Wij moeten ons schamen

daklozen

  • Daklozen en engelen leven onzichtbaar naast elkaar

Maak eens een wandeling door de stad (in de buurt waar u woont) en geef uw ogen eens goed de kost. U zult dan met eigen ogen kunnen zien dakloosheid nog steeds een heel reëel probleem is. De Nederlandse regering heeft het ook gezien. Zij komt, zoals vaker het geval, met een holle belofte en nietszeggende oplossing. Wij moeten ons schamen voor het gebrek aan daadkracht.

Bij een dakloze denken wij al gauw aan bankslapers in het park of op straat. Onder de brugslapers, enzovoort. Mensen in ieder geval die zonder dak boven het hoofd met een ernstige en complexe zorgvraag of verslaving zitten. Dat is echter maar een deel van de groep. Er is een groeiende groep dak- en thuislozen, waar verder geen onderliggende zorgproblematiek speelt. Het gaat dan om mensen die door een levensgebeurtenis als een scheiding of verlies van een baan dakloos zijn geworden. De dakloze van nu kan je collega zijn, je broer of jijzelf. Het kan iedereen overkomen.

De laatste groep staat te boek als zelfredzame of ­economische daklozen, omdat zij geen zorg nodig hebben. Daardoor vallen zij niet onder bestaande regelingen en zijn zij op zichzelf ­aangewezen. Maar als we niets doen, komen ook deze mensen van de regen in de drup. Zonder dak boven het hoofd verslechtert de zelfredzaamheid en is het een kwestie van tijd voordat iemand alsnog zorg nodig heeft. Als maatschappij hebben we dan een nóg groter probleem en dat moeten we zien te voorkomen.

Ondertussen slapen deze mensen op straat of hoppen zij van slaapbank naar logeermatras, tot hun netwerk zo uitgeput is dat er geen deur meer voor hen opengaat. We kunnen er niet omheen. We moeten met een andere aanpak komen. Dak- en thuisloosheid is geen persoonlijk falen, maar een falen van onze woningmarkt. Die vraagt om een nieuwe aanpak.

Iedereen heeft recht op een dak boven zijn hoofd. De realiteit echter is dat in Nederland een groeiend aantal mensen op straat of op de bank bij bekenden slaapt. Het CBS publiceerde onlangs dat het aantal daklozen in 10 jaar tijd meer dan verdubbeld is.

Het Kabinet wil ook werken aan het terugdringen van dakloosheid. Hoewel dat een goede zaak is, is de gekozen aanpak er een van vooruitschuiven. Het kabinet heeft – daadkrachtig als het is – alle centrumgemeenten gevraagd in kaart te brengen wat op regionaal niveau de opgave is. Op basis van de door gemeenten aangeleverde informatie komt het kabinet, in gesprek met gemeenten, woningcorporaties, zorgaanbieders en cliëntenorganisaties, dit voorjaar tot een overkoepelend plan voor de aanpak van dakloosheid. Het klinkt mooi, maar is een farce. Al overleg oeverloos zal veel tijd kosten. Tellen wij daarbij op alle procedures die doorlopen moeten worden als er eenmaal concrete plannen zijn, dan zijn wij al gauw zo’n vijf tot tien jaar – en dus twee of meer kabinetten – verder. Overigens is de opgave al lang bekend!

Naar verwachting zijn er in 2030 18 miljoen inwoners in Nederland. Dit betekent dat er 900.000 huishoudens bij zullen komen ten opzichte van vandaag. En dat er hiervoor tussen de 80.000 en 85.000 nieuwe (klimaatneutrale) woningen per jaar zullen moeten worden gebouwd. Deze opgave staat niet los van de andere opgaven, zoals de klimaatopgave of mobiliteit die tegelijkertijd ruimtelijk moeten worden ingepast. Ik verwacht dan ook niet dat de dak- en thuislozen in Nederland staan te juichen,

De aanpak van het Rijk is, met de vertraging die in het bouwtempo is opgetreden als gevolg van de klimaatdiscussie, een wassen neus. De forse toename van het aantal dak- en thuislozen in de afgelopen paar jaar laat zien dat er meer daadkracht nodig is dan ‘het in kaart brengen van de opgave’.

We moeten dak- en thuislozen het liefst direct, maar in ieder geval zo snel mogelijk, weer aan een passende woonruimte helpen. Zodat zij daar, met de benodigde begeleiding, weer een zelfstandig bestaan kunnen opbouwen. Wachten tot wij het klimaat weer op orde en onder controle hebben is daarvoor geen optie. Als het doel inderdaad is dat niemand op straat hoeft te slapen of langer dan drie maanden in de opvang hoeft te verblijven, zijn andere en sneller te realiseren oplossingen nodig.

Onder de Pannen en Kamers met Aandacht bijvoorbeeld, waarbij particulieren mentorschap en onderdak bieden aan dak- en thuislozen. Of intensivering van succesvolle initiatieven zoals het Jongeren Perspectief Fonds en het project Skills in de Stad van het Rijksvastgoedbedrijf. Ook flexwoningen bijvoorbeeld of tiny houses bieden goede mogelijkheden. Zij kunnen een stimulans zijn voor innovatie in de bouw.

Vorig jaar werden er drieduizend flexwoningen gebouwd. Dit jaar komen er ongeveer evenveel bij. Het gaat meestal om woningen van bescheiden omvang die zowel via transformatie als door nieuwbouw kunnen worden gerealiseerd. Om daarmee vaart te maken moeten wij het lef hebben om overbodige bedrijventerreinen, leegstaande kantoorgebouwen en toekomstige bouwlocaties sneller inrichten voor flexwoningen. Door kortere juridische procedures en de bouw van deze woningen in de fabriek, kan de woningvoorraad relatief snel worden uitgebreid. Daarmee kan de toegankelijkheid van de woningmarkt ook voor dak- en thuislozen op korte termijn worden vergroot.

Flexwonen biedt bovendien niet alleen de mogelijkheid om op korte termijn te voorzien in de woningvraag van (onder andere) dak- en thuislozen. Het kan op de langere termijn ook bijdragen aan de snel veranderende woningbehoefte van alle inwoners van ons land. De mogelijkheid om (delen van) de woningen te demonteren, te verplaatsen en/of te hergebruiken, bevordert ook de circulariteit in de bouw.

Het is belangrijk dat komende winter niemand op straat komt te staan. Dat vindt de politiek, dat vinden de media en dat vinden mensen als u en ik (hoop ik). Laten wij dit dan ook mogelijk maken. Om die ambitie voor élke dakloze te realiseren, moeten we die benaderen vanuit de woningbouw en beginnen bij het knelpunt: het structurele tekort aan woningen. Wij kunnen daarbij leren van anderen. De Finnen bijvoorbeeld. Zij hebben gekozen voor een rigoureuze aanpak. Vrijwel alle opvangplekken zijn omgevormd tot woningen. Dat is niet een-op-een te kopiëren naar Nederland, maar de gedachte is interessant.

