verjaren is…een boswandeling

ouder worden – jaar na jaar
is als lopen door een bos
waardoorheen vier seizoenen lang
wind en licht symfonieën orkestreren
over opborrelende en betoverende lentes
– waarin de levenskracht opwelt –
over zomerzwoele nachten
en poëtisch als het herfstbont
tot inkeer en zichzelf komen
om de winter te gebruiken als voedingsbodem
voor meditatie en ingetogenheid
de opmaat naar vernieuwde ontplooiing

het bos
waar schaduw beschutting biedt
of geluksgevoel versombert
waar je vogels hoort zingen
als in zorgeloze tijd
en waar wijsheid en geduld
in dauwdruppels glinsteren

waar de geur van bloemen en natte aarde
de herinnering of verwachting prikkelen
waar zonovergoten
– tussen boomkruinen door –
regen de transformatie overboogt
met een simpele en duidelijke boodschap:
om mij van de zonnige kant te kunnen zien
moet je de regen aan de andere kant accepteren

dat jij
als die regenboog in dat bos
met hart en ziel en herboren moed
vol verwachting dus
de deur mag openzetten
naar wat zich nooit voorspellen laat
de toekomt

en dat jij
als de wind en het licht in dat bos
mede de componist daarvan wilt en mag zijn

van harte

Advertenties

Maatwerk komt tot stand aan de keukentafel…

  • en niet in een anonieme kantoorkolos, ver weg van de dagelijkse werkelijkheid van mensen.

Er was grote euforie over de snelheid waarmee Rutte en Samson in september/oktober van dit jaar tot een regeerakkoord kwamen. Inmiddels is het debat over de regeringsverklaring achter de rug. De aanvankelijke euforie over het regeerakkoord heeft plaatsgemaakt voor zorg en verontwaardiging over het broddelwerk dat beide politici aan de basis van het kabinet Rutte II legden.

Zo vermeldt het regeerakkoord wel de uitgangspunten voor een geïntegreerde aanpak van de decentralisaties, maar blijkt datzelfde regeerakkoord de decentralisaties vooral te willen misbruiken voor een grootschalige bestuurlijke herindeling.

De aankondiging dat minister Ronald Plasterk van Binnenlandse Zaken (PvdA, BZK) de coördinerend bewindspersoon voor de decentralisaties binnen het sociaal domein wordt, spreekt in deze boekdelen. En ja, gezien de plannen om tot een andere bestuurlijke schaal te komen, ligt die keuze volslagen voor de hand. Wanneer wij echter kijken naar de inhoudelijke ambities die aan de decentralisaties ten grondslag liggen (het realiseren van een nieuw inhoudelijk fundament) is het volslagen kolder dat de minister van Binnenlandse Zaken deze coördinerende taak op zich neemt. In het regeerakkoord stond overigens ook dat de decentralisatie jeugdzorg op het ministerie van VWS zou worden gecoördineerd.

Ik merk dat de in het regeerakkoord aangekondigde maatregelen door de wispelturige houding van het kabinet tot veel vragen en ongerustheid leiden. Niet in de laatste plaats ook, omdat het kabinet zelf de betekenis en uitwerking vaak nog niet duidelijk heeft. En juist daardoor tegenstrijdige boodschappen afgeeft. Enerzijds spreekt het kabinet over meer beleidsvrijheid voor gemeenten, maar anderzijds shopt het kabinet bij de vormgeving van de daarbij behorende wet- en regelgeving langs gelegenheidsargumenten. Neem de van bovenaf opgelegde schaalvergroting uit het regeerakkoord.

In een interview op Radio 1 (maandag 19 november 2012) beweerde Plasterk dat onderzoek heeft aangetoond dat gemeenten toch minimaal 100.000 inwoners zouden moeten hebben om de (financiële) verantwoordelijkheden- en risico’s – verbonden aan de decentralisatieopgave – het hoofd te kunnen bieden. En dat is precies wat dit nieuwe kabinet wil.  In dit verband noemde Plasterk de gemeentelijke herindeling op Goeree-Overflakkee. Woensdag 21 november vonden de herindelingsverkiezingen daar plaats.

