bijzondere omstandigheden. Regels kennen daarmee situaties waarbij zij niet gelden. Als wij dat niet durven erkennen, maken wij het werk van bijvoorbeeld hulpverleners onmogelijk. Juist in situaties die uitzonderlijk zijn, is ons gezonde verstand vaak een betere raadgever dan welk goedbedoeld protocol of reglement dan ook. Omdat in uitzonderlijke situaties niet alles volgens het boekje gaat.

Ons huidige zorgstelsel gaat gebukt aan de regelgevende uitzondering. Voor alles wat bij uitzondering wel eens fout kan gaan, bedenken wij een regel. Bovendien verheffen wij die uitzondering vervolgens tot de maatstaf voor al ons doen en laten. Omdat er vervolgens toch weer uitzonderingen zijn, bedenken wij weer nieuwe of veranderen wij de bestaande regels. Regelingen veranderen snel, zijn niet duidelijk, strijdig met andere bepalingen of in de ogen van de burger of professionals niet logisch, niet verstandig of – juist door de uitzonderlijke basis – zelfs totaal overbodig. Onderzoek door TNS NIPO bevestigt dit beeld: velen ervaren niet dat de regels de problemen echt oplossen. Niet dat regels niet gewoon nodig zijn, maar als de logica van een zekere wetmatigheid ontbreekt verliest de regel zijn waarde en betekenis.

Ditzelfde zien wij bij ons zucht naar het beheersbaar maken van risico’s. De mogelijkheid van een risico, inclusief de mogelijkheid tot het mogelijk verantwoordelijk gehouden worden voor een situatie waarin het bij uitzondering mis kan gaan, is inmiddels uitgegroeid tot een stevig afbreukrisico. Voor individuele burgers, professionals, politici en het stelsel als geheel. Het gevolg? Wij vertalen de angst in meer regelgeving, toezicht en controle. En creëren daarmee niet zelden juist die situaties die wij nu beoogden te vermijden.

Bij tijd en wijle realiseren wij ons dat wij zijn doorgeschoten. Worden er door de regelgevende overheid initiatieven, gericht op deregulering ontplooit. Deze pogingen blijken eerder te ontregelen dan te ont-regelen. Zo leert ons de praktijk. Recentelijk nog stopte een zorgaanbieder met regelarme zorg. Reden: de daaraan verbonden regelgeving!

De overheid is gewend om te sturen. En dat doet zij met regels. Ook bij de ombouw van onze verzorgingsstaat naar een zorgzame en participerende samenleving. De regelgeving en de manier waarop daarmee word omgesprongen, is daarbij een van de problemen. Het gaat om een cultuuromslag, die bereik je niet met meer regelgeving. Meer regelgeving schept een claimcultuur. Als de overheid taken afstoot of weglegt bij anderen, dan vraagt dit naast een ragfijn samenspel om ruimte. Maatwerk, en – in wederkerigheid – verantwoording daarvan biedt daarvoor een gezonde(re) grondslag. En dat, dat is vooral een kwestie van durven en doen. Van lef dus. In het weten dat te ver gaan misschien wel onhandiger is dan tekort schieten.

Elk mens is blij met iets anders

• Ik ben gelukkig als mijn innerlijke kompas goed functioneert en zich niet afwendt van de mensen, hen welwillend bekijkt en aanvaardt
(vrij naar: Marcus Aurelius 121-180, Romeins keizer en stoïstisch filosoof in “Ta eis heauton” (De dingen die je tegen jezelf zegt), VIII.43)

Jij zegt dat je mij probeert te begrijpen.
Dat jij je ook echt wel in mij wil verplaatsen.
Maar waarom ga jij dan toch altijd weer alleen van jezelf uit?
Telkens weer geef je als antwoord: “Ja maar ík vind, ik voel.. en Ík denk …”
Alleen van jezelf uitgaan en denkende van niet, betekent
dat jij de essentie van de ander mist.

