’t Is hier een gekkenhuis

gekkenhuis

  • Ggz van binnenuit

’t is hier een gekkenhuis is een onthullend en spraakmakend boek dat door zijn vlotte taalgebruik een plezier is om te lezen. Het boek doet recht aan de psychiatrische patiënt en zijn hulpverlener, maar helaas in mindere mate aan het worstelende zorgsysteem waarin zij zich momenteel bevinden.

Zoals ogenschijnlijk iedere tien jaar ligt er in de ggz een nieuwe zorgvisie op tafel. Het nieuwe devies luidt ‘ambulant is leidend’ en ‘herstellen doe je thuis’: verblijf in een psychiatrische instelling maakt de patiënt passief en afhankelijk, wat hospitalisatie in de hand werkt. In de laatste twee eeuwen kende de ggz meerdere gezichten. Aan het einde van de 19de eeuw was afzondering nog de enige oplossing denkbaar voor de ‘krankzinnigen’. Halverwege de 20ste eeuw ontstond met de antipsychiatrie een tegenbeweging die veel belang hechtte aan participatie van psychiatrische patiënten in de samenleving. Totdat enkele tientallen jaren later bleek dat deze beweging juist verwaarlozing van patiënten in de hand werkte. Hoewel het sociale aspect van de behandeling belangrijk bleef, kreeg de psychiatrie daarna een meer biologische benadering. Met de intrede van de Wet Bopz in 1994 kwam meer aandacht voor de inzet van drang en dwang in de ggz, met name het mogelijke misbruik daarvan. Een focus die sindsdien alleen maar sterker is geworden. Met de kennis van nu, die het ontstaan van traumatisering ten gevolge van dwangmaatregelen benadrukt, wordt zelfs getracht om maatregelen als separatie in zijn geheel uit te bannen.

In ’t is hier een gekkenhuis – De ommezwaai in de geestelijke gezondheidszorg combineren Koos Neuvel en Caroline de Pater deze historische feiten met ervaringen van nu. Twee jaar lang dompelden zij zich onder in een (anonieme) ggz-instelling, waar zij spraken met patiënten en hulpverleners. Zij wilden naar eigen zeggen stemmen horen, om aan de meerstemmigheid van de werkelijkheid recht te doen. Een werkelijkheid die beddenreductie en sluiting van (met name chronische) afdelingen heet. Hoe gaan patiënten om met de boodschap dat zij na tientallen jaren in de instelling opeens zelfstandig moeten gaan wonen? En hoever is de beoogde vermaatschappelijking van de zorg, in onze zogeheten participatiesamenleving? Volgens patiënten toont de werkelijkheid voornamelijk maatschappelijke taboes en eenzaamheid. Hulpverleners – wier rol is verlegd van ‘allesbepalers’ naar slechts ‘facilitators’ – concluderen dat een versterking van de ambulante voorzieningen de snelle afbouw van de klinische zorg vooralsnog niet kan bijbenen. Samen komen zij tot de belangrijke slotsom dat er geen sterker medicijn bestaat dan een goede behandelrelatie, met aandacht en oprechte interesse.

  • ’t is hier een gekkenhuis – De ommezwaai in de geestelijke gezondheidszorg, Koos Neuvel & Caroline de Pater, Podium, 288 blz., 22,50 euro.

 

Advertenties

Buitengewoon passend!

 maatwerk.png

  • Middelmaat: wat je in confectie krijgen kan

“Maak “passende jeugdhulp” en zorgvernieuwing concreet. Er ontbreekt nu veelal een duidelijk en gedeeld beeld over de gewenste veranderingen en de kwaliteitseisen waaraan (specialistische) passende hulp moet voldoen.” Die uitdaging van de Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ) houdt mij momenteel bezig.

“Passende hulp” is, net als ‘transformatie’ en ‘zorgvernieuwing’ binnen het sociaal domein een veelgebruikte container. Iedereen, mijzelf incluis, heeft het er over. Maar wat er in die container zit, of zou moeten zitten, dat weten wij eigenlijk niet. Dat bevestigt ook de vierde  jaarrapportage van de met als titel “Tussen droom en daad, op weg naar een volwassen jeugdstelsel” (maart 2018). Eerlijkheidshalve kwam dat spiegeltje ook bij mij wel even aan.

