Anders is anders, maar niet automatisch een probleem!

anders is anders.png

  • De rem erop!

“Ze bestaan: Sonja en Sander zijn dé gemiddelde Nederlander” Zo kopte 29 januari 2019 het tijdschrift Quest. Het blad claimde twee Nederlanders te hebben gevonden die het meest op de gemiddelde landgenoot lijken. Sander en Sonja dus. Aanleiding voor de zoektocht was een lezersvraag van Quest. Bij de zoektocht werd samengewerkt met de TU Delft. Zo werden composiettekeningen gemaakt en dook het tijdschrift in cijfers van onder meer het CBS om te bepalen wat de gemiddelde Nederlander is. Wat blijkt? De gemiddelde Nederlandse is gemiddeld 41 jaar oud en drie kilo te zwaar. De Nederlandse vrouw is gemiddeld 42,5 jaar oud en anderhalve kilo te zwaar. Verder hebben ze allebei een heel licht kleurtje omdat er een paar miljoen mensen in Nederland wonen met wortels in bijvoorbeeld Marokko en Turkije. De gemiddelde Nederlander is ook 21.000 euro rijker geworden sinds 1999. Althans, volgens de Duitse denktank Centre for European Policy (25 februari 2019).

Herkent u zichzelf al? Ik niet. En weet u waarom niet? Omdat de gemiddelde Nederlander niet bestaat. En hoewel ze anders beweren, eigenlijk bevestigt Quest dat ook. Sonja en Sander zijn niet de gemiddeld Nederlander. Ze lijken er het meest op.

Toch is ‘de gemiddelde Nederlander’ de maatstaf van ons stelsel van ondersteuning en zorg.  Ons hele zorgstelsel is gebaseerd op het ‘systeem van de grootste gemiddelden’. Het gemiddelde is de norm, de norm is normaal en anders is anders. Met als pervers bijverschijnsel dat iedereen, die niet aan de ‘norm’ van het gemiddelde voldoet, een probleem kan claimen. En dus ook een oplossing.

De grote decentralisatieoperatie binnen het sociaal domein (2015) beoogde deze ontwikkeling een halt toe te roepen. De transformatieagenda had als centrale doelstelling het leveren van passende zorg en ondersteuning tegen aanvaardbare kosten. Werken volgens het principe van de ‘gemiddelde inwoner’ zou worden vervangen door ‘maatwerk’.

Inmiddels zijn wij vier jaar verder. Gemeenten, op lokaal niveau verantwoordelijk voor het welzijn en de ondersteuning van de inwoners – zwaaien met lege portemonnees. Tegelijkertijd donderen wethouders en burgemeesters met woorden van onmacht over het falen van de landelijke overheid bij de inrichting en bekostiging van het stelsel. Zij wijzen op de almaar stijgende kosten. Waarvoor zij talloze oorzaken zien. Van de macht van de aanbieders tot de ouder en veeleisender wordende bevolking.

Natuurlijk, ook dit zijn (kleine) olifanten in onze porseleinkast. Net zoals de marktwerking in de zorg dat is. Niet alleen is dat een belangrijke bron van inefficiëntie en onnodige kosten. Het is een verzoeking. Letterlijk en figuurlijk. Omdat het onze ‘afwijkingen’ van ‘het gemiddelde’ als problematisch labelt en de oplossingen ervan opknipt in producten. Met aan elke oplossing gekoppeld een prijskaartje. Waarmee vooral de productiemachine op toeren gebracht wordt (en moet worden gehouden).

De echt grote olifant in de kamer is echter deze: Ons onvermogen om elkaar duidelijk te durven of weten te maken dat alles wat lastig is, niet meteen een probleem is. Dat afwijken van de norm geen schande, maar eerder een kwaliteit is die wij moeten koesteren.

Wij hoeven onze inwoners helemaal niet duidelijk te maken dat de kosten voor ons zorgstelsel onbetaalbaar worden. Al vijf jaar stijgt het nationaal inkomen sneller dan onze zorguitgaven. De groei van de zorguitgaven is dus prima financierbaar en helemaal niet onhoudbaar. Mits wij dat wat wij verdienen willen aanwenden voor prioriteit nummer één: goede zorg. Die prioriteit stellen wij wel, maar wij willen ook voor een dubbeltje op de eerste rang zitten. Dus omarmen wij de afwijking van de norm als toegangskaart voor een (door de overheid betaalde!) oplossing van het ‘probleem’. Zo melken wij collectief de gemeenschappelijke koe van het zorgstelsel. Met pubers die lastig zijn vanwege leeftijdsadequaat gedrag. Met mensen met een handicap die wij als een probleem bejegenen. Enzovoort enzoverder. Waarbij wij ons gemakshalve blind tonen voor het feit dat de portemonnee van diezelfde overheid via de belastingen toch ook weer voor onze eigen rekening komt.

Door inwoners als individuen te zien, ontdekken we dat de gemiddelde inwoner niet bestaat. Dat brengt met zich dat alle gestandaardiseerde oplossingen en antwoorden onder de loep genomen moeten. Tegelijkertijd moeten wij willen erkennen dat ieder mens anders is. Dat verschil moeten wij benutten. Dat scheelt een hoop problemen! Omdat het heel veel ‘afwijkingen’ van ‘de norm’ (= de gemiddelde Nederlander) dan weer en beter kunnen relateren aan de ontwikkelingsfase van het individu. Een opstandige puber is lastig, maar geen overheidsprobleem (tenzij).

