Opvoeden is een ernstige zaak

opvoeden.png

  • Neem hem daarom niet al te serieus!

Natuurlijk, opvoeden kan best lastig zijn. Alleen al, omdat elk kind weer anders is. Net zoals zijn ouders en de omstandigheden waarin een kind opgroeit. Uitputting, twijfel, schuldgevoel. Het zijn zaken die elke opvoeder wel eens ervaart. Opvoeden is dat ook een ernstige zaak. En tegelijkertijd moeten wij haar niet te serieus nemen. Want opvoeden kan ook een eindeloos en overweldigende klus zijn. Als wij ons doen en laten ook durven relativeren. Als wij iets van de creativiteit en veerkracht van onze kinderen zouden durven adopteren. Als wij de lachspiegeltjes die zij ons voorhouden durven kijken. Dat is ook de boodschap die ik tijdens de Week van de Opvoeding 2018 graag wil meegeven aan alle opvoeders. Want opvoeden is eindeloos!

 

Advertenties

Protesteren is niet genoeg

protest.png

  • Een slechte actie vindt altijd goede argumenten

Werkers in de jeugdzorg wordt gevraagd maandag 3 september 2018 je vrij te houden voor een grote jeugdzorgmanifestatie in Den Haag! Waarom? Omdat er een eind moet komen aan de enorme werkdruk en administratieve last. De organiserende vakbond – FNV – eist  minstens € 750 miljoen extra voor de jeugdzorg, minder administratie en minder aanbestedingswaanzin. Tijd om actie te ondernemen!

Sta ik hier achter? Ja, en nee. Het is zeker tijd om in te grijpen! Ik begrijp nut en noodzaak. Voor de toekomst van het vak, voor gezond en prettig werken en voor kwaliteit voor het kind! Maar de eisen – lees oplossingen – die (voor-)gesteld worden, zijn wat mij betreft wel van de nodige kanttekeningen te voorzien.

  1. Regeldruk begint bij vaak bij onszelf

Zeker, de administratieve regeldruk is groot en moet binnen de zorg omlaag. Daarmee ben ik het eens. Een overmaat aan regeldruk kost veel geld, beperkt het werkplezier van medewerkers, leidt tot hogere werkdruk en heeft daarmee een negatief effect op de kwaliteit van en tijd voor zorg.

Ondanks alle initiatieven om de regeldruk terug te dringen, is de administratieve belasting de afgelopen jaren niet aantoonbaar verminderd. Wat zeg ik?  De regeldruk is gestegen, onder meer als gevolg van de decentralisaties in 2015. Maar niet alleen de overheid, uitvoeringsorganisaties en toezichthouders veroorzaken die regeldruk veroorzaken. Zij komt ook voort uit eigen interpretatie van die regels door zorgorganisaties zelf. Bovendien leggen zij zichzelf en haar professionals ook allerlei aanvullende regels op. 80% van de gewraakte regelgeving komt niet van de landelijke overheid, maar wordt in de weg naar en op de werkvloer bedacht door de mensen zelf. Om het voor hen beter beheersbaar te maken.

Mijn advies: bestuur de regels om het beste middel te vinden om ze te overtreden!

  1. Aanbestedingswaanzin: verkeerde mensen vragen verkeerde dingen

Aanbestedingen zijn bedoeld om de beste partij te zoeken voor het leveren van zakelijke producten en diensten. Wie wel eens een aanbestedingsdocument heeft gezien, weet hoeveel werk daarin gaat zitten. 30 tot 50 pagina’s is het minimum. Zo een document wordt vervolgens verspreid onder mogelijke aanbieders, zij krijgen de kans om vragen in te dienen en vervolgens dienen zij een voorstel te schrijven conform een specifiek format. Deze voorstellen wordt vervolgens gewogen tegen vooraf opgestelde criteria en daaruit volgt een keuze voor een aanbieder. Dat lijkt heel eerlijk en efficiënt, maar niets is minder waar. Waar een aanbesteding geschikt kan zijn voor het inkopen van standaardproducten, is het ronduit ongeschikt voor alles waar creativiteit, inzicht en menselijk talent bij nodig is. Na zo’n 40 jaar werken in de zorg weet ik dat de beste ideeën voor ontstaan in dialoog. Juist een diepgaand en goed gesprek over de situatie en wensen voor de toekomst brengt nieuwe inzichten en mogelijkheden naar voren. Dingen die noch de inkopende organisatie noch de aanbieder hadden kunnen bedenken. Dat is bij uitstek iets dat samen, in gesprek moet gebeuren. Hoe eerder in het proces deze dialoog plaatsvindt, hoe beter de oplossingen worden. Een aanbestedingstraject legt de vraag en aanpak eenzijdig en gedetailleerd vast voordat er ruimte is voor een dialoog met de aanbieders. Dit is een verarming van het proces en zorgt voor en minder kwalitatief aanbod dan mogelijk zou zijn met zo een dialoog.

Het beste recept voor een succesvol systeem? Werk samen met partners waarmee je eerder succesvol hebt samengewerkt. En dat kan bij aanbesteden niet, omdat de beste partner op papieren criteria wordt gekozen, met papieren antwoorden, en een technocratische rekensom waar ‘de beste’ uit rolt. (Zie ook: De speld op de mouw regeert)

  1. Geld is niet het grootste probleem, maar ons gebrek aan samenwerking

Het onderwijs heeft een ernstig tekort aan leraren. De jeugdhulp barst uit zijn voegen. Passend onderwijs wringt. Er zijn veel knelpunten bij onderwijs en jeugdhulp. Met een onmiddellijk roep om meer geld als gevolg. Terwijl de oplossing niet ligt in meer geld. De echte oplossing? Sla de handen ineen. Wij hebben samen de opdracht om de verschillende speelvelden met elkaar te verbinden en de plannen over en weer af te stemmen.