Ook ik heb het vaak over ondersteuning op tijd en op maat. Over passende hulp. Zonder het verder uit te werken. Het operationaliseren daarvan is, ook nu ik een aantal dagen verder ben, nog zo eenvoudig niet. Het is en blijft een interessante uitdaging die de TAJ op tafel legt. Het erover nadenken leert echter ook, dat juist ook in het concretiseren een gevaar schuilt. Voor je het weet verwordt passende zorg tot een ‘product’ dat wij voor een ons passende prijs inkopen; nog voor wij de mensen, voor wie het product bestemd is, kennen. Met als resultaat dat er van het ene ‘product’ veel te veel en van het andere ‘product’ veel te weinig voorradig is. Voor je het weet is passende hulp dan toch weer de confectiezorg die ons – en de beoogde maatschappelijke beweging – juist niet past.

Passende zorg (ondersteuning, hulp) is voor mij zorg die aansluit op de krachten en mogelijkheden van de mensen. Waarbij het eerst en vooral draait om aandacht geven aan diens uitdaging of opgave. Niet meteen gericht op bijspringen of overnemen, maar luister naar het verhaal. Wellicht ter bevestiging. Misschien ook met af en toe een tip of handreiking. Pas als dat niet voldoende is, volgt het bijspringen. Het samen met de persoon in kwestie ‘aanpakken’ van het probleem. Niet het probleem staat daarbij centraal, maar de mens. Met eerst en vooral zijn mogelijkheden, talenten en eigen oplossingen. Om zo ook te komen tot de juiste aanpak voor hem of haar.  Waarbij de beslissingen samen genomen worden. Tenzij de ander dat niet kan of wil. Waar het om gaat, is dat mensen met hun hulpbehoefte verder geholpen worden, zo veel mogelijk thuis, zo veel mogelijk in de wijk, met zo min mogelijk verlies van sociale  en maatschappelijke rollen.

Passende hulp is ook niet alleen gericht op ‘doen’. Niet alles wat kan, hoeft. Ook iets ‘laten’ kan passende zorg zijn en bijdragen aan het aanvaarden van problemen. Zo bezien is passende hulp altijd maatwerk. De talenten en kwaliteiten van ieder mens immers zijn even uniek als verschillend. Zeker als je daarbij ook zijn of haar omgeving betrekt.

Passende hulp is daarmee – anders dan wij met onze inkoop en contractering vaak bewerkstelligen – geen (zorg-) confectie.  Het is en vraagt maatwerk. Is ook niet gericht op productie, maar op passendheid. Dat wil zeggen: bij de persoon in kwestie – in zijn of haar situatie, met de daaraan verbonden mogelijkheden en beperkingen – passend.

Omdat zij rekening moet houden met de kenmerken van het individu, met verschillende groepen en met de na te streven veranderingen in de zorg- en hulpverlening. Natuurlijk kan daarbij gebruik gemaakt worden van actuele kennis over wat werkt in specifieke situaties. Maar het blijft per saldo maatwerk.

Bij passende hulp staat de mens centraal. Samen met de hulpverlener stelt hij of zij vast wat hij of zij zelf kan en wil doen. Gevoed door de interactie met de hulpverlener. Passende hulp veronderstelt ook het door de betreffende persoon en de hulpverlener beschikken over probleemspecifieke kennis en vaardigheden. Het vraagt vertrouwen in het eigen kunnen en een vermogen tot zelfontplooiing. Weten dus wat het probleem inhoudt, wat de consequenties zijn, wat er nog wel of niet meer kan, en waar we het juiste antwoord kunnen vinden of krijgen.

Zo beschouwd vraagt passende hulp ook een passende attitude van ons hulpverleners. Waarbij wij de natuurlijke neiging tot ‘doen’ (overnemen) moeten onderdrukken. Passende ondersteuning heeft zelfmanagement voor de persoon in kwestie hoog in het vaandel. Beschikbare kennis wordt juist daarom ook aan hem of haar overgedragen. Het vraagt van ons om onze coachende vaardigheden in te zetten, en – als dat aangewezen is – de kortste weg naar bij die situatie passende ondersteuning of voorzieningen te wijzen. Passende hulp participeert en anticipeert dus! Met het oogmerk om zichzelf, mits dat kan en verantwoord is – uiteindelijk overbodig te maken.

Passende hulp, zo denk ik te moeten menen, vraagt dus ook om passende financiering. Bekostiging op basis van passendheid van de oplossing. En omdat die oplossing telkens weer net even anders kan (en moet!) zijn, vraagt dit van de financiers om meer met budgettaire kaders (dit is het vierkant) dan met producten (dit mag/moet de oplossing zijn) te werken. En ja, dat vraagt vertrouwen. In de mensen voor en de mensen met wie wij werken.  Vanuit de overtuiging ook dat mensen in problemen – uitzonderingen daargelaten – per saldo voor zichzelf nooit meer vragen dan wat strikt noodzakelijk is. Tenzij het door het gewenste maatwerk alleen als vooraf bepaalde zorgconfectie bepaald is.