De Raad voor Maatschappelijke Ondersteuning (RMO), de adviesraad van de regering en het parlement op het terrein van participatie van burgers en stabiliteit van de samenleving, beschrijft dit in het rapport “Ontzorgen en normaliseren – Naar een sterke eerstelijns jeugd- en gezinszorg (april 2012) als volgt: ‘Alle gelukkige gezinnen of huishoudens lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin/huishouden is ongelukkig op zijn eigen wijze.’ Net als hét ongelukkige gezin of huishouden bestaat ook hét kwetsbare gezin/huishouden niet. Situaties maken voor alle gezinnen/huishoudens deel uit van het dagelijks leven. Veel gezinnen dan wel huishoudens zullen die situaties op eigen wijze, met hulp van familie, vrienden, andere ouders of buren oplossen. Een deel van de gezinnen of huishoudens heeft echter een vorm van ondersteuning nodig, omdat hun vragen complexer zijn, zij zelf niet voldoende draagkrachtig zijn of hun sociale netwerk beperkt is.’

Deze principes van ontzorgen en normaliseren behoren aan de basis van ons zorgstelsel te liggen. Vanuit deze uitgangspunten kan gewerkt worden aan een eenvoudiger zorgsysteem, waarin de veerkracht van gezinnen dan wel huishoudens de basis is en ondersteund wordt door vakbekwame en betrokken professionals. Laten we leren het niet-normale te zien als een verrijking van het leven en – inderdaad – als een uitdaging die een beloning in het vooruitzicht stelt. Want dat is de historische betekenis van ‘handicap’.

Het begrip ‘handicap’ werd in de 19de eeuw in deze betekenis gebruikt: een last die iemand die beter af was, moest dragen om de persoon die om een of andere reden minder goed af was niet te benadelen. We zien dus hoe het begrip van een positieve discriminatiemaatregel is verschoven naar een benaming voor wat de benadeelde persoon benadeelt.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Advertenties

Dementie onder migranten

dementie pharos

  • Wachtkamervideo over dementie voor migranten

Het aantal migrantenouderen met dementie neemt snel toe. In 2030 is één op de drie mensen met dementie in de vier grote steden migrant. Voor veel migranten en hun mantelzorgers is dementie een relatief onbekend verschijnsel. Pharos heeft daarom een wachtkamervideo over dementie ontwikkeld in vier talen.

De animatievideo vertelt het verhaal van Emina (75). Het gaat niet zo goed met haar, ze doet weinig en vergeet veel. En in en rondom het huis gaan veel dingen verkeerd. Emina gaat naar de huisarts, die dementie bij haar vaststelt.

Video in vier talen 

De wachtkamervideo is beschikbaar in vier talen; Nederlands, Engels, Turks en Arabisch. Het filmpje vergroot de bewustwording over dementie en vertelt patiënten in hun eigen taal waar zij terecht kunnen met vragen.

Cultuursensitieve zorg 

Mensen met een migratie-achtergrond gaan vaak anders om met ziekte en zorg dan autochtone Nederlanders. Vergeetachtigheid en gedragsveranderingen worden door mensen met een migratieachtergrond soms gezien als bijverschijnsel van het ouder worden of als ‘gekte’. Het onderwerp kan taboe zijn. Mensen met een andere culturele achtergrond gaan niet altijd op zoek naar de juiste zorg. Dat vraagt om extra aandacht en zorgvuldige communicatie: cultuursensitieve zorg. Bekijk de Gesprekslijst ‘Zorgen doe je samen’ en de bijbehorende handleiding van Pharos.

  • Bron: Pharos

Rechtmatigheid als creativiteitskiller

rechtmatigheid.png

  • De wet van behoud van ellende

Je bent een professional en vanuit jouw werk betrokken bij het sociaal domein. Je hebt een concreet sociaal vraagstuk waar je een originele invalshoek voor zoekt. Oplossingsgericht en creatief als jij bent, vind je deze ook. En dan begint de ellende. Want creativiteit binnen het sociaal domein mag hoog in het vaandel staan, het praktiseren ervan is niet zelden het juiste recept voor mislukking en/of frustratie. Je struikelt over de drempel van rechtmatigheid.

Goed beleid en goede oplossingen voor vraagstukken in het sociaal domein moeten aan steeds meer voorwaarden voldoen. Ze zijn ‘domein overstijgend’, ‘efficiënt’, ‘duurzaam’, ‘buurtgericht’,  ‘cliëntgericht’ en meer. Ze moeten echter ook en vooral rechtmatig zijn. Doen wat werkt mag, mits het rechtmatig is. Liever, zo lijkt het soms, doe je iets wat misschien niet direct bijdraagt aan de oplossing, maar wel rechtmatig is. De uitleg van ‘rechtmatigheid’ blijkt voor menig professional binnen het sociaal domein een struikelsteen voor en bij betrachtte creativiteit.