Wij kunnen ook besluiten om mensen niet financieel te korten als zij iemand tijdelijk onderkomen bieden in hun huis. Laten we de kostendelersnorm buiten beschouwing laten en een bankslapersregeling invoeren.

Wat wij zeker niet moeten doen is wegkijken. Naarmate het weer kouder wordt deze winter, wordt leven op straat steeds gevaarlijker en is de noodzaak om mensen op straat te beschermen duidelijk. Om echt iets te bereiken, moeten wij alleemaal aan de bak. De eerste manier is eenvoudig: Een warme groet, een paar simpele praatjes of gewoon een persoonlijke vraag stellen. Het kan een enorm verschil maken voor iemands dag. En wie weet doorbreken wij zo het onzichtbaar naast elkaar wonen van de dak- en thuislozen en de engelen.

Dus, de volgende keer dat je een dakloze op straat passeert, probeer je dan eens voor te stellen wat er echt mis is gegaan en waarom ze daar terecht zijn gekomen. Al deze mensen afwijzen als mislukkingen, uitvallers en drugsverslaafden is goedkoop en misplaatst. Het is tijd om na te denken over de echte redenen voor dakloosheid en naar de individuele verhalen van deze mensen te kijken en te luisteren.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Denk de droom mee!

levi.png

  • Vertel mij wat u nodig heeft

Volg je dromen, je doel, je gevoel, je idealen

En staar je niet blind op dat wat niet lijkt te kunnen

Want het leven is meer, haal er uit wat erin zit

Het zijn woorden die mijn vader mij meegaf toen ik – tegen zijn zin in – toch de school voortijdig verliet om mijn eigen weg te gaan. Het zijn dezelfde woorden die maken dat ik de overtuiging heb dat wij mensen kunnen ondersteunen bij het waarmaken van hun droom. Door ons niet blind te staren op dat wat niet lijkt te kunnen. Door aan te sluiten op de ambities en talenten van mensen. Dat zijn de dingen die hen energie geven en betekenen laten. Daarom ook geef ik mensen graag naam en gezicht. Want mensen helpen mensen. Dat doen systemen niet. Toen ik destijds begon als ober bij Van der Valk, en later broodventer werd in Nijmegen, kon ik niet bevroeden dat ik later nog eens directeur zou worden, wethouder, bestuurder, docent en sectorexpert. Het zijn zaken die op mijn pad kwamen. Mede dankzij de mensen om mij heen. Mensen die niet keken naar mijn opleiding of theoretische kennis, maar mensen die geloofden in mijn overtuigingen en talenten. Het zijn die mensen die mij doen vasthouden aan creativiteit en mijn pad leidden naar de plek en positie die ik nu heb. Nu mag ik zelf dagelijks bezig zijn met creativiteit, in de vorm van het vinden van het juiste ‘kontje’ om mensen te laten meedoen en meetellen in onze samenleving.  In een omgeving die maakt dat ik soms tegen de stroom in zwemmen moet, maar vaak ook mijn creativiteit stimuleert en met wie ik tot het juiste idee kan komen.

De maatschappij die zegt dat alle mensen meetellen en mee (moeten) doen, zit tegelijkertijd niet op hen te wachten. Sterker nog, ze drijft mensen die dat niet (kunnen) doen tot wanhoop. Door in plaats van naast deze mensen te gaan staan vooral te denken in belemmeringen en knelpunten. Toch zouden wij veel van deze mensen kunnen helpen. Dor het delen, uitwisselen en tot bloei laten komen van – soms verborgen – talenten. Een aanpak die wel werkt en anderen inspireert is deze mensen te helpen hun droom te realiseren en hen te koppelen aan werkgevers die zich daadwerkelijk voor talent interesseren. Mensen als Levi bijvoorbeeld aan wie ik beloofd heb om samen met hem op zoek te gaan naar een passende baan.

Levi heeft (al jarenlang) de ambitie om zo snel mogelijk aan het werk te komen. Hij heeft de laatste jaren (sinds 2005) veelvuldig gesolliciteerd met slechts afwíjzingen tot gevolg. Toch heeft hij het werkniveau om zich in een door hem geambieerde functie te handhaven. Probleem is echter het ontbreken van structurele werkervaring en de schriftelijke beheersing van de Nederlandse taal. Desondanks is en blijft Levi zeer gemotiveerd om aan het werk te gaan. Het heeft zijn voorkeur om aan het werk te gaan in de sector van de voedsel- en agrarische kwaliteit.

Levi is een 64 jaríge man met de Nederlandse en Israëlische nationaliteit. Hij is getrouwd en woont samen met zijn partner in de gemeente. Levi is sinds 1982 in Nederland. Sinds eind 2008 ontvangt de familie een WWB-uitkering, hiervoor hadden Levi en zijn partner inkomsten uit loonarbeid. Meest recentelijk bestaan de inkomsten uit een WW-uitkering van de partner van Levi. in het land van herkomst (Israël) heeft Levi zijn middelbare schoolopleiding afgerond, op vergelijkbaar vwo-niveau. Aansluitend heeft hij een agrarische studie succesvol doorlopen aan de universiteit van Jeruzalem. In Nederland is Levi gestart met een studie aan de faculteit Diergeneeskunde aan de universiteit van Utrecht. In 2005 heeft cliënt hierin zijn doctoraal behaald. Na zijn studie diergeneeskunde ontdekte hij zijn interesse naar voedselveiligheid.

Levi spreekt en schrijft goed tot redelijk goed Nederlands. In het najaar van 2008 heeft Levi een opleiding Nederlandse taal voor hoogopgeleiden gevolgd en afgerond. Daarnaast beheerst Levi matig Engels in uitspraak en geschrift. De moedertaal (Hebreeuws) beheerst hij uitstekend.

De werkervaring van Levi is in te delen in werkervaring opgedaan in Israël. Daar werkte hij zo’n vijf 5 jaar op een melkveebedrijf. Hier had hij in 1ste instantie de functie van afdelingshoofd, later is hij hier bedrijfsleider geworden. In Nederland is zijn werkervaring beperkt gebleven tot een dienstverband van een aantal maanden. Eind 2005/begin 2006 was hij als keurmeester van vlees werkzaam bij de Voedsel & Warenautoriteit. Dit betrof een tijdelijk dienstverband.

