Monstertjes hebben ouders….

bully parants.png

  • Geluk komt van aandacht, ongeluk van verwaarlozen

Dit wordt geen leuke blog om te lezen. Althans, als u ook een van ‘afwezige’ ouders bent. Ouders die geen tijd meer hebben of maken om vanaf het prilste begin genoeg tijd met hun kinderen door te brengen. Als u zo’n terugtrekkende ouder bent, die wel de ‘lusten’, maar niet de ‘lasten’ wil van het hebben van kinderen. Zo’n vader of moeder die zich met alle energie op werk, carrière en het betalen van hypotheek, vakanties en spullen stort, en steeds minder in zijn of haar kinderen investeert. Met (een deel van hen) heb ik namelijk een stevig appeltje te schillen.

Schreeuwende, rond rennende kinderen in een restaurant en ouders die er lachend en vertederd naar te kijken. Kinderen die brutaal alles vragen wat ze willen weten en geen ouder die hen de mond snoert. Kinderen die alles willen hebben en het nog krijgen ook. Niets moet, alles mag, want dat is beter voor… ja, voor wie eigenlijk? Pedagogische weifelachtigheid en gemakzuchtige verwennerij hebben een generatie van onuitstaanbare prinsen en prinsesjes gebaard. Mirjam Schöttelndreier veegde in haar boek “Monsters van kinderen, draken van ouders” (1996) al eens de vloer aan met deze eigentijdse opvoedingsverdwazing. Vergeefs, zo lijkt het anno 2018. Het is tegenwoordig normaal om kinderen al in hun vroegste levensjaren in grote mate aan de zorg van anderen over te laten. Aan grootouders, gastouders, wisselende crècheleidsters en onderwijsgevenden.

Zo leerde mij deze week ook week een krantenbericht (AD). Volgens dat bericht moeten basisscholen in het speciaal onderwijs extra kleuterklassen openen om de toestroom van jonge kinderen met gedragsproblemen aan te kunnen. Volgens diezelfde scholen hebben niet per se die of meer kinderen aandoeningen, maar ontstaat het probleemgedrag met name door complexere thuissituaties: kinderen worden niet goed meer opgevoed.

U kent vast ook die verwende prinsjes en prinsesjes. Kindertjes die zich aan geen enkel gebod wat gelegen laten liggen. Of scholen die kinderen ’s ochtend of ’s middag ‘bijvoeren’ omdat ze thuis niet meer gezond eten.

De ‘losse’ nieuwtjes over deze ontwikkelingen roepen bij mij inmiddels niet allen medelijden of verbazing op. Ze leiden tot regelrechte irritatie. Simpelweg, omdat ze voor mij symbool staat voor een fundamenteel maatschappelijk probleem. Een probleem dat wij met onze jeugdhulp – hoe goed ook bedoeld – eerder dreigen te faciliteren, dan tegen te gaan.

Want laten wij eerlijk zijn: veel van die berichten over drukke, onbeschofte, ongezonde en ongelukkige kinderen hebben vaak te maken met de zich terugtrekkende of afwezige ouder. Ouders die geen tijd meer hebben of maken voor hun kinderen.

Dat is een harde constatering. Ik weet het. Maar het wordt ook tijd dat wij dat weer durven te zeggen. Niet, omdat het moedig is, maar omdat de rechten van onze kinderen daarom vragen!. Ik weet en begrijp dat het vandaag de dag lastig is om dit onderwerp te bespreken. Als ouders dit als aanval opvatten, dan zij het zo. Ik ga er dan vanuit dat zij de door mij aangereikte schoen passen. Mij gaat het maar om één ding: het belang van het kind. Ik wil iedereen aansporen n aanspreken dat belang nu eens als vertrekpunt te nemen.

Wat ik – helaas – te vaak en toenemend zie, is dat ouders de focus op zichzelf leggen en de kinderen ‘erbij’ doen. De leuke dingen, ja die horen bij hen. Maar de opvoeding? Dat is iets wat ze steeds meer zien als de taak van een ander. Met als resultaat dat ouders ’s avonds of in het weekeinde hun kinderen droppen bij een sportclub, zodat zij zelf ‘rustig’ boodschappen kunnen doen. Of ouders die hun kinderen uren met de tablet of computer laten spelen, omdat zij er dan in ieder geval geen last van hebben en hun eigen ding kunnen doen. Tijd voor je kind is niet meer logisch of vanzelfsprekend. Sterker nog, wij noemen het ‘qualitytime’.

Die verfoeilijke ouderlijke afwezigheid leidt tot een onleefbare samenleving met een onopgevoede generatie. En dan gaat het niet alleen om egoïstische en brutale kinderen, maar ook om stille binnenvetters. Het gebrek aan ouderlijke aandacht kweekt kinderen die permanent negatieve aandacht vragen, maar ook kinderen die fundamenteel onzeker in het leven staan. Kinderen zijn vaak een hele goede spiegel van ons functioneren als ouder. Schreeuwen ze, zijn ze gestrest, gedragen ze zich egoïstisch? Dan hebben ze het hoogstwaarschijnlijk van ons. Wat wij als ouders voorleven, dat doen zij na.

Daarom is mijn pleidooi: Laten wij onze kinderen weer op de eerste plaats zetten, en ons vanaf de wieg weer over hen ontfermen.  Daar, en door ons wordt een basis gelegd voor het gevoel van veiligheid en geborgenheid. Dáár leert een kind cruciale dingen als eten, spelen, zich sociaal gedragen.

En wij, overheid en hulpverleners, moeten stoppen met het faciliteren van de onwillige ouders.  Wij moeten vaders en moeders weer durven aanspreken op hun eigen opvoedingsverantwoordelijkheid. Want kinderen hebben is superleuk, geweldig, gezellig. Maar…je kunt als ouders alleen een kinderen wensen en opvoeden als je daar zelf voor de volle 100% achter staat. Want laten we eerlijk zijn. Een kind krijgen en opvoeden is een hele verantwoordelijkheid. En jij, als ouder, jij blijft altijd eindverantwoordelijke als ouder. Kies daar dus ook voor.

Laten wij die draken van ouders een halt toeroepen. Ouders die te aarzelend en gemakzuchtig om zich als ouder te gedragen, te tolerant en daardoor onmachtig. Ouders die weigeren echt volwassen te worden. Ouders die zo nodig tijd voor zichzelf willen hebben, niet geclaimd willen worden, en niet kunnen wachten tot hun kinderen groot zijn.

Dat heeft niks met ouderwets denken te maken. Het heeft te maken met de constatering dat ouders tegenwoordig wel kinderen willen, maar er nauwelijks tijd voor willen maken. En dat kan niet. Een kind is geen ding dat je af en toe tevoorschijn haalt en weer wegstopt als het niet goed uitkomt. Het is geen speeltje of statussymbool. Een kind verdient aandacht, liefde, tijd. Daar gaat het mij om. Om de basale rechten van een kind dat er zijn mag en niet vraagt om een vorm van gesubsidieerde opvang in een instituut dat – met de beste bedoelingen – juist de kinderverwaarlozing mogelijk maakt. Laten we daarin weer eens investeren. In elkaar en in onze kinderen. Daar wordt iedereen beter van.

De eerste stap? Begin eens klein. Door bijvoorbeeld ’s ochtends rustig met je kinderen aan tafel te ontbijten en te praten. Zet die wekker eerder, en doe het, elke dag. Of lees je kinderen eens zelf voor, in plaats van ze ‘met de tablet’ te laten inslapen. Zo geven wij onze kinderen aandacht en liefde mee, is plaats van een dossier van een kinderopvangorganisatie.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

 

 

Advertenties

Loop met mij op

walk with me.png

  • Walk with me

Walk With Me is een prachtige cinematografische reis in de wereld van mindfulness, waarin de wereldberoemde boeddhistische leermeester Thich Nhat Hanh centraal staat. Hij komt oorspronkelijk uit Vietnam en heeft mindfulness naar het Westen gebracht. Als spiritueel leider woont hij nu in Plum Village, een leefgemeenschap in rustiek Zuid-Frankrijk, waar hij samen met andere zen-boeddhistische monniken en -nonnen mindfulness tot een wereldwijd fenomeen heeft doen uitgroeien.

Walk With Me biedt een nooit eerder vertoonde toegang in deze gemeenschap. Drie jaar lang werden de levens van de bewoners van Plum Village gevolgd en komen existentiële vragen waarmee ze geconfronteerd worden aan bod in hun zoektocht naar acceptatie. Treed binnen in een wereld van bewustwording.

 

 

Doe eens gek; doe normaal!

kleine klas.png

  • Kan ik u zo gek krijgen gewoon te doen?

Het onderwijs heeft een ernstig tekort aan leraren. De jeugdhulp barst uit zijn voegen. Passend onderwijs wringt. Er zijn veel knelpunten bij onderwijs en jeugdhulp. Met een onmiddellijk roep om meer geld als gevolg. Terwijl de oplossing niet ligt in meer geld. De echte oplossingen ligt in het met elkaar verbinden van deze problemen. Kleinere klassen, minder werkdruk, effectieve aandacht voor ouders en kinderen en minder jeugdzorg. Het valt allemaal te realiseren. Niet met meer geld, maar door bestaande budgetten slimmer toe te delen.

Ik pleit voor een trendbreuk. Maak jeugdhulp structureel – en daarmee vanzelfsprekend – onderdeel van de ondersteuningsstructuur op school. Anders gezegd: hevel een belangrijk deel van de jeugdhulp over naar het onderwijs. Ouders voeden hun jeugdigen immers niet in hun eentje op. De school, voorzieningen als opvang, jeugdwerk en sport dragen eveneens bij aan de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Die zijn nu onvoldoende op elkaar gericht.

Veel problemen in het leven van mensen hebben hun wortels in de jeugd. Het tijdig signaleren van (het ontstaan van) deze problemen en het bieden van de benodigde ondersteuning of zorg aan kinderen, jongeren en hun ouders kan dat vaak voorkómen. Dat weten we al jaren.

Zeker, dat begint bij ouders die het beste willen voor hun zoon of dochter. En ja, de meeste jeugdigen in Nederland ontwikkelen zich zonder al te veel problemen tot autonome en sociale volwassenen die een positieve bijdrage leveren aan de samenleving. Omdat de ouders het opvoeden met vallen en opstaan leren en toepassen en als opvoeder met hun kind meegroeien.

Soms echter lukt dat niet. Omdat ouders en/of hun jeugdigen uit het evenwicht geraken, doordat er binnen het gezin of de omgeving sprake is van bijzondere omstandigheden. Eigenschappen van jeugdigen en ouders en/of kenmerken van de omgeving kunnen het gezinsleven en/of het proces van opgroeien en opvoeden extra belasten. Eén enkel probleem vormt meestal nog geen al te groot risico. Lastiger wordt het als er meer aan de hand lijkt. Als problemen en stressfactoren voor en bij ouders en/of jeugdigen toenemen, neemt de draagkracht om de daaraan verbonden opgave zelf aan te kunnen echter vaak evenredig af. Terwijl juist dan de sociale steun van de directe omgeving – in de  vorm van tijd en aandacht – de belangrijkste factor is.

En wat hebben wij gedaan? Wij hebben die ondersteuning – met de beste bedoelingen – kapot gesegmenteerd. Naast het op grote schaal werken aan ‘storingsvrije kinderen’ heeft dit een tendens tot gevolg om uitdagingen in opvoeding en onderwijs psychopathologisch te definiëren. En we praten dientengevolge over gedrag van kinderen in termen van ADHD, autisme, depressie. Als je problemen hebt met je kind omdat het zich afwijkend gedraagt en je hebt daar een label voor – Asperger, ADHD, ODD – dan is het een probleem van het kind geworden. Dat is het beeld dat wij hebben geconstrueerd. De hoeveelheid en kringen van professionals rondom ouders en jeugdigen zijn daardoor in de loop der jaren stevig gegroeid. Net zo goed als de systemen (toegangspoortjes) die erop gericht zijn om dat tegen te gaan.

Terwijl veel ‘problemen’ heel normaal zijn. Somberheid, angst, druk gedrag, tegendraadsheid, agressie, het zijn tot op zekere hoogte normale verschijnselen bij jeugdigen. Veel van deze problemen zijn gebonden aan de ontwikkelingsfase waarin jeugdigen zich bevinden.

Hoe graag wij dat misschien ook willen geloven: de problemen met de jeugd nemen niet echt toe. Alle indicatoren die iets zeggen over hun welbevinden, hun (psychische) gezondheid, de criminaliteit, het middelengebruik en de schoolprestaties staan in het groen (Sleeboom, Hermanns, & Hermanns, 2010; Landelijke Jeugdmonitor 2016). Wat het werkelijke probleem is, is onze (professionele) handelingsverlegenheid. Ons gebrek aan tijd en aandacht.

Kinderen die op de basisschool les krijgen in kleinere klassen blijken later beter te presteren en hebben minder gedragsproblemen. Resultaten elders zijn daarover kristalhelder: Kinderen in kleine klassen rekenen en lezen niet alleen beter. Kleine klassen blijken ook een goed middel tegen ongelijkheid. Onderzoek leert dat de leerlingen die in kleinere klassen zitten minder vaak in de jeugdcriminaliteit belanden, een lager percentage tienerzwangerschappen kennen, vaker een  startkwalificatie halen, vaker een vervolgopleiding doen en slagen., naar betere universiteiten gaan, meer spaargeld hebben, vaker een huwelijkspartner vinden, in betere wijken wonen en vaker een eigen huis hebben. Keer op keer blijkt hetzelfde. Kinderen uit kleinere klassen scoren beter op zowel cognitieve als non-cognitieve vaardigheden. Migrantenkinderen en kinderen van minderbedeelde ouders boeken zelfs de meeste ‘leer’-winst als de klassen kleiner zijn. Dat heeft een positief effect op hun hele latere leven. Onderzoeken daarover (Tennessee, Zweden, Israël, Amerika)  laten geen ruimte voor twijfel.

Leraren en jeugdhulpverleners zal dat niet verbazen. Beiden weten wat werkelijk werkt: tijd en aandacht. En juist over gebrek aan tijd en aandacht klaagt het onderwijs. Daarover klaagt ook de jeugdhulp. Beiden willen dat oplossen door meer van hetzelfde te bieden. Terwijl de oplossing naar mijn mening niet vraagt om meer, maar om anders! Als onderwijs en jeugdhulp de handen in elkaar slaan, zijn kleinere klassen (in liefst kleinere scholen) mogelijk met meer ruimte om tijd en aandacht te geven aan jeugdigen.

Ouders hebben dan ook – veel meer dan nu het geval is – de gelegenheid krijgen om dicht bij huis, in hun eigen buurt, hulp en advies bij opvoedingsvraagstukken te vragen. Dat hoeft niet altijd bij professionals te gebeuren. De opgave is om te zorgen dat wat normaal is, ook weer de gewoonste zaak van de wereld is. Het moet niet alleen. Het kan ook. Zonder dat de sluizen van de Nederlandse Bank opengezet moeten worden. Als onderwijs en jeugdhulp de krachten bundelen kunnen zij niet alleen de  ervaren werkdruk laten kantelen naar werkplezier. Zij kunnen elkaar ook ontzorgen en versterken. Met beter onderwijs en betere jeugdhulp als uitkomst! Kan ik u zo gek krijgen dat gewoon te doen?

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Kinderen van zwart zaad

louis

  • Alle kinderen van Louis

Een Poolse journalist die een boek – Alle kinderen van Louis – schrijft over een Nederlands schandaal. Zo mogen we de misstanden die aan het licht kwamen bij de kliniek van Jan Karbaat toch wel noemen. De vrij succesvolle fertiliteitsarts hielp vele paren en alleenstaande vrouwen aan een kind, maar bleek het achteraf niet zo nauw te nemen met de administratie en registratie van de donoren. Het meest berucht werd hij toen bleek dat de directeur ook zijn eigen sperma doneerde, zonder dat erbij te vertellen.

De journalist Kamil Bałuk zoomt in op een verhaal dat minstens zo bijzonder is, namelijk dat van één zaaddonor die via verschillende klinieken naar eigen schatting wel tweehonderd kinderen verwekte. Die donor, in het boek Louis genoemd, is een bijzonder type, en wil heel graag contact met zijn kinderen. Baluk sprak die donor, en veel van zijn kinderen die zich later verenigden in een groep die ze zelf de Halfjes noemen. Vooral de figuur Louis is een intrigerend personage. Je zou bij lezing nog meer willen weten over hoe de kinderen zich wel of niet in hem herkennen. Maar Baluk heeft nog veel meer te vertellen. Hij ging grondig te werk, was tweeënhalf jaar bezig met research – bezocht de kliniek van Karbaat meermaals, en sprak de man uiteindelijk ook – en schrijft en passant ook nog een kleine geschiedenis van het zaaddonorbeleid in Nederland. Dat is bij elkaar wat veel. Zeker als in het laatste hoofdstuk – een nawoord dat in de Nederlandse versie verschijnt, de Poolse was vorig jaar al klaar – vrij terloops wordt opgemerkt dat er inmiddels veertig kinderen zijn gematcht met een kind van Karbaat zelf. Oftewel: die zijn zeer waarschijnlijk zijn kinderen. Dat is een boek op zich. Maar Baluk heeft van zijn graafwerk wel een intrigerend boek gemaakt.

Alle kinderen van Louis, Kamil Baluk, De Geus, 288 blz., 19,99 euro.

Onschuldig en meedogenloos

wij.png

  • Wij

Tijdens een verzengend hete zomer in een Belgisch-Nederlands grensdorp proberen acht tieners de lome verveling te doorbreken.

Ze spelen een spel van ontdekking en dagen elkaar en zichzelf steeds verder uit. Door de kracht van hun nieuwsgierigheid en seksualiteit beginnen de grenzen van het toelaatbare al snel te vervagen. Als onschuld wordt vermorzeld door perverse spelletjes en keiharde exploitatie, veranderen de jongens en meisjes in meedogenloze roofdieren.

 

 

Ongehoorzaamheid

ongehoorzaamheid.png

  • Disobedience

Ronit is jaren geleden verbannen uit de orthodox joodse gemeenschap in Londen vanwege haar seksuele geaardheid.

Ze is een vrij leven in New York gaan leiden zonder nog maar ooit aan haar afkomst te denken. Plots krijgt ze te horen dat haar vader, een belangrijke rabbijn, is overleden. Voor de begrafenis keert ze terug, en wordt ondanks de dood van haar vader niet bepaald warm onthaald. Niks wordt letterlijk uitgesproken, maar het stille oordeel van de gemeenschap is bijna net zo kwetsend. De leden maken zich vooral zorgen om Esti, de jeugdvriendin van Ronit. In plaats van te vluchten net zoals Ronit, is Esti getrouwd met een man uit de gemeenschap en onderdrukt ze haar seksualiteit. De ontmoeting tussen de twee zorgt ervoor dat ze hun passies herleven, en de grenzen van geloof en seksualiteit verkennen. Ondanks dat dat in hun omgeving niet geoorloofd is.

Disobedience is gebaseerd op het gelijknamige boek van Naomi Alderman. Regisseur Sebastián Lelio heeft als rode draad door zijn films hoofdpersonen die niet (meer) passen in de omgeving waar ze thuishoren (Gloria, A Fantastic Woman). Dit lesbisch drama laat de botsing tussen liefde en traditie zien. De film toont hoeveel inspanning het soms vergt om jezelf tot ongehoorzaamheid te dwingen. Met onder andere Rackel Weisz (The Constant Gardner, The Lobster), Rachel McAdams (The Notebook, The Vow) en Allesandro Nivola (Face/Off).

 

Help, mijn collega is ziek!

ziekte

  • Ziek ben je nooit alleen

Medewerkers die na een ingrijpende of langdurige ziekte terugkeren in het arbeidsproces, vragen veel aandacht. Als ik eerlijk ben, begint het echte werk juist dan als iedereen denkt of verwacht dat alles wel weer normaal is. De zieke collega is hersteld en we kunnen weer terug naar de situatie zoals het voordien was. Niets is minder waar!

Als je ziek bent, wil je niet vergeten worden. Ook niet door je collega’s. Een (chronisch of ernstig) zieke collega vraagt en verdient veel aandacht. Terecht. Het omgekeerde is echter net zo waar en belangrijk. Bedenk het maar: een telefoontje, een kaartje, een bezoekje, een schouderklopje, een sms’je…. Ziekte van een collega heeft veel impact op de werkvloer. Er op de juiste manier mee omgaan, weten wat je wel of niet tegen elkaar kunt zeggen. Het zijn puzzeltjes. Met – over en weer – de giftige adders van onbegrip en het gevoel van onvoldoende steun en begrip als de grootste risico’s.

Met enige regelmaat zie en ervaar ik het bovenstaande in situaties waarbij een zieke collega na lange afwezigheid weer terugkeert op de werkvloer. Het hele leven van de betrokkene stond in één klap op zijn kop. Logisch! Maar ziek ben je nooit alleen. Dat geldt zowel voor de zieke zelf als zijn privé- en werkomgeving. Iedereen – de partner, vriend of collega – worstelt met de vraag hoe je de ander zo goed mogelijk kunt ondersteunen zonder daar zelf aan onderdoor te gaan. Dat is heel logisch.

De zorg voor de ander – de betekenis daarvan voor het eigen leven, de eigen werksituatie, enzovoort – brengt gevoelens van angst, kwaadheid en verdriet met zich. Bij de ziek net zo goed als bij de mensen in zijn of haar omgeving. Iedereen doorloopt min of meer hetzelfde proces. Alleen, de perspectieven van de een zowel als de ander verschillen. Terwijl de zieke alles doet om zijn ziekte te overleven blijkt het voor omstanders heel lastig om hierop adequaat te reageren. Iedereen voelt zich tekort schieten in het omgaan met elkaar. Gevoelens van begrip, ontkenning, woede, vechten, verdriet en acceptatie strijden voortdurend met elkaar. Processen en gevoelens die  vaak niet parallel verlopen. Juist dat maakt het moeilijk om het ziekte- en herstelproces samen te beleven en elkaar daarbij optimaal te  steunen. Met – ongewild en onbedoeld – het risico van misverstand, onbegrip en verwijdering als gevolg. Terwijl de een niet over de ziekte wil of kan praten, wil de ander dat juist wel; of omgekeerd. Wij willen de ander beschermen, niet belasten of ontzien.

In de regel gebeurt dit met een goede bedoeling. De meest cruciale en wederkerige vraag – Waar heb jij behoefte aan en wat kan ik daarin voor jou betekenen? – wordt daarbij meestal niet gesteld. Juist daardoor is het moeilijk om het ziekteproces samen te beleven. Een open gesprek met een gezamenlijk vertrekpunt is heel zinvol. Praat met elkaar in de tijd tussen het bericht en de terugkomst van de zieke. Doe niet tegen elkaar alsof er niets aan de hand is en stel vragen. Bedenk eens hoe je zelf zou willen dat anderen met jou omgaan als jij in zijn of haar schoenen zou staan. Je mag best zeggen dat je het moeilijk vindt om met de situatie om te gaan. Dat lucht niet alleen op, maar blijkt vaak ook van grote – want verbindende – betekenis.

Juist die communicatie is cruciaal en lastig tegelijkertijd. Zo heb ik geleerd. Natuurlijk is het goed om met elkaar te praten over waar de ander is in het proces en waar hij behoefte aan heeft. Maar, dat is een wederkerig proces. Het is niet alleen zo dat de gezonde collega’s goed moeten reageren op hun zieke collega. Dat geldt ook andersom. Je kweekt een hoop begrip als je in alle openheid vertelt wat er aan schort, wat de anderen kunnen verwachten en dergelijke. En juist daaraan schort het vaak.

Het is van groot belang dat er verbinding blijft tussen de collega’s en de (chronisch) zieke collega. Dat is tegelijkertijd zowel moeilijk als eenvoudig tegelijkertijd. Het vraagt om de wederzijde erkenning dat de ziekte – waar niemand om gevraagd heeft veranderingen met zich brengt. Voor de zieke net zo goed als de werkgever en de collega’s. Over en weer speelt de vraag en het dilemma wat de een redelijkerwijs van de ander mag vragen en verwachten. Iedereen stoeit met die veranderingen. Het is een cyclus waarin iedereen terechtkomt. Met helaas ook misverstanden, onbegrip of irritaties als gevolg. Dat is – zo leert mijn ervaring – vervelend voor alle betrokkenen.

Hoe dat te voorkomen? Ik pretendeer niet ‘het antwoord’ te weten. Integendeel. Ik vind het elke keer weer een zoektocht. Duidelijk is wel, dat de zieke zowel als de collega’s de eigen beleving van de situatie moeten kunnen en durven delen met de ander. Zonder elkaar daarbij voortdurend te ontzien of te sparen. Duidelijkheid over de impact van de ziekte, de veranderingen op de werkvloer – al dan niet als gevolg van het langdurig uitvallen van de collega -, de gevoelens van miskenning, onbegrip, etcetera, enzovoort. Juist eerlijkheid daarover helpt om de eigen kijk op de toekomst, angsten, behoeften en zorgen wederzijds aan te kaarten.

Naast het kweken van begrip kunnen leidinggevenden daarbij sturend en faciliterend optreden.  Door ieders verhaal aan bod te laten komen. En door de verschillen in benadering en perspectief bespreekbaar te maken en te duiden. Niet, met het oogmerk om de een te overtuigen van het gelijk van de ander. Integendeel. Durf de pijn en moeite bij alle betrokkenen te erkennen. Niemand is alleen ziek. Verwacht dus niet een knieval van of voor elkaar. Niemand is daarbij gebaat. Het zal bij alle betrokkenen leiden tot nieuwe frustraties en teleurstellingen. Ieders perspectief is net zo waar als waardevol. Het werkelijke addertje dat samen bestreden moet worden, is het gevoel dat het perspectief van de ander als miskenning of ontkenning van dat van de een wordt ervaren of uitgelegd. Anders gezegd, soms moet je samen die deur sluiten, om verder te kunnen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.