Rechtmatigheid is een juridische term, die aangeeft dat een (voorgenomen) handelwijze in overeenstemming moet zijn met de bedoeling van de geldende regels en besluiten. Binnen het sociaal domein werken steeds meer professionals volgens de bedoeling van wet- en regelgeving. In de financiële en of materiële context van de financiers op gemeenteniveau wordt vaak een striktere uitleg gehanteerd: een begroting of verslag kun je alleen financieel rechtmatig opstellen, door alleen kosten en baten op te voeren die in overeenstemming zijn met wettelijke regelingen en verordeningen. Een sportactiviteit voor een jongere – als onderdeel van een totaalaanpak – werd door een professional als een passende oplossing in het kader van de Jeugdwet beschouwd. En dus als passend binnen de bedoeling van de wet. En daar dacht de financiële afdeling nou net weer anders over: de Jeugdwet kent geen vergoedingen voor sportactiviteiten. Dus is de uitgave niet rechtmatig en de oplossing niet correct, laat staan uitvoerbaar.

Het passende antwoord voor een inwoner met een ondersteuningsvraag rond – bijvoorbeeld – participatie kan heel goed liggen bij een antwoord in de sfeer van schuldhulpverlening. Zoals het passende antwoord voor een te klein behuisde ouder – die ten einde raad is met twee heel drukke ADHD’ers – een verbouwing in plaats van GGz-behandeling kan zijn. Allemaal oplossingen die passen bij de bedoeling van de wet- en regelgeving. Allemaal oplossingen die domein overstijgend, duurzaam, cliëntgericht en kostenbesparend zijn. Maar volgens de letterknechten desondanks niet rechtmatig.

Creativiteit kun je niet afdwingen. Het bestaat doordat mensen vrij kunnen denken en ontstaat door een sterke intrinsieke motivatie: passie. Passie om voor een situatie een passende oplossing te bedenken. En als die oplossing je voor nieuwe problemen stelt, steeds verder te zoeken tot het passende antwoord duidelijk is.

Creativiteit kun je wel om zeep helpen. Door de creatieve oplossing binnen het system dat juist deze oplossing onmogelijk maakt te willen borgen. Menig professional struikelt dan over de drempel van rechtmatigheid. Waarbij hij of zij al snel het gevoel krijgt iets heel erg verkeerd te doen. Zo niet fraude pleegt. Als het vervolgens echt niet lukt het ‘meesterwerk’ te realiseren en aan de gewekte verwachtingen te voldoen, zal dat het creatieve denkproces voor de toekomst zo niet blokkeren, dan toch stevig frustreren.

Als het sociaal domein om creativiteit vraagt, vraagt dat om een verandering. Onder andere waar het gaat om het hanteren van het begrip ‘rechtmatigheid’. Het vraagt om een systeem dat ruimte biedt aan professionals die in staat zijn verantwoordelijkheid te dragen voor het resultaat. Niet op basis van instructies of opdrachten, maar op basis van verantwoording van de bedoeling van hun doen of laten.

Wie meent dat daarmee creativiteit is voorbehouden aan slimme, getalenteerde of exceptionele mensen help ik graag uit de droom. Iedereen is creatief. Niet in de laatste plaats mensen die in knelsituaties zitten. Zij kunnen – niet zelden beter dan de professionals – precies duiden wat eraan schort en wat hen daadwerkelijk helpen kan. Het zijn vaak antwoorden of oplossingen die niet voor het grijpen liggen in de schappen van het systeem. En dus schiet menig professional al gauw in de modes van ‘het kan niet, het mag niet, dus het zal niet.’

Een passender houding zou zijn de vraag te stellen wat er nodig is om dit soort van ‘super’-oplossing mogelijk te maken. Met elkaar in gesprek gaan over eventuele knelpunten en wat er door wie gedaan kan worden om het knelpunt weg te nemen. Waarbij steeds de bedoeling leidraad blijft. In goed Nederlands: pas de methode van Ontwerpdenken toe. Dit is een methodologie die gebruikt wordt om (complexe) problemen op te lossen. De mens in zijn situatie staat centraal binnen de methodiek door problemen steeds vanuit de menselijke behoeften te definiëren. Er worden oplossingsrichtingen bepaald die daarbij aansluiten. En het vraagt om een organisatie die creativiteit wil en kan faciliteren. Door medewerkers die komen met een idee te allen tijde te stimuleren het idee te beproeven. Daarbij past geen opgetrokken wenkbrauw, geen opgeheven vingertje maar een houding en reactie van: “Dat gaan we doen.” Simpelweg, omdat creativiteit van waarde is.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Van toegang naar uitkomst

loket

  • Van ‘recht op toegang’ naar ‘recht op antwoord’

Met de invoering van de Participatiewet, de nieuwe Wmo en de Jeugdwet per 1 januari 2015 is het sociaal domein in één klap het grootste domein binnen het takenpakket van gemeenten geworden, zowel financieel als inhoudelijk. Waar gemeenten de eerste jaren veel tijd besteedden aan het inregelen van deze drie nieuwe wetten, krijgt nu het samenhangend werken binnen het sociaal domein steeds meer aandacht. Want vier jaar verder kunnen en moeten wij constateren dat de gestelde doelen nog lang niet bereikt zijn en dat zeker de verwachte kostenreductie nog niet gerealiseerd is. Ondanks dat alle betrokkenen er alles aan doen om dit succesvol te laten verlopen. Bij de werkwijze en organisatie spelt ‘de toegang’ een (te) prominente rol.

