Slappe knieën

opvoeden 2.png

  • Opvoeden? Doe het lekker zelf!

“Kinderen moeten gelukkig zijn en hun dromen waarmaken – daar zijn alle ouders het over eens. Een complete generatie wordt op dit moment echter te verwend opgevoed. En als het tegen zit, mag ‘de overheid’ (lees: gemeente, het onderwijs, de jeugdhulp) het oplossen.  Ouders creëren te weinig weerbaarheid bij jongeren en kinderen, en dat is zorgelijk en – op den duur – onbetaalbaar.” Een lokale bestuurder die dat durft te beweren kom ik – helaas – nauwelijks tegen. Omdat daar de bevolking van de betreffende gemeente vermoedelijk nog lang over zal napraten.

En toch meen ik dat betere jeugdhulp in ons land dergelijke bestuurders meer en hard nodig heeft dan het geld waarom velen in Den Haag bedelen.

Gemeenten vormen de bestuurslaag die het dichtst bij de inwoners staat. Dat is juist! En daarom zijn zij ook bij uitstek geschikt om vorm en inhoud te geven aan de bij hun inwoners passende ondersteuning. Om die reden ook worden de laatste decennia steeds meer taken belegd bij de gemeenten. De kracht van deze beweging blijkt – zoals wel vaker – tegelijkertijd de achilleshiel: gemeenten staan te dicht bij de burger als het gaat om een goed beheer van de portemonnee.

Vooral in het sociale domein heeft per 1 januari 2015 een grote verschuiving plaatsgevonden. Gemeenten zijn sedertdien verantwoordelijk voor jeugdzorg, werk en inkomen en zorg aan langdurig zieken en ouderen. Gemeenten krijgen 1 budget vanuit het gemeentefonds om deze taken uit te voeren. En komen daaraan – naar eigen zeggen – fors tekort. Wethouders met jeugdzorg in hun portefeuille klagen steen en been over de aanhoudende tekorten op de jeugdzorg. Uitspraken als ,,Wij vinden het namelijk niet te pruimen dat de staatsschuld wordt afgelost met onze financiële reserves, doordat Den Haag, waar het geld tegen de plinten klotst, blijft korten op de budgetten voor jeugdzorg.” En “Er komt een eind aan de rek van de gemeenten.” Komen in tientallen varianten voorbij. Wat mij daarbij stoort is dat al die bestuurders voor de oplossing van hun problemen kennelijk maar één kijkrichting hebben: het Rijk. Daarbij doen zij alles wat in hun macht ligt, om het Rijk aansprakelijk te stellen voor de tekorten.

Laat ik duidelijk zijn: ik beweer niet dat er niet (tijdelijk) extra geld nodig is om het lokale speelveld van het sociaal domein op orde te brengen. Maar er is echt veel meer nodig dan geld alleen. Bovendien: elke euro die er extra uit Den Haag richting gemeenten gaat, komt – per saldo – uit de portemonnee van de inwoners.

Opvoeden is kennen en erkennen en begint bij de ouders. Zij moeten een echte relatie met hun kinderen opbouwen. Een goede ouder begeleidt en ondersteunt de kinderen. Stimuleert z’n kind om zelfstandig iets te doen. Toont zelf goed gedrag, kleineert of beledigt nooit, toont dagelijks liefde, corrigeert verkeerd gedrag, laat z’n kind in zijn waarde en weet met wie z’n kind omgaat. Hij of zij maakt elke dag even tijd voor zijn kind en praat en luistert met en naar z’n kind. Dat is de basis van iedere opvoeding. En ja, dat betekent ook hard werken, net als in een huwelijk. Een relatie bouwt zichzelf niet op, maar moet actief opgebouwd en onderhouden worden. Persoonlijke warmte en aandacht is in het contact met je kinderen van levensbelang. Ziehier de ingrediënten waaraan wij in onze samenleving een chronisch tekort hebben (opgebouwd). Veel ouders werken te hard. Voor hun baan, carrière, of status. Tijd en aandacht voor de kinderen ontbreekt vaak. Met alle gevolgen van dien.

