Puur eerlijke volksverlakkerij

keuringsdienst van waarde 2.png

  • Van holle frasen komen tot ambachtelijke zingeving

Stel dat Teun ”ja – ja” van der Keuken bij jouw gemeente langskomt. Je weet wel, die man van de Keuringsdienst van Waarde. En stel je voor dat hij het gemeentelijk beleid op het terrein van welzijn en zorg tegen het licht zou houden. Net zoals hij dat deed bij eerdere onderzoeken met levensmiddelen. Zou Teun in jouw gemeente dan ‘Puur en eerlijk’ constateren of juist spreken van “Pure volksverlakkerij”? Om vervolgens uit te leggen waarom er zoveel gelogen wordt over zorg en welzijn en zeggen dat het allemaal mis gaat?

De gemeentelijke ‘etiketten’ op het terrein van welzijn en zorg – tegenwoordig ‘het sociaal domein’ genoemd, beloven gouden bergen en dure intenties.  ‘Het kind centraal’, ‘versterken van het gewone leven’, of ‘in je eigen kracht zetten’ en ‘uitgaan van talenten’. Ze beloven dat iedereen mee (kan of moet) doen en (kan of moet) meetellen. In de meest krachtige bewoordingen trachten gemeenten duidelijk te maken dat zij de ondersteuning van en zorg voor mensen in de knel serieus nemen. En, dat gebiedt de eerlijkheid mij te erkennen, ze menen het (meestal) ook. Dubbel en dwars.

Overal in ons land worden de krachten gebundeld om de beloften waar te maken om de ondersteuning van mensen te verbeteren. Oftewel, om ‘te kantelen’. Wat zoveel wil zeggen als dat wij een antwoord geven op de vraag ‘hoe wij samen kunnen bouwen aan een leuker, mooier, duurzamer en energieker Nederland. Waarbij wij dromen van een maatschappij waarin waarden eerst komen, en wij samen verantwoordelijk zijn voor een menselijker, eenvoudiger, liefdevoller en rechtvaardig leven voor iedereen. De zorg moet daarbij én veel menselijker, én eenvoudiger en én goedkoper.

Deze Kantelingsdroom heeft inmiddels al geleid tot een heuse industrie. Zo verschijnt er binnenkort heus een kantel inspiratiespel!.

Ikzelf ben een ‘believer’. Ik geloof in de intenties, beloftes en mogelijkheden. Laat dat duidelijk zijn. Ik steek dagelijks, en met veel plezier, al mijn energie in het realiseren van deze droom. Maar ik stel ook vast, dat er veel tegenspraak en tegenkracht is. Die het succes van de operatie complex en onzeker maken. Die de vergezichten, die zo mooi op onze ‘etiketten’ staan, in de praktijk om zeep helpen. Gewoon, omdat essentiële ingrediënten niet geleverd worden. Ik heb het over lef, vertrouwen en zelfreflectie.

De kanteling die wij voor elkaar willen krijgen, vraagt van ons de bereidheid om te komen tot een nieuw speelveld, met andere en meer gelijkwaardiger verhoudingen. Vraagt om nieuwe rollen en posities. Van en voor iedereen. Zij vraagt ook om een nieuwe structuur. Een structuur die niet geschraagd wordt door een systeem, gebaseerd op wantrouwen, maar zijn basis vindt in vertrouwen en autonomie. Een structuur ook, die niet alles vooraf regelt, maar in het moment zelf mensen en mogelijkheden faciliteert. Geen structuur dus, waarbij de gemeente de regie voert, maar – zoals de bedoeling was en is – de mensen zelf regie voeren over het eigen leven. En als dat – om welke reden dan ook – even, of voor langere tijd niet lukt, moeten er mensen zijn die – op basis van ‘toevoegende waarde’ – kunnen en mogen bijspringen. Dit vraagt om (ruimte voor) creativiteit, improvisatievermogen en experimenteren.

En juist daarin zijn wij niet goed. Eigen initiatief? Best, als wij wel mogen voorschrijven hoe het dan moet of zal gaan. Eigen kracht? Uitstekend, maar alleen als wij mogen bepalen wat die eigen kracht dan is of moet zijn. Improvisatieruimte? Natuurlijk; mits het binnen de regels past. Samen bouwen aan een verantwoordelijke samenleving? Graag, maar zorg er wel voor dat ik (of de gemeente) geen risico loopt of imagoschade oploopt!.