Mijn belofte aan Levi en het waarmaken van zijn droom kan alleen slagen als iedereen in mijn netwerk de krachten bundelt en zich hiervoor inzet. Ik vraag u als lezer dus mij te helpen Levi te helpen. Mijn vraag is simpel: welke werkgever binnen de sector van de voedsel- en agrarische kwaliteit wil Levi zijn droom helpen te verwezenlijken. Wie wil hem een baan bieden. Levi stelt zijn ambitie en talent beschikbaar. Ikzelf sta paraat om eventuele belemmeringen en bedenkingen weg te nemen. Vertel mij wat ú nodig heeft om dat mogelijk te maken. Oké, het vraagt misschien wat creativiteit of coaching. Er kan echter meer dan u denkt.  heel veel banen wel! Meer dan u denkt.

Wie met een goed idee heeft om Levi aan werk te helpen of mee te laten doen kan bij mij terecht. Gezamenlijk kunnen wij vast een goed arrangement met en voor Levi creëren.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Gewone huizen, in een gewone wijk

browndale.png

  • Kind uit huis niet altijd beter af

De minister wil de jeugdzorg verbeteren door de organisatie daarvan te versterken. Als die organisatie met de plannen van de minister kan worden versterkt, is dat positief te noemen. Het is echter de vraag de focus niet eerder zou moeten liggen op dat wat kinderen echt nodig hebben. Ondersteuning in een vorm die zo dicht mogelijk bij het normale gezinsmodel aansluit bijvoorbeeld. Het verhaal van Hans en Marcel, maar ook de verhalen van de andere kinderen die destijds bij mij woonden en met wie ik nog regelmatig contact heb (Michel, Herman) sterken mij in die overtuiging. Juist daarom ook pleit ik ervoor dat gemeenten daadwerkelijk in de positie zijn en blijven om jeugdhulp uit te voeren. Met voor de kinderen die gedurende korte of langere tijd niet thuis kunnen wonen een thuis in de buurt. In de vorm van buurt- en in- of meeloopgezinnen, gezinshuizen of pleeggezinnen.

Meer dan veertig jaar geleden is het bijna dat een aantal jeugdhulpverleners ervoor pleitte om gewone inrichtingen af te schaffen en zeer moeilijk opvoedbare kinderen op te nemen in “gewone huizen in gewone wijken”. Dat gaf toen (onverwachte) impuls aan vernieuwing van de jeugdhulp. Ik mocht in die beginjaren een van die hulpverleners zijn.

Inmiddels is er niets meer van die (Browndale) werkwijze over. Als gevolg van de invoering van een CAO, een werktijdenbesluit en tal van andere bureaucratische regeltjes. Waardoor deze vorm van jeugdhulp onbetaalbaar werd. Toen ik als jochie van 19 die kans kreeg voelde ik mij de hemel te rijk. Ons werk, destijds gestart onder verantwoordelijkheid van de Gunning Browndale Stichting in Rotterdam, werd betaald door de Gemeentelijke Sociale Dienst Rotterdam. Zij betaalden de plaatsingen en niet snel daarna volgde ook Justitie. Ik was – als voortijdig schoolverlater – tot dan toe een broodventer (Bakker Kouwenberg, Nijmegen) en ober (Van der Valk, Molenhoek) geweest. Pas jaren later (1980) studeerde ik af aan de Sociale Academie te Rotterdam. Vandaag de dag kan dat allemaal niet meer. Enthousiasme is leuk, maar zonder vakkennis kinderen met behoorlijke rafelrandjes weer op de rails krijgen? Dat kan nu (toch) niet. Of toch wel?

Afgelopen week ontving ik van Hans (11), een van de jongens die – samen met zijn broertje Marcel (9) – in 1976 bij mij in huis woonden, een berichtje via Messenger. Het bericht deed mij en mijn overtuiging groeien.

“Goedemorgen Peter Paul, ben jij vergeten hoe je mij toen vasthield? Om mij rustig te houden? Ik weet nog dat we naar jouw ouders gingen en dat we daar brood met appelmoes aten. Dat was leuk. En weet je nog, dat ik ’s ochtends aan de ontbijttafel altijd moest kiezen? ‘Pap’ of ‘brood’. Herinneren, herinneren, herinneren! Dat jij mee ging naar de tandarts en naar de voetbalvereniging (Xerxes, Rotterdam) en naar school. Of die moorkoppen, waarvan ik zei dat ik er wel tien achter elkaar kon opeten. Wat niet lukte natuurlijk! Of de hond die we hadden, Wodan. Ik ben nu 54 jaar, maar ik ben dat allemaal niet vergeten. Ik vond het zo lief dat er iemand was er voor mij. Het ga je goed ouwe vriend van vroeger. Groetjes, Hans.”

PS.

“Ook met Marcel gaat het goed en ook hij herinnert zich jou en de Kerst die wij samen vierden. Dat vond hij zo leuk en er is veel meer om leuk op terug kijken. Groetjes aan je vrouw. Ik ga nu eten, spreek je gauw.”

“Kinderen, die in tehuizen verblijven, krijgen niet wat ze nodig hebben en wat de gemeenschap hun is verschuldigd”, was een conclusie uit het toen (1974) verschenen Zwartboek Kinderbescherming. Deze conclusie vertolkte de gevoelens van “driehonderd mensen die dagelijks met kinderen in tehuizen werken “. Het was één van de redenen, waarom wij toentertijd iets anders wilden weergeven. Zo ontstond Browndale, waar wij op eigen wijze zochten naar antwoorden op bovengenoemde problematiek.

Redenen voor opname waren schoolmoeilijkheden, agressief gedrag, delinquentie, ‘promiscuïteit, zwerven, brandstichten, suïcidaal gedrag en zo meer. Naast een aantal door instanties als psychotisch en autistisch gediagnostiseerde kinderen waren het vooral kinderen, die vanaf hun prille jeugd ernstig emotioneel of pedagogisch verwaarloosd waren. Vaak kinderen, die van het ene pleeggezin of inrichting naar het andere zijn gegaan en voor wie Browndale, een “eindstation” betekende. Soms namen wij kinderen op voor een korte observatieperiode van ongeveer tien dagen. Er was een open intake en geen wachtperiode. In de korte tijd heeft dit in die jaren geleid tot opname van meer dan 300 kinderen in ongeveer 50 huizen.

