De olifant voor de kast!

roze olifant.png

  • Je hoeft niets te doen om te zijn wie je bent

Wat zijn wij een lekker tolerant volk he? Zo enorm geëmancipeerd ook. Fier op onze vrijheid van meningsuiting. Groots op onze democratie ook. Maar steeds vaker voelt dat alles als een laagje vals bladgoud. Want eigenlijk zijn wij helemaal zo tolerant niet, of zo geëmancipeerd, vrij in het uiten van onze mening of democratisch gezind. Het is vaak niet meer dan een wensdenken!

14 december 2018. Het is Paarse Vrijdag. Voor scholieren en studenten een dag om uit de kast te komen en seksuele diversiteit te vieren. Dat doen ze in een paars overhemd. De 12-jarige Robbe van Hulst kwam de avond ervoor bij zijn ouders uit de kast, en vertelde daar die vrijdagochtend al meteen over in het NOS Radio 1 Journaal.

Nederland – inclusief mijn persoon – ontplofte welhaast. Van trots en blijdschap. Dat dit kon. In een woord GEWELDIG. Daarom ook besteedden later die avond het Jeugdjournaal en het NOS Acht uur journaal er ook weer aandacht aan.

Al die blijdschap en trots, zo realiseerde ik mij in de loop van die dag en de dagen daarna, is mooi en wrang tegelijkertijd.

De homo-emancipatiebeweging boekte in de jaren ’70 en begin ‘80 succes, Mensen kwamen letterlijk uit de kast en gingen de straat op, men durfde dat gewoon. En zie waar wij vandaag de dag staan!

Immers, als wij zo overtuigd zijn van onze tolerantie en emancipatie, waarom dan is de ‘coming out’ van een twaalfjarige knul anno 2018 welhaast wereldnieuws? Kennelijk is het helemaal niet zo vanzelfsprekend. Vraagt het toch nog heel veel lef en moed om openlijk te zeggen dan wel te laten zien dat je bent wie en wat je bent.

Het is verdomd prettig dat kinderen als de 12-jarige Robbe zo eerlijk kunnen zijn. Veel meer nog echter verdienen zij respect voor het lef om dat wat kan ook te doen! Want wij mogen dan wel vinden dat ieder mens – ongeacht hun sekse – moet kunnen kouden van de persoon die voor hem of haar de ware is, ons doen en laten staat daarmee in schril contrast.

Het homo of lesbisch zijn is zo niet vanzelfsprekend, dat in menig radio- of televisieprogramma wel even aan de wereld verteld moet worden of iemand homo of lesbisch is. Vreemd is dat, zeker als je bedenkt dat van de andere gasten niet verteld wordt dat zij heteroseksueel zijn. Of misschien wel aseksueel.

Eigenlijk, zo denk ik, mogen wij pas echt trots zijn op onze verhoudingen tot elkaar, als onze geaardheid geen issue meer is. En dat kon best nog wel eens even duren!

Veertig jaar geleden waren er in hartje Amsterdam vrolijke demonstraties voor ‘flikkerij’. Het was toentertijd vrij nieuw dat homo’s zo openlijk en in zulke mate voor hun rechten streden. Nu, veertig jaar na dato moeten die demonstranten van toen paars van woede aanlopen als zij zien waar wij vandaag de dag staan met onze acceptatie en gelijke rechten voor homoseksuelen en lesbiennes. Goedbeschouwd zijn wij nog niet veel verder dan het stadium van progressieve tolerantie.

Wij verkeren in de fase van het toestaan van gedrag of personen die afwijken van de (onze) norm, ondanks dat de aanwezigheid van dit gedrag of die personen als negatief wordt ervaren of gezien. Nog altijd gaan wij uit van de heersende  status quo die oordeelt dat liefde voor hetzelfde geslacht eigenlijk toch wel vreemd of afwijkend is. En onderwijl kloppen wij, die de tolerantiemythe propageren, onszelf graag op de borst. Wij adverteren onze ruimhartigheid op alle platforms die wij maar kunnen bedenken. Waarbij onze kleingeestigheid ons belet te bevatten dat wij tegen jongens en meisjes als Robbe eigenlijk zeggen dat zij ons dankbaar moeten zijn. Omdat wij het hen toestaan om te zijn wie en wat zij zijn.

