De valse oplossing is het echte probleem

probleem oplossing.png

  • We dromen van nieuwe, maar ontwaken op oude wegen

Steeds vaker realiseer ik mij, dat ik met goedbedoelde overwegingen meewerk aan het in stand houden van problemen. Door de verkeerde oplossing voor het goede probleem niet alleen mogelijk te maken, maar zelfs te omarmen. Elke keer als ik dat weer ontdek, troost ik mij Ik aan de worden van wijlen Johan Cruijff: “Je gaat het pas zien, als je het doorhebt.”

Soms hebben wij een wake-up call nodig om ons te realiseren dat wij veel werk maken van een oplossing voor een probleem, terwijl wij juist met die oplossing datzelfde probleem in stand houden dan wel mogelijk maken. De afgelopen week kreeg ik meerdere keren zo’n wake-up call.

Het begon in het weekeinde. Peter Dijkshoorn, kinder- en jeugdpsychiater en bestuurder van Accare (jeugd-GGz) reageerde op deze oproep: “Meer dan drieduizend gezinshuizen gezocht voor 10.000 kinderen”.

In de jeugdwet uit 2015 staat dat kinderen die niet meer thuis kunnen wonen bij voorkeur in een pleeggezin of in een gezinshuis moeten worden geplaatst. Nederland telt momenteel zo’n 750 gezinshuizen waarin bijna 2600 kinderen wonen. Daarnaast wonen er zo’n tienduizend kinderen in residentiële instellingen en 1700 in de gesloten jeugdzorg. Kunnen die allemaal naar pleeggezinnen en gezinshuizen zoals de wet voorstaat? “We kunnen het proberen, met geld van VWS en de VNG,” zo meldt het artikel. “Het is een illusie te denken dat we dit snel voor elkaar krijgen, maar we kunnen het wel proberen. Daarvoor is geld nodig om samen met de zorginstellingen de transitie van residentiële instellingen naar gezinsgerichte vormen van begeleiding mogelijk te maken, waaronder bijvoorbeeld ook kleinschalige voorzieningen zoals Spirit, Jeugdformaat en Fier die bijvoorbeeld hebben.”

Peter’s reactie was ontnuchterend: “Mooi, gezinshuizen, maar waarom niet fors investeren in onderzoek om het aantal uithuisplaatsingen minstens te halveren? Dat is haalbaar, beter voor kinderen en ook weer voor hún kinderen.”

Aan het einde van de week had ik een gesprek met een bestuurder van een organisatie voor de opvang van daders en slachtoffers van huiselijk geweld. Ook in dat gesprek kwam zo’n verwondering naar voren. “Waarom,” zo vroeg mijn gesprekspartner zich af, “realiseren wij voor dak- en thuislozen wel de eerste en tijdelijke opvang, maar niet de structurele huisvesting en participatie die wij beogen? Waarom richten wij – als vangnet – wel het bijstandsloket in, maar verzuimen wij ieder mens de kans te geven daadwerkelijk te participeren. Terwijl wij dat wel prediken!”

Natuurlijk, de verkeerde oplossing voor het goede probleem is te preferen boven een goede oplossing voor het verkeerde probleem. Maar tegelijkertijd moeten wij ons wellicht vaker realiseren dat veel van onze doen en laten eerder een maatregel ter beheersing dan een oplossing van het probleem is. Daarmee reduceren wij wellicht de impact van een probleem op ons leven of de samenleving, maar wij nemen niet de oorzaak ervan weg. En zo dijen de kosten tot levensbedreigende obesitas voor ons stelsel.

Veel organisaties binnen welzijn en zorg hebben in hun doelstelling staan dat – in finale zin – hun inspanningen er op gericht zijn zich overbodig te maken. Het zijn niet zelden ronkende teksten, die verschrikkelijk mooi klinken. De harde werkelijkheid is dat diezelfde organisaties hun bijdrage meestal vertalen of vertaald hebben naar een businessmodel dat vervolgens in stand gehouden moet worden. Omdat juist dat probleem – in combinatie met die oplossing – ons bestaansrecht en betekenis geeft.

Ons zorgsysteem is te duur, te log en te star. Het staat op het punt te imploderen. Daarom dromen wij van nieuwe wegen. Maar wij blijven wakker worden op de oude weg.