De gemeentelijke toegang voor mensen die ondersteuning nodig hebben fungeert nog te veel als een poortopener (inclusief de daarvoor benodigde indicatiestelling) naar individuele maatwerkvoorzieningen. Terwijl het een makelaar moet zijn, bij wie de vraag van inwoners wordt gekoppeld aan de voor die inwoner meest passende oplossing.

Het beleid in veel gemeenten is hier ook op gericht en ‘kantelt’ naar mensen ertoe bewegen om niet direct naar een geïndiceerde (individuele) voorziening te grijpen, maar eerst na te gaan wat ze zelf in en met hun omgeving aan hun vraag dan wel situatie kunnen doen. Een individuele maatwerkvoorziening is daarbij één van de instrumenten voor het bieden van een passende uitkomst.

De objectieve, onafhankelijke en integrale indicatiestelling – zoals die voor de decentralisatie vorm kreeg – leidde niet zelden tot een ‘te zwaar aanbod’ van voorzieningen en meer dan eens tot ‘claimgedrag’ van inwoners of aanbieders. Menig sociaal (wijk)team of gemeentelijk loket voor zorg werkt vandaag de dag nog steeds als een het (verkapt) indicatieorgaan. Het vermaledijde ‘loket’ is vervangen door iets dat nieuw klinkt (‘toegang’), maar hetzelfde doet. Het ene systeemprobleem is zo vervangen door een nieuw systeemprobleem.

Sloop van ‘de toegang’ is daarom hard nodig! Wij moeten hem omver durven gooien of afbreken. Indicaties immers zijn gericht op voorzieningen die van tevoren zijn bepaald en gerubriceerd, terwijl deze gerubriceerde voorzieningen niet altijd hoeven te passen bij de specifieke situatie van de inwoner. De vraag wat de omgeving van een hulpvrager kan betekenen, komt via de indicatiestelling niet altijd voldoende in beeld. Daarnaast levert de indicatiestelling veel bureaucratisch papierwerk op en is vaak niet flexibel. De indicatie gaat immers uit van één moment, terwijl situaties voortdurend kunnen veranderen.

De opdracht voor professionals binnen het sociaal domein is om op geleide van de situatie van de inwoners een uitkomst te bieden in voor hen lastige situaties.  Anders gezegd: zij moeten de kunst verstaan om tijdig en passend iets te ondernemen als een inwoner door of in zijn situatie dreigt vast te lopen. Dat vraagt om het verkennen van dat waar het de betreffende inwoner (en/of zijn gezin/huishouden) principieel om gaat en het zoeken naar antwoorden in wederzijds belang. Om op deze manier te kunnen werken is het wel belangrijk dat de professionals naast voldoende scholing en vaardigheid vooral ook tijd en ruimte ervaren voor het voeren van het goede gesprek. En juist dat gunnen veel gemeenten hun professionals niet. Omdat hun ‘toegang’ gebukt gaat onder een wirwar van normen (wachtlijsten, wachttijden, beslissingstermijnen, etc.) en (het voorkomen van) incident gedreven regelgeving. Dat alles verstikt de oorspronkelijke bedoeling van de toegang.

Professionals zijn degenen die mensen helpen met het – zoveel als verantwoord mogelijk – oplossen van hun eigen situatie. Geef ze de kans om te doen waar ze goed in zijn. Dat ruimte en beleidsvrijheid om de ondersteuning van inwoners/gezinnen/huishoudens vanuit één plek met één budget beter te organiseren. Maatwerk is dan geen voorziening, maar ondersteuning, afgestemd op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een inwoner/gezin/huishouden, gericht op behoud dan wel versterking van de eigen regie en zelfredzaamheid Voorzieningen worden eerst dan ingezet als het eigen netwerk niet volstaat of niet meer dreigt te volstaan. Als wij daarbij het dagelijkse leven van de inwoners als basis nemen, zal juist dat leiden tot een hogere kwaliteit, meer tevredenheid en een aanzienlijke kostenreductie.

Zo naar een uitkomst toewerken vraagt en veelt geen recht op toegang, maar vraagt een recht op antwoorden. Antwoorden die aansluiten op mogelijkheden van inwoners in hun situatie. Het vraagt ook geen krampachtig samengesteld team van professionals uit zoveel mogelijk organisaties. Het vraagt vooral zicht op de context: hoe ziet een buurt/wijk/gemeente eruit, welke mensen wonen er, wat zijn de mogelijkheden en uitdagingen van die mensen en welke kennis en kunde hebben zij of kunnen wij toevoegen om de uitdagingen passend te kunnen beantwoorden. En het vraagt professionals die de autonomie van inwoners – zowel m.b.t. het proces als de uitkomst – niet overnemen maar teruggeven. Professionals die het proces begeleiden en eerste en vooral inwoners in beweging brengen. Zo nodig door (al dan niet) tijdelijk in te voegen of bij te springen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Laat ze eens scharrelen

scharrelruimte

  • Maak ruimte voor scharrelen, schuren en knutselen

Wachtlijsten zijn een belangrijk thema binnen de gemeentelijke toegang tot ondersteuning en zorg. Professionals in het sociaal team van gemeenten verwijzen daardoor meer door dan nodig is. Dat leert niet allen onderzoek. Professionals waarmee ik dagelijks mag werken ervaren het aan den lijve. Tegelijkertijd constateer ik dat de hang binnen het sociaal domein naar het bedrijfsmatig sturen van de toegang ten koste gaat van de maatschappelijke waarde van de werkelijke oplossing. En daarmee ook aan de zingeving van de professionals die juist daarom voor het mooie beroep van hulpverlener kozen.