Samenwerking ligt voor de hand omdat de doelstelling dezelfde is, namelijk: bevorderen dat kinderen en ouders die behoefte hebben aan hulp bij het opgroeien, de opvoeding en het onderwijs (kosten-)effectiever, sneller en preventiever ondersteuning krijgen. Tegelijkertijd moet er een eind komen aan de explosieve groei van gespecialiseerd onderwijs en gespecialiseerde zorg. Deze hulp moet zoveel mogelijk in en met de eigen sociale omgeving geboden worden. Het aantal hulpverleners met wie ze te maken hebben, wordt tot een minimum beperkt.

Het veronderstelt een transformatie – zoals dat heet – waarbij de eigen verantwoordelijkheid en het probleemoplossend vermogen van ouders en kinderen versterkt worden. Vaak gaan onderwijs en de jeugdzorg over dezelfde jeugdigen. Veel problemen van jeugdigen spelen namelijk zowel thuis als op school als in de vrije tijd, maar worden veelal door verschillende diensten en hulpverleners opgepakt. Wij kunnen, nee moeten een eind maken aan deze versnippering en verkokering. Een integrale aanpak waarbij de verbinding wordt gelegd tussen jeugdhulp en het (passend) onderwijs is een belangrijke randvoorwaarde voor het welslagen van geformuleerde ambities.

Kleinere klassen, minder werkdruk, effectieve aandacht voor ouders en kinderen en minder jeugdzorg. Het valt allemaal te realiseren. Niet met meer geld, maar door bestaande budgetten slimmer toe te delen. Anders gezegd: hevel een belangrijk deel van de jeugdhulp over naar het onderwijs. Ouders voeden hun jeugdigen immers niet in hun eentje op. De school, voorzieningen als opvang, jeugdwerk en sport dragen eveneens bij aan de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Die zijn nu onvoldoende op elkaar gericht/ Kan het? Zeker, als wij elkaar zo gek krijgen het gewoon te doen! (zie ook: Doe eens gek, doe normaal!)

Het risico van de voorgestelde manifestatie is dat het meer van hetzelfde is. Dat de eisen in de postvakjes terecht komen van politici en bestuurders Waarin soortgelijke verzoeken liggen vanuit talloze andere hoeken. Met als resultaat: teleurstelling en energieverlies. Gewoon, omdat niet alle wensen ingewilligd, want betaald kunnen worden. Ik ben niet tegen actie. Maar protesteren is niet genoeg. Natuurlijk, voor elke actie vinden wij altijd wel goede argumenten. Maar de beste actie is dat te doen wat haalbaar is en beter voor onze toekomst!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Begrip slaat dood!

begrijpen.png

  • Als al ons begrijpen tot begrip leidt, is het einde zoek!

“Jij bent altijd zo begrijpend, word je dan nooit boos?” Dit vroeg iemand mij laatst. Het antwoord dat ik gaf puzzelde mijn gesprekspartner. Ik zei: “Dat ik veel kan begrijpen, wil nog niet zeggen dat ik overal begrip voor heb. En zeker ook niet dat ik nooit boos word. Ik kan begrijpen dat iemand zijn kind slaat. Maar dat betekent nog niet dat ik er begrip voor heb! Of dat het mij iet boos maakt.” Begrip voor anderen, begrip van anderen, begrip voor onszelf… moeilijk! Iets begrijpen is iets anders dan begrip voor iets of iemand hebben.

Wat lijken ze op elkaar, vindt u ook niet? De termen ‘begrijpen’ en ‘begrip hebben’. En wat worden ze vaak – ten onrechte – door elkaar heen gebruikt. Als ware het synoniemen. Woorden of begrippen zijn het, met eenzelfde betekenis. Niets is minder waar. Er is een wereld van verschil. Om beroepsmatig goed met mensen te kunnen werken is het van belang te begrijpen. Pas echter op voor (te veel) begrip.

Begrijpen is een mentaal proces waarbij verband wordt gelegd tussen oorzaak en gevolg. Begrijpen doe je met het hoofd. Iemand begrijpen betekent dat je zijn redenering wel kunt volgen, of dat je de logica wel ziet in de keuzes die de ander maakt.   Nog ongeacht of jij zelf die keuzes ook op die manier zou maken. Maar ze zijn voor jou in ieder geval te volgen. Dat is een voorwaarde voor professioneel gedrag. Begrijpen is snappen. Begrip hebben is goedkeuren, het ermee eens zijn. En dat laatste is niet noodzakelijk. Sterker nog, als al ons begrijpen tot begrip leidt is het einde zoek en lossen wij niets meer op!

Dat ouders die scheiden zich kunnen laten drijven door rancune jegens hun (ex-) partner kan ik begrijpen. Maar voor de gevolgen die dat kan hebben voor bijvoorbeeld hun kinderen heb ik geen begrip. Zou ik wel dat begrip wel hebben, dan is dat een recept voor rampzalige gevolgen. Met de kinderen als slachtoffer.