De organisatie waarvoor ik destijds werkte (Gunning-Browndale Stichting, later Stichting Kleinschalige Hulpverlening aan Jongeren (SKHJ) huurde of kocht eengezinswoningen in een wijk van een stad. In een woning worden 5 of 6 jongens en meisjes van verschillende leeftijden geplaatst. Per wijk zijn niet meer dan 6 van dergelijke huizen; niet naast elkaar, maar verspreid over de wijk. De staf in het huis bestond uit drie tot vier jonge groepsleiders en groepsleidsters. Met deze opzet wilden wij het kind, dat door zijn gedrag uit de gemeenschap is gestoten, het gevoel geven dat het t6ch tot een gezin woont; een “gezin”, waar ouderfiguren voor hem zorgen. Bovendien woonde het kind in een huis dat niet verschilt van dat van de andere gezinnen in de buurt. Het voorkwam de discriminatie, “een kind uit een inrichting” te zijn. Ieder therapeutisch “gezin” ontving zijn eigen inkomen (huishoudgeld), afgestemd op dat van het gemiddelde gezin. Zo beslisten wij zelf wat er aan meubilair moest komen, of er een televisie of een auto nodig was, enzovoorts. Wij, als “ouders”, deden inkopen voor de maaltijden en betrokken de kinderen hierin. De kinderen ontwikkelen op deze manier begrip voor geld en verantwoordelijkheid voor wat er in hun huis kwam of kapot ging.

Ieder gezin bepaalde ook waar het de vakantie zou doorbrengen. Zo maakten wij bijvoorbeeld mee, dat wij met een volkswagenbusje door Engeland trokken Het bleek mogelijk te zijn, voor deze toch ernstig gestoorde kinderen, dusdanige voorzieningen te treffen (onder andere voldoende leiding), dat dit alles kon. Het meemaken van een dergelijke onderneming betekende voor de kinderen een verhoging van hun gevoel van eigenwaarde.

Dit alles was financieel mogelijk doordat men geen hoge kosten heeft voor het onderhoud van grote gebouwen en te veel hulpverleners. Wij woonden vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week bij en met de kinderen die bij ons verbleven. Het tegenwoordige werktijdenbesluit maakt dat daarvoor vandaag al gauw zes tot negen hulpverleners nodig zijn. Waarmee deze vorm van jeugdhulp niet alleen ‘werk’ is geworden, maar ook onbetaalbaar. De “verpleegprijs” voor ‘onze’ kinderen was fors lager dan wat de reguliere jeugdhulp toentertijd al kostte. De open intake was mogelijk, omdat steeds eengezinswoningen werden aangekocht, wanneer er in andere huizen geen plaats meer was.

De buurtkinderen bleken namelijk eveneens graag bij ons over de vloer te komen. Wij hadden tijd en aandacht voor hen en vonden niet alle fantasieën en emoties gek. Kinderen uit de buurt deelnamen aan allerlei vormen van sport en vrije tijd die wij organiseerden. Zo hadden wij onbedoeld, maar zeer gewenst, ook een betekenis voor de kinderen buiten ons gezin.

Een   kind kan alleen emotioneel groeien als er een hechte en veilige relatie is met een ouderfiguur, die — vooral als het kind emotioneel jong is — op alle momenten aanwezig is, dat dit nodig mocht zijn. Dat was en is nog altijd zo. Onze opgave was tot een wezenlijke relatie met het kind te komen, zodat er een gevoel ontstond van “bij elkaar te horen” en zodat het kind voelt dat het gewenst is en geaccepteerd wordt zoals het is. Alles kan dan belangrijk zijn: opstaan, eten, spelen, niets doen, zich terugtrekken, slapen. De wijze waarop deze ouderlijke zorg wordt gegeven bepaalt de therapeutische werking ervan.

Bovenstaande is vandaag helaas relevanter dan ooit. Kinderen die weken, zo niet maanden, moeten wachten voordat ze de hulp krijgen die ze nodig hebben. Als ze die al krijgen. Ouders die verloren raken in het systeem. Kortom, jeugdzorg en jeugdbescherming in Nederland staan in brand. Een brand die de verantwoordelijk minister wil blussen met een structuurverandering. Hij rent – het spoor volledig bijster – als een olifant door de porseleinkast.

Ik heb tientallen jaren ervaring in en met de jeugdzorg. Eerst dus bij Browndale, later bij een project voor begeleid wonen (kamer-training), dagopvang voor niet schoolgaande jeugd en daarna als directeur, bestuurder, wethouder en adviseur binnen het sociaal domein. In al die jaren hebben de ouders en kinderen waarmee ik mocht optrekken mij steeds één ding geleerd: ouders en kinderen willen er samen goed uitkomen. Alleen lukte dat niet altijd. Soms moet je constateren dat bij elkaar blijven wonen geen optie is. Niet, omdat ze niet willen, maar omdat het niet kan. Maar de ouders blijven wel ouders. En de kinderen zijn hun kinderen. Zoals de kinderen hun ouders, wat ze ook deden of doen, als hun ouders (willen) blijven zien. Juist daarom vind ik dat wij er alles aan moeten doen om kinderen een thuis te bieden.

Het gaat om liefde, warmte en respect leerde ook een rondgang van oud-kinderrechter Leeser langs kinderen met wie zij te maken had. Zij maakte voor het boek ‘Een moeilijke jeugd’ (2008, met Loes de Fauwe) een tocht langs volwassenen die als kind voor haar in de rechtszaal verschenen. Met de één gaat het nu heel goed, de ander blijft levenslang tobben. In de succesverhalen figureert vaak een liefhebbende pleegouder of zeer betrokken voogd. Zo zit het volgens Leeser: weet een kind zich met genegenheid omringd, ontmoet hij volwassenen die hem begrijpen, stimuleren, koesteren, dan kán een uithuisplaatsing het begin zijn van iets moois. Of in elk geval iets beters.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Achtergrond

Tienduizenden kinderen werden de afgelopen jaren op last van de kinderrechter uit huis geplaatst. Heeft die maatregel ze geholpen? Of hadden ze beter thuis kunnen blijven?  Talrijke kinderen komen in een pleeggezin of tehuis. Voor hun eigen bestwil, omdat het thuis te riskant leek of onveilig was.

De grote groep kinderen die dit lot treft, is zeer gemêleerd: er zijn slimme, beperkte, lastige, zelfredzame, heel jonge, puberende, mishandelde, misbruikte en alsmaar weglopende kinderen bij. Die hebben op hun beurt weer verslaafde, gewelddadige, beperkte, liefhebbende, ruziënde of verstandige ouders, die door omstandigheden even de grip op hun leven kwijt zijn.