Er is al jaren een breed gedeeld gevoel in de publieke sector dat de manier van sturen en verantwoorden niet voldoet dan wel beter kan. Er zijn klachten over bijvoorbeeld de bureaucratie, registratielast en soms doorgeschoten manier van bedrijfsmatig sturen (denk aan de focus op productie en geld, alles willen meten, het kwantificeren van handelingen van professionals, enzovoort). Het is geen gewoonte om de maatschappelijke waarde aan te tonen. Juist door de druk op financiën en productie blijft er te weinig ruimte over om de vernieuwingen in de werkwijze, samenwerking of prestatiemeting door te voeren.

Het versterken van eigen regie, eigen verantwoordelijkheid en eigen kracht van inwoners vergt – zo leert de ervaring – tijd en aandacht voor het voeren van het goede gesprek, waarbij het eigen netwerk van de inwoner in beeld wordt gebracht, opdat:

  • Inwoners snel(ler) geholpen worden bij hun ondersteunings- of zorgvragen;
  • Inwoners ondersteuning dan wel zorg krijgen die zo nauw als mogelijk aansluit op hun persoonlijke (thuis)situatie, mogelijkheden en netwerk;
  • Inwoners die anderen zorg of hulp (willen) bieden, daarvoor alle ruimte en steun krijgen;
  • De omvang en de kosten voor ondersteuning en zorg beperkt worden.

Een sociaal team dat of toegang die werkt met het motto ‘zo effectief mogelijk doorverwijzen’ zal dat alleen doen als dat duidelijk meerwaarde heeft ten opzichte van de bestaande situatie. Medewerkers kijken daarom steeds naar de ‘vraag achter de vraag’, waardoor het mogelijk is om de vraag direct door te zetten naar de juiste ondersteuning of zorg en inwoners niet ‘van het kastje naar de muur worden gestuurd’. Dit draagt ook bij aan het doel wat voor ogen is, namelijk ondersteuning op diverse leefgebieden gerichter inzetten. Zij werken dus vanuit een integrale verkenning van de situatie waarbij zij eerst onderzoeken welke mogelijkheden er zijn voor de inwoner om zijn zelf- of samenredzaamheid en participatie te vergroten op basis van het eigen sociale netwerk. Waar dat helpend is, zetten zij hulpvragen (met een warme overdracht) door naar vrij toegankelijke vormen van algemene voorzieningen. Zij herkennen voorkomende onveilige situaties, bijvoorbeeld vanuit signalen uit het netwerk en de keukentafelgesprekken. Ze weten hiernaar te handelen en hebben kennis van de meldingsprotocollen. Op casusniveau leggen zij – indien nodig en samen met de betreffende inwoner – contact met andere professionals met onderlinge waardering voor elkaars professie.

De afgelopen jaren wordt er zo hard gewerkt om de doelstelling van de decentralisaties te realiseren. We zijn nu vier jaar verder en kunnen constateren dat de gestelde doelen nog niet overal bereikt worden, en dat ook de verwachte kostenreductie niet gerealiseerd wordt. Ondanks dat sociale teams er alles aan doen om dit succesvol te laten verlopen. De oorzaak is gelegen in de perverse sturing waarmee sociale teams te maken heeft.

Hoewel dit nadrukkelijk niet de opzet noch bedoeling is, worden zij nog te veel als de toegang (inclusief de daarvoor benodigde indicatiestelling) naar individuele maatwerkvoorzieningen gezien. Wij zien het Centrum voor Elkaar meer in een makelaarsrol waarbij wij de vraag van inwoners koppelen aan de voor de inwoner meest passende oplossing. Waar het beleid ‘kantelt’ naar mensen ertoe bewegen om niet direct naar een geïndiceerde (individuele) voorziening te grijpen, maar eerst na te gaan wat ze zelf in en met hun omgeving aan hun vraag dan wel situatie kunnen doen, worden sociale teams ‘gestuurd’ op caseload, wachtlijst en wachttijd. De werkdruk als gevolg van de toenemende caseload per medewerker loopt – ook door de door de medewerkers ervaren verantwoordelijkheid voor de wachtlijst en wachttijd – steeds verder op.

Een medewerker van een sociaal team daarover: “Ik word niet afgerekend op de maatschappelijk waarde van een oplossing, maar op mijn productie. Wanneer ik een aanvankelijk meest adequate oplossing voor een woonaanpassing à raison van een kleine € 40.000,00 – op basis van het juiste gesprek met de inwoner – naar een (ook volgens de inwoner passender en duurzamer) oplossing heb weten te brengen die ‘slechts’ € 20.000,00 kost, word ik aangesproken op de extra ureninzet ter waarde van een kleine twee duizend euro.  Het organiseren van de juiste ondersteuning op het juiste moment vraagt inderdaad meer tijd en aandacht. Die zouden wij ook kunnen geven als wij als team over voldoende ‘scharrelruimte’ (lees: een ruimere formatie of een lagere caseload) kunnen beschikken.”