Als wij onze zorg voor elkaar en de samenleving daadwerkelijk anders willen regelen en inrichten, dan zullen wij moeten stoppen met het symptoom bestrijden. Dan zullen wij, zoals Peter en mijn gesprekspartner deze week, de bereidheid moeten hebben fundamentele vragen te stellen bij ons doen en laten. Dan moeten wij werk durven maken van het wegnemen van de oorzaken van een probleem. Ook, als dat uiteindelijke onze business om zeep helpt.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Advertenties

Romijn, slim op zijn eigen wijze

romijn.png

  • De zeventienjarige Lotte maakte een documentaire over haar autistische en zwakbegaafde broertje Romijn

Lotte wil graag dat de rest van de wereld kennismaakt met haar broertje Romijn zoals zij hem ziet: een autistische en zwakbegaafde jongen van 12, maar ook een heel bijzonder jongetje. En zeker niet dom, want hij kan zoveel meer. “Het is jammer, en eigenlijk ook niet eerlijk, dat hij allerlei labels opgeplakt krijgt.”

Hoe dat voor haar is, een broertje als Romijn, vindt ze moeilijk om zo 1, 2, 3 uitleggen. Het is immers haar enige broertje, dus ze weet niet beter. “Ik was zes toen hij werd geboren, en acht toen de diagnose autisme werd gesteld. Voor mij is Romijn dan ook gewoon zoals hij is. Een ontzettend lief en slim jongetje. Maar ook een jongetje dat bijvoorbeeld niet goed kan omgaan met veranderingen. Als we boodschappen gaan doen dan vertellen we hem van te voren naar welke winkels we gaan. Romijn denk dan heel rechtlijnig: stad, supermarkt, drogist, naar huis. Als we dan toch nog even naar een andere winkel willen dan is dat verwarrend voor hem en wil hij het niet.”

En nee, dat vindt ze niet lastig. Ze is wel gewend hoe het bij Romijn werkt. “Je kunt denken: jammer dat we niet iets spontaan kunnen doen, maar je kunt ook denken: stick to the plan. En soms kunnen we hem overhalen met snoep. Hij is dol op lolly’s, dus als we hem er een beloven dan wil hij toch nog wel even met ons iets doen wat we van te voren niet hadden afgesproken.”

Het plan om een documentaire over haar broertje te maken ontstond begin 2017 toen ze voor een filmfestival in haar woonplaats een klein filmpje over hem maakte. “Het was eigenlijk een soort trailer geworden, en het inspireerde me om meer te  filmen. Om mijn verhaal over hem te vertellen, wie hij is, en waarom hij doet zoals hij doet. Ik ben onder meer met hem mee naar school geweest en heb zijn juffen geïnterviewd, maar ook mijn ouders en een expert op het gebied van autisme. Ik wilde een compleet beeld geven van Romijn.”

Ze vindt het belangrijk dat mensen ook de andere kant van haar broertje zien. “De maatschappij heeft een label op hem geplakt: jij bent autist. Punt. En ik vind het niet eerlijk als hij alleen op die manier bekend staat, als een dom en retarded jongetje. Romijn is slim op zijn eigen manier. Hij kan dingen niet die wij wel kunnen, maar kan op zijn beurt weer dingen die wij niet kunnen. Hij kan bijvoorbeeld ontzettend goed onthouden. Elke video die hij op YouTube ziet kan hij na een keer woord voor woord meepraten. En de eerste keer dat hij het alfabet opnoemde deed hij dat achterstevoren. Autisme is echt niet alleen maar negatief. Romijn is slim op zijn manier.”

Dat het soms ook lastig is, ontkent Lotte niet. Als ze met haar ouders iets wil doen moeten ze zich altijd afvragen: als we dit doen, kan Romijn dat dan? Kan hij het aan? Zoiets als wintersport is voor een kind als Romijn teveel. Terwijl Lotte dat best wel graag wil doen. En met haar ouders drie weken backpacken zit er ook niet in. “Daar kun je heel lang boos om zijn, of je denkt: ik doe dat later wel. Ik heb gekozen voor dat laatste.

Hoewel het altijd om haar broertje draait zou ze hem voor geen goud willen ruilen. En laten we vooral niet vergeten dat zo’n broertje ook voordelen heeft. “Hij is twaalf, dus een puber. Maar mentaal is hij ongeveer vier jaar.  Ik heb dus niet zo’n irritant puberbroertje. Dat is echt een groot voordeel, hoor.”

Volg de facebookpagina van Romijn, de documentaire voor de laatste informatie.