Op Goeree-Overflakkee worden 4 gemeenten samengevoegd: Dirksland, Goedereede, Middelharnis en Oostflakkee. Na de herindeling wordt het een van de omvangrijkste gemeenten van Nederland, met ruim 420 vierkante kilometer. Maar, er wonen slechts 48.000 mensen! Toen Plasterk daarmee geconfronteerd werd, bleken de uitkomsten van dat door hem aangehaalde onderzoek over de minimaal noodzakelijke schaal toch weer minder hard of maatgevend. En ja, een niet onbelangrijke nuance is dat ook in het regeerakkoord staat dat daar in plattelandsgebieden van kan worden afgeweken. Omdat anders sommige gemeenten qua grondgebied wel erg groot zouden worden. En je wel een regionaal logische samenhang moet houden.

Dit laatste klink weer logisch. Maar veel vertrouwen geeft het niet… Want het kabinet blijkt eigenlijk helemaal niet te weten wat het wil. Althans, als ik de uitkomsten van het eerste Bestuurlijk Overleg met minister Plasterk goed versta. In dat overleg is uitvoerig stilgestaan bij de onduidelijkheden en vragen die er over het regeerakkoord leven bij o.a. gemeenten en provincies. Die onduidelijkheden zijn nog niet weggenomen. “Maar,” – zo beloofde Plasterk – “Voor het einde van het jaar moet die duidelijkheid er wel zijn.” Waarmee hij de steeds luider wordende kritiek op het regeerakkoord (broddelwerk en bagger!) nog eens onderstreepte. Want die duidelijkheid had er natuurlijk moeten zijn toen de heren hun plannen smeedden.

En ondertussen zie je de panelen van de besluitvorming stilletjes aan verschuiven. Was het oorspronkelijke uitgangspunt dat elke individuele gemeente – groot dan wel klein – integraal verantwoordelijk is voor de decentralisaties van werk, jeugd en zorg en ondersteuning, inmiddels lijkt het keuzepalet al versmald naar 1) alleen 100.000+gemeenten, 2) centrumgemeenten of 3) samenwerkingsverbanden.

Men heeft kennelijk het idee dat grootschaligheid de bestuurskracht vergroot. Ik denk dat niet. In elk geval hangt bestuurskracht volgens mij van meerder factoren af. En ook idealiseer ik de huidige regionale samenwerkingsverbanden dan wel gemeenschappelijke regelingen geenszins.  Zij zijn democratisch gezien verre van optimaal, maar nochtans werkbaar.

Het grootste bezwaar dat ik tegen het denken in grootschaligheid heb komt echter van de burgers. Zij voelen zich verbonden met hun dorp of woongebied en willen niet opgaan in een groter geheel, dat hen vreemd is en hen niet kent. Deze identiteitskwestie is niet onbelangrijk. Want wat ook het ‘goede doel’ mag zijn, politici dienen met dit gegeven rekening te houden. Zeker als wij gemeenten serieus ruimte willen bieden voor maatwerk. En ja, ook – of misschien wel juist – gelijkwaardigheid van mensen dwingt tot maatwerk. Dat geldt ook voor de financiering. Het is leuk om bewust met kosten bezig te zijn alsofhet om je eigen portemonnee gaat. Zeker in tijden waarin niet alles meer als vanzelfsprekend mogelijk is.

Dus, zo houd ik het kabinet in het algemeen en meneer Plasterk in het bijzonder voor, doe alstublieft niet mee aan het grootschaligheidsdenken. Omdat dat de mensen en onze portemonnee eerder benadeelt dan ten goede komt.