Begrijpen en begrip. In ons dagelijks doen en laten beïnvloeden die twee elkaar maar al te zeer. Wat ons bevalt, denken we te begrijpen. En wat we begrijpen, bevalt ons, want daarmee bevestigen we ons verlangen de wereld goed genoeg te begrijpen. Ook in de zorg voor mensen gaat dit op. We denken bij voorkeur over ons handelen vanuit onze emotionele verlangens. En daarmee belemmeren we niet zelden het adequate antwoord of de oplossing. Toch, zoals Albert Einstein al eens zei: “We kunnen een probleem niet oplossen met de denkwijze die het heeft veroorzaakt.”

Het voortdurend goochelen met begrijpen en begrip leidt tot een spel van verdeel en heers. Waarbij wij het risico lopen afgeleid te worden van de oplossing. Om in oplossingen te kunnen praten moeten we het eerst eens zijn over het probleem. We moeten het probleem kunnen beschrijven en de omvang ervan begrijpen. Tegelijkertijd echter moeten er niet direct of automatisch begrip voor opbrengen.

Nou denkt u misschien: “Die is knettergek. Wat een letterknecht.” En ja, u mag mijn analyse compleet belachelijk vinden of er iets mee doen. Ik schrijf wat ik vind. Simpelweg omdat wij als hulpverleners, wanneer wij elk probleem dat wij kunnen begrijpen met begrip omarmen, wij onszelf en de mensen met en voor wie wij werken in de gevangenis van het probleem zetten.

De oplossing ligt hem in het willen doorbreken van de situatie; het willen aanpakken van het probleem. Dat vraagt om het openbreken van de ‘gevangenis’ die het probleem vormt. Dat kan niet met begrip en ja, dat is ook geen eenvoudige opgave. Het vraagt van ons als professionals naast de nodige bevlogenheid en nieuwsgierigheid ook om lef en kaders (grenzen) durven stellen. Het is een voortdurend zoeken naar een manier om een doorbraak te realiseren in het patroon dat tot een probleem leidt.

Soms is dat eenvoudig en snel te realiseren. Op andere momenten is dat een zaak van lange adem, puzzelen en uitproberen. Vaak, door niet het probleem centraal te stellen, maar de context waarbinnen het probleem zich voordoet. De context is namelijk wel beïnvloedbaar! Verandering van context is cruciaal als het aankomt op het beïnvloeden van patronen.

Ons handelen wordt vaak geleid door vaste patronen. En als we moeten veranderen hebben we de neiging om de hakken in het zand te zetten. Natuurlijk kunnen wij mensen aanspreken op verkeerd gedrag.  Of een moreel appèl doen. Mensen komen dan zeker even in beweging. Van een structurele verandering zal geen sprake zijn. Daar is nu eenmaal een ander uitgangspunt voor nodig! Dat andere uitgangspunt bereiken wij door het probleem in een ander kader te plaatsen (herkaderen) kan een nieuw perspectief worden aangeboden.

Herkaderen doen wij door het geven van een andere betekenis aan een verschijnsel. Bijvoorbeeld  wanneer we belemmerende overtuigingen tegenkomen die we graag willen doorbreken. Aangezien elke betekenis context afhankelijk is, kunnen we spelen met de context. Dus spelen met het kader. We zullen merken dat inhoud en betekenis dan mee veranderen. De basis van herkaderen is: het scheiden van begrijpen en begrip.. Door iets te herkaderen gaan we er anders naar kijken.

Door te spelen met de context, zijn we in staat nieuwe overtuigingen aan te nemen en ook nieuwe inzichten te ontvangen en nieuwe kansen te zien.

Een herkadering kun je eenvoudig inluiden::

  • Ik kan me heel goed voorstellen dat je het zo ziet… wat zou het betekenen als….
  • Heb je er wel eens over nagedacht dat er mensen zijn die dit…….
  • Hoe zou het voor je zijn als ik je vertel dat ik het totaal anders ervaar…..
  • En als ik nu eens zeg dat ……..(wat zeg jij dan…..)
  • Zou het ook kunnen zijn dat ……
  • Wat nu als dat niet waar blijkt te zijn…….
  • Heb je wel eens meegemaakt dat………..

Een wijziging van de context bestaat uit het veranderen van bijvoorbeeld:

  • Tijd (verleden of toekomst)
  • Plaats/ruimte
  • Omstandigheden

Door de context te veranderen schudden we als het ware aan de wortel van het probleem.

Rekening houden met anderen? Doe dat vooral. Vanuit het begrijpen van de situatie, niet vanuit begrip daarvoor. Als ik iemand niet goed begrijp, doe ik hem of haar tekort. Met (te veel) begrip doen wij feitelijk hetzelfde. Wij slaan de deur naar een oplossing met een harde knal dicht!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Monstertjes hebben ouders….

bully parants.png

  • Geluk komt van aandacht, ongeluk van verwaarlozen

Dit wordt geen leuke blog om te lezen. Althans, als u ook een van ‘afwezige’ ouders bent. Ouders die geen tijd meer hebben of maken om vanaf het prilste begin genoeg tijd met hun kinderen door te brengen. Als u zo’n terugtrekkende ouder bent, die wel de ‘lusten’, maar niet de ‘lasten’ wil van het hebben van kinderen. Zo’n vader of moeder die zich met alle energie op werk, carrière en het betalen van hypotheek, vakanties en spullen stort, en steeds minder in zijn of haar kinderen investeert. Met (een deel van hen) heb ik namelijk een stevig appeltje te schillen.