Als gevolg van het hiervoor beschreven dilemma komt steeds meer het belangrijkste doel – het op maat bieden van passende zorg en ondersteuning onder druk te staan. Een keuze voor het (versneld) aanpakken van de wachtlijst en wachttijd gaat vaak ten koste van de noodzakelijke tijd en aandacht voor de ‘kanteling’: het vroeg signaleren, het preventief werken en het vinden van oplossingen in en met de eigen omgeving van de inwoners. Verminderde aandacht hiervoor draagt het risico in zich dat vaker en sneller dan wellicht noodzakelijk of wenselijk gekozen zal (gaan) worden voor een (duurdere) maatwerkoplossing.

Indicaties voor maatwerkvoorzieningen zijn bovendien veelal gericht op voorzieningen die van tevoren zijn bepaald en gerubriceerd, terwijl deze gerubriceerde voorzieningen niet altijd hoeven te passen bij de specifieke situatie van de inwoner. Als gevolg van bezuinigingen, werkdruk en regelgeving sturen de professionals inwoners met een ondersteuningsbehoefte juist sneller door naar dit soort van voorzieningen, terwijl ze die inwoner wellicht zelf hadden kunnen helpen. Dat kun je voorkomen door professionals meer ruimte te geven om zelf beslissingen te nemen en ruimte of capaciteit te geven om cliënten zelf te helpen.

De opdracht voor sociale teams resp. de gemeentelijke toegang is om mede zorg te dragen voor een betere verbinding tussen vraag en antwoord vraagt daarom een andere sturing. Daarvoor is ‘scharrelruimte’ nodig. Buiten de lijntjes werken, creatieve onorthodoxe oplossingen zoeken kost tijd en kennis van de sociale kaart. Nu kan dat vaak niet omdat gemeenten bang lijken voor claims als de hulp niet binnen de normtijd van wachtlijst of wachttijd geboden wordt. Maar als je de teams meer loslaat, kunnen zij vaker maatwerk leveren en inwoners op een betere – en vaak passender en goedkopere – manier helpen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Hoe het waardeloze ons verrukt

waardenvol.png

  • Van waardeloze naar waardenvolle samenleving

Hoewel het uitgangspunt in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) is dat het tot de eigen verantwoordelijkheid van de burgers en hun sociaal netwerk behoort om de beperkingen in de zelfredzaamheid te compenseren, mag mantelzorg niet worden afgedwongen. Dit heeft de Centrale Raad van Beroep op 11 januari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:17) bepaald in een beroepszaak over een geweigerd pgb voor huishoudelijke hulp. Deze uitspraak werd mij deze week door een rechter nog eens onder de aandacht gebracht. Omdat er geen sprake is van mantelzorg als de zorgverlener voor zijn diensten betaald wil worden. Hetgeen naar mijn mening de deur wagenwijd openzet voor een verdere individualisering van onze samenleving. Want waarom zou ik voor mijn naasten, vrienden of buren nog mantelzorg verrichten als ik er ook voor betaald kan krijgen?

Hoe lang duurt het nog voor wij het kopje koffie dat wij gaan drinken bij onze ouders als betaalde informele zorg (willen) kunnen declareren bij de overheid? Onder het mom van ‘het bestrijden van hun (gevoel van) eenzaamheid! En wanneer zullen wij als opa en oma ontdekken dat wij het op de kleinkinderen passen kunnen aanmerken als betaalde informele zorg; ter ontlasting van de (overbelaste) ouders, omdat die toch echt beiden recht hebben op een beetje vrije tijd naast hun werk? En tegelijkertijd klagen wij steen en been over de stijgende premies voor onze ziektekostenverzekering en de almaar toenemende belastingdruk. Die wij dus stiekempjes zelf veroorzaken!

Mensen leven langer en dat gaat gepaard met een toename van het aantal chronisch zieke patiënten. Deze grote demografische veranderingen zetten ons zorgsysteem onder druk. De Nederlandse zorguitgaven zijn in 2018 gestegen tot precies 100 miljard euro, een record. Tegelijkertijd is er een tekort aan zorgpersoneel dat in 2020 naar schatting zal zijn opgelopen tot 500.000 werknemers.

Sociale veranderingen in een samenleving vragen het bewustzijn dat voor elkaar zorgen en onderlinge verbondenheid niet ondergeschikt mag zijn aan geld verdienen en zelfontplooiing. En juist dat lijkt in toenemende mate het geval. De voordelen die samengaan met de opkomst van wetenschap en techniek – die heeft geleidt tot een mechanisering van onze samenleving – maakt dat wij tijd en zorg voor elkaar steeds meer opvatten als technische en economische factoren. Bedoeld of onbedoeld gaat dat ook gepaard met verlies van positieve waarden als zorgzaamheid en verbondenheid.