In de wet staat dat kinderen alleen uit huis geplaatst mogen worden als dat ‘noodzakelijk’ is. De maatregel is een ‘ultimum remedium’, een uiterste middel. Een uithuisplaatsing is een paardenmiddel, een stormram waarmee het gezinsleven flink wordt ontwricht. Dat is voor een kleine groep kinderen onontkoombaar. Maar daarnaast is er een groot, grijs gebied van kinderen die mogelijk gevaar lopen thuis. Die misschien in hun ontwikkeling worden bedreigd, omdat hun ouders in een vechtscheiding verwikkeld zijn, of omdat hun moeder langdurig zwak, ziek of misselijk is. Die op grond van inschattingen, vermoedens en beschuldigingen uit hun vertrouwde omgeving worden gehaald. Die kinderen snappen niet altijd waarom ze weg moeten. Ze zijn het er soms ook helemaal niet mee eens.

Dat trauma is niet zelden het begin van een tocht die voor elk kind anders uitpakt. Goed of slecht, dat hangt voor een belangrijk deel ook af van waar het kind terecht komt, en van de begeleiding die het daar krijgt.

Juist daarom ook pleit ik ervoor dat gemeenten daadwerkelijk in de positie zijn en blijven om jeugdhulp uit te voeren. Met voor de kinderen die gedurende korte of langere tijd niet thuis kunnen wonen een thuis in de buurt. In de vorm van buurt- en in- of meeloopgezinnen, gezinshuizen of pleeggezinnen.

Hugo, het verwarde oliemannetje

kop in het zand

  • Wat ziet struisvogel Hugo in het zand?

Met extra geld en verplichte regionale samenwerking wil de minister van Welzijn en Zorg, Hugo de Jonge, de problemen in de jeugdzorg oplossen. Het symboliseert de kloof tussen de lokale overheden en hun inwoners en de rijksoverheid. Minister de Jonge in Den Haag spreekt een heel andere taal dan ooit wethouder de Jonge in Rotterdam. De conclusie? Hugo ontpopt zich als het verwarde oliemannetje dat in plaats van smeerolie zand in de machine van de transformatie gooit.

Om vernieuwing goed op gang te brengen, moeten de intensieve hulp en de eerste lijn worden verbeterd en de preventie en het pedagogisch klimaat in bijvoorbeeld gezin of school worden versterkt. En juist die versterking, waarvan nut en noodzaak sinds de decentralisatie (2015) bij gemeenten nadrukkelijk op het vizier staat, gaat nu weer de ijskast in.

De door De Jonge voorgestelde nieuwe ordening (centraliseren op regionaal- en bovenregionaal niveau) zal naar verwachting immers ook effecten hebben op de zorggelden die de gemeenten ontvangen en door gemeenten tot nu toe ook gebruikt kunnen worden voor de versterkte sturing op lokale jeugdhulp.  De aanpak die De Jonge voorstelt houdt in dat gemeenten delen van de jeugdzorg weer uit handen moeten geven:

  1. Op bovenregionale schaal wordt de jeugdzorg+, JB en JR en Veilig Thuis en het te ontwikkelen expertisecentrum specialistische jeugdhulp georganiseerd.
  2. Op regionale schaal worden pleegzorg, gezinsvervangende jeugdhulp, spoedzorg overdag, behandeling en hulp aan jongeren met een beperking, logeervoorzieningen en eenheid in de toegang belegd.
  3. Lokaal wordt al het overige, veelal in de vorm van algemene voorzieningen en kortdurende interventies en ook het Algemeen- en Scho0l Maatschappelijk Werk en de lokale publieke gezondheid, georganiseerd.

De voorstellen van De Jonge ontregelen de jeugdhulp alleen maar verder. De dans om het geld zal er niet minder om worden. En de jeugdhulp daardoor niet beter. Als de minister van VWS echt ballen had, verloste hij de sector van het verderfelijke aanbestedingscircus. De kantelingsdroom binnen het sociaal domein heeft geleid tot een heuse inkoopindustrie. Wat de vraag oproept of de zorg er is voor de mensen of de mensen er zijn voor (het zorgen voor werk voor) de aanbieders. Dit pennywise maar pound-foolish marktdenken levert niet alleen bureaucratische gedrochten en juridische steekspelen op. Het heeft ook desastreuze gevolgen voor de kwaliteit, de continuïteit en de kosten van jeugdhulp en beleid. Als wethouder in Rotterdam deelde hij die kritiek luidkeels. Als minister zwijgt hij daarover als het spreekwoordelijke graf.

De gekozen oplossing richting is in mijn ogen dus bizar. Net zo bizar als voor de wijzigingsvoorstellen het juichen langs de lijn van vakbonden en organisaties is. Ik vind dat – vanuit de belangen van ouders en kinderen en de betrokken medewerkers – ongelooflijk en pervers. Het is immers uitgesloten dat wij in een de huidige overspannen arbeidsmarkt voor meer dan een miljard aan nieuwe arbeidskrachten vinden? Het oplossende antwoord hierop is: de handen ineen te slaan. Niet door samen te staken, maar door samen te werken.

Ook het werken met regio’s als bestuurlijke eenheid is kwestieus. Niet alleen als het gaat om democratische verantwoording of gedwongen samenwerking. Erger is de dikke streep die daarmee gehaald wordt door de overtuiging dat de lokale overheid het dichtst bij de inwoners staat en dus het beste kan inschatten wat een passend antwoord op situaties is. Regiovorming vergroot de afstand tot de inwoners én de optelsom van verschillende samenwerkingen leidt tot een complex geheel, wat afbreuk doet aan de effectiviteit van gemeenten. De praktijk van alle dag leert dat ook. Gemeenten gijzelen elkaar en besluiten blijven daardoor uit of hebben, door de bestuurlijke drukte eromheen, een zo hoog compromisgehalte dat geen professional of inwoner nog kan begrijpen wat de bedoeling is.

Het terugdraaien van de decentralisatieafspraken herbergt een aantal risico’s waaronder het vergroten van bestaande puinhopen en meer bureaucratie die ook meer geld kost, iets wat ten koste gaat van de ondersteuning van jeugdigen en hun ouders/opvoeders.

De plannen van De Jonge duiden op een minister in verwarring. Zoals de hele overheid in verwarring lijkt. De oorzaak van deze verwarring ligt in tegengestelde denksystemen (Daniel Kahnemann; ‘Thinking fast, Thinking slow’). De politiek hanteert het snelle denksysteem (systeem 1) en is gericht op onmiddellijk handelen met rechtvaardiging achteraf en daarmee een grote kans op fouten. Het tweede systeem (systeem 2) is gericht op het maken van een goede verklarende probleemanalyse en het afwegen van alternatieven met als gevolg minder kans op fouten. Daat vraagt tijd en reflexief gedrag. Juist dat zijn ingrediënten die politici zichzelf ontzeggen. Het gevolg is een (politiek) probleem met verschillende aandoeningen en beperkingen. De aandoeningen waaraan zij lijden rijgen zich in hoog tempo aaneen: het aardgas, het stikstofbesluit en de verhoudingen met Europa bijvoorbeeld. Of de (aanpak van de) personele tekorten bij de politie, binnen het onderwijs, de jeugdhulp en de zorg.