Zwartepieten. Wat hebben wij er de afgelopen weken weer stevig werk van gemaakt. Voor- dan wel tegenstanders van Zwarte Piet deden er alles aan, de ander het nodige te verwijten. Voor- en tegenstanders vroegen en vragen begrip voor hun emoties. Net zoals de voorstanders dat deden en doen.

Ik wil aan het dispuut over het sinterklaasfeest geen nieuwe mening toevoegen. Niet, dat ik die niet heb. Maar het ventileren van mijn opvatting zal waarschijnlijk niet bijdragen aan het oplossen van dit vraagstuk.

Desondanks houdt het zwartepieten van de afgelopen weken mij wel bezig. Maar dan vanuit het perspectief van wederkerigheid. In de vele discussies – die al snel gaan over (in)tolerantie, vrijheid van meningsuiting, discriminatie enzovoort – mis ik dat element (te) vaak. Iedereen heeft een mening. Wat zijn of haar goed recht is. Maar het lijkt wel alsof tegenwoordig iedereen dit recht in extreme en exclusief voor zichzelf opeist.

Ik constateer bijvoorbeeld dat de voortdurende neiging tot het oprekken van het begrip ‘discriminatie’ juist een aanzwellende bron van discriminatie lijkt te worden. Net zoals de roep om meer tolerantie juist meer intolerantie oproept. Of het claimen van het recht op vrije meningsuiting. Zij doet de roep om het stellen van paal en perk daaraan omgekeerd evenredig toenemen. Anders gezegd: de grenzeloosheid waarmee wij elkaar menen te kunnen dan wel te moeten overtuigen van de juistheid van ónze opvatting heeft – zo langzamerhand in alarmerende vorm – het tegenovergestelde effect.

Het lijkt alsof wij collectief falen op het concept van wederkerigheid. Steeds meer zie ik extreme emotionele uitingen verschijnen als reactie op een nieuwsbericht of mening. En ja, ik betrap mijzelf daar ook op.

Het sinterklaasfeest is voor mij niks meer of minder dan een leuk kinderfeest. Dat anderen dat vervolgens menen te mogen duiden als een daad van discriminatie roept – onbedoeld – stevige gevoelens van agressie bij mij op. Waar halen ze het lef vandaan!

Kan ik dan niet begrijpen dat een ander zich ergert aan persoonlijke opvattingen of uitingen? Welzeker. Maar geldt dat omgekeerd dan niet? Ik vraag mij af, waar het naartoe gaat als wij dit niet keren. Niet in de laatste plaats, omdat ik ook mijzelf steeds vaker betrap op een – mij tot voor kort vreemd maar toenemend – gevoel van ergernis en intolerantie. Ik dreig een hekel te krijgen aan mensen – en hun opvattingen en uitingen – omdat zij met het claimen van ruimte daarvoor tegelijkertijd mij diezelfde ruimte (lijken) te ontzeggen. Ik denk dat wij ons onvoldoende realiseren dat juist ons eigen handelen bij anderen precies dat kan oproepen, wat wij nu juist niet wilden. In de breedste betekenis.

Of ik de oplossing weet? Nee! Ik merk echter dat dit vraagstuk mij in toenemende mate puzzelt. Niet dat ik wil doemdenken. Maar reden tot overdreven optimisme heb ik evenmin. Wel ben ik ervan overtuigd dat de oplossing van dit vraagstuk niet ligt in grote debatten van en met voor- en tegenstanders. Ik verwacht meer en duurzamer effect van het echte gesprek. Van mens tot mens. En van de mate waarin wij ons durven en kunnen verplaatsen in de ander.

Want laten wij eerlijk zijn: het is een door ons gecreëerde perceptie en interpretatie die ‘discriminatie’ een negatieve annotatie geeft. In zijn oorspronkelijke betekenis betekent het letterlijk: ‘het maken van onderscheid’. En gaan wij mensen daar niet juist – en wat graag – prat op: het unieke van ieder mens. Zo beschouwd is discriminatie dus helemaal niet onrechtmatig of negatief. Dat wordt het pas als wij de ander, zijn of haar standpunt of uiting als ‘minderwaardig’ kwalificeren.

