Galerij

De waarde van liefde

liefde.png

Er was eens een eiland waar gevoelens leefden zoals geluk, droefheid, kennis en alle andere menselijke eigenschappen waaronder Liefde.

Op een dag zonk het eiland in zee en iedereen vertrok. Liefde was de enige die achterbleef. Ze vroeg aan rijkdom of ze mee mocht in zijn boot. Maar rijkdom antwoordde: “Nee, dat gaat niet, mijn schip zit al vol met goud en zilver.”

Liefde vroeg hetzelfde aan ijdelheid maar zijn antwoord was: “Sorry, maar je bent helemaal nat, je zou alleen mijn spullen maar beschadigen.”

Toen vroeg Liefde het aan verdriet maar deze was zo verdrietig dat ze alleen wilde zijn. En geluk was zo met zichzelf bezig dat hij haar niet eens opmerkte.

Opeens klonk er een stem die zei: “Kom Liefde, ik zal je meenemen.”

Liefde was zo overweldigd door dit aanbod, dat ze zelfs vergat te vragen waar ze heen gingen. Toen ze op droog land aankwamen was de stem zo snel als hij gekomen was weer verdwenen. Liefde wist niet eens wie haar redder was. Ze vroeg het aan wijsheid en die zei: “Het was de tijd.”

Liefde vroeg: “Waarom hielp de tijd mij?” en wijsheid antwoordde: “Omdat de tijd als geen ander weet hoe waardevol liefde is.”

Galerij

Wie liefde begrijpt…

rijkdom

  • Rijkdom, succes en liefde

Het was in het voorjaar toen een vrouw drie oude mannen op het bankje voor haar huis zag zitten. Ze zagen eruit alsof ze een lange reis achter de rug hadden. Hoewel ze de mannen niet kende, volgde ze een impuls en vroeg of ze misschien honger hadden en binnen wilde komen.

Eén van hen antwoordde: “U bent heel vriendelijk , maar er kan van ons drieën maar één op uw uitnodiging ingaan.” Hij wees naar de oude man rechts van hem en zei: “Dit is Rijkdom.” Toen wees hij naar degene links van hem en zei: “Zijn naam is Succes. En mijn naam is Liefde. Het is aan u om te beslissen wie van ons u uitnodigt.”

De vrouw dacht even na en liep toen naar binnen en vertelde haar man wat ze buiten voor de deur had meegemaakt. Haar man was verrast en zei: “Geweldig, laten we dan Rijkdom maar uitnodigen!”

Zijn vrouw was het daar niet mee eens: “Nee, ik denk dat we beter Succes kunnen vragen.”

Hun dochter zei echter: “Zou het niet veel beter zijn als we Liefde zouden uitnodigen?”

“Ja, ze heeft gelijk”, zei de man. “Ga naar buiten en nodig Liefde uit als onze gast”. Ook de vrouw knikte en bij het bankje gekomen zei ze: “Liefde, wil je binnen komen en onze gast zijn?”

Liefde maakte aanstalten om mee te gaan, maar ook de twee andere mannen stonden op en volgden hem. Verbaasd vroeg de vrouw aan Rijkdom en Succes: “Ik moest kiezen en heb alleen Liefde uitgenodigd. Waarom willen jullie nu ook meekomen?”

In koor antwoordden de mannen: “Als u Rijkdom of Succes had uitgenodigd, dan waren de beide anderen buiten gebleven. Maar nu u Liefde hebt gevraagd om binnen te komen volgen de andere twee ook. Want waar Liefde voorop gaat, daar vormen wij een eenheid.”

Galerij

Wachten op de wet

deurwachter

  • Voor de wet – Franz Kafka’s parabel

Voor de wet staat een deurwachter. Een man van het platteland komt naar deze deurwachter en vraagt om tot de wet te worden binnengelaten. Maar de deurwachter zegt, dat hij hem nu niet kan toestaan naar binnen te gaan. De man denkt er over na en vraagt dan, of hij later zal mogen binnengaan. “Dat is mogelijk”, zegt de deurwachter, “maar nu niet.”

Omdat de deur tot de wet zoals altijd openstaat en de deurwachter opzij stapt, bukt de man zich om door de deur naar binnen te kijken. De deurwachter merkt het, lacht en zegt: “Als het je zo trekt, waarom probeer je dan niet toch naar binnen te gaan, ondanks mijn verbod. Maar vergeet niet: Ik ben machtig. En ik ben alleen nog maar de laagste deurwachter. Er staan echter van zaal tot zaal deurwachters, de één nog machtiger dan de ander. De aanblik van de derde kan ik zelfs niet meer verdragen.”

Zulke moeilijkheden had de man van het platteland niet verwacht; de wet zou toch voor iedereen en altijd toegankelijk moeten zijn, denkt hij, maar als hij de deurwachter met zijn pelsjas beter bekijkt, zijn grote, spitse neus, de lange, dunne, zwarte, tataarse baard, besluit hij toch maar liever te wachten tot hij toestemming krijgt om naar binnen te gaan.

De deurwachter geeft hem een krukje en laat hem naast de deur zitten. Daar zit hij dagen en jaren. Hij probeert vaak binnengelaten te worden, en vermoeit de deurwachter met zijn gevraag. De deurwachter verhoort hem vaak een beetje, ondervraagt hem over zijn thuis en over allerlei andere dingen, maar het zijn ongeïnteresseerde vragen zoals deftige heren ze stellen, en tot slot zegt hij telkens weer, dat hij hem nu nog niet kan binnenlaten.

De man, die van alles had meegenomen voor de reis, gebruikt alles, hoe duur het ook is, om de deurwachter om te kopen. Deze neemt welliswaar alles aan, maar zegt erbij: “Ik neem het alleen maar aan om je niet het gevoel te geven dat je iets hebt nagelaten”.

In al die jaren bekijkt de man de deurwachter bijna constant. Hij vergeet de andere deurwachters, en deze eerste lijkt hem het enige obstakel om de wet binnen te kunnen gaan. Hij vervloekt het ongelukkige toeval, in de eerste jaren luid en lomp, later, als hij oud wordt, bromt hij alleen nog maar wat.

Hij word kinds, en omdat hij in de jarenlange studie van de deurwachter ook de vlooien in zijn pelskraag heeft leren kennen, vraagt hij ook de vlooien om hem te helpen de deurwachter van gedachten te doen veranderen.

Tenslotte verzwakt het licht in zijn ogen, en weet hij niet meer, of het om hem heen nu werkelijk donkerder wordt, of dat zijn ogen hem bedriegen. Wel onderscheidt hij nu in het donker een glans, die onhoudbaar uit de deur van de wet stroomt.

Hij heeft nu niet lang meer te leven. Voordat hij dood gaat verzamelen alle ervaringen van de hele tijd zich in zijn hoofd tot een vraag, die hij tot nu toe nog niet aan de deurwachter gesteld heeft. Hij wenkt hem, want hij kan zijn verstijvend lichaam niet meer oprichten.

De deurwachter moet zich diep bukken, want het grootteverschil is zeer ten ongunste van de man veranderd. “Wat wil je dan nu nog weten?” vraagt de deurwachter, “Je bent onverzadigbaar.”

“Iedereen streeft toch naar de wet”, zegt de man, “hoe komt het dan dat in al die jaren niemand behalve ik heeft gevraagd om naar binnen te mogen gaan?”

De deurwachter ziet wel dat de man bijna dood is, en om zijn wegebbend gehoor nog te kunnen bereiken schreeuwt hij: “Niemand anders kon hier naar binnen gaan, want deze ingang was alleen voor jou bestemd. Ik ga nu weg, en sluit hem”.

Galerij

Een muur of een brug?

ezel

  • Kracht uit putten

De boer had op zijn erf een put liggen die hij nog niet had dichtgemaakt. Op een dag viel de ezel in de put. De boer vroeg zich af wat te doen. De ezel was toch al oud en de put moest dicht.

Hij besloot om samen met de buren de put dicht te gooien met de ezel erin. Ze pakten allen een schop en gooiden zand in de put. De ezel besefte wat er gebeurde en maakte veel kabaal. Totdat het op een gegeven moment stil werd…

Een paar scheppen zand verder besloot de boer een kijkje te nemen. Vol verbazing zag hij dat de ezel elke schep zand die op zijn rug kwam, van zich afschudde. Vervolgens ging hij op het afgeschudde zand staan.

Met de ladingen zand die erop volgden, kwam de ezel steeds hoger te staan. Totdat de ezel zelf uit de put kon stappen.

De moraal

Er zullen altijd mensen zijn die stenen gooien op jouw pad van succes. Het hangt van jezelf af wat je er van maakt: een muur of een brug.

Galerij

De wijze is meelevend

bizon.png

  • Jongen

Dit verhaal gaat over oude tijden, en het gaat over een jongen die Jongen heette. Jongen, dat was zijn volledige naam. Jongen was triestig, want hij vond het maar een stomme naam. Hij vroeg aan zijn vader Grijze Aarde hoe hij een andere naam kon krijgen. Zijn vader zei: “Jongen, als je een andere naam wilt dan moet je die verdienen..” “En hoe verdien je dan een andere naam?” vroeg Jongen dan.

“Om een andere naam te verdienen moet je laten zien dat je dapper bent, iets doen waardoor je zelf zeer trots zult zijn en waarvan de mensen naar je opkijken.” “Wil je me daarbij helpen?” vroeg Jongen. Zijn vader dacht even na en zei toen: “Morgen is het bizonjacht, je bent oud genoeg om voor de eerste keer mee te gaan.”

De Jacht
De volgende morgen vertrokken ze op jacht. Jongen had zijn prachtige pijlenkoker van hertenleer meegenomen. Na een lange tocht kwamen ze aan een plaats waar iemand bizons had gezien. Ze klommen samen, zonder te spreken over een heuvel waarachter er bizons stonden te grazen. Er stonden een stuk of tien bizons bij een bronnetje te drinken.

Grijze Aarde zei neem dat vrouwtje, ze staat het dichts bij ons. Jongen spande zijn boog en, omdat de vrouwtjesbizon zo dichtbij was, wist hij zeker dat hij haar kon raken. Net toen hij de pijl wou loslaten zag hij iets bewegen in het hoge gras achter de bizon. Een kleine babybizon krabbelde overeind in het gras en liep wankelend naar zijn moeder toe. De kleine bizon, met zijn donzig babyvachtje maakte hongerige geluidjes en zijn moeder likte hem vol liefde met haar tong. “Schiet” , fluisterde Grijze Aarde. “Ik kan het niet “, zei Jongen “De babybizon zou doodgaan zonder zijn moeder.” Zwijgend liep hij met zijn vader terug naar huis. Jongen was zeer droevig want hij had gefaald in zijn opdracht.

Sneeuw
Even later lag hij thuis triestig voor zich uit te kijken. Zijn vriend Sneeuw kwam binnen en vertelde hem dat hij een enorme bizon had geschoten. Sneeuw zei dat hij nu zeker een nieuwe naam verdiende aan het kampvuur. Dat maakte Jongen nog triestiger, want hij zou geen nieuwe naam krijgen. Grijze Aarde zei dat hij ook aan het kampvuur ging vertellen wat er met Jongen gebeurd was vandaag. Hoe kon vader hem nu ten schande maken bij de hele stam, vroeg Jongen zich af.

Iedereen zat rond het kampvuur en de trommen lieten zachte en ritmische klanken horen. Eerst kwam de vader van Sneeuw. “Mijn zoon was zeer moedig. Hij hield met sterke handen de boog vast en hij doodde de bizon. We hebben mijn zoon sneeuw genoemd omdat hij in de winter geboren was, maar hij noemt niet langer Sneeuw. Hij heeft met een krachtige en snelle pijl gedood. Nu noemt hij PIJL-DODER.” Pijl doder danste nu rond het vuur. Toen zijn dans gedaan was kwam de vader van Jongen. Jongen stopte zichzelf al weg.

Grijze Aarde sprak
Grijze Aarde sprak: “Mijn zoon was zeer moedig. Hij hield met sterke hand de boog, maar hij doodde de bizon niet.” Alle mensen keken verbaast. Sommigen stonden al op om het kampvuur te verlaten, want wie geen bizon dood, kan toch geen naam krijgen. “Wacht”, zei de vader “Ik heb nog niet gedaan met spreken”. “Jongen is geen jager, hij heeft geen jagershart. Hij hield met sterke hand zijn boog op een groot moederdier gericht, maar hij doodde het dier niet. Zijn hart hield de pijl tegen. Hij zag haar hulpeloos bizonjong. Jongen heeft gekozen voor het pad van de wijsheid, hij wil het leven van andere schepselen sparen. Ik geef hem de naam BIZON-BROEDER, omdat hij zijn hart volgde.” De mensen juichten en Bizon-Broeder danste zeer blij en leefde vanaf dan gelukkig samen met alle dieren van de schepping.

Galerij

Leef het heden

hier en nu.png

  • Alles ligt verborgen in het hier en nu

De Boeddha ontmoette op zijn reizen eens een asceet die het stilstaan op één been beoefende. De Boeddha vroeg hem: “Kunt u mij vertellen waarom u dit doet. Wat wilt u bereiken door stil te staan op één been?”

De asceet antwoordde: “Door deze oefening werk ik mijn karma af, ze zal me bevrijden van al het vroegere karma.”

De Boeddha vroeg hem: “En, hoeveel hebt u tot dusver al afgewerkt?”

De man antwoordde: “Dat kan ik niet precies zeggen.” Daarop vroeg de Boeddha: “En hoeveel karma denkt U nog te moeten afwerken?”

De asceet antwoordde: “Ook dat weet ik niet precies.”

Tenslotte vroeg de Boeddha hem: “Maar hoe zult u dan weten wanneer u klaar bent met uw karma?”

De asceet kon opnieuw slechts antwoorden: “Dat weet ik niet.”

Toen zei de Boeddha: “De tijd is gekomen om te stoppen met deze oefening en het pad naar het einde van het lijden te begrijpen. Het is gelegen in de waarheid van elk moment, het ligt in het hier en nu.”

Galerij

De baas over zichzelf meet zich niet

kapitein machinist.png

  • Had je maar een vak moeten leren

De kapitein van een schip en de machinist hadden ruzie over wie er nu belangrijker was voor het schip. Die strijd duurde al tijden en bleef steeds onbeslist.

Om erachter te komen wie nu het belangrijkste was, besloten ze op een dag om van plaats te wisselen.

Na een dag in de machinekamer te hebben doorgebracht, kwam de kapitein naar de brug toe. Helemaal onder de olie en met een sleutel en een doek in zijn hand.

“Ik moet toegeven dat ik je beneden nodig heb,” zei hij, “ik krijg geen beweging meer in de motor.”

“Dat kan wel kloppen,” zei de machinist, “want we zitten aan de grond.”