Eigen-aardigheid – een klein gebaar doet wonderen…

• Verwondering ontstaat door het gewone ongewoon te maken

Een simpel, maar confronterend filmpje, waarin een Noors jongetje zonder jas zit te rillen van de kou bij de bushalte. Een verborgen camera registreert hoe voorbijgangers hem spontaan te hulp schieten. En dan komt de aap uit de mouw. ‘Waarom zou u niet hetzelfde doen voor Syrische kinderen?’
rillend jongetje
Vergeet de CC-knop in het YouTube-filmpje niet om Engelse ondertitels te krijgen.

bijzonder

Iedereen heeft wel eens een schouder nodig, om op te rusten, om uit te huilen. Een warme arm die men om je heen slaat… Een troostend woord op het juiste moment. Of gewoon dat kleine beetje tijd van de ander. Zo’n klein gebaar doet wonderen.

Gemeenten, uitvoerende organisaties en professionals moeten (daarom) bij de omvorming van het sociaal domein niet (alleen en vooral) hun processen goed regelen. Ze moeten vooral ook aandacht hebben voor de menselijke kant en maat. Het zijn juist de kleine dingen, die bij mensen blijven hangen, meer nog dan het daadwerkelijke ‘product’ of de zorg die wij te bieden hebben. Familie, vrienden, buren, bekenden en beroepskrachten in de omgeving van mensen – groot en klein – kunnen met kleine gebaren dan ook veel voor anderen betekenen. Die kleine dingen zijn van onschatbare waarde. Niet alleen op het moment zelf, maar ook voor de toekomst.

Onlangs nam ik Joshua, mijn kleinzoon (3) mee voor een wandeling. Op de hoek van de straat stopte een vuilniswagen bij een gemeenschappelijk vuilcontainer. Een immense vrachtwagen met een heuse kraan. Joshua vindt tractoren, vracht- en brandweerauto’s fantastisch. Dus moesten wij even kijken. Toen de chauffeur de container geleegd had en naar de volgende container – aan het andere eind van de straat – reed – rende Joshua opa vooruit om vooral niets te missen. De chauffeur merkte dit op en knoopte een praatje aan. Toen hij klaar was, stapte hij weer in om vervolgens de deur aan de bijrijdersstoel te openen: of Joshua geen zin had om – samen met opa – mee te rijden naar de volgende container. Het antwoord – en enthousiasme – van Joshua laat zich raden. Als een prins zat hij bij opa op schoot. De verhalen die hij niet veel later thuis te vertellen had laten zich raden. Wat een klein gebaar niet aan geluk kan strooien…

Ik moest aan de wandeling met Joshua terugdenken toen ik deze week het (onderstaande) YouTube filmpje zag. Het verhaalt van een jongen met autisme (en zijn ouders) die worden verrast door zijn favoriete vuilnisman. Een klein gebaar…

daniel_garbagetruck

Het zijn simpele voorbeelden. Maar wel voorbeelden die de kern raken van de omvorming die het rijk beoogt bij de omvorming van het sociaal domein en de hervorming van ons zorgstelsel. Natuurlijk gaat het daarbij (ook) over de overheveling van bestuurlijke en financiële verantwoordelijkheden naar gemeenten. Maar terwijl dat slechts een instrument is krijgen zij wel de meeste aandacht. Terwijl de gewenste en gedroomde verandering om veel meer dan alleen dat vraagt. Het vraagt om een samenleving waarin iederéén meetelt en meedoet. Door te zijn die ze zijn. Een samenleving waarin mensen elkaar laten voelen en weten dat ze er toe doen.

De organisatorische drukte die gepaard gaat met de stelselwijzigingen is tegelijkertijd de grootste faalfactor. Wij willen alles beheersen. Vooral door te organiseren. Terwijl het eerste en vooral – en uiteindelijk – draait om ‘echte mensen’. Mensen als jij en ik. Mensen die soms wat extra ondersteuning nodig hebben. Ondersteuning die begint met – heel gewoon – aandacht.

Voor wie mij kent en volgt is het geen nieuws. Ik beschouw de overdracht en omvorming van taken en bevoegdheden in het sociaal domein als een kans. Om het anders te doen, om daadwerkelijk de omslag te maken naar meer vertrouwen in dat wat in de praktijk van alledag al heel veel gebeurt.

In het dagelijkse doen en laten van velen, schuilt ook een gevaar. In de praktijk van alledag gebeuren ‘bijzondere’ dingen namelijk welhaast als vanzelfsprekend. En die vanzelfsprekendheid maakt dat bijzondere ook weer ‘heel gewoon’. ‘Gewoon’ echter, maakt het gewone leven juist buitengewoon bijzonder. Het is daarom jammer dat wij dat ‘gewone’, die ‘vanzelfsprekendheid’ bij de inrichting van ons sociaal domein (bijna) net zo vanzelfsprekend links laten liggen.