Of ik met dit alles een passend antwoord heb gevonden? Ik waag dat te betwijfelen. Om tot een optimaal antwoord te komen en de juiste keuzes te maken vraagt passende hulp om gedeelde besluitvorming. Besluitvorming die expliciet rekening houdt met ieders omstandigheden en voorkeuren. Ik houd mij daarom aanbevolen voor passende adviezen!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Een goed idee kan nooit een gesloten geest binnenkomen

Dia1.PNG

In maart 2018 mocht ik samen met collega Chantal van Cappelleveen een dagsessie leiden voor het team Beleid SD Gemeente Bunnik over de  maatschappelijke opgave en het beleidswerk in een veranderende wereld.  Het werd een inspirerende vindtocht, waarbij wij samen ontdekten dat onze eigen (team-)ontwikkeling veel parallellen vertoont met de ontwikkelingen binnen het sociaal domein. En dat ‘transformatie’ geen ding is, maar een proces!

Een antwoord vinden op de opgave en uitdaging gaat over het gebruik en verbinden van krachten. En dat is wel degelijk mogelijk. Als wij stoppen met het (met onze kaarten dan wel belangen tegen de borst) kwartetten. Als wij de opgave als een puzzel durven zien.

De eerste stap is om de randen te scheiden van de rest van de puzzelstukjes. In managementtermen: de kaders stellen. Terwijl je zo door de stukjes aan het gaan bent kun je ook de overige stukjes alvast onderverdelen naar kleur en/of afbeelding. Anders gezegd: leg de stukjes met het beeld open op tafel. Zie het als een transparante indeling naar thema’s en belangen. Niet alles ligt nog op zijn plaats, maar de gewenste samenhang van stukjes wordt wel overzichtelijk en zichtbaar. Zo ook is de nadere uitwerking (verdieping) makkelijker, omdat je dan alleen gefocust bent op die bepaalde kleur of afbeeldingen. Dit lijkt misschien op het eerste gezicht veel werk en misschien vervelend. Zeker als je graag wilt beginnen, maar uiteindelijk zal het je veel helpen.

Als je begint met de randen (kaders) geeft dat al een goede indicatie van de grootte van de puzzel (de omvang van de opgave/uitdaging) en het geeft je enige houvast bij het leggen. En tegelijkertijd: maak je geen zorgen als je stukjes in de rand mist, je zal ze vanzelf weer tegenkomen als je door de overige stukjes gaat. Kies vervolgens een van de groepen (thema’s/opgaven) welke een basisonderdeel van de puzzel vormt en zet dit in elkaar. Door te beginnen met dit zal je een mooie uitgangspositie hebben voor de overige groepen.

Een goed getraind puzzeloog zal altijd kijken naar een combinatie van kleur, afbeelding en vorm van het gezochte stukje (verbinden, vertrouwen, vernieuwen en verplaatsen). Kleur, gecombineerd met lijnen of ander soort afbeeldingen, zijn het makkelijkst te vinden. En, zo zal je zien, het helpt als je af en toe eens vanaf de andere kant van de tafel naar dezelfde puzzel kijkt.

De video is een samenvatting van de leidraad, het gesprek en de conclusies.

Meer weten? Neem gerust contact op!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Een getraind puzzeloog vindt

puzzelen 3.png

  • Verbinding, Vertrouwen, Vernieuwing en Verplaatsen

Hulp en ondersteuning is mensenwerk. Het is emotie. En, zij moet kwalitatief goed zijn, voor iedereen toegankelijk en betaalbaar (blijven). Eigenlijk zijn dit zaken die op het oog voor zich spreken. Maar die dat helaas niet altijd zijn. Integendeel: het blijkt in de praktijk vaak knap lastig om deze aspecten in balans aandacht te geven. Dat is een verantwoordelijkheid van alle bij de hulp en ondersteuning van mensen betrokken personen. Partnerschap is daarbij van belang. En juist partnerschap – het samen puzzelen met alle stukjes van de puzzel open op tafel – ontbeert de wereld van zorg en welzijn vaak node! In het bijzonder treft dit te relatie tussen overheden en financiers aan de ene kant en de leveranciers (aanbieders) aan de andere kant. Dat voelt niet zelden als een spelletje kwartetten!

Gemeenten, maar ook zorgverzekeraars –  en sociale ondernemingen lijken ideale samenwerkingspartners, omdat ze beiden maatschappelijke vraagstukken willen oplossen. In de praktijk blijkt die samenwerking naast pril ook moeizaam. Terwijl er toch sprake is van een gezamenlijke opgave en doelstelling.

