Ik blijf het zeggen

ik blijf het zeggen.png

  • Geld is niet ons grootste probleem, gebrek aan transformatie wel

De VNG is met het Rijk in gesprek over de tekorten in het Sociaal Domein. Eind april neemt het kabinet een besluit over de voorjaarsnota. Voor gemeenten gaat het daarbij vooral om de thema’s jeugdhulp, Hoofdlijnen Akkoord Geestelijke Gezondheidszorg en de Wet Verplichte geestelijke gezondheidszorg. De discussie lijkt zich vooral toe te spitsen op de financiële tekorten bij gemeenten. Ik ontken het bestaan daarvan niet. Tegelijkertijd blijf ik zeggen: geld is niet ons grootste probleem. Het werkelijke probleem is gebrek aan transformatie.

Het kabinet heeft aangegeven onafhankelijk onderzoek te doen naar de jeugdhulp en eventuele volumegroei. Dat onderzoek is inmiddels in concept afgerond en er blijkt inderdaad sprake van een flinke volumegroei in de jeugdhulp. De VNG heeft daarop bij VWS aangedrongen op een adequate financiële compensatie hiervoor door het kabinet.

De volumegroei mag niet verbazen. Gemeenten zitten dichter op de huis van de inwoners. Daardoor zien zij niet alleen meer, inwoners spreken de gemeenten ook sneller aan op ondersteuning. Bij jeugd speelt daarbij ook nog eens het niet van de grond komen van Passend Onderwijs. Sterker nog: sneller en meer dan ooit verwijst het onderwijs voor zaken die eigenlijk hun verantwoordelijkheid zijn naar de gemeenten.

Waar wij met zijn allen niet, of in ieder geval niet voldoende, in slagen is het aanbieden van de juiste ondersteuning op de juiste plaats. Dat is ook de essentie van het Hoofdlijnenakkoord GGZ: de juiste zorg op de juiste plek organiseren. Onderdeel daarvan is meer mensen uit de instellingen, en meer zorg en ondersteuning thuis en in de wijk (ambulantisering). Daar heeft het sociaal domein een belangrijke rol. Natuurlijk, daar moeten middelen voor beschikbaar zijn. Ook hier echter is geld niet het grootste probleem. Het grootste probleem is onze samenleving. Of juister misschien: het gebrek aan een samenleving.

Ik haal de legendarische, vaak aangehaalde quote van Margaret Thatcher over dit onderwerp graag nog eens in onze herinnering. Want weet u, er is er lijkt steeds minder sprake van ‘de samenleving’. Er zijn individuele inwoners; jongens, meisjes, mannen en vrouwen, en er zijn gezinnen. En wij kunnen als hulpverleners niets doen zonder hulp van deze mensen. Mensen die allereerst naar zichzelf moeten kijken. Maar wij mensen denken steeds meer en veel te veel in rechten. Rechten zonder plichten.

Een van de belangrijkste beloften van de decentralisaties van het sociaal domein is democratisering. Maar dat lijken wij vergeten Dat met de decentralisaties ook een fundamenteel ander, meer democratische verhouding tussen inwoners en overheid in het sociaal domein wordt beoogd. Met decentralisaties wordt beleid over lokale problemen als zorg, welzijn en re-integratie lokaal gemaakt. Meer in het algemeen verplicht de inzet op eigen kracht tot het vinden van maximaal lokaal draagvlak, tot maximale transparantie van het gemeentelijk beleid, en tot verantwoording op het lokale niveau. Het gaat immers om de directe leefomgeving van mensen.

Maar dat is niet alles. De ambities van de decentralisaties reiken verder. Ten eerste moet decentralisatie niet alleen betrekking hebben op beleidsvorming, zoals vaak het geval is, maar ook op de uitvoering zelf: op de verhouding tussen de gemeenteraad en de organisaties die het beleid uitvoeren, de daarin werkende professionals en de inwoners voor wie het beleid bedoeld is. Instellingen en professionals zouden ‘meer ruimte’ moeten krijgen om lokaal maatwerk te leveren, minder gehinderd door dictaten van bovenaf uit Den Haag of de gemeente, en met veel minder verticale, bureaucratische verantwoording. In plaats daarvan zou er ‘horizontale verantwoording’ komen, tussen betrokkenen onderling.