Het lastige aan het vanzelfsprekende is dat het niet opvalt. Wij zijn ons er vaak niet eens bewust van. Wij denken er niet over of bij na. Die cultuur van de vanzelfsprekendheid kan ook tot verstarring leiden. Tot ‘stelsel denken’; de tirannie van de middelmaat. Daarom meen ik dat bij de omvorming van ons sociaal domein juist daar een grote uitdaging ligt: het doorbreken van dan wel het zichtbaar maken van het vanzelfsprekende.

Het doorbreken of zichtbaar maken van de vanzelfsprekendheid is best lastig. Vooral ook, omdat wij ons er vaak niet (meer) bewust van zijn. Ja, dingen die opvallen, die ‘raar’ zijn. Die verwonderen en vallen op.

Juist daarom pleit ik er voor op die vanzelfsprekende – maar daardoor vaak niet meer opgemerkte – kleine en ongeziene pareltjes te laten schitteren. Door ze te delen. En door onszelf dagelijks de verwonderingsvraag te stellen: “Wat doe ík vandaag om impact te hebben voor iemand?”

Verwondering is een avontuur. Juist, omdat wij niet weten waarheen het ons brengen zal. Zoals die wandeling met Joshua. Of die verrassende vuilnisman. Zij doorbreken het gewone, het vanzelfsprekende, het middelmatige door verrassend en eigen aardig uit de hoek te komen. De verwondering die daaruit voortvloeit, geeft ons andere ogen.

Als jij en ik zo de wereld en de mensen om ons heen beschouwen, wacht ons stap voor stap een indringende, meeslepende ontdekkingstocht. Een, die ons de uniciteit van en aan de ander zal doen zien en dankbaar zal doen aanvaarden.

Eigenlijk maakt het niet uit wát je doet of wát je verzint, het enige is ervoor te zorgen dat het gewone ongewoon wordt. Het kan zomaar een kopje koffie zijn, om te verassen. Een simpel ‘goeden dag’ als je een lift in- of uitstapt. Samen met de buurvrouw de hond uitlaten. Assisteren bij de volleybalclub van je dochter.

Die zoektocht, de zoektocht naar de logica van het vanzelfsprekende, het ‘normale’ in de dagelijkse praktijk is een ontdekkingsreis naar de kracht van het ongewoon gewone. Het gaat erom dat je – samen met anderen – van en in je directe woonomgeving iets moois en goeds probeert te maken. Een samenleving waarin iedereen naar vermogen meetelt en meedoet. Een samenleving die ruimte biedt voor handelen op gevoel, intuïtie, passie; voor eigen(aardig)heid dus. En juist eigen-aardigheid maakt het gewone ongewoon bijzonder.

Advertenties

Spelen met hierarchie

Oude, hiërarchische relaties in de overheid en gezondheidszorg zijn achterhaald. Adviesbureau Alaris maakte een video waarin je ziet waarom de oude organisatiemodellen niet meer werken.

Alaris pleit voor wat zij de ‘samentafel’ noemen. Geef hulpverleners de ruimte om interactie op te zoeken met patiënten. Laat ze zelf hulp bieden wanneer ze dat nodig vinden. En laat burgers zelf aangeven waar hun behoefte ligt.

Het filmpje toont hoe zij het zien.

Als knuppel en zakdoek vrij spel hebben zijn verwarring en chaos troef

  • Een ongevraagd maar welgemeend advies over de organisatie van drang en dwang

gebundelde

In een tijd van grote stelselwijzigingen volgen de ontwikkelingen elkaar snel op. Vanaf 1 januari 2015 is de Jeugdwet van kracht. Deze wet vervangt de Wet op de Jeugdzorg uit 2005. De vernieuwing betekent zowel een transitie – verplaatsing van verantwoordelijkheden, rollen en bevoegdheden – als een transformatie; een inhoudelijke verbeterslag. Ook beoogt de Jeugdwet een substantiële vermindering van bureaucratie voor alle betrokken instanties.

De gemeenten hebben bij de uitvoering van de Jeugdwet een regierol. Zij zijn verantwoordelijk voor de afspraken met en inzet van uitvoerende organisaties in de hulp. Voor de (regionale) taken op het terrein van huiselijk geweld en kindermishandeling en de jeugdbescherming en jeugdreclassering geldt dat het aan regionaal samenwerkende gemeenten is om te bepalen op welke schaal – maar in ieder geval bovenlokaal – zij de uitvoering daarvan gaan organiseren.