In toenemende mate zie ik onze waardenvolle samenleving afkalven naar een waardeloze samenleving. Waarin mensen het te druk hebben om voor elkaar te zorgen. ‘Mijn moeder wassen? Daar ben ik niet voor’, hoor je. Of: ‘Ik ben toch geen mantelzorger!’ Terwijl men wel graag veertien dagen vakantie boekt.

Wij schijnen in rap tempo te vergeten resp. blind te worden voor het feit dat mensen die goede contacten hebben met anderen gelukkiger zijn en zowel fysiek als geestelijk gezonder en beter in staat om tegenspoed, sociale isolatie en uitgesloten zijn tegen te gaan. In de basis gaat het daarbij om relaties. Hoewel we meer en meer geneigd zijn het belang hiervan in ons dagelijks leven te onderschatten.

De basale menselijke behoeftes zijn ‘zichtbaarheid’ en ‘erkenning’. Tellen en meetellen dus. Daarom ook is het belangrijk om kennissen of vrienden te hebben waarmee je een interesse, een hobby of een verleden deelt. Daarnaast zijn er mensen nodig waarbij je echt je hart kunt luchten. Dit kan variëren van vertrouwenspersonen (partner, familie), tot vrienden of buren, (ex-)collega’s, kennissen en leden van bijvoorbeeld het koor of de sportvereniging.

In onze jacht op individuele ontplooiing en economische vooruitgang hollen deze waarden steeds meer uit en worden zij waardenloos gemaakt. Het gevolg is dat wij steeds minder samenleven. En juist daarin schuilt naar mijn idee de kern van de afbraak van onze samenleving.

Niet alleen zijn we minder goed in staat elkaar te ondersteunen in het dagelijks leven maar juist ook bij problemen of ziekte. Omdat wij ze voor en bij elkaar niet meer signaleren en kunnen tackelen, maar ook omdat wij nauwelijks nog vaardigheden en een natuurlijke professionaliteit ten aanzien daarvan ontwikkelen. Het gevolg daarvan is dat wij onnodig in de problemen raken, minder zelfredzaam zijn en afhankelijker worden van deskundigen.

Het is dan ook niet vreemd dat de kosten voor ons zorgstelsel de pan uit rijzen.  We hebben er zelf geen antwoord meer op. We richten onze wereld in op een manier waarin wij niks meer met elkaar te maken hebben. Tenzij het economisch gewin oplevert! Onze samenleving is er een geworden van ‘u vraagt en ‘de overheid’ draait. (voor de kosten op). Met tegelijkertijd een obsessieve belangstelling voor flexibiliteit en maatwerk die aansluit op wat wij nodig hebben.

Mijn pleidooi? Wij moeten als samenleving weer waarden durven omarmen. Investeren in de meest nabije relaties (partner, familie, vrienden) die voedend en ondersteunend zijn voor ons. Met wie wij onze wensen, behoeften en gevoelens openlijk kunnen en durven delen. Een samenleving ook die er schande van durft te spreken dat wij voor het ‘elkaar helpen’ een vergoeding (durven) vragen. Het monster van ‘eenzaamheid’ bijvoorbeeld kunnen wij dan bestrijden met sociale verbondenheid en sociale contacten als de tegenhanger van eenzaamheid. En ja, daar moeten wij zelf actief aan werken en in investeren. Door ruimte te maken en ruimte te geven naast ruimte te krijgen om het gedoe van alle dag in het sociale contact in te bedden. Elkaar steunen, hulp aanbieden en hulp vragen. Want zorgen voor elkaar, dat doe je gewoon!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

 

Wie doet de opvoeding?

bad parents

  • En nou is het afgelopen!

Soms kruipt mij de gedachte dat ‘goede ouders’- juist door onze jeugdhulp – een uitstervend ras zijn.  Een goede ouder begeleidt en ondersteunt. Stimuleert z’n kind om zelfstandig iets te doen. Toont zelf goed gedrag. Kleineert of beledigt nooit. Toont dagelijks liefde. Zegt sorry. Straft verkeerd gedrag. Laat z’n kind in zijn waarde. Weet met wie z’n kind omgaat. Stelt normen en waarden boven succes. Maakt elke dag even tijd voor zijn kind. Praat en luistert.

In september 2009 kopte een artikel in Trouw “Wie doet de opvoeding?” Met als conclusie: Ouders en docenten. Vandaag de dag lijkt die vraag als antwoord te hebben: ‘de staat’!

Ouders zijn naar mij overtuiging de eerst verantwoordelijken voor de opvoeding van hun kind. In toenemende mate echter lijkt het dat ouders wel de lusten, maar niet de lasten van de opvoedingstaak accepteren. Zodra het moeilijk wordt, is de overheid het aanspreekpunt en het (financiële) haasje.

Uitdagingen en vragen horen bij ouderschap. Tegelijkertijd zie ik dat ouders steeds vaker niet langer een ‘neus’ hebben voor ‘gewoon opvoeden’. Hierdoor komt de opvoeding van kinderen steeds meer in handen van professionals. Dat kan niet alleen anders. Het moet anders!

Op de kinderafdeling van een ziekenhuis zag ik op een poster geschreven: ‘Let meer op uw kinderen dan op de monitor’. Hoewel het een oproep is aan ouders in een medische context, verbeeldt deze poster ook een trend in de jeugdhulpverlening. Het is een tendens om risico’s en opvoedproblemen steeds meer neer te leggen bij de samenleving dan wel overheid.