Ten tweede was er de hoop en verwachting dat er een nieuwe verhouding tussen inwoners en overheid zou ontstaan. Een verhouding waarbij niet langer de overheid het beleid bepaalt en inwoners kunnen meepraten, maar het omgekeerde.

Dat alles is er tot op heden onvoldoende van gekomen. Het is nog steeds ieder voor zich. En dat geldt voor overheden, organisaties en inwoners. Het idee dat je een zekere verantwoordelijkheid hebt voor elkaar, leidt vooral tot et naar elkaar wijzen. Het is niet de taak van de overheid, noch van organisaties of individuele inwoners om te zorgen voor zieken, zwakken of minderbedeelden. Dat moeten wij samen doen.

Ja, ik hekel dus het afwentelen van verantwoordelijkheid. Net zoals ik het voortdurend vragen om meer geld voor zorg hekel. Omdat meer geld de problemen niet zal doen afnemen. Integendeel. Wij moeten als samenleving meer onze eigen broek ophouden, en elkaar onderling helpen, en niet bij elke klacht of tegenslag aankloppen bij de overheid. Het is onze plicht om voor onszelf te zorgen en dan ook te helpen om voor onze buren te zorgen. Leven is een wederkerige zaak, De kwaliteit van ons leven hangt af van de vraag in hoeverre we die verantwoordelijkheid durven te nemen en, ieder van ons, bereid zijn om anderen te helpen die minder geluk hebben. Als de grote meerderheid dat doet, kun wij ook uit de voeten met gevallen waarin het mis gaat – en er gaan dingen mis.

De discussie over het geld – of de tekorten, zo u wilt, leidt af van de echte uitdagingen;

  1. Een fundamentele discussie over het begrip ‘eigen verantwoordelijkheid’.
  2. De échte kanteling (of transformatie). Deze heeft in de meeste gemeenten nog niet plaatsgevonden. Wat opvalt is dat bijna iedere gemeente nog steeds bezig is met het zoeken naar de beste aanpak. Dat bestuurders, beleidsmakers, leidinggevenden en professionals daarbij vooral aanlopen tegen de weerbarstigheid van de processen in hun eigen organisatie. Mede daardoor worden gemeenten geconfronteerd met forse financiële tekorten. Daarmee komt de beschikbaarheid van zorg en ondersteuning voor mensen die dit nodig hebben in gevaar en dreigen wachtlijsten te ontstaan.
  3. Het primaat voor besluitvorming in het sociale domein. De gemeente staat nog steeds boven, in plaats van naast inwoners als het gaat om primaat van de besluitvorming.
  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

 

 

Advertenties

Groep acht

groep acht.png

  • Eighth Grade

De dertienjarige Kayla (Elsie Fisher) zit in haar laatste schooljaar voor High School.

Thuis maakt ze inspirerende Youtube-videos, maar in het echte leven is ze vooral een onzekere puber die maar moeilijk aansluiting vindt bij haar leeftijdgenoten. Kayla wil niets liever dan zichzelf zijn, maar hoe doe je dat? Daar probeert ze achter te komen, terwijl ze navigeert langs pijnlijke zwemfeestjes, een vader die er helemaal niks van begrijpt, populaire pestkoppen en ongewenst avances.

Komiek Bo Burham vangt in zijn indrukwekkende regiedebuut de tijdsgeest en het jong zijn zó goed dat het lijkt alsof zijn script rechtstreeks uit tienerdagboeken gehaald is. Komisch, authentiek en (pijnlijk) herkenbaar voor iedereen die jong is geweest. Na de première tijdens het Sundance Film Festival, waar Eighth Grade de publieksprijs won, veroverde Kayla de harten van de bezoekers met haar naïviteit, kwetsbaarheid en onhandigheid. Burnham is een 27-jarige komiek die zelf als onzekere tiener bekend werd via YouTube, en die achtergrond zie je overtuigend terug in het verhaal van Kayla.

Wie spijbelt er eigenlijk?

spijbelen.png

  • De oplossing is er, maar wij verzuimen ze toe te passen

Minister Slob (Onderwijs) is ontevreden over aantal thuiszitters. Terecht, want er komen steeds weer nieuwe thuiszitters bij. En dus hebben de partijen van het thuiszitterspact (ministeries van OCW, VWS en J&V, VNG, PO-Raad, VO-Raad en Ingrado) afgesproken dat er versneld extra maatregelen komen. Om te voorkomen dat jongeren thuis komen te zitten, of om jongeren die toch thuis te zitten zo snel mogelijk weer het onderwijs in te krijgen. Klinkt allemaal heel verstandig en dapper. Och is het een gotspe.