De beperkingen waaraan politici leiden zijn naast het snelle denksysteem ook kortzichtigheid en het denken op korte termijn. Zij moeten telkens herkozen worden. Het gevolg: er wordt geen rekening gehouden met de lange termijn, zoals het leefbaar houden van onze planeet, of het houdbaar houden van onze jeugdhulp. Enkel de kortetermijnwensen gelden, want daarmee kunnen zij scoren.

De jeugdzorg kampt niet zozeer met geldgebrek. Als een kwart van alle geld voor jeugdhulp opgaat aan het circus van aanbesteding en er jaarlijks naar schatting rond de 2300 kwetsbare mensen “in behandeling” zijn bij zorgaanbieders die zich schuldig maken aan fraude en zorgverwaarlozing (hiermee is zeker 100 miljoen euro gemoeid), waag ik dat te betwijfelen. Zo bezien is het miljardenbudget voor jeugdhulp als het schieten met financiële hagel. Volstrekt ongericht en weinig effectief.

Het serieus probleem is een goede politiek-bestuurlijke aansturing. Met organisatorische eilanden als gevolg. Waardoor geen adequate ondersteuning op tijd en op maat gegeven kan worden. De rijksoverheid moet zorgdragen voor voldoende financiering van de jeugdhulp richting gemeenten. Gemeenten moeten de bureaucratie uit de jeugdhulp weghalen door te stoppen met het circus van aanbestedingen.

Ik ontken niet dat er ruimte voor verbetering is.  Maar de roep om steeds meer geld en verplichte samenwerking zullen de situatie niet verbeteren. Het menselijk maken van de hele hulpverlening wel! Structuur- en marktdenken naast geldlust spelen een te grote rol! Natuurlijk, minder administratieve lasten en reële tarieven zijn goed. Net als meer ruimte om aanbieders onderling en met gemeenten te laten samenwerken. Maar dat zijn zaken die ook zonder een structuurverandering en politiek paniekvoetbal goed te realiseren zijn. Willen wij echt een paar stappen vooruitkomen, dan is meer nodig dan een passend budget. Geduld, vertrouwen en een continue dialoog met inwoners in hun situatie bijvoorbeeld.

Jeugdigen en ouders weer in hun kracht zetten? Dat kunnen professionals die de ruimte en tijd krijgen om dar bij te springen of in te voegen waar dat van toevoegende waarde is: in de eigen leefomgeving van ouders en kinderen. Voldoende menskracht die daarvoor eerlijk wordt betaald, kunnen wij op lokaal niveau realiseren door jeugdhulp en onderwijs met elkaar te verbinden. Zo gemakkelijk kan het zijn. Daarvoor hoeft het stelsel niet op de schop. De nieuwe maatregelen versnipperen het stelsel weer in verschillende ‘lagen’, met een eigen financiering en aansturing. Daarmee strooit Hugo, het verwarde oliemannetje, zand in het radarwerk dat op lokaal niveau (eindelijk) op stoom kwam.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Niet samen staken, maar samenwerken!

samen staken of.png

  • Ik blijf het toch zeggen…

De vakbonden sloten onlangs een akkoord met minister van Onderwijs. Desondanks kwam de achterban in opstand, en er werd (weer) gestaakt. De 460 miljoen extra die voor het onderwijs werd toegezegd is volgens docenten en bonden niet voldoende. Volgens hen is er jaarlijks 423,5 miljoen euro extra nodig. Het grootste gedeelte van dat geld, ruim 241 miljoen euro, moet volgens hen naar het basisonderwijs. Met dat geld kan de werkdruk worden verlaagd door meer leraren aan te trekken en kunnen de salarissen worden verhoogd. Ook leraren in het voortgezet onderwijs hebben last van een hoge werkdruk. Om dat te beperken, is ook meer geld nodig. Daarnaast willen leraren dat er voldoende geld beschikbaar wordt gesteld om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren.

In dezelfde week pleit Jeugdzorg Nederland voor extra financiële middelen op de korte om de caseload structureel te verlagen. Oftewel: er moeten mensen bij.

Twee beroepsgroepen die zich, samen met ouders en andere opvoeders ontfermen over de (toekomst en ontwikkeling van) onze jeugd vragen beiden om forse financiële investeringen. Met name om de werkdruk te verlagen. Kleinere klassen en meer tijd voor aandacht. Het zijn idealen die mij uit het hart gegrepen zijn.

De wensen en claims van onderwijsgevenden en jeugdhulpverleners roepen echter ook vragen op. De krapte op de arbeidsmarkt in de onderwijs-, jeugd- en zorgsector is urgent en dagelijks voelbaar. Als er geen maatregelen worden genomen, is over een aantal jaar een tekort van 100.000 tot 125.000 professionals. Vacatures zijn niet alleen lastig te vervullen vanwege (gelukkig!) de economische voorspoed. Door deze tekorten sprake is van een te hoge werkdruk. Tegelijkertijd is het uitgesloten dat wij in een zo overspannen arbeidsmarkt voor meer dan een miljard aan nieuwe arbeidskrachten vinden. Of wij moeten ze importeren.

Extra geld voor onderwijs, jeugdhulp en zorg zal het probleem dus niet oplossen. Eerder zal het de frustratie doen toenemen. Er is wel geld, maar geen mens is geinteresseerd in het werk. Het gevolg zal zijn dat uitzend- en detacheringsbureaus en zzp’ers handig inspringen op het tekort. Ze vullen – tegen hogere tarieven – de lege plekken op. Met niet alleen een verder oplopende kloof in de honorering, maar ook afnemende kwaliteit en continuïteit als resultaat. De roep om meer geld is helemaal niet zo logisch als het wel lijkt.

George Brouwer, een oud-gedeputeerde voor onder andere de jeugdhulp in Zuid-Holland leerde mij als wethouder (1994 – 1998) ooit een belangrijke les. Eindeloos schaven aan voorstellen tot iedereen tevreden is, werkt niet. Wissel (politieke) wensen uit. Het is een wijze raad. Wat ook in het hier voorliggende probleem is niet het gebrek aan geld, maar het gebrek aan samenwerking ons probleem.

Het uitruilen van de wensen van de onderwijs-, jeugd- en zorgsector is niet alleen verstandiger, het is ook vele malen beter voor onze kinderen. Uitruilen heeft grote voordelen. Het leidt tot minder schotten, snellere actie en meer tijd en aandacht tegen – per saldo – lagere kosten.