Als dingen fout lopen, loop dan niet met ze mee

fout lopen.png

  • De echte meesters komen binnen langs de achterdeur

“5 redenen waarom het inkoopcircus bij de jeugdzorg in Twente niet werkt”, kopte het Algemeen Dagblad op 9 december boven een artikel van Josien Kodde. “De jeugdzorg in Twente is geen ‘markt’. De sector moet worden verlost van het systeem van de jaarlijkse aanbestedingen. Dat vinden grote zorgaanbieders als Ambiq, Jarabee en Tactus.” Met deze aanbieders ben ik van mening dat lieden van geest een einde moeten maken aan dit circus van  onnozelen.

De jeugdzorg, tot 2015 gesubsidieerd door de provincies, kreeg sedert de decentralisaties te maken met marktwerking en aanbesteden. Met de decentralisaties werd daarmee een inkoopcircus ingevoerd dat weinig goeds brengt.  Zo vinden niet alleen de hulpverleners die ermee moeten werken, maar ook bijvoorbeeld partijen in de Tweede Kamer. Ook Kamerleden willen inmiddels dat gemeenten jeugdhulp kunnen inkopen zónder Europese aanbesteding. Zo  bleek uit het Algemeen Overleg Jeugdhulp in de Tweede Kamer op 23 februari 2017. Verschillende fracties vroegen toenmalig Staatssecretaris Van Rijn om te kijken naar alternatieven voor de zorginkoop.

Veel gemeenten hebben namelijk grote moeite met het inkopen van Jeugdzorg en de Tweede Kamer vreest – wat mij betreft terecht – dat er sprake is van doorgeslagen marktdenken. Natuurlijk moeten instellingen een gelijke kans krijgen voor een opdracht, maar de aanbestedingen lijken nu vooral – zo niet uitsluitend – gericht te zijn op de laagste prijs. Met desastreuze gevolgen voor de kwaliteit en continuïteit van zorg.

De aanbesteding van jeugdhulp voor 2018 in inmiddels in steeds meer regio’s uitgelopen op een worsteling. Zo leert ook berichtgeving in onder andere Binnenlands Bestuur en NRC. Verschillende jeugdhulpaanbieders hebben zich teruggetrokken of aangekondigd zich terug te trekken uit aanbestedingsrondes (William Schrikker Groep, Leger des Heils. Pluryn) in een of meerdere regio’s. In plaats van gesprekken over samenwerking en vernieuwing van de zorg, stokt de dialoog tijdens de aanbestedingsperiode en wordt noodzakelijke samenwerking bemoeilijkt. Op sommige plaatsen heeft de rechter de strijdende partijen al opnieuw rond de tafel moeten zetten.

De aanbestedingen zijn zo tot bureaucratisch gedrocht en juridisch steekspel verworden. Goed voor heel veel werkgelegenheid, dat wel. Maar ook voor een kostenpost die vak direct ten laste komt van voor uitvoerende zorg bestemde gelden.

De huidige minister van VWS, Hugo de Jonge, sloeg als wethouder in Rotterdam ook al alarm over de aanbestedingen in het sociale domein. Zijn ambitie ging destijds veel verder en Jeugdzorg Nederland deelt die terechte ambitie.

Wie nu (nog) roept “Er zijn Europese regels waarin staat wanneer je wel of niet moet aanbesteden. Daarin staat ook wanneer er een verlicht regime van toepassing is,” kent de mogelijkheden van de wet- en regelgeving onvoldoende. Er is – veel minder dan gedacht en uitgedragen – helemaal geen noodzaak tot het aanbesteden van jeugdzorg. Die ‘noodzaak’ is er alleen als je dat perse zo wilt uitleggen. Wie echter goed kijkt, leest en oordeelt, weet dat ook het opdragen van jeugdzorg op basis van subsidie tot de mogelijkheden behoort. Zo leerde ook mijn werkpraktijk in de gemeente Wijchen. Die gemeente subsidieert vanaf 1 januari 2018 de coöperatie Rondom Wijchen; een samenwerkingsverband van zo’n 60 aanbieders van welzijn en zorg. Vanuit de vaste overtuiging dat aanbesteden geen ander doel dient dat de race naar de laagste prijs. Maar ook, omdat het de zo gewenste en noodzakelijke samenwerking frustreert en meerjaren investeringen eerder belemmert dan stimuleert. Bovendien is een aanbestedingsprocedure duur en tijdrovend. Bovendien zijn gezonde prikkels tot marktwerking ook op subsidiegrondslag heel goed te incorporeren.

Afstappen van aanbestedingen is volgens mij op dit moment dus niet alleen inhoudelijke zwaar gewenst, maar ook wettelijk gezien mogelijk. Het inkoopsysteem kan daarmee een stuk eenvoudiger, aangenamer en minder kostbaar. Maar, zoals het wel vaker geschiedt: Voor de echte meester wordt de rode loper niet uitgerold. Zij komen binnen langs de achterdeur.

Bij dat alles wil ik ook een nadrukkelijk pleidooi houden om de onderhandelingen over redelijke kostprijzen voor diensten en producten binnen de zorg te centraliseren. Waarom zo moeilijk doen als het samen kan. Centralisatie van de onderhandelingen over tarieven zal naar mijn mening bijdragen aan de gewenste en noodzakelijke inhoudelijke decentralisatie. Als het geld duidelijk en geregeld is, kan en zal het bij het gesprek op decentraal niveau niet meer over de prijs gaan, maar over de beste en meest effectieve organisatie en slimme uitvoering van ondersteuning en zorg voor inwoners. Gesprekken gaan dan weer over kwaliteit, presentie en betekenis voor de mensen en wie voor hetzelfde geld beter bieden kan! Dat zijn pas echter pikkels voor passende zorg; op tijd en op de maat van mensen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Oog om oog

Scred deer.png

  • The Killing of a Sacred Deer

In The Killing of a Sacred Deer speelt Colin Farrell hartchirurg Steven Murphy. Hij is getrouwd met de eveneens succesvolle arts Anna (Nicole Kidman) en vader van twee lieve kinderen. Hij wordt achterna gezeten door de vagelijk bedreigende jongeman Martin (Barry Keoghan). Martin eist vergelding voor de dood van zijn vader, die op de operatietafel van dokter Murphy is overleden. Om de balans te herstellen krijgt de chirurg van hem de opdracht een van zijn eigen familieleden te offeren, anders zullen vreselijke plagen zijn gezin treffen. Dat blijkt geen loos dreigement te zijn.

Spiegeltje, spiegeltje aan de wand

blaming.png

  • De slachtoffers van zich zelven geven altijd aan anderen de schuld

Minister Hugo de Jonge vindt de vernieuwing van de jeugdhulp onvoldoende geslaagd. Deze is, zo zegt hij, sinds de decentralisatie onvoldoende van de grond gekomen. Op kleinere schaal zette ook de Nijmeegse Wethouder Bert Frings (GroenLinks) zijn kanttekeningen. Hij zei teleurgesteld te zijn in de kwaliteit van de aanbieders. Tegelijkertijd heeft hun ‘klagen’ iets van slachtoffers die anderen de schuld geven van het eigen tekortschieten.

De transformatie van jeugdhulp verloopt moeizaam. Dat is waar. De oorzaak daarvan ligt niet aan het tekortschieten van de een of de ander. Het buizen is een collectieve verantwoordelijkheid.  Ieder voor zich strijdt als Joris met de Draak met een veelkoppig monster in verschillende gedaanten. Een monster bovendien dat al veel langer ons doen en laten beheerst.

Zo is er de kop ‘Samenwerking’. Samenwerking is belangrijk; zingen wij in koor. Niet alleen binnen de zorg, maar ook met welzijn, jeugd- en jongerenwerk, onderwijs en justitie. Waar wij echter samenwerking prediken, zaaien wij verdeeldheid. In de zucht naar kostenreductie bijvoorbeeld, kiest menige overheid als basis voor de inkoop en contractering voor het instrument van aanbesteding. Aanbieders die enerzijds als partners worden aangesproken, worden daarmee anderzijds als concurrenten tegenover elkaar gesteld.  Terwijl juist de manier waarop partijen in de sector samenwerken van groot belang is; het is en blijft de slagader van succes.

Om daartoe te komen zullen partijen het gesprek aan moeten gaan over het verdienmodel, de doelstellingen en de procesinrichting. Zonder helderheid hierover zal de slagader dichtslibben (miscommunicatie, verspillingen), waardoor het succes uitblijft, of erger….Ik denk dat overheden, aanbieders en inwoners de uitdagingen in de jeugdhulp alleen aankunnen als zij op een wezenlijk andere manier gaan (samen)werken. Simpel gezegd: “Het loont om goed samen te werken!

En dat brengt ons bij de volgende kop: “Vertrouwen”. Dat blijkt nog ver te zoeken. Zo is eigenlijk door de gehele sector en op alle niveaus waarneembaar. Marktwerking en concurrentie werken door in de verhoudingen. De mogelijkheden tot samenwerking nemen daardoor eerder af dan toe, terwijl dit juist belangrijk is in de zorgketens van tegenwoordig. Herstel van het vertrouwen is van groot belang. Ook omdat zij aan de basis ligt van de – voor het denken en doen op eigen kracht denken noodzakelijke – professionele autonomie.

Het vaak zeer opportunistische gedrag van alle betrokkenen vraagt hierbij aandacht. Alles moet kunnen voor de cliënten, alles moet uit de kast gehaald worden, maar er moeten ook financiële doelstellingen worden gehaald. Aanbieders van hun kant hebben de mond vol van de menselijke maat, maar de oplossingen moeten wel binnen hun productenportfolio passen. Het gevolg is een soort van polderoverleg, waarbij zowel de kool als de geit wordt gespaard. Om te overleven probeert iedereen dat spel te beheersen. Het gaat dan vaak niet meer om de beste oplossingen aan te dragen, maar om de slag in de arena te winnen.

Naast de koppen ‘samenwerking’ en ‘vertrouwen’ worden met grote regelmaat de andere koppen van het monster als schaamlap voor het wederzijds falen op tafel gelegd:

  • ‘Bureaucratie’: Iedereen wil ervan af en toch wordt het steeds erger. Elk nieuw kabinet belooft dat er gehakt gaat worden in de regels, maar niemand die er iets van merkt. Inmiddels is zelfs het meten en bestrijden van bureaucratie een bureaucratisch proces geworden!
  • ‘Privacy’: Het lijkt een schaamlap voor hulpverleners die niet hebben gedaan wat ze moeten doen; die zich niet door anderen in de kaarten willen laten kijken en zich dan op privacy beroepen.

De meest ingewikkelde kop is echter die van ‘transformatie’. Mogelijk, omdat deze kop zich veelal in de nevelen van verlegen onvermogen hult.

Je hoort het steeds meer: we leven in een transformatie-wereld. Met daarin een glansrol voor het fenomeen ‘eigen kracht’. Transformatie lijkt daarvoor te zijn uitgevonden. Alles moet anders. En goedkoper. ‘Zelf de regie pakken’, dat is ons antwoord op de bezuinigingen in het sociale domein. Teveel naar mijn smaak is transformatie daarmee verworden tot een instrumentele aanpak. Met de focus op vorm in plaats van attitude. Het gevolg is een cocktail van beweeglijkheid, onzekerheid, complexiteit en meerduidigheid, binnen en buiten onze organisaties. Wat weer op gespannen voet staat met een ongebreidelde (en toenemende) behoefte aan voorspelbaarheid en controle.

Alle betrokken partijen – overheden, aanbieders, professionals en inwoners – hebben een gerechtvaardigd belang bij de transformatie van de jeugdhulp. Elk van hen echter heeft ook een eigen perspectief op de aard, inhoud en het gewicht daarvan. Dat snapt iedereen. Maar leg dat eens aan elkaar uit en ga er minimaal over in gesprek.

Transformatie namelijk is, meer dan wij misschien wel willen, een zaak van verhoudingen. Jegens elkaar, jegens problemen, uitdagingen en de belangen die daarbij in het geding zijn. Als wij de transformatie tot een succes willen maken, vraagt dat daarom eerst en vooral om een dialoog over de belangen. Die moet je als partijen helder en transparant maken. En, als ze dat zijn, vraag dan eens aan elkaar hoe of, en hoe, die belangen samen gewaardeerd en geprioriteerd kunnen of moeten worden. Helaas gebeurt dat nu niet (overal). Er wordt niet – en in ieder geval te weinig openlijk – gesproken over onderlinge belangen. Liever immers geven wij anderen de schuld van het tekortschieten.

Heb ik vertrouwen in de toekomst? Jazeker! Omdat uiteindelijk iedereen hetzelfde belang dient: het belang van de inwoners van ons land. Maar het zal veel tijd, geld en energie kosten om dat uiteindelijk samen te realiseren.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Zorg, verrukt van verspilling

verkwisting.png

  • Waar verkwisting misstaat past een tikje gierigheid

Ik maak mij grote zorgen over de organisatie van de zorg en de nadelige gevolgen daarvan voor inwoners die zorg behoeven; en de kwaliteit van de zorg.  Als belangrijk bezwaar zie ik dat de zorg steeds meer gaat lijken op een groot bedrijf, waarin productiecijfers leidend zijn. Met als uitkomst: onzinnige zorg. Zij bestaat. Kijk maar eens om je heen. Mede daardoor stijgen de kosten. Ieder jaar weer. Als we samen niet ingrijpen, zijn ze over tien jaar verdubbeld. Goede zorg wordt dan onbetaalbaar. Daarom moeten wij de verrukkelijke verspilling stoppen!

Ik ben ervan overtuigd dat de zorg beter kan, tegen lagere kosten. Anders denken en doen kan leiden tot zowel een verbetering van de kwaliteit van zorg als tot een reductie van de kosten. Om dat te realiseren is wel een omslag in ons kijken nodig. Een ander leidend perspectief: De mens om wie het draait centraal!

Ik geloof dat een grotere rol voor de mens in de zorg leidt tot betere zorg tegen lagere kosten. Daarom stimuleer ik zorgaanbieders om de mensen voor en met wie zij werken meer te betrekken. Bij het stellen van de diagnose, net zo goed als bij het bepalen van het ondersteuningsplan. Dat leidt aantoonbaar tot betere keuzes voor die mensen en tot lagere kosten. Overheden en financiers kunnen hieraan bijdragen door niet alleen te kijken naar het aantal verrichtingen bij het vergoeden van zorgaanbieders, maar vooral ook naar de behaalde winst in kwaliteit van leven.

De overheid kan en moet daarvoor naar zichzelf kijken. Zo zijn er grote vraagtekens te zetten bij de ontwikkeling van marktwerking in de zorg. Een zo efficiënt mogelijke zorg is niet gebaat bij denken in termen van concurrentie Zij is gebaat om een facilitair kader dat samenwerking stimuleert in plaats van belemmert. Het commerciële marktdenken werkt verspilling in de hand. Met overlappende diensten, buitensporige administratieve kosten en slecht coördinatie realiseren wij inefficiënte en onnodig dure zorg. Naast het administratieve systeem, waarin alles in strikte aanbestedingsprocedures gecontroleerd en voorgeschreven wordt, zien wij daardoor een  opmars van het productie denken, gericht op bestendiging of – liever nog – versterking van de marktmacht.

De mede hierdoor uit de hand lopende kostenstijgingen trachten wij te beteugelen door kostenbeheersing. Door de drempel naar zorg te verhogen, behandelingen te beperken, professionals onder curatele te zetten, visitetijd in te korten, standaardbehandelingen voor te schrijven, eigen risico’s in te voeren, vergoedingen te beperken, te hoge rekeningen in te dienen (‘upcoding’), et cetera en zo voort. Prachtig klinkende dogma’s worden daarbij als mantra gehanteerd: van ‘eigen kracht’ tot ‘zo licht als mogelijk’ of ‘zo dichtbij als mogelijk’.

De aandacht voor kostenbeheersing heeft onder andere tot gevolg dat steeds meer wordt gestuurd op output en getallen. Het beheer van processen en het verhogen van de productie vragen daarbij (te) veel aandacht en gaan ten koste van de aandacht en mogelijkheden van het individu. Het gaat ten koste ook van de kwaliteit en ruimte voor de professionals, die in het productiedenken worden klemgezet. Maar ook: zich laten klemzetten.

Er is niks mis met professionele trots en eer. Wat zinnige zorg is, kunnen en willen wij niet alleen bepalen. Wel kunnen we proberen de prikkels weg te halen die ertoe leiden dat er zorg wordt geleverd die niet in het belang is van de patiënt. Dit doen we door met zorgaanbieders afspraken te maken die gaan over de resultaten, niet over het aantal (be)handelingen.

De eerder aangehaalde mantra’s omarm (ook) ik. Maar wel vanuit een ander perspectief. Het perspectief van de mens om wie het draait! Het eigen oordeel van mensen die ondersteuning of zorg behoeven doet er toe. Net zo goed als het oordeel van professionele hulpverleners. Dat oordeel moet je niet uitschakelen of ondergeschikt maken aan voorgebakken producten of protocollen. Integendeel. Juist door dat eigen (professionele) oordeel als vertrekpunt te nemen kun je veel onnodige of overbodige handelingen of zorgleveringen uitschakelen. Simpelweg door steeds de vraag te stellen: helpt dit, in deze situatie? Doet het er toe? Draagt het bij aan het beoogde of te bereiken doel?

Gebeurt dat nu dan niet? Zeker wel. Ik ken veel voorbeelden van situaties, waarin professionals – samen met de inwoners die zij ondersteunen – positieve energie ontlenen aan het samen nadenken over passende ondersteuning.

Professionals die als onderdeel daarvan werken aan een verbetering van werkprocessen, betere samenwerking en doorontwikkeling van hun aanbod. Veel collega’s doen daar actief en creatief aan mee. En nee, niet elke poging of elk experiment levert het beoogde positieve resultaat op. Dat immers is inherent aan ontwikkelen.

Het leveren van zinnige zorg mag echter niet, zoals nu naar mijn smaak het geval is, een soort van dekmantel of excuusvlag zijn op de dekken van de schepen van een overigens onzinnige zorgvloot.

Zinnige zorg moet geen reclamevlag zijn aan de gevel van een gapend zorgstelsel dat in de kern – ook binnen het sociaal domein – nog teveel gestuurd wordt op basis van pervers beheers- en marktdenken. Zinnige zorg is het motorblok van kwalitatieve en betaalbare zorg. Gaat over het bieden van – op de persoon in zijn situatie afgestemde – passende ondersteuning.

Daarom moeten niet alleen wij ons perspectief veranderen. Die opdracht ligt er ook – en niet in de laatste plaats – voor de stuurlui en de kapiteins op de zorgbrug. De waardeketen van zinnige zorg, waarbinnen professionals – samen met de mensen over wie het gaat – afstemmen wat nodig is voor het realiseren van optimale uitkomsten op cliëntniveau, vraagt om commitment op alle niveaus en samenwerkingsverbanden dwars door de leefdomeinen van welzijn, zorg, participatie en wonen heen.

Ik wil, net als vele (trotse) professionals in de zorg met mij – afgerekend worden op de toegevoegde waarde die ik lever. Toevoegende waarde draait om de inhoudelijke kwaliteit, de interacties daarbij met de mensen voor en met wij werken én om de kwaliteit van leven en economische waarde voor de maatschappij. Als wij daarbij ook het lef hebben om transparant te zijn over de prijs en kwaliteit van ons werk, dan kunnen wij de verrukkelijke verspilling tot staan brengen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Breek de muren af, zet de deuren open

Breek de muren af 2

  • Als alle politieke methoden mislukken, probeer het dan eens met nadenken.

Wat ik als zeer belangrijk bij de decentralisaties en omvorming binnen het sociaal domein ervaar is de gelegenheid om te ‘ontschotten’. De inwoners willen niet meer naar verschillende loketten. Dit regel je niet alleen aan de voorkant (de toegang), maar ook aan de achterkant (het regelen en de uitvoering van ondersteuning en zorg. Ontschotting van de financiering in de zorg was ook een van de beloftes bij de decentralisaties. Door het wegnemen van de schotten die er in de zorg en tussen verschillende financieringsstelsels bestaan, zouden budgetten optimaler en doeltreffender benut kunnen worden. En dus gingen we aan de slag…..

De richting waarin de ambitie wees, was hoopvol. Inmiddels echter zien wij dat de alom verfoeide schotten vervangen zijn door schuivende panelen. Met weliswaar een herverdeling van budgetten, maar ook nieuwe ‘schotten’ als resultaat. In Nederland kunnen we inmiddels een beroep doen op verschillende vormen van zorg en dienstverlening. En ja, in de afgelopen jaren is er veel veranderd in de regelgeving en financiering daarvan.

Voor mensen die zorg of ondersteuning nodig hebben, bijvoorbeeld bij het langer zelfstandig thuis wonen, is het desondanks nogal ingewikkeld de juiste weg te vinden in het doolhof aan wet- en regelgeving, instanties, dienstverleners en zorgproducten.

De jeugdhulp, de participatiewet, de wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), de wet langdurige zorg (Wlz) en de zorgverzekering hebben allemaal hun eigen budgetten, budgetbeheerders en gebruiksvoorwaarden. Waarbij elke budgetbeheerder zijn of haar uiterste best doet, om aan te tonen dat benodigde ondersteuning of zorg toch echt door ‘die ander’ betaald moet worden.

Ook ikzelf, toch geen ‘leek’ binnen het sociaal domein, heb bij tijd en wijle een gevoel van ‘totale vervreemding’ en ervaar dat alles als een ‘doolhof’. Ook wanneer alle partijen keurig doen waarvoor ze verantwoordelijk zijn, kan de uitkomst daarvan onacceptabel zijn voor een individu dat zorg nodig heeft. Er zijn nu eenmaal rafelranden tussen de systemen.  Ik vind dat we dat niet mogen laten gebeuren. Als wij de belofte van ontschotting daadwerkelijk willen, moeten zorgkantoren, zorgverzekeraars, jeugdhulpregio’s en gemeenten de koppen en budgetten bij elkaar steken.

Of ik het zie gebeuren? Ik heb er een hard hoofd in, maar ik vind dat het moet. Natuurlijk, het vraagt van alle betrokkenen om over de eigen schaduw heen te springen. En ongetwijfeld zal de schaal waarop dat moet gebeuren een moeras van belangen, meningen en opvattingen blijken. Zijn dat bijvoorbeeld de 30 regio’s van de zorgkantoren of de 42 regio’s van de jeugdhulp?

Over de zorgkantoren gesproken, waarom zijn die er nog? Als wij in 2013 gedaan hadden wat wij toen beoogden, zouden zij allang verdwenen zijn. Dat althans was destijds het wetsvoorstel van toenmalig staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De lobby en belangen van betrokken partijen wogen kennelijk zwaarder dan de inhoudelijke ambitie, want de zorgkantoren zijn er nog altijd. En beslist niet bezig met hun grafrede!

Ook de lopende kabinetsformatie belooft wat dit betreft weinig goeds. Drie departementen krijgen twee ministers: Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), Onderwijs en Veiligheid & Justitie. De ministers van VWS krijgen daarbij een stevige opdracht, want de nog af te sluiten hoofdlijnenakkoorden voor de sectoren ziekenhuizen, wijkverpleging en ggz moeten samen 1,9 miljard euro aan besparingen opleveren. Met, naar verwachting een stevig waterbedeffect als gevolg: wat de een bespaard, zal naar verwachting bij de ander – gemeenten bijvoorbeeld – tot hogere uitgaven leiden. Hoeveel nieuwe schotten en waterscheidingen zullen als gevolg daarvan opgetrokken worden?

Menen wij werkelijk dat niemand in de zorg tussen wal en schip mag vallen? Zeker niet als het om de zwakste groepen in de samenleving gaat? Dat moeten betrokken partijen de koppen en budgetten bij elkaar steken, zo nodig wat scharrelruimte organiseren en ook bereid zijn meer te doen, dan waartoe ze formeel gehouden zijn. Geef inwoners en organisaties mogelijkheden om die potjes bij elkaar te kunnen doen, zodat er gezamenlijk kan worden geïnvesteerd en genoten kan worden van de opbrengsten die dit oplevert.

En als wij dan toch bezig gaan met werk te maken van onze beloftes, laten wij dan ook meteen een einde maken aan het inkoop- en tarievencircus dat sedert de decentralisaties op gemeente- en regio-niveau is ontstaan.

De administratieve lasten waren ook voor de decentralisatie al een probleem, maar zijn inmiddels tot een tsunami verworden. De jungle van verdelen (en heersen) legt de focus in de gesprekken tussen financiers en aanbieders teveel op de prijs. Met energieverlies, frustratie en chantage als gevolg en kwaliteit, beschikbaarheid en bereikbaarheid van ondersteuning en zorg als kinderen van de rekening.

Hoe en of dat eenvoudiger kan? Zeker wel. Centraliseer alsjeblieft de onderhandelingen over redelijke kostprijzen voor diensten en producten binnen de zorg. Waarom zo moeilijk doen als het samen kan. Centralisatie van de onderhandelingen over tarieven zal naar mijn mening bijdragen aan de gewenste en noodzakelijke inhoudelijke decentralisatie. Als het geld duidelijk en geregeld is, kan en zal bij contracteren op decentraal niveau het gesprek in de selectie niet meer over prijs gaan, maar over de beste en meest effectieve organisatie en slimme uitvoering van ondersteuning en zorg voor inwoners. Gesprekken gaan dan weer over kwaliteit, presentie en betekenis voor de mensen en wie voor hetzelfde geld beter bieden kan!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.