Overheden en financiers van zorg hebben samen met de leveranciers van ondersteuning en zorg de taak om ervoor te zorgen dat iedereen toegang heeft tot goede ondersteuning zorg tegen acceptabele kosten. Met oog voor kwalitatief goede en menselijke zorg voor het individu, maar óók voor zinnige en zuinige zorg en daardoor voor een beheerste groei van de kosten.

Die taak vervullen deze partijen eigenlijk al sinds mensenheugenis. En, dat moet gezegd, met veel enthousiasme. En dat is ook nodig, want de hiervoor geschetste ambities vragen breed draagvlak. De juiste route daarvoor biedt het V-kwartet: Verbinding, Vertrouwen, Vernieuwing en Verplaatsing.

Om de uitdaging te kunnen invullen is nauw contact en goede samenwerking met anderen nodig. Waarbij de verschillende actoren toegankelijk en aanspreekbaar zijn voor elkaar. Samenwerking is bovendien alleen mogelijk als er sprake is van vertrouwen. Wederzijds vertrouwen vormt de basis van een goede samenwerking. Dat vraagt ook de bereidheid tot investeren in die relatie. Transparantie en de juiste mate van verantwoording vormen daarvoor de basis. En omdat nieuwe inzichten, technologie en de steeds veranderende samenstelling van de samenleving dat mogelijk maken of daarom vragen, is voortdurende vernieuwing nodig én mogelijk. De verbindende schakel tussen Verbinding, Vertrouwen en Vernieuwing is Verplaatsen: van jouw eigen troon en belang afstappen en je verplaatsen in de positie en het belang van de ander. Stel je voor dat het jouw situatie betreft, over jouw portemonnee gaat of over jouw gezin, partner of kind in problemen? Wat zou jij dan willen?

Tegen deze achtergrond is het op zijn zachts gezegd vreemd dat overheden en financiers en aanbieders elkaar maar mondjesmaat vinden. Juist op verbindende elementen als (h)erkenning, inkoop, verkokering en flexibiliteit staan ze elkaar eerder in de weg dan dat zij elkaar versterken. Zo ook blijkt uit een PwC-onderzoek (‘Prille kansen: de samenwerking tussen sociale ondernemingen en gemeenten in Nederland’) onder 102 gemeenten en 164 sociaal ondernemers. In het bijzonder het inkoopbeleid van gemeenten en zorgverzekeraars blijkt struikelblok voor de ondernemingen.

Is er dan helemaal geen samenwerking? Zeker wel. Er zijn lichtpuntjes. Maar die hebben – door verschillende verwachtingen – niet zelden te maken met fikse regenbuitjes of stormwind. Terwijl een goed samenspel, waarbij partijen als partners met elkaar optrekken juist mooie resultaten oplevert. Juist door uitruil van de waarden verbinding, vertrouwen, vernieuwing en verplaatsing. Inkoop bijvoorbeeld is nog teveel een verkoop van producten en diensten tegen een zo laag mogelijk tarief in plaats van een optimaal social return on investment.

Juist door het onvoldoende ‘verplaatsen’, het kruipen in de huid van de ander, is en blijft de transformatie binnen het sociaal domein nog altijd een veelal lege container. Transformatie is een proces in verhoudingen en niet, zoals ik vaak ontmoet, een houding van ‘alles moet anders’. Waarmee wij eigenlijk beweren dat wat wij deden en doen eigenlijk maar niks is. Elke volgende stap kan alleen maar gezet worden, juist dankzij de vorige! Transformeren is daarbij geen ding, maar een mindset. Transformeren gaat over onze verhouding jegens elkaar, jegens de uitdagingen en opgaven en de daaraan verbonden kansen en bedreigingen. Het is een bewustzijn, een vindtocht naar elkaar, inhoud, duurzaamheid en de dualiteit van belangen.

Een antwoord vinden op deze krachten gaat over het gebruik en verbinden ervan. En dat is wel degelijk mogelijk. Als wij stoppen met het (met onze kaarten dan wel belangen tegen de borst) kwartetten. Als wij de opgave als een puzzel durven zien.

De eerste stap is om de randen te scheiden van de rest van de puzzelstukjes. In managementtermen: de kaders stellen. Terwijl je zo door de stukjes aan het gaan bent kun je ook de overige stukjes alvast onderverdelen naar kleur en/of afbeelding. Anders gezegd: leg de stukjes met het beeld open op tafel. Zie het als een transparante indeling naar thema’s en belangen. Niet alles ligt nog op zijn plaats, maar de gewenste samenhang van stukjes wordt wel overzichtelijk en zichtbaar. Zo ook is de nadere uitwerking (verdieping) makkelijker, omdat je dan alleen gefocust bent op die bepaalde kleur of afbeeldingen. Dit lijkt misschien op het eerste gezicht veel werk en misschien vervelend. Zeker als je graag wilt beginnen, maar uiteindelijk zal het je veel helpen.

Als je begint met de randen (kaders) geeft dat al een goede indicatie van de grootte van de puzzel (de omvang van de opgave/uitdaging) en het geeft je enige houvast bij het leggen. En tegelijkertijd: maak je geen zorgen als je stukjes in de rand mist, je zal ze vanzelf weer tegenkomen als je door de overige stukjes gaat. Kies vervolgens een van de groepen (thema’s/opgaven) welke een basisonderdeel van de puzzel vormt en zet dit in elkaar. Door te beginnen met dit zal je een mooie uitgangspositie hebben voor de overige groepen.

Een goed getraind puzzeloog zal altijd kijken naar een combinatie van kleur, afbeelding en vorm van het gezochte stukje (verbinden, vertrouwen, vernieuwen en verplaatsen). Kleur, gecombineerd met lijnen of ander soort afbeeldingen, zijn het makkelijkst te vinden. En, zo zal je zien, het helpt als je af en toe eens vanaf de andere kant van de tafel naar dezelfde puzzel kijkt.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Boeman blijkt vriend

laurel en hardy.png

  • Een ware professional heeft altijd een goede grond

Voor wie even niet opgelet heeft: In mei 2018 wordt in Nederland de Europese privacy wet (GDPR) van kracht onder de naam AVG (Algemene verordening gegevensbescherming). Het belangrijkste hieruit is dat je alleen persoonsgebonden gegevens mag opslaan zolang je hiervoor een geldige grondslag (reden) hebt. In de aanloop naar deze datum worden wij doodgegooid met artikelen over deze nieuwe wetgeving èn wat er gebeurt als we er nièt aan voldoen. Het is, als je de vele gesprekken en artikelen daarover moet geloven, enge shit. En dat op zijn beurt is volgens mij nou weer bullshit.

Interessant fenomeen is dat het bij dit alles vooral gaat om de formele en administratieve verplichtingen. Is er een informatie beleid? Is er een beveiligingsbeleid? Welke rol hebben persoonsgebonden data hierin? Zijn beleid en processen op dit gebied geborgd in organisatorische maatregelen? Wat gebeurt er als er fouten worden gemaakt? Past de organisatie zich daar op aan? Dat alles is best wel even een klusje. Maar laten wij dat niet spannender maken dan het is: een lastig, maar uiteindelijk technisch klusje.

Natuurlijk, de wetgeving wordt actief en wij moeten er echt aan voldoen. Maar moeten wij daarvan in paniek raken? Nee, we moeten het uitzoeken, regelen en organiseren. Dat is heel wat anders. Bovendien, doelstelling van de Autoriteit Persoonsgegevens is niet om zoveel mogelijk boetes op te leggen, maar het borgen van de – uw en onze –  privacy! Zij wil borgen wat wij wensen! En ja, de nieuwe wetgeving vergt een andere houding ten aanzien van het omgaan met persoonsgebonden data. We kunnen niet meer zomaar onbezonnen allerlei persoonlijke gegevens verzamelen delen en analyseren. Het doel moet legitiem zijn, en dat is een goede zaak.

Veel interessanter en uitdagender dan de papieren exercitie en het daarmee verbonden informatiemanagement is het vraagstuk van de praktische toepassing. Binnen mijn eigen werkveld – zorg en welzijn – bijvoorbeeld. Want juist daar wordt in de praktijk privacy vaak als belemmering ervaren. De beleving is dat privacy betekent dat er geen gegevens gedeeld mogen worden. En al helemaal niet zonder voorafgaande toestemming van de betrokken persoon of personen. U herkent ze waarschijnlijk wel, de privacy-schaamlappen:  ‘Ik heb een vertrouwensrelatie met mijn cliënt, daar zit mijn cliënt niet op te wachten, ik heb een beroepsgeheim, ik kan alleen gegevens delen na een schriftelijke toestemming van mijn cliënt, ik mag alleen gegevens delen binnen mijn discipline. Nee, ik mag geen gegevens delen!”  Dat is allemaal bullshit! De rechters van het Europees Hof hebben namelijk ook een Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens vastgesteld.

Er kan en mag dan ook veel meer dan wij denken. Juist dankzij die vaak verguisde wet- en regelgeving. Omdat juist die wet- en regelgeving ons professionals een prachtig en uniform afwegingskader biedt. Zij bevat krachtige en prachtige bepalingen die een andere – minder angstige – manier van kijken mogelijk maken. Met als uitgangspunt: het doel van ons handelen is leidend! Zo ook bevestigde mij deze week Jolanda van Boven weer. Zij hield een schitterend betoog voor welzijns- en zorgprofessionals in de gemeente Wijchen. Zij reikte hen in haar presentatie een paar simpele zorgvuldigheidskleppen aan:

  1. Met welk doel deel ik gegevens?
  2. Welke noodzaak is er?
  3. Communicatie met betrokkenen over het voornemen om informatie te delen. En als daartegen bezwaar is het wegen van argumenten om informatie te delen met de bezwaren van leerlingen of ouders.

Let op: communicatie over het voornemen om informatie mag en moet niet verward worden met het vragen om toestemming! Het toestemmingsvereiste is – zoals Jolanda dat noemde –  “een ‘vluchtstrook’ voor de professional, die daarmee wegloopt voor de eigen professionele verantwoordelijkheid.” Zo ook maakte zij korte metten met het niet durven doen terwijl het wel nodig is. “Ook niet handelen is een verantwoordelijkheid. Natuurlijk is het beroepsgeheim belangrijk, maar dat betekent niet dat je niks kan doen. Het Europese Hof leert ons dat het recht op menselijke waardigheid belangrijker is dan het recht op zelfbeschikking.” 

In de wetgeving wordt toestemming van de betrokkene als belangrijke pijler genoemd, maar niet als dé pijler. Bij het delen van gegevens moet het ‘transparantiebeginsel’ worden gehanteerd: iemand heeft het recht te weten wat er waar vastligt en wat wordt uitgewisseld tussen wie. Dit betekent dat wij als professional aan betrokkenen moeten vertellen wat wij van plan zijn te gaan doen. Wanneer betrokkenen met tegenargumenten komen, kunt wij de voor- en tegenargumenten tegen elkaar afwegen.

De eerste vraag is dus niet of wij informatie mogen delen, maar wat ons doel is als wij informatie willen delen. Bij die afweging kunnen wij putten uit twee bronnen: 1. Ons eigen vakgebied en 2. de wetgeving. Bij onze weging zijn vervolgens drie principes relevant: kiezen voor de minst ingrijpende maatregel (subsidiariteit), kijken naar de verhouding tussen maatregel en doel (proportionaliteit) en antwoord vinden op de vraag of de meest geschikte maatregel is getroffen (doelmatigheid). Belangrijk daarbij is dat wij onze motivering documenteren.  En dus zorgdragen voor een goede dossieropbouw. Dat bevordert de transparantie.

Als wij willen komen tot één plan en één regisseur, dan kan dat dus. Maar wel binnen kaders van zorgvuldigheid, argumentatie en documentatie. Zo omgaan met privacy maakt dat zijn in plaats van struikelsteen een vliegwiel voor de transformatie binnen het sociaal domein kan zijn. Dat vraagt van ons om cultuurverandering en zorgvuldige en bewuste sturing, gebaseerd op een wijziging van onze paradigma.

Wanneer wij integraal willen werken, zullen wij breder moeten willen en durven kijken dan de eigen discipline. Als wij meer aandacht  willen hebben voor en geven aan preventie, moeten wij al gegevens willen delen in het stadium ‘waar we ons zorgen maken’. En als wij proactief willen handelen, zijn wij verplicht iets met onze kennis te doen als wij ons zorgen maken om mensen met en voor wie wij werken. Niets doen is ook een keuze waar wij net zo verantwoordelijk voor zijn.

De conclusie? Privacy waarborgen is geen belemmering, maar een hulpmiddel voor betere, transparante en gelijkwaardigere dienstverlening. Privacy, zo blijkt, is niet statisch of juridisch maar heeft een duidelijke ethische component. Die gaat over het antwoord op de vraag  wie wij als dienstverlener willen zijn en hoe wij onze werkprocessen daarop inrichten. Wij kunnen doen wat écht nodig is door aansluiting te vinden bij de persoon om wie het gaat. Niet door het voor hem of haar te bepalen, maar door samen te werken op basis van open en gelijkwaardige communicatie vanuit doel en noodzaak. Met inzet en verantwoordelijkheid van onze eigen professionaliteit, gebed in een gezamenlijk afwegingskader met eenduidige afspraken over privacy. Privacy is dus niet de boeman waarvoor wij haar graag houden. Zij is een vriend van alles en iedereen die zorgvuldige zorg vraagt, krijgt en geeft.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Over de brug komen

over de brug

  • Als ‘zien, horen en zwijgen’ ‘zien, horen en spreken’ wordt

De Nederlandse zorgsector kampt over een aantal jaar met een personeelstekort van 100.000 tot 125.000 medewerkers als zorginstellingen geen extra maatregelen nemen. Dat tekort komt bovenop de duizenden vacatures die nu al openstaan. De zorg in ons land komt in gevaar als wij de knelpunten niet aanpakken.

Een belangrijk knelpunt in de zorg zijn de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden. Die moeten verbeteren en beter aansluiten op de wensen van medewerkers. Maar ook de inspraak van medewerkers moet beter. Zij moeten meer invloed hebben op het beleid van de organisatie waarvoor zij werken.

In de afgelopen maanden is wel duidelijk geworden dat de knelpunten in de zorg niet wezenlijk verschillen van knelpunten in andere sectoren. Vanuit de politie en het gevangeniswezen komen dezelfde signalen. Zoals ook het onderwijs hierover al een tijdje stevig aan de deur rammelt. Uit eigen waarneming herken en ken ik deze problemen overigens ook binnen de commerciële dienstverlening en het bedrijfsleven in meer algemene zin. Slechts 12% van de werknemers in de Benelux ervaart een match tussen het imago van de werkgever en de eigen ervaring op de werkvloer (The Employer Brand Credibility Gap: Bridging the Divide, november 2017, Weber Shandwick).

De kloof tussen het werkgeversimago en de perceptie van de werknemers kan niet leiden tot serieuze reputatieschade. Het is ook ondermijnend voor het commitment van mensen. Aan de eigen organisatie, en in breder perspectief: de maatschappij als sociaal verband. Ik meen dan ook dat er niet kennelijk een probleem is; er ís een probleem.

Net als bij werkgevers draait het imago van onze zorgzame samenleving om een overtuigend, authentiek en herkenbaar verhaal. Ook moet het de werkelijke ervaring die de inwoners hebben, reflecteren. Of het nu gaat om cultuur, leiderschap, persoonlijke ontwikkeling, mogelijkheden of communicatie.

Binnen mijn eigen expertisegebied, het ‘gewone leven van mensen – ook wel het sociaal domein genoemd – gaat dat verhaal over kansen en mogelijkheden zowel als de knelpunten en bedreigingen die daarbij aan de orde zijn.  Tegen de achtergrond van het buiten de muren van instellingen zorg willen bieden (extramuralisering) en vermaatschappelijking is een zorgzame samenleving onontbeerlijk. Steeds meer ouderen, gehandicapten en psychiatrische patiënten wonen in de wijk in plaats van in instellingen. Maar welke kansen zijn er voor een civil society? En wat zijn de voorwaarden waaronder deze floreert?

De belangrijkste voorwaarde voor een civil society is voldoende draagvlak in de samenleving. Zijn mensen bereid de handen uit de mouwen te steken. Niet alleen voor zichzelf, maar ook voor anderen? Is er voldoende trekkracht vanuit de samenleving? Of overvragen overheden en instellingen?

Er liggen wat mij betreft goede kansen voor een civil society. De voorwaarden daarvoor moeten goed in het zicht blijven. En weet u, die voorwaarden gaan in essentie over precies als dat wat speelt in de relatie tussen werkgevers en werknemers. Het gaat over voorwaarden en omstandigheden, over waardering en erkenning, over inspraak en betrokkenheid. Juist daarin is er nog heel wat stimulans en ondersteuning nodig om het overal realiteit te laten worden en vervolgens zo te houden.

Het zo creëren van een sterke reputatie is voor overheden in het algemeen en lokale overheden in het bijzonder een stevige uitdaging. Zo een reputatie is goud waard, maar alleen als het een authentieke weergave is van de realiteit. In deze tijd van mega-transparantie en instant online beoordelingen moeten gemeenten – net zo goed als de organisaties die daaraan uitvoering geven – kunnen verantwoorden wie ze zeggen te zijn, hoe ze mensen behandelen en hoe ze zelf het verschil maken. Waarbij het besef aanwezig moet zijn dat de inwoners, samen met de professionals op de werkvloer, meer zijn dan toeschouwers als het aankomt op reputatie; zij vormen, maken en breken, iedere dag opnieuw, het werkelijke kapitaal van de samenleving.

De geloofwaardigheid van de zorgzame samenleving staat dus onder druk. Tegelijkertijd zijn er voldoende kansen voor verbetering. Althans, als er de bereidheid is om over de brug te komen.

Waar ik dan aan denk? Eigenlijk zijn het dezelfde zaken als die ik van bijvoorbeeld mijn werkgever vraag. Openheid en inzichtelijkheid over de financiële huishouding. Budgetmonitoring is een instrument waarmee inwoners daadwerkelijk inhoud en vorm kunnen geven aan zelfbeschikking, eigen kracht en verantwoordelijkheid. En mee-spraak. Als wij betrokkenheid willen van mensen, moeten zij ook kunnen meepraten over het beleid en de organisaties die dat beleid uitvoeren.

Inwoners en professionals: het zijn altijd mensen. Mensen die gezien en gehoord willen worden. Die daardoor weten en ervaren dat zij meetellen en meedoen. Dat vraagt om en begint met een gedragsverandering. Eerst en vooral bij de leiders.  Zij moeten durven los te laten. Ze moeten niet alles zelf, maar samen – met de inwoners en de mensen die hen ondersteunen – aanpakken. En ja, dat vraagt transparantie. Anders weten de mensen die het uiteindelijk moeten doen niet, waarom en wat zij (kunnen) doen.

Een overheid die haar inwoners zo weet te binden en te boeien, zal in de eerste plaats merken dat er minder ‘afhakers’ zijn. Het versterken (empoweren) van inwoners, gebaseerd op erkenning en open communicatie is een belangrijke schakel naar verbondenheid. Ieder mens wil kunnen bijdragen aan het succes van de samenleving door het inzetten van hun talenten en competenties. Door dat te erkennen en ernaar te handelen organiseer je engagement en betrokkenheid.

Hoe jij en ik dat kunnen of moeten doen? Er bestaat niet één eenvoudige oplossing die als toverknop voor iedereen werkt. Betrokkenheid is geen systeem. Het is een houding. Juist hierdoor is en blijft het boeien en binden of het binden en boeien mensenwerk. Toch zijn er wel een aantal concepten of typische zaken waarmee wij rekening kunnen houden. Dat begint met het ‘zien’ en ‘horen’ van de mensen om wie het gaat. De uitdaging ligt in het doorbreken van het ‘zwijgen’. Door met elkaar te ‘spreken’ leer je elkaars drijfveren en energiebronnen te ontdekken. Dat zijn de zaken die wij nodig hebben om de uitdagingen en kansen die er zijn op te pakken.

Feitelijk, zo valt vast te stellen, gaat het om beleid en houding welke gericht zijn op het behouden van inwoners voor de samenleving. Over hoe wij de relatie met de inwoners zo vorm geven en uitbouwen dat zij zich verbonden weten en voelen met samenleving en daardoor minder geneigd zijn om zich ervan af te zonderen. Het gaat daarbij dus, zoals eerder opgeschreven, over voorwaarden en omstandigheden, over waardering en erkenning, over inspraak en betrokkenheid. Juist daarin is er nog heel wat stimulans en ondersteuning nodig om het overal realiteit te laten worden en vervolgens zo te houden.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Tobias is DOOF

Doof

  • DOOF

De dove Tobias leeft in een kooi van stilte, maar zit hierdoor absoluut niet met de pakken neer. Hij accepteert zijn doofheid volledig, en leidt horenden rond in zijn rijke, ‘dove’ taal en cultuur.

Doof Kind schetst een ontroerend portret van de aanstekelijke dove Tobias die zijn draai heeft gevonden in het leven en zichzelf bepaald niet zielig vindt. Door het gebruik van familiefilmpjes zien we hoe Tobias opgroeit. Hij onderhoudt een innige relatie met zijn iets oudere, horende broer, Joachim. Samen blikken ze terug op hun jeugd.

Communicatie met de horende wereld is moeizaam, maar Tobias’ verblijf op Gallaudet University in Washington D.C. – de enige dovenuniversiteit ter wereld – voelt paradijselijk aan. De film laat zien hoe een handicap zomaar in een rijke cultuur kan veranderen en andersom. Tobias weet die twee werelden slim met elkaar te verbinden: als docent Nederlandse Gebarentaal leert hij horende studenten zijn taal en cultuur kennen. De onvoorwaardelijke acceptatie van zijn doofheid biedt gelegenheid tot het aan de orde stellen van allerhande vragen, die variëren van de problemen van het grootbrengen van een doof kind en de effecten daarvan op de overige gezinsleden tot aan de soms absurde gevolgen van een gehandicaptenstatus.

  • Doof Kind is de winnaar van de publieksprijs IDFA 2017. Doof Kind schetst een ontroerend portret van de aanstekelijke dove Tobias die zijn draai heeft gevonden in het leven en zichzelf bepaald niet zielig vindt.