De heftige maatschappelijke discussies over de tekorten in de jeugdhulp maskeren het werkelijke probleem.  “Problemen van kinderen worden steeds minder gezien als horend bij een (soms moeizaam) proces van opgroeien en opvoeden, en steeds meer als een signaal dat professionals moeten optreden en zo nodig ingrijpen. Zo ontstaat een toenemende ‘export’ van kinderen uit hun gewone leefsituatie naar professionele behandelcontexten. Ongeveer één op de zeven kinderen heeft op dit moment een indicatie voor speciale zorg, speciaal onderwijs of hulp in een justitieel kader. De verwachting is dat deze pedagogische professionals kinderen en/of ouders ‘repareren’, zodat het opgroeien en opvoeden daarna ongestoord kan verlopen” (Het opvoeden verleerd; J Hermanns, 2009).

De door Hermanns gesignaleerde ontwikkeling vraagt van ons en de door ons gekozen bestuurders een kritische zelfreflectie. Met implicaties voor zowel de rol van ouders, leerkrachten en professionele hulpverleners. En lokale bestuurders!  Want jeugdhulp kan niet alleen anders. Het moet anders! Het vraagt meer samen praten over hoe ze elkaar kunnen ondersteunen en daar samen afspraken over kunnen maken.

Naast de roep om extra geld zouden lokale bestuurder stelling moeten durven nemen tegen de slapheid en de laksheid van de in onze samenleving gegroeide opvoedingscultuur, waarin gehoorzaamheid een vies woord is, waarin grillen van kinderen en jeugdigen in toom worden gehouden door ze behandelen als prinsjes en prinsesjes en waarin de pleziertjes van sociale media en rondhangen met leeftijdgenoten voorrang krijgen boven serieuze studie en zelfverbetering.

De jeugdzorg lijkt een bodemloze put. Dat is en blijft zij, als wij niet op de juiste wijze investeren. De beste investering is opvoeden. En dat vraagt eerst en vooral een investering (in tijd en aandacht) van ouders zelf.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Advertenties

Ongemakkelijke waarheid

tijd en aandacht.png

  • Jeugdzorg is een zeepbel geworden!

Het budget van gemeenten voor jeugdzorg is te krap. Maar meer geld alleen is niet genoeg, vindt de sector. Waar moet al dat geld dan heen, vraag ik mij af. In de overtuiging dat meer geld voor jeugdzorg onze problemen alleen maar zal vergroten. Of dat onzin is? Nee! Het is een ongemakkelijke waarheid.

Jeugdzorg kampt met problemen. Nog altijd. Kinderen en huisartsen merken het aan lange wachtlijsten, gemeenten merken het aan tekorten op de begroting. Een eenduidige verklaring voor de stijging is er niet. Wel sterke vermoedens. Natuurlijk, wijkteams komen letterlijk achter de voordeur bij inwoners. Ze signaleren problemen van kinderen eerder. Naar mijn mening echter vooral omdat er sprake is van een nieuwe  ‘moraal’. Waarbij wij in alles wat ons als opvoeder s ‘last bezorgt’ graag als probleem definiëren. Want dan kunnen wij er anderen mee opzadelen.

Driftbuien, druk gedrag, slaap- of eetproblemen: de ouders van nu leggen hun problemen wat graag voor aan ‘deskundigen’. Want de ouders van nu zijn druk. Met het regelen en jongleren met acties, tijd, aandacht, energie, relaties en verwachtingen. Waardoor de tijd en aandacht voor de kinderen bij deze ‘renners en planners’ een schaars goed geworden is. Ze krijgen veel afgevinkt en voelen zich helemaal geweldig. Zolang de kinderen zich volgens hun verwachting gedragen. Ouders hebben geen tijd meer, of maken geen tijd meer, om vanaf het prilste begin genoeg tijd met hun kinderen door te brengen. Ze zijn te veel met zichzelf bezig. En met hun carrière, vakantie, hypotheek en spullen. Ze willen tijd voor zichzelf hebben, en niet geclaimd worden. Ze willen wel kinderen, maar ze willen er tegelijkertijd nauwelijks tijd voor vrijmaken. Het is tegenwoordig normaal om kinderen aan de zorg van anderen over te laten. Aan grootouders, gastouders, en hulpverleners.