De advies en meldpunten kindermishandeling (AMK’s) gaan samenwerken met de steunpunten voor huiselijk geweld (SHG’s). Jeugdbescherming en jeugdreclassering worden, conform de Jeugdwet, uitgevoerd door organisaties die in het bezit zijn van een geldig certificaat als uitvoerder voor jeugdbescherming en/of jeugdreclassering.

Als gevolg van al deze veranderingen dreigen meerdere bureaus jeugdzorg nog vóór de overgang naar het nieuwe stelsel failliet te gaan. Gemeenten kunnen namelijk meerdere gecertificeerde instellingen vragen om deze taak uit te voeren. Hierdoor ontstaat er ruimt voor marktwerking. Maar ook ontstaan er verschillende werkwijzen binnen ‘dwang en drang’ en de informatieoverdracht tussen de verschillende instanties.

Omwille van het bovenstaande zijn er landelijk nadere waarborgen afgesproken. Deze komen – kort gezegd – neer op een budgetgarantie van gemeenten aan de Bureaus Jeugdzorg van minimaal 80% van het budget in 2014. Desondanks stagneert de vorming van de AMHK’s en gecertificeerde instellingen op meerdere plekken in Nederland. Volgens mij vooral, omdat ze direct gekoppeld worden aan de discussie over wat er met de Bureaus Jeugdzorg in Nederland moet gebeuren. Hierdoor gaat het vooral over organisatiebelangen en frictiekosten en niet meer over de inhoud. Terwijl juist de inhoudelijke visie en ontwikkeling aangaande de aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties (huiselijk geweld en kindermishandeling) hierbij centraal zou moeten staan. Ik vind dan ook dat aard en inhoud van de landelijke afspraken inbreuk doen op het beoogde dan wel gewenste proces van omvorming. Omdat zij teveel uitgaan van en voortborduren op de huidige situatie en regelingen.

We dienen straks vooral minder schakels in de keten te realiseren. Want al die schakels kosten geld, betekenen nieuwe gezichten voor ouders en jeugdigen en gaan gepaard met verlies van informatie. Uitvoerende professionals en hun organisaties moeten daarom meer verantwoordelijkheid krijgen. Ook als het gaat over dwang en drang. Juist dit type jeugdige en zijn/haar hulpvraag is gebaat bij korte lijnen en de zekerheid van een dekkend zorgaanbod. Instellingen kunnen dit niet alleen, hiervoor moeten zij samenwerken. De overheid moet daartoe wel sturen op deze samenwerking. De nu gemaakte afspraken sturen – onbedoeld én ongewenst – op meerdere ‘regisseurs’ aan de keukentafel.

Het AMK doet onderzoek, maar verleent zelf geen hulp. Bureau jeugdzorg indiceert, maar verleent zelf geen hulp. De Raad voor de Kinderbescherming doet onderzoek, maar verleent zelf geen hulp. En als er dan eenmaal een gezinsvoogd is aangesteld, dan verleent ook die geen hulp, maar zorgt dat de hulp in het gezin komt (zie: http://www.kinderrechtencollectief.nl). Hieruit voortvloeiende knelpunten zijn – onder andere – dat:

  • na een melding het accent komt te liggen op onderzoek in plaats van op directe interventies;
  • onderzoek zowel door het AMK als door de Raad voor de Kinderbescherming wordt gedaan (dubbel werk waarbij de een het werk van de ander lijkt over te doen);
  • kinderen en hun ouders veel te lang moeten wachten op hulpverlening;
  • kinderen kwijt raken in de keten doordat zaken van de ene instantie naar de andere worden overgedragen.

Dit alles brengt ons terug bij af. Terwijl de transities juist een kans bieden om vernieuwingen en verbeteringen door te voeren. Daarop zou de focus moeten liggen. En niet op al dan niet omvallende organisaties. Wij hebben immers gezamenlijk de dure plicht jegens jeugdigen en (hun) ouders om de overdracht en omvorming te gebruiken om fundamentele verbeteringen door te voeren.

De transitie en transformatie bieden een uitgelezen kans om systeemfouten te elimineren. Maken het mogelijk om én een kwaliteits- én een efficiencyslag te maken. Dit kan, door een helder onderscheid te maken tussen hulpverlening aan de ene kant en dwang en drang aan de andere kant. De advies-, meld- en onderzoeksfunctie van het AMK kan daarbij het beste ondergebracht worden in het hulpverleningskader. En de Raad van de Kinderbescherming en de jeugdbescherming en jeugdreclassering kunnen best – en op landelijk niveau – aan elkaar verbonden worden. De meerwaarde van aparte instanties wordt in de uitvoering vaak niet ervaren. En als zij ervaren wordt, dan is het als een vertraging. Dit kan dus efficiënter. Samenvoeging komt kwaliteit en snelheid van het werk ten goede. Het lijkt daarom logisch om het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming te verbinden aan de dwang- en drangketen.

