Kom zelf eens uit je luie stoel!

buiten spelen.png

  • Papa, mama, komen jullie buiten spelen?

Aan een oever van de Stille Oceaan, in het noorden van het Gazelle-schiereiland van Papoea-Nieuw-Guinea, leeft een volk van eenvoudige landbouwers. Door een naburige stam worden ze de ‘Baining’ genoemd, wat ‘wilde, onbeschaafde mensen in de rimboe’ betekent. Bij wetenschappers staan ze bekend als ‘de saaiste cultuur op aarde.’

Het verhaal van de Baining is een metafoor voor deze tijd. Het is een waarschuwing voor de wereld waar we op afstevenen: een wereld zonder vrije tijd en zonder spel. Een wereld die zich ras aan ons lijkt op te dringen…Zeker als wij op onze krent blijven zitten.

Uit onderzoek onder (groot)ouders en kinderen blijkt namelijk dat er dramatisch minder buiten wordt gespeeld. De generatieverschillen in spelen worden steeds duidelijk zichtbaar. Daar waar (groot)ouders (waaronder ik dus) vroeger massaal naar buiten gingen, spelen kinderen nu binnen. In vergelijking met 2013 is het aantal kinderen dat elke dag buiten speelt in de buurt gedaald van 20% naar 14%! Van de 1,2 miljoen kinderen op de basisschool zijn er dus meer dan 1 miljoen kinderen die niet meer dagelijks buitenspelen. Hoe dat komt? Daarover zijn de mening verdeeld.

Een belangrijke uitkomst van het onderzoek is dat er een enorm verschil is tussen de generatie van grootouders, ouders en kinderen op het gebied van buitenspelen. Maar liefst zeventig procent van de opa’s en oma’s, en 65 procent van de ouders speelden in hun jeugd vaker buiten dan binnen. Bij de kinderen van nu is dat nog slechts tien procent. Volgens alle (volwassen) deskundigen ligt het aan de jeugd. “Ze willen wel, maar…”

Eén op de drie kinderen zegt wel graag vaker buiten te willen spelen, maar één op de zeven kinderen zegt te veel tijd kwijt te zijn aan school of hobby’s om dat te kunnen doen. Voor de anderen blijken ‘te saaie speelplekken’ en ‘te veel verkeer’ een barrière. Bijna de helft van de Nederlandse kinderen, maar liefst veertig procent, zegt liever binnen te spelen dan buiten. Tegelijkertijd hebben kinderen minder vrije tijd. Ze worden voortdurend beziggehouden: school, huiswerk, sport, muziek, toneel, bijles, examentraining – het houdt niet op. Ouders zouden volgens onderzoek bijna twee keer zoveel tijd aan de opvoeding besteden als in de jaren tachtig.

Wel, ik durf dat alles in twijfel te trekken. Nee, niet dat kinderen nu minder buiten spelen. Dat klopt wel. Maar de oorzaak daarvan. Volgens mij ligt die bij ons, de volwassenen. Wij hebben geen tijd meer voor spelende kinderen. Wij zijn zelf veel te druk met ons werk. En als wij niet werken, moeten wij sporten, facetimen, social media bijhouden, Netflix-series kijken, enzovoort en zo verder. Tijd om met onze kinderen te spelen past daar niet in.

Wat ik ook zeker weet is dat wij steeds minder: spelen. En dan bedoel ik ‘spelen’ in de breedste zin van het woord: de vrijheid om je eigen nieuwsgierigheid te volgen. Om te zoeken en te ontdekken, te proberen en te creëren. Niet omdat een ouder, school of baas het je voorkauwt, maar gewoon, omdat je er zelf zin in hebt.

Overal waar je kijkt, zijn we minder gaan spelen. Kinderen en volwassenen. Thuis, op school en op kantoor. Terwijl politici zich druk maken over ranglijstjes en economische groei, zijn scholen gefocust op toetsen en resultaten. Op almaar jongere leeftijd sorteren we onze kinderen voor: jullie zijn de slimmen, en jullie niet. En onze definitie van succes? Hoge cijfers, hoog salaris. Het onderwijs moet kinderen zo snel mogelijk klaarstomen om zoveel mogelijk geld te verdienen.

Spelen en buitenspelen is belangrijk voor kinderen. Dat vinden de kinderen zelf ook. Liefst 75 procent van de kinderen geeft aan zich vrolijk en blij te voelen na het buiten spelen. Ruim 48 procent voelt zich sterk en gezond na een tijdje ravotten in de buitenlucht.

Wij zien het aan onze eigen kleinkinderen. Natuurlijk, ook zij hebben een Playstation of iPad. Mogen graag en veel op die apparaten bezig zijn. De oudsten zitten inmiddels ook op Instagram. En toch, eigenlijk is het betrekkelijk eenvoudig hen naar buiten te lokken. En ja, daar moeten wij wel wat voor doen. Om te beginnen moeten wij onze luie stoel uit komen. Kunt namelijk niet tegen je op de bank hangende kinderen zeggen “Ga eens wat doen!” als je zelf bij voortduring op diezelfde bank hangt of je achter schermen verbergt.

Ieder seizoen is het leuk om er op uit te trekken met de kinderen. Zo leren wij ook weer van onze kleinkinderen. Voor een tochtje op het ijs, zoals begin dit jaar nog. Of om de lammetjes bij de overbuurvrouw van opa en oma te voederen. Bij mooier weer hebben bootjes h een enorme aantrekkingskracht op kinderen en staan zij garant voor plezier zolang je maar wilt. Huur eens zo’n roeiboot en nodig je kinderen een uit voor een heus piratenavontuur. Neem ze eens mee voor een nachtje kamperen in de eigen achtertuin! Wedden dat de kinderen dat veel interessanter vinden dan die iPad, die Netflix-serie of de Playstation!

Spelen is ontzettend goed voor de ontwikkeling van kinderen; er wordt gewerkt aan allerlei vaardigheden en aan de fysieke en innerlijke gezondheid. Zaken die ook voor ons als ouderen van belang zijn en om onderhoud vragen. Wat is er leuker dan in de zomervakantie samen met jouw (of andermans) (klein-)kinderen een eigen huttendorp of boomhut te bouwen?

Een dagje naar de schaapskooi! Ook dat is een feest voor het hele gezin. Als wij ons de tijd gunnen, en niet op de heenweg ondertussen druk zijn met Facebook of onderweg alweer bezig zijn met de planning van dat wat wij daarna denken te moeten doen! Nu, of binnenkort, zijn er ook allerlei open dagen. Van schaapsscheerdersfeesten tot lammetjesdagen of fruitplukken.   Er zijn altijd wel zelfpluktuinen, moestuintjes en boerderijen te vinden waar je zelf fruit of bloemen mag plukken of oogsten. Heerlijk!

En kunnen wij toch niet zonder die iPad? Organiseer dan eens met je kinderen een interactieve speurtocht. Maar wat je ook doet: kom uit die luie stoel en laat het kind in jezelf los! Speel met jouw (klein)kind; elke dag als het kan!

Samen spelen biedt iedereen voordelen. Door de aandacht over en weer zitten wij allemaal lekkerder in ons vel. En, niet onbelangrijk, door samen te spelen of iets te ondernemen, leren wij zelf ook veel. Bijvoorbeeld wat er in de ander omgaat. Wat hem of haar bezig houdt. Vaak komt er tijdens spel iets naar boven – een anekdote, een pretje of juist een onverwerkte ruzie, angst of verdrietje – zodat jij weet: o, dáár is hij nu mee bezig! Juist tijdens het spelen is er meestal ruimte voor (moeilijke) gesprekken, omdat je elkaar niet hoeft aan te kijken en de afleiding in je handen hebt. Dus ga mee in die achtbaan, doe samen gek op discomuziek en kruip zelf ook over die smalle touwbrug. Misschien moeten wij wat gêne overwinnen, maar daarna is het zó leuk.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Advertenties

De beste regisseur is (niet) gezien

regisserende overheid.png

  • Jammer genoeg klopt de regie niet altijd

Op dit moment wordt er her en der in het land druk gewerkt aan de totstandkoming van nieuwe colleges van B&W. Een belangrijk onderwerp voor ieder collegeprogramma is het sociaal domein. Daarbij gaat het over de vraag hoe je op de beste wijze het welbevinden van de inwoners kunt ondersteunen. De grote opgave is, om dit vanuit de mensen in plaats van de systemen te bekijken. Te zorgen voor een kloppende regie!

Steeds meer gemeenten krijgen hun basis in het sociaal domein op orde. Tot nu toe lag de nadruk daarbij op ‘in control komen’: de zorgcontinuïteit, het voorkomen van ‘ongelukken’ en de financiën beheren stonden daarbij hoog op het prioriteitenlijstje.

De decentralisaties (2015) hadden echter een hoger ideaal: ondersteuning van de inwoners in een gemeente nabij organiseren. Passend bij de situatie van de inwoner die in een lastige of knelsituatie zit. Met de bedoeling ook om de inwoners individueel en de samenleving als geheel zelfredzamer te maken. Waar weer een andere doelstelling onder lag en ligt: de kosten voor zorg beheersbaar te houden. En daarmee de zorg en ondersteuning duurzaam te borgen.

Nu is het tijd voor de volgende stap: het doorontwikkelen. Daarbij draait het om de hoe-vraag. Hoe gaan we het naar de toekomst toe nou echt doen in het sociaal domein? Lukt dat als wij (lees: gemeenten) blijven acteren zoals we dat al jaren doen, of is er meer voor nodig?

Wat mij opvalt als adviseur van verschillende partijen die daarbij een rol spelen (gemeenten, regiobesturen, instellingen voor onderwijs, welzijn, zorg, inkomen en schuldhulpverlening en participatie) is dat zij allemaal spreken over en van een integrale aanpak, om de opgave vervolgens sectoraal aan te pakken. Dat is niet alleen vreemd, maar ook een doodlopende weg.

Het vraagstuk van doorontwikkeling (transformatie) van het sociaal domein kan niet los gezien en behandeld worden van vraagstukken binnen andere domeinen die eigenlijk om hetzelfde gaan. Op welhaast alle overheidsdomeinen  is er sprake van verschuiving van regie, van overdracht van taken, van meer bestuurlijke afwegingsruimte op lokaal niveau, van inzet op betere kwaliteit door integrale benadering van maatschappelijke vraagstukken, en van andere verhouding tussen overheid en samenleving.

Tussen de decentralisaties in het sociaal domein en de komst van bijvoorbeeld de nieuwe Omgevingswet zijn er vele overeenkomsten als het gaat om de onderliggende beweging en doelstellingen. Toch zie je hiervan in de aanpak te weinig terug. Terwijl tegelijkertijd de grenzen tussen het sociaal domein en bijvoorbeeld het fysiek domein steeds meer vervagen. Wie ziet niet de samenhang tussen ruimtelijke en andere aspecten (waaronder gezondheid en zelfredzaamheid)? Een versnipperde benadering kan (en zal) onbedoelde dan wel ongewenste effecten hebben en het behalen van de eigenlijke doelen in de weg kan staan.

Meer dan ooit moeten gemeenten beseffen dat zij zelf midden in een transitie zit. Het sociaal domein, de Omgevingswet en een ruimer lokaal belastingregime; het zijn allemaal voorbeelden waarbij het lokaal bestuur meer invloed krijgt. Hierdoor kan de overheid sneller inspelen op gedeelde publieke ambities. Dit maakt het mogelijk op lokaal niveau te experimenteren met nieuwe initiatieven, wat ruimte geeft voor innovaties in de samenleving. Denk aan nieuwe vormen van mobiliteit, duurzaamheid en bijvoorbeeld de sociale zekerheid zoals we die kennen.

Deze lokale speelruimte maakt de weg vrij voor overheden om vaker op te trekken met inwoners, het bedrijfsleven, andere overheden en publieke instellingen, zoals scholen en universiteiten. De overheid maakt een verschuiving van zelf uitvoeren naar meer ruimte voor slim organiseren en faciliteren. Als overheden met elkaar en met de samenleving verbonden zijn, kan er doorlopend kennis en informatie worden uitgewisseld.

Juist hier liggen voor de nieuwe colleges van B&W grote uitdagingen en prachtige kansen. Die zij vervolgens ook grandioos kunnen verprutsen. Als zij blijven doen wat ze altijd deden: de portefeuilles verdelen  langs de lijnen van de ‘klassieke’ domeinen (fysiek, sociaal, financieel). De ‘overheid in transitie’ vraagt een integrale benadering van een opgave. De onderhandelaars – en straks de nieuwe colleges – moeten dus niet alleen nadenken over transformeren. Hoewel dat natuurlijk prima en legitiem is. Veel meer echter moeten zij  de integrale aanpak mogelijk maken met een integrale, gemeentelijke visie op samenhang tussen de diverse aspecten (zoals ruimtelijk beleid, gezondheid en zelfredzaamheid).

Het durven leggen van verbindingen is daarbij van groot belang. Daarop moet de nadruk liggen. Niet als doel op zich, maar als voorwaarde om efficiënter te werken, hoogwaardiger dienstverlening te bieden en samenwerking mogelijk te maken. Een verbindende overheid is de sleutel tot succes.

Verbinden is ook: Samen doen en deelnemen. Anders gezegd: verbinden is als overheid participeren in de samenleving. Wat wezenlijk iets anders is dan als overheid de samenleving laten participeren in het beleid. De overheid in een participatiesamenleving is een faciliterende overheid met een ambitieuze en ondernemende agenda die de lijnen uitzet.

Een faciliterend overheid is geen teruggetrokken regisseur die de verantwoordelijkheid bij de inwoners legt. Het is een overheid die de verhalen van haar inwoners ‘vangt’ en vertaalt in een inspirerend verhaal op een hoger schaalniveau, dat ons en onze acties verbindt. Mogelijk maakt ook met passende (in plaats van minder) regels, kaders en sturingsmechanismen. Een participerende en verbindende overheid neemt de regie en zet de lijnen uit. Transitie en transformatie rechtvaardigen en vragen om een sterke en visionaire overheid. Zij moeten de regie durven nemen, maar niet zelf doen wat een ander beter kan. Sturen en beslissen zijn de kerntaken zijn. Uitvoerende werkzaamheden kunnen worden belegd en overgelaten aan bij gespecialiseerde (publieke) organisaties. En ja, dat vraagt transparante integriteit en onafhankelijkheid. Sociaal vaardig en verbindend acteren op basis van de juiste informatie binnen de specifieke context van die gemeente. De lokale samenleving staat immers voorop. De gemeente resp. het gemeentebestuur staat midden in die samenleving. Zij  geeft richting. regelt, overziet en besluit. Het is haar taak om in de samenleving dingen te ontdekken waarvan die niet wist dat hij ze in zich had.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

’t Is hier een gekkenhuis

gekkenhuis

  • Ggz van binnenuit

’t is hier een gekkenhuis is een onthullend en spraakmakend boek dat door zijn vlotte taalgebruik een plezier is om te lezen. Het boek doet recht aan de psychiatrische patiënt en zijn hulpverlener, maar helaas in mindere mate aan het worstelende zorgsysteem waarin zij zich momenteel bevinden.

Zoals ogenschijnlijk iedere tien jaar ligt er in de ggz een nieuwe zorgvisie op tafel. Het nieuwe devies luidt ‘ambulant is leidend’ en ‘herstellen doe je thuis’: verblijf in een psychiatrische instelling maakt de patiënt passief en afhankelijk, wat hospitalisatie in de hand werkt. In de laatste twee eeuwen kende de ggz meerdere gezichten. Aan het einde van de 19de eeuw was afzondering nog de enige oplossing denkbaar voor de ‘krankzinnigen’. Halverwege de 20ste eeuw ontstond met de antipsychiatrie een tegenbeweging die veel belang hechtte aan participatie van psychiatrische patiënten in de samenleving. Totdat enkele tientallen jaren later bleek dat deze beweging juist verwaarlozing van patiënten in de hand werkte. Hoewel het sociale aspect van de behandeling belangrijk bleef, kreeg de psychiatrie daarna een meer biologische benadering. Met de intrede van de Wet Bopz in 1994 kwam meer aandacht voor de inzet van drang en dwang in de ggz, met name het mogelijke misbruik daarvan. Een focus die sindsdien alleen maar sterker is geworden. Met de kennis van nu, die het ontstaan van traumatisering ten gevolge van dwangmaatregelen benadrukt, wordt zelfs getracht om maatregelen als separatie in zijn geheel uit te bannen.

In ’t is hier een gekkenhuis – De ommezwaai in de geestelijke gezondheidszorg combineren Koos Neuvel en Caroline de Pater deze historische feiten met ervaringen van nu. Twee jaar lang dompelden zij zich onder in een (anonieme) ggz-instelling, waar zij spraken met patiënten en hulpverleners. Zij wilden naar eigen zeggen stemmen horen, om aan de meerstemmigheid van de werkelijkheid recht te doen. Een werkelijkheid die beddenreductie en sluiting van (met name chronische) afdelingen heet. Hoe gaan patiënten om met de boodschap dat zij na tientallen jaren in de instelling opeens zelfstandig moeten gaan wonen? En hoever is de beoogde vermaatschappelijking van de zorg, in onze zogeheten participatiesamenleving? Volgens patiënten toont de werkelijkheid voornamelijk maatschappelijke taboes en eenzaamheid. Hulpverleners – wier rol is verlegd van ‘allesbepalers’ naar slechts ‘facilitators’ – concluderen dat een versterking van de ambulante voorzieningen de snelle afbouw van de klinische zorg vooralsnog niet kan bijbenen. Samen komen zij tot de belangrijke slotsom dat er geen sterker medicijn bestaat dan een goede behandelrelatie, met aandacht en oprechte interesse.

  • ’t is hier een gekkenhuis – De ommezwaai in de geestelijke gezondheidszorg, Koos Neuvel & Caroline de Pater, Podium, 288 blz., 22,50 euro.

 

Buitengewoon passend!

 maatwerk.png

  • Middelmaat: wat je in confectie krijgen kan

“Maak “passende jeugdhulp” en zorgvernieuwing concreet. Er ontbreekt nu veelal een duidelijk en gedeeld beeld over de gewenste veranderingen en de kwaliteitseisen waaraan (specialistische) passende hulp moet voldoen.” Die uitdaging van de Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ) houdt mij momenteel bezig.

“Passende hulp” is, net als ‘transformatie’ en ‘zorgvernieuwing’ binnen het sociaal domein een veelgebruikte container. Iedereen, mijzelf incluis, heeft het er over. Maar wat er in die container zit, of zou moeten zitten, dat weten wij eigenlijk niet. Dat bevestigt ook de vierde  jaarrapportage van de met als titel “Tussen droom en daad, op weg naar een volwassen jeugdstelsel” (maart 2018). Eerlijkheidshalve kwam dat spiegeltje ook bij mij wel even aan.

Ook ik heb het vaak over ondersteuning op tijd en op maat. Over passende hulp. Zonder het verder uit te werken. Het operationaliseren daarvan is, ook nu ik een aantal dagen verder ben, nog zo eenvoudig niet. Het is en blijft een interessante uitdaging die de TAJ op tafel legt. Het erover nadenken leert echter ook, dat juist ook in het concretiseren een gevaar schuilt. Voor je het weet verwordt passende zorg tot een ‘product’ dat wij voor een ons passende prijs inkopen; nog voor wij de mensen, voor wie het product bestemd is, kennen. Met als resultaat dat er van het ene ‘product’ veel te veel en van het andere ‘product’ veel te weinig voorradig is. Voor je het weet is passende hulp dan toch weer de confectiezorg die ons – en de beoogde maatschappelijke beweging – juist niet past.

Passende zorg (ondersteuning, hulp) is voor mij zorg die aansluit op de krachten en mogelijkheden van de mensen. Waarbij het eerst en vooral draait om aandacht geven aan diens uitdaging of opgave. Niet meteen gericht op bijspringen of overnemen, maar luister naar het verhaal. Wellicht ter bevestiging. Misschien ook met af en toe een tip of handreiking. Pas als dat niet voldoende is, volgt het bijspringen. Het samen met de persoon in kwestie ‘aanpakken’ van het probleem. Niet het probleem staat daarbij centraal, maar de mens. Met eerst en vooral zijn mogelijkheden, talenten en eigen oplossingen. Om zo ook te komen tot de juiste aanpak voor hem of haar.  Waarbij de beslissingen samen genomen worden. Tenzij de ander dat niet kan of wil. Waar het om gaat, is dat mensen met hun hulpbehoefte verder geholpen worden, zo veel mogelijk thuis, zo veel mogelijk in de wijk, met zo min mogelijk verlies van sociale  en maatschappelijke rollen.

Passende hulp is ook niet alleen gericht op ‘doen’. Niet alles wat kan, hoeft. Ook iets ‘laten’ kan passende zorg zijn en bijdragen aan het aanvaarden van problemen. Zo bezien is passende hulp altijd maatwerk. De talenten en kwaliteiten van ieder mens immers zijn even uniek als verschillend. Zeker als je daarbij ook zijn of haar omgeving betrekt.

Passende hulp is daarmee – anders dan wij met onze inkoop en contractering vaak bewerkstelligen – geen (zorg-) confectie.  Het is en vraagt maatwerk. Is ook niet gericht op productie, maar op passendheid. Dat wil zeggen: bij de persoon in kwestie – in zijn of haar situatie, met de daaraan verbonden mogelijkheden en beperkingen – passend.

Omdat zij rekening moet houden met de kenmerken van het individu, met verschillende groepen en met de na te streven veranderingen in de zorg- en hulpverlening. Natuurlijk kan daarbij gebruik gemaakt worden van actuele kennis over wat werkt in specifieke situaties. Maar het blijft per saldo maatwerk.

Bij passende hulp staat de mens centraal. Samen met de hulpverlener stelt hij of zij vast wat hij of zij zelf kan en wil doen. Gevoed door de interactie met de hulpverlener. Passende hulp veronderstelt ook het door de betreffende persoon en de hulpverlener beschikken over probleemspecifieke kennis en vaardigheden. Het vraagt vertrouwen in het eigen kunnen en een vermogen tot zelfontplooiing. Weten dus wat het probleem inhoudt, wat de consequenties zijn, wat er nog wel of niet meer kan, en waar we het juiste antwoord kunnen vinden of krijgen.

Zo beschouwd vraagt passende hulp ook een passende attitude van ons hulpverleners. Waarbij wij de natuurlijke neiging tot ‘doen’ (overnemen) moeten onderdrukken. Passende ondersteuning heeft zelfmanagement voor de persoon in kwestie hoog in het vaandel. Beschikbare kennis wordt juist daarom ook aan hem of haar overgedragen. Het vraagt van ons om onze coachende vaardigheden in te zetten, en – als dat aangewezen is – de kortste weg naar bij die situatie passende ondersteuning of voorzieningen te wijzen. Passende hulp participeert en anticipeert dus! Met het oogmerk om zichzelf, mits dat kan en verantwoord is – uiteindelijk overbodig te maken.

Passende hulp, zo denk ik te moeten menen, vraagt dus ook om passende financiering. Bekostiging op basis van passendheid van de oplossing. En omdat die oplossing telkens weer net even anders kan (en moet!) zijn, vraagt dit van de financiers om meer met budgettaire kaders (dit is het vierkant) dan met producten (dit mag/moet de oplossing zijn) te werken. En ja, dat vraagt vertrouwen. In de mensen voor en de mensen met wie wij werken.  Vanuit de overtuiging ook dat mensen in problemen – uitzonderingen daargelaten – per saldo voor zichzelf nooit meer vragen dan wat strikt noodzakelijk is. Tenzij het door het gewenste maatwerk alleen als vooraf bepaalde zorgconfectie bepaald is.

Of ik met dit alles een passend antwoord heb gevonden? Ik waag dat te betwijfelen. Om tot een optimaal antwoord te komen en de juiste keuzes te maken vraagt passende hulp om gedeelde besluitvorming. Besluitvorming die expliciet rekening houdt met ieders omstandigheden en voorkeuren. Ik houd mij daarom aanbevolen voor passende adviezen!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Een goed idee kan nooit een gesloten geest binnenkomen

Dia1.PNG

In maart 2018 mocht ik samen met collega Chantal van Cappelleveen een dagsessie leiden voor het team Beleid SD Gemeente Bunnik over de  maatschappelijke opgave en het beleidswerk in een veranderende wereld.  Het werd een inspirerende vindtocht, waarbij wij samen ontdekten dat onze eigen (team-)ontwikkeling veel parallellen vertoont met de ontwikkelingen binnen het sociaal domein. En dat ‘transformatie’ geen ding is, maar een proces!

Een antwoord vinden op de opgave en uitdaging gaat over het gebruik en verbinden van krachten. En dat is wel degelijk mogelijk. Als wij stoppen met het (met onze kaarten dan wel belangen tegen de borst) kwartetten. Als wij de opgave als een puzzel durven zien.

De eerste stap is om de randen te scheiden van de rest van de puzzelstukjes. In managementtermen: de kaders stellen. Terwijl je zo door de stukjes aan het gaan bent kun je ook de overige stukjes alvast onderverdelen naar kleur en/of afbeelding. Anders gezegd: leg de stukjes met het beeld open op tafel. Zie het als een transparante indeling naar thema’s en belangen. Niet alles ligt nog op zijn plaats, maar de gewenste samenhang van stukjes wordt wel overzichtelijk en zichtbaar. Zo ook is de nadere uitwerking (verdieping) makkelijker, omdat je dan alleen gefocust bent op die bepaalde kleur of afbeeldingen. Dit lijkt misschien op het eerste gezicht veel werk en misschien vervelend. Zeker als je graag wilt beginnen, maar uiteindelijk zal het je veel helpen.

Als je begint met de randen (kaders) geeft dat al een goede indicatie van de grootte van de puzzel (de omvang van de opgave/uitdaging) en het geeft je enige houvast bij het leggen. En tegelijkertijd: maak je geen zorgen als je stukjes in de rand mist, je zal ze vanzelf weer tegenkomen als je door de overige stukjes gaat. Kies vervolgens een van de groepen (thema’s/opgaven) welke een basisonderdeel van de puzzel vormt en zet dit in elkaar. Door te beginnen met dit zal je een mooie uitgangspositie hebben voor de overige groepen.

Een goed getraind puzzeloog zal altijd kijken naar een combinatie van kleur, afbeelding en vorm van het gezochte stukje (verbinden, vertrouwen, vernieuwen en verplaatsen). Kleur, gecombineerd met lijnen of ander soort afbeeldingen, zijn het makkelijkst te vinden. En, zo zal je zien, het helpt als je af en toe eens vanaf de andere kant van de tafel naar dezelfde puzzel kijkt.

De video is een samenvatting van de leidraad, het gesprek en de conclusies.

Meer weten? Neem gerust contact op!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Een getraind puzzeloog vindt

puzzelen 3.png

  • Verbinding, Vertrouwen, Vernieuwing en Verplaatsen

Hulp en ondersteuning is mensenwerk. Het is emotie. En, zij moet kwalitatief goed zijn, voor iedereen toegankelijk en betaalbaar (blijven). Eigenlijk zijn dit zaken die op het oog voor zich spreken. Maar die dat helaas niet altijd zijn. Integendeel: het blijkt in de praktijk vaak knap lastig om deze aspecten in balans aandacht te geven. Dat is een verantwoordelijkheid van alle bij de hulp en ondersteuning van mensen betrokken personen. Partnerschap is daarbij van belang. En juist partnerschap – het samen puzzelen met alle stukjes van de puzzel open op tafel – ontbeert de wereld van zorg en welzijn vaak node! In het bijzonder treft dit te relatie tussen overheden en financiers aan de ene kant en de leveranciers (aanbieders) aan de andere kant. Dat voelt niet zelden als een spelletje kwartetten!

Gemeenten, maar ook zorgverzekeraars –  en sociale ondernemingen lijken ideale samenwerkingspartners, omdat ze beiden maatschappelijke vraagstukken willen oplossen. In de praktijk blijkt die samenwerking naast pril ook moeizaam. Terwijl er toch sprake is van een gezamenlijke opgave en doelstelling.

Overheden en financiers van zorg hebben samen met de leveranciers van ondersteuning en zorg de taak om ervoor te zorgen dat iedereen toegang heeft tot goede ondersteuning zorg tegen acceptabele kosten. Met oog voor kwalitatief goede en menselijke zorg voor het individu, maar óók voor zinnige en zuinige zorg en daardoor voor een beheerste groei van de kosten.

Die taak vervullen deze partijen eigenlijk al sinds mensenheugenis. En, dat moet gezegd, met veel enthousiasme. En dat is ook nodig, want de hiervoor geschetste ambities vragen breed draagvlak. De juiste route daarvoor biedt het V-kwartet: Verbinding, Vertrouwen, Vernieuwing en Verplaatsing.

Om de uitdaging te kunnen invullen is nauw contact en goede samenwerking met anderen nodig. Waarbij de verschillende actoren toegankelijk en aanspreekbaar zijn voor elkaar. Samenwerking is bovendien alleen mogelijk als er sprake is van vertrouwen. Wederzijds vertrouwen vormt de basis van een goede samenwerking. Dat vraagt ook de bereidheid tot investeren in die relatie. Transparantie en de juiste mate van verantwoording vormen daarvoor de basis. En omdat nieuwe inzichten, technologie en de steeds veranderende samenstelling van de samenleving dat mogelijk maken of daarom vragen, is voortdurende vernieuwing nodig én mogelijk. De verbindende schakel tussen Verbinding, Vertrouwen en Vernieuwing is Verplaatsen: van jouw eigen troon en belang afstappen en je verplaatsen in de positie en het belang van de ander. Stel je voor dat het jouw situatie betreft, over jouw portemonnee gaat of over jouw gezin, partner of kind in problemen? Wat zou jij dan willen?

Tegen deze achtergrond is het op zijn zachts gezegd vreemd dat overheden en financiers en aanbieders elkaar maar mondjesmaat vinden. Juist op verbindende elementen als (h)erkenning, inkoop, verkokering en flexibiliteit staan ze elkaar eerder in de weg dan dat zij elkaar versterken. Zo ook blijkt uit een PwC-onderzoek (‘Prille kansen: de samenwerking tussen sociale ondernemingen en gemeenten in Nederland’) onder 102 gemeenten en 164 sociaal ondernemers. In het bijzonder het inkoopbeleid van gemeenten en zorgverzekeraars blijkt struikelblok voor de ondernemingen.

Is er dan helemaal geen samenwerking? Zeker wel. Er zijn lichtpuntjes. Maar die hebben – door verschillende verwachtingen – niet zelden te maken met fikse regenbuitjes of stormwind. Terwijl een goed samenspel, waarbij partijen als partners met elkaar optrekken juist mooie resultaten oplevert. Juist door uitruil van de waarden verbinding, vertrouwen, vernieuwing en verplaatsing. Inkoop bijvoorbeeld is nog teveel een verkoop van producten en diensten tegen een zo laag mogelijk tarief in plaats van een optimaal social return on investment.

Juist door het onvoldoende ‘verplaatsen’, het kruipen in de huid van de ander, is en blijft de transformatie binnen het sociaal domein nog altijd een veelal lege container. Transformatie is een proces in verhoudingen en niet, zoals ik vaak ontmoet, een houding van ‘alles moet anders’. Waarmee wij eigenlijk beweren dat wat wij deden en doen eigenlijk maar niks is. Elke volgende stap kan alleen maar gezet worden, juist dankzij de vorige! Transformeren is daarbij geen ding, maar een mindset. Transformeren gaat over onze verhouding jegens elkaar, jegens de uitdagingen en opgaven en de daaraan verbonden kansen en bedreigingen. Het is een bewustzijn, een vindtocht naar elkaar, inhoud, duurzaamheid en de dualiteit van belangen.

Een antwoord vinden op deze krachten gaat over het gebruik en verbinden ervan. En dat is wel degelijk mogelijk. Als wij stoppen met het (met onze kaarten dan wel belangen tegen de borst) kwartetten. Als wij de opgave als een puzzel durven zien.

De eerste stap is om de randen te scheiden van de rest van de puzzelstukjes. In managementtermen: de kaders stellen. Terwijl je zo door de stukjes aan het gaan bent kun je ook de overige stukjes alvast onderverdelen naar kleur en/of afbeelding. Anders gezegd: leg de stukjes met het beeld open op tafel. Zie het als een transparante indeling naar thema’s en belangen. Niet alles ligt nog op zijn plaats, maar de gewenste samenhang van stukjes wordt wel overzichtelijk en zichtbaar. Zo ook is de nadere uitwerking (verdieping) makkelijker, omdat je dan alleen gefocust bent op die bepaalde kleur of afbeeldingen. Dit lijkt misschien op het eerste gezicht veel werk en misschien vervelend. Zeker als je graag wilt beginnen, maar uiteindelijk zal het je veel helpen.

Als je begint met de randen (kaders) geeft dat al een goede indicatie van de grootte van de puzzel (de omvang van de opgave/uitdaging) en het geeft je enige houvast bij het leggen. En tegelijkertijd: maak je geen zorgen als je stukjes in de rand mist, je zal ze vanzelf weer tegenkomen als je door de overige stukjes gaat. Kies vervolgens een van de groepen (thema’s/opgaven) welke een basisonderdeel van de puzzel vormt en zet dit in elkaar. Door te beginnen met dit zal je een mooie uitgangspositie hebben voor de overige groepen.

Een goed getraind puzzeloog zal altijd kijken naar een combinatie van kleur, afbeelding en vorm van het gezochte stukje (verbinden, vertrouwen, vernieuwen en verplaatsen). Kleur, gecombineerd met lijnen of ander soort afbeeldingen, zijn het makkelijkst te vinden. En, zo zal je zien, het helpt als je af en toe eens vanaf de andere kant van de tafel naar dezelfde puzzel kijkt.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Boeman blijkt vriend

laurel en hardy.png

  • Een ware professional heeft altijd een goede grond

Voor wie even niet opgelet heeft: In mei 2018 wordt in Nederland de Europese privacy wet (GDPR) van kracht onder de naam AVG (Algemene verordening gegevensbescherming). Het belangrijkste hieruit is dat je alleen persoonsgebonden gegevens mag opslaan zolang je hiervoor een geldige grondslag (reden) hebt. In de aanloop naar deze datum worden wij doodgegooid met artikelen over deze nieuwe wetgeving èn wat er gebeurt als we er nièt aan voldoen. Het is, als je de vele gesprekken en artikelen daarover moet geloven, enge shit. En dat op zijn beurt is volgens mij nou weer bullshit.

Interessant fenomeen is dat het bij dit alles vooral gaat om de formele en administratieve verplichtingen. Is er een informatie beleid? Is er een beveiligingsbeleid? Welke rol hebben persoonsgebonden data hierin? Zijn beleid en processen op dit gebied geborgd in organisatorische maatregelen? Wat gebeurt er als er fouten worden gemaakt? Past de organisatie zich daar op aan? Dat alles is best wel even een klusje. Maar laten wij dat niet spannender maken dan het is: een lastig, maar uiteindelijk technisch klusje.

Natuurlijk, de wetgeving wordt actief en wij moeten er echt aan voldoen. Maar moeten wij daarvan in paniek raken? Nee, we moeten het uitzoeken, regelen en organiseren. Dat is heel wat anders. Bovendien, doelstelling van de Autoriteit Persoonsgegevens is niet om zoveel mogelijk boetes op te leggen, maar het borgen van de – uw en onze –  privacy! Zij wil borgen wat wij wensen! En ja, de nieuwe wetgeving vergt een andere houding ten aanzien van het omgaan met persoonsgebonden data. We kunnen niet meer zomaar onbezonnen allerlei persoonlijke gegevens verzamelen delen en analyseren. Het doel moet legitiem zijn, en dat is een goede zaak.

Veel interessanter en uitdagender dan de papieren exercitie en het daarmee verbonden informatiemanagement is het vraagstuk van de praktische toepassing. Binnen mijn eigen werkveld – zorg en welzijn – bijvoorbeeld. Want juist daar wordt in de praktijk privacy vaak als belemmering ervaren. De beleving is dat privacy betekent dat er geen gegevens gedeeld mogen worden. En al helemaal niet zonder voorafgaande toestemming van de betrokken persoon of personen. U herkent ze waarschijnlijk wel, de privacy-schaamlappen:  ‘Ik heb een vertrouwensrelatie met mijn cliënt, daar zit mijn cliënt niet op te wachten, ik heb een beroepsgeheim, ik kan alleen gegevens delen na een schriftelijke toestemming van mijn cliënt, ik mag alleen gegevens delen binnen mijn discipline. Nee, ik mag geen gegevens delen!”  Dat is allemaal bullshit! De rechters van het Europees Hof hebben namelijk ook een Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens vastgesteld.

Er kan en mag dan ook veel meer dan wij denken. Juist dankzij die vaak verguisde wet- en regelgeving. Omdat juist die wet- en regelgeving ons professionals een prachtig en uniform afwegingskader biedt. Zij bevat krachtige en prachtige bepalingen die een andere – minder angstige – manier van kijken mogelijk maken. Met als uitgangspunt: het doel van ons handelen is leidend! Zo ook bevestigde mij deze week Jolanda van Boven weer. Zij hield een schitterend betoog voor welzijns- en zorgprofessionals in de gemeente Wijchen. Zij reikte hen in haar presentatie een paar simpele zorgvuldigheidskleppen aan:

  1. Met welk doel deel ik gegevens?
  2. Welke noodzaak is er?
  3. Communicatie met betrokkenen over het voornemen om informatie te delen. En als daartegen bezwaar is het wegen van argumenten om informatie te delen met de bezwaren van leerlingen of ouders.

Let op: communicatie over het voornemen om informatie mag en moet niet verward worden met het vragen om toestemming! Het toestemmingsvereiste is – zoals Jolanda dat noemde –  “een ‘vluchtstrook’ voor de professional, die daarmee wegloopt voor de eigen professionele verantwoordelijkheid.” Zo ook maakte zij korte metten met het niet durven doen terwijl het wel nodig is. “Ook niet handelen is een verantwoordelijkheid. Natuurlijk is het beroepsgeheim belangrijk, maar dat betekent niet dat je niks kan doen. Het Europese Hof leert ons dat het recht op menselijke waardigheid belangrijker is dan het recht op zelfbeschikking.” 

In de wetgeving wordt toestemming van de betrokkene als belangrijke pijler genoemd, maar niet als dé pijler. Bij het delen van gegevens moet het ‘transparantiebeginsel’ worden gehanteerd: iemand heeft het recht te weten wat er waar vastligt en wat wordt uitgewisseld tussen wie. Dit betekent dat wij als professional aan betrokkenen moeten vertellen wat wij van plan zijn te gaan doen. Wanneer betrokkenen met tegenargumenten komen, kunt wij de voor- en tegenargumenten tegen elkaar afwegen.

De eerste vraag is dus niet of wij informatie mogen delen, maar wat ons doel is als wij informatie willen delen. Bij die afweging kunnen wij putten uit twee bronnen: 1. Ons eigen vakgebied en 2. de wetgeving. Bij onze weging zijn vervolgens drie principes relevant: kiezen voor de minst ingrijpende maatregel (subsidiariteit), kijken naar de verhouding tussen maatregel en doel (proportionaliteit) en antwoord vinden op de vraag of de meest geschikte maatregel is getroffen (doelmatigheid). Belangrijk daarbij is dat wij onze motivering documenteren.  En dus zorgdragen voor een goede dossieropbouw. Dat bevordert de transparantie.

Als wij willen komen tot één plan en één regisseur, dan kan dat dus. Maar wel binnen kaders van zorgvuldigheid, argumentatie en documentatie. Zo omgaan met privacy maakt dat zijn in plaats van struikelsteen een vliegwiel voor de transformatie binnen het sociaal domein kan zijn. Dat vraagt van ons om cultuurverandering en zorgvuldige en bewuste sturing, gebaseerd op een wijziging van onze paradigma.

Wanneer wij integraal willen werken, zullen wij breder moeten willen en durven kijken dan de eigen discipline. Als wij meer aandacht  willen hebben voor en geven aan preventie, moeten wij al gegevens willen delen in het stadium ‘waar we ons zorgen maken’. En als wij proactief willen handelen, zijn wij verplicht iets met onze kennis te doen als wij ons zorgen maken om mensen met en voor wie wij werken. Niets doen is ook een keuze waar wij net zo verantwoordelijk voor zijn.

De conclusie? Privacy waarborgen is geen belemmering, maar een hulpmiddel voor betere, transparante en gelijkwaardigere dienstverlening. Privacy, zo blijkt, is niet statisch of juridisch maar heeft een duidelijke ethische component. Die gaat over het antwoord op de vraag  wie wij als dienstverlener willen zijn en hoe wij onze werkprocessen daarop inrichten. Wij kunnen doen wat écht nodig is door aansluiting te vinden bij de persoon om wie het gaat. Niet door het voor hem of haar te bepalen, maar door samen te werken op basis van open en gelijkwaardige communicatie vanuit doel en noodzaak. Met inzet en verantwoordelijkheid van onze eigen professionaliteit, gebed in een gezamenlijk afwegingskader met eenduidige afspraken over privacy. Privacy is dus niet de boeman waarvoor wij haar graag houden. Zij is een vriend van alles en iedereen die zorgvuldige zorg vraagt, krijgt en geeft.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.