Iemand veroordelen om zijn/haar uiterlijk, afkomst, seksuele geaardheid, geloof etc. is niet eerlijk en bovendien helemaal nergens voor nodig. Beperkingen leggen wij onszelf op, als wij – om wat voor reden dan – elkaar niet de ruimte (durven) geven.

Veel conflicten ontstaan door dom misverstand. Niet getoetste persoonlijke interpretaties van een uiting of gebeurtenis. Een conflict echter is pas een conflict als jij het ervan maakt. Door hoe jij een situatie, een opmerking of een handeling interpreteert. Laten we dus eens beginnen met de vraag: wat beweegt jou. En vervolgens met de ander te delen wat jou beweegt. Niet met oogmerk de ander te overtuigen. Maar om de gedachtegang van de ander te leren kennen. Zo handelend kunnen wij – wederzijds – het gedrag of de opvattingen van de ander leren respecteren in plaats van te classificeren.

In dat gesprek hoeven wij het conflict niet te mijden. Wel de grote woorden, verwijten of beschuldigingen. We moeten het niet over de persoon hebben, maar over de kwestie. En respect tonen (en vragen). Respect is immers een kwestie van geven en nemen. En ja, dat kan alleen als de ander dat ook wil. Als er sprake is van wederkerigheid dus: ‘Oké, jij wilt dit, ik wil dat. Daar moeten we samen uit kunnen komen.’

Verras jezelf en je omgeving eens. Respecteer de ander zoals jijzelf gerespecteerd wilt worden. De gelijkwaardigheid die wij wensen en vragen, kunnen wij alleen zo in stand houden dan wel realiseren. Onszelf niet als norm, maatstaf of slachtoffer zien. Het maakt het leven een stuk aangenamer. Gewoon, omdat elk mens blij is met iets anders.

Babykamer stress

• Het leven is wat je gebeurt terwijl je andere plannen maakt.

Ohhh, zo nu en dan krijgt Nederland ineens de kriebels. Het gaat allemaal niet snel genoeg. De voorbereidingen voor de decentralisaties bedoel ik. Van de jeugdzorg bijvoorbeeld. De toekomstige kamer moet nog volledig worden omgebouwd en geschilderd….

Volgende diverse mediaberichten deze week zijn (sommige) gemeenten en hun raden nog niet voldoende aangehaakt bij de Jeugdwet. Uit onderzoek zou blijken dat er nog veel onduidelijk is. En dat de meeste gemeenteraden zich nog nauwelijks met het thema jeugdzorg bezighouden. Dit alles leidde – bij de betrokken onderzoekers – tot de conclusie dat de gemeenteraden nog niet klaar zijn om beslissingen te nemen over de jeugdzorg. Terwijl ze dat wel op korte termijn moeten.

Onwillekeurig moest ik terugdenken aan de jaren waarin mijn vrouw en ik begonnen met het stichten van een eigen gezinnetje.

Een kindje krijgen is een mooie, en tegelijkertijd spannende gebeurtenis. De partners kunnen er verschillende gevoelens bij hebben. Word ik wel een goede papa of mama? Hoe moet ik mijn partner steunen? Ben ik er wel klaar voor? Er zweven tientallen vragen rond door de hoofden van de aanstaande ouders. Zij weten niet precies wat hen staat te wachten. Wil hij de stinkende luiers wel verwisselen? Kan zij het gekrijs en de gebroken nachten wel aan? Tijdens de zwangerschap strijden verwachting, geloof, hoop te twijfel bij voortduring om een plekje op de voorste rij.

En dan is het zover: de bevalling. Na al die maanden wordt het kind eindelijk geboren. De kersverse papa en mama willen elkaar zo goed mogelijk steunen. Maar weten niet altijd precies hoe. Uit eigen ervaring herken ik die ‘ben-ik-hier-wel-klaar-voor twijfels’ wel. Wij zagen ze later ook weer terug bij onze kinderen. Toen zij begonnen aan hun eigen gezinnetje.