Ondanks jarenlang gevoerde strijd is er binnen onze samenleving nog altijd sprake van ongelijke ruimte voor lesbo’s, homo’s, biseksuelen en transgenders Door het op het podium zetten van Robbe legitimeren wij eigenlijk heel onwenselijk gedrag. Niet van Robbe, maar van wat hen die zich zien als de gevestigde orde. Zij degraderen  de “getolereerden” tot tweederangs ‘burgers’ die voor hun bestaansrecht en uitingsvrijheid afhankelijk zijn van de “onmetelijke goedheid” van hen die hen willen tolereren.

Jongens, meisjes, mannen en vrouwen, ongeacht hun sekse of geaardheid, horen niet gedoogd, niet toegelaten of “getolereerd” te worden. Zij dienen erkend te worden in wie en wat zij zijn. Zoals jij en ik erkend (willen) zijn. Alleen zo verjagen wij de olifant voor de kast!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Advertenties

Meestribbelen

meestribbelen

  • Intelligent ongehoorzaam zijn

Ik ben er voor dat ondersteuning en zorg voor iedereen die dat nodig heeft bereikbaar is. Maar om daarvoor de zorg op lokaal niveau min of meer in de uitverkoop te doen, dat gaat mij veel te ver. Toch is dat wat de landelijke overheid doet met de invoering – per 1 januari 2019 – van het abonnementstarief voor de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo).

Wie gebruikmaakt van de Wmo, gaat daarvoor vanaf 1 januari 17,50 euro per vier weken betalen. Het kabinet houdt daarmee vast aan het plan dat al in het regeerakkoord werd aangekondigd. De gedachte achter de maatregel is ‘dat de zorg betaalbaar is voor iedereen’.

Met dat laatste uitgangspunt ben ik het dus eens. Maar de ene portemonnee is de andere niet! Nederlanders zijn bovendien koopjesjagers. Waarom zouden zij bijvoorbeeld een scooter uit eigen middelen betalen – wat momenteel meer dan gangbaar is – als je diezelfde scooter (voor een fors deel) kunt laten financieren door de gemeente? Het bijpassende verhaal is immers snel gemaakt! Bovendien is bekend dat beter gesitueerden over het algemeen beter de weg in de wetten, regels en financieringsmogelijkheden kennen dan de mensen die het allemaal wat lastiger hebben.

Kennelijk echter – zo vermoed ik – werd de kloof tussen ‘arm’ en ‘rijk’ de overheid iets te smal? Ook voor beter gesitueerden – en daar reken ik mijzelf ook toe – moeten de kosten voor ons welbevinden immers niet al te zeer uit de hand lopen. De champagne tussen de gangen van het kerstdiner door moet immers ook betaald!

Gemeenten vrezen daarom – terecht zo vrees ik – onder meer een toename van de vraag naar voorzieningen en dus extra kosten, naast veel lagere opbrengst aan eigen bijdragen.

Deze bemoeienis van het Rijk staat niet alleen haaks staan op de gedachte achter de decentralisaties. Van gemeenten, (jeugd)zorginstellingen, partijen in het participatietraject en inwoners wordt verwacht dat ze met meer eigen initiatief werken en meer vanuit hun eigen kracht. Juist de ‘eigen kracht’ wordt met de invoering van het abonnementstarief weer uitgehold. Mensen uitdagen zelf na te denken over de beste aanpak van een knelpunt? Inwoners zelf laten nadenken over de vraag wat zij er zelf aan kunnen doen en wat er aanvullend van anderen nodig is?  Waarom zou je dat doen, als je voor 17,50 euro per maand de sores kunt laten regelen?

Door de invoering van het abonnement wordt de hulp goedkoper voor veel groepen. Gemeenten en uitvoerders, zo meent het Rijk, besparen zo bovendien uitvoeringskosten en administratieve lasten. Ik spreek hen over een jaar graag nog eens. Want een ding is duidelijk: de invoering van het abonnementstarief binnen de Wmo zal heel veel gemeenten – begrijpelijkerwijs – aanzetten tot het ontwikkelen van een nieuw regel- en drempelwoud, gericht op het beheersbaar houden van de kosten. In menig gemeentehuis wordt die discussie al gevoerd.

