Lamslaande verwarring

verward.png

  • Van speelbal naar spelbepaler

Het aantal meldingen van personen met verward gedrag stijgt weer, blijkt uit landelijke cijfers.. Gemeenten zijn inmiddels druk bezig met een ‘sluitende aanpak’. Er is een speciaal ‘schakelteam’ dat naar oplossingen zoekt. . Er is bereidheid tot samenwerking en er ontstaan nieuwe coalities. De effecten van al deze inspanningen zijn in de praktijk nog te weinig zichtbaar. Er is nog altijd (te) veel handelingsverlegenheid. Zeker ook als het gaat om zware casuïstiek van mensen die ernstige psychiatrische aandoeningen hebben en een (potentieel) gevaar zijn. Er moet nog veel gebeuren om de aanpakken persoonsgericht te laten zijn, met een goede plek en rol voor mensen zelf en hun naasten. Dit gaat niet alleen over het nemen van concrete acties of maatregelen, maar ook om het bevorderen van het samen leren en ontwikkelen op alle niveaus van de werkvloer tot en met de bestuurders. Lokaal, regionaal en landelijk. Wat nodig is zijn spelbepalers pur sang. Mensen die zich niet storen aan voorgeschreven posities, maar het spel naar zich toe trekken.

Bij verwarde personen gaat het namelijk vaak om kwetsbare mensen die te kampen hebben met verschillende aandoeningen en beperkingen op meerdere levensterreinen. Het zijn mensen met een medicijn- of middelengebruik, dementie, verslaving, schulden, dakloosheid of een verstoorde suikerspiegel. Soms zijn het mensen in de illegaliteit of met een verstandelijke beperking. Vaak ook treedt verward gedrag op in combinatie met verlies aan werk of huisvesting, schulden, of na een ingrijpende emotionele gebeurtenis. Het is van groot belang dat we in de aanpak daarvan samenwerken met gemeenten, woningbouwcoöperaties, politie en justitie, maar zeker ook met familie en andere signalerende personen en instanties.

Veel betrokkenen rond mensen met verward gedrag – zo leert de praktijk – hebben niet zelden zelf het gevoel een speelbal te zijn van de omstandigheden. Laat ik dat verduidelijken aan de hand van een recente casus die op mijn pad kwam.

Nico is licht verstandelijk beperkt, kampt met verslavingsproblematiek en heeft mogelijk ook GGZ-problemen. Hij is een half jaar geleden uit huis gezet. Woonde destijds in de gemeente A. Sindsdien slaapt hij in een busje van zijn dagbesteding ergens in gemeente B. een buurgemeente, waar hij overlast veroorzaakt. Sinds enkele maanden is hij ingeschreven in gemeente C (postadres), omdat hij geen vaste woon-of verblijfsplaats meer heeft. Gemeente C. is voor deze dak- en thuislozen centrumgemeente.

De lokale regisseur is de afgelopen maanden stevig betrokken geweest en heeft veel werk verzet om hem opgenomen te krijgen. Kort samengevat:

  • De WLZ-aanvraag is afgewezen, omdat hiervoor bij de diverse instanties onvoldoende dossier aanwezig was. Dit is ook iets wat de lokale regisseur niet kan leveren, want het gaat om medische gegevens.
  • Een verslavingskliniek is betrokken (begeleiding), maar vindt de zaak niet urgent genoeg om Nico gedwongen te laten opnemen. De kliniek wil dus ook niet meewerken aan een aanvraag voor een rechtelijke machtiging.
  • Voor GGZ-opname is er onvoldoende indicatie.
  • Een GGz-instelling wil wel een intakegesprek met hem voeren (mogelijk dus ook opnemen), maar meneer is hij niet komen opdagen. Een nieuwe afspraak is gemaakt, maar het risico dat hij weer niet komt opdagen is groot.
  • Intussen is er voortdurend dispuut tussen de verslavingskliniek en de GGz-instelling. De een meent dat er sprake is van psychiatrische problematiek, de ander stelt juist dat de verslavingsproblematiek voorliggend is.
  • Er zijn, naast de overlast die Nico veroorzaakt, ook zorgen om zijn eigen veiligheid en die van zijn omgeving. De meningen daarover zijn verdeeld.

Alle betrokken partijen – met uitzondering van Nico – zijn het erover eens dat een (gedwongen) opname nodig is. Maar wie o wie neemt het besluit daartoe?

Punt is namelijk dat Nico formeel geen inwoner meer is van gemeente A. maar van gemeente C.  De overlast die hij veroorzaakt vindt plaats in gemeente B.. Bestuurlijk c.q.  juridisch gezien heeft gemeente A. geen poot om op te staan. Gemeente B. – waar Nico verblijft en overlast geeft – is echter van mening dat gemeente A. hierin een leidende rol moet spelen. Gemeente A. acht dit juridisch niet mogelijk is ziet geen handvatten om in deze zaak nog meer te doen als Nico niet vrijwillig meewerkt. Voor een gedwongen opname zijn er 2 opties:

  1. BOPZ: die heeft Nico al 2 keer gehad, maar hij stond beide keren na enkele dagen al weer buiten vanwege onvoldoende GGZ-aanleiding. Gemeente B. zal de BOPZ moeten uitvaardigen, omdat de overlast op hun grondgebied plaatsvindt.
  2. Rechtelijke machtiging: daarvoor is medewerking van de verslavingskliniek nodig. Zij moeten de onderbouwing schrijven, maar willen dit niet. Overleg op bestuurlijk niveau kan wellicht helpen, maar omdat Nico niet meer in gemeente A. woont, kan die gemeente het niet oppakken. Gemeente B. vindt het haar taak niet en gemeente C. wil – in geval van opname – de kosten wel op zich nemen, maar ook de machtiging niet afgeven.