Voor onze jeugd geven wij – terecht – miljarden uit. Is het niet aan jeugdgezondheidszorg, dan wel aan onderwijs, sport of jeugdhulp. En allemaal claimen zij dat er te weinig middelen zijn om hun doelstellingen op een adequate manier te bereiken. Het onderwijs bijvoorbeeld heeft een ernstig tekort aan leraren. De jeugdhulp op haar beurt barst uit zijn voegen en het Passend Onderwijs wringt. Er zijn veel gelijkluidende knelpunten, met een overeenkomstige roep om meer geld als antwoord op dezelfde behoefte: meer tijd en aandacht voor de kinderen (tegen een eerlijker beloning). Het oplossende antwoord hierop is: sla de handen ineen. Niet door samen te staken, maar door samen te werken.

Samenwerken, in termen van het samengaan van onderwijs en jeugdhulp ligt zo voor de hand, dat wij er overheen of langsheen kijken. Kinderen brengen het grootste deel van hun jeugd door op school en (rondom) thuis. Naast een opvoedplicht voor ouders kennen wij bovendien een leerplicht voor alle jeugdigen tot het 18de levensjaar.  Niet alleen hun doelstellingen zijn dezelfde, maar ook hun belangen zijn gelijk: het bevorderen dat kinderen (en hun ouders) bij het opgroeien, de opvoeding en het onderwijs op een adequate wijze ondersteund, gestimuleerd en gefaciliteerd worden. Zoveel als mogelijk in en samen met de eigen sociale omgeving.

Vaak gaan onderwijs en jeugdhulp over dezelfde jeugdigen. Veel lastige situaties spelen namelijk zowel thuis als op school en in de vrije tijd. Door ons stelsel- en beheer-denken worden zij veelal door verschillende diensten en hulpverleners opgepakt. Wij moeten een eind durven maken aan deze trend van versnippering en verkokering. Door een aanpak waarbij er verbinding wordt gemaakt tussen jeugdhulp en het (passend) onderwijs.

Kleinere klassen, minder werkdruk, effectieve aandacht voor ouders en kinderen en minder jeugdzorg. Het valt allemaal te realiseren. Niet met meer geld, maar vooral door bestaande budgetten slimmer toe te delen. Bijvoorbeeld door een belangrijk deel van de jeugdhulp over te hevelen resp. samen te voegen met het onderwijsbudget. Ouders voeden hun jeugdigen immers niet alleen op. De school, voorzieningen als opvang, jeugdwerk en sport dragen eveneens bij aan de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Die zijn nu – mede door de perverse prikkel van afzonderlijke financieringsstromen – onvoldoende op elkaar gericht.

Onderwijs en jeugdhulp worden alleen beter als wij het lef hebben om de dominante en heersende benadering (geld als de panacee voor onze problemen) te doorbreken. Als wij samen een omgeving scheppen waar waarbinnen advies en ondersteuning voor ouders, kinderen en jongeren niet alleen vanzelfsprekend, maar ook verbonden aan de eigen leefomgeving is. Zonder dat er direct een label opgeplakt moet of wordt. Als wij daarin slagen kunnen wij in plaats van fluiten naar de (boze) overkant weer fluitend naar en aan ons werk!

Kan het? Zeker, als wij elkaar zo gek krijgen het gewoon te doen! (Zie ook: Doe eens gek, doe normaal!). Mijn pleidooi is dan ook dat de ministers van Onderwijs en Jeugdhulp nu eens echt werk maken van het op een andere leest schoeien van de zorg voor onze jeugd. Met het versterken van de eigen verantwoordelijkheid en het probleemoplossend vermogen van ouders en kinderen als doel.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Buitengewoon

hors normes

  • Hors Normes, een aangrijpende en inspirerende film over de opvang van kinderen met autisme

De film vertelt het bijzondere verhaal van twee goede vrienden die zich met hart en ziel inzetten voor autistische kinderen die zonder hen geen plek hebben in de maatschappij.

Al meer dan 20 jaar runt Bruno (Cassel) een opvang voor autistische kinderen die nergens anders terecht kunnen. Wanneer ouders en zorginstellingen het echt niet meer weten, geeft Bruno hen een thuis. Zijn goede vriend Malek (Kateb) leidt met zijn organisatie jongeren uit moeilijke buurten op tot begeleiders van deze kinderen. Tijdens dit traject wisselen humoristische en confronterende situaties zich af en ontstaan er bijzondere vriendschappen.

De film is uit het leven gegrepen, met ijzersterke rollen van acteurs Vincent Cassel en Reda Kateb. De ontwapenende kinderen winnen meteen je hart.

Hors Normes (The Specials) is de nieuwe film van het regisseursduo Éric Toledano en Olivier Nakache, de makers van “Intouchables”.

Jeugdhulp als verdienmodel kapitale fout

verdienmodel.png

  • Het meeste wat we nodig hebben is onder handbereik

De enige luxe die kinderen écht willen, is bij hun ouders wonen.  En aandacht. Maar veel ouders zitten dan met de handen in het haar. Natuurlijk, ze willen het beste voor hun kinderen, maar dan wel graag ‘all-inclusive’ verzorgd door anderen. Want opvoeden? Daar hebben wij de tijd niet (meer) voor! Het gevolg is dat bij steeds meer gemeenten de kosten voor jeugdhulp over de schoenen lopen.

De (gecreëerde) vraag naar jeugdzorg blijft ongeremd stijgen. Niet, omdat onze jeugd zoveel moeilijker is geworden. Wel, omdat te veel ouders het steeds lastiger lijken te vinden ‘ gewone’ opvoedproblemen zelf op te lossen.  Kinderen lijken een luxeartikel te zijn geworden om mee te kunnen pronken.

Wij werken ons uit de naad. Om ons (te) dure huis te kunnen betalen. Om de tweede auto te kunnen bekostigen en om de tweede of derde vakantie per jaar veilig te stellen. Om nog maar te zwijgen over de festivals die wij met regelmaat willen bezoeken. Of dat hele speciale restaurant, waar je toch echt moet zijn geweest. Bij dat alles passen kinderen prima, zo lang ze maar geen last veroorzaken.

Kinderen die zich niet aan de regels willen houden? Drukke kinderen? Hoogbegaafd, of juist iets minder? Alles wat ons rustige leven dreigt te verstoren is een probleem dat direct opgelost moet worden. Door de overheid wel te verstaan. Meer precies: door hulpverleners die de overheid regelt en betaald. En wel nu!

