Beroofd, gemarginaliseerd en genegeerd

mrs fang.png

  • Mrs. Frang

Een vrouw in een Chinees vissersdorp sterft aan de ziekte van Alzheimer. In een bescheiden kamer ergens in een dorp in Zuid-China ligt Fang Xiuying op haar sterfbed. Ze wordt omringd door het onverschillige geklets van familie en buren. Beroofd van al haar intellectuele vermogens door Alzheimer en haar fragiele lichaam wordt ze gemarginaliseerd en genegeerd. Alleen Wangs camera lijkt iets te geven om Xiuying.

Wang probeert haar onschuldige uitdrukkingen te traceren en te zoeken naar een spoor van menselijkheid. Hij produceert een beeld van de millenniumcultuur die door het kapitalisme wordt verslonden, waar geheugenverlies een algemene conditie is en de houding tegenover leven en dood radicaal is veranderd.

Filmmaker Wang Bing volgt in Mrs. Fang haar laatste levensfase in schier ondraaglijke, ongenadig objectieve shots. Zo shockerend dat doodgaan bijna banaal wordt. Heeft mevrouw Fang nog toestemming kunnen geven voor deze ontluisterende beelden? We weten het niet, zoals we hoegenaamd niets te weten komen over haar ogenschijnlijk betekenisloze leven. Huiveringwekkend.

Advertenties

Puberkwesties

blue my mind.png

Blue my mind

Mia kan het maar moeilijk bevatten maar het lijkt erop dat haar tenen langzaam maar zeker samengroeien. Het tienermeisje en haar ouders zijn recent verhuist naar een nieuw appartement in Zürich. Mia kan echter maar moeilijk overweg met haar ouders. Niet voor niets kiest ze op school vrienden uit die haar het grootste avontuur kunnen bieden. Wurgspelletjes, seks en drugs, Mia stort zich halsoverkop in dingen waarmee ze haar moed kan bewijzen om erbij te horen.

Het gaat dus niet helemaal goed met Mia. Ze is net verhuisd naar een nieuwe stad en kent niemand op haar nieuwe school. Haar ouders zijn als vreemden voor haar. Ze zoekt aansluiting bij het groepje coole meiden die hun dagen vullen met proletarisch winkelen, drank, drugs en feesten.

Maar er is meer met Mia aan de hand dan gewone puberkwesties. Ze drinkt zout water en verslindt de vissen uit haar moeders aquarium. Op de dag dat ze voor het eerst ongesteld wordt, ontdekt ze ook andere, vergaande veranderingen van haar lichaam – veel meer dan haar lief is. Met een dosis drank en drugs probeert ze dit te negeren en tegen te gaan, maar het onvermijdelijke voltrekt zich.

In Blue My Mind van de Zwitserse Lisa Brühlmann volgen we de 15-jarige puber Mia in haar zoektocht naar zichzelf, op een pad langs seks, drank, drugs en winkeldiefstal. Zulke coming-of-agefilms zijn inmiddels een bijna zelfstandig genre, maar deze gaat nog een stapje verder, want de lichamelijke en psychische metamorfose die Mia ondergaat, is wel heel erg overweldigend. Wat er precies met haar gebeurt, moet misschien maar beter in het midden blijven. Op papier klinkt het nogal ongeloofwaardig, maar dankzij de verder volstrekt realistische opzet van de film, werkt het merkwaardigerwijs heel goed.

De enorme wirwar aan gevoelens die komt kijken bij Mia’s metamorfose wordt ijzersterk in beeld gebracht door de jonge actrice Luna Wedler.

 

De valse oplossing is het echte probleem

probleem oplossing.png

  • We dromen van nieuwe, maar ontwaken op oude wegen

Steeds vaker realiseer ik mij, dat ik met goedbedoelde overwegingen meewerk aan het in stand houden van problemen. Door de verkeerde oplossing voor het goede probleem niet alleen mogelijk te maken, maar zelfs te omarmen. Elke keer als ik dat weer ontdek, troost ik mij Ik aan de worden van wijlen Johan Cruijff: “Je gaat het pas zien, als je het doorhebt.”

Soms hebben wij een wake-up call nodig om ons te realiseren dat wij veel werk maken van een oplossing voor een probleem, terwijl wij juist met die oplossing datzelfde probleem in stand houden dan wel mogelijk maken. De afgelopen week kreeg ik meerdere keren zo’n wake-up call.

Het begon in het weekeinde. Peter Dijkshoorn, kinder- en jeugdpsychiater en bestuurder van Accare (jeugd-GGz) reageerde op deze oproep: “Meer dan drieduizend gezinshuizen gezocht voor 10.000 kinderen”.

In de jeugdwet uit 2015 staat dat kinderen die niet meer thuis kunnen wonen bij voorkeur in een pleeggezin of in een gezinshuis moeten worden geplaatst. Nederland telt momenteel zo’n 750 gezinshuizen waarin bijna 2600 kinderen wonen. Daarnaast wonen er zo’n tienduizend kinderen in residentiële instellingen en 1700 in de gesloten jeugdzorg. Kunnen die allemaal naar pleeggezinnen en gezinshuizen zoals de wet voorstaat? “We kunnen het proberen, met geld van VWS en de VNG,” zo meldt het artikel. “Het is een illusie te denken dat we dit snel voor elkaar krijgen, maar we kunnen het wel proberen. Daarvoor is geld nodig om samen met de zorginstellingen de transitie van residentiële instellingen naar gezinsgerichte vormen van begeleiding mogelijk te maken, waaronder bijvoorbeeld ook kleinschalige voorzieningen zoals Spirit, Jeugdformaat en Fier die bijvoorbeeld hebben.”

Peter’s reactie was ontnuchterend: “Mooi, gezinshuizen, maar waarom niet fors investeren in onderzoek om het aantal uithuisplaatsingen minstens te halveren? Dat is haalbaar, beter voor kinderen en ook weer voor hún kinderen.”

Aan het einde van de week had ik een gesprek met een bestuurder van een organisatie voor de opvang van daders en slachtoffers van huiselijk geweld. Ook in dat gesprek kwam zo’n verwondering naar voren. “Waarom,” zo vroeg mijn gesprekspartner zich af, “realiseren wij voor dak- en thuislozen wel de eerste en tijdelijke opvang, maar niet de structurele huisvesting en participatie die wij beogen? Waarom richten wij – als vangnet – wel het bijstandsloket in, maar verzuimen wij ieder mens de kans te geven daadwerkelijk te participeren. Terwijl wij dat wel prediken!”

Natuurlijk, de verkeerde oplossing voor het goede probleem is te preferen boven een goede oplossing voor het verkeerde probleem. Maar tegelijkertijd moeten wij ons wellicht vaker realiseren dat veel van onze doen en laten eerder een maatregel ter beheersing dan een oplossing van het probleem is. Daarmee reduceren wij wellicht de impact van een probleem op ons leven of de samenleving, maar wij nemen niet de oorzaak ervan weg. En zo dijen de kosten tot levensbedreigende obesitas voor ons stelsel.

Veel organisaties binnen welzijn en zorg hebben in hun doelstelling staan dat – in finale zin – hun inspanningen er op gericht zijn zich overbodig te maken. Het zijn niet zelden ronkende teksten, die verschrikkelijk mooi klinken. De harde werkelijkheid is dat diezelfde organisaties hun bijdrage meestal vertalen of vertaald hebben naar een businessmodel dat vervolgens in stand gehouden moet worden. Omdat juist dat probleem – in combinatie met die oplossing – ons bestaansrecht en betekenis geeft.

Ons zorgsysteem is te duur, te log en te star. Het staat op het punt te imploderen. Daarom dromen wij van nieuwe wegen. Maar wij blijven wakker worden op de oude weg.

Als wij onze zorg voor elkaar en de samenleving daadwerkelijk anders willen regelen en inrichten, dan zullen wij moeten stoppen met het symptoom bestrijden. Dan zullen wij, zoals Peter en mijn gesprekspartner deze week, de bereidheid moeten hebben fundamentele vragen te stellen bij ons doen en laten. Dan moeten wij werk durven maken van het wegnemen van de oorzaken van een probleem. Ook, als dat uiteindelijke onze business om zeep helpt.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Thuis is waaruit je begint

daklozen.png

  • Wij zijn als rozenkwekers die zich meer met de bladluis bezig houden dan met de rozen zelf.

Het aantal dak- en thuislozen in Nederland stijgt fors. Sinds twee jaar is het totaal aantal dak- en thuislozen gestegen tot 31.000, terwijl er ook er weer duizenden daklozen in de steden buiten slapen. Meer dan de helft daarvan vindt plaats in de grote steden. En dat, ondanks de vele en forse investeringen in maatschappelijke opvang. De oorzaak van dat alles? Wij bestrijden de symptomen, maar nemen de oorzaken niet weg!

Dak- en thuisloosheid is een proces van ontankeren. Van verlies of afwezigheid van sociale netwerken. Dit ontankeren situeert zich zowel op het macroniveau (de samenleving met haar structuren, sociale bescherming, waarden, normen), het mesoniveau (met allerhande instituties, informele en formele sociale netwerken) en het microniveau (de individuele problematiek en/of de relationele problematiek met naasten).

Dak- en thuisloosheid is dus niet de oorzaak van een probleem, maar – net als armoede – het gevolg van sociale uitsluiting op het macro niveau (de samenleving en haar structuren), het meso-niveau (instituties, formele en informele netwerken) en het micro-niveau (de individuele problematiek).

Wat wij doen – met de beste bedoelingen – is dak- en thuisloosheid als symptoom  bestrijden. Zo leert ook de ervaring: Na de actie ‘Niemand Op Straat’ (3013) waren er in Nederland vrijwel geen daklozen meer te vinden. Buiten!  Het probleem leek opgelost. Maar ondertussen zaten er wel 24.000 mensen bij opvanginstanties. En daar wringt de schoen! Wij  bleven en blijven steken in goedbedoelde symptoombestrijding. In reductie van overlast. De maatschappelijke opvang – van residentiële opvangcentra tot doorgangshuizen is door het beleid in hetzelfde bedje ziek.

Met de gangbare ‘technische’ benadering van dak- en thuisloosheid lossen wij het probleem niet structureel op. Sterker nog: de huidige werkwijze houdt het probleem in stand! Zij zorgt zeven dagen per week voor een bed, een douche, een boterham, soep en koffie aan ieder die zich er komt aanmelden. Zij biedt voor korte of langere – maar altijd beperkte – tijd opvang, waar ook nog meer of minder voorwaarden aan verbonden worden (zoals het volgen van  begeleiding of therapie, geen drugs, het niet overtreden van bepaalde reglementen…). Bovendien moet de dak- en thuisloze ook nog eens passen binnen de afgesproken definitie. Zo faciliteren wij het symptoom wat wij bestrijden willen.

In de loop der jaren werden daarbij al heel wat definities gehanteerd: hobo’s, landlopers, daklozen, thuislozen, zwervers, clochards. Deze definities komen niet zomaar uit de lucht vallen. Nee, ze passen in een bepaalde tijdsgeest. Ze verwijzen naar de wijze waarop de maatschappij naar de dak- en thuislozen kijkt. Bovendien impliceert de definitie ook welke categorieën wel of niet welke soort hulp mag verwachten. Voor de ene groep geldt een wettelijke verplichting tot het verlenen van onderdak; voor de andere groep geldt die verplichting niet. Zo onderscheiden wij sedert kort binnen de groep van dak- en thuislozen de groep van ‘pechmannen’. Pechmannen zijn de nieuwe daklozen. Ze zijn niet verslaafd of psychotisch, maar wonen wel op straat. Vaak gewoon door geldproblemen. Deze ‘nieuwe daklozen’ zouden zich eigenlijk best kunnen redden, als snel hulp wordt geboden. Maar juist door hun betrekkelijke zelfredzaamheid komen zij voor die hulp niet in aanmerking. Het moet eerst uit de hand lopen voor wij het op orde willen brengen.

Dit alles reduceert de professionele werkers tot uitvoerders van richtlijnen en kaders; zonder ruimte voor structureel perspectief. Voor professionals met een missie is dat –  meer dan frustrerend – ziekmakend.

Laten wij daarom kritisch blijven nadenken over de zin en onzin van dak- en thuislozenzorg en de functie van de maatschappelijke opvang hierin. Wij mogen ons doen en laten niet enkel verantwoorden door naar wettelijke kaders, richtlijnen en wat dies meer zij te verwijzen. Bij ons ingrijpen dienen wij af te wegen welke bijdrage dat levert aan het in staat stellen van individuen een menswaardig bestaan op te bouwen.

Een fatsoenlijke samenleving wil zich geen dak- en thuisloosheid permitteren. Daarom ook moesten en moeten zij van de straat af. Dus bieden wij opvang. Veel dak- en thuislozen circuleren zo en daardoor in het opvangcircuit; terwijl ze daar niet thuishoren. Want ieder mens heeft behoefte aan een veilige plek waar hij of zij zich thuis kan voelen. De meeste mensen vinden die plek in hun directe omgeving, bij hun partner, in het gezin of de familie, of binnen een ander sociaal netwerk. Maar er zijn – en helaas in toenemende mate – steeds nog mensen, zeker binnen de anonimiteit van de grote steden, die dit moeten ontberen. Mensen voor wie de samenleving te complex is. Die zonder een steuntje in de rug of ‘een gegeven kontje’ uitvallen en op straat of – in het gunstigste geval – de maatschappelijke opvang terecht komen.

Als de finaliteit van die opvang is, om mensen kortdurend op te vangen en de praktijk toont aan dat een grote groep langer dan drie jaar begeleiding nodig heeft, dan klopt er dus iets niet.

Dak- en thuislozen blijven kleven aan opvangvormen en stromen niet door als bijvoorbeeld de woonmarkt, participatie en armoedebestrijding onder de radar blijven. En dus moeten wij een fundamentele omslag maken. Moeten wij de verdoezelende cirkel van de maatschappelijke opvang doorbreken. Met  frisse kop en out-of-the-box zoeken naar beloftevolle alternatieven. Het mag immers niet stoppen bij dak- en thuislozen die geen overlast veroorzaken. Dat is ‘slechts’ het begin. De volgende stap is het fundamenteel aanpakken van en inhaken op de meest basale behoeften van elk mens: veiligheid, onderdak, relaties, waardering, zelfrespect en erkenning en zelfverwerkelijking. Ten onrechte blijven zij onderbelicht. En dat zet meteen ook een meer structurele en duurzame aanpak op losse schroeven.

De woonmarkt plooien naar de noden van kwetsbare mensen, is een specialisatie binnen de maatschappelijke opvang die binnen het huidige beleid nog teveel dode letter blijft. Ze stopt bij de discussie of die specialisatie de welzijns- dan wel de woonsector toebehoort.

“Niemand op straat’ vraagt om een nieuw model dat de afbouw van residentiële opvangvormen mogelijk maakt. Door te investeren in nieuwe woonvormen voor dak- en thuislozen. Eerst gewoon een huis dus; zo snel als mogelijk. Dat betekent dat zij toegang moeten krijgen tot reguliere en duurzame huisvesting. Een eigen plekje (huisvesting) is de eerste stap in de aanpak van thuis- en dakloosheid.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Romijn, slim op zijn eigen wijze

romijn.png

  • De zeventienjarige Lotte maakte een documentaire over haar autistische en zwakbegaafde broertje Romijn

Lotte wil graag dat de rest van de wereld kennismaakt met haar broertje Romijn zoals zij hem ziet: een autistische en zwakbegaafde jongen van 12, maar ook een heel bijzonder jongetje. En zeker niet dom, want hij kan zoveel meer. “Het is jammer, en eigenlijk ook niet eerlijk, dat hij allerlei labels opgeplakt krijgt.”

Hoe dat voor haar is, een broertje als Romijn, vindt ze moeilijk om zo 1, 2, 3 uitleggen. Het is immers haar enige broertje, dus ze weet niet beter. “Ik was zes toen hij werd geboren, en acht toen de diagnose autisme werd gesteld. Voor mij is Romijn dan ook gewoon zoals hij is. Een ontzettend lief en slim jongetje. Maar ook een jongetje dat bijvoorbeeld niet goed kan omgaan met veranderingen. Als we boodschappen gaan doen dan vertellen we hem van te voren naar welke winkels we gaan. Romijn denk dan heel rechtlijnig: stad, supermarkt, drogist, naar huis. Als we dan toch nog even naar een andere winkel willen dan is dat verwarrend voor hem en wil hij het niet.”

En nee, dat vindt ze niet lastig. Ze is wel gewend hoe het bij Romijn werkt. “Je kunt denken: jammer dat we niet iets spontaan kunnen doen, maar je kunt ook denken: stick to the plan. En soms kunnen we hem overhalen met snoep. Hij is dol op lolly’s, dus als we hem er een beloven dan wil hij toch nog wel even met ons iets doen wat we van te voren niet hadden afgesproken.”

Het plan om een documentaire over haar broertje te maken ontstond begin 2017 toen ze voor een filmfestival in haar woonplaats een klein filmpje over hem maakte. “Het was eigenlijk een soort trailer geworden, en het inspireerde me om meer te  filmen. Om mijn verhaal over hem te vertellen, wie hij is, en waarom hij doet zoals hij doet. Ik ben onder meer met hem mee naar school geweest en heb zijn juffen geïnterviewd, maar ook mijn ouders en een expert op het gebied van autisme. Ik wilde een compleet beeld geven van Romijn.”

Ze vindt het belangrijk dat mensen ook de andere kant van haar broertje zien. “De maatschappij heeft een label op hem geplakt: jij bent autist. Punt. En ik vind het niet eerlijk als hij alleen op die manier bekend staat, als een dom en retarded jongetje. Romijn is slim op zijn eigen manier. Hij kan dingen niet die wij wel kunnen, maar kan op zijn beurt weer dingen die wij niet kunnen. Hij kan bijvoorbeeld ontzettend goed onthouden. Elke video die hij op YouTube ziet kan hij na een keer woord voor woord meepraten. En de eerste keer dat hij het alfabet opnoemde deed hij dat achterstevoren. Autisme is echt niet alleen maar negatief. Romijn is slim op zijn manier.”

Dat het soms ook lastig is, ontkent Lotte niet. Als ze met haar ouders iets wil doen moeten ze zich altijd afvragen: als we dit doen, kan Romijn dat dan? Kan hij het aan? Zoiets als wintersport is voor een kind als Romijn teveel. Terwijl Lotte dat best wel graag wil doen. En met haar ouders drie weken backpacken zit er ook niet in. “Daar kun je heel lang boos om zijn, of je denkt: ik doe dat later wel. Ik heb gekozen voor dat laatste.

Hoewel het altijd om haar broertje draait zou ze hem voor geen goud willen ruilen. En laten we vooral niet vergeten dat zo’n broertje ook voordelen heeft. “Hij is twaalf, dus een puber. Maar mentaal is hij ongeveer vier jaar.  Ik heb dus niet zo’n irritant puberbroertje. Dat is echt een groot voordeel, hoor.”

Volg de facebookpagina van Romijn, de documentaire voor de laatste informatie.

Als dingen fout lopen, loop dan niet met ze mee

fout lopen.png

  • De echte meesters komen binnen langs de achterdeur

“5 redenen waarom het inkoopcircus bij de jeugdzorg in Twente niet werkt”, kopte het Algemeen Dagblad op 9 december boven een artikel van Josien Kodde. “De jeugdzorg in Twente is geen ‘markt’. De sector moet worden verlost van het systeem van de jaarlijkse aanbestedingen. Dat vinden grote zorgaanbieders als Ambiq, Jarabee en Tactus.” Met deze aanbieders ben ik van mening dat lieden van geest een einde moeten maken aan dit circus van  onnozelen.

De jeugdzorg, tot 2015 gesubsidieerd door de provincies, kreeg sedert de decentralisaties te maken met marktwerking en aanbesteden. Met de decentralisaties werd daarmee een inkoopcircus ingevoerd dat weinig goeds brengt.  Zo vinden niet alleen de hulpverleners die ermee moeten werken, maar ook bijvoorbeeld partijen in de Tweede Kamer. Ook Kamerleden willen inmiddels dat gemeenten jeugdhulp kunnen inkopen zónder Europese aanbesteding. Zo  bleek uit het Algemeen Overleg Jeugdhulp in de Tweede Kamer op 23 februari 2017. Verschillende fracties vroegen toenmalig Staatssecretaris Van Rijn om te kijken naar alternatieven voor de zorginkoop.

Veel gemeenten hebben namelijk grote moeite met het inkopen van Jeugdzorg en de Tweede Kamer vreest – wat mij betreft terecht – dat er sprake is van doorgeslagen marktdenken. Natuurlijk moeten instellingen een gelijke kans krijgen voor een opdracht, maar de aanbestedingen lijken nu vooral – zo niet uitsluitend – gericht te zijn op de laagste prijs. Met desastreuze gevolgen voor de kwaliteit en continuïteit van zorg.

De aanbesteding van jeugdhulp voor 2018 in inmiddels in steeds meer regio’s uitgelopen op een worsteling. Zo leert ook berichtgeving in onder andere Binnenlands Bestuur en NRC. Verschillende jeugdhulpaanbieders hebben zich teruggetrokken of aangekondigd zich terug te trekken uit aanbestedingsrondes (William Schrikker Groep, Leger des Heils. Pluryn) in een of meerdere regio’s. In plaats van gesprekken over samenwerking en vernieuwing van de zorg, stokt de dialoog tijdens de aanbestedingsperiode en wordt noodzakelijke samenwerking bemoeilijkt. Op sommige plaatsen heeft de rechter de strijdende partijen al opnieuw rond de tafel moeten zetten.

De aanbestedingen zijn zo tot bureaucratisch gedrocht en juridisch steekspel verworden. Goed voor heel veel werkgelegenheid, dat wel. Maar ook voor een kostenpost die vak direct ten laste komt van voor uitvoerende zorg bestemde gelden.

De huidige minister van VWS, Hugo de Jonge, sloeg als wethouder in Rotterdam ook al alarm over de aanbestedingen in het sociale domein. Zijn ambitie ging destijds veel verder en Jeugdzorg Nederland deelt die terechte ambitie.

Wie nu (nog) roept “Er zijn Europese regels waarin staat wanneer je wel of niet moet aanbesteden. Daarin staat ook wanneer er een verlicht regime van toepassing is,” kent de mogelijkheden van de wet- en regelgeving onvoldoende. Er is – veel minder dan gedacht en uitgedragen – helemaal geen noodzaak tot het aanbesteden van jeugdzorg. Die ‘noodzaak’ is er alleen als je dat perse zo wilt uitleggen. Wie echter goed kijkt, leest en oordeelt, weet dat ook het opdragen van jeugdzorg op basis van subsidie tot de mogelijkheden behoort. Zo leerde ook mijn werkpraktijk in de gemeente Wijchen. Die gemeente subsidieert vanaf 1 januari 2018 de coöperatie Rondom Wijchen; een samenwerkingsverband van zo’n 60 aanbieders van welzijn en zorg. Vanuit de vaste overtuiging dat aanbesteden geen ander doel dient dat de race naar de laagste prijs. Maar ook, omdat het de zo gewenste en noodzakelijke samenwerking frustreert en meerjaren investeringen eerder belemmert dan stimuleert. Bovendien is een aanbestedingsprocedure duur en tijdrovend. Bovendien zijn gezonde prikkels tot marktwerking ook op subsidiegrondslag heel goed te incorporeren.

Afstappen van aanbestedingen is volgens mij op dit moment dus niet alleen inhoudelijke zwaar gewenst, maar ook wettelijk gezien mogelijk. Het inkoopsysteem kan daarmee een stuk eenvoudiger, aangenamer en minder kostbaar. Maar, zoals het wel vaker geschiedt: Voor de echte meester wordt de rode loper niet uitgerold. Zij komen binnen langs de achterdeur.

Bij dat alles wil ik ook een nadrukkelijk pleidooi houden om de onderhandelingen over redelijke kostprijzen voor diensten en producten binnen de zorg te centraliseren. Waarom zo moeilijk doen als het samen kan. Centralisatie van de onderhandelingen over tarieven zal naar mijn mening bijdragen aan de gewenste en noodzakelijke inhoudelijke decentralisatie. Als het geld duidelijk en geregeld is, kan en zal het bij het gesprek op decentraal niveau niet meer over de prijs gaan, maar over de beste en meest effectieve organisatie en slimme uitvoering van ondersteuning en zorg voor inwoners. Gesprekken gaan dan weer over kwaliteit, presentie en betekenis voor de mensen en wie voor hetzelfde geld beter bieden kan! Dat zijn pas echter pikkels voor passende zorg; op tijd en op de maat van mensen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Spiegeltje, spiegeltje aan de wand

blaming.png

  • De slachtoffers van zich zelven geven altijd aan anderen de schuld

Minister Hugo de Jonge vindt de vernieuwing van de jeugdhulp onvoldoende geslaagd. Deze is, zo zegt hij, sinds de decentralisatie onvoldoende van de grond gekomen. Op kleinere schaal zette ook de Nijmeegse Wethouder Bert Frings (GroenLinks) zijn kanttekeningen. Hij zei teleurgesteld te zijn in de kwaliteit van de aanbieders. Tegelijkertijd heeft hun ‘klagen’ iets van slachtoffers die anderen de schuld geven van het eigen tekortschieten.

De transformatie van jeugdhulp verloopt moeizaam. Dat is waar. De oorzaak daarvan ligt niet aan het tekortschieten van de een of de ander. Het buizen is een collectieve verantwoordelijkheid.  Ieder voor zich strijdt als Joris met de Draak met een veelkoppig monster in verschillende gedaanten. Een monster bovendien dat al veel langer ons doen en laten beheerst.

Zo is er de kop ‘Samenwerking’. Samenwerking is belangrijk; zingen wij in koor. Niet alleen binnen de zorg, maar ook met welzijn, jeugd- en jongerenwerk, onderwijs en justitie. Waar wij echter samenwerking prediken, zaaien wij verdeeldheid. In de zucht naar kostenreductie bijvoorbeeld, kiest menige overheid als basis voor de inkoop en contractering voor het instrument van aanbesteding. Aanbieders die enerzijds als partners worden aangesproken, worden daarmee anderzijds als concurrenten tegenover elkaar gesteld.  Terwijl juist de manier waarop partijen in de sector samenwerken van groot belang is; het is en blijft de slagader van succes.

Om daartoe te komen zullen partijen het gesprek aan moeten gaan over het verdienmodel, de doelstellingen en de procesinrichting. Zonder helderheid hierover zal de slagader dichtslibben (miscommunicatie, verspillingen), waardoor het succes uitblijft, of erger….Ik denk dat overheden, aanbieders en inwoners de uitdagingen in de jeugdhulp alleen aankunnen als zij op een wezenlijk andere manier gaan (samen)werken. Simpel gezegd: “Het loont om goed samen te werken!

En dat brengt ons bij de volgende kop: “Vertrouwen”. Dat blijkt nog ver te zoeken. Zo is eigenlijk door de gehele sector en op alle niveaus waarneembaar. Marktwerking en concurrentie werken door in de verhoudingen. De mogelijkheden tot samenwerking nemen daardoor eerder af dan toe, terwijl dit juist belangrijk is in de zorgketens van tegenwoordig. Herstel van het vertrouwen is van groot belang. Ook omdat zij aan de basis ligt van de – voor het denken en doen op eigen kracht denken noodzakelijke – professionele autonomie.

Het vaak zeer opportunistische gedrag van alle betrokkenen vraagt hierbij aandacht. Alles moet kunnen voor de cliënten, alles moet uit de kast gehaald worden, maar er moeten ook financiële doelstellingen worden gehaald. Aanbieders van hun kant hebben de mond vol van de menselijke maat, maar de oplossingen moeten wel binnen hun productenportfolio passen. Het gevolg is een soort van polderoverleg, waarbij zowel de kool als de geit wordt gespaard. Om te overleven probeert iedereen dat spel te beheersen. Het gaat dan vaak niet meer om de beste oplossingen aan te dragen, maar om de slag in de arena te winnen.

Naast de koppen ‘samenwerking’ en ‘vertrouwen’ worden met grote regelmaat de andere koppen van het monster als schaamlap voor het wederzijds falen op tafel gelegd:

  • ‘Bureaucratie’: Iedereen wil ervan af en toch wordt het steeds erger. Elk nieuw kabinet belooft dat er gehakt gaat worden in de regels, maar niemand die er iets van merkt. Inmiddels is zelfs het meten en bestrijden van bureaucratie een bureaucratisch proces geworden!
  • ‘Privacy’: Het lijkt een schaamlap voor hulpverleners die niet hebben gedaan wat ze moeten doen; die zich niet door anderen in de kaarten willen laten kijken en zich dan op privacy beroepen.

De meest ingewikkelde kop is echter die van ‘transformatie’. Mogelijk, omdat deze kop zich veelal in de nevelen van verlegen onvermogen hult.

Je hoort het steeds meer: we leven in een transformatie-wereld. Met daarin een glansrol voor het fenomeen ‘eigen kracht’. Transformatie lijkt daarvoor te zijn uitgevonden. Alles moet anders. En goedkoper. ‘Zelf de regie pakken’, dat is ons antwoord op de bezuinigingen in het sociale domein. Teveel naar mijn smaak is transformatie daarmee verworden tot een instrumentele aanpak. Met de focus op vorm in plaats van attitude. Het gevolg is een cocktail van beweeglijkheid, onzekerheid, complexiteit en meerduidigheid, binnen en buiten onze organisaties. Wat weer op gespannen voet staat met een ongebreidelde (en toenemende) behoefte aan voorspelbaarheid en controle.

Alle betrokken partijen – overheden, aanbieders, professionals en inwoners – hebben een gerechtvaardigd belang bij de transformatie van de jeugdhulp. Elk van hen echter heeft ook een eigen perspectief op de aard, inhoud en het gewicht daarvan. Dat snapt iedereen. Maar leg dat eens aan elkaar uit en ga er minimaal over in gesprek.

Transformatie namelijk is, meer dan wij misschien wel willen, een zaak van verhoudingen. Jegens elkaar, jegens problemen, uitdagingen en de belangen die daarbij in het geding zijn. Als wij de transformatie tot een succes willen maken, vraagt dat daarom eerst en vooral om een dialoog over de belangen. Die moet je als partijen helder en transparant maken. En, als ze dat zijn, vraag dan eens aan elkaar hoe of, en hoe, die belangen samen gewaardeerd en geprioriteerd kunnen of moeten worden. Helaas gebeurt dat nu niet (overal). Er wordt niet – en in ieder geval te weinig openlijk – gesproken over onderlinge belangen. Liever immers geven wij anderen de schuld van het tekortschieten.

Heb ik vertrouwen in de toekomst? Jazeker! Omdat uiteindelijk iedereen hetzelfde belang dient: het belang van de inwoners van ons land. Maar het zal veel tijd, geld en energie kosten om dat uiteindelijk samen te realiseren.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.