De ‘ben-ik-hier-wel-klaar-voor twijfels’ zijn dus geen bijzonderheid. Integendeel. Het is heel gewoon. Ik ben zelfs geneigd te beweren: gezond en louterend. Tegelijkertijd zijn ze – in het algemeen en gelukkig – geen aanleiding tot een voortijdige beëindiging van de zwangerschap. Dat laatste lijkt wel de conclusie die de media menen te moeten verbinden aan het jongste onderzoek van de rekenkamer(commissie)s van Breda, ‘s-Hertogenbosch, Eindhoven en Tilburg (1).

De kranten en journaals koppen gretig: “Brabant nog niet klaar voor overgang jeugdzorg”. Of “Steden niet klaar voor jeugdzorg.”

Er is inderdaad nog de nodige onduidelijkheid. Over de landelijke wetgeving bijvoorbeeld. Die overigens vorige week door de Tweede Kamer behandeld is. En over de budgettaire kaders. Waarover – volgens de verantwoordelijke staatssecretaris – begin december meer duidelijkheid en houvast komt. Het zijn zaken waar de gemeenten (‘de aanstaande ouders’) geen invloed op hebben.

De rekenkamer(commissie)s doen vervolgens de nodige aanbevelingen. Waarvan – wat mij betreft – de belangrijkste is: Neem in de besluitvorming een eigen positie in, en stel – zelf – prioriteiten.

Het is, alsof ik mijn vader en moeder zaliger hoorde. Toen wij ons eerste kindje verwachtten. Natuurlijk hadden zij hun eigen opvattingen. Normen en waarden. En natuurlijk bemoeiden zij er zich wat graag tegenaan. Zoals wij dat ook weer deden en doen met onze eigen (klein-)kinderen. Maar zoals wij toen, zeggen onze kinderen nu: laat ons onze eigen keuzes en afwegingen maken.

Het advies aan de raden om doelstellingen, maatschappelijke effecten en beleidsprestaties te formuleren beschouw ik als behartigenswaardig en goedbedoeld. Net zo goed als de aanbeveling om tot beleidsmonitoring te komen. En eisen ten aanzien van de kwaliteit te stellen. Geen enkel onderdeel van de door de rekenkamer(commissie)s geformuleerde adviezen suggereert of rechtvaardigt volgens mij echter de conclusie van een voortijdige beëindiging van de gemeentelijke zwangerschap.

Het stellen van financiële kaders, gekoppeld aan de beoogde ontwikkeling van het zorggebruik en kwaliteit van de zorg? Ook wij moesten wel even wennen aan een veranderende financiële huishouding toen onze eerste boreling er was. Net als bij de komst van nummer twee. En een gezamenlijke visie op de opvoeding was er wellicht op hoofdlijnen, maar ontwikkelde zich pas daadwerkelijk in en aan de praktijk.

En natuurlijk maakten en maken wij met enige regelmaat een soort van planning (fasering) voor de (nabije) toekomst. In de wetenschap en met de ervaring dat die planning ook de nodige flexibiliteit moet kennen. Gewoon, omdat je niet alles in eigen hand hebt of naar je eigen hand kunt zetten. In dit verband wil ik graag wijzen op het prachtig ontroerende en ontnuchterende verslag van een moeder van een ziek kind: “Dolgelukkig zijn wij” (Annemarie Haverkamp).

“Dolgelukkig zijn wij” is een realistisch verhaal over de maakbare wereld. Een wereld waarin wij ten onrechte denken zelf de regie te hebben.

Annemarie en haar vriend Bart hebben een kind gekregen. Maar Jobs hoofd heeft de vorm van een peer, zijn lichaam is slap, hart en darmen vertonen gebreken – er is verschrikkelijk veel mis. De baby blijkt geboren met een zeldzame chromosoomafwijking. Als Annemarie en Bart openlijk hun twijfels uitspreken over medisch ingrijpen en de kwaliteit van het leven dat hun zoon te wachten staat, lopen de spanningen hoog op. Wie heeft het recht te beslissen over de toekomst van het jonge gezin: de dokters of de ouders? En, hoe nu verder?

Zo ook moeten wij volgens mij het advies van de rekenkamer(commissie)s van Breda, ‘s-Hertogenbosch, Eindhoven en Tilburg lezen: een goed bedoeld, ontnuchterend en ‘ouderlijk’ advies. Ter ondersteuning van de kader stellende en controlerende (de ‘ouderlijke’) rol van gemeenteraden. Een poging om in een tijd van overgang concrete handvatten te bieden en de aspirant ouders te activeren in hun toekomstige rol. Daarbij gaat het er om hen in de gelegenheid te stellen zich een beeld te vormen van de eigen rol, en daaruit zo mogelijk lessen te trekken. Niet met het oogmerk om geen, maar een betere ‘ouder’ te worden.

Niet voor niets duurt een zwangerschap negen maanden. De baby moet groeien en jij hebt de tijd nodig om je geestelijk voor te bereiden op het vaderschap. Er zijn ook veel praktische zaken te regelen. En dan nog: we kunnen niet alles van te voren regelen. Hoe graag we ook willen geloven in de maakbaarheid en het ideaal.

Tegen de twijfelaars en ongeduldigen zeg ik: Er komt inderdaad veel op de gemeenten af. Het is de daarmee samenhangende onzekerheid waar we moeilijk mee kunnen omgaan. Er zijn, voor- en achteraf, zeker zaken te benoemen die beter hadden gekund. Per saldo gaat het echt niet om een (op papier) perfecte organisatie. De essentie is dat wij – in dit geval: de gemeenten – onze verantwoordelijkheid kennen en nemen. Vooral dan, als blijkt dat het net niet zo loopt als gepland. Dus neem de tijd, maak je vooral niet te druk, maar regel wat geregeld moet worden. Niks meer, en niks minder.

(1) KLAAR VOOR DE START? – Een onderzoek naar de kaderstellende en controlerende rol van gemeenteraden rond de transitie jeugdzorg in B4-gemeenten – ISBN 978-90-5830-606-7 – Verwey-Jonker Instituut, Utrecht 2013.

Hoe strak staan uw elastiekjes?

• Je kunt geen handen schudden met een gebalde vuist

De Jeugdwet is door de Tweede Kamer aangenomen. Gemeenten worden per 1 januari 2015 verantwoordelijk voor de jeugdzorg. Volgens berichten naar verwachting. Voor mijzelf echter was het een hele opluchting. Want, eerlijk is eerlijk, er waren naast veel vooruit trekkende elastiekjes ook de nodige terugtrekkende elastiekjes. Van hoog tot laag. Niet zelden heb ik in de afgelopen maanden gevreesd voor het – als gevolg daarvan – knappen van het elastiek.

De Jeugdwet is de eerste van drie grote decentralisatiewetten die het kabinet de komende tijd aan de Kamers zullen voorleggen. Naast de Jeugdwet volgen binnenkort ook de Participatiewet en de wet langdurige zorg. Voor de Jeugdwet kregen de verantwoordelijke bewindslieden een ruime meerderheid van de Tweede Kamer (VVD, PvdA, CDA, D66, GroenLinks, ChristenUnie en SGP) achter zich. Omdat deze partijen in de Eerste Kamer een ruime meerderheid van 54 zetels hebben, ziet het er naar uit dat de Jeugdwet ook daar de eindstreep zal halen. Al blijf ik beducht voor de terugtrekkende elastiekjes. Een wet is immers pas een wet als de handtekening van de koning er onder staat!

Bij de behandeling in de Eerste Kamer zullen ongetwijfeld de uitkomsten van de regionale transitiearrangementen een rol van betekenis spelen. In het transitieplan jeugd van het rijk, VNG en IPO zijn deze als een belangrijke mijlpalen opgenomen bij de overgang van de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de zorg voor jeugd.

Alle (41) jeugdzorgregio’s moeten uiterlijk 31 oktober 2013 hun regionaal transitie-arrangement indienen. Daarin staat hoe gemeenten de continuïteit van zorg voor jeugd en de benodigde infrastructuur realiseren én welke afspraken ze maken om de frictiekosten te beperken.

Bij het opstellen van deze arrangementen zijn er de nodige onzekere factoren waar gemeenten mee moeten werken. Het belangrijkste is onzekerheid over de budgetten. Zo blijkt het verschil tussen de huidige omzet van zorgaanbieders en het budget in de meicirculaire 2013 groot te zijn: het verschil is groter dan de door het Rijk aangekondigde korting van ca. 4% (2015).

Het werken aan de regionale afspraken heeft gezorgd voor zowel een versnelling als een verdieping van het decentralisatieproces bij gemeenten, zorgaanbieders en Bureaus Jeugdzorg (BJZ’s). Daarmee zijn de regionale transitiearrangementen een effectief instrument gebleken. Het voor de totstandkoming ervan beperkte tijdpad evenwel kan die effectiviteit ook ernstig beschadigen of teniet doen.

Gemeenten, bureaus jeugdzorg en aanbieders van jeugd- en opvoedhulp lijken elkaar wel te vinden als het gaat om (het concretiseren van) van visies en beleidsintenties. Er blijken (gelukkig) steeds meer partijen te vinden te zijn, die het belang van goede zorg voor jeugd – en de kansen die de jeugdwet daarvoor biedt – zien. Maar de financiële belangen zijn – over en weer – groot en leiden tot complexe afwegingen. Hoe daaraan tijdens de overgangsperiode vorm te geven, blijkt een veel lastiger te beantwoorden vraag.

De oplossingen die partijen daarvoor zien, zijn sterk afhankelijk van het perspectief dat zij kiezen. Het lastige van het perspectief dat zij kiezen, is dat het altijd ook zijn beperkingen kent. De voortdurende onzekerheid over het budget 2015 maakt het daarbij – voor alle partijen – eigenlijk ook onmogelijk om vóór of op 31 oktober tot concrete afspraken te komen. Waar dat wel gebeurt zie ik dat de betrokken partijen de gebeurtenissen willen controleren. En, omdat ieder dat – logischerwijs – doet vanuit het eigen perspectief, blijkt het moeilijk om daarvan afstand te nemen. Bij gemeenten zowel als aanbieders leidt dit tegelijkertijd tot faalangst zowel als perfectionisme: “Als er iets gebeurt dat ik niet wil, dan wil ik het niet aangaan.” En dan manifesteren de elastiekjes zich weer. Zowel vooruit- als terugtrekkend.

De emoties die daarbij optreden zijn te waarderen met drie trefwoorden: continuïteit, vernieuwing en verwarring. Deze emoties leiden richting aanbieders van jeugd- en opvoedhulp al snel tot het verwijt van (organisatorische) behoudzucht, belangen van instituties en het vertragen van de zo noodzakelijke veranderingen. Omgekeerd wordt gemeenten een vlucht vooruit in nieuwe aanpakken verweten. En blindheid voor de gevolgen daarvan (op de korte of middellange termijn) voor de continuïteit van organisaties, arbeid en (daarmee) de jeugd- en opvoedhulp.

De goedbedoelde drift ‘het nu eindelijk eens goed te gaan organiseren’ gaat daarbij te gemakkelijk voorbij aan het feit dat de aanbieders al een behoorlijk stuk op de goede weg zijn. Het zou zo maar kunnen dat de nu gehanteerde tijdsdruk op het tot stand brengen van de regionale transitiearrangementen zo tot stagnatie leidt. In plaats van tot de gewenste dynamiek. Dat zou best nog wel eens kunnen gaan wringen en de inmiddels – op basis van de gedeelde visies – opgebouwde relaties kunnen verstoren.

Mijn simpele conclusie: wie niet kan meebewegen met wat er al is opgebouwd gaat stagnatie veroorzaken. Wij moeten waken voor het ‘maakbaarheidsoptimisme’. Op heel veel plekken wordt – tegelijkertijd – gewerkt aan structuren die meer integraliteit, nabijheid en resultaatgerichtheid moeten en zullen opleveren. Maar als iedereen bij die beweging zijn eigen (financiële) perspectief als het middelpunt van de wereld neemt, gaan de regionale transitiearrangementen als een splijtende spagaat werken.

Is er dan geen hoop op welslagen? Zeker wel. Maar dat welslagen wordt vooral bepaald door de houding, cultuur en de kwaliteit van relaties. De uitdaging voor ieder van de betrokken partijen daarbij is: het eigen perspectief los durven laten.

Mijn advies luidt daarom: stop het (aan twee kanten) trekken aan de elastiekjes. Voor je het weet knap het elastiek (alsnog). Natuurlijk is het best eng ergens in te duiken wat je niet kan overzien, politiek gevoelig ligt of waarmee je je op het terrein van anderen begeeft. Het ‘geloof in de beweging’ en het ‘de pijn verdelen’ slaagt, als je daarover de dialoog opzoekt. Over de eigen drijfveren geen verstoppertje speelt. En de context van schaarste aan middelen in relatie tot de (wederzijdse) ambities als gezamenlijke verantwoordelijkheid deelt. Dat vraagt om een open oog en oor voor het belang van de ander. Draai het gesprek dus om. Verplaats je in de positie van de ander. En treedt die ander tegemoet met een houding van: “Als dit gebeurt, dan kan ik het wèl aangaan”. Gewoon, omdat de één niet zonder de ander kan. En laat daarbij de (te) hoge tijdsdruk er niet in slagen de uitdagende en gedeelde ambitie teniet te doen.

Jasper

• Zoek geen grote woorden als het met een klein gebaar ook kan

Volgens onderzoek verwerken wij een beeld 60.000 keer sneller dan tekst. In minder tijd begrijpen én onthouden we meer van de boodschap. De meeste mensen denken in beelden. Goede visuele content – of content die een beroep doet op de verbeelding – versterkt de boodschap.

‘Je gaat het pas zien als je het doorhebt.’ Vaak zijn daarvoor geen grote woorden nodig. Volstaat een klein gebaar of een korte, krachtige boodschap. Dat laatste besefte ik deze week eens te meer door een (kort) radio-interview…

Wat gaat er gebeuren als het budget voor de jeugdzorg bij de gemeenten terechtkomt. Zoals het kabinet wil? Deze week werd daarover gesproken in de Tweede Kamer. Aanbieders van jeugd- en opvoedhulp vrezen met grote vreze. Is er dan nog wel geld genoeg om kinderen die dat écht nodig hebben naar de jeugd-GGZ te laten gaan? Volgens de brancheorganisatie GGZ Nederland wordt de overheveling een ramp voor kinderen en hun ouders.

GGZ Nederland probeerde de afgelopen maanden afspraken te maken met de overheid over het waarborgen van de door haar leden geleverde jeugd- en opvoedhulp. Inmiddels heeft de organisatie er geen vertrouwen meer in dat die afspraken er nog (op tijd) komen. En dus werd de start van het Kamerdebat gebruikt voor een (laatste?) ultieme poging het tij te keren. Omdat de tot dan toe gehanteerde argumenten geen soelaas lijken te bieden, wordt daarvoor een spookbeeld gecreëerd: gemeenteambtenaren die zich – volgens de koepel – al na een zesdaagse cursus de autoriteit toe-eigenen om te mogen indiceren.

Omdat ik beledigingen zie als argumenten van hen die ongelijk hebben of dreigen te krijgen, weersta ik de neiging om het protest te kwalificeren. Ik volsta met de opmerking het te betreuren dat de toon van het debat door de gebruikte kwalificaties en bewoordingen hierdoor onnodig scherp wordt. Zeker, omdat met een veel kleiner – en beschikbaar! – gebaar wellicht een veel beter effect zou hebben.