 

Spreken met gespleten tong

Het Rijk spreekt met gespleten tong. Zij predikt decentralisatie en eigen kracht, maar doet aan centralisatie en beheersing. Als we nivelleringsdiscussies over zorgpremies en inkomensverdeling even laten voor wat ze zijn, zien we dat er in de plannen van Rutte en Samson nog veel meer weeffouten zitten.

De overheid decentraliseert. Een wezenlijk element daarbij is dat gemeenten veel beleidsvrijheid hebben om de uitvoering zelf vorm te geven. De logica van de decentralisatie en het principe van eigen kracht vraagt erom dat, wanneer de overheid taken in medebewind geeft aan lagere overheden, er ook ruimte ontstaat voor individuele verschillen. Aansluiten op de eigen kracht van mensen en gemeenten brengt immers met zich dat de uitvoering per gemeente en individu sterk kan verschillen.

Het centrale beleid vormt daarbij het beleidskader waarbinnen gemeenten moeten blijven, maar fungeert niet meer als het uitvoeringskader. Simpelweg, omdat de prioriteiten, kansen en bedreigingen plaatselijk en per individu kunnen afwijken van de landelijke dan wel het gemiddelde. In feite is er bij eigen kracht sprake van unieke dossiers. Kortom, overheidsdecentralisatie brengt met zich mee dat er – bij de vormgeving van ondersteuning – gebroken wordt met het gelijkheidsbeginsel. Het gelijkheidsbeginsel beperkt zich – in geval er behoefte of noodzaak aan ondersteuning blijkt – tot het gelijke recht op een op de eigen kracht ‘bijspringende’ dan wel ‘meelopende’ overheid. De aard, vorm en intensiteit van het ‘bijspringen’ of ‘meelopen’ mag c.q. moet vervolgens verschillen.

In veel – zo niet alle – gemeenten in Nederland wordt als gevolg van de aan de decentralisaties verbonden nieuwe ontwikkelingsruimte – een omslag van domein- (onderwijs, welzijn, zorg, arbeid, etc.) gebonden ondersteuning naar een meer gebieds- en persoonsgerichte ondersteuning.

Het rijk heeft kennelijk grote moeite met deze dynamiek. Dit moet ik – node – afleiden uit de sterk centralistische en beheersende stijl die is terug te vinden in de (concept) wet- en regelgeving die de decentralisaties moet gaan kaderen. Kennelijk bestaat de vrees dat de decentralisatie de eenheid van beleid ondergraaft. De realiteit is echter, dat het daaraan vasthouden in toenemende mate de ineffectiviteit en onbetaalbaarheid daarvan zal bewerkstelligen.

Eigen kracht vraagt om ruimte voor verschillen. Decentrale vrijheid om daaraan vorm te geven vraagt om een combinatie van heldere centrale kaders en een daarop gebaseerd toezicht. Een focus dus op het bepalen ‘wat’ er gerealiseerd moet worden, en ‘dat’ het gerealiseerd wordt. Het ‘hoe’ is aan de individuele gemeenten en hun inwoners.

Het streven naar decentralisatie wordt, blijkens het regeerakkoord, door het huidige kabinet met de mond en de geschreven letter – nog wel beleden: de ‘taken van het bestuur worden op een zo dicht mogelijk bij de burger gelegen niveau gelegd’ en ‘het aantal ambtenaren bij alle bestuurslagen wordt verminderd, onder meer door decentralisatie en taakverschuiving richting provincies en gemeenten.’ Tegelijkertijd meent het kabinet kennelijk dat in kleinere gemeenten het bestuur te dicht bij de burger staat. Immers, in hetzelfde kabinetsakkoord blijkt opgenomen dat het rijk er op inzet om de decentralisaties alleen nog voor 100.000+ gemeenten te laten gelden. Het nieuwe kabinet geeft daarmee een vreemde invulling aan het door haarzelf gepredikte principe van eigen kracht. Niet langer krijgen gemeenten van Schiermonnikoog tot Amsterdam dezelfde taken. Sommige taken kunnen alleen worden uitgevoerd door gemeenten met minstens 100.000 inwoners.

De voorstanders van deze inzet proberen deze keuze te verdedigen met de opmerkingen dat ‘dit de druk op kleine gemeenten om op alle vlakken te presteren verlaagt’. Je krijgt dan in feite twee soorten gemeenten: Grote gemeenten die een compleet takenpakket uitvoeren en kleine gemeenten in het landelijk gebied. Probeer dit principe is toe te passen op grotere en kleinere gezinnen…

Voor mij is de kabinetsinzet een ongehoord drukmiddel op meer en grootschaliger herindelingen. Als kleine of middelgrote gemeenten een volledig takenpakket willen uitvoeren, zullen ze moeten zorgen voor schaalvergroting. En daarmee slopen zij nu juist dat wat nodig is om het principe van eigen kracht tot volle wasdom te laten komen: nabijheid en herkenbaarheid. Deze principes laten zich nu eenmaal beter vorm geven in kleinschalige dan grootschalige omgevingen. In het regeerakkoord lijkt die les vergeten.

Een meer evenwichtige verdeling van de ondersteuning van burgers – klein en groot, jong en oud – bereik je niet door nivellering van en in de bestuurskracht, maar door exploratie van de verschillen. Deze vorm van bestuurlijke nivellering leidt af van de werkelijke inzet. Iedereen moet naar vermogen bijdragen. Om dat te bereiken moet je de mensen kennen en (h)erkennen. Dat vraagt om een daarop afgestemde schaal van organiseren. En het op passende wijze ondersteunen van hen die het slechtst af zijn.

Niet grootschaligheid, maar kleinschaligheid is daarvoor de best denkbare motor. Van energievoorziening tot verzekering, alles wordt kleinschalig en lokaal. We transformeren burgers daarbij van consument naar producent. Zo ook ontstaat bewustwording van eigenaarschap. De stap van eigenaarschap naar klinkende prestaties op basis van creatieve en innovatieve ideeën om dromen te laten uitkomen is én voor elk individu waardevol én – naar mijn stellige overtuiging – levensreddend voor onze economie.

Het is te hopen dat het kabinet dit gaat inzien en de – vanuit een zucht naar beheersing en nivellering ingegeven – begrenzers loslaat. Waardoor de uitkomst van de decentralisaties meer wordt dan de som der delen. Daarmee kunnen zij gemeenten inspireren en stimuleren om er uit te halen wat er in zit.

de gevoelige snaar

onzichtbaar maar intens
zijn de vibraties
de tintelende trillingen
die het zijn laten voelen

diep door in het hart
dringt de ontroering

diep door in het hoofd
wortelt de vertedering

verder dan het oog kijkt
horizont zich de verwondering

luider dan het oor hoort
laat zich de verbazing horen

diep in lijf en leden
gloeit de opwinding
de indringende stilte
besprenkelt de ziel
met het heet van de hartstocht
of het ijs van de verkilling

de schreeuw van de gevoelige snaar
geraakt door de ander
giert door het lichaam
gehoord en ongehoord
bespeelt wie geraakt wil worden
en gaat in diepgang en betekenis
de verbeeldingskracht van het woord voorbij

Luister ’s naar me

De Week van de Opvoeding 2012 (1-7 oktober) draaide om ontmoeting en uitwisseling tussen ouders, medeopvoeders, kinderen en jongeren. Daarbij stond een positieve benadering voorop. Het thema van de Week van de Opvoeding 2012 was ‘Luister ’s naar me!’.

Iedereen kon meedoen aan de Week van de Opvoeding: ouders, kinderen of jongeren. Maar ook professionals of vrijwilligers, werkzaam op scholen, in de kinderopvang, bij peuterspeelzalen, Centra voor Jeugd en Gezin, bibliotheken, sport-, cultuur- of welzijnsverenigingen, buurthuizen, speeltuinen, jeugdzorginstellingen, gemeenten, enzovoort.

In het kader van de Week van de Opvoeding 2012 was er voor alle ouders en opvoeders, kinderen én professionals in Nederland het opvoedweekgeschenk: het boek ‘Luister ’s naar me’. Tijdens een van de activiteiten tijdens de week van de opvoeding kreeg ook ik dit boekje in handen. Het bevat veel inspirerende en direct in de opvoedpraktijk te hanteren voorbeelden. Nadat je dit makkelijk geschreven boekje uit hebt, heb je niet alleen een beter inzicht in het gedrag van je kind, maar worden je ook meteen een hoop antwoorden op vragen over de opvoeding als vanzelf duidelijk2.

Het opvoedgeschenk 2012 is altijd handig om bij de hand te hebben. En dan, dan blijkt er toch een raar addertje in het opvoedgras te liggen. Op pagina 4 van dat gratis uitgegeven boekje staat namelijk het volgende te lezen:

“Alle rechten voorbehouden. Het Opvoedweekgeschenk is speciaal door Hollandsch-Welvaren ontwikkeld in het kader van de Week van de Opvoeding 2012. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën , opnamen of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Hollandsch-Welvaren.”

Ik heb het die middag een paar keer nagelezen om te zien of ik het echt goed gelezen had. En voor de zekerheid heb ik de exacte tekst hierboven nog maar eens op papier gezet. Het staat er echt: “Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, ….of openbaar gemaakt …. zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Hollandsch-Welvaren.”

Ik heb de deelnemers aan de betreffende activiteit het boekje nadrukkelijk aangeprezen. Ze ook gewezen op het copyright. En hen daarbij uitgenodigd en aangemoedigd alles te doen wat in het boekje staat. Maar ik heb hen ook uitgenodigd zich niets aan te trekken van het in het boekje geformuleerde copyright. Want juist in deze uitgave zou het gangbare, maar beschermende, copyright vervangen moeten zijn voor het ‘right to copy’. Deze standaard – met bijbehorend symbool – speciaal door Alares ontworpen – houdt in dat het boek dan wel de inhoud vrij mag worden verspreid, gekopieerd, ge-download en verwerkt in online-mashups. Zo kan de inhoud worden aangevuld en verbeterd en blijft het actueel. Niet in de laatste plaats omdat het boekje – hoe goed en inspirerend ook geschreven – in feite gebruik maakt van door de eeuwen heen gegroeide en gepraktiseerde opvoedprincipes. Opvoedprincipes die veruit de meeste gezinnen dan wel opvoeders gebruiken zonder zich hiervan bewust te zijn. En dat dan weer, omdat de opvoeding (gelukkig) in veruit de meeste gevallen ‘vanzelf’ goed gaat. Dat doet vervolgens weer niets af aan de toevoegende waarde van het boekje voor gezinnen en professionele opvoedingsmilieus waar sprake is van situaties waarin deze vanzelfsprekendheden niet zo vanzelfsprekend meer zijn.

Het ‘vermarkten’ van kennis over opvoeden is een ontwikkeling waarover ik mij al langer verbaas. Veel van de hedendaagse opvoedmethoden zijn met gemeenschapsmiddelen tot stand gebracht, en dienen derhalve dus zonder kosten ter beschikking te staan van en voor iedereen die ervan gebruik wil maken. Zo is het eigenlijk raar dat wij voor een besluitvormingsmodel als de Eigen Kracht-conferenties bedragen tussen € 1.900,- (conferenties bij leervragen) en € 4.500,- (conferenties voor een groep, wijk of buurt) moeten betalen. Terwijl dit besluitvormingsmodel – inclusief de daaraan ten grondslag liggende attitude – eigenlijk tot de standaard vaardigheden van elke dienst- of hulpverlener zou moeten behoren.