Schreeuwende, rond rennende kinderen in een restaurant en ouders die er lachend en vertederd naar te kijken. Kinderen die brutaal alles vragen wat ze willen weten en geen ouder die hen de mond snoert. Kinderen die alles willen hebben en het nog krijgen ook. Niets moet, alles mag, want dat is beter voor… ja, voor wie eigenlijk? Pedagogische weifelachtigheid en gemakzuchtige verwennerij hebben een generatie van onuitstaanbare prinsen en prinsesjes gebaard. Mirjam Schöttelndreier veegde in haar boek “Monsters van kinderen, draken van ouders” (1996) al eens de vloer aan met deze eigentijdse opvoedingsverdwazing. Vergeefs, zo lijkt het anno 2018. Het is tegenwoordig normaal om kinderen al in hun vroegste levensjaren in grote mate aan de zorg van anderen over te laten. Aan grootouders, gastouders, wisselende crècheleidsters en onderwijsgevenden.

Zo leerde mij deze week ook week een krantenbericht (AD). Volgens dat bericht moeten basisscholen in het speciaal onderwijs extra kleuterklassen openen om de toestroom van jonge kinderen met gedragsproblemen aan te kunnen. Volgens diezelfde scholen hebben niet per se die of meer kinderen aandoeningen, maar ontstaat het probleemgedrag met name door complexere thuissituaties: kinderen worden niet goed meer opgevoed.

U kent vast ook die verwende prinsjes en prinsesjes. Kindertjes die zich aan geen enkel gebod wat gelegen laten liggen. Of scholen die kinderen ’s ochtend of ’s middag ‘bijvoeren’ omdat ze thuis niet meer gezond eten.

De ‘losse’ nieuwtjes over deze ontwikkelingen roepen bij mij inmiddels niet allen medelijden of verbazing op. Ze leiden tot regelrechte irritatie. Simpelweg, omdat ze voor mij symbool staat voor een fundamenteel maatschappelijk probleem. Een probleem dat wij met onze jeugdhulp – hoe goed ook bedoeld – eerder dreigen te faciliteren, dan tegen te gaan.

Want laten wij eerlijk zijn: veel van die berichten over drukke, onbeschofte, ongezonde en ongelukkige kinderen hebben vaak te maken met de zich terugtrekkende of afwezige ouder. Ouders die geen tijd meer hebben of maken voor hun kinderen.

Dat is een harde constatering. Ik weet het. Maar het wordt ook tijd dat wij dat weer durven te zeggen. Niet, omdat het moedig is, maar omdat de rechten van onze kinderen daarom vragen!. Ik weet en begrijp dat het vandaag de dag lastig is om dit onderwerp te bespreken. Als ouders dit als aanval opvatten, dan zij het zo. Ik ga er dan vanuit dat zij de door mij aangereikte schoen passen. Mij gaat het maar om één ding: het belang van het kind. Ik wil iedereen aansporen n aanspreken dat belang nu eens als vertrekpunt te nemen.

Wat ik – helaas – te vaak en toenemend zie, is dat ouders de focus op zichzelf leggen en de kinderen ‘erbij’ doen. De leuke dingen, ja die horen bij hen. Maar de opvoeding? Dat is iets wat ze steeds meer zien als de taak van een ander. Met als resultaat dat ouders ’s avonds of in het weekeinde hun kinderen droppen bij een sportclub, zodat zij zelf ‘rustig’ boodschappen kunnen doen. Of ouders die hun kinderen uren met de tablet of computer laten spelen, omdat zij er dan in ieder geval geen last van hebben en hun eigen ding kunnen doen. Tijd voor je kind is niet meer logisch of vanzelfsprekend. Sterker nog, wij noemen het ‘qualitytime’.

Die verfoeilijke ouderlijke afwezigheid leidt tot een onleefbare samenleving met een onopgevoede generatie. En dan gaat het niet alleen om egoïstische en brutale kinderen, maar ook om stille binnenvetters. Het gebrek aan ouderlijke aandacht kweekt kinderen die permanent negatieve aandacht vragen, maar ook kinderen die fundamenteel onzeker in het leven staan. Kinderen zijn vaak een hele goede spiegel van ons functioneren als ouder. Schreeuwen ze, zijn ze gestrest, gedragen ze zich egoïstisch? Dan hebben ze het hoogstwaarschijnlijk van ons. Wat wij als ouders voorleven, dat doen zij na.

Daarom is mijn pleidooi: Laten wij onze kinderen weer op de eerste plaats zetten, en ons vanaf de wieg weer over hen ontfermen.  Daar, en door ons wordt een basis gelegd voor het gevoel van veiligheid en geborgenheid. Dáár leert een kind cruciale dingen als eten, spelen, zich sociaal gedragen.

En wij, overheid en hulpverleners, moeten stoppen met het faciliteren van de onwillige ouders.  Wij moeten vaders en moeders weer durven aanspreken op hun eigen opvoedingsverantwoordelijkheid. Want kinderen hebben is superleuk, geweldig, gezellig. Maar…je kunt als ouders alleen een kinderen wensen en opvoeden als je daar zelf voor de volle 100% achter staat. Want laten we eerlijk zijn. Een kind krijgen en opvoeden is een hele verantwoordelijkheid. En jij, als ouder, jij blijft altijd eindverantwoordelijke als ouder. Kies daar dus ook voor.

Laten wij die draken van ouders een halt toeroepen. Ouders die te aarzelend en gemakzuchtig om zich als ouder te gedragen, te tolerant en daardoor onmachtig. Ouders die weigeren echt volwassen te worden. Ouders die zo nodig tijd voor zichzelf willen hebben, niet geclaimd willen worden, en niet kunnen wachten tot hun kinderen groot zijn.