Want, terwijl de lobbyisten van de GGz in Den Haag hoog van de toren bliezen, zond Radio 1 een reportage van (slechts) zes minuten en 17 seconden uit. Dit item sprak velen tot de verbeelding! Verslaggever Robert Jan Booij zocht Jasper uit Nieuwe Pekela op. Jasper, veertien jaar oud, is geholpen is door GGZ Jeugdinstelling Molendrift. Het gesprek van Robert Jan met Jasper was een feest voor de luisteraar (http://www.radio1.nl/items/87540-wat-moet-jasper-zonder-specialistische-hulp). Hij was in zijn eentje indringender én overtuigender dan alle andere protestgeluiden die daarvoor én daarna door de ether slingerden. Niet in de laatste plaats ook, doordat de interviewer de juiste sfeer wist te creëren. Gewoon, door adequate ‘basiscommunicatie’: sensitieve responsiviteit, gebaseerd op aandacht, warmte en welgemeende emotionele steun door (kleine) vragen! Met grootse antwoorden als gevolg.

De krachtige betekenis van goede ‘basiscommunicatie’ stond ook centraal tijdens een workshop over de omvorming van het sociaal domein. Ik mocht deze onlangs verzorgen voor een groep van communicatieadviseurs van gemeenten en aanbieders van jeugd- en opvoedhulp in Gelderland. De conclusie van die bijeenkomst: stop met te proberen het stelsel of de structuur uit te leggen. Sluit aan op de leefwereld van de mensen voor wie het stelsel bedoeld is. De boodschap komt duidelijker over wanner je daarvoor geen grote woorden zoekt, maar juist een klein gebaar. Daarbij zijn praktische voorbeelden, verbeeldingen en metaforen effectiever en krachtiger. Omdat zij het beroep op de ratio en het gevoel van de ontvanger hanteerbaar maken. En appelleren aan het creatieve vermogen. Juist dat biedt structuur. Omdat dit het bestaande denkpatroon kan doorbreken. Het gebruik van metaforen bijvoorbeeld biedt inzicht dat meer van het hart komt dan van het hoofd.

Dat bleek mij ook toen ik later in de week op verzoek van de AIT in gesprek mocht met een zaal vol met professionele video-hometrainers1 (video-hometraining (VHT) en video-interactiebegeleiding (VIB)) . Zij benutten de inzet van ‘basiscommunicatie’ om de kwaliteit van het contact – tussen opvoeders en kinderen, tussen hulpverleners en opvoeders en kinderen en tussen professionele begeleiders onderling – te verbeteren. Hun werk is gebaseerd op het principe van ‘oog voor het initiatief’ en het geven van een passend antwoord daarop. Zij onderkennen hoe belangrijk het is dat deze initiatieven herkend en werkelijk “ontvangen” worden. Positieve feedback, een prettige manier van ‘volgend leiderschap’, oogcontact, intonatie, gezichtsexpressie en houding zijn daarbij van doorslaggevende betekenis. Het (letterlijk) in beeld brengen van de communicatie en contacten gebruiken zij daarbij als (uiterst effectief) hulpmiddel.

Je gaat het pas zien, als je het door hebt. Met een goede afbeelding, foto of video – of een sprekend (want tot de verbeelding sprekend) interview als dat van Robert Jan met Jasper – geef je jouw boodschap extra kracht. Daarmee kun je laten zien dat jij de beoogde ontvanger van jouw boodschap begrijpt. Door ze emotioneel te raken, te verrassen, iets te leren of je met hen te identificeren. Dát zijn elementen voor goede communicatie. Communicatie waarmee je anderen kunt inspireren en verleiden. Zoals dat Jasper wel, en de GGz niet lukte.

1 AIT ( Associatie voor Interactiebegeleiding en Thuisbehandeling) is een non-profit organisatie die in 1998 is opgericht als rechtsopvolger van SPIN (Stichting Promotie Intensieve thuisbehandeling Nederland). Sedert het ontstaan van VIB in de jaren zeventig streven zij er naar om de VIB-methodiek succesvol toe te passen in steeds meer sectoren en de professionele kwaliteit te bewaken via een certificerings-systeem. VIB is een verzamelnaam voor de methodiek die bijdraagt aan het bevorderen van professioneel handelen en communiceren van werkers in verschillende sectoren zoals thuiszorg en jeugdhulp.