Eenzelfde kanttekening valt te maken bij Triple P. Een methode die binnen de hulpverlening ook zijn opmars maakt. Deze vanuit Australië afkomstige methode staat voor: Promoting Positive Parenting en reikt ouders verschillende handvatten aan voor de dagelijkse opvoeding. Ouders leren hoe zij gewenst gedrag bij hun kind kunnen stimuleren en ongewenst gedrag kunnen reguleren.
De inhoud van de methode is interessant, bruikbaar en sterk. Het is echter zonde om daarvoor een dure en intensieve training te volgen als men zich de uitgangspunten, basisprincipes en het begrip zelfregulatie ook op een andere manier eigen kan maken.

Het eveneens uit Australië afkomstige “Families by Families” is in feite niets anders dan varianten op wat wij in Nederland ‘maatjes-projecten’ of noaberschap (nabuurschap) noemen. In het verlengde van het gedachtegoed van “eigen kracht”, worden daarbij pedagogisch sterke families of personen als vrijwilligers gekoppeld aan families die te kampen hebben met problemen. Zij komen regelmatig bij elkaar over de vloer, gaan op gezamenlijke trips, eten zo nu en dan samen en fungeren als rolmodel en coach. Maar het moet toch niet nodig zijn om in Australië een licentie te moeten kopen om in Nederland “Families helpen Families”. Ook zonder een dergelijke (kostbare) licentie zullen er in gemeenten veel gezinnen te vinden zijn die van harte bereid zijn om bij te springen bij of me te lopen met een gezin dat tijdelijk in de knel zit.

Mijn pleidooi is dan ook: stop het vermarkten van allerlei generieke opvoedprincipes. Durf te erkennen dat het feitelijk en veelal gaat om het weer expliciet maken van dat wat in de achterliggende jaren wellicht is vervaagd of weggezakt.

Alle zogenaamd ‘evidenced based opvoedmethoden’ kennen per saldo dezelfde basisprincipes: rust, reinheid, regelmaat, in combinatie met veiligheid, aandacht en het recht op meedoen. Vanwege dit generieke karakter ben ik dan ook van mening dat ‘Luister ’s naar me’ en opvoeden- of besluitvormingsmethoden zoals de hiervoor aangehaalde altijd – en in ieder geval sneller dan tot nu toe gebruikelijk – voorzien moeten zijn van de tekst: Alles (uit deze uitgave) mag – in elke vorm en op elke wijze – worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van wie of wat dan ook.

1 Alles uit deze tekst mag – in elke vorm en op elke wijze – worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van wie of wat dan ook.

2In het boek “Luister ’s naar me” neemt ontwikkelingspsycholoog en gezinstherapeut Steven Pont de lezer mee in een boeiend gedachtenexperiment. Via een handige constructie maakt hij van de lezer weer eventjes een kind. De afhankelijkheid die je dan meteen weer voelt! De behoefte die je hebt dat dingen je goed worden uitgelegd! De wens je gehoord en gezien te voelen! En vooral ook er voor anderen echt toe te doen!

Later, Als je groot bent

Je herinnert het je natuurlijk nog van toen je een kleine jongen of een klein meisje was. Dat je vader of je moeder tegen je zei, ‘wacht maar tot later, als je groot bent’. Daar kwam natuurlijk altijd iets achter, iets dat je nu nog niet mocht of nog niet kon. Zelf alleen naar school lopen of nog veel later zelf autorijden. Het woord ‘later’ werd je met de paplepel ingegoten. Later is nooit nu, het is altijd de horizon, het perspectief, de hoop of de angst.