Diezelfde overheid echter heeft, met de beste bedoelingen, precies dat gedaan wat zij niet moest doen: bijgedragen aan het verminderen van de steun die ouders elkaar onderling geven en de steun uit de nabije omgeving teruggedrongen. Gevolg: opvoeden is vervangen door superspecialisatie en zwaardere inzet dat nodig en gewenst.

Het effect hiervan is dat ouders en professionals steeds meer de kinderen als potentiële risicogevallen aanmerken.

En nou is het afgelopen! Nou is het klaar! Ik wil niet meer dat ouders (te gemakkelijk) wegkomen met hun handelingsverlegenheid. Zeker niet zonder zichzelf in te spannen om handelingsbekwaam te worden.

Het is een terugkerende ergernis. Ouders die bellen met de mededeling dat “er nu een oplossing voor hun kind gezocht moet worden.” Terwijl diezelfde handelingsverlegenheid toch vooral een probleem van de ouders lijkt te zijn. Wat je ook gewoon kunt oplossen. Niet, door de verantwoordelijkheid voor de opvoeding te verleggen (van thuis naar overheid), maar door handelingsbekwaam te worden; bijvoorbeeld. Ouders moeten niet de mogelijkheid krijgen zo snel bij de pakken neer te zitten. Of het (lastige) pakket dat ‘opvoeden’ heet door te schuiven naar anderen.

De meeste kinderen in Nederland ontwikkelen zich zonder al te veel problemen tot autonome en sociale volwassenen die een positieve bijdrage leveren aan de samenleving. Daarnaast is er een (groeiende) groep van van ouders met thuiswonende kinderen die zegt zich wel eens zorgen te maken over de opvoeding of ontwikkeling van één of meerdere van hun kinderen. Deze ouders zoeken daarvoor hulp of advies buiten het eigen gezin, de familie of de vriendenkring. Veel ouders weten kennelijk niet zo goed hoe ze met veel voorkomende problemen van hun kinderen om moeten gaan. Terwijl heel veel van die ‘problemen’ eigenlijk heel normaal zijn. Somberheid, angst, druk gedrag, tegendraadsheid, agressie, het zijn – tot op zekere hoogte – normale verschijnselen bij kinderen. Verbonden aan de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden. Het is het moment waarop dit soort gedrag optreedt, de duur en de intensiteit die maken of iets wel of niet zorgen moet baren (Van Yperen, 2009). Omdat veel problemen heel normaal zijn, is het omgaan met die problemen te beschouwen als een gewone opvoedingsopgave voor ouders, beroepsopvoeders (pedagogisch medewerkers, leerkrachten) en gemeenschappen zoals buurt en gemeenten.

Intussen stijgt het aantal jongeren onder de 23 jaar dat jeugdzorg krijgt gestaag, zo blijkt uit cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek en krijgt een op de tien jongeren in Nederland een vorm van hulp. Dat is een zware last voor gemeenten, Dat komt enerzijds doordat gemeenten de jongeren die de hulp nodig hebben beter weten te vinden. Tegelijkertijd wordt de jeugdhulp ‘opgerekt’: steeds meer vormen van hulp valt onder jeugdzorg. Van kindercoaches tot brugklastraining. Mede daarom pleit ik ervoor om de drempel naar professionele jeugdhulp te verhogen. Niet, door te ontkennen dat opvoeden lastig is, maar door te durven erkennen dat kwetsbaarheid bij het leven hoort en problematiek rondom opvoeden en opgroeien daar dan ook niet van uitgesloten zijn. Deze zienswijze opent niet alleen het venster naar een andere kijk op hulp en opvoeden. Het brengt ouders ook weer in positie. Omdat het appelleert aan het ‘gewone’ leven.

Goede jeugdhulp is niet het ‘uit het gezin weg organiseren’ van problemen, maar het – zo nodig samen met het gezin – leren hanteren ervan.  Zo ook kunnen wij voorkomen dat ‘gewone’ opvoedingsvraagstukken worden geframed als jeugdzorg. Terwijl het eigenlijk over heel gewone (en ja, soms ook verdraaid lastige) opvoedingsvraagstukken gaat. Kortom, de boodschap: moet niet zijn dat ‘de overheid’ voor ouders en kinderen kan (en zal) zorgen. Dan zal de jeugdzorg een gevaar voor de jeugd worden. Goede opvoeding en jeugdhulp begint bij ouders die begeleiden en ondersteunen. Die kinderen stimuleren iets zelfstandig te doen. Die gevraagd gedraag zelf voorleven. Die kinderen in hun waarde laten, juist ook door normen de stellen en waarden over te brengen. En ja, dat vraagt elke dag even iets van onze eigen tijd!

Ouders die dat alles niet kunnen of willen opbrengen, of ouders die niet meer zo goed weten hoe ze hun kinderen moeten opvoeden, moeten wij durven confronteren met de ongemakkelijke waarheid dat niet ‘hun’  of ‘de’ kind(eren) het probleem zijn, maar hun eigen (niet) doen of laten. Om vervolgens samen met hen te bezien hoe wij dat kunnen veranderen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden