Vrijwilligers zijn goud waard

vrijwilligerswerk.png

  • Het schip van verwachting versus de wal van (on)mogelijkheden

Niet alleen de chimpansees worden met uitsterven bedreigt. Ook de vrijwilliger is een bedreigde soort! Is dat erg? Uitsterven hoort nu eenmaal bij evolutie zou je kunnen zeggen. Dat klopt, en het uitsterven van een soort nu en dan is ook geen ramp. Maar de huidige uitstervingsgolf wordt honderd procent veroorzaakt door een schip vol van verwachtingen dat zonder vaart te minderen afstevent op een kade van onmogelijkheden. Terwijl wij als samenleving eigenlijk afhankelijk zijn van het de vrijwilligers. Zij zijn het fundament van onze transformatie.  Als dat fundament in elkaar klapt, is dat onomkeerbaar.

Boodschappen doen voor een oudere vrouw die het zelf niet meer kan, huiswerkbegeleiding geven aan kinderen uit achterstandswijken, bewoners van een verpleegtehuis helpen bij het eten en knutselen met verstandelijk beperkte mensen die baat hebben bij een dagbesteding. Allemaal taken die onze ouders als vanzelfsprekend deden voor mensen in hun netwerk. Later werden ze onderdeel van betaalde zorg. Waardoor langzaam maar zeker bij onze generatie het beeld ontstond dat dit altijd al door professionals gedaan was. En nu ze in onze huidige samenleving weer terugkomen op het bordje van onszelf voelen wij ons bestolen van en door de verzorgingsstaat.

Het is onderdeel van een ingrijpende verandering van onze samenleving: de overgang van de verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving. De overheid trekt zich steeds meer terug en er wordt een groter beroep op inwoners gedaan. Een belangrijke pijler om de decentralisaties en transformatie binnen het sociaal domein tot een succes te maken is de eigen kracht van mensen. Hun participatie ook als vrijwilliger. En juist de vrijwilliger is een uitstervend ras.

Wat een moeite verenigingen, scholen en instellingen moeten doen om mensen te vinden die hun vrijwillig willen helpen. Bij menige sportvereniging moeten  teams uit de competitie worden gehaald, omdat men geen trainers en leiders voor deze teams kan vinden. En wat dacht je van al die vrijwilligers in de zorg die bij ouderen langs gaan die alleen zijn, die in hospice werken, die in bejaardenhuizen activiteiten doen? Het is dankbaar werk, maar steeds minder mensen willen het doen.

De vrijwilligerssector heeft te maken met grote veranderingen, vooral door de drie grote decentralisaties van zorg, werk en jeugd. Hierdoor is vooral het beroep op vrijwilligers in zorg en welzijn is de laatste jaren gegroeid. Ook worden hogere eisen gesteld aan het werk dat vrijwilligers doen omdat de vragen complexer en langduriger zijn. Voor steeds meer organisaties is het een meer dan grote uitdaging hoe zij hieraan invulling en uitvoering kunnen geven. Niet i de laatste plaats ook door onze afnemende bereidheid om vrijwilligerswerk onbetaald – een kenmerk van vrijwilligerswerk – te verrichten. Het hulpje dat wij in het huishouden inhuren, zodat wij vrijwilligerswerk kunnen doen voor de dagopvang waar ons hulpje haar kind naartoe brengt moet immers ook betaald worden!

Vrijwilligersorganisaties ondervinden inmiddels een enorme druk, omdat zij een groter aantal en complexere hulpvragen ontvangen. Hulpvragen die tot voor kort – dankzij de gouden eeuw die wij beleefden – door professionals in de zorg en welzijn werden opgepakt, komen nu (weer) bij vrijwilligersorganisaties terecht.

De grenzen aan vrijwillige inzet vormen dan ook een vaak terugkerend gespreksonderwerp. Niet alleen vanwege de vraag of een vrijwilligersorganisatie of vrijwilliger de extra gevraagde taak of een meer complexe taak wel aankan. Vaker gaat het om een gebrek aan capaciteit dan om een gebrek aan deskundigheid. Veel vaker doemt de vraag op of wij de gezochte vrijwilliger nog wel kunnen vinden en binden.

Jongeren bijvoorbeeld doen nog maar zelden vrijwilligerswerk. Daar waar zij dat wel doen, is het vaak een zakelijke transactie: ik doe dit in ruil voor…woonruimte, verlaging lidmaatschapskosten, etc. Ook wij ouderen echter staan niet bepaald meer in de rij voor het langdurig doen van vrijwilligerswerk. Een avondje bardienst dragen bij een sportclub, meehelpen bij een spelletjesmiddag in het buurt- of verzorgingshuis, de Vierdaagse meelopen met mensen in een rolstoel. Er is van alles mogelijk. Mits er vrijwilligers zijn! En daar knelt steeds meer de schoen.

De toenemende schaarste aan vrijwilligers maakt dat wij met enige urgentie moeten nadenken over de vraag wanneer het schip van de verwachting wordt gekeerd door de wal van (on)mogelijkheden. Veronderstellen dat het wel goed komt is riskant.

Los van de vraag of vrijwilligers bereid zijn om nieuwe taken op te pakken, zullen wij naar verwachting veel meer oog moeten hebben voor goede condities en voorwaarden. Waarbij wij niet blind kunnen zijn voor de toenemende trend in onze samenleving dat elke prestatie die wij voor en aan elkaar leveren voorzien moet worden van een tegenprestatie. Dat keren wij niet door mensen wild te enthousiasmeren met het beeld van verenigingen, organisaties en instellingen die draaiende gehouden worden door vrijwilligers. Dat vraagt om een bij de huidige tijd passende erkenning van het feit dat vrijwilligers goud waard zijn en dus niet met de loden last van onbetaalbaarheid afgescheept kunnen worden. 

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

 

Advertenties

Laat me

mag ik gaan

  • Mag ik gaan. Leven en sterven met dementie

Zeven kwetsbare portretten in woord en beeld van mensen die leven met dementie. Allemaal hebben ze gekozen voor euthanasie. Ze weten het zeker, maar de werkelijkheid blijkt soms weerbarstig: wanneer is het moment dat ik niet meer verder wil? Hoe zorg ik dat ik niet te laat ben?

Huisarts Constance de Vries en kunstenaar Herman van Hoogdalem zochten hen op – zij als behandelend arts die binnen de Levenseindekliniek veel met dementie wordt geconfronteerd, hij als portrettist en interviewer – en gaven deze mensen een stem en een gezicht. Gezichten van dementie begon als postuum eerbetoon aan de moeder van Herman van Hoogdalem. Zij leed aan alzheimer. Van Hoogdalem keerde jaren na haar dood terug naar het verzorgingshuis en portretteerde met instemming van de families mensen met dementie. Het resultaat zijn aquarellen van ruim 2 meter hoog. De expositie reisde sedert 2013 langs meerdere musea, ook in het buitenland, en trok veel publiek. De vormgever heeft de expositie knap naar het boek weten te vertalen. De aquarellen worden hersenschimmen achter de tekst. De tekst wordt verbeeld in een spiegel van de dood die langzaam oplost en ontkleurt. De keuze voor euthanasie als vorm van waardig sterven is al gemaakt. Uiteindelijk is het beloop heel verschillend.

Het gedachtegoed van ‘in eigen regie’ blijkt niet houdbaar in de werkelijkheid waarin zich een beeld ontvouwt van mensen die wanhopig trachten hun eigen plot te schrijven.

  • Mag ik gaan. Leven en sterven met dementie, Herman van Hoogdalem en Constance de Vries, WBooks, 70 blz., 19,95 euro.

Luisteren, inhaken en aansluiten

gesprek.png

  • Begin (met) een goed gesprek

Praat met mij, praat met mij
Dan kan ik je helpen
Alleen als je tegen me praat
Praat met mij, praat met mij
Je hoeft niets te verzwijgen

De fervente Hazes-fan kent de woorden en het bijbehorende lied ongetwijfeld. En of je nu wel of niet van smartlappen houdt, zijn tekst is een wijs advies. Niet in de laatste plaats voor ons als hulp- en dienstverleners. Het probleem is wij te druk zijn en – mede daardoor vaak – ‘doeners’ zijn en meteen aan de slag willen. Wij ontzeggen ons en de mensen met en voor wie wij werken de tijd voor een goed gesprek. Met alle gevolgen van dien.

De meeste inwoners met een uitdaging of probleem weten vaak zelf heel goed wat er nodig is. Daarom vinden zij het belangrijk om inspraak te hebben in de keuze van ondersteuning. Zij willen graag willen graag ‘samen beslissen’. Dit gebeurt steeds vaker, maar er is nog veel verbetering mogelijk. Soms voelt het ook nog niet genoeg als ‘samen’. Een goed gesprek is daarom erg belangrijk.

Wanneer hulp- of dienstverleners aan de ‘de keukentafel’ – maar dat kan ook de bank, in de koffiehoek of aan een cafétafeltje zijn – aanschuiven, komen twee werelden samen: die van de inwoner met zijn vraag en die van de hulp- of dienstverlener. Om tot de beste ondersteuning te komen hebben zij elkaar nodig. Inwoners vertellen over hun uitdaging of klachten en hun persoonlijke situatie. Hulp- en dienstverleners bespreken de mogelijkheden die zij als antwoord zien en de voor- en nadelen daarvan. Beiden hebben hun eigen gewicht bij het nemen van een goed besluit over het passende antwoord. Het draait hierbij om goede communicatie en een brede kijk.

Luisteren, inhaken en aansluiten. Dat zijn voor een hulp- of dienstverlener belangrijke kwaliteiten. Als je dat kunt, kun je een goed gesprek voeren en samen komen tot een passend antwoord. Een goed gesprek is belangrijk, omdat op die manier duidelijk wordt wat de situatie is. Maar ook, wat de mogelijkheden binnen die situatie zijn en welke valkuilen er kunnen opdoemen. Persoonlijke situaties kunnen zó verschillen, dat er lang niet altijd een ‘standaardoplossing’ mogelijk is. Het is dan ook niet vreemd dat inwoners meer tevreden zijn, dat er vaker verstandige beslissingen worden genomen, en dat zij trouwer zijn aan de afgesproken oplossing als zij worden betrokken bij de beslissing. Ondersteuning is daardoor efficiënter, wat onnodige inzet en kosten kan voorkomen.

Luisteren, inhaken en aansluiten dus. Met het dagelijkse leven van de inwoner als vertrekpunt. Dat vraagt ook een verruimde blik. Het verder kunnen en willen kijken dan de eigen deskundigheid. Inwoners leven niet in de domeinen die wij als overheden en professionele organisaties zo graag als houvast hanteren. Denkt u nou werkelijk dat een inwoner ’s ochtends opstaat en zich afvraagt in welk ‘domein’ hij nu zit of wil zijn? Het leven van onze inwoners is niet ingedeeld in de kokers voor wonen, zorg, welzijn, werk en inkomen, mobiliteit en dergelijke. In het echte leven is er voortdurend een onderlinge verwevenheid van problemen en capaciteiten. En dan komen wij met onze domein-oplossingen! Die vaak voelen als een of en te klein dan wel te groot gekochte jas. Op de maat van de inwoner in zijn of haar situatie is hij zelden.

Domeindenken tiert nog steeds welig in onze werkpraktijk. Het systeem en het daarmee verbonden aanbod regeert. Heilige huisjes van beroepsbeoefenaren die met elkaar hebben afgesproken wat tot hun gebied behoort. Een domein waarvan de ander moet afblijven. Eigen richtlijnen en protocollen. Een eigen aanname- en toewijzingsbeleid. Grenzen rond bevoegdheden, die vaak nog wettelijk beschermd zijn ook. Bevoegdheden die qua vergoeding door financiële schotten streng gescheiden zijn. Welk domein mag beslissen? Bij wie hoort welke ondersteuning of zorg? Allemaal dilemma’s waarin wij ons als professionals graag gevangen houden. ‘Ons’ domein is onze comfortzone. Daarin voelen wij ons veilig en soeverein. De inwoners met uitdagingen of problemen komen er in deze ‘machtsstrijd’ meestal bekaaid vanaf.

Het passende antwoord voor een inwoner met een ondersteuningsvraag rond – bijvoorbeeld – participatie kan heel goed liggen bij een antwoord in de sfeer van schuldhulpverlening. Zoals het passende antwoord van een ouder die ten einde raad is met twee heel drukke ADHD-ers in een te kleine behuizing een verbouwing in plaats van behandeling door de Ggz kan zijn.
Het komt er bij een advies op neer dat de kwaliteit van de geboden oplossing voor de inwoner passend en aanvaardbaar moet zijn. Als dat niet het geval is, zal hij of zij er niets mee doen. De uiteindelijke effectiviteit is dan nihil.

Een professionele hulp- of dienstverlener kan en durft uit zijn expertrol te stappen. Hij of zij durft – samen met de inwoner – de uitdaging of het probleem breed te verkennen. Op basis van een goed gesprek. En ja, dat kost tijd. Echter, een goed gesprek aan het begin kan veel onnodig gedoe later voorkomen. Want, als het fout gaat, gaat het fout in het begin!

Wat het van ons vraagt? Nuchter naar de uit te voeren taken kijken. Met een open oog en oor voor het totale palet aan mogelijkheden en beperkingen. Niet zozeer vanuit de historisch gegroeide eigen taakinvulling, maar kijkend door de ogen van de mensen om wie het gaat. Door met taken, budgetten en antwoorden te schuiven. Of het reëel is? Logisch is het wel. En – belangrijker nog – veel praktijkvoorbeelden laten zien dat het kan. Met vaak betere en gedragen oplossingen of antwoorden. Die bovendien ook nog vaak veel minder blijken te kosten.

En voor de twijfelaars onder ons: deze benadering maakt het zeker soms lastig. Tegelijkertijd is de voldoening uiteindelijk veel groter. Daarom zeg ik: Begin (met) en goed gesprek. Luister en kijk naar de dilemma’s. Zoek ze op en voorzie ze – samen met de inwoners – van een passend antwoord. Verras uw gesprekspartner door hem of haar het vertrouwen te geven door naar hem of haar te luisteren. Mensen die in een crisis verkeren, vertrouwen vaak niet meer op een gesprek, omdat de belangrijkste voorwaarde daartoe – weten dat je gehoord wordt – teloor is gegaan.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Gladiatoren van de nieuwe tijd

gladiatoren.png

  • Wie daagt wie nu uit?

Nederlanders moeten meer te zeggen krijgen over hun eigen leefomgeving. Dat zegt de overheid. Daarom heeft zij onder meer het ‘uitdaagrecht’ beschreven. Daarmee moet het makkelijker worden voor inwoners om aan de overheid een alternatief plan voor te stellen. Dit ‘uitdaagrecht’ moet breder worden ingezet, zegt ook de overheid. Maar als het er op aan komt, geeft diezelfde overheid niet thuis! Het ‘recht van uitdaging’ lijkt zo een hol begrip en een loze belofte te zijn.

De Wet maatschappelijke ondersteuning kent al zo’n uitdaagrecht – right to challenge – maar dat werkt niet zo soepel als zou moeten. Aan de keukentafel ja, op individueel niveau, daar wil het meestal nog wel lukken. Echter, zodra het ‘systeem’ zelf wordt uitgedaagd wordt het ingewikkelder zo niet onmogelijk. Neem de ingewikkelde aanbestedingsregels in de wet. Die zorgen er juist voor dat inwoners worden belemmerd in hun mogelijkheid om gemeenten uit te dagen meer zorgtaken zelf uit te voeren. Het aanbestedingsrecht, de Wet openbaarheid van bestuur, de Gemeentewet en de rechtsbeschermingsprocedure uit de algemene Wet bestuursrecht sluiten onvoldoende aan op onervaren, lokaalgebonden en kleinschalige initiatieven. Zo leert de ervaring.

In zo’n honderd gemeenten hebben inwoners het Right to Challenge: het recht om taken van de gemeente over te nemen als ze denken dat ze dat slimmer, beter, goedkoper of anders kunnen doen. Minister Ollongren (BZK) streeft naar een verdubbeling van het aantal gemeenten in 2022. Op papier zal dat waarschijnlijk wel lukken. Het denken ook doen zal lastiger blijken. Het op papier zetten is een, maar dan ben je er nog niet. Je moet er echt mee aan de slag, je moet er als overheid werk in steken. Je moet er actief mee naar buiten, en – in de eerste plaats – je moet willen en durven loslaten.

Stel, dat als gladiatoren in hun tijd, de inwoners van Amsterdam de overheid zouden uitdagen met een plan om ‘hun’ Slotervaartziekenhuis voortaan zelf te gaan exploiteren. Zou het ogen? Ik zou het wensen, maar waag het ernstig te betwijfelen. En wat te denken van de inwoners van de gemeenten Haren (Groningen) en Landgraaf (Limburg). Zij wilden wat graag zelf hun boontjes doppen, maar kregen of krijgen nul op het rekest.

Als inwoners geïnspireerd worden om lokale publieke taken over te nemen en daarvoor overgaan tot participatie, is  frustratie hun lot. Want in het gunstigste geval krijgen zij een beetje ondersteuning in de vorm van lippendienst. Meestal echter worden diezelfde inwoners weggezet als goed bedoelende amateurs. Een muur van verzet, een tsunami van tegenargumenten en gebrek aan openheid zijn vaak hun deel..

Dit laatste lijkt vooral het gevolg van het feit dat het juridisch kader achterloopt op de maatschappelijke ontwikkelingen. Een goede toepassing van ‘right to challenge’ vereist een herziening van de rechtsverhoudingen tussen inwoners en bestuur.

Het ‘recht van uitdagen’ is een mooi iets, maar als er zo’n initiatief komt, moeten de mensen niet van het kastje naar de muur worden gestuurd. Vaak is de angst dat inwoners hun werk gaan overnemen. Overheden moeten er duidelijk mee leren omgaan dat inwoners net even op een andere manier aankijken tegen dingen, de zaken net even anders inrichten. Zij denken niet in geldpotjes en afdelingen, ze willen gewoon iets voor elkaar krijgen.

Het ‘right to challenge’ veronderstelt een omslag van burger- naar overheidsparticipatie. Van (als inwoner) ‘mogen meepraten’ naar (als overheid) ‘betrokken zijn bij’. Dat vraagt transparantie en openheid. Het veelt geen reacties in de trant van ‘U (inwoner) kent de context net; u weet niet waar u over praat’.  Als dat al zo zou zijn, dan is dat niet aan de inwoners te wijten, maar aan een tekort schietende overheid.

Mijn voorlopige conclusie? Het lijkt wel of overheid de inwoners met initiatieven heeft (her)ontdekt, maar meestal blijft het beperkt tot kleine, tijdelijke projecten van een goedwillende ambtenaar of vooruitstrevende wethouder, maar ze komen niet voort uit een bestuurlijke visie op burgerinitiatieven. En dat is volgens mij de uitdaging voor de komende jaren. Want burgerparticipatie is nog te vaak iets dat moet worden afgevinkt. Terwijl het beleid er zo veel beter van wordt. Zeker, nu gemeenten steeds meer taken op zich zien afkomen. Een proces dat begon met de decentralisaties van jeugdhulp, werk en zorg en wordt gevolgd door de Omgevingswet, de energietransitie en de overgang naar aardgasvrije wijken. Dat alles gaat niet vanzelf’ en al helemaal niet zonder de inwoners. Dat vraagt een heel ander type dialoog. Gebaseerd op betrokkenheid vooraf in plaats van bezwaren achteraf.

Of het zal lukken overheden zo te laten kantelen? Ik ben ervan overtuigd. Is het niet op basis van echte overtuiging, dan wel omdat de wal het schip keert. Immers, ondanks de – op zijn vriendelijkst gezegd – tegenstribbelende medewerking van heel wat overheden zien wij een gestage toename van burgercoöperaties op het gebied van energie, gezondheid, zorg, onderwijs, werkgelegenheid en woningbouw. Als antwoord vaak op de grootschalige instanties en professionele instellingen. Mensen willen graag en weer het heft in eigen hand.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Pak me dan, als je kan

fraude.png

  • Bekommernis als dekmantel voor fraudeurs

Met grote regelmaat verschijnen in de media berichten over fraude in het sociaal domein: van fraude met het Persoonsgebonden budget (Pgb) tot fraude met uitkeringen. Misbruik van sociale voorzieningen wordt gezien als een ernstig vergrijp. Het vaststellen van fraude blijkt echter een tijdrovende exercitie. Ergerlijker echter is nog dat – door gebrek aan handhavingscapaciteit en oeverloze procedures – gemeenten nog te vaak op hun handen (moeten) blijven zitten.

Met de invoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet is het takenpakket van gemeenten op het terrein van zorg aanzienlijk uitgebreid. Gemeenten zijn daarbij niet alleen verantwoordelijk geworden voor de uitvoering van de zorgtaken, maar ook voor de kwaliteit en de rechtmatigheid. Voor gemeenten is het dan ook noodzakelijk en verplicht om vorm en inhoud te geven aan het bestrijden van fraude in het gemeentelijke zorgdomein. Maar het terrein is voor gemeenten relatief nieuw. Dat zet de deur naar fraude, misbruik of oneigenlijk gebruik open, zeker wanneer een gemeente organisatorische processen nog niet op orde heeft. Dit laatste geldt in het bijzonder voor kwetsbare inwoners die voor hun dagelijks doen en laten zijn aangewezen op de mensen die voor hen moeten zorgen. Juist onder hen zitten helaas ratten die – onder het mom van bekommernis – hun eigen welzijn hoger in het vaandel hebben dan dat van de mensen voor wie zij er moeten zijn.

Over de financiële omvang van de fraude in het gemeentelijk zorgdomein durven deskundigen geen uitspraken te doen. Percentages die worden genoemd lopen uiteen van 1 tot 10 procent van de uitgaven, maar ik vrees dat de tot nu toe opgespoorde fraude ‘het topje van de ijsberg’ is.

En laat ik duidelijk zijn: ik kom het in mijn uitvoeringspraktijken allemaal tegen: hulpverleners die zorg leveren aan PGB-houders en gemakshalve zelf het budget voor de PGB-houder beheren. Pgb-bewindvoerders die declaraties voor akkoord ondertekent zonder te checken of de zorg geleverd is. Maar ook zorgverleners die meer uren zorg declareren dan zij leveren. Of slechte zorg dan wel overbehandeling tegen het maximumtarief. Het zijn – gelukkig – uitwassen en zij staan niet model voor de grote groep mensen die wel betrouwbaar zijn en goede zorg leveren. Tegelijkertijd echter zijn het deze charlatans die get blazoen van de goeden ernstig vervuilen.

De recente onthullingen bij het UWV, dat medewerkers daarvan worden ontmoedigd om fraude met werkloosheidsuitkeringen aan de kaak te stellen staat echter niet op zichzelf. Net als bij uitkeringen is bij vermoedelijke fraude in de zorg veel onderzoek nodig, en daar krijgen de deskundigen de benodigde tijd niet voor. Zij staan permanent onder tijdsdruk en moeten permanent kiezen waar ze wel of juist geen aandacht aan besteden. Een melding kost veel tijd en de kans op succes is daarbij vaak ook kwestieus. Zo ervoer onlangs ook de Nijmeegse wethouder Frings in de zaak tegen de Rigtergroep.

Fraudeurs beschikken over kennis over hoe te frauderen, waardoor ze in staat zijn de juiste gelegenheden te creëren en het bestaande toezicht te omzeilen. Mede dankzij de enorme interpretatieruimte die er blijkt. Waarbij ‘handelen uit bekommernis’ heel wat fraudeurs uiteindelijk de dekmantel biedt die zij nodig hebben. En zelfs als een gesjeesde manager, directeur of hulpverlener eerder veroordeeld is voor dit soort van praktijken blijkt het mogelijk dat zij – onder de ogen van Inspecties en andere toezichthouders – weer opnieuw en in bedenkelijk korte tijd een nieuw zorgimperium opzetten.

Gemeenten zo willen de verhalen – hebben onvoldoende zorginhoudelijke en juridische kennis om misbruik, oneigenlijk gebruik of fraude in het sociaal domein aan te pakken. Natuurlijk, het zijn (deels) nieuwe werkvelden en voorzieningen voor gemeenten. Waarbinnen bovendien de organisatorische processen nog lang niet volledig op orde zijn. De controle op de activiteiten wordt inderdaad bemoeilijkt door het feit dat de resultaten van de geleverde zorg niet direct meetbaar zijn. Nog lastiger echter wordt het als er blijkt dat er bij de toepassing van controle en handhaving heel veel interpretatieruimte is. Je bedenkt je als gemeente wel twee keer voordat je ingrijpt.

De prioriteit ligt op dit moment zeker niet bij het aanpakken van (vermoedens van) fraude, zo las ik in een verslag van een van de jeugdzorgregio’s. “In het Hoofdenoverleg is met alle gemeenten afgesproken dat de komende tijd prioriteit is om het proces handhaving organisatorisch beter in te regelen. De gemeenten hebben ingestemd met de prioriteitsstelling en ook de daaraan verbonden consequenties onder andere ten aanzien van de handhaving. We voorspellen dat de uitvoering van het rechtmatigheidsonderzoek grote risico’s op veel extra werk aan de achterkant met zich meebrengt. De ervaring leert ons dat juist daar een groot deel van het werk zit.”

Ik keur deze opstelling niet goed, maar kan er tegelijkertijd wel begrip voor opbrengen. Zeker als een soortgelijke reactie en opstelling bij de Inspecties blijkt te leven. We klagen wel en spreken er met z’n allen schande van, maar we doen er ondertussen niks aan.

Fraude in de zorg: we zien het wel, maar we pakken niet door. En dat weten ook de fraudeurs. Zij gaan dan ook onverdroten voort met hun praktijken. Waarbij zij – soms zelfs openlijk – met een uitstraling van “Pak me dan, als je kan!” koketteren met hun doen en laten.

Ik pleit daarom voor een sterkere rol van en positie voor de gemeenten waar het gaat om de aanpak van fraude, fouten of ongepast gebruik. Om te beginnen met het beter delen van kennis. Daarnaast vraagt de positie van de cliënt ten opzichte van de hulpverleners versterking,, aangezien de cliënt  de enige is die direct en continu een oordeel kan vellen over de rechtmatigheid en doelmatigheid van de verleende zorg. Belangrijk is ook dat gemeenten de handhavingscapaciteit in het zorgdomein versterken.

Belangrijker nog acht ik het regelen van transparantie. Het vaak meer georganiseerde karakter van zorgfraude vraagt om een grote mate van transparantie. Maak declaraties van zorgaanbieders binnen het sociaal domein openbaar voor de driehoek van client, leverancier en opdrachtgever. En ga eens op huisbezoek! Huisbezoeken bieden een eenvoudige mogelijkheid om in de praktijk te toetsen of de zorgverlening op orde is en de ingezette budgetten rechtmatig worden besteed.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Een monument voor elke mantelzorger

moeder.png

  • Moeder aan de lijn

Moeder aan de lijn is een intiem perspectief op de mantelzorg, wanneer drie dochters hun eigen leven noodgedwongen in de parkeerstand zetten.

De rollen zijn omgedraaid. Ineens heb je als dochter de zorg voor je bejaarde moeder. Hoe beïnvloedt deze nieuwe situatie hun verhouding?

Naast hun eigen gezin en drukke levens zorgen Elien, Carin en Hanna voor hun ouder wordende moeders. Dit doen ze uit liefde, maar soms zorgt plichtsbesef voor spanning en frustratie. De verzuchting ‘Het is toch mijn moeder’ geeft aan hoe diep het verantwoordelijkheidsgevoel zit. En terwijl zij wassen, kleden, voeden en verzorgen, verliezen hun moeders steeds meer grip op het leven.

De rollen van ouder en kind draaien op deze manier genadeloos om in deze observerende en met vlagen pijnlijke documentaire. De dochters brengen een deel van hun werk­ en privéleven tot een halt, om er voor hun moeders te zijn en dreigen zichzelf weg te cijferen. Terwijl het zorgen in deze fase ook mooi en waardevol kan zijn.

‘Weet je’, zegt Elien tegen een vriendin, ‘ik kan hopen dat ik een nieuwe baan vind, maar mijn kinderen en mijn moeder, daarvan kan ik niet zeggen: ik krijg nog een tweede kans.’

  • Moeder aan de lijn is een film van New Amsterdam Film Company in coproductie met Human.
  • Scenario en regie: Nelleke Koop

De olifant op de rug – haat en liefde in de regio

olifant.png

  • Angst voor versnippering staat samenwerking in de weg

“Zorg weer duurder door versnippering jeugdzorgregio’s.” Dat voorspelt onderzoeker Niels Uenk van PPRC op 21 september in vakblad Binnenlands Bestuur. PPRC is het researchcentrum over inkoop en aanbesteding in de publieke sector. Zij publiceerden voor de zomer samen met het Nederlands Jeugdinstituut een onderzoek waaruit blijkt dat de jeugdzorgregio’s al een stuk zwakker staan dan bij de start in 2015. Bij bijvoorbeeld de inkoop van ambulante jeugdhulp en dyslexie zijn er nu al veel meer samenwerkingsverbanden dan de 42 oorspronkelijke jeugdhulpregio’s. De voorspelling van Uenk puzzelt en prikkelt mij.  Er is op deze conclusie namelijk het nodige af te dingen. Want juist onze angst voor versnippering ontneemt ons de wil tot samenwerken. 

Tekorten op de jeugdzorg zetten de samenwerking in jeugdzorgregio’s onder druk. Dat klopt. De 42 regio’s, die in 2015 verplicht zijn gevormd, vallen op meerdere plekken uit elkaar. De betrokken gemeenten zoeken alternatieve manieren om de opgave en de daarmee gemoeide financiële uitdaging het hoofd te bieden.

De reden van het uiteenvallen van de jeugdzorgregio’s is m.i. niet dat gemeenten de (regionale) samenwerking niet willen. Wel dat zij die samenwerking niet langer willen op de wijze zoals die oorspronkelijk is ingestoken dan wel nadien is uitgewerkt. Er wordt te veel onderhandelt en te weinig overlegt. Waarbij de focus vooral ligt op de beheersing van de kosten en te weinig op elkaars percepties, doelstellingen en belangen. Terwijl juist de focus op de beheersbaarheid van de kosten diezelfde kosten onbeheersbaar heeft gemaakt. Omdat er simpelweg teveel in producten en modules wordt gedacht en te weinig in doelgroepen en profielen. Het gevolg is een ‘bouwmarkt’ vol gefragmenteerde producten en modules, terwijl er gezocht en gevraagd wordt naar totaaloplossingen.

Zorgaanbieders zijn niet blij met die versnippering, zo constateert ook Uenk. Het drijft de administratieve lasten enorm op. Bovendien moeten aanbieders, door de misplaatste veronderstelling dat zorg altijd aanbesteed moet worden, vaak aan veel aanbestedingen meedoen, waardoor zij te maken krijgen met veel verschillende tarieven, declaratie- en uitvoeringseisen. Het gevolg is dat de continuïteit van de zorginfrastructuur sterk onder druk staat. Het kan zo maar zijn dat een aanbieder als gevolg van een verloren aanbesteding het veld in een gemeente moet ruimen en plaats moet maken voor een andere aanbieder. Met alle gevolgen van dien, ook voor de betrokken inwoners. Bovendien heeft dit tot gevolg dat er weinig ruimte voor aanbieders is om te investeren in innovatie en kwaliteit. Een organisatie kan en wil niet investeren in een gemeenschap waarvan hij of zij niet weet of hij er volgend jaar nog wel onderdeel van mag uitmaken. Vroeger kwam ze er pratend uit als er een probleem was. Nu krijgen ze een document voorgelegd waarop ze moeten inschrijven. Een aantal neemt daarbij een groot risico, omdat ze niet weten of ze de verplichtingen kunnen nakomen.

Ik zie in de praktijk steeds meer in plaats van minder aanbestedingsprocedures gebaseerd op de traditionele aanpak. Die aanpak biedt onvoldoende ruimte om met elkaar te onderhandelen en te overleggen. Het bevreemdt mij dan ook niet dat de aanbestedingsprocedures en de contracten niet tot gewenste resultaten leiden. En dat als gevolg daarvan steeds meer gemeenten hun eigen plan trekken. Zeker als  samenwerken met de buurgemeenten meer voelt als een olifant op de rug dan als een paard voor de wagen. Wanneer echter die individuele gemeenten vervolgens ook zelf weer op dezelfde grondplaat van producten en modules voortbouwen, bestaat inderdaad het gevaar dat dit voor de aanbieders tot versnippering en administratieve lastenverzwaring leidt. En dan hebben Uenk en consorten gelijk. Wanneer we blijven doen wat we altijd al deden, dan krijgen we weer wat we altijd al kregen. Op welk niveau dan ook.

De effectiviteit van de regionale samenwerking wordt met name bemoeilijkt doordat er verschillen in sturingsfilosofie zijn. Als gemeenten ervan uitgaan dat dienstverlening lokaal gebeurt waar dat kan en regionaal waar dat moet, dan moet de regionale samenwerking daarop ingericht zijn en niet werken volgens het principe regionaal wat regionaal kan en lokaal waar het moet.  Ook de scope van de samenwerking moet daarmee in lijn zijn. Die ligt bij menig regio vaak eenduidig op inkoop. De aansluiting met de uitvoering op lokaal niveau wordt daarbij vaak node gemist.

Samenvattend concludeer ik dat het regionaal denken te veel gebaseerd is op de krampachtigheid van ‘moeten’ in plaats van ‘mogen’ samenwerken. Regionale samenwerking geeft zo het gevoel van een gevangenis, waarin regionale afspraken voelen als hand- of beenijzers of stalen sloten. En wie wil daaraan niet ontsnappen?

Wanneer echter de jeugdzorgregio’s en aanbieders meer zouden denken en doen vanuit de netwerktheorie kan veel van het hiervoor bedoelde ongenoegen worden weggenomen. Regio’s, inliggende gemeenten en jeugdhulpaanbieders moeten daarbij niet alleen financiële beheersbaarheid bespreken, maar ook de inhoud. Elkaars doelstellingen, percepties en belangen verkennen en leren doorgronden. De gesprekken moeten gaan over preventie, vernieuwing, samenwerking, integraliteit, maar ook over de wederzijdse belangen. En de daarvoor benodigde ruimte en verbindingen. Een gezamenlijk strategie dus, met ruimte voor lokale invulling in een sterke regionale context.  Alleen op deze wijze kunnen partijen elkaar verleiden de inhoudelijke, strategische en institutionele complexiteit bij de uitvoering het hoofd te bieden.

Het samen werken in een netwerk vraagt een houding van vasthoudend loslaten. Ruimte om zelf te doen wat je zelf kunt, in de wetenschap dat je samen kunt doen wat samen beter kan. Aanbieders, gemeenten en regio’s beschikken over verschillende middelen. Door elkaars middelen en mogelijkheden te gebruiken om de doelstellingen die zij beogen te behalen, kunnen zij elkaar versterken.  Dat kan het best in een samenwerking, gebaseerd op het uitruilen van belangen.

Het loslaten van het eigen belang wordt makkelijker, als de ander aandacht heeft voor jouw belang, en omgekeerd. Juist de huidige angst voor het loslaten leidt tot het elkaar verstikkend vasthouden. Daarom pleit ik voor regionale samenwerking, gebaseerd op een houding van vasthoudend loslaten. Omdat juist dat het beste antwoord is tegen de angst voor versnippering.