Zo is er tegenwoordig een brugklastraining. Want het idee van de brugklas zou onze tieners wel eens bang kunnen maken of onzeker? Zou wel goed komen? Als iemand over de brugklas begint, zeurt een stemmetje in het hoofd van onze tieners: alles wordt anders! Ja, en, denk ik dan. Hoe ging dat destijds met mij? Ik herinner mij die tijd nog goed; het laatste schooljaar op de basisschool, de musical, die laatste schooldag. Het was enerverend en spannend, maar ook uitdagend. En het leverde heel wat gespreksstof op aan de keukentafel thuis. Ongemakkelijke gesprekken soms ook. Voor mij, zowel als voor mijn ouders. Al hadden die daarmee al de nodige ervaring. Ik was per slot nummer zes die die overstap maakte!

De huidige tijd vraagt veel van ouders en kinderen. Waar vroeger de moeders nog klaar zaten met het kopje thee en waar kinderen na school nog heerlijk in en rondom huis konden tuttelen, moet er tegenwoordig gewerkt worden en is er weinig tijd voor elkaar.  Tegelijkertijd stellen wij steeds hogere (cito) eisen aan ouders en kinderen bij hun functioneren op het werk en school. Met het tempo van een hogesnelheidslijn loodsen wij onze kinderen door hun ontwikkeling. Waarbij uitstel of doublures uitgesloten (moeten) zijn. Alles moet perfect zijn en vinden we het moeilijk om afwijkingen van de norm te accepteren. En tegelijkertijd zijn er duizenden prikkels van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat. Al deze componenten samen leggen een enorme druk op kinderen. Als zij zich vervolgens ongelukkig voelen of betonen, doen ze hun ouders verdriet en dat is het laatste wat ze willen. Zo komen met name de kinderen steeds meer onder druk te staan en vliegen zij vaker en eerder de bocht. Met Jeugdzorg als antwoord, want tegenwoordig lijkt dat geen taak meer te zijn voor de ouders. Die besteden dat uit. Aan professionele instituten die van dit oudergemak een mooi verdienmodel van gemaakt hebben.

Het opvoeden van kinderen gaat met vallen en opstaan. Kinderen zijn niet altijd even makkelijk. Spijbelen, een boze bui, niet luisteren, te laat thuiskomen en ook liegen kunnen allemaal horen bij het gedrag van opgroeiende kinderen. Soms ook leidt dit soort gedrag tot problemen en kun je spreken van opvoedingsproblemen. Denk maar eens aan het gedrag van uw eigen kinderen in de peuter- of pubertijd.

De meeste opvoedingsprobleem zijn  – anders dan wij onszelf en anderen graag willen doen geloven – in eerste de plaats een probleem van ouders. Juist zij echter lijken zich – in toenemende mate – machteloos te voelen. Of onzeker, bezorgd en zelfs kwaad. Want dat dit een probleem van onszelf – de opvoeders – is, vinden wij een ongemakkelijke waarheid. Die wij dan ook graag bestrijden. Met een beroep op Jeugdzorg. Omdat wij ‘het beste’ voor onze kinderen willen. Onder het motto ‘gun je kind een eigen label’ ontschuldigen wij zo onszelf en zadelen wij onze kinderen op met een aan dat ‘label’ verbonden identiteit. In mijn optiek is jeugdzorg zo doorgeschoten naar de andere kant, en is jeugdzorg te rekbaar geworden.

Natuurlijk, er is jeugd die problemen heeft en specifieke zorg nodig heeft. Zoals er ook ouders zijn die daarbij extra ondersteuning verdienen of moeten krijgen. Ik ben dan ook ferm voorstander van een goed werkend en deugdelijk Jeugdzorg systeem. Vandaag de dag echter is Jeugdzorg een verzamelnaam voor een ratjetoe aan voorzieningen. Een systeem dat door marktwerking te veel professionals kent die in het ontzorgen van ouders en opvoeders vooral een verdienmodel zien. Met als resultaat een  tsunami aan overbodige oplossingen die niet van toegevoegde waarde zijn voor onze kinderen.