Kortom, iedereen vindt dat er wat moet gebeuren. Iedereen vindt ook dat de ander wat moet doen. En dus doet iedereen niets!

Bij vraagstukken als deze zijn er meerdere benaderingswijzen mogelijk zijn. Politiek, juridisch, (rechts)filosofisch, sociologisch, pedagogisch, ethisch en vast nog veel meer. De daarbij geldende wetten en regels zijn – zoals zo vaak in dit soort van situaties – niet de oplossing, maar het probleem. Wat de ene wet mogelijk maakt, doet de andere teniet. Op individueel niveau helpen de wetten die ons stelsel schragen dus niet. En nee, dat  is geen pleidooi om wetten en regels dan maar af te schaffen. Wetten en regels werken disciplinerend en brengen ordening aan. Dat is nodig in een maatschappij waarin verschil van belang, conflicten en incidenten aan de orde van de dag zijn.

In dit soort van schrijnende zaken is maatwerk nodig. Liefst door de handen ineen te slaan en door samen de steen de berg op te rollen. Als dat niet lukt, moet er iemand zijn die de koe bij de horens vat. Als je weet dat geen enkel perspectief op het vraagstuk ‘het enige of juiste’ is, als je weet dat de positie die ieder inneemt in het vraagstuk ieders uitzicht op de werkelijkheid bepaalt, als je weet dat het niet lukt om de vele inzichten en perspectieven bij elkaar brengen, toon dan persoonlijk leiderschap. Geef professionals en mensen met verward gedrag handelingsruimte en dekking. Neem verantwoordelijkheid, ook als oplossingen niet perfect binnen de kaders passen. Zeker als er gevaar dreigt voor de persoon zelf of de omgeving. Dit vraagt om lef en doorzettingsmacht. Het vraagt om spelbepalers die het spel naar zich toe trekken. Mensen (bestuurders!) die zich niet storen aan voorgeschreven posities, en de grens durven op te zoeken. Met verantwoording als instrument. Lukt dat niet, dan zal de aanpak van verwarde personen een schijnoplossing blijven respectievelijk een onoplosbaar probleem.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Advertenties

De speld op de mouw regeert!

beren 2.png

  • Van beren op de weg naar durven kiezen!

Het vraagstuk ‘subsidiëren of inkopen’ of ‘subsidiëren of aanbesteden’ staat op heel wat agenda’s. Zo leerde het nieuws van de afgelopen weken. Overheden en organisaties binnen het werkveld van welzijn en zorg wikken en wegen maar komen niet tot keuzes. Zij zien teveel beren op de weg. Wanneer je vervolgens vraagt hoe die beren er dan uitzien, of welke kleur ze hebben, weten ze het eigenlijk niet. Hetgeen bij mij de vraag doet rijzen, of zij die beren überhaupt wel hebben gezien! Eerder lijkt er sprake is van een grenzeloze besluiteloosheid. Het is tijd dat overheden op dit punt nu eens durven doen!

Voor gemeenten blijft het inkopen van Wmo en jeugdhulp een complexe opgave, zo blijkt uit onderzoek. In de afgelopen jaren is het ontbreken van kennis en betrouwbare informatie daarover een voortdurende bron van discussie geworden. En ook nu nog worstelen gemeenten – net als de betrokken aanbieders van welzijn en zorg – met de voortdurend verschillende en met elkaar conflicterende opvattingen daarover. Diverse gemeenten ervaren het ‘moeten aanbesteden’ van zorgtaken als knelpunt. Zo ook de minister van VWS, Hugo de Jonge. In een brief aan de Tweede Kamer (juli 2018) constateert hij dat veel gemeenten worstelen met aanbestedingen in het sociaal domein. Ze ervaren deze volgens hem vaak als een administratieve last die veel complexiteit met zich meebrengt. De minister wil daarom onder meer in Europa ruimte zoeken om “aanbesteden in het sociaal domein op passende wijze vorm te geven.”

De opstelling van de minister helpt bepaald niet bij het geven van duidelijkheid. Zijn stellingname roept de vraag op, of hij zelf wel grip heeft op de materie. In diezelfde week immers presenteerde Binnenlands Bestuur een even interessante als andere stelling: “Negentig procent van de contracten voor Wmo-voorzieningen en jeugdhulp besteden gemeenten Europees aan, terwijl dat niet nodig is.”

Moet aanbesteden nu wel, of niet?

Zie hier de oorzaak van het eindeloze wikken en wegen. Eigenlijk wil niemand het, zoekt iedereen muizengaatjes en geitenpaadjes om er onder uit te komen, maar doen wij ondertussen braaf wat wij denken dat wij moeten doen. Daarbij voorbij lopend aan de logica van ons gezonde verstand. De speld op de mouw regeert!

Of ik gek ben geworden? Ik meen van niet. Ik weet mij ook gesteund door onderzoek (van het PPRC en het Nederlands Jeugdinstituut (NJi); juli 2018) en de praktijk in enkel gemeentes die – als waren zij Asterix en Obelix in bezet Gallie – moedig weerstand bieden aan de onzinnige aanbestedingsfetish waaronder Nederland gebukt gaat.