In het verlengde van het bovenstaande zou er één landelijke organisatie kunnen komen waarin de Raad voor de Kinderbescherming, de jeugdbescherming en de jeugdreclassering (en ja, ook Halt) worden ondergebracht. Deze organisatie kan zich – op basis van gebundelde krachten – bezig houden met situaties waar drang en drang noodzakelijk is.

Het AMHK moet onderdeel worden/zijn van een laagdrempelige, directe en outreachende aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling en daarbij de opdracht moeten krijgen om de huidige kritiek (1) (zie: http://www.kinderrechtencollectief.nl) op het AMK te ondervangen.

Er zijn verschillende initiatieven die laten zien dat bij een gerichte, integrale, directe en laagdrempelige aanpak, huiselijk geweld, kindermishandeling en maatregelhulp teruggedrongen kunnen worden. Zonder – of met een minimale inzet van – dwang en drang. Kijk eens naar het Frontlijnteam in Heechterp-Schieringe (Leeuwarden) en de nieuwe aanpak van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam: generiek gezinsgericht werken. Bij beide initiatieven staat de eigen kracht van de gezinnen centraal. Het hele gezin staat centraal en niet uitsluitend het individuele kind.

Resultaten van zeer intensieve en systeemgerichte hulpverlening (hulp aan uit huis geplaatste, achterblijver(s) en eventueel betrokken kinderen), opgestart na het opleggen van een huisverbod tonen aan dat dit bijdraagt aan het verminderen van nieuw huiselijk geweld (Regioplan – Effectief uit huis geplaatst; 2013).

Het zou een doorbraak betekenen – en de huidige impasse kunnen opheffen – als er vanuit de overheid – op inhoudelijke gronden – een duidelijk besluit wordt genomen om hulpverlening enerzijds en dwang en drang anderzijds duidelijk – en van elkaar te scheiden. Een keuze voor één landelijke organisatie voor drang en drang kan daaraan bijdragen. Als deze organisatie op het niveau van de politie- en justitieregio’s vestigingen heeft, kunnen knuppel en zakdoek (dwang of drang) bijspringen of meelopen bij de uitvoering van het werk door robuuste, breed georiënteerde medewerkers binnen de lokale teams en hen zo in staat stellen jeugdigen en/of hun ouders/omgeving te motiveren tot het pakken en benutten van (nieuwe) kansen. Organisatorische centralisatie dus, als bijdrage aan inhoudelijke decentralisatie.

(1)

  • Het is onaanvaardbaar dat tijdens het onderzoek (gemiddeld drie maanden) geen van de betrokken partijen waakt over de veiligheid van het kind.
  • De hulp die er vervolgens komt (…) is te vaak algemeen van aard, gericht op diagnoses die de kinderen bijvoorbeeld ook hebben, bijvoorbeeld ADHD, of op opvoedproblemen in het algemeen. Daarmee wordt voorbijgegaan aan de mogelijke psychotraumatische gevolgen van de mishandeling die het kind zelf ervaart. En is veiligheid in het gezin te vaak niet het leidende thema in de hulpverlening, maar is dit ‘verkapt’ ondergebracht in een algemene aanpak.

Goede mensen hebben geen wetten nodig om een achterpoortje te vinden

9-11
Als de wet tegen je is, handel dan naar de feiten.

De rijksoverheid hevelt steeds meer taken over naar lagere overheden, maar verzuimt hen daarvoor toe te rusten. Lokale bestuurders en ambtenaren zien ook door de bomen het bos niet meer. Wat nodig is, is een kwalitatieve inhaalslag en eenvoudiger regels. Want zeker is dat wij van het verschil tussen de oorspronkelijke bedoeling en de uiteindelijke wetten kunnen leren hoe ver, snel en volhardend stelselzucht de daad van de droom scheidt…

Kent u dat gevoel? Het gevoel van ‘buitenspel staan’? Wel mee willen, maar niet mee mógen doen? Het komt in elke laag van de bevolking voor en het kan ook jou en mij overkomen! Uit ervaring weet ik dat dit je echt doodongelukkig kan maken.

Misschien daarom voelde ik mij én machteloos én boos toen ik deze week van vier jonge mensen hoorde dat zij wel mee wíllen doen, maar niet mee mógen doen. Boosheid die wellicht ook wel voortvloeide uit een juist een paar dagen eerder door mij geschreven column over participatie. Daarin schreef ik over de perverse prikkel rond participatie: het moeten (zie: https://verruimdehorizon.wordpress.com/2014/02/05/echte-participatie-vraagt-om-ont-moeten/). Ik betoogde dat participatie het ontginnen en ontwikkelen van passie is.

