Ik blijf het zeggen

ik blijf het zeggen.png

  • Geld is niet ons grootste probleem, gebrek aan transformatie wel

De VNG is met het Rijk in gesprek over de tekorten in het Sociaal Domein. Eind april neemt het kabinet een besluit over de voorjaarsnota. Voor gemeenten gaat het daarbij vooral om de thema’s jeugdhulp, Hoofdlijnen Akkoord Geestelijke Gezondheidszorg en de Wet Verplichte geestelijke gezondheidszorg. De discussie lijkt zich vooral toe te spitsen op de financiële tekorten bij gemeenten. Ik ontken het bestaan daarvan niet. Tegelijkertijd blijf ik zeggen: geld is niet ons grootste probleem. Het werkelijke probleem is gebrek aan transformatie.

Het kabinet heeft aangegeven onafhankelijk onderzoek te doen naar de jeugdhulp en eventuele volumegroei. Dat onderzoek is inmiddels in concept afgerond en er blijkt inderdaad sprake van een flinke volumegroei in de jeugdhulp. De VNG heeft daarop bij VWS aangedrongen op een adequate financiële compensatie hiervoor door het kabinet.

De volumegroei mag niet verbazen. Gemeenten zitten dichter op de huis van de inwoners. Daardoor zien zij niet alleen meer, inwoners spreken de gemeenten ook sneller aan op ondersteuning. Bij jeugd speelt daarbij ook nog eens het niet van de grond komen van Passend Onderwijs. Sterker nog: sneller en meer dan ooit verwijst het onderwijs voor zaken die eigenlijk hun verantwoordelijkheid zijn naar de gemeenten.

Waar wij met zijn allen niet, of in ieder geval niet voldoende, in slagen is het aanbieden van de juiste ondersteuning op de juiste plaats. Dat is ook de essentie van het Hoofdlijnenakkoord GGZ: de juiste zorg op de juiste plek organiseren. Onderdeel daarvan is meer mensen uit de instellingen, en meer zorg en ondersteuning thuis en in de wijk (ambulantisering). Daar heeft het sociaal domein een belangrijke rol. Natuurlijk, daar moeten middelen voor beschikbaar zijn. Ook hier echter is geld niet het grootste probleem. Het grootste probleem is onze samenleving. Of juister misschien: het gebrek aan een samenleving.

Ik haal de legendarische, vaak aangehaalde quote van Margaret Thatcher over dit onderwerp graag nog eens in onze herinnering. Want weet u, er is er lijkt steeds minder sprake van ‘de samenleving’. Er zijn individuele inwoners; jongens, meisjes, mannen en vrouwen, en er zijn gezinnen. En wij kunnen als hulpverleners niets doen zonder hulp van deze mensen. Mensen die allereerst naar zichzelf moeten kijken. Maar wij mensen denken steeds meer en veel te veel in rechten. Rechten zonder plichten.

Een van de belangrijkste beloften van de decentralisaties van het sociaal domein is democratisering. Maar dat lijken wij vergeten Dat met de decentralisaties ook een fundamenteel ander, meer democratische verhouding tussen inwoners en overheid in het sociaal domein wordt beoogd. Met decentralisaties wordt beleid over lokale problemen als zorg, welzijn en re-integratie lokaal gemaakt. Meer in het algemeen verplicht de inzet op eigen kracht tot het vinden van maximaal lokaal draagvlak, tot maximale transparantie van het gemeentelijk beleid, en tot verantwoording op het lokale niveau. Het gaat immers om de directe leefomgeving van mensen.

Maar dat is niet alles. De ambities van de decentralisaties reiken verder. Ten eerste moet decentralisatie niet alleen betrekking hebben op beleidsvorming, zoals vaak het geval is, maar ook op de uitvoering zelf: op de verhouding tussen de gemeenteraad en de organisaties die het beleid uitvoeren, de daarin werkende professionals en de inwoners voor wie het beleid bedoeld is. Instellingen en professionals zouden ‘meer ruimte’ moeten krijgen om lokaal maatwerk te leveren, minder gehinderd door dictaten van bovenaf uit Den Haag of de gemeente, en met veel minder verticale, bureaucratische verantwoording. In plaats daarvan zou er ‘horizontale verantwoording’ komen, tussen betrokkenen onderling.

Ten tweede was er de hoop en verwachting dat er een nieuwe verhouding tussen inwoners en overheid zou ontstaan. Een verhouding waarbij niet langer de overheid het beleid bepaalt en inwoners kunnen meepraten, maar het omgekeerde.

Dat alles is er tot op heden onvoldoende van gekomen. Het is nog steeds ieder voor zich. En dat geldt voor overheden, organisaties en inwoners. Het idee dat je een zekere verantwoordelijkheid hebt voor elkaar, leidt vooral tot et naar elkaar wijzen. Het is niet de taak van de overheid, noch van organisaties of individuele inwoners om te zorgen voor zieken, zwakken of minderbedeelden. Dat moeten wij samen doen.

Ja, ik hekel dus het afwentelen van verantwoordelijkheid. Net zoals ik het voortdurend vragen om meer geld voor zorg hekel. Omdat meer geld de problemen niet zal doen afnemen. Integendeel. Wij moeten als samenleving meer onze eigen broek ophouden, en elkaar onderling helpen, en niet bij elke klacht of tegenslag aankloppen bij de overheid. Het is onze plicht om voor onszelf te zorgen en dan ook te helpen om voor onze buren te zorgen. Leven is een wederkerige zaak, De kwaliteit van ons leven hangt af van de vraag in hoeverre we die verantwoordelijkheid durven te nemen en, ieder van ons, bereid zijn om anderen te helpen die minder geluk hebben. Als de grote meerderheid dat doet, kun wij ook uit de voeten met gevallen waarin het mis gaat – en er gaan dingen mis.

De discussie over het geld – of de tekorten, zo u wilt, leidt af van de echte uitdagingen;

  1. Een fundamentele discussie over het begrip ‘eigen verantwoordelijkheid’.
  2. De échte kanteling (of transformatie). Deze heeft in de meeste gemeenten nog niet plaatsgevonden. Wat opvalt is dat bijna iedere gemeente nog steeds bezig is met het zoeken naar de beste aanpak. Dat bestuurders, beleidsmakers, leidinggevenden en professionals daarbij vooral aanlopen tegen de weerbarstigheid van de processen in hun eigen organisatie. Mede daardoor worden gemeenten geconfronteerd met forse financiële tekorten. Daarmee komt de beschikbaarheid van zorg en ondersteuning voor mensen die dit nodig hebben in gevaar en dreigen wachtlijsten te ontstaan.
  3. Het primaat voor besluitvorming in het sociale domein. De gemeente staat nog steeds boven, in plaats van naast inwoners als het gaat om primaat van de besluitvorming.
  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

 

 

Advertenties

Omstanders

  • Autobiografie van een buurt

de omstanders

Een zonnige jeugd in een hechte ingenieursbuurt, dertig jaar carrière en een harmonieus gezinsleven: Rinie heeft haar leven en dat van haar naasten stevig onder controle. Tot een achteropaanrijding en verlies van huwelijk en werk roet in het eten gooien. Een nachtmerrie verdringt de zon uit de mooie jeugdherinneringen. Dan valt een envelop op de deurmat met de uitnodiging voor een buurtreünie.

Als vrolijke verhalen over hutten bouwen, bomen klimmen en fikkie stoken over elkaar heen buitelen, legt Rinie een vraag in de schaal met borrelhapjes: ‘Alle soorten kindermishandeling kwamen voor in mijn gezin. Waarom kon ik bij niemand terecht?’

Ze blijkt niet de enige en wordt op pad gestuurd om een boek te schrijven over de buurt. Ze interviewt vijftig bewoners en betrokkenen: daders, slachtoffers en omstanders, en vindt vele antwoorden op haar vraag. Lang verborgen geheimen achter ieders voordeur leggen gaandeweg de hare bloot.

Ze beschrijft hoe de kinderen overleefden – hoewel niet allemaal. Ze legt verbanden met de jeugdtrauma’s van de ouders, de in zichzelf gekeerde periode van wederopbouw en de explosie van de jaren zestig. Ten slotte ontdekt ze hoe omstanders die horen en zien, maar toch zwijgen, kindermishandeling in stand houden.

Geen dekmantel zonder omstanders.

Mens, durf te delen!

delen.png

  • De wet toont ons de kaders, ons doen raakt de bedoeling

Professionals binnen het sociaal domein moeten meer ruimte, tijd en middelen krijgen om iedereen mee te laten doen in de maatschappij. ‘Om zelf in te kunnen schatten wat nodig is, om maatwerk te kunnen leveren en dat samen te doen met de mensen voor wie ze er zijn.’ Dat concluderen de Nationale- en Kinderombudsman in hun gezamenlijke jaarverslag over 2018. Ik onderschrijf de hartenkreet en waarschuw voor de valkuilen.

Duizenden professionals zetten zich elke dag in om mensen van dienst te zijn. Ondanks deze inzet en goede wil gaat het toch vaak mis. Protocollen en procedures staan goede dienstverlening in de weg. Vaak ook, omdat het delen van informatie tussen hulpverlenende instanties te weinig gebeurt. Uit angst voor de AVG (Algemene Verordening Gegevensverwerking) of de tucht. Ook dat concluderen de ombudsmannen.

En dan is daar de datalek van het voormalige Bureau Jeugdzorg Utrecht. Door een fout bij het voormalig Bureau Jeugdzorg Utrecht zijn de dossiers van duizenden kwetsbare kinderen gelekt. Met paniek en kramp in het systeem als gevolg. Mijn reactie daarop? Actie is geëigend, maar paniek is volstrekt overbodig en misplaatst.

De problemen bij het (voormalige) Bureau Jeugdzorg Utrecht zijn van een heel andere orde: hier gaat het om een technische oorzaak, waardoor vertrouwelijke informatie ten onrechte toegankelijk is geworden. Bureau Jeugdzorg veranderde in 2015 zijn naam in Samen Veilig Midden-Nederland (SAVE). De oude website van Jeugdzorg Utrecht ging drie jaar later offline en zou normaal gesproken beveiligd worden afgesloten om misbruik te voorkomen. Maar dat gebeurde niet: de organisatie verlengde de domeinnaam van de website niet, dat zo’n 10 euro per jaar kost. Daardoor kon iedereen de website overnemen. Stom.

De ombudsmannen hebben het over een geheel ander probleem: doelmatige informatiedeling. Het delen van informatie tussen hulpverlenende instanties en professionals gebeurt nog te weinig. Dat ervaar ook ik nog dagelijks.

Dat is niet alleen zonde, maar het is een gotspe, want daardoor gebeuren er nog steeds calamiteiten die voorkomen kunnen worden als hulpverleners informatie zouden uitwisselen.

De angst voor de gevolgen regeert. Niet zelden aangewakkerd door een legertje van honderden nieuwbakken AVG-consultants. Of, als die angst er niet is, ervaren vele onduidelijkheid in de interpretatie van privacy. Dit belemmert een tijdige en adequate samenwerking tussen de disciplines. Daardoor stagneert de gewenste doortastende aanpak. Bijvoorbeeld bij ernstige overlast, criminaliteit, huiselijk geweld en kindermishandeling, recidive, problemen met jeugdigen, bemoeizorg voor zorgmijders, multiproblematiek in gezinnen, enzovoort en zo verder. De meeste gehoorde schaamlap is daarbij het ontbreken van een toestemmingsgrondslag. Terwijl voor veel situaties geldt dat dat toestemming helemaal geen vereiste is.

Wet- en regelgeving binnen het sociaal domein hanteren één gezin/huishouden, één plan, één regisseur als het uitgangspunt. Elkaar informeren dat je betrokken bent en informatie uitwisselen is daarvoor wel essentieel. Veel organisaties en hun professionals zijn echter (te) terughoudend om informatie te delen. Het  idee bestaat dat er een Wet op de privacy is die het verbiedt om informatie uit te wisselen. Dat het delen van persoonsgegevens absoluut en onder geen beding mag.

En wat blijkt? Informatie delen hoeft geen belemmering te zijn. Zeker, inventarisatie van wet- en regelgeving toont aan dat de verschillende taken en wetten in de meeste gevallen slechts op één probleem of op één domein betrekking hebben. Maar de veelheid van (wettelijke) taken en hun onderlinge verwevenheid, dwingen de gemeenten, instanties en hun professionals dat zij deze ‐ in geval van multiproblematiek ‐ ook in samenhang aanpakken. Dan moet niet alleen, het kan ook. Zo leren ons twee zeer bruikbare ‘argumenteerroutes’ (Grondslag samenwerken Zorg en Veiligheid • naar een handelingskader gegevensdeling • Werkdocument 01‐10‐2013 Mr. J. J. A. van Boven en Drs. P.J. Gunst).

Bij de eerste is hét argument dat ‐ indien de problemen niet in samenhang worden opgepakt –de kans groot is dat geen van de afzonderlijke (wettelijke) taken tot goede uitvoering zal leiden. Dan immers ontstaan de bekende coördinatieproblemen situaties. Met andere woorden: de intentie en de doelen die de overheid per domein heeft met de domein gebonden taak‐ en regelgeving, worden niet bereikt. Dit omdat de opgedragen (wettelijke) taken niet of onvoldoende de intentie van de wetgever verwerkelijken.

De tweede argumenteerroute leidt tot de conclusie dat de optelsom van alle verantwoordelijkheden en regietaken op de verschillende domeinen tot een overkoepelende c.q. systeem‐verantwoordelijkheid leidt. Namelijk dat de verantwoordelijkheid wordt geborgd dat deze subsystemen wél informatie met elkaar delen. Doordat er op zoveel leefgebieden afzonderlijke wetten en taken zijn vastgesteld, kan het niet anders zijn dan dat daar een nieuwe domein overstijgende verantwoordelijkheid aan wordt ontleend. Juist omdat bekend is dat alleen in samenhang de problemen kunnen worden aangepakt. Daarbij is het van groot belang dat er zorg en steun ‘op maat’ wordt geboden, toegesneden op de situatie die speelt.

Om dit inzicht draait het welslagen van het adagium: één gezin/huishouden ,één plan, één regisseur. Het doel dient dan wel zodanig geformuleerd dat dit meerdere domeinen omvat. Wij moeten hierbij uit te gaan van één overkoepelend doel met een aantal subdoelen, waarbij de subdoelen steunen op diverse wetten en (beleids)taken. Hiermee is voldaan aan de wettelijke eis dat gegevens mogen worden gedeeld als er een doel is, maar ook indien sprake is van ‘verenigbaarheid van doelen’. Zo wordt de verbinding tussen de domeinen veiligheid (inclusief justitieel ingrijpen) en zorg een basisvoorwaarde om gelegitimeerd informatie over bijvoorbeeld een huishouden uit te wisselen tussen betrokken partners. Deze eis van ‘verenigbaarheid van doelen’ kunnen we toepassen als antwoord op de vraag of er informatie mag worden gedeeld bij multiproblematiek, om zodoende eerder een signaal te krijgen en in te kunnen grijpen voordat een situatie escaleert

Na het recente datalek bij voormalig Bureau Jeugdzorg Utrecht, en de hausse aan publicaties daarover zullen professionals zich mogelijk nog nadrukkelijker achter de oren krabben over het antwoord op de vraag of het wel zo slim is om informatie te delen. Dat is enerzijds begrijpelijk en anderzijds te gek voor woorden. Wees wie je bent als professional. De wet toont ons de kaders. Bij ons doen draait het om de bedoeling! De verantwoordelijkheid daarvoor kun je nemen als je steeds en opnieuw zorg draagt voor een duidelijke motivering en die motivering ook vastlegt. Richt je erop om het beste te zijn wat je kunt zijn in wat je wilt doen en betekenen voor de ander.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

 

Gemiste kans

verkokerd.png

  • Laat je niet gek maken!

Betrokkene is een minderjarig kind met een stoornis in het autistisch spectrum. Hij woont samen met zijn ouders en 6 broers en zussen in een woning. Hij deelt een slaapkamer met een broer die ook een autistische stoornis heeft. Er wordt na een melding en een gesprek een aanvraag Wmo 2015 ingediend voor het verbouwen van de zolder. De bedoeling is dat daar een extra kamer komt zodat betrokkene en zijn broer ieder een eigen slaapkamer hebben wat nodig is om overprikkeling te voorkomen. Omdat de zolder nu niet meer beschikbaar is voor de wasmachine en de droger moet er een bijkeuken aangebouwd worden. De gemeente heeft in het gesprek aangegeven dat de slaapkamer niet onder de Wmo 2015 valt. De Rechtbank volt de gemeente: “Geen Wmo-ondersteuning voor extra kamer op zolder. En gemiste kans zeg ik!

De gemeente is verantwoordelijk voor het organiseren van verschillende vormen van hulp, zorg en ondersteuning aan kinderen, jongeren en hun ouders/opvoeders. Het gaat onder andere om het op tijd voorkomen of verminderen van problemen, de (geestelijke) gezondheidszorg, begeleiding en zorg voor jeugdigen met een beperking, gesloten jeugdhulp en de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en de uitvoering van jeugdreclassering.

De jeugdhulp bestaat uit verschillende vormen van zorg, zoals begeleiding, behandeling, (kortdurend) verblijf of persoonlijke verzorging. Een verbouwing zoals door de hiervoor bedoelde ouders wilden is naar mijn mening een prachtig voorbeeld van oplossingsgericht werken.

De gemeente in kwestie mag volgens de wet- en regelgeving dan wellicht het gelijk hebben, maar de uitspraak kent enkel verliezers. De gemeente voelt zich misschien spekkoper, omdat een (forse?) financiële kostenpost is voorkomen, maar zij rekent zich ten onrechte rijk. Zij staat immers nog altijd aan de lat voor passende ondersteuning van de ouders en minderjarigen. Die zal mogelijk – en waarschijnlijk – gevonden worden in het aanbieden van (dure) behandeling en begeleiding vanuit de (jeugd-)geestelijke gezondheidszorg (jeugd-GGz). Deze behandeling zal vast de effecten van de overprikkeling reduceren. De oorzaak ervan – het ontbreken van een prikkelvrije eigen ruimte voor de kinderen – kan zij niet wegnemen. Mede hierdoor zal waarschijnlijk een jarenlange inzet van jeugdhulpmiddelen nodig zijn. Pennywise, maar pound-foolish.

De behandeling van de kinderen, zonder uitzicht op perspectief, dat wens je niemand toe. De kinderen in kwestie niet, maar ook de rest van het gezin niet. De kans dat dit gezin door overbelasting van hun ondersteunende capaciteiten verder in de problemen komt zijn niet gering. Toch is dit een realistisch perspectief.

De uitspraak van de Rechtbank in deze zaak is symptomatisch voor de geboeide handen waarmee inwoners en professionals binnen het sociaal domein hun weg moeten vinden. Een van de meest prominente uitsluitingsmechanismen is ook hier de harde knip tussen jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning voor volwassenen. Deze zorgknip leidt slechts tot  symptoombestrijding. Ik pleit daarom voor een verschuiving van alle inzet richting de basale noden van inwoners en huishoudens. Zodat wij werk kunnen maken van onze feitelijke opdracht: oplossingsgericht werken.

Elk probleem biedt mogelijkheden voor het vinden van eigen oplossingen. Dat is kort gezegd het vertrekpunt van oplossingsgericht werken. Dit is een basismethode in het sociaal werk voor mensen wiens eigen oplossend vermogen tekort schiet. Het doel is mensen in staat te stellen om op hun eigen manier en samen met mensen uit hun omgeving het probleem waarvoor zij hulp vragen aan te pakken. Praktijkervaringen laten zien dat veel sociaal werkers en zorgprofessionals de methode enthousiast en veelvuldig gebruiken en integreren in hun generalistische manier van werken. Zij vinden echter regelmatig struikelstenen in de wet- en regelgeving die hun werk kadert.

Je moet het probleem kennen!! En ja, het is natuurlijk nodig om íets van de achtergrond van het probleem te weten. Zicht hebben ook op de (on-)mogelijkheden van de mensen die het probleem hebben. Het ene huishouden zal een verbouwing als her bedoeld wellicht heel goed zelf kunnen realiseren. Het andere huishouden zal dat misschien juist niet kunnen. Dat is geen ongelijke behandeling, dat is maatwerk!

Criticasters van deze (mijn) manier van kijken, denken en doen stellen mij regelmatig de vraag  of het wel Evidence-Based is. In gewoon Nederlands: is de uitvoering gebaseerd op doelmatigheid en doeltreffendheid? Het woordje ‘wel’ drukt hierbij op een subtiel manier twijfel uit.

Mijn antwoord is steeds weer krachtig. Luid en duidelijk: JA! Oplossingsgericht werken vraagt minder inzet en kosten en de oplossing is duurzamer.

Tegen de ouders van de hier bedoelde minderjarigen wil ik daarom zeggen: Laat je niet gek maken. Bij de uitvoering van beleid is de norm het maken van onderscheid naar behoefte, mogelijkheden en omstandigheden geworden. Van ‘beleid op maat’ is de wetgever overgestapt van ‘gelijkheid’ als dragend rechtsidee bij de invulling van sociale en maatschappelijke zorg, naar ‘ieder het zijne geven’. Dat vergt een heel andere deskundigheid bij de uitvoerder. Die wordt van ambtenaar beroepsbeoefenaar, wiens deskundig oordeel in het individuele geval bepalend is. Bij de uitvoering van beleid moeten resultaat en tevredenheid bij gebruikers bepalender zijn, dan de vraag of bestuur en politiek tevreden zijn. De gebruikers en beroepsgenoten zullen de kwaliteit beoordelen. Daarom zeg ik: doorgaan!

Tegen de rechters zeg ik: Stop het verkokerd kijken, wees geen regelknechten en verdiep u nog eens in de bedoeling van de wetgever.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

De kunst van autisme

autisme.png

  • De kunst van autisme!

Mensen met autisme: Ik snap dat ze zich vaak niet welkom voelen in deze wereld, maar ik ben blij dat ze in mijn leven zijn.

Mensen met autisme gaan anders met informatie uit de wereld om hen heen om dan mensen zonder autisme. Ze hebben een andere manier om prikkels te verwerken. Daardoor beleven en ervaren ze de wereld om hen heen anders. Deze andere manier van de wereld ervaren is van invloed op hun manier denken, handelen, voelen en begrijpen. Het autisme is onderdeel van hun mens zijn. En elk mens, met of zonder autisme is uniek.

“Mijn kracht is dat ik mijn eigen gedachten vorm, in plaats van de geijkte weg te volgen. Dat leidt tot nieuwe oplossingen.”

Niet minder, niet beter, maar anders. De wereld, onze maatschappij en onze omgang met elkaar is vooral ingesteld op mensen zonder autisme. Dat maakt dat mensen met autisme zich er vaak een vreemde voelen.

Autisme is een manier van ervaren en begrijpen die veel kwaliteiten in zich draagt. Veel mensen met autisme beschikken over positieve eigenschappen, zoals oog voor detail, eerlijkheid, loyaliteit en het vermogen om systemen te analyseren. Ook hebben zij vaak waardevolle ‘speciale interesses’, onderwerpen waar zij álles van weten.

Juist daarom is de  Autismeweek 2019 een  ode aan de passie en de sterke eigenschappen van mensen met autisme. De boodschap is dan ook dat wij ons daar op richten, en niet alleen op de dingen die hen minder goed afgaan.

Maak het onzichtbare zichtbaar!

onzichtbare

  • Jij en jouw verhaal (ver-)telt ons!

Het thema van de Week van de Psychiatrie 2019 is Zichtbaar? Want psychische problemen zijn in principe onzichtbaar. En vaak houden wij ze geheim. Het is vaak een enorme stap om dat stukje van onszelf te laten zien. Omdat wij ons ervoor schamen. Terwijl iedereen in zijn leven wel eens voor dergelijke vragen komt te staan.

Sociale teams in gemeenten voeren de Wet maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) en de Jeugdwet uit. Zo zijn de gemeente verantwoordelijk voor alle ggz-zorg aan jeugdigen tot 18 jaar en voor integrale ondersteuning aan kwetsbare inwoners. Het idee daarachter is dat de gemeente dicht bij de burger staat en zijn sociale en maatschappelijke omgeving het beste kent.

bunnik

Bovenstaande oproep in de lokale krant van Bunnik viel Bram (vanwege de privacyregels een alias voor de echte briefschrijver) op. “Omdat het diverse aanknopingspunten heeft met mijn situatie. Ik ben geboren met een vorm van autisme. Dit maakt – naast talloze andere factoren in mijn omgeving – dat ik ben wie ik ben.” Zo schrijft Bram.

“Een van die andere factoren is” – zo schrijft Bram – “een ‘verborgen stoornis’ bij mijn overleden moeder. Een eufemisme voor psychopaat. Een onderwerp dat eigenlijk niet bespreekbaar is, maar er wel is!  Over autisme kan ik simpelweg een gesprek beginnen, over psychopathie niet. Ik ontmoet al gauw ongeloof. Niet alleen bij familie, maar ook bij mensen die er beroepsmatig mee te maken hebben.”

“De gevolgen zijn er feitelijk vanaf mijn prilste jeugd. Mijn autisme kreeg de schuld van mijn achterblijven in ontwikkeling. Toch dekte dat bij lange na niet de lading daarvan. Ik zag dat leeftijdgenoten zich gemakkelijk ontwikkelden, terwijl ik vastliep op wat voor hen een peulenschil was. Zelf kreeg en krijg ik gemakkelijk de schuld van de situatie. Ik heb nou eenmaal een handicap.”

“In mijn puberteit bemerkte ik dat mijn moeder in feite twee gezichten had. Een masker droeg dus. Waar de meeste mensen niet doorheen prikten. Mijn problemen thuis namen snel toe, omdat ik er wel doorheen prikte. Op mijn weg naar zelfstandigheid en volwassen worden ondervond ik vooral tegenwerking op grond van mijn anders zijn. Waarmee overigens geen rekening werd of wordt gehouden. Dat maakt voor mij dat het verhaal niet klopt. Zien anderen mij als gehandicapt? Dan moeten ze daarmee rekening houden. Zien ze mij niet als zodanig, dan moeten ze mij dezelfde kansen bieden als mensen zonder handicap.”

“Gelijke kansen heb ik zeker niet gehad en ik moet mij zaken ontzeggen die voor anderen de normaalste zaak van de wereld zijn. Zoals het aangaan van een relatie. Ik ga nu richting 60 jaar en ik laat het verder maar zo. Het leidt vooral tot vermoeiende gesprekken over mijn familie. Waarin ik mij anders moet opstellen om het contact goed te krijgen.”

“Eigenlijk gaat mijn familie ervan uit dat mijn autisme met therapie te verhelpen is. Het gaat dan vanzelf over, is de houding. Houd ik er zelf geen rekening mee, dan gaat het mis op een manier dat ik het zelf later pas in de gaten krijg. Daar word ik vervolgens weer op afgerekend, ook door familie. Voor het overige heb ik mijn dagelijks werk, mijn vrienden en mijn hobby’s. Ik mij wel….

Bram sluit af met een hartenkreet: “Ik wil eigenlijk vooral zeggen dat de mogelijkheid om het onzichtbare zichtbaar te maken er in het dagelijkse leven vaak niet is. Dat is de reden van mijn reactie: ik wil vragen om opmerkzaamheid op deze problematiek.”  

Sociale teams in de gemeenten zien vaker mensen als Bram. Steeds valt op dat het mensen helpt om over het onzichtbare te praten. Dat kan. Door met elkaar in gesprek te gaan. Als buren, vrienden of collega’s. Of, als dat prettiger is of veiliger voelt, met professionals. Als wij zo elkaar helpen het onzichtbare zichtbaar te maken, leidt dat tot meer begrip en verbinding. En dus kan Bram erop rekenen dat wij met hem in gesprek gaan. Gewoon, omdat zijn verhaal ertoe doet. Het helpt anderen (en onszelf!) het taboe op psychische gezondheid te doorbreken. Ieder verhaal doet er toe. Zoals ieder mens ertoe doet. Alleen al daarom ben ik blij met de reactie van Bram. Hij en zijn verhaal (ver-)telt ons! Hij laat ons zien dat het zichtbare vaak het gevolg is. De oorzaken heersen (te) vaak onzichtbaar.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

 

 

 

Spiegel voor een oude dokter

dokter 2.png

  • Een goed mens

Als een oude psychiater zijn praktijk sluit, krijgt hij nog een laatste bezoek van een intrigerende jongere man die wel heel veel van hem wil weten. Ondanks het cynisme van de oude dokter en de onbevangenheid van de jonge man (zijn jongere ik?) weten ze elkaar een spiegel voor te houden. Dat is de strekking van Een goed mens, van de onlangs plotseling overleden Flip Broekman. In de regie van Johan Doesburg spelen Jules Croiset en Victor Reinier.

Speellijst via: hummelinckstuurman.nl