Zeker, ik erken dat er op dit punt grote onduidelijkheid is onder de gemeenten. Het is echter een onduidelijkheid die zij zelf organiseren. Ze spreken in inkoopdocumenten vaak van een ‘aanbesteding conform Zeeuws model’ of ‘bestuurlijk aanbesteden’ terwijl feitelijk niet wordt aanbesteed. Ze houden zich bij de inkoopprocedure aan meer regels dan volgens de wet strikt noodzakelijk is. Zo stelt ook onderzoeker Niels Uenk (PPRC).

De urgentie van een discussie over ‘verplicht Europees aanbesteden’ die op het Binnenhof en in veel gemeenten wordt gevoerd, is – helaas – een bezigheidstherapie geworden voor besluiteloze bestuurders, managers en andere betrokkenen.

‘Subsidiëren of inkopen’ of ‘subsidiëren of aanbesteden’ is een keuze die voortvloeit uit de wijze waarop je als overheid iets wilt realiseren en met welke partijen je daartoe wilt gaan samenwerken. Met het verlenen van subsidie of het geven van een opdracht worden die samenwerkingsrelaties geformaliseerd. Het is een keuze die samenhangt met de wijze waarop je wilt sturen. Oftewel: het gaat over het antwoord op de vraag hoe je als overheid partijen in de samenleving zover probeert te krijgen dat zij bijdragen aan het realiseren van een maatschappelijk gewenste situatie.

Beide regimes – subsidiëren of aanbesteden – bieden in principe dezelfde sturingsmogelijkheden. Het is niet zo dat subsidie betere of slimmere sturingsmogelijkheden biedt dan inkoop, of andersom. Kernpunt is met name de vraag hoe overheden de relaties met partijen in de samenleving vorm willen geven. Als partijen of als partners.

Die laatste vraag is cruciaal. Steeds meer gemeenten en organisaties voor zorg en welzijn ontdekken dat optimaal samenwerken in de keten essentieel is om toevoegende waarde te creëren. En juist daarbij past het – ten onrechte – veelgebruikte instrument van ‘aanbesteden’ slecht bij. Samenwerken binnen welzijn en zorg is een teamsport; om succesvol te zijn heb je zowel goede spelers als goed samenspel nodig. Daarbij moet er niet alleen op de kosten worden gelet (vaak de bron van de keuze voor aanbesteden), maar vooral en meer ook op kwaliteit, innovatievermogen, risicoreductie en de mogelijkheden voor synergie. Zaken als lokaal partnerschap en samenwerking, continuïteit van de zorginfrastructuur en ruimte voor lange termijn investeringen moeten centraal staan.

Samenvattend: Bestaat er een verplichting om (Europees) aan te besteden in de zorg? Het antwoord op die vraag is eenduidige ‘nee’: er is geen verplichting tot aanbesteden opgenomen in bijvoorbeeld de Jeugdwet of de Wmo 2015. In deze wetten staan slechts bepalingen die alleen gelden als gemeenten er zelf voor kiezen om aan te besteden, omdat zij een overheidsopdracht in de markt willen zetten. Dit is echter niet de enige manier waarop zij aan hun verplichtingen in het sociaal domein kunnen voldoen. Gemeenten hebben de keuze uit 4 mogelijkheden: Inbesteden, Subsidie, Overheidsopdracht en Open House. Dat zijn geen beren op de weg, maar keuzes die gemeenten moeten (durven) maken. Het ‘spook van de aanbesteding’ is dus voor een groot deel narigheid die wij zelf veroorzaken met het zien van niet bestaande beren op de weg en spinsels in onze hoofden!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Kafkaiaans eten

kafka.png

  • De regels zijn niet de conclusie van ons verstand

Tijdens een casusbespreking dezes week bekroop mij de sfeer in de boeken van Franz Kafka. Zij ademt een zinloze, desoriënterende en nachtmerrieachtige complexiteit. De sfeer in het werk van Kafka is absurd: elke stap die de hoofdpersoon in alle redelijkheid zet wordt gefrustreerd door draconische regelgeving. Als lezer raak je zo in een onbetrouwbare wereld verzeild waarin niets wat logisch en redelijk lijkt nog werkt. Kafka schetst hiermee een beeld van de vervreemding van de mens in de moderne maatschappij.

Vanaf 2015 is de zorg en ondersteuning voor ouderen anders gefinancierd en georganiseerd. Drie wetten spelen daarin een belangrijke rol: de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz).  Kort samengevat is de essentie van deze drie wetten dat ouderen passende zorg, hulp en ondersteuning krijgen die zoveel mogelijk aansluit op hun persoonlijke (thuis)situatie, mogelijkheden en sociale netwerk.

De afbakening tussen de Wmo 2015 en de Wet langdurige zorg (Wlz) leek met de inwerkingtreding van de Wmo 2015 zo mooi en duidelijk te zijn geregeld. De gemeente hoeft geen voorziening toe te kennen op het moment dat de cliënt een Wlz-indicatie heeft of hierop aanspraak zou kunnen maken (artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015). Ook formuleerde de wetgever hierop enkele uitzonderingen (artikel 8.6a Wmo 2015).

Ruim 2 jaar nadat de Wmo 2015 zijn intrede heeft gedaan, bespeuren ik echter diverse onduidelijkheden c.q. knelpunten in de afbakening tussen deze zorgwetten.

We willen dat ouderen zo lang mogelijk thuis kunnen wonen én dat ze daarbij zoveel mogelijk zelf de regie hebben over het zorgproces.  Daarvan zijn de positieve effecten zeker zichtbaar. Maar ook is duidelijk dat de praktijk van de drie-wetten-in samenhang weerbarstig is.

Ik zie dat ouderen onbedoeld, ongewild en onbeschaamd hinder ondervinden van de schotten in de financiering van zorg, hulp en ondersteuning. Juist, omdat precies volgens alle wet- en regelgeving gewerkt wordt. Ik zie machteloosheid en frustraties bij professionals wanneer ouderen tussen wal en schip belanden. Ik zie ook dat professionals goed uit de voeten kunnen met de bedoeling van de wetten (ouderen vitaal te houden en zo lang mogelijk zelfstandig thuis blijven wonen met een combinatie van professionele en informele zorg & ondersteuning). Maar tegelijkertijd zie ik ze worstelen met vragen als: Wie is verantwoordelijk? Wie wordt betaald? Welke wet is leidend? Ook is het soms niet duidelijk wat professionals van elkaar en van de gemeente en de verzekeraar mogen verwachten. Ook zien we dat de eigen interpretaties van professionals over welke zorg/ handeling in welk takenpakket hoort niet altijd passen binnen de door gemeente en zorgverzekeraar gestelde kaders of binnen de gestelde kaders vanuit het Rijk.

Neem meneer en mevrouw Trommel bijvoorbeeld. Beiden zijn al stevig op leeftijd en onvrijwillig hoofdrolspelers geworden in een kafkaiaans drama. Zij zijn gehuwd, voeren een gezamenlijke huishouding en zorgen, zo goed als dat gaat, voor elkaar. Mevrouw heeft een Wlz-indicatie VPT (Volledig Pakket Thuis). Zij ontvangt haar maaltijdvoorziening uit de Wlz. Haar man, halfzijdig verlamd en zich voortbewegend met een rollator, krijgt de maaltijd wel thuisbezorgd, maar heeft geen Wlz-indicatie. De maaltijd voor mevrouw Trommel wordt dagelijks voor haar klaargezet. Die van haar man niet. “Want dat valt niet onder de indicatie van mevrouw”, aldus de betrokken hulporganisatie. Met een welhaast satanisch genoegen wenst zij mevrouw Trommel vervolgens “Smakelijk eten, mevrouw!”, en wenst zij meneer Trommel “Sterkte en succes”.

Het gevolg van dit alles is dat mevrouw Trommel dagelijks haar maaltijd geniet, onderwijl haar man eindeloos probeert zijn eigen maaltijd geopend en/of in de magnetron te krijgen. Of dat mevrouw Trommel haar eten koud ziet worden, omdat zij wacht tot ook de maaltijd van haar man eindelijk op tafel staat. Kunt en wilt u het gekker bedenken? Ik niet.

Vanuit het perspectief van meneer en mevrouw Trommel zou idealiter de vraag uit welke wettelijk kader de ondersteuning of zorg gefinancierd wordt geen rol moeten spelen. Zeker ook, omdat de oplossing uiterst eenvoudig en simpel is. De professionals die bij mevrouw Trommel (en dus ook meneer Trommel!) over de vloer komen, nemen de maaltijdverzorging (lees: het warm maken en klaarzetten) voor beiden op zich, ook al valt deze taak voor meneer Trommel formeel niet onder het VPT-pakket van zijn vrouw. Ik noem dat ‘de logica van de uitvoering’.

De logica echter is weliswaar onwrikbaar, maar tegen Kafka en zijn volgers kan zij niet op. Want eens Kafka in het spel en over de vloer komt, groeien de problemen. De passende en logische oplossing voor meneer en mevrouw Trommel  past namelijk niet bij het strikt hanteren van de kaders die met wet- en regelgeving zijn gesteld. De praktische (en efficiënte!) opzet die ik voorsta heeft namelijk gevolgen voor de financiële kaders van de aanspraak.

Wie denkt dat ik dit allemaal wat overdrijf, heeft het mis. De namen van meneer en mevrouw Trommel zijn gefingeerd. Omwille van hun privacy. De rest is naakte waarheid en kwam deze week tot mij in een zogenaamd casusoverleg. Ik heb mij daarop voorgenomen geen tijd meer te verspillen aan het zoeken naar niet bestaande hindernissen. Ik ga de regels te studeren om het beste middel te vinden om ze te overtreden!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Tegenstrijdige signalen

tegenstrijdig

  • Wie van alles wil maar de handen niet uit de mouwen steekt, kweekt rotzooi.

Na drie (3) weken vakantie ben ik terug. Drie weken verlangen naar een land dat barst van de tegenstrijdigheden. Sterker nog, gekker kan haast niet. Een land waar ik met heel veel plezier woon, leef en werk. Een land ook, zo zag ik tijdens mijn vakantie, dat aan elkaar hangt van tegenstrijdigheid. Waar in de wereld tref je een overheid die het roken ontmoedigd door het steeds nadrukkelijker te verbieden en tegelijkertijd een experiment met wietteelt en wietverkoop onder staatstoezicht opzet? En dat, met als excuus dat tabak veel meer verslavend is dan hasj en wiet.

Daarom hebben wij waarschijnlijk ook wel afkickklinieken voor drugsverslaafden, maar niet voor tabaksverslaafden!

Waar lees je in een week tijd zowel dat eenzaamheid onder ouderen toeneemt, als dat de kans eenzaam te worden voor een oudere anno nu lager ligt dan twintig jaar geleden? Het een, omdat de oudere bevolking groeit, terwijl het andere bericht zegt dat ouderen in vergelijking met twintig jaar geleden vaker een partner hebben, een groter en diverser netwerk en een groter gevoel van regie over het leven? Je zou er kluizenaar van worden.

Maatwerk voor inwoners wordt gehinderd door tegenstrijdige wetgeving binnen het sociaal domein. De Jeugdwet, de Wet maatschappelijk ondersteuning (Wmo) 2015 en de Participatiewet zijn niet vanuit een integrale visie en wetgeving op rijksniveau opgesteld, om op basis daarvan gezamenlijk te kunnen zorgen voor integrale dienstverlening aan burgers. De visies waarop Wmo en Jeugdwet enerzijds en Participatiewet anderzijds zijn gebaseerd, verschillen fundamenteel van elkaar. De Wmo en Jeugdwet gaan uit van maatwerk voor cliënten, de Participatiewet is gericht op uniformiteit, handhaving en rechtmatigheid.

We zeggen in Nederland het een, maar doen het andere. Waar immers tref je een overheid die de zorg voor haar inwoners decentraliseert, om haar dichter bij diezelfde inwoner te brengen en de inzet van middelen efficiënter – want ontschot – in te zetten? In Nederland ja. Maar in Nederland zijn er drie jaar na dato ook nog altijd ‘noodkreten’ van aanbieders nodig om overheden – landelijk zowel als lokaal – aan te sporen om ambitie te tonen en de budgetten voor Jeugd, WMO en Participatiewet daadwerkelijk en volledig te ontschotten.

Sinds 1 augustus 2007 geldt de volledige leerplicht tot 18 jaar voor jongeren die geen startkwalificatie hebben gehaald (een diploma op minimaal mbo-niveau 2 of minimaal havo of vwo). Dit wordt ook wel de kwalificatieplicht genoemd. Het doel is om voortijdige schooluitval te bestrijden. En wat lezen wij 11 jaar na dato? Dat er 14.417 thuiszitters zijn zonder onderwijs! Dat betekent dat er sedert de invoering van Passend Onderwijs (2015) slechts 500 thuiszitters minder zijn. En ten opzichte van tien jaar geleden is dat aantal nagenoeg gelijk: de afgelopen 10 jaar nauwelijks gewijzigd: 15.024!

In Nederland geven wij sloten vol geld uit aan de opvang van dak- en thuislozen. De opvanglocaties voor daklozen raken inmiddels overvol, net als de wachtlijsten. Reden? Er zijn geen huizen te vinden waar daklozen een nieuw bestaan kunnen opbouwen. Het wachten op begeleiding en opvang leidt inmiddels vaak tot verdere achteruitgang van daklozen. De betrokken overheden spannen zo het bekende paard achter de nog bekendere wagen.

Concurrentie en samenwerking zijn tegenstrijdige principes. Concurrentie vormt een belemmering voor de samenwerkingsgedachte. Toch vragen wij beiden tegelijkertijd van de leveranciers van zorg. Het leidt tot perverse prikkels, die de kwaliteit en doeltreffendheid van de zorg ondergraven. Met desastreuse gevolgen voor de betrokken inwoners.

De praktijk laat het ook zien: maatwerk voor burgers met meervoudige problematiek komt nauwelijks of zeer moeizaam tot stand. Het cliëntenbestand in de opvang, beschermd wonen of ggz is heel divers, cliënten hebben uiteenlopende hulp- en/of ondersteuningsvragen en het beroep dat zij doen op allerlei professionals in uiteenlopende disciplines en stelsels verschilt enorm. Het is nodig dat alle noodzakelijke hulp voor een (dakloze of ggz) cliënt, bij elkaar wordt gebracht in een samenhangend pakket. De praktijk echter leert: hoe ingewikkelder de problemen, des te minder maatwerk!

Begrijpt u dat ik tijdens mijn vakantie het gevoel kreeg ‘dat wij met zijn allen nog lang niet klaar zijn’? In dit land, met al zijn tegenstrijdigheden. Zeker, aan de andere kant van mijn hoofd zat ook een stemmetje dat mij influisterde: “Ho ho, je zit wel even goed waar je zit. Je zit niet stil, werkt hard en hebt de mensen om je heen en de plek waar je woont lief. Alles op zijn tijd! De zorg in Nederland loopt niet weg en het is nooit te laat om het roer om te gooien.“

Maar toch, het blijft onbevredigend. En dus ben ik terug en is mijn innerlijke strijdbijl begraven.  Niet dat ik het per se beter weet. Of de oplossing weet. Wel, omdat ik echt geloof in de bedoelingen. Dat het anders kan. En, dat (ook) ik het anders wil. Echter, wie van alles wil, maar de handen niet ook zelf uit de mouwen steekt, kweekt rotzooi. En dat, dat wil ik niet!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

De tuin van het leven

garden of life

  • Garden of life

In deze ontroerende docu volgen we de dementerende tuinman Leo, die tussen zijn geliefde bomen en planten grip probeert te houden op zijn steeds verwarrender wordende bestaan. Ooit reisde de nu 82-jarige Leo graag samen met zijn echtgenote Riet de hele wereld af. Maar sinds de eerste tekenen van Alzheimer zich manifesteerden, verkiest de Nijmeegse  Leo zijn achtertuin boven iedere andere plek.

Daar, tussen zijn geliefde bomen en planten, probeert Leo grip te houden op zijn steeds verwarrender wordende bestaan. Een jaar lang volgt zijn schoonzoon en filmmaker Marco Niemeijer hem, van seizoen tot seizoen. Weer of geen weer, Leo is altijd in zijn toevluchtsoord te vinden. Soms zijn zijn woorden en handelingen nog coherent, maar naarmate de tijd verstrijkt, worden zinnen steeds onlogischer. Hij scharrelt steeds vaker doelloos rond, half met een gedachte spelend, die dan weer verliezend. Als hem wordt gevraagd of hij het wel eens moeilijk heeft, laat hij liever zijn tuin zien, “Aan mijn tuin heb ik genoeg”. Zo nuchter als hij is, zo boos kan hij worden op zijn vrouw Riet, die symbool staat voor alle mensen en dokters die zich ineens met hem bemoeien. Het ene moment is hij helder, het andere moment heerst er chaos. Maar hij keert altijd terug naar een tegelspreuk in zijn tuinhuisje: “Vriendschap is de zonneschijn in de tuin van het leven”. Die wijsheid wordt gedurende de film steeds meer verbastert, net zoals Leo’s bewustzijn voor de camera. Een bijzonder, puur en ontroerend portret van een oude man die zijn einddagen doorbrengt in zijn tuin.

Bekroonde filmmaker Marco Niemeijer besloot zijn schoonvader een jaar lang te filmen in zijn tuin. Leo en zijn tuin staan symbool voor iets groters; het langzaam verdwijnen van de geest van mensen met Alzheimer en hoe zij hierin zijn verbonden met de natuur.

Bekroonde filmmaker Marco Niemeijer besloot zijn schoonvader een jaar lang te filmen in zijn tuin. Leo en zijn tuin staan symbool voor iets groters; het langzaam verdwijnen van de geest van mensen met Alzheimer en hoe zij hierin zijn verbonden met de natuur.

Bekroonde filmmaker Marco Niemeijer besloot zijn schoonvader een jaar lang te filmen in zijn tuin. Leo en zijn tuin staan symbool voor iets groters; het langzaam verdwijnen van de geest van mensen met Alzheimer en hoe zij hierin zijn verbonden met de natuur.

Bekroonde filmmaker Marco Niemeijer besloot zijn schoonvader een jaar lang te filmen in zijn tuin. Leo en zijn tuin staan symbool voor iets groters; het langzaam verdwijnen van de geest van mensen met Alzheimer en hoe zij hierin zijn verbonden met de natuur.

Bekroonde filmmaker Marco Niemeijer besloot zijn schoonvader een jaar lang te filmen in zijn tuin. Leo en zijn tuin staan symbool voor iets groters; het langzaam verdwijnen van de geest van mensen met Alzheimer en hoe zij hierin zijn verbonden met de natuur.

 

Heb het lef eens

dakloos.png

  • Van onderhouden naar oplossen

Het gaat goed met de economie in Nederland. Zij draait op volle toeren. Hetzelfde geldt voor de opvang van dak-en thuislozen in ons land in het algemeen en de 4 grootste steden in het bijzonder. Hun aantal stijgt fors, nadat het probleem enkele jaren geleden vrijwel was opgelost. De dag- en nachtopvang draait op volle toeren. Niet in de laatste plaats ook, omdat zij – door het gevoerde beleid – vooral ook als draaideur fungeren. Wil de opvang duurzaam betekenis krijgen, dan is een omslag van het onderhouden van het probleem naar het wegnemen van de oorzaken dringend noodzakelijk.

De dakloze anno 2018 is al jaren niet meer de getikte zwerver of de tandeloze junk. Het gaat over personen met een complexe problematiek, waarbij een groot aantal factoren van maatschappelijke en individuele aard een rol speelt. Een cumulatie van stressvolle gebeurtenissen, materiële, affectieve of relationele factoren, persoonlijke en institutionele factoren, waaraan een verschillend gewicht wordt gegeven, zorgt voor de thuisloosheid. Dit komt onder andere door de moderne samenleving, die een aantal risico’s herbergt voor maatschappelijke uitsluiting en thuisloosheid. Processen als individualisering, het hogere levenstempo, de druk op toenemende arbeidsproductiviteit en de afnemende bereidheid om mensen binnen de eigen kring op te vangen zijn voorbeelden van risicofactoren voor sociale uitsluiting.  Wie om welke reden dan ook achter raakt met zijn vaste lasten – door scheiding en/of ontslag – staat voor hij het weet op straat. Bij een bepaalde categorie van thuislozen is er bovendien sprake van een pijnlijke onmacht hen adequaat te kunnen helpen. Zij heten de zorgmijders: voor iedereen ongenaakbare of verwarde mensen die zich ondanks hun in ellende gezwachtelde omstandigheden beroepen op hun recht op zelfbeschikking.  Dat maakt de groep van dak- en thuislozen zeker geen homogene groep.  In sociaal opzicht is er sprake van een ernstige problematiek! Tegelijkertijd lijken stadsbestuurders deze problematiek vooral een ongewenst fenomeen te vinden waartegen men hardhandig wenst op te treden. De zichtbare aanwezigheid van daklozen en de overlast die met hun gedrag gepaard gaat, wordt door hen als ongewenst beschouwd, omdat dit een negatieve invloed heeft op de uitstraling van de stad. De stigmatisering richting daklozen neemt daardoor eerder toe dan af.

Het is dus niet waar dat iedereen in Nederland mee mag doen en dat wie aan de kant blijft staan bij de kraag wordt gevat om onderdeel te worden van de maatschappij. Daklozen kunnen de bout hachelen.

De rekenkamers van de vier grote gemeenten (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht) hebben op basis van onderzoek eerder deze maand (mei 2018) vastgesteld dat er vier wezenlijke knelpunten spelen:

  1. Gemeenten leveren onvoldoende passende ondersteuning bij de meestal zeer complexe problematiek van cliënten. Nog te vaak staat niet de cliënt, maar het systeem met allerlei regels en criteria centraal
  2. Er zijn tekorten wat betreft opvangbedden en passende en betaalbare woonruimte binnen en buiten de opvangketen.
  3. De sturingsinformatie is bij alle gemeenten van wisselende kwaliteit.
  4. Sommige van de G4-gemeenten hebben in de organisatie van opvang en ondersteuning onvoldoende aandacht voor leren, verbeteren en innoveren.

In 2013 leek het probleem van de dak- en thuislozen na de actie ‘Niemand Op Straat’ vrijwel opgelost. Hoewel er toen nog altijd 24.000 dak- en thuislozen bij opvanginstanties verbleven. Sinds twee jaar neemt het aantal dak- en thuislozen snel toe, ondanks alle inspanningen.

Het totaal aantal dak- en thuislozen is gestegen tot 31.000, terwijl er ook er weer duizenden daklozen in de steden buiten slapen. Per saldo kachelen wij achteruit.  Zeker in de grotere gemeenten. Meer dan de helft van de landelijke stijging vindt daar plaats. Precieze cijfers zijn moeilijk te krijgen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CSB) hanteert getallen waarbij dak- en thuislozen vooral worden geregistreerd als ze in de opvang zitten of bij familie op de bank slapen. Van daklozen op straat bestaan geen cijfers. Deze registratie- en informatievoorziening moet worden verbeterd, zodat beter gestuurd kan worden in opvang en zorg. Maar betere registratie alleen neemt de oorzaken niet weg. Je kunt er niet in wonen, noch van eten.

Natuurlijk, er zijn veel voorzieningen voor deze doelgroep, naast ook frequent niet-gebruik van deze instellingen. Maar juist deze oplossingen zijn de oorzaken van het structurele probleem. Dak- en thuislozen krijgen onderdak en begeleiding, maar een duurzaam perspectief, een eigen ‘thuis’ wordt niet of mondjesmaat geboden. Cliënten verblijven daardoor vaak te lang in een opvangcentrum waardoor ze ‘geïnstitutionaliseerd’ raken.

De graad van terugval na vertrek uit een opvangcentrum is mede hoog, omdat de begeleiding zich vooral toespitst op de opvang en dus niet op de woonsituatie. De druk aan de poort van de instellingen is daardoor onveranderd hoog, en het duurt vaak een tijdje voordat een behandeling kan starten of er een plekje is gevonden waar iemand opgenomen kan worden. Het is de kracht van de opvangvoorzieningen om voor die mensen even herberg te zijn ter overbrugging naar een meer gepaste en – als het even kan – duurzame vorm van ondersteuning.

De integrale aanpak is binnen de opvang mede daardoor succesvol. Deze heeft er toe geleid dat er heel veel mensen van straat zijn gehaald en een beter (integraal) hulpaanbod hebben gekregen. Er is minder overlast op straat en de veiligheid is toegenomen. Een duurzaam toekomstperspectief voor deze mensen echter ontbreekt. Dat is ook het ondubbelzinnige en vernietigende oordeel van de rekenkamers van de G4.  Met de huidige inzet, gericht op het realiseren van opvang, faciliteert de gemeente daarmee feitelijk het in stand houden van het probleem.

Het passende antwoord ligt in een eigen huis, een plek onder de zon, meedoen (participatie) en altijd iemand in de buurt die jou raden kan. Dat draagt bij aan duurzaam herstel. Weten wij uit onderzoek en ervaring. Juist echter die elementen ontbeert de huidige opvang. Waardoor het risico op terugval voor dak- en thuislozen niet alleen groot is, maar vooral ook naakte werkelijkheid. Er zijn – naar de huidige stand van zaken – zo’n 10.000 woningen nodig om een groep van 16.000 daklozen die klaar zijn om zelfstandig te wonen, een eigen onderkomen te bieden. Realiseren wij dat niet, dan blijft alle opvang per saldo – de niet aflatende inzet en bedoelingen van de voorzieningen ten spijt – water naar de spreekwoordelijke zee dragen.

Wat is de oplossing? Een woning! Gewoon zoals iedereen een woning betrekt. Met voorwaarden die voor alle huurders gelden: geen overlast veroorzaken, tijdig huur betalen en je houden aan de (sociale) regels. Omdat het hierbij gaat over mensen voor wie zelfstandig wonen geen vanzelfsprekendheid is, kan woonbegeleiding op maat een uitkomst zijn; met als doel de woning te behouden. Met het weer zelfstandig wonen neemt de eigenwaarde en het zelfvertrouwen van de deelnemer toe en gaat hij weer perspectief zien. Hierdoor ontstaan mogelijkheden om te gaan werken aan verbetering van de kwaliteit van leven.

Het wordt tijd dat de opvangvoorzieningen in de steden daarvoor de handen ineen slaan. Het lef hebben om een grens te stellen. Van hun achilleshiel het sterke punt maken. Oftewel: zij moeten van de gemeenten (fors) meer budget vragen Met onder andere gemeenten en woningcorporaties moeten zij zich inspannen om samen voldoende woningen te realiseren. Waarbij ook alternatieve en laagdrempelige woonconcepten als tiny houses in ogenschouw genomen worden. De opvang wordt daarbij omgevormd tot ‘tijdelijke verblijfscentra met maximale leerkansen voor het individu’, waarbij individuele begeleiders de cliënt langdurig ‘volgen’. Goed opvang begint namelijk waar zij ophoudt: bij thuisgeven!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Schandalig – hoe durven wij!

schandalig.png

  • O oude dag, de vijand! Heb ik zoveel geleefd voor deze schande?

Ik ben niet gauw ‘over de rooie’, maar soms! Je zult 68jaar getrouwd zijn. Hij is 90 jaar en zij is 88 jaar. Ze mogen niet samen naar het verzorgingshuis! De een wel, maar de ander niet. Ze moeten uit elkaar.  Na 68 jaar onafscheidelijk te zijn geweest, dreigt voor hen een drama. ,,Wij worden straks als oud vuil aan de kant gezet.’’

Ze zitten vrijwel het hele gesprek hand in hand naast elkaar. Ze ogen rustig, maar dat blijkt schijn. Want als Hennie en Ineke aan hun laatste levensjaren denken, lopen de rillingen over de rug. Ze zijn 68 jaar getrouwd, hebben altijd bij elkaar geleefd, maar een drama dreigt. Want als alles tegenzit, woont Hennie straks gewoon in Bunnik, maar Ineke ergens anders. Dan worden ze door het huidige zorgsysteem alsnog uit elkaar gehaald.

Hennie wordt ’s nachts geregeld wakker en kan de slaap dan niet meer vatten. ,,Die vreselijke angst dat wij straks niet meer bij elkaar kunnen wonen, maakt mij geestelijk kapot. Maar zij kan niet meer bij mij blijven, want ik kan haar niet meer verzorgen. Als zij ’s nachts naar de wc moet, is er niemand die haar kan helpen. Terwijl zij heel slecht kan lopen.’’ Hartverscheurend is het.

Het is in strijd met het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Desondanks zorgt het nog regelmatig voor beroering. Ouderen die gedwongen gescheiden worden, omdat de zorginstelling volgens de indicatieregels alleen een van de partners mag  opnemen.

De afgelopen jaren is dit op grote schaal gebeurd, terwijl iedereen dacht dat deze situatie bij wet geregeld was. En ondanks alle commotie komt het ook in 2018 nog gewoon – en geregeld – voor.

Iedereen dacht dat het probleem van het scheiden van partners, van wie eentje moet worden opgenomen in een zorginstelling, was verholpen. In 2011 trok SP-kamerlid Renske Leijten over dit probleem aan de bel bij toenmalig staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Die bevestigde dat de aanspraak van partners in zo’n situatie niet wijzigt als zorgverzekeraars de AWBZ gaan uitvoeren.

In het besluit zorgaanspraken artikel 9 lid 3 is geregeld dat de partner van een persoon met een somatische of psychogeriatrisch aandoening of beperking die (op grond van zijn indicatie) in een instelling verblijft, tevens aanspraak heeft op verblijf in dezelfde instelling’, aldus de toenmalig staatssecretaris.

Waar een echtpaar niet samen in een verpleeg- of verzorgingshuis terecht kan, is dat verdrietig voor het echtpaar,’ zei Aad Koster, toenmalig directeur van branchevereniging ActiZ, in een uitzending van Een Vandaag op radio 1. ‘We hebben het echter niet over een groot maatschappelijk probleem, want de mogelijkheid om samen te wonen is er wel.” Prachtige volzinnen zijn het.. Alleen dit echtpaar kan op dit moment niet terecht in het verpleeghuis van hun keuze.

Het bericht over dit echtpaar dat na 68 jaar noodgedwongen uit elkaar moet, raakt veel mensen. Omdat het zo herkenbaar is. Natuurlijk, echtparen kunnen in ons land nooit worden verplicht om apart te gaan wonen., maar in de praktijk gaat het soms anders. Het voelt heel dichtbij,

Bij wet is het verboden. Beide partners mogen samen in het verpleeghuis wonen wanneer één van de twee daar een indicatie voor heeft. Echter, zo leer de praktijk, dat kan dat lang niet altijd.. Zo zou er niet voldoende ruimte zijn om plaats te bieden voor alle partners van zieke ouderen. Het bijschuiven van een extra bed, is niet altijd een optie.

Laat ik duidelijk stelling nemen: Hoe durven wij in dit land te spreken over ‘passende zorg’ als wij dit toelaten.  Partners mogen nooit noodgedwongen uit elkaar worden gehaald.

In de laatste levensfase is veel mogelijk: van ziektegericht doorbehandelen tot het einde van het leven, palliatieve zorg of zelfs het bespoedigen van het levenseinde door euthanasie. Maar een passend aanbod voor mensen die  – tot de laatste snik – samen oud willen worden kunnen wij niet organiseren? Ja, het vraagt om een brede blik van de zorgverlener, die oog zou moeten hebben voor behoeftes in deze. So what!

Gedoe van het treurige soort noem ik het. Laten we het anders doen. Allemaal. Het land wordt daar echt beter van, de mensen die het aangaat voorop.

Samen en gelukkig oud worden in het verpleeghuis, dat kan! Echt. Als wij meer ruimte maken voor het leven zelf, met invulbare en niet-invulbare verlangens, en voor betekenisvolle relaties en ontmoetingen. Dicht tegen elkaar aan kruipen of in elkaars armen slapen wanneer je partner in het verpleeghuis woont. Dat kan toch? Ja toch?

Wie daarop ‘nee’ durft te zeggen verdient een schandpaal. Want als we alles hebben verloren, inclusief hoop, wordt het leven een schande, en de dood een plicht.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.