De toekomst voor de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de zorg voor jeugd begint niet over vele jaren. Die toekomst is dichterbij dan je denkt. Zij is eigenlijk al begonnen. Dat dachten alle gemeentebesturen in ons land tenminste. Totdat het regeerakkoord Rutte II kwam. Daarin staat te lezen dat alleen de circa 25 grootste gemeenten verantwoordelijk worden voor taken die van Rijk of provincies naar het lokale bestuur worden verschoven. Onduidelijk is of dit alleen geldt voor toekomstige decentralisaties, of dat ook Wet werken naar Vermogen, de decentralisatie jeugdzorg en de AWBZ/WMO veranderingen hieronder vallen. In dat geval hebben 380 gemeenten zich de afgelopen jaren voor niks voorbereid op de komst van die taken. Want gemiddeld kent een gemeente in Nederland momenteel 40.000 inwoners. En 95% van alle gemeenten heeft nu minder dan 100.000 inwoners, wat volgens het regeerakkoord te klein is om de nieuwe taken aan te kunnen.

Het regeerakkoord Rutte II laat zo opnieuw zien dat de ingesleten routines van het paradigma van de verzorgingsstaat, met zijn nadruk op centraal ingrijpen, grootschaligheid, uniformiteit en gelijkheid dominant zijn in het politieke debat. En juist dat paradigma past niet bij de veranderende maatschappelijke verhoudingen. Bovendien spreekt de rijksoverheid met gespleten tong.

Sinds de economische crisis staat grootschaligheid in de publieke perceptie gelijk aan onbeheersbaarheid, grootheidswaan en zelfverrijking. De pleitbezorgers van opschaling van overheidsorganisatie spuien ongemeen felle kritiek op instellingen die door hun expansiedrift in het ongerede zijn geraakt. Meavita, Philadelphia, Zonnehuizen en Vestia worden met graagte aangevoerd als een duidelijk bewijs voor het failliet van het grootschaligheidsdenken.

Is grootschaligheid dan een probleem? Wel als de nadelen groter zijn dan de voordelen. Bij het gevoel van binding, bescherming en thuiskomen maakt maatvoering het verschil. Menselijkheid vraagt kleinschaligheid.

Ik constateer daarom met lede ogen dat de rijksoverheid grootschaligheid lijkt te prefereren boven kleinschalige oplossingen. Kleinschalige oplossingen dragen bij aan een betere positie van de burgers. Het debat over de decentralisaties – feitelijk: transformaties – dreigt nu inderdaad weer een debat over systemen te worden. Waarbij vooral het denken in termen van beheer onevenredig teveel aandacht krijgt. Dit druist in tegen alles wat we met de transformaties willen: meer inzet en betrokkenheid van de mensen zelf. Wie dat wil, moet een structuur bouwen die de kans daarop zo groot mogelijk maakt. Die structuur bouw je niet door schaalvergroting, maar door schaalverkleining.

Groot- en kleinschaligheid hoeven elkaar volgens overigens niet uit te sluiten. Als grootschalige organisaties maar in staat zijn kleinschalig en op maat uit te leveren. Oftewel: de organisatie mag systeemgedreven zijn, als de uitvoering maar contextgedreven is en kan zijn. De kwaliteit van het primaire proces in de zorg voor jeugd en gezin – en voor mensen in het algemeen –draait om datgene wat er tussen mensen gebeurt. Daar moet je de ondersteuning en het systeem op inrichten, niet andersom.

Mijn argwaan jegens grootschaligheid heeft te maken met de daaraan verbonden verleiding tot groot, groter en grootst. Bovendien, zo toont onderzoek van het Centrum voor de economie van de lagere overheid (Coelo) van de Rijksuniversiteit Groningen aan, zijn grotere gemeenten prijziger dan kleinere zelfstandige gemeenten. Voor dit onderzoek – dat liep van 2001 tot 2012 – is gekeken naar de herindelingen van afgelopen tien jaar. Zonder uitzondering maakten de grotere gemeenten meer kosten. En tegelijkertijd is er de relativerende wetenschap dat geen enkel (wetenschappelijk) onderzoek een direct verband tussen schaalgrootte en de kwaliteit van de (financiële) prestaties aantoont. Net zo goed als dat ik uit ervaring weet dat als je klein bent, je bepaalde ambities niet of minder gemakkelijk kunt verwezenlijken.

Naar mijn idee echter moet bij de met de decentralisaties te bereiken transformatie het accent daar liggen waar het hoort; bij de burger en zijn woon- en leefomgeving. Zij zijn de drijvende krachten bij het eigen kracht denken dat diezelfde overheid zo nadrukkelijk predikt. Daarbij hoort de vraag wat de kleinst mogelijke eenheid is om het zonder hulpstructuren te kunnen. Het antwoord op die vraag zal leren dat er meer toevoegende structuren nodig zijn naarmate de omgeving groter en anoniemer wordt.

Het plan van Rutte II, gericht op het realiseren van grotere gemeenten is daarom arrogant ondoordacht. Als je wilt dat mensen uit gaan van hun eigen kracht, zich betrokken voelen bij hun buurt, hun stad, hun land, dan moet je die op een menselijke schaal vormgeven. Besturen zijn er immers voor mensen, en niet andersom. Wat we nodig hebben is méér decentralisatie, méér verantwoordelijkheid en beslissingsmacht voor burgers, en dus plattere organisaties. Wie pleit voor schaalvergroting, pleit voor een organisatie die niet zo vlak mogelijk is, maar juist piramidaal. Hoe groter de schaal, hoe verder de top van de piramide afstaat van de basis. Hoe groter de schaal, hoe meer tussenlagen, hoe meer bureaucratie, hoe meer vervreemding. Voor wie is dat nuttig?

De opstellers van het Divosa-rapport ‘De mythe van de schaal’ hielden deze reflex terecht tegen het licht. De veronderstelling dat de toenemende complexiteit van de regelgeving en de steeds stijgende prestatiedruk organisatorische schaalvergroting noodzakelijk maken is empirisch niet te onderbouwen. Organisaties kunnen daarom beter op zoek gaan naar hun natuurlijke schaal. Een vindplaatsbenadering, waarbij de omvang van een bestuurlijk construct niet wordt bepaald door bestuurlijke afwegingen, zoals bedrijfsvoering en beheersbaarheid, maar door het gedrag van de mensen waarmee en waarvoor gewerkt wordt. Die inzet van gemeenten mag Rutte II niet verstoren. Zij moet daarvoor ruimte creëren. Net zoals ik de ruimte kreeg en krijg om mijn dromen van ‘vroeger, toen ik klein was’ waar te maken.

Hallo wereld!

Peter Paul J. Doodkorte is getrouwd met Adri Doodkorte-Oosterom, (pleeg)vader van Michael, Patrick en Jitske en opa van Danny, Noa, Joshua, Julian en Benthe.

Zijn persoonlijkheid wordt gekenmerkt door authenticiteit, een grote werklust, gedrevenheid en passie. Hij kan luisterend en beschouwend zijn, maar ook doortastend en besluitvaardig. Hij kan mensen enthousiasmeren en inspireren en zo mensen in/en hun organisaties uitdagen en prikkelen om zich verder te ontwikkelen.

Met zijn verhaal, anekdotes en ervaringen op tal van maatschappelijke en economische werkterreinen inspireert hij zijn publiek en zet hij hen op een nieuw denkspoor. Hij kan anderen motiveren het beste uit zichzelf te halen en hun talenten te ontwikkelen. Mede daarom is hij een veelgevraagd spreker bij en dagvoorzitter van symposia en congressen en een begenadigd schrijver.

Peter Paul J. Doodkorte is als Partner verbonden aan Vondel & Nassau, een organisatieadviesbureau dat overheden en organisaties helpt de strategische doelen scherp te krijgen en deze daadwerkelijk te realiseren. Werkend vanuit maatschappelijke betrokkenheid pakken ze organisatie- en samenlevingsvraagstukken pragmatisch aan: ze schrijven geen dikke rapporten, maar komen met een gedegen advies en een resultaatgerichte aanpak. Centrale waarden in het werk zijn open communicatie, participatie en medezeggenschap. De zorg voor mensen is zijn passie en expertisegebied.