Dat heeft niks met ouderwets denken te maken. Het heeft te maken met de constatering dat ouders tegenwoordig wel kinderen willen, maar er nauwelijks tijd voor willen maken. En dat kan niet. Een kind is geen ding dat je af en toe tevoorschijn haalt en weer wegstopt als het niet goed uitkomt. Het is geen speeltje of statussymbool. Een kind verdient aandacht, liefde, tijd. Daar gaat het mij om. Om de basale rechten van een kind dat er zijn mag en niet vraagt om een vorm van gesubsidieerde opvang in een instituut dat – met de beste bedoelingen – juist de kinderverwaarlozing mogelijk maakt. Laten we daarin weer eens investeren. In elkaar en in onze kinderen. Daar wordt iedereen beter van.

De eerste stap? Begin eens klein. Door bijvoorbeeld ’s ochtends rustig met je kinderen aan tafel te ontbijten en te praten. Zet die wekker eerder, en doe het, elke dag. Of lees je kinderen eens zelf voor, in plaats van ze ‘met de tablet’ te laten inslapen. Zo geven wij onze kinderen aandacht en liefde mee, is plaats van een dossier van een kinderopvangorganisatie.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

 

 

Doe eens gek; doe normaal!

kleine klas.png

  • Kan ik u zo gek krijgen gewoon te doen?

Het onderwijs heeft een ernstig tekort aan leraren. De jeugdhulp barst uit zijn voegen. Passend onderwijs wringt. Er zijn veel knelpunten bij onderwijs en jeugdhulp. Met een onmiddellijk roep om meer geld als gevolg. Terwijl de oplossing niet ligt in meer geld. De echte oplossingen ligt in het met elkaar verbinden van deze problemen. Kleinere klassen, minder werkdruk, effectieve aandacht voor ouders en kinderen en minder jeugdzorg. Het valt allemaal te realiseren. Niet met meer geld, maar door bestaande budgetten slimmer toe te delen.

Ik pleit voor een trendbreuk. Maak jeugdhulp structureel – en daarmee vanzelfsprekend – onderdeel van de ondersteuningsstructuur op school. Anders gezegd: hevel een belangrijk deel van de jeugdhulp over naar het onderwijs. Ouders voeden hun jeugdigen immers niet in hun eentje op. De school, voorzieningen als opvang, jeugdwerk en sport dragen eveneens bij aan de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Die zijn nu onvoldoende op elkaar gericht.

Veel problemen in het leven van mensen hebben hun wortels in de jeugd. Het tijdig signaleren van (het ontstaan van) deze problemen en het bieden van de benodigde ondersteuning of zorg aan kinderen, jongeren en hun ouders kan dat vaak voorkómen. Dat weten we al jaren.

Zeker, dat begint bij ouders die het beste willen voor hun zoon of dochter. En ja, de meeste jeugdigen in Nederland ontwikkelen zich zonder al te veel problemen tot autonome en sociale volwassenen die een positieve bijdrage leveren aan de samenleving. Omdat de ouders het opvoeden met vallen en opstaan leren en toepassen en als opvoeder met hun kind meegroeien.

Soms echter lukt dat niet. Omdat ouders en/of hun jeugdigen uit het evenwicht geraken, doordat er binnen het gezin of de omgeving sprake is van bijzondere omstandigheden. Eigenschappen van jeugdigen en ouders en/of kenmerken van de omgeving kunnen het gezinsleven en/of het proces van opgroeien en opvoeden extra belasten. Eén enkel probleem vormt meestal nog geen al te groot risico. Lastiger wordt het als er meer aan de hand lijkt. Als problemen en stressfactoren voor en bij ouders en/of jeugdigen toenemen, neemt de draagkracht om de daaraan verbonden opgave zelf aan te kunnen echter vaak evenredig af. Terwijl juist dan de sociale steun van de directe omgeving – in de  vorm van tijd en aandacht – de belangrijkste factor is.

En wat hebben wij gedaan? Wij hebben die ondersteuning – met de beste bedoelingen – kapot gesegmenteerd. Naast het op grote schaal werken aan ‘storingsvrije kinderen’ heeft dit een tendens tot gevolg om uitdagingen in opvoeding en onderwijs psychopathologisch te definiëren. En we praten dientengevolge over gedrag van kinderen in termen van ADHD, autisme, depressie. Als je problemen hebt met je kind omdat het zich afwijkend gedraagt en je hebt daar een label voor – Asperger, ADHD, ODD – dan is het een probleem van het kind geworden. Dat is het beeld dat wij hebben geconstrueerd. De hoeveelheid en kringen van professionals rondom ouders en jeugdigen zijn daardoor in de loop der jaren stevig gegroeid. Net zo goed als de systemen (toegangspoortjes) die erop gericht zijn om dat tegen te gaan.

Terwijl veel ‘problemen’ heel normaal zijn. Somberheid, angst, druk gedrag, tegendraadsheid, agressie, het zijn tot op zekere hoogte normale verschijnselen bij jeugdigen. Veel van deze problemen zijn gebonden aan de ontwikkelingsfase waarin jeugdigen zich bevinden.

Hoe graag wij dat misschien ook willen geloven: de problemen met de jeugd nemen niet echt toe. Alle indicatoren die iets zeggen over hun welbevinden, hun (psychische) gezondheid, de criminaliteit, het middelengebruik en de schoolprestaties staan in het groen (Sleeboom, Hermanns, & Hermanns, 2010; Landelijke Jeugdmonitor 2016). Wat het werkelijke probleem is, is onze (professionele) handelingsverlegenheid. Ons gebrek aan tijd en aandacht.