Diverse oplossingsrichtingen worden onderzocht. Meerdere voorzieningen die nu nog voor vergoeding vanuit de Wmo in aanmerking komen zullen door gemeenten uit de regeling geknikkerd worden. Of de voorziening zelf wordt niet meer vergoedt, maar vervangen door een – aan een maximum gebonden – financiële tegemoetkoming.

Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen die – in principe – voor iedereen beschikbaar en bereikbaar zijn, of u nu wel of geen beperking heeft. Algemeen gebruikelijke voorzieningen worden niet vanuit de Wmo verstrekt. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als die:

  • niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking én;
  • in de reguliere handel verkrijgbaar is én;
  • in prijs vergelijkbaar is met soortgelijke producten.

Uitzonderingen op deze criteria zijn situaties waarin:

  • de handicap plotseling ontstaat, waardoor algemeen gebruikelijke voorzieningen eerder dan normaal vervangen moeten worden;
  • de aanvrager een inkomen heeft, dat door aantoonbare kosten van de handicap onder de voor hem/haar geldende bijstandsnorm dreigt te komen.

Wat in een concrete situatie algemeen gebruikelijk is, hangt vaak af van de geldende maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag.

Welnu, er zijn heel wat Wmo-voorzieningen die inmiddels niet meer speciaal bedoeld zijn voor mensen met een beperking. Zij worden nu als gemak voorziening in de reguliere handel aangeboden. Van scooters tot trapliften, van sta-op-stoelen tot maaltijdservices, het is de gewoonste zaak van de wereld!

Neemt u van mij aan, dat veel van deze voorzieningen in de toekomst niet meer als vanzelfsprekend vanuit de Wmo beschikbaar zullen zijn. Of slechts voor een gedeeltelijke vergoeding in aanmerking komen. Voor velen zal dat wellicht een kwestie van ‘even slikken’ zijn. Voor mensen die echt in knelsituaties zitten en de middelen niet hebben worden zo deze voorzieningen onbereikbaar. Voor de mensen die echt zijn aangewezen op de Wmo zal het er dus allemaal niet beter op worden.

Het voor iedereen laagdrempelig maken van de Wmo-voorzieningen zal juist de echt kwetsbare groepen drempelverhogend gaan werken. En daarmee de toch al groeiende kloof tussen de hebbenden en de niet-hebbenden vergoten. Het zal bovendien leiden tot heel veel extra administratief gedoe en – zo moet gevreesd – veel extra werk voor juristen.. Bij de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is, moet de gemeente – hoe tegenstrijdig het ook klinkt – namelijk steeds opnieuw kijken naar het individuele geval. Een voorziening is daarmee dus nooit als zodanig algemeen gebruikelijk. Het laat zich raden wie zich die jurist kan veroorloven.

Het liefst zou ik – net als de gemeenten – tegenstribbelen waar ik dat kan, als het gaat om het tegengaan van de perverse gevolgen die samengaan met de invoering van het Wmo-abonnementstarief, zolang het nut daarvan niet is bewezen. Nu het kabinet desondanks besloten heeft dat het abonnementstarief er komt, rest vooralsnog een houding van meestribbelen. Waar mogelijk door intelligent ongehoorzaam te zijn.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

De doodlopende weg van eindeloze verwachting

sleutelen.png

  • Goed onderhoud is een zaak van iedereen

De zorg in Nederland is  in ons denken en doen opgesplitst in twee sectoren, cure en care. ‘Cure’ heeft als doel het komen tot genezing dan wel bevordering van herstel, met de daarbij behorende ondersteuning en zorg. ‘Care’ heeft als doel het zoveel mogelijk terugdringen van de nadelige effecten van ziekte en beperkingen door verpleging, begeleiding ondersteuning en zorg. Het verschil tussen beide vormen van zorg wordt nog wel eens uit het oog verloren. Niet in de laatste plaats, zo denk ik, omdat wij denken, verwachten of vinden dat alles te repareren (herstellen) moet zijn.  

Bovenstaande gedachte ontspon zich bij mij toen ik kennis nam van een interessant artikel van de hand van Han van der Horst, historicus (Joop, 6 december 2018). In dit commentaar stelt hij aan de kaak wat er nu met de jeugdzorg gebeurt door de manier waarop steeds meer gemeentes de jeugdzorg financieren. Zijn commentaar komt er – kort samengevat – op neer dat volgens hem gemeenten hun (jeugdige) inwoners zien als ‘objecten’ en de organisaties die hen behoren te helpen als machines. Waarbij de omstandigheden van de (jeugdige) inwoners maakbaar zijn. Als je ze maar in de juiste stand zet. Of, zoals Han van der Horst dat opschrijft: “Jeugdzorg wordt teruggebracht tot een vorm van africhten waarbij de dompteur de schuld krijgt als het kind niet snel genoeg leert door de hoepel te springen.”

Ik kan in veel opzichten meevoelen met de kritische kanttekeningen van Van der Horst. Zeker waar het gaat om het door overheden voortdurend streven naar beheers- en maakbaarheid van de samenleving. Hiermee draagt de overheid bij aan het beeld dat alles wat in ons leven tegen zit reparabel is. Tegen zo laag mogelijke kosten.

Wat ik echter mis in het commentaar van Van der Horst is de andere kant van diezelfde medaille. Daar waar hij gemeenten verwijt dat zij denken dat ze marionettenspelers zijn met de inwoners aan een touwtje, zou ik ook het omgekeerde willen stellen. Te veel en te vaak zie ik inwoners die van diezelfde overheid juist dat verwachten wat Van der Horst de gemeenten verwijt: wij hebben een probleem en u – overheid – moet dat voor ons oplossen. Waarbij het de professionele hulpverleners kwalijk genomen wordt als zij ook niet (direct) een passend antwoord kunnen vinden of geven op lastigheden.

Opvoeden, ouder worden en alles wat daar tussen ligt of mee gepaard gaat kent bij tijd en wijle (forse) hindernissen en beperkingen voor (jeugdige) inwoners en hun omgeving. Dat is absoluut waar. Maar (ook) professionele hulpverleners zijn geen oliemannetjes- of -vrouwtjes die dat allemaal wel even oplossen (lees: repareren).

Jeugdzorg is, net als zorg die wij bieden onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) geen reparatiebedrijf. Bij een minder functionerend vatenstelsel rond ons hart kan de hartchirurg de slechte delen vervangen en zo de werking van het hart herstellen. Bij een gebroken been of arm, kan de schade inderdaad hersteld worden. In zaken rond opvoeden, groter groeien en ouder worden ligt dat toch even anders. De oorzaak is dan vaak niet allen minder eenduidig, maar kent ook vele aangrijpingspunten. Een druk kind bijvoorbeeld. Is dat het gevolg van beperkingen in het kind zelf gelegen, of komt dat door een omgeving die teveel prikkels geeft? Of ouders die onvoldoende grenzen stellen?

Te vaak en te veel zie en hoor ik inwoners verwachten dat professionals hun probleem wel even (moeten) kunnen fixen. Wanneer diezelfde professional dan het vraagstuk in een bredere context probeert te bekijken – waarbij ook de bijdrage (in houding, gedrag, activiteit, etc.) van de inwoners zelf ook aan de orde komt) ontstaat al gauw verontwaardiging. “Mijn kind (of partner, ouder) heeft een probleem. Ik niet!”

Wij, de inwoners verwachten van ‘de overheid’ een oplossing voor al onze problemen. Diezelfde overheid moet dat dan wel doen tegen zo laag mogelijke kosten. Want onze Onroerende Zaak Belasting of de andere belastingen mogen vooral niet omhoog gaan. Zoals ook onze eigen financiële bijdrage aan een eventueel antwoord zo niet nihil, dan toch in ieder geval zo beperkt als mogelijk moet blijven. Als onze overheid, die wij overigens zelf gekozen hebben, vervolgens probeert de kosten in de hand te houden spreken wij – de inwoners – daar ook weer schande van. Wat ik maar zeggen wil: we zijn te veel klant geworden van de overheid, en te weinig mens gebleven.

Het gevolg hiervan is ook de oorzaak van de gordiaanse knoop waarmee wij elkaar gevangen houden. Dat is – helaas – niet een nieuwe constatering: de Franse politiek filosoof Alexis de Tocqueville voorspelde dit al in “Over de Democratie in Amerika (1931-32): “De democratie zal er toe leiden dat de mens individualistischer wordt, en de staat bureaucratischer. En deze twee gaan elkaar versterken. Dus hoe meer de staat gaat oplossen – in plaats van mensen onderling en in verenigingen – hoe individualistischer de mens wordt, omdat hij denkt dat de staat het wel regelt. En hoe individualistischer de mens wordt, hoe meer de staat de noodzaak zal ervaren om problemen op te lossen, want wie doet het anders?”

Het voortgaan op ‘de weg van eindeloze verwachting’ biedt u en mij wellicht het heerlijke gevoel dat ons ongemak vooral aan de ander ligt (mij valt niets te verwijten). Het zal ons ongenoegen per saldo echter alleen maar voeden. Het wordt daarom tijd dat wij stoppen met het bij elkaar over de schutting gooien van deze gezamenlijke uitdaging. Gewoon, omdat dit niet alleen de onvrede zal verminderen, maar ook en belangrijker nog, omdat het een passend antwoord dichterbij brengt. En dat begint met de erkenning – bij overheid én inwoners – dat repareren (cure) echt wat anders is dan (goed) onderhouden (care). Goed onderhoud is namelijk een zaak van iedereen! Om te beginnen bij onszelf!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Als de kans niet aanklopt, bouwen wij een deur!

181204 Rondom Wijchen Ambitie 2019.png

  • Terugblikken en vooruitkijken

De laatste maanden van het 1ste jaar Rondom Wijchen zijn aangebroken – tijd om vooruit en terug te blikken.

Rondom Wijchen. Een samenwerkingsverband van meer dan 100 verschillende partners binnen welzijn en zorg. Met meer dan 1000 professionals actief voor de inwoners van Wijchen. Op basis van één contract en één missie: welzijn, ondersteuning en zorg zo organiseren dat de oplossing passend en leidraad is voor de inzet ten behoeve van de inwoners van Wijchen.

Het was een spannend en uitdagend jaar. Waarin de eerste stappen in de kanteling gezet werden. Het was een uitdagend jaar ook. Om duurzame zorg te realiseren binnen een nauwelijks op de opgave afgestemd budget. Het was ook een jaar van investeren in elkaar en de relatie. Met als resultaat een inspirerende agenda voor het nieuwe jaar.

Kijkt u met mij mee naar de resultaten van deze samenwerking waaraan ik de afgelopen drie jaar vanuit Vondel & Nassau vanaf de basis mocht meebouwen?

 

Elk moment

chaque instant.png

  • De chaque instant

In Frankrijk beginnen ieder jaar dertigduizend jongeren aan een studie verpleegkunde, waarvan slechts 12% mannen.

Ze volgen een gedegen en intens traject, doen veel kennis op, leren talrijke technische handelingen veilig uit te voeren en om te gaan met de grote verantwoordelijkheden die hen straks op de ziekenzaal wachten. Ambitie en idealisme gaan daarbij hand in hand, vullen elkaar aan, wisselen elkaar af. De chaque instant toont de hoogte- en dieptepunten tijdens een studietraject waarin jonge studenten ziekte, gewonde zielen, lijden en lichamen op hun pad vinden en waarover ze zich adequaat moeten ontfermen. Een documentaire over onze menselijkheid, zorgzaamheid en onze lichamelijkheid.

Nicolas Philibert kwam op het idee voor De chaque instant op de Intensive Care, waar hij belandde met een embolie. Als eerbetoon aan de verpleegsters en verplegers die hem op de been hielpen, wilde hij een documentaire over hun vak maken.

Hypocriet

hypocriet.png

  • Het voorbeeld doet volgen

De aandacht voor het borgen van privacy is met name door nationale en Europese regelgeving een prioriteit geworden, door respectievelijk de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Het blijkt dat het nog niet zo eenvoudig is om in de praktijk invulling te geven aan het borgen van privacy. Daarom geven mijn collega’s en ik daaraan in ons werk veel aandacht. En dan is daar Beau!

Beau (van Erven Dorens) en zijn Rotterdam Project (RTL4). Met kennelijke compassie met zwervers en daklozen neemt hij de kijker mee naar de duistere wereld van Rotterdamse daklozen. Eerlijk is eerlijk, de enkele keer dat ik hem zag ontroerde het programma mij ook. Met aandacht voor zwervers en daklozen is ook niks mis. En toch schuurde het bij mij nadat ik – later thuisgekomen – middenin dit programma viel waar mijn partner naar zat te kijken.

Terwijl ik dagelijks alert moet zijn op het niet onnodig of onnodig veel delen van informatie van mensen waarvoor ik moet zorgen, staat Beau voor het oog van een miljoenenpubliek schaamteloos het hele hebben en houden van een twintigjarige schildersknecht uit de doeken te doen. Van de ene op de andere minuut weet heel Nederland dat deze – overigens ontwapenend lieve gozer – dakloos is dankzij een stevige schuld dankzij zijn vader. Hoezo privacy?

De betweters zullen mij ervan overtuigen dat dit vooraf en achter de schermen natuurlijk best goed geregeld is. De knul zal ongetwijfeld op de hoogte gebracht zijn en een toestemmingsverklaring hebben ondertekend. Dat is echter niet het beeld dat de programmamaker en zijn crew oproepen. Zij suggereren dat zij de knul achteloos overvallen en confronteren met zijn eigen (!) verhaal. Er is – zo doet het programma vermoeden – al heel veel over deze knul gesproken, zonder dat hij daarvan afwist. En dat knelt naar mijn overtuiging met de richtlijnen en afspraken rond privacy.

Er kleven nog wel meer vraagtekens aan dit – ongetwijfeld naast commerciële ook met oprechte bedoelingen gemaakte – programma.

Beau spreekt dus volgens het programma een niets vermoedende knaap aan op straat. Confronteert hem met zijn probleem en biedt hem en passant een bedrag van 10.000 euro aan. Om te werken aan de oplossing van zijn probleem. Hij mag er ook nog een nachtje over slapen. In een voor hem geregeld hotel; op kosten weer van Beau. Prachtige, gewaardeerde en prijs waardige emo-televisie. Dat is inmiddels zeker. Maar toch!

Onbedoeld waarschijnlijk, maar ondertussen toch, geeft Beau daarmee een prachtig voorbeeld van hoe eenvoudig het is om mensen – en vooral jeugdigen – te verleiden. Hij doet precies dat, waarvoor bij wijze van spreken op diezelfde avond een ander programma (Misdaad Anoniem) ons waarschuwt! Wordt geen geldezel, money mule of katvanger. Allemaal termen voor mensen die door criminelen geronseld worden om geld wit te wassen. Dat schuurt. Ook, omdat diezelfde schildersjongen van knuffelkonijn in een handomdraai het doelwit is van massale verontwaardiging als hij besluit een iPhone X ter waarde van 1159 te kopen. Ruim 1/10e deel van het totale geldbedrag dat bestemd was om hem uit de problemen te helpen. Waarom? Zodat hij Pokémons met de telefoon kon vangen. Wij, kijkers die onszelf graag dit soort onzinnige prullaria cadeau, doen reageren massaal verbijsterend hypocriet. Hoe kan hij dat nou doen.

Dat wij allemaal – inclusief ikzelf – in katzwijm kunnen vallen voor programma’s als het Rotterdam Project of bijvoorbeeld Boer zoekt Vrouw verbaast mij niet. Het is echter ook hypocriet. Want programma’s als deze mogen kennelijk wel wat ‘de gewone burger’ niet mag. Of wat een professioneel hulpverlener verboden wordt. Hem of haar zelfs en gevangenisstraf of iets dergelijks kan opleveren.  Het voelt niet goed als wij vinden dat ProRail terecht geïrriteerd is over spoorlopers in Boer zoekt vrouw terwijl er al een tijd campagne wordt gevoerd tegen spoorlopen, omdat dat levensgevaarlijk is en tot veel vertraging voor reizigers leidt.

Privacy is een hekel punt. Wat deel je wel/niet? Zeker voor mensen van wie delen van hun leven op straat of de buis gegooid word. Zij betalen een hoge prijs (zie ook: ‘SuperStreamMe’ van BNN (2015)). Dat zal zeker niet het oogmerk zijn van de programmamakers, maar bijdragen aan de juiste beeldvorming doet het niet.

Het succes van dit soort programma’s maakt de vraag niet minder relevant wat nu precies de grens moet zijn van privacybescherming. Waarom genieten wij massaal van publiekelijk gemaakte ellende aan de zelfkant van de maatschappij om vervolgens moord en brand te schreeuwen als een professional – omwille van adequate zorg – in onze ogen niet zorgvuldig genoegd is geweest in de uitwisseling van die informatie met een andere professional.  Kennelijk mag dat voor het oog van miljoenen wel, maar in de bescherming van een spreekkamer niet!

Ik zou willen dat wij en programmamakers ons dat iets beter en vaker realiseren als wij in onze luie stoel stilletjes zitten te sniffen over die lieve schilderknecht. Of wanneer wij – samen met Pauw – ons (nogmaals) verkneukelen over de onhandigheid van mensen bij hun first date. Het voorbeeld doet volgen! Wat vandaag anderen gebeurt, kan morgen ons lot zijn!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Druk met elkaar

keten.png

  • Smeer de keten!

De mensen die werken in het sociaal wijkteam hebben het druk. Héél druk. Met vragen van mensen die ondersteuning nodig hebben. Zeker. Maar, zo ervaar ik dag en dagelijks, ze hebben het vooral druk met elkaar.

Sociale wijkteams zijn als een spin in het web. Zij verbinden instanties en bewonersinitiatieven in hun werkgebied. De medewerkers van een wijkteam moeten zichtbaar en toegankelijk zijn. Het is daarbij niet alleen belangrijk dat zij samenwerken met instellingen, organisaties, scholen en huisartsen. Vrijwilligers en bewoners initiatieven zijn net zo belangrijk.

Wanneer immers een wijkteam samen met een gezin werkt aan het verbeteren van hun situatie, is het inzetten van het sociale netwerk van het gezin van groot belang. Hulp of ondersteuning van het wijkteam is in veel gevallen maar tijdelijk. Samen met hun netwerk en de professionals kan een gezin of huishouden aan een duurzame oplossing werken. Contacten met buren, kennissen, vrienden, familie of mantelzorgers zijn daarom van betekenis.  Net zo goed als contacten met sportclubs, vrije tijds- en ontspanningsverenigingen en kerken of moskeeën. Het zijn allemaal plekken waar mensen komen. De beroepskrachten en vrijwilligers die daar werken, zijn de ogen en de oren van het wijkteam. En wanneer er problemen zijn, kunnen zij ook een rol spelen in het opvangen en oplossen daarvan.

In de praktijk van alle dag komen veel wijkteams nog weinig toe te komen aan het onderhouden en betrekken van al deze mensen en organisaties. Terwijl zij voor het welslagen van hun opdracht – het bieden van passende ondersteuning op tijd en op maat – van wezenlijke betekenis zijn. Maar, zoals gezegd, de medewerkers van de wijkteams zijn druk. Héél druk. Vooral met elkaar. De reden? De keten werkt niet. Een beetje meer smeerolie in de samenwerking tussen professionals kan heel veel meer slagkracht opleveren. Zo leert ook de navolgende casus.

Meneer (66), zonder vaste woon- en verblijfplaats, gaat de laatste maanden snel achteruit en heeft dringend zorg nodig. Meneer zorgt slecht voor zichzelf. Bijv. meneer eet alleen als eten hem voorgezet wordt. Een contactpersoon bekommert zich om meneer, maar de belasting van deze mantelzorger wordt echt te groot. Er is een vermoeden van autisme o.i.d. De huisarts verzorgt in dit kader een verwijzing zodat er onderzoek gedaan kan worden en een diagnose gesteld kan worden. Tevens is er een afspraak voor een onderzoek bij ouderengeneeskunde.

In de afgelopen maand heeft meneer een aantal keren zijn verhaal moeten doen (bij een dorpsteam, de huisarts, het wijkteam en het maatschappelijk werkt.. Dit begint meneer echt te veel te worden en meneer dreigt hierdoor zorg te gaan mijden.  Belangrijk is dat er snel , dagelijks praktische begeleiding komt. Bij wijze van spreken moet er dagelijks iemand met hem een broodje eten, doornemen wat er die dag gebeurd is, wat hij de komende dag gaat doen, en hem begeleiden bij het zorgen voor zichzelf. (eten kopen, regelen van warme kleding voor de winter). Zo was er een andere mobiele telefoon nodig of moest de bankpas verlengd worden, post opgehaald bij de postbus, papieren tekenen voor een Wlz-aanvraag, etc.). Zo komt er dagelijks wel iets bij wat praktisch geregeld moet worden. Tot nu toe doet de contactpersoon dit, maar de mantelzorger raakt/is overbelast. Enerzijds doordat er privé urgente zaken spelen bij de mantelzorger waar zij aandacht voor nodig heeft, anderzijds doordat het regelen en organiseren en opvangen van meneer haar erg veel tijd kost. De zoektocht naar een doener als thuisbegeleider bleek eindeloos en hopeloos. Het lokale maatschappelijk werk gaf niet thuis: omdat meneer geen vaste woon- of verblijfplaats had konden zij niets doen….Dat het wijkteam de vergoeding van de inzet garandeerde deed daaraan niets af. De zoektocht naar een alternatief – een tijdelijke (begeleide) woonvoorziening strandde – ondanks het rechtstreeks aanspreken van een leidinggevende van de betreffende voorziening in een botte verwijzing naar de reguliere intakeprocedure.  

De situatie van meneer gaat met inmiddels met de dag achteruit, waardoor de consulent van het wijkteam samen met de contactpersoon steeds verder achter de feiten aan lijken te lopen. De inkt van het ondersteuningsplan is nog niet droog, of het plan blijkt alweer achterhaald door wijzigingen in de omstandigheden en de muren waartegen de contactpersoon en consulent aanlopen. Een spoedprocedure Wlz bij het CIZ wordt gestart, maar biedt op korte termijn geen soelaas. De regionale toegang voor begeleid wonen geeft niet thuis en ook het maatschappelijk werk – aangesproken op de onterechte formele weigeringsgrond (geen vaste woon- of verblijfplaats) – laat desondanks weten dat zij de casus niet kan oppakken. Het bieden van ondersteuning/begeleiding bij de algemeen dagelijkse dingen – boodschappen doen, zorgen dat er dagelijks gegeten wordt, bankpas helpen activeren, nieuwe mobiele telefoon aanschaffen met beltegoed zodat gebeld kan worden – zou te ingewikkeld zijn…

De betreffende casus werd uiteindelijk opgelost dankzij de innige en betrokken samenwerking van de contactpersoon, de consulent van het wijkteam en een huisarts. Zij hielden elkaar bij de hand, zochten elkaar op. Zij toonden eigenaarschap!

De lessen die voorbeelden als deze ons leren? Het grootste struikelblok voor de sociale wijkteams is de ketensamenwerking. Het duurt te lang om goede afspraken te maken. Begrip van de ketenpartners is leuk, maar zonder actie of bijstand is het een betekenisloze reactie. Begrip vraagt meer dan mooie woorden. Het vraagt actief meedoen. Het vraagt (mede-)eigenaarschap en (mede-)verantwoordelijkheid. Zonder dat zal iedere ondersteuningsvraag van inwoners een uitdaging blijven voor de consulenten die werken in een wijkteam. Zeker als zelfs de professionals in de keten niet thuis geven of zich verschuilen achter formaliteiten. Zij ondermijnen de positieve en creatieve werkomgeving die als een vliegwiel kan werken. Juist het ontbreken daarvan maakt de slagkracht van onze samenwerking tot een kwetsbaar fenomeen,

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.