Echt van toevoegende waarde voor kinderen zijn veiligheid, structuur en aandacht. Geboden door mensen die voor onze kinderen van betekenis zijn: de eigen ouders.

Meer geld voor het sociaal domein? Ik vind het prima en wat mij betreft ook niet onnodig. Meer dan dat echter is een  koerswijziging nodig. En een fundamentele gedragsverandering bij ons als ouders, opvoeders en schoen, die een rol spelen in het leven van kinderen. Gebeurt dat niet, dan zal de Jeugdzorg een bodemloze put blijven. Dat is misschien een ongemakkelijke waarheid, maar wel een die hout snijdt en onze jeugd een goede toekomst geeft.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

 

Ik blijf het zeggen

ik blijf het zeggen.png

  • Geld is niet ons grootste probleem, gebrek aan transformatie wel

De VNG is met het Rijk in gesprek over de tekorten in het Sociaal Domein. Eind april neemt het kabinet een besluit over de voorjaarsnota. Voor gemeenten gaat het daarbij vooral om de thema’s jeugdhulp, Hoofdlijnen Akkoord Geestelijke Gezondheidszorg en de Wet Verplichte geestelijke gezondheidszorg. De discussie lijkt zich vooral toe te spitsen op de financiële tekorten bij gemeenten. Ik ontken het bestaan daarvan niet. Tegelijkertijd blijf ik zeggen: geld is niet ons grootste probleem. Het werkelijke probleem is gebrek aan transformatie.

Het kabinet heeft aangegeven onafhankelijk onderzoek te doen naar de jeugdhulp en eventuele volumegroei. Dat onderzoek is inmiddels in concept afgerond en er blijkt inderdaad sprake van een flinke volumegroei in de jeugdhulp. De VNG heeft daarop bij VWS aangedrongen op een adequate financiële compensatie hiervoor door het kabinet.

De volumegroei mag niet verbazen. Gemeenten zitten dichter op de huis van de inwoners. Daardoor zien zij niet alleen meer, inwoners spreken de gemeenten ook sneller aan op ondersteuning. Bij jeugd speelt daarbij ook nog eens het niet van de grond komen van Passend Onderwijs. Sterker nog: sneller en meer dan ooit verwijst het onderwijs voor zaken die eigenlijk hun verantwoordelijkheid zijn naar de gemeenten.

Waar wij met zijn allen niet, of in ieder geval niet voldoende, in slagen is het aanbieden van de juiste ondersteuning op de juiste plaats. Dat is ook de essentie van het Hoofdlijnenakkoord GGZ: de juiste zorg op de juiste plek organiseren. Onderdeel daarvan is meer mensen uit de instellingen, en meer zorg en ondersteuning thuis en in de wijk (ambulantisering). Daar heeft het sociaal domein een belangrijke rol. Natuurlijk, daar moeten middelen voor beschikbaar zijn. Ook hier echter is geld niet het grootste probleem. Het grootste probleem is onze samenleving. Of juister misschien: het gebrek aan een samenleving.

Ik haal de legendarische, vaak aangehaalde quote van Margaret Thatcher over dit onderwerp graag nog eens in onze herinnering. Want weet u, er is er lijkt steeds minder sprake van ‘de samenleving’. Er zijn individuele inwoners; jongens, meisjes, mannen en vrouwen, en er zijn gezinnen. En wij kunnen als hulpverleners niets doen zonder hulp van deze mensen. Mensen die allereerst naar zichzelf moeten kijken. Maar wij mensen denken steeds meer en veel te veel in rechten. Rechten zonder plichten.

Een van de belangrijkste beloften van de decentralisaties van het sociaal domein is democratisering. Maar dat lijken wij vergeten Dat met de decentralisaties ook een fundamenteel ander, meer democratische verhouding tussen inwoners en overheid in het sociaal domein wordt beoogd. Met decentralisaties wordt beleid over lokale problemen als zorg, welzijn en re-integratie lokaal gemaakt. Meer in het algemeen verplicht de inzet op eigen kracht tot het vinden van maximaal lokaal draagvlak, tot maximale transparantie van het gemeentelijk beleid, en tot verantwoording op het lokale niveau. Het gaat immers om de directe leefomgeving van mensen.

Maar dat is niet alles. De ambities van de decentralisaties reiken verder. Ten eerste moet decentralisatie niet alleen betrekking hebben op beleidsvorming, zoals vaak het geval is, maar ook op de uitvoering zelf: op de verhouding tussen de gemeenteraad en de organisaties die het beleid uitvoeren, de daarin werkende professionals en de inwoners voor wie het beleid bedoeld is. Instellingen en professionals zouden ‘meer ruimte’ moeten krijgen om lokaal maatwerk te leveren, minder gehinderd door dictaten van bovenaf uit Den Haag of de gemeente, en met veel minder verticale, bureaucratische verantwoording. In plaats daarvan zou er ‘horizontale verantwoording’ komen, tussen betrokkenen onderling.

Ten tweede was er de hoop en verwachting dat er een nieuwe verhouding tussen inwoners en overheid zou ontstaan. Een verhouding waarbij niet langer de overheid het beleid bepaalt en inwoners kunnen meepraten, maar het omgekeerde.

Dat alles is er tot op heden onvoldoende van gekomen. Het is nog steeds ieder voor zich. En dat geldt voor overheden, organisaties en inwoners. Het idee dat je een zekere verantwoordelijkheid hebt voor elkaar, leidt vooral tot et naar elkaar wijzen. Het is niet de taak van de overheid, noch van organisaties of individuele inwoners om te zorgen voor zieken, zwakken of minderbedeelden. Dat moeten wij samen doen.

Ja, ik hekel dus het afwentelen van verantwoordelijkheid. Net zoals ik het voortdurend vragen om meer geld voor zorg hekel. Omdat meer geld de problemen niet zal doen afnemen. Integendeel. Wij moeten als samenleving meer onze eigen broek ophouden, en elkaar onderling helpen, en niet bij elke klacht of tegenslag aankloppen bij de overheid. Het is onze plicht om voor onszelf te zorgen en dan ook te helpen om voor onze buren te zorgen. Leven is een wederkerige zaak, De kwaliteit van ons leven hangt af van de vraag in hoeverre we die verantwoordelijkheid durven te nemen en, ieder van ons, bereid zijn om anderen te helpen die minder geluk hebben. Als de grote meerderheid dat doet, kun wij ook uit de voeten met gevallen waarin het mis gaat – en er gaan dingen mis.

De discussie over het geld – of de tekorten, zo u wilt, leidt af van de echte uitdagingen;

  1. Een fundamentele discussie over het begrip ‘eigen verantwoordelijkheid’.
  2. De échte kanteling (of transformatie). Deze heeft in de meeste gemeenten nog niet plaatsgevonden. Wat opvalt is dat bijna iedere gemeente nog steeds bezig is met het zoeken naar de beste aanpak. Dat bestuurders, beleidsmakers, leidinggevenden en professionals daarbij vooral aanlopen tegen de weerbarstigheid van de processen in hun eigen organisatie. Mede daardoor worden gemeenten geconfronteerd met forse financiële tekorten. Daarmee komt de beschikbaarheid van zorg en ondersteuning voor mensen die dit nodig hebben in gevaar en dreigen wachtlijsten te ontstaan.
  3. Het primaat voor besluitvorming in het sociale domein. De gemeente staat nog steeds boven, in plaats van naast inwoners als het gaat om primaat van de besluitvorming.
  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

 

 

Groep acht

groep acht.png

  • Eighth Grade

De dertienjarige Kayla (Elsie Fisher) zit in haar laatste schooljaar voor High School.

Thuis maakt ze inspirerende Youtube-videos, maar in het echte leven is ze vooral een onzekere puber die maar moeilijk aansluiting vindt bij haar leeftijdgenoten. Kayla wil niets liever dan zichzelf zijn, maar hoe doe je dat? Daar probeert ze achter te komen, terwijl ze navigeert langs pijnlijke zwemfeestjes, een vader die er helemaal niks van begrijpt, populaire pestkoppen en ongewenst avances.

Komiek Bo Burham vangt in zijn indrukwekkende regiedebuut de tijdsgeest en het jong zijn zó goed dat het lijkt alsof zijn script rechtstreeks uit tienerdagboeken gehaald is. Komisch, authentiek en (pijnlijk) herkenbaar voor iedereen die jong is geweest. Na de première tijdens het Sundance Film Festival, waar Eighth Grade de publieksprijs won, veroverde Kayla de harten van de bezoekers met haar naïviteit, kwetsbaarheid en onhandigheid. Burnham is een 27-jarige komiek die zelf als onzekere tiener bekend werd via YouTube, en die achtergrond zie je overtuigend terug in het verhaal van Kayla.

Wie spijbelt er eigenlijk?

spijbelen.png

  • De oplossing is er, maar wij verzuimen ze toe te passen

Minister Slob (Onderwijs) is ontevreden over aantal thuiszitters. Terecht, want er komen steeds weer nieuwe thuiszitters bij. En dus hebben de partijen van het thuiszitterspact (ministeries van OCW, VWS en J&V, VNG, PO-Raad, VO-Raad en Ingrado) afgesproken dat er versneld extra maatregelen komen. Om te voorkomen dat jongeren thuis komen te zitten, of om jongeren die toch thuis te zitten zo snel mogelijk weer het onderwijs in te krijgen. Klinkt allemaal heel verstandig en dapper. Och is het een gotspe.

In een land waarin wij leerplicht kennen voor jongeren vanaf 5 jaar, totdat zij een diploma (startkwalificatie) hebben of 18 jaar worden, moet thuiszitten onbestaanbaar zijn. Toch hebben er in het hele schooljaar 2017-2018 4479 jongeren langer dan drie maanden thuisgezeten. Volgens de officiële cijfers dan en een ‘enge’ definitie van het begrip ‘thuiszitters’. Het ministerie van OCW hanteert voor een thuiszitter de definitie ‘Leerlingen die ingeschreven zijn op school, maar langer dan 4 weken thuiszitten’. Daarnaast is er ‘absoluut verzuim’. Dat zijn leerlingen die wel leerplichtig zijn, maar niet op een school staan ingeschreven en dus niet naar school gaan. Een derde groep zijn leerlingen die zijn vrijgesteld van de leerplicht omdat ze niet in staat zouden zijn tot het volgen van onderwijs. Een vergeten groep van thuiszitters zijn die leerlingen die wel zijn ingeschreven, maar geen onderwijs krijgen en waarvan de school het thuiszitten gemakshalve ontkent. Omdat het óf wel zo makkelijk is, of omdat hun aanwezigheid en gedrag het aanzien van de school kan schaden. Het werkelijke aantal ‘thuiszitters’ ligt dus fors hoger.

Géén thuiszitters meer: dat was en is één van de belangrijke doelstellingen van de invoering van passend onderwijs.

Met de komst van passend onderwijs is de zorgplicht ingevoerd. Deze zorgplicht maakt de school waar een leerling is ingeschreven, verantwoordelijk voor plaatsing en het onderwijs van de leerling. Toch zeggen scholen regelmatig nee zeggen tegen ‘moeilijke’ leerlingen. Zoeken scholen uitvluchten om ‘moeilijke’ leerlingen niet aan te nemen.

Dat het niet altijd makkelijk is voor scholen en onderwijsgevenden om aan de zorgplicht te voldoen begrijp ik. Toch maakt het de uitvluchten niet terecht.

Hebben leerkrachten het ook zonder de komst van ‘moeilijke’ leerlingen dan al niet zwaar genoeg? De onderwijssector is immers al jaren koploper als het gaat om burn-outklachten. Een op de vijf mensen in het onderwijs heeft ermee te maken. Is dat verwonderlijk? Nee! Het onderwijsbeleid wordt steeds meer gedreven door een economische logica waarbij leerkrachten aangemoedigd worden om zo efficiënt en effectief mogelijk te werken en onderworpen aan meer controle en verantwoordingsplicht. Ruimte om les en aandacht te geven aan de leerlingen komt daarbij steeds meer in het gedrang. Zo is er minder ruimte voor het lesgeven en de leerlingen zelf, maar ook voor collegiale relaties en voor het privéleven van de leerkracht. Dit heeft een emotioneel belastende impact op leerkrachten en kan leiden tot burn-outklachten.

Toch meen ik dat wij het paard achter de wagen spannen, wanneer wij deze argumenten accepteren als verklaring voor het probleem van de thuiszitters. Als de disbalans tussen werklast en draagkracht bij de onderwijsgevenden het probleem is, moeten wij niet gaan tornen aan het onderwijsrecht van onze jeugdigen. Dan moeten wij de oorzaken wegnemen. Niet, door het bestaan van ‘moeilijke’ leerlingen te ontkennen, maar door de draagkracht van ons onderwijssysteem te versterken. Juist ook, omdat het de terugkerende dagelijkse problemen met gedragsmoeilijke kinderen zijn die hun burn-outklachten veroorzaken.

Overbelasting is een probleem dat niet uniek is voor het onderwijssysteem alleen. Er zijn veel partijen betrokken bij thuiszitters, ieder met zijn eigen complexe problematiek. De school, het samenwerkingsverband en de leerplichtambtenaar, regelmatig ook jeugdhulp en soms ook justitie. Zij werken allemaal hard aan het oplossen van hun eigen probleem. Zij werken samen zoals velen leven in de grote stad: samen eenzaam!

Onderwijs en Jeugdzorg vragen het Rijk om extra middelen. Beiden ‘claimen’ zo’n 750 miljoen per jaar tekort te komen. Gelden die nodig zijn voor meer en beter gehonoreerd personeel. Zelfs als het Rijk aan deze parallelle claims tegemoet zou komen: waar halen wij in onze overspannen arbeidsmarkt vandaag de dag voor anderhalf miljard nieuwe medewerkers vandaan?

Een passend antwoord op de problemen rond passend onderwijs en passende jeugdhulp is naar mijn mening te vinden als de betrokken ministeries, professionals en hun koepel- en vakorganisaties hun problemen op een hoop gooien en samen oplossen. Als zij nauwer samenwerken kunnen wij kleinere klassen met meer tijd en aandacht voor de leerlingen realiseren. Dan ook kunnen wij – samen met ouders – veel meer uitdagingen rond opvoeden en gedrag in de eigen leefomgeving van kinderen en jeugdigen op- en aanpakken. Wij kunnen dan meer kinderen uit de jeugdhulp gewoon thuis laten wonen en samen met hun buurtgenoten naar school laten gaan.

Kortom: laten wij samen een doorbraak forceren. Door de samenwerking tussen partijen kracht bij te zetten. Niet door elkaars spijbelgedrag te begrijpen en goed te praten, maar door de handen (en de portemonnee) echt ineen te slaan.

  • Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Jij bent mijn vriend

jij bent mijn vriend.png

  • Een hartverwarmende film over de schooltijd van net overgekomen vluchtelingkinderen.

De film volgt Branche (6); vanaf de paniek van de eerste schooldag tot een zelfverzekerde jongen in de klas van meester Wout. Een film over het belang en de kracht van vriendschap en de hunkering van ieder mens naar een liefdevolle en veilige omgeving.

Petra en Peter Lataster filmden in hun kenmerkende observerende stijl; zonder commentaar of interviews en vanuit het perspectief van de kinderen.

Opvoeden is een ernstige zaak

opvoeden.png

  • Neem hem daarom niet al te serieus!

Natuurlijk, opvoeden kan best lastig zijn. Alleen al, omdat elk kind weer anders is. Net zoals zijn ouders en de omstandigheden waarin een kind opgroeit. Uitputting, twijfel, schuldgevoel. Het zijn zaken die elke opvoeder wel eens ervaart. Opvoeden is dat ook een ernstige zaak. En tegelijkertijd moeten wij haar niet te serieus nemen. Want opvoeden kan ook een eindeloos en overweldigende klus zijn. Als wij ons doen en laten ook durven relativeren. Als wij iets van de creativiteit en veerkracht van onze kinderen zouden durven adopteren. Als wij de lachspiegeltjes die zij ons voorhouden durven kijken. Dat is ook de boodschap die ik tijdens de Week van de Opvoeding 2018 graag wil meegeven aan alle opvoeders. Want opvoeden is eindeloos!