Enkele dagen later maakte ik kennis met vier jongeren die lid waren van de cliëntenraad van een GGz-instelling. Betrokken jeugdigen. Jeugdigen met een passie. Des te opmerkelijker vond ik daarom, dat alle vier ‘thuiszitters’ bleken. Niet, omdat ze niet naar school wíllen. Ze kúnnen er niet terecht!

Elk kind heeft recht op onderwijs betoogde ik. Onderwijs is geen privilege. Iedereen in Nederland moet van zijn vijfde tot zijn achttiende verjaardag naar school. Dat is vastgelegd in de Leerplichtwet. Dat recht betekent, dat wij als volwassenen de plicht hebben ervoor zorg te dragen dat iedere jeugdige onderwijs kan volgen. Zich kan ontwikkelen. Ook, als dat lastig of moeilijk blijkt. Dan moeten wij nagaan wat er moet worden toegevoegd om dat toch mogelijk te maken.

Toch zitten er jaarlijks vele kinderen onterecht thuis. Kinderen voor wie er geen plaats is binnen het onderwijs. Gewoon, omdat ons stelseldenken maatwerk in de weg staat.

In zijn onderzoek naar thuiszitters en het recht op onderwijs concludeerde Kinderombudsman Marc Dullaert dat eerder (mei 2013) ook al. Hij vindt dat kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, onderwijs op maat moeten kunnen krijgen. Overheid, scholen en leerplichtambtenaren moeten daarbij het kind centraal zetten en de afspraken hierover vast leggen in een thuiszittersakkoord. Een nobel én terecht streven. Met als doel dat alle kinderen in Nederland het onderwijs krijgen waar zij recht op hebben. En toch…het schuurt in de ondersteuning voor kwetsbare jongeren in het onderwijs. Jongeren die daarin zijn vastgelopen. Door psychische problemen of verwaarlozing binnen het gezin, geweld of misbruik.

Schoolverzuim is volgens de wet strafbaar. De tolerantiegrens is de afgelopen periode dan ook stevig verhoogd. De overheid treedt strenger op tegen spijbelen. Handhaving daarvan ligt in handen van de leerplichtambtenaren.

De jeugdigen die ik ontmoette kregen daar ook mee te maken. Er werd – vanwege het geconstateerde verzuim – gedreigd met forse boetes. Totdat duidelijk werd dat de betreffende jeugdigen onder behandeling van de jeugd-GGz waren. Toen liet de leerplichtambtenaar niet meer van zich horen. Goedbedoeld misschien, maar volstrekt misplaatst. Want in plaats van terugtrekken was in de aanval gaan passender geweest.

Natuurlijk, ik pleit niet voor een boete voor de jeugdigen om wie het hier gaat. Maar als schoolverzuim een overtreding is, en jeugdigen kunnen geen onderwijs volgen, waarom worden ouders en jeugdigen dan wel en de daarvoor verantwoordelijke instanties niet actief aangesproken, vervolgd of beboet? Omdat er geen ruimte is voor maatwerk. Omdat het in de regelgeving en aanpak van dit probleem schuurt tussen het denken en het doen.

Onderwijs- en (zorg-) organisaties kunnen financiële problemen krijgen als zij kwetsbare jongeren lesgeven en opvangen. Daar verandert de Leerplichtwet niets aan. Frieslab maakte daarvan – op basis van een ordening van de wet- en regelgeving – onlangs een analyse (1). De conclusie? Het schuurt op het snijvlak van zorg, onderwijs en sociale zaken. Omdat het volgen van onderwijs voor kwetsbare jongeren in opvang- en behandelorganisaties onvoldoende geborgd is in de wet- en regelgeving.

De jongeren waar het rapport over handelt, zijn jongeren onder de 23 die te maken hebben (gehad) met ernstige problemen. Jongeren, zoals die vier die ik deze week ontmoette. Jonge mensen die een zo normaal mogelijk leven willen opbouwen. Niet willen vastzitten aan hun verleden, maar willen werken aan toekomst. Jeugdigen, die willen meetellen en meedoen! Maar tureluurs en ontmoedigd worden door wet- en regelgeving die hen – ondanks goede bedoelingen – vermalen in de versnippering en tegenstrijdigheden daarbinnen. En hen zo naast het strafbankje ook nog eens in het verdomhoekje plaatsten!

Het is zaak dat wij daarvan bij de omvorming van ons sociaal domein werk maken. Door en met samenhangende wet- en regelgeving. En bevrijdende kaders. Want ook de invoering van de nieuwe stelsels voor passend onderwijs en jeugdwet bieden geen oplossing voor deze problemen. Zij vertonen nog altijd de sporen van bureaucratie en beheerzucht. Zij dienen – hoe goed bedoeld ook – niet de publieke zaak, maar helpen haar om zeep. Bevrijdende kaders, ruimte voor maatwerk kan ervoor zorgen dat ieder kind een passend plekje vindt in het onderwijs. Maar, omdat wetten als spinnenwebben zijn, die de kleine vliegen vangen, hebben wij vooralsnog wespen en horzels nodig om er doorheen te breken.

Voor de thuiszitters van nu is dat geen oplossing, want het Nederlandse wetgevingsproces deugt niet. Het duurt allemaal veel te lang en levert zelfs ‘prutswerk’ op. Daarbij lijkt de (rechts)praktijk speelbal geworden van politieke spelletjes. En spelletjes van koepelorganisaties. Het hele wetgevingsproces is ‘een stroperige bedoening’ die het mogelijk maakt om een wetsvoorstel tien jaar of zelfs langer te laten slepen.

De wetsvoorstellen zelf zijn vaak inhoudelijk goed. Het gaat meestal fout na de indiening van het voorstel in de Tweede Kamer. De voorstellen worden inzet van een politiek debat; en dat gaat soms niet eens over het onderwerp van het voorstel. Het is daarom dat ik de huidige generatie thuiszitters goede en betrokken professionals toewens. Mensen die geen wetten nodig hebben om een achterpoortje te vinden. Zij maken het verschil. Een constatering die ik ook eerder al moest trekken (zie: (https://verruimdehorizon.wordpress.com/2014/01/24/vergeet-mij-niet-het-leven-begint-bij-18/).

(1) In het rapport “Het schuurt tussen onderwijs, zorg en sociale zaken” presenteert Frieslab, naast soms hele praktische oplossingen, een model dat gemeenten helpt om te zien voor welk soort problemen ze op welke schaal moeten samenwerken. Zie ook: http://frieslab.nl/nieuw-rapport-frieslab-het-schuurt-tussen-onderwijs-zorg-en-sociale-zaken/

Echte participatie vraagt om ont-moeten

• Participatie kondig je niet af; dat doe je – met hart en ziel (en niet met de portemonnee)

kunst van het verleiden

Burgerparticipatie, overheidsparticipatie en de participatiemaatschappij. Participatie is hot. Als containerbegrip wordt het te pas en te onpas gebruikt voor het ‘verkopen’ van beleidsvoornemens van overheden.

Meedoen. We raken er maar niet over uitgepraat. Maar onder al die mooi verpakte participatieboodschappen zit uiteindelijk maar een motivatie: geld dan wel kosten.

Ben ik dan tegen participatie? Integendeel. Waar ik echter – in toenemende mate – bang voor ben, is dat wij ‘participatie’ institutionaliseren. Het wordt naar mijn mening teveel gepresenteerd als iets ‘extra’s’ of iets wat er ‘bovenop’ komt. Zo wordt ‘meetellen’ een ‘meedoen’ een last in plaats van een lust.

Participatie betekent ‘actieve deelname’. Het is afgeleid van de Latijnse woorden pars (deel) en cipere (nemen). Die oorspronkelijke betekenis is eind jaren zeventig ‘verkracht’ door participatie als de historische opvolger van het begrip ‘inspraak’ te gaan hanteren. Datgene waar men inspraak op eiste – en vervolgens al dan niet van harte bood – was de publieke besluitvorming. Burgers kregen “inspraak” in ambtelijke procedures. Werden ‘gehoord’ door de overheid. Waarbij deze de burger aanhoorden, zonder dat zij op enige wijze verplicht waren ook daadwerkelijk consequenties eraan te verbinden. Daarop werd de term participatie (meedoen) gelanceerd.

Ieder mens wil van betekenis zijn. Elk mens wil meedoen! Niet, omdat het moet, maar omdat het een intrinsieke menselijke trek is. Van betekenis zijn en meedoen vraagt om het gebruik van de mogelijkheden, de talenten van mensen. En juist op dat onderdeel vliegen wij als beleidsmakers (te) vaak gierend uit de bocht. Vanuit de verzorgingsstaat benaderen we mensen vanuit systemen, regels en voorschriften. Iedereen mag meedoen mits… En de tegenhanger daarvan, de participatiemaatschappij, hanteert nagenoeg hetzelfde principe: Iedereen moet meedoen, en daarom….

Mensen die om wat voor reden dan ook niet kunnen meedoen, doen dat niet, omdat ze niet willen. Het zijn systemen, regels en voorschriften die hen in de weg staan. Soms onbedoeld, maar toch. We verzuimen uit de gaan van de vraag wat mensen nodig hebben om weer mee te kunnen doen. Met andere woorden: wat heb jij nodig om jezelf te ontwikkelen, om te worden wie je wilt of kunt zijn. Wij benaderen liever mensen vanuit de rechtmatigheid van het gebruik van een regeling dan vanuit de vraag van hun ontwikkeling.