In een land waarin wij leerplicht kennen voor jongeren vanaf 5 jaar, totdat zij een diploma (startkwalificatie) hebben of 18 jaar worden, moet thuiszitten onbestaanbaar zijn. Toch hebben er in het hele schooljaar 2017-2018 4479 jongeren langer dan drie maanden thuisgezeten. Volgens de officiële cijfers dan en een ‘enge’ definitie van het begrip ‘thuiszitters’. Het ministerie van OCW hanteert voor een thuiszitter de definitie ‘Leerlingen die ingeschreven zijn op school, maar langer dan 4 weken thuiszitten’. Daarnaast is er ‘absoluut verzuim’. Dat zijn leerlingen die wel leerplichtig zijn, maar niet op een school staan ingeschreven en dus niet naar school gaan. Een derde groep zijn leerlingen die zijn vrijgesteld van de leerplicht omdat ze niet in staat zouden zijn tot het volgen van onderwijs. Een vergeten groep van thuiszitters zijn die leerlingen die wel zijn ingeschreven, maar geen onderwijs krijgen en waarvan de school het thuiszitten gemakshalve ontkent. Omdat het óf wel zo makkelijk is, of omdat hun aanwezigheid en gedrag het aanzien van de school kan schaden. Het werkelijke aantal ‘thuiszitters’ ligt dus fors hoger.

Géén thuiszitters meer: dat was en is één van de belangrijke doelstellingen van de invoering van passend onderwijs.

Met de komst van passend onderwijs is de zorgplicht ingevoerd. Deze zorgplicht maakt de school waar een leerling is ingeschreven, verantwoordelijk voor plaatsing en het onderwijs van de leerling. Toch zeggen scholen regelmatig nee zeggen tegen ‘moeilijke’ leerlingen. Zoeken scholen uitvluchten om ‘moeilijke’ leerlingen niet aan te nemen.

Dat het niet altijd makkelijk is voor scholen en onderwijsgevenden om aan de zorgplicht te voldoen begrijp ik. Toch maakt het de uitvluchten niet terecht.

Hebben leerkrachten het ook zonder de komst van ‘moeilijke’ leerlingen dan al niet zwaar genoeg? De onderwijssector is immers al jaren koploper als het gaat om burn-outklachten. Een op de vijf mensen in het onderwijs heeft ermee te maken. Is dat verwonderlijk? Nee! Het onderwijsbeleid wordt steeds meer gedreven door een economische logica waarbij leerkrachten aangemoedigd worden om zo efficiënt en effectief mogelijk te werken en onderworpen aan meer controle en verantwoordingsplicht. Ruimte om les en aandacht te geven aan de leerlingen komt daarbij steeds meer in het gedrang. Zo is er minder ruimte voor het lesgeven en de leerlingen zelf, maar ook voor collegiale relaties en voor het privéleven van de leerkracht. Dit heeft een emotioneel belastende impact op leerkrachten en kan leiden tot burn-outklachten.

Toch meen ik dat wij het paard achter de wagen spannen, wanneer wij deze argumenten accepteren als verklaring voor het probleem van de thuiszitters. Als de disbalans tussen werklast en draagkracht bij de onderwijsgevenden het probleem is, moeten wij niet gaan tornen aan het onderwijsrecht van onze jeugdigen. Dan moeten wij de oorzaken wegnemen. Niet, door het bestaan van ‘moeilijke’ leerlingen te ontkennen, maar door de draagkracht van ons onderwijssysteem te versterken. Juist ook, omdat het de terugkerende dagelijkse problemen met gedragsmoeilijke kinderen zijn die hun burn-outklachten veroorzaken.

Overbelasting is een probleem dat niet uniek is voor het onderwijssysteem alleen. Er zijn veel partijen betrokken bij thuiszitters, ieder met zijn eigen complexe problematiek. De school, het samenwerkingsverband en de leerplichtambtenaar, regelmatig ook jeugdhulp en soms ook justitie. Zij werken allemaal hard aan het oplossen van hun eigen probleem. Zij werken samen zoals velen leven in de grote stad: samen eenzaam!

Onderwijs en Jeugdzorg vragen het Rijk om extra middelen. Beiden ‘claimen’ zo’n 750 miljoen per jaar tekort te komen. Gelden die nodig zijn voor meer en beter gehonoreerd personeel. Zelfs als het Rijk aan deze parallelle claims tegemoet zou komen: waar halen wij in onze overspannen arbeidsmarkt vandaag de dag voor anderhalf miljard nieuwe medewerkers vandaan?

Een passend antwoord op de problemen rond passend onderwijs en passende jeugdhulp is naar mijn mening te vinden als de betrokken ministeries, professionals en hun koepel- en vakorganisaties hun problemen op een hoop gooien en samen oplossen. Als zij nauwer samenwerken kunnen wij kleinere klassen met meer tijd en aandacht voor de leerlingen realiseren. Dan ook kunnen wij – samen met ouders – veel meer uitdagingen rond opvoeden en gedrag in de eigen leefomgeving van kinderen en jeugdigen op- en aanpakken. Wij kunnen dan meer kinderen uit de jeugdhulp gewoon thuis laten wonen en samen met hun buurtgenoten naar school laten gaan.

Kortom: laten wij samen een doorbraak forceren. Door de samenwerking tussen partijen kracht bij te zetten. Niet door elkaars spijbelgedrag te begrijpen en goed te praten, maar door de handen (en de portemonnee) echt ineen te slaan.

  • Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Jij bent mijn vriend

jij bent mijn vriend.png

  • Een hartverwarmende film over de schooltijd van net overgekomen vluchtelingkinderen.

De film volgt Branche (6); vanaf de paniek van de eerste schooldag tot een zelfverzekerde jongen in de klas van meester Wout. Een film over het belang en de kracht van vriendschap en de hunkering van ieder mens naar een liefdevolle en veilige omgeving.

Petra en Peter Lataster filmden in hun kenmerkende observerende stijl; zonder commentaar of interviews en vanuit het perspectief van de kinderen.

Opvoeden is een ernstige zaak

opvoeden.png

  • Neem hem daarom niet al te serieus!

Natuurlijk, opvoeden kan best lastig zijn. Alleen al, omdat elk kind weer anders is. Net zoals zijn ouders en de omstandigheden waarin een kind opgroeit. Uitputting, twijfel, schuldgevoel. Het zijn zaken die elke opvoeder wel eens ervaart. Opvoeden is dat ook een ernstige zaak. En tegelijkertijd moeten wij haar niet te serieus nemen. Want opvoeden kan ook een eindeloos en overweldigende klus zijn. Als wij ons doen en laten ook durven relativeren. Als wij iets van de creativiteit en veerkracht van onze kinderen zouden durven adopteren. Als wij de lachspiegeltjes die zij ons voorhouden durven kijken. Dat is ook de boodschap die ik tijdens de Week van de Opvoeding 2018 graag wil meegeven aan alle opvoeders. Want opvoeden is eindeloos!

 

Protesteren is niet genoeg

protest.png

  • Een slechte actie vindt altijd goede argumenten

Werkers in de jeugdzorg wordt gevraagd maandag 3 september 2018 je vrij te houden voor een grote jeugdzorgmanifestatie in Den Haag! Waarom? Omdat er een eind moet komen aan de enorme werkdruk en administratieve last. De organiserende vakbond – FNV – eist  minstens € 750 miljoen extra voor de jeugdzorg, minder administratie en minder aanbestedingswaanzin. Tijd om actie te ondernemen!

Sta ik hier achter? Ja, en nee. Het is zeker tijd om in te grijpen! Ik begrijp nut en noodzaak. Voor de toekomst van het vak, voor gezond en prettig werken en voor kwaliteit voor het kind! Maar de eisen – lees oplossingen – die (voor-)gesteld worden, zijn wat mij betreft wel van de nodige kanttekeningen te voorzien.

  1. Regeldruk begint bij vaak bij onszelf

Zeker, de administratieve regeldruk is groot en moet binnen de zorg omlaag. Daarmee ben ik het eens. Een overmaat aan regeldruk kost veel geld, beperkt het werkplezier van medewerkers, leidt tot hogere werkdruk en heeft daarmee een negatief effect op de kwaliteit van en tijd voor zorg.

Ondanks alle initiatieven om de regeldruk terug te dringen, is de administratieve belasting de afgelopen jaren niet aantoonbaar verminderd. Wat zeg ik?  De regeldruk is gestegen, onder meer als gevolg van de decentralisaties in 2015. Maar niet alleen de overheid, uitvoeringsorganisaties en toezichthouders veroorzaken die regeldruk veroorzaken. Zij komt ook voort uit eigen interpretatie van die regels door zorgorganisaties zelf. Bovendien leggen zij zichzelf en haar professionals ook allerlei aanvullende regels op. 80% van de gewraakte regelgeving komt niet van de landelijke overheid, maar wordt in de weg naar en op de werkvloer bedacht door de mensen zelf. Om het voor hen beter beheersbaar te maken.

Mijn advies: bestuur de regels om het beste middel te vinden om ze te overtreden!

  1. Aanbestedingswaanzin: verkeerde mensen vragen verkeerde dingen

Aanbestedingen zijn bedoeld om de beste partij te zoeken voor het leveren van zakelijke producten en diensten. Wie wel eens een aanbestedingsdocument heeft gezien, weet hoeveel werk daarin gaat zitten. 30 tot 50 pagina’s is het minimum. Zo een document wordt vervolgens verspreid onder mogelijke aanbieders, zij krijgen de kans om vragen in te dienen en vervolgens dienen zij een voorstel te schrijven conform een specifiek format. Deze voorstellen wordt vervolgens gewogen tegen vooraf opgestelde criteria en daaruit volgt een keuze voor een aanbieder. Dat lijkt heel eerlijk en efficiënt, maar niets is minder waar. Waar een aanbesteding geschikt kan zijn voor het inkopen van standaardproducten, is het ronduit ongeschikt voor alles waar creativiteit, inzicht en menselijk talent bij nodig is. Na zo’n 40 jaar werken in de zorg weet ik dat de beste ideeën voor ontstaan in dialoog. Juist een diepgaand en goed gesprek over de situatie en wensen voor de toekomst brengt nieuwe inzichten en mogelijkheden naar voren. Dingen die noch de inkopende organisatie noch de aanbieder hadden kunnen bedenken. Dat is bij uitstek iets dat samen, in gesprek moet gebeuren. Hoe eerder in het proces deze dialoog plaatsvindt, hoe beter de oplossingen worden. Een aanbestedingstraject legt de vraag en aanpak eenzijdig en gedetailleerd vast voordat er ruimte is voor een dialoog met de aanbieders. Dit is een verarming van het proces en zorgt voor en minder kwalitatief aanbod dan mogelijk zou zijn met zo een dialoog.

Het beste recept voor een succesvol systeem? Werk samen met partners waarmee je eerder succesvol hebt samengewerkt. En dat kan bij aanbesteden niet, omdat de beste partner op papieren criteria wordt gekozen, met papieren antwoorden, en een technocratische rekensom waar ‘de beste’ uit rolt. (Zie ook: De speld op de mouw regeert)

  1. Geld is niet het grootste probleem, maar ons gebrek aan samenwerking

Het onderwijs heeft een ernstig tekort aan leraren. De jeugdhulp barst uit zijn voegen. Passend onderwijs wringt. Er zijn veel knelpunten bij onderwijs en jeugdhulp. Met een onmiddellijk roep om meer geld als gevolg. Terwijl de oplossing niet ligt in meer geld. De echte oplossing? Sla de handen ineen. Wij hebben samen de opdracht om de verschillende speelvelden met elkaar te verbinden en de plannen over en weer af te stemmen.

Samenwerking ligt voor de hand omdat de doelstelling dezelfde is, namelijk: bevorderen dat kinderen en ouders die behoefte hebben aan hulp bij het opgroeien, de opvoeding en het onderwijs (kosten-)effectiever, sneller en preventiever ondersteuning krijgen. Tegelijkertijd moet er een eind komen aan de explosieve groei van gespecialiseerd onderwijs en gespecialiseerde zorg. Deze hulp moet zoveel mogelijk in en met de eigen sociale omgeving geboden worden. Het aantal hulpverleners met wie ze te maken hebben, wordt tot een minimum beperkt.

Het veronderstelt een transformatie – zoals dat heet – waarbij de eigen verantwoordelijkheid en het probleemoplossend vermogen van ouders en kinderen versterkt worden. Vaak gaan onderwijs en de jeugdzorg over dezelfde jeugdigen. Veel problemen van jeugdigen spelen namelijk zowel thuis als op school als in de vrije tijd, maar worden veelal door verschillende diensten en hulpverleners opgepakt. Wij kunnen, nee moeten een eind maken aan deze versnippering en verkokering. Een integrale aanpak waarbij de verbinding wordt gelegd tussen jeugdhulp en het (passend) onderwijs is een belangrijke randvoorwaarde voor het welslagen van geformuleerde ambities.

Kleinere klassen, minder werkdruk, effectieve aandacht voor ouders en kinderen en minder jeugdzorg. Het valt allemaal te realiseren. Niet met meer geld, maar door bestaande budgetten slimmer toe te delen. Anders gezegd: hevel een belangrijk deel van de jeugdhulp over naar het onderwijs. Ouders voeden hun jeugdigen immers niet in hun eentje op. De school, voorzieningen als opvang, jeugdwerk en sport dragen eveneens bij aan de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Die zijn nu onvoldoende op elkaar gericht/ Kan het? Zeker, als wij elkaar zo gek krijgen het gewoon te doen! (zie ook: Doe eens gek, doe normaal!)

Het risico van de voorgestelde manifestatie is dat het meer van hetzelfde is. Dat de eisen in de postvakjes terecht komen van politici en bestuurders Waarin soortgelijke verzoeken liggen vanuit talloze andere hoeken. Met als resultaat: teleurstelling en energieverlies. Gewoon, omdat niet alle wensen ingewilligd, want betaald kunnen worden. Ik ben niet tegen actie. Maar protesteren is niet genoeg. Natuurlijk, voor elke actie vinden wij altijd wel goede argumenten. Maar de beste actie is dat te doen wat haalbaar is en beter voor onze toekomst!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Begrip slaat dood!

begrijpen.png

  • Als al ons begrijpen tot begrip leidt, is het einde zoek!

“Jij bent altijd zo begrijpend, word je dan nooit boos?” Dit vroeg iemand mij laatst. Het antwoord dat ik gaf puzzelde mijn gesprekspartner. Ik zei: “Dat ik veel kan begrijpen, wil nog niet zeggen dat ik overal begrip voor heb. En zeker ook niet dat ik nooit boos word. Ik kan begrijpen dat iemand zijn kind slaat. Maar dat betekent nog niet dat ik er begrip voor heb! Of dat het mij iet boos maakt.” Begrip voor anderen, begrip van anderen, begrip voor onszelf… moeilijk! Iets begrijpen is iets anders dan begrip voor iets of iemand hebben.

Wat lijken ze op elkaar, vindt u ook niet? De termen ‘begrijpen’ en ‘begrip hebben’. En wat worden ze vaak – ten onrechte – door elkaar heen gebruikt. Als ware het synoniemen. Woorden of begrippen zijn het, met eenzelfde betekenis. Niets is minder waar. Er is een wereld van verschil. Om beroepsmatig goed met mensen te kunnen werken is het van belang te begrijpen. Pas echter op voor (te veel) begrip.

Begrijpen is een mentaal proces waarbij verband wordt gelegd tussen oorzaak en gevolg. Begrijpen doe je met het hoofd. Iemand begrijpen betekent dat je zijn redenering wel kunt volgen, of dat je de logica wel ziet in de keuzes die de ander maakt.   Nog ongeacht of jij zelf die keuzes ook op die manier zou maken. Maar ze zijn voor jou in ieder geval te volgen. Dat is een voorwaarde voor professioneel gedrag. Begrijpen is snappen. Begrip hebben is goedkeuren, het ermee eens zijn. En dat laatste is niet noodzakelijk. Sterker nog, als al ons begrijpen tot begrip leidt is het einde zoek en lossen wij niets meer op!

Dat ouders die scheiden zich kunnen laten drijven door rancune jegens hun (ex-) partner kan ik begrijpen. Maar voor de gevolgen die dat kan hebben voor bijvoorbeeld hun kinderen heb ik geen begrip. Zou ik wel dat begrip wel hebben, dan is dat een recept voor rampzalige gevolgen. Met de kinderen als slachtoffer.

Begrijpen en begrip. In ons dagelijks doen en laten beïnvloeden die twee elkaar maar al te zeer. Wat ons bevalt, denken we te begrijpen. En wat we begrijpen, bevalt ons, want daarmee bevestigen we ons verlangen de wereld goed genoeg te begrijpen. Ook in de zorg voor mensen gaat dit op. We denken bij voorkeur over ons handelen vanuit onze emotionele verlangens. En daarmee belemmeren we niet zelden het adequate antwoord of de oplossing. Toch, zoals Albert Einstein al eens zei: “We kunnen een probleem niet oplossen met de denkwijze die het heeft veroorzaakt.”

Het voortdurend goochelen met begrijpen en begrip leidt tot een spel van verdeel en heers. Waarbij wij het risico lopen afgeleid te worden van de oplossing. Om in oplossingen te kunnen praten moeten we het eerst eens zijn over het probleem. We moeten het probleem kunnen beschrijven en de omvang ervan begrijpen. Tegelijkertijd echter moeten er niet direct of automatisch begrip voor opbrengen.

Nou denkt u misschien: “Die is knettergek. Wat een letterknecht.” En ja, u mag mijn analyse compleet belachelijk vinden of er iets mee doen. Ik schrijf wat ik vind. Simpelweg omdat wij als hulpverleners, wanneer wij elk probleem dat wij kunnen begrijpen met begrip omarmen, wij onszelf en de mensen met en voor wie wij werken in de gevangenis van het probleem zetten.

De oplossing ligt hem in het willen doorbreken van de situatie; het willen aanpakken van het probleem. Dat vraagt om het openbreken van de ‘gevangenis’ die het probleem vormt. Dat kan niet met begrip en ja, dat is ook geen eenvoudige opgave. Het vraagt van ons als professionals naast de nodige bevlogenheid en nieuwsgierigheid ook om lef en kaders (grenzen) durven stellen. Het is een voortdurend zoeken naar een manier om een doorbraak te realiseren in het patroon dat tot een probleem leidt.

Soms is dat eenvoudig en snel te realiseren. Op andere momenten is dat een zaak van lange adem, puzzelen en uitproberen. Vaak, door niet het probleem centraal te stellen, maar de context waarbinnen het probleem zich voordoet. De context is namelijk wel beïnvloedbaar! Verandering van context is cruciaal als het aankomt op het beïnvloeden van patronen.

Ons handelen wordt vaak geleid door vaste patronen. En als we moeten veranderen hebben we de neiging om de hakken in het zand te zetten. Natuurlijk kunnen wij mensen aanspreken op verkeerd gedrag.  Of een moreel appèl doen. Mensen komen dan zeker even in beweging. Van een structurele verandering zal geen sprake zijn. Daar is nu eenmaal een ander uitgangspunt voor nodig! Dat andere uitgangspunt bereiken wij door het probleem in een ander kader te plaatsen (herkaderen) kan een nieuw perspectief worden aangeboden.

Herkaderen doen wij door het geven van een andere betekenis aan een verschijnsel. Bijvoorbeeld  wanneer we belemmerende overtuigingen tegenkomen die we graag willen doorbreken. Aangezien elke betekenis context afhankelijk is, kunnen we spelen met de context. Dus spelen met het kader. We zullen merken dat inhoud en betekenis dan mee veranderen. De basis van herkaderen is: het scheiden van begrijpen en begrip.. Door iets te herkaderen gaan we er anders naar kijken.

Door te spelen met de context, zijn we in staat nieuwe overtuigingen aan te nemen en ook nieuwe inzichten te ontvangen en nieuwe kansen te zien.

Een herkadering kun je eenvoudig inluiden::

  • Ik kan me heel goed voorstellen dat je het zo ziet… wat zou het betekenen als….
  • Heb je er wel eens over nagedacht dat er mensen zijn die dit…….
  • Hoe zou het voor je zijn als ik je vertel dat ik het totaal anders ervaar…..
  • En als ik nu eens zeg dat ……..(wat zeg jij dan…..)
  • Zou het ook kunnen zijn dat ……
  • Wat nu als dat niet waar blijkt te zijn…….
  • Heb je wel eens meegemaakt dat………..

Een wijziging van de context bestaat uit het veranderen van bijvoorbeeld:

  • Tijd (verleden of toekomst)
  • Plaats/ruimte
  • Omstandigheden

Door de context te veranderen schudden we als het ware aan de wortel van het probleem.

Rekening houden met anderen? Doe dat vooral. Vanuit het begrijpen van de situatie, niet vanuit begrip daarvoor. Als ik iemand niet goed begrijp, doe ik hem of haar tekort. Met (te veel) begrip doen wij feitelijk hetzelfde. Wij slaan de deur naar een oplossing met een harde knal dicht!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.