“Een verantwoordelijke samenleving kan de overheid  niet aan de  burgers ‘opleggen’,” schreef Roos Sohier, beleidsmedewerker van Provinciale Raad Gezondheidszorg Brabant op 22 februari in haar blog. Met haar zeg ik, dat de overheid het wel kan faciliteren en stimuleren.

De overheid is terreinknecht in plaats van regisseur. Mensen willen best verantwoordelijk zijn. Graag zelfs. Want wat is er mooier dan de baas zijn over je eigen leven? Maar de kans daartoe moet wel geboden worden. En juist daar wringt het. Want wij vertrekken niet vanuit de samenleving, nemen het gewone leven van onze inwoners niet als startpunt. Wij redeneren en regelen nog altijd vanuit stelsels en daarbij behorende regels, producten en financieringsvormen.  En het loslaten van controle (lees”: beheersdrift) is daarbij voor velen van ons misschien nog wel het moeilijkst.

De kanteling die wij willen is nog teveel een ‘fluwelen revolutie’. Een revolutie waarbij het ‘nieuwe’ best mag, mits het de bestaande verhoudingen, posities en rollen niet (teveel) aantast. Terwijl de echte transformatie vraagt om terreinknechten in plaats van leiders. Mensen die geen eisen stellen, maar anderen vragen: Wat hebben jullie nodig? Wat kan ik daarbij voor jou betekenen?

Echte transformatie creëert ruimte voor ‘ambachtelijke zingeving’. Desnoods door rigoureus de die ruimte belemmerede schotten of posities te slopen. En ja, dat is iets waar wijzelf actief mee aan de slag moeten. Met een ander soort bril. Niet zo’n irritante multivocaaaaaale als die van Eylove, maar een bril om te achterhalen wie waar echt behoefte aan heeft om zijn leven of bijdrage daaraan zinvol te laten zijn.

Een dergelijke transformatie en  kanteling vragen meer dan fluwelen handschoentjes om (emotionele) intelligentie en denkkracht. Om een andere manier van kijken, persoonlijke dienstbaarheid en ware verbinding met de ander. Alleen wanneer wij zo ‘puur en eerlijk’ onze intenties en bedoelingen nastreven, kunnen we haar bereiken. Om dat te verwezenlijken moeten wij het volk niet langer verlakken met holle frasen op onze ‘etiketten’ van beleid. Dat begint met het durven stellen van de vraag: “Wat is mijn toevoegende waarde? Hoe ziet mijn rol eruit in de toekomst? En welke veranderslagen moet ik doormaken om aantrekkelijk te blijven voor mijn omgeving?”

Bent u bang voor de uitkomst? Ik niet. Want wie het lef, vertrouwen en de zelfreflectie heeft die dit vraagt, zal ervaren dat juist hij of zij een graag geziene gast is. Een gast die tot wasdom komt, juist door anderen tot wasdom te laten komen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Advertenties

Neem je tijd, maar snel een beetje…

dubbelen

  • Wij willen jou niet opjagen, maar…

Het wel, niet of halverwege het jaar overgaan van kleuters naar groep 3, is iets waar het Ministerie zich helemaal niet mee moet bemoeien. Dit is een zaak van de leerkrachten en de ouders. Die hebben hun professie en kennen hun kind. Dus met de beslissing van wel of niet naar groep 3 gaan, daar heeft de minister niets en dan ook niets mee te maken.

Waarom ik dit zo stellig zeg? Deze week presenteerde de minister van Onderwijs, Sander Dekker, samen met de PO-raad een handreiking waarin de ‘vertraging’ van kinderen in de kleuterklassen als probleem gepresenteerd wordt. En ja, het is een probleem. Maar dat is nou net niet het probleem wat de minister aanpakt.

Mijn kleinzoon, Joshua, geboren in december, is een zogenaamde ‘late’ leerling. Eind van het vorig schooljaar werd door zijn school – in samenspraak met zijn ouders – besloten dat hij nog een jaar zal ‘doorkleuteren’. Gezamenlijk oordeelden zij dat Joshua nog niet toe was aan een volgende stap in zijn schoolcarrière. Inmiddels is het nieuwe schooljaar gestart.

De afgelopen week bood de juf van Joshua aan alle kinderen een tweetal stickers aan. Ze konden kiezen tussen een lachende en een sippe smiley.  Joshua koos, als enige, voor de sippe smiley en werd door de juf uitgenodigd om aan de groep te vertellen waarom hij die keuze had gemaakt.

Joshua vertelde zijn klasgenootjes dat hij het eigenlijk helemaal niet zo naar zijn zin had in deze klas. Al zijn vriendjes uit het vorige schooljaar waren naar groep drie gegaan. En in deze groep kende hij nog te weinig kinderen. Bovendien waren hun interesses niet de zijne.

Voor Joshua is het zo open voor een groep staan geen vanzelfsprekendheid. Juist daarom triggert zijn optreden mij. Het zou, zo denk ik, in ieder geval aanleiding moeten zijn om het voor de zomer genomen besluit tot ‘doorkleuteren’ te heroverwegen. En, indien die heroverweging daartoe aanleiding geeft, alsnog tot een tussentijdse overstap naar groep drie moeten kunnen leiden. En dat, dat blijkt lastiger….

Het probleem is ontstaan vanaf 1986. Daarvóór was het simpel: wie vóór 1 oktober 6 jaar werd, mocht door. Daarna werd het ingewikkelder. Want vanaf 1986 moet een leerkracht zelf inschatten wanneer een kind toe is aan groep 3.

De vroegere 1-oktoberregeling was hard, maar wel duidelijk. Kinderen die na 1 oktober 6 jaar werden, mochten nog niet naar ’de grote school’. Alleen bij hoge uitzondering kwamen school en ouders overeen dat zo’n jong kind toch al deze grote stap mocht maken.

Nu is het andersom. Kinderen die in het najaar 6 jaar worden, gaan na de zomervakantie, als ze nog vijf zijn, al naar groep 3, waar ze leren lezen en schrijven. Alleen als er gegronde redenen voor zijn, kunnen ze nog een jaartje in de kleuterklas blijven. Een enkele school biedt tegenwoordig de mogelijkheid om na de kerst, in januari dus, alsnog door te stromen naar groep drie. In de meeste gevallen echter moet et extra kleuterjaar volledig doorlopen worden.

Jaarlijks zijn er heel wat (groot-)ouders die met dit dilemma geconfronteerd worden. Het leidt niet zelden tot heftige discussies tussen ouders en scholen; en veel getob. Ook, omdat het besluit tot ‘doorkleuteren’ niet zelden gepresenteerd of door de ouders dan wel omgeving, ervaren wordt als ‘zitten blijven’. Want sinds we geen aparte kleuterschool meer hebben, maar één basisschool met doorlopende klassen van 1 tot 8, is een jaar overdoen (in welke groep dan ook, dus ook in groep 2) volgens hen gewoon doubleren.

Ik ben het met die zienswijze niet eens, maar begrijp haar wel. Want ons onderwijs systeem zit – nog altijd – vreemd in elkaar. Een jaar langer doen over de basisschool, kan later – bij het vervolgonderwijs – onbedoeld een contra-indicatie opleveren. Onderwijsinstellingen immers willen, afgerekend en beoordeeld als zij worden op ‘prestaties’ en ‘geslaagden’, liever geen ‘risico’-leerlingen. En als vervolgens ook de onderwijsinspectie zelf erop wijst dat de wet ervan uitgaat dat de basisschool acht jaar duurt, is negen jaar dus te lang…..Maar een kind dat in oktober of november – of zoals Joshua, in december – is geboren en bijna drie jaar in de kleuterklas blijft, is bijna zeven als hij naar groep 3 gaat. Zo’n kind doet dan bijna negen jaar over de basisschool. En dat zou – volgens diezelfde Onderwijsinspectie – een verstoring van de ononderbroken leerlijn met zich brengen.

Het voorgaande doet mij – als grootvader zowel als professioneel – bij tijd en wijle diep zuchten. Het onderwijs is weliswaar efficiënter geworden maar de voor het gepredikte maatwerk noodzakelijke flexibiliteit is eerder minder geworden en de druk op de overgangen toegenomen.

Anders dan vroeger, gaat tegenwoordig elk kind vanaf zijn vierde verjaardag naar school. De kinderen komen druppelsgewijs (namelijk vanaf hun verjaardag) binnen in een kleuterklas, waar groep 1 en 2 meestal bij elkaar zitten. Het zou logisch zijn als dit in de daaropvolgende jaren ook zo zou zijn. Echter, de overgang naar groep 3 is hard: alleen na de zomervakantie starten de meeste scholen met nieuwe groepen 3. Ik vind dát een ongewenste ontwikkeling.

We behalen binnen ons onderwijs goede resultaten. Willen en beogen ook meer ruimte voor flexibiliteit en maatwerk. Om op die manier individuele leerlingen meer kansen te bieden, hun talenten te benutten en hen de bijpassende kwaliteitssprong te laten maken. Maar we doen dit, met aan de meet een spandoek dat schreeuwt: “Wij willen je niet opjagen hoor, maar…”