Het woord participatie heeft hierdoor een te sterk economische connotatie gekregen. En ja, ik hoor het Kabinet luid roepen dat het geen verkapte bezuinigingsoperatie van het kabinet is. Maar toch..

Meedoen gaat niet om de logica van het geld. Het gaat om de logica van de vanzelfsprekende wederkerigheid. Of, zoals Jos van der Lans dat mooi zegt: ‘Je kunt de participatiemaatschappij niet afkondigen. Bomen groeien niet als je er aan de bovenkant aan gaat trekken, maar ze groeien als je er een goede voedingsbodem onder legt. Als de overheid bijvoorbeeld corporaties hindert om nog langer met leefbaarheid bezig te zijn, is dat contraproductief. Dan zeg je dat die boom moet groeien, maar ben je de bodem aan het verdorren.’

Participatie gaat over inclusie. In een inclusieve samenleving zijn mensen er voor elkaar. Niet, omdat het moet, maar omdat ze het willen. Willen begint met ont-moeten.

Ont-moeten stelt hoge eisen aan de overheid. Een zelfbewuste overheid die (be-)stuur op basis van partnerschap en onderlinge afhankelijkheid. Een verbindende overheid dus. Een overheid ook die vakmanschap boven protocollen en voorschriften durft te stellen. Een overheid die voorbij het moeten – en het daarvoor benodigde controle- en beheers-denken – ruimte creëert voor ontmoeting, lef, creatiekracht en netwerkpotentie.

Participatie is het ontginnen en ontwikkelen van passie. Participatie gaat over ‘durven dromen’. Successen delen én vieren. En ja, voor dat alles is moed en vertrouwen nodig. Anders kan het niet. Meedoen is een spel: je moet vertrouwen winnen én geven. Participatie begint met het besef dat je het alleen sámen kunt bereiken. Anders houdt het op.

Kortom: Participatie moet niet opgedrongen worden. Opdringen werkt niet. Het is de kunst van het verleiden. Het rare is alleen, dat ik nauwelijks beleidsnota’s kan bedenken die dat proberen. Da’s jammer, want het mooiste van verleiding …is eraan toegeven.

Elke dag wordt je leven een dag korter. Zorg dat elke beweging van belang is.

* 11 acties om sport en bewegen in de buurt te stimuleren

Linsen Communicatie http://www.linsen.nl maakte deze animatie voor het NISB / Taskforce Belemmeringen (voorzitter Onno Hoes), om hun actiepunten te illustreren die nodig zijn om sport en bewegen in de buurt te stimuleren.

De autoriteit van de therapeut schaadt maar al te vaak degenen die leren willen

(Vrij naar: De natura deorum, Marcus Tullius Cicero, Romeins staatsman en schrijver 106 v.C. – 43 v.C.)

  • Kijken is meer dan zien

gezichtenvaas
Voor mij is anders kijken één van de belangrijkste elementen van creatief denken. Als je flexibel kunt zijn in hoe je dingen ziet dan krijg je veel nieuwe impulsen, en dan ga je ook andere dingen zien.

Om anders te zien, moet je bewust kijken. Sommige mensen doen dat van nature (kunstenaars bijvoorbeeld). Anderen doen dat met een gekleurde bril….

Vanaf 2015 ligt alle jeugdzorg bij de lokale overheden, ook de Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ). De wet geeft de gemeenten veel vrijheid in de manier waarop ze hun jeugdbeleid gaan vormgeven. Dit voornemen roept felle reacties op. Niet in de laatste plaats vanuit het veld van professionals. Die de onzekerheid van ouders over de toekomst van de zorg voor en behandeling van hun kinderen met psychiatrische problematiek wat graag voeden met spookbeelden. Van indicatie stellende ambtenaren bijvoorbeeld (zie: http://www.youtube.com/watch?v=alW2K4aiMbU).

Dat filmpje werd mij onder de aandacht gebracht door een BIG-geregistreerde klinisch psycholoog/psychotherapeut. In reactie daarop heb ik de betrokken professional laten weten dat ik het filmpje op zijn vriendelijkst gezegd tendentieus vind. Het borduurt voort op misplaatste en misleidende beeldvorming en geeft een volstrekt verkeerd beeld van dat wat gemeenten momenteel daadwerkelijk organiseren. Het antwoord dat ik daarop kreeg was zo mogelijk nog verontrustender: “Het filmpje is zeker tendentieus. Ik heb de inzet van de gemeente(n) tot op heden zeker als positief ervaren, maar bemerk ook dat het niet overal zo gaat.”

Waarom dat verontrustend is? Omdat het precies typeert wat wij in ons land graag doen: de uitzondering (het probleem) uitvergroten. De bredere beweging die aan de overdracht van de jeugdzorg naar gemeenten ten grondslag ligt, verengt zich zo tot een eenzijdige obsessie van professionals. Professionals die hun autoriteit te zeer misbruiken en daarmee de partijen die willen leren schaden.

Ik werd in mijn opvatting gesterkt door een uiterst inspirerende lezing van Scott D. Miller welke ik deze week mocht bijwonen. Een lezing, aangeboden ter gelegenheid van het 10jarig bestaan van Trias jeugdhulp (Zwolle).

Psycholoog Scott D. Miller, Ph.D. (Institute for the Study of Therapeutic Change, Center for Clinical Excellence) presenteerde zijn visie op psychologische zorg. De essentie van zijn betoog? Een psycholoog kan betere psychologische zorg bieden door te werken volgens het principe van ‘practice based evidence’ in plaats van ‘evidence based practice’ (Zie ook http://www.scottdmiller.com/).

Zijn betoog deed mij denken aan verschijnsel bij de ziekte van Alzheimer: het gaten in het geheugen opvullen met verzinsels. Als gevolg daarvan wordt de gedachtegang verward en gaat de greep op zichzelf en de omgeving verloren. Er ontstaan dan gemakkelijk angstgevoelens, eventueel gepaard gaande met verschijnselen van depressiviteit. Door de geheugenstoornissen is men voortdurend alles kwijt hetgeen een basis vormt voor het ontstaan van achterdochtige (paranoïde) gedachten.

Ik citeer Miller: “Een soortgelijk vertekenend beeld lijkt ook aanwezig in de subjectieve zelfanalyse van professionals in de GGZ. Hun eigen effectiviteit schatten ze steevast dwaas hoog in. Die mening stoelt vrijwel nooit op harde cijfers en de beroepstrots van het ego zit vaak danig in de weg.” Dat ervaart Miller wanneer hij – overal ter wereld – keer op keer respectabele therapeuten hoort praten over de eigen effectiviteit en hoort twijfelen aan het feit dat de beoordeling door een cliënt veel zwaarder weegt dan de schouderklopjes van collega-wetenschappers. “Doe je ogen open, lees het actuele wetenschappelijke onderzoek”, verzucht hij dan. “Geschoolde en gekwalificeerde therapeuten in alle disciplines overschatten hun eigen effectiviteit met gemiddeld 60%!”

Tijdens zijn doorwrochte – en tegelijkertijd lichtvoetige – betoog presenteerde hij uitermate toegankelijk de naakte feiten van zijn practise based evidence. Over een onderling hopeloos verdeelde en een met het eigen imago schermutselende beroepsgroep. “Wanneer loodgieters eenzelfde wazige opvatting over hun nering zouden ventileren als therapeuten, dan lekte heel Nederland van binnenuit en konden we het landje doortrekken.”

Therapeutische uitmuntendheid vraagt niet om nog meer of nieuwe behandelmethoden en technieken. Integendeel. “Het is niet de therapeut of zijn therapiemodel wat een therapie doet slagen. De meest krachtige factor tot verandering is de cliënt (de mens) zelf en wat zich afspeelt in zijn of haar leven buiten de therapiekamer. De zogenaamde extra-therapeutische factoren. Gevolgd door de tot stand gebrachte relatie tussen cliënt en therapeut” (Barry L. Duncan, Scott D Miller, Jacqueline A Sparks 2004).

Anders gezegd: isoleer niet het ‘probleem’, maar plaats het in haar context. En focus de behandeling niet op het beperken van het problematische functioneren. Herstel van het onproblematisch functioneren vraagt om het kijken (en durven zien!) van kansen en mogelijkheden. En laat dat nu precies het fundament zijn van de decentralisatiebeweging van en bij de meeste – zo niet alle – gemeenten: het plaatsen van de inwoners in het bredere denk- en kijkraam van hun talenten en omgeving.

De vraag hoe dat werkt, laat ik u graag zelf beantwoorden. Door eens te kijken naar het (door Miller gebruikte) navolgende filmpje. Ik zou onze Senatoren (leden Eerste Kamer der Staten Generaal) willen adviseren om, alvorens op 11 februari 2014 het debat over de Jeugdwet te voeren, daarvan kennis te nemen. Net als van het bredere denkraam van Miller. Hij ontrafelt het geheim van de excellente therapeut. En geeft ook een andere ‘kleur’ aan het buitengewoon gekleurde verzet vanuit de jeugd-GGz.