Kinderen die op de basisschool les krijgen in kleinere klassen blijken later beter te presteren en hebben minder gedragsproblemen. Resultaten elders zijn daarover kristalhelder: Kinderen in kleine klassen rekenen en lezen niet alleen beter. Kleine klassen blijken ook een goed middel tegen ongelijkheid. Onderzoek leert dat de leerlingen die in kleinere klassen zitten minder vaak in de jeugdcriminaliteit belanden, een lager percentage tienerzwangerschappen kennen, vaker een  startkwalificatie halen, vaker een vervolgopleiding doen en slagen., naar betere universiteiten gaan, meer spaargeld hebben, vaker een huwelijkspartner vinden, in betere wijken wonen en vaker een eigen huis hebben. Keer op keer blijkt hetzelfde. Kinderen uit kleinere klassen scoren beter op zowel cognitieve als non-cognitieve vaardigheden. Migrantenkinderen en kinderen van minderbedeelde ouders boeken zelfs de meeste ‘leer’-winst als de klassen kleiner zijn. Dat heeft een positief effect op hun hele latere leven. Onderzoeken daarover (Tennessee, Zweden, Israël, Amerika)  laten geen ruimte voor twijfel.

Leraren en jeugdhulpverleners zal dat niet verbazen. Beiden weten wat werkelijk werkt: tijd en aandacht. En juist over gebrek aan tijd en aandacht klaagt het onderwijs. Daarover klaagt ook de jeugdhulp. Beiden willen dat oplossen door meer van hetzelfde te bieden. Terwijl de oplossing naar mijn mening niet vraagt om meer, maar om anders! Als onderwijs en jeugdhulp de handen in elkaar slaan, zijn kleinere klassen (in liefst kleinere scholen) mogelijk met meer ruimte om tijd en aandacht te geven aan jeugdigen.

Ouders hebben dan ook – veel meer dan nu het geval is – de gelegenheid krijgen om dicht bij huis, in hun eigen buurt, hulp en advies bij opvoedingsvraagstukken te vragen. Dat hoeft niet altijd bij professionals te gebeuren. De opgave is om te zorgen dat wat normaal is, ook weer de gewoonste zaak van de wereld is. Het moet niet alleen. Het kan ook. Zonder dat de sluizen van de Nederlandse Bank opengezet moeten worden. Als onderwijs en jeugdhulp de krachten bundelen kunnen zij niet alleen de  ervaren werkdruk laten kantelen naar werkplezier. Zij kunnen elkaar ook ontzorgen en versterken. Met beter onderwijs en betere jeugdhulp als uitkomst! Kan ik u zo gek krijgen dat gewoon te doen?

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Puur eerlijke volksverlakkerij

keuringsdienst van waarde 2.png

  • Van holle frasen komen tot ambachtelijke zingeving

Stel dat Teun ”ja – ja” van der Keuken bij jouw gemeente langskomt. Je weet wel, die man van de Keuringsdienst van Waarde. En stel je voor dat hij het gemeentelijk beleid op het terrein van welzijn en zorg tegen het licht zou houden. Net zoals hij dat deed bij eerdere onderzoeken met levensmiddelen. Zou Teun in jouw gemeente dan ‘Puur en eerlijk’ constateren of juist spreken van “Pure volksverlakkerij”? Om vervolgens uit te leggen waarom er zoveel gelogen wordt over zorg en welzijn en zeggen dat het allemaal mis gaat?

De gemeentelijke ‘etiketten’ op het terrein van welzijn en zorg – tegenwoordig ‘het sociaal domein’ genoemd, beloven gouden bergen en dure intenties.  ‘Het kind centraal’, ‘versterken van het gewone leven’, of ‘in je eigen kracht zetten’ en ‘uitgaan van talenten’. Ze beloven dat iedereen mee (kan of moet) doen en (kan of moet) meetellen. In de meest krachtige bewoordingen trachten gemeenten duidelijk te maken dat zij de ondersteuning van en zorg voor mensen in de knel serieus nemen. En, dat gebiedt de eerlijkheid mij te erkennen, ze menen het (meestal) ook. Dubbel en dwars.

Overal in ons land worden de krachten gebundeld om de beloften waar te maken om de ondersteuning van mensen te verbeteren. Oftewel, om ‘te kantelen’. Wat zoveel wil zeggen als dat wij een antwoord geven op de vraag ‘hoe wij samen kunnen bouwen aan een leuker, mooier, duurzamer en energieker Nederland. Waarbij wij dromen van een maatschappij waarin waarden eerst komen, en wij samen verantwoordelijk zijn voor een menselijker, eenvoudiger, liefdevoller en rechtvaardig leven voor iedereen. De zorg moet daarbij én veel menselijker, én eenvoudiger en én goedkoper.

Deze Kantelingsdroom heeft inmiddels al geleid tot een heuse industrie. Zo verschijnt er binnenkort heus een kantel inspiratiespel!.

Ikzelf ben een ‘believer’. Ik geloof in de intenties, beloftes en mogelijkheden. Laat dat duidelijk zijn. Ik steek dagelijks, en met veel plezier, al mijn energie in het realiseren van deze droom. Maar ik stel ook vast, dat er veel tegenspraak en tegenkracht is. Die het succes van de operatie complex en onzeker maken. Die de vergezichten, die zo mooi op onze ‘etiketten’ staan, in de praktijk om zeep helpen. Gewoon, omdat essentiële ingrediënten niet geleverd worden. Ik heb het over lef, vertrouwen en zelfreflectie.

De kanteling die wij voor elkaar willen krijgen, vraagt van ons de bereidheid om te komen tot een nieuw speelveld, met andere en meer gelijkwaardiger verhoudingen. Vraagt om nieuwe rollen en posities. Van en voor iedereen. Zij vraagt ook om een nieuwe structuur. Een structuur die niet geschraagd wordt door een systeem, gebaseerd op wantrouwen, maar zijn basis vindt in vertrouwen en autonomie. Een structuur ook, die niet alles vooraf regelt, maar in het moment zelf mensen en mogelijkheden faciliteert. Geen structuur dus, waarbij de gemeente de regie voert, maar – zoals de bedoeling was en is – de mensen zelf regie voeren over het eigen leven. En als dat – om welke reden dan ook – even, of voor langere tijd niet lukt, moeten er mensen zijn die – op basis van ‘toevoegende waarde’ – kunnen en mogen bijspringen. Dit vraagt om (ruimte voor) creativiteit, improvisatievermogen en experimenteren.

En juist daarin zijn wij niet goed. Eigen initiatief? Best, als wij wel mogen voorschrijven hoe het dan moet of zal gaan. Eigen kracht? Uitstekend, maar alleen als wij mogen bepalen wat die eigen kracht dan is of moet zijn. Improvisatieruimte? Natuurlijk; mits het binnen de regels past. Samen bouwen aan een verantwoordelijke samenleving? Graag, maar zorg er wel voor dat ik (of de gemeente) geen risico loopt of imagoschade oploopt!.

“Een verantwoordelijke samenleving kan de overheid  niet aan de  burgers ‘opleggen’,” schreef Roos Sohier, beleidsmedewerker van Provinciale Raad Gezondheidszorg Brabant op 22 februari in haar blog. Met haar zeg ik, dat de overheid het wel kan faciliteren en stimuleren.

De overheid is terreinknecht in plaats van regisseur. Mensen willen best verantwoordelijk zijn. Graag zelfs. Want wat is er mooier dan de baas zijn over je eigen leven? Maar de kans daartoe moet wel geboden worden. En juist daar wringt het. Want wij vertrekken niet vanuit de samenleving, nemen het gewone leven van onze inwoners niet als startpunt. Wij redeneren en regelen nog altijd vanuit stelsels en daarbij behorende regels, producten en financieringsvormen.  En het loslaten van controle (lees”: beheersdrift) is daarbij voor velen van ons misschien nog wel het moeilijkst.

De kanteling die wij willen is nog teveel een ‘fluwelen revolutie’. Een revolutie waarbij het ‘nieuwe’ best mag, mits het de bestaande verhoudingen, posities en rollen niet (teveel) aantast. Terwijl de echte transformatie vraagt om terreinknechten in plaats van leiders. Mensen die geen eisen stellen, maar anderen vragen: Wat hebben jullie nodig? Wat kan ik daarbij voor jou betekenen?

Echte transformatie creëert ruimte voor ‘ambachtelijke zingeving’. Desnoods door rigoureus de die ruimte belemmerede schotten of posities te slopen. En ja, dat is iets waar wijzelf actief mee aan de slag moeten. Met een ander soort bril. Niet zo’n irritante multivocaaaaaale als die van Eylove, maar een bril om te achterhalen wie waar echt behoefte aan heeft om zijn leven of bijdrage daaraan zinvol te laten zijn.

Een dergelijke transformatie en  kanteling vragen meer dan fluwelen handschoentjes om (emotionele) intelligentie en denkkracht. Om een andere manier van kijken, persoonlijke dienstbaarheid en ware verbinding met de ander. Alleen wanneer wij zo ‘puur en eerlijk’ onze intenties en bedoelingen nastreven, kunnen we haar bereiken. Om dat te verwezenlijken moeten wij het volk niet langer verlakken met holle frasen op onze ‘etiketten’ van beleid. Dat begint met het durven stellen van de vraag: “Wat is mijn toevoegende waarde? Hoe ziet mijn rol eruit in de toekomst? En welke veranderslagen moet ik doormaken om aantrekkelijk te blijven voor mijn omgeving?”

Bent u bang voor de uitkomst? Ik niet. Want wie het lef, vertrouwen en de zelfreflectie heeft die dit vraagt, zal ervaren dat juist hij of zij een graag geziene gast is. Een gast die tot wasdom komt, juist door anderen tot wasdom te laten komen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Neem je tijd, maar snel een beetje…

dubbelen

  • Wij willen jou niet opjagen, maar…

Het wel, niet of halverwege het jaar overgaan van kleuters naar groep 3, is iets waar het Ministerie zich helemaal niet mee moet bemoeien. Dit is een zaak van de leerkrachten en de ouders. Die hebben hun professie en kennen hun kind. Dus met de beslissing van wel of niet naar groep 3 gaan, daar heeft de minister niets en dan ook niets mee te maken.

Waarom ik dit zo stellig zeg? Deze week presenteerde de minister van Onderwijs, Sander Dekker, samen met de PO-raad een handreiking waarin de ‘vertraging’ van kinderen in de kleuterklassen als probleem gepresenteerd wordt. En ja, het is een probleem. Maar dat is nou net niet het probleem wat de minister aanpakt.

Mijn kleinzoon, Joshua, geboren in december, is een zogenaamde ‘late’ leerling. Eind van het vorig schooljaar werd door zijn school – in samenspraak met zijn ouders – besloten dat hij nog een jaar zal ‘doorkleuteren’. Gezamenlijk oordeelden zij dat Joshua nog niet toe was aan een volgende stap in zijn schoolcarrière. Inmiddels is het nieuwe schooljaar gestart.

De afgelopen week bood de juf van Joshua aan alle kinderen een tweetal stickers aan. Ze konden kiezen tussen een lachende en een sippe smiley.  Joshua koos, als enige, voor de sippe smiley en werd door de juf uitgenodigd om aan de groep te vertellen waarom hij die keuze had gemaakt.

Joshua vertelde zijn klasgenootjes dat hij het eigenlijk helemaal niet zo naar zijn zin had in deze klas. Al zijn vriendjes uit het vorige schooljaar waren naar groep drie gegaan. En in deze groep kende hij nog te weinig kinderen. Bovendien waren hun interesses niet de zijne.

Voor Joshua is het zo open voor een groep staan geen vanzelfsprekendheid. Juist daarom triggert zijn optreden mij. Het zou, zo denk ik, in ieder geval aanleiding moeten zijn om het voor de zomer genomen besluit tot ‘doorkleuteren’ te heroverwegen. En, indien die heroverweging daartoe aanleiding geeft, alsnog tot een tussentijdse overstap naar groep drie moeten kunnen leiden. En dat, dat blijkt lastiger….

Het probleem is ontstaan vanaf 1986. Daarvóór was het simpel: wie vóór 1 oktober 6 jaar werd, mocht door. Daarna werd het ingewikkelder. Want vanaf 1986 moet een leerkracht zelf inschatten wanneer een kind toe is aan groep 3.

De vroegere 1-oktoberregeling was hard, maar wel duidelijk. Kinderen die na 1 oktober 6 jaar werden, mochten nog niet naar ’de grote school’. Alleen bij hoge uitzondering kwamen school en ouders overeen dat zo’n jong kind toch al deze grote stap mocht maken.

Nu is het andersom. Kinderen die in het najaar 6 jaar worden, gaan na de zomervakantie, als ze nog vijf zijn, al naar groep 3, waar ze leren lezen en schrijven. Alleen als er gegronde redenen voor zijn, kunnen ze nog een jaartje in de kleuterklas blijven. Een enkele school biedt tegenwoordig de mogelijkheid om na de kerst, in januari dus, alsnog door te stromen naar groep drie. In de meeste gevallen echter moet et extra kleuterjaar volledig doorlopen worden.

Jaarlijks zijn er heel wat (groot-)ouders die met dit dilemma geconfronteerd worden. Het leidt niet zelden tot heftige discussies tussen ouders en scholen; en veel getob. Ook, omdat het besluit tot ‘doorkleuteren’ niet zelden gepresenteerd of door de ouders dan wel omgeving, ervaren wordt als ‘zitten blijven’. Want sinds we geen aparte kleuterschool meer hebben, maar één basisschool met doorlopende klassen van 1 tot 8, is een jaar overdoen (in welke groep dan ook, dus ook in groep 2) volgens hen gewoon doubleren.

Ik ben het met die zienswijze niet eens, maar begrijp haar wel. Want ons onderwijs systeem zit – nog altijd – vreemd in elkaar. Een jaar langer doen over de basisschool, kan later – bij het vervolgonderwijs – onbedoeld een contra-indicatie opleveren. Onderwijsinstellingen immers willen, afgerekend en beoordeeld als zij worden op ‘prestaties’ en ‘geslaagden’, liever geen ‘risico’-leerlingen. En als vervolgens ook de onderwijsinspectie zelf erop wijst dat de wet ervan uitgaat dat de basisschool acht jaar duurt, is negen jaar dus te lang…..Maar een kind dat in oktober of november – of zoals Joshua, in december – is geboren en bijna drie jaar in de kleuterklas blijft, is bijna zeven als hij naar groep 3 gaat. Zo’n kind doet dan bijna negen jaar over de basisschool. En dat zou – volgens diezelfde Onderwijsinspectie – een verstoring van de ononderbroken leerlijn met zich brengen.

Het voorgaande doet mij – als grootvader zowel als professioneel – bij tijd en wijle diep zuchten. Het onderwijs is weliswaar efficiënter geworden maar de voor het gepredikte maatwerk noodzakelijke flexibiliteit is eerder minder geworden en de druk op de overgangen toegenomen.

Anders dan vroeger, gaat tegenwoordig elk kind vanaf zijn vierde verjaardag naar school. De kinderen komen druppelsgewijs (namelijk vanaf hun verjaardag) binnen in een kleuterklas, waar groep 1 en 2 meestal bij elkaar zitten. Het zou logisch zijn als dit in de daaropvolgende jaren ook zo zou zijn. Echter, de overgang naar groep 3 is hard: alleen na de zomervakantie starten de meeste scholen met nieuwe groepen 3. Ik vind dát een ongewenste ontwikkeling.

We behalen binnen ons onderwijs goede resultaten. Willen en beogen ook meer ruimte voor flexibiliteit en maatwerk. Om op die manier individuele leerlingen meer kansen te bieden, hun talenten te benutten en hen de bijpassende kwaliteitssprong te laten maken. Maar we doen dit, met aan de meet een spandoek dat schreeuwt: “Wij willen je niet opjagen hoor, maar…”