Als de overheid of de door de overheid georganiseerde hulpverlening niet stante pede thuis geeft, spreken wij er schande van. Dan struikelen wij uit verontwaardiging over de woorden waarmee wij dat duidelijk menen te moeten maken. Helemaal als de hulpverleners de euvele moed hebben om te suggereren dat het gedrag van onze kinderen wellicht iets te maken kan hebben met ons eigen gedrag. Het gebrek aan tijd en aandacht voor onze kinderen bijvoorbeeld. We rennen en schreeuwen nog net niet schuimbekkend naar het gemeentehuis om ons beklag te doen als de hulpverleners niet snel genoeg antwoord geven op vragen en kwesties die ons verontrusten.

Dit probleem wordt nog eens versterkt, doordat heel wat ‘hulpverleners’ er een verdienmodel in zien. Onder het mom van ‘het belang van het kind’ worden heel wat ondersteuningsvormen ontwikkelt die onze opvoedingsverlegenheid faciliteren in plaats van oplossen. Er wordt te veel zorg geboden die kinderen beschadigt. Een ongemakkelijke werkelijkheid voor de duizenden mensen die dagelijks werken om juist dat te voorkomen.

Ben ik te somber? Ik denk het niet. Onlangs publiceerde de Inspectie Jeugdzorg een signalement over de gesloten jeugdzorg. De inspectie stelt vast dat het verdienmodel van de instellingen boven de rechtspositie van jongeren gaat. Én inmiddels is er sprake van een wildgroei aan lichte vormen van jeugdhulp. De Jeugdwet stelt geen grenzen aan de jeugdzorg. Niemand weet waar de zorgplicht van de gemeente ophoudt. Zo zien we nu gemeenten betalen voor oppasgroot­ouders, voor huiswerkklassen, voor therapie met paarden, met honden en met lama’s, Boer en Zorg, mindfulness voor kinderen en programma’s voor hoogbegaafde kinderen. Met als gevolg dat de ouders en kinderen die echt hulp nodig hebben – en geloof mij, die zijn er zeker – de daarvoor bestemde specialistische zorg ernstig in de knel zien geraken, waardoor zij verstoken raken of blijven van passende zorg.

Als er al politieke keuzes gemaakt worden om de ongebreidelde stijging van de kosten voor jeugdzorg een halt toe te roepen, dan liggen hier kansen en opgaven. De discussie waar gebruikelijke zorg ophoudt en publieke zorg begint, wordt namelijk veel te weinig gevoerd. En als dat wel het geval is, zijn het vaak financiële beheer motieven.  Een debat over eigen verantwoordelijkheid van ouders wordt vermeden. Een discussie in de eigen gemeente over welke ondersteuning door ouders zelf geregeld en betaald moet worden? Menig lokaal politicus laat het wel uit zijn hoofd.

Voor alle vormen van jeugdhulp geldt dat er een sterke groei te zien is: steeds meer ouders en jeugdigen doen er een beroep op. Vooral de instroom van kinderen en jongeren in de GGZ is explosief. Er lis dus wel iets aan de hand met de (opvoeding en begeleiding van) de Nederlandse jeugd.

Volgens mij is de dieperliggende verklaring hiervoor de manier waarop in de huidige samenleving gekeken wordt naar opvoedproblemen. De afname van ons tolerantieniveau bijvoorbeeld. Gedrag dat nog niet zo lang geleden als gedrag werd geïnterpreteerd dat hoorde bij het jong-zijn, wordt nu als maatschappelijke overlast gezien. Jengelende kinderen, driftbuien van een peuter leiden al lang niet meer tot begrip, maar tot verwijten. Vechtpartijtjes tussen jonge pubers of een fysieke aanval van een 12-jarige wordt al snel geïnterpreteerd als gewelddadig gedrag.

Natuurlijk, kinderen en jongeren kunnen onuitstaanbaar, lastig of agressief zijn. En daaraan moeten grenzen gesteld worden. En als we dan daarvan last hebben, proberen we dat niet op te lossen door ruimte te geven, grenzen te stellen én te communiceren, maar door “iemand te bellen”. We bellen een professional of een van de vele meldpunten. Dat is een prima idee als het gaat om kindermishandeling, huiselijk geweld of criminaliteit, maar dat zijn nu juist de problemen die onvoldoende gemeld worden. We bellen eigenlijk vooral voor die problemen waar we zelf last van hebben. Als ouders lijken we het opvoeden verleerd te zijn. We hebben instellingen en professionals nodig die geleerd hebben voor jeugdproblemen om onze opvoedproblemen op te lossen. En daarbij komt dat er dan al heel snel geroepen wordt om maatregelen en meer bevoegdheden van de overheid om in te grijpen.

Zeker, ik realiseer mij dat mijn betoog redelijk kort door de bocht is. Net zo goed als dat kritiek op de jeugd en zijn opvoeders van alle tijden is. Toch meen ik dat er op dit moment wat meer aan de hand is met het opvoeden in Nederland. Nederland heeft een uitgebreid systeem van bijzondere voorzieningen voor jeugdigen bij wie het opvoeden en opgroeien met behoorlijke problemen gepaard gaat. Dat is een goede zaak en een belangrijke verworvenheid van onze samenleving. Het is ook niet zo dat ouders het altijd met z’n tweeën of alleen kunnen klaren: steun en inzet van naasten en anderen is essentieel en wordt veelvuldig gezocht. Daarom gaat het meestal ook wel goed, al zal perfectie nooit bereikt kunnen worden.

Nogmaals, grote groepen kinderen en hun opvoeders hebben veel aan gespecialiseerde hulp, zorg, behandeling of onderwijs. Een pleidooi om dat type voorzieningen af te schaffen zou een rechtstreekse aanval op onze beschaving zijn. En snelle en adequate reacties op overlast en criminaliteit horen bij een rechtsstaat.

Een belangrijke levensvoorwaarde voor kinderen is, dat ze zich veilig voelen in het gezin waarin zij opgroeien. Ouders moeten kinderen geborgenheid en bescherming bieden. Kinderen moeten kunnen rekenen op hun ouders; zij reageren voorspelbaar, beschermen het kind tegen zichzelf, of tegen plagende broers en zussen. In de gewone dingen wekken ouders een gevoel van veiligheid: het liedje voor het slapen gaan, het lichtje dat blijft branden, het eigen speelhoekje.

Knuffelen, lachen, corrigeren en ontwikkelen. Warmte, aandacht en zorg zijn echter geen zaken die je kunt kopen. Sterker nog, het kost niks.  Je kunt het ongelimiteerd weggeven in de vorm van complimentjes, tijd en aandacht. Het kost niets en levert een hoop op.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden