Hugo, het verwarde oliemannetje

kop in het zand

  • Wat ziet struisvogel Hugo in het zand?

Met extra geld en verplichte regionale samenwerking wil de minister van Welzijn en Zorg, Hugo de Jonge, de problemen in de jeugdzorg oplossen. Het symboliseert de kloof tussen de lokale overheden en hun inwoners en de rijksoverheid. Minister de Jonge in Den Haag spreekt een heel andere taal dan ooit wethouder de Jonge in Rotterdam. De conclusie? Hugo ontpopt zich als het verwarde oliemannetje dat in plaats van smeerolie zand in de machine van de transformatie gooit.

Om vernieuwing goed op gang te brengen, moeten de intensieve hulp en de eerste lijn worden verbeterd en de preventie en het pedagogisch klimaat in bijvoorbeeld gezin of school worden versterkt. En juist die versterking, waarvan nut en noodzaak sinds de decentralisatie (2015) bij gemeenten nadrukkelijk op het vizier staat, gaat nu weer de ijskast in.

De door De Jonge voorgestelde nieuwe ordening (centraliseren op regionaal- en bovenregionaal niveau) zal naar verwachting immers ook effecten hebben op de zorggelden die de gemeenten ontvangen en door gemeenten tot nu toe ook gebruikt kunnen worden voor de versterkte sturing op lokale jeugdhulp.  De aanpak die De Jonge voorstelt houdt in dat gemeenten delen van de jeugdzorg weer uit handen moeten geven:

  1. Op bovenregionale schaal wordt de jeugdzorg+, JB en JR en Veilig Thuis en het te ontwikkelen expertisecentrum specialistische jeugdhulp georganiseerd.
  2. Op regionale schaal worden pleegzorg, gezinsvervangende jeugdhulp, spoedzorg overdag, behandeling en hulp aan jongeren met een beperking, logeervoorzieningen en eenheid in de toegang belegd.
  3. Lokaal wordt al het overige, veelal in de vorm van algemene voorzieningen en kortdurende interventies en ook het Algemeen- en Scho0l Maatschappelijk Werk en de lokale publieke gezondheid, georganiseerd.

De voorstellen van De Jonge ontregelen de jeugdhulp alleen maar verder. De dans om het geld zal er niet minder om worden. En de jeugdhulp daardoor niet beter. Als de minister van VWS echt ballen had, verloste hij de sector van het verderfelijke aanbestedingscircus. De kantelingsdroom binnen het sociaal domein heeft geleid tot een heuse inkoopindustrie. Wat de vraag oproept of de zorg er is voor de mensen of de mensen er zijn voor (het zorgen voor werk voor) de aanbieders. Dit pennywise maar pound-foolish marktdenken levert niet alleen bureaucratische gedrochten en juridische steekspelen op. Het heeft ook desastreuze gevolgen voor de kwaliteit, de continuïteit en de kosten van jeugdhulp en beleid. Als wethouder in Rotterdam deelde hij die kritiek luidkeels. Als minister zwijgt hij daarover als het spreekwoordelijke graf.

De gekozen oplossing richting is in mijn ogen dus bizar. Net zo bizar als voor de wijzigingsvoorstellen het juichen langs de lijn van vakbonden en organisaties is. Ik vind dat – vanuit de belangen van ouders en kinderen en de betrokken medewerkers – ongelooflijk en pervers. Het is immers uitgesloten dat wij in een de huidige overspannen arbeidsmarkt voor meer dan een miljard aan nieuwe arbeidskrachten vinden? Het oplossende antwoord hierop is: de handen ineen te slaan. Niet door samen te staken, maar door samen te werken.

Ook het werken met regio’s als bestuurlijke eenheid is kwestieus. Niet alleen als het gaat om democratische verantwoording of gedwongen samenwerking. Erger is de dikke streep die daarmee gehaald wordt door de overtuiging dat de lokale overheid het dichtst bij de inwoners staat en dus het beste kan inschatten wat een passend antwoord op situaties is. Regiovorming vergroot de afstand tot de inwoners én de optelsom van verschillende samenwerkingen leidt tot een complex geheel, wat afbreuk doet aan de effectiviteit van gemeenten. De praktijk van alle dag leert dat ook. Gemeenten gijzelen elkaar en besluiten blijven daardoor uit of hebben, door de bestuurlijke drukte eromheen, een zo hoog compromisgehalte dat geen professional of inwoner nog kan begrijpen wat de bedoeling is.

Het terugdraaien van de decentralisatieafspraken herbergt een aantal risico’s waaronder het vergroten van bestaande puinhopen en meer bureaucratie die ook meer geld kost, iets wat ten koste gaat van de ondersteuning van jeugdigen en hun ouders/opvoeders.

De plannen van De Jonge duiden op een minister in verwarring. Zoals de hele overheid in verwarring lijkt. De oorzaak van deze verwarring ligt in tegengestelde denksystemen (Daniel Kahnemann; ‘Thinking fast, Thinking slow’). De politiek hanteert het snelle denksysteem (systeem 1) en is gericht op onmiddellijk handelen met rechtvaardiging achteraf en daarmee een grote kans op fouten. Het tweede systeem (systeem 2) is gericht op het maken van een goede verklarende probleemanalyse en het afwegen van alternatieven met als gevolg minder kans op fouten. Daat vraagt tijd en reflexief gedrag. Juist dat zijn ingrediënten die politici zichzelf ontzeggen. Het gevolg is een (politiek) probleem met verschillende aandoeningen en beperkingen. De aandoeningen waaraan zij lijden rijgen zich in hoog tempo aaneen: het aardgas, het stikstofbesluit en de verhoudingen met Europa bijvoorbeeld. Of de (aanpak van de) personele tekorten bij de politie, binnen het onderwijs, de jeugdhulp en de zorg.

De beperkingen waaraan politici leiden zijn naast het snelle denksysteem ook kortzichtigheid en het denken op korte termijn. Zij moeten telkens herkozen worden. Het gevolg: er wordt geen rekening gehouden met de lange termijn, zoals het leefbaar houden van onze planeet, of het houdbaar houden van onze jeugdhulp. Enkel de kortetermijnwensen gelden, want daarmee kunnen zij scoren.

De jeugdzorg kampt niet zozeer met geldgebrek. Als een kwart van alle geld voor jeugdhulp opgaat aan het circus van aanbesteding en er jaarlijks naar schatting rond de 2300 kwetsbare mensen “in behandeling” zijn bij zorgaanbieders die zich schuldig maken aan fraude en zorgverwaarlozing (hiermee is zeker 100 miljoen euro gemoeid), waag ik dat te betwijfelen. Zo bezien is het miljardenbudget voor jeugdhulp als het schieten met financiële hagel. Volstrekt ongericht en weinig effectief.

Het serieus probleem is een goede politiek-bestuurlijke aansturing. Met organisatorische eilanden als gevolg. Waardoor geen adequate ondersteuning op tijd en op maat gegeven kan worden. De rijksoverheid moet zorgdragen voor voldoende financiering van de jeugdhulp richting gemeenten. Gemeenten moeten de bureaucratie uit de jeugdhulp weghalen door te stoppen met het circus van aanbestedingen.

Ik ontken niet dat er ruimte voor verbetering is.  Maar de roep om steeds meer geld en verplichte samenwerking zullen de situatie niet verbeteren. Het menselijk maken van de hele hulpverlening wel! Structuur- en marktdenken naast geldlust spelen een te grote rol! Natuurlijk, minder administratieve lasten en reële tarieven zijn goed. Net als meer ruimte om aanbieders onderling en met gemeenten te laten samenwerken. Maar dat zijn zaken die ook zonder een structuurverandering en politiek paniekvoetbal goed te realiseren zijn. Willen wij echt een paar stappen vooruitkomen, dan is meer nodig dan een passend budget. Geduld, vertrouwen en een continue dialoog met inwoners in hun situatie bijvoorbeeld.

Jeugdigen en ouders weer in hun kracht zetten? Dat kunnen professionals die de ruimte en tijd krijgen om dar bij te springen of in te voegen waar dat van toevoegende waarde is: in de eigen leefomgeving van ouders en kinderen. Voldoende menskracht die daarvoor eerlijk wordt betaald, kunnen wij op lokaal niveau realiseren door jeugdhulp en onderwijs met elkaar te verbinden. Zo gemakkelijk kan het zijn. Daarvoor hoeft het stelsel niet op de schop. De nieuwe maatregelen versnipperen het stelsel weer in verschillende ‘lagen’, met een eigen financiering en aansturing. Daarmee strooit Hugo, het verwarde oliemannetje, zand in het radarwerk dat op lokaal niveau (eindelijk) op stoom kwam.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Niet samen staken, maar samenwerken!

samen staken of.png

  • Ik blijf het toch zeggen…

De vakbonden sloten onlangs een akkoord met minister van Onderwijs. Desondanks kwam de achterban in opstand, en er werd (weer) gestaakt. De 460 miljoen extra die voor het onderwijs werd toegezegd is volgens docenten en bonden niet voldoende. Volgens hen is er jaarlijks 423,5 miljoen euro extra nodig. Het grootste gedeelte van dat geld, ruim 241 miljoen euro, moet volgens hen naar het basisonderwijs. Met dat geld kan de werkdruk worden verlaagd door meer leraren aan te trekken en kunnen de salarissen worden verhoogd. Ook leraren in het voortgezet onderwijs hebben last van een hoge werkdruk. Om dat te beperken, is ook meer geld nodig. Daarnaast willen leraren dat er voldoende geld beschikbaar wordt gesteld om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren.

In dezelfde week pleit Jeugdzorg Nederland voor extra financiële middelen op de korte om de caseload structureel te verlagen. Oftewel: er moeten mensen bij.

Twee beroepsgroepen die zich, samen met ouders en andere opvoeders ontfermen over de (toekomst en ontwikkeling van) onze jeugd vragen beiden om forse financiële investeringen. Met name om de werkdruk te verlagen. Kleinere klassen en meer tijd voor aandacht. Het zijn idealen die mij uit het hart gegrepen zijn.

De wensen en claims van onderwijsgevenden en jeugdhulpverleners roepen echter ook vragen op. De krapte op de arbeidsmarkt in de onderwijs-, jeugd- en zorgsector is urgent en dagelijks voelbaar. Als er geen maatregelen worden genomen, is over een aantal jaar een tekort van 100.000 tot 125.000 professionals. Vacatures zijn niet alleen lastig te vervullen vanwege (gelukkig!) de economische voorspoed. Door deze tekorten sprake is van een te hoge werkdruk. Tegelijkertijd is het uitgesloten dat wij in een zo overspannen arbeidsmarkt voor meer dan een miljard aan nieuwe arbeidskrachten vinden. Of wij moeten ze importeren.

Extra geld voor onderwijs, jeugdhulp en zorg zal het probleem dus niet oplossen. Eerder zal het de frustratie doen toenemen. Er is wel geld, maar geen mens is geinteresseerd in het werk. Het gevolg zal zijn dat uitzend- en detacheringsbureaus en zzp’ers handig inspringen op het tekort. Ze vullen – tegen hogere tarieven – de lege plekken op. Met niet alleen een verder oplopende kloof in de honorering, maar ook afnemende kwaliteit en continuïteit als resultaat. De roep om meer geld is helemaal niet zo logisch als het wel lijkt.

George Brouwer, een oud-gedeputeerde voor onder andere de jeugdhulp in Zuid-Holland leerde mij als wethouder (1994 – 1998) ooit een belangrijke les. Eindeloos schaven aan voorstellen tot iedereen tevreden is, werkt niet. Wissel (politieke) wensen uit. Het is een wijze raad. Wat ook in het hier voorliggende probleem is niet het gebrek aan geld, maar het gebrek aan samenwerking ons probleem.

Het uitruilen van de wensen van de onderwijs-, jeugd- en zorgsector is niet alleen verstandiger, het is ook vele malen beter voor onze kinderen. Uitruilen heeft grote voordelen. Het leidt tot minder schotten, snellere actie en meer tijd en aandacht tegen – per saldo – lagere kosten.

Voor onze jeugd geven wij – terecht – miljarden uit. Is het niet aan jeugdgezondheidszorg, dan wel aan onderwijs, sport of jeugdhulp. En allemaal claimen zij dat er te weinig middelen zijn om hun doelstellingen op een adequate manier te bereiken. Het onderwijs bijvoorbeeld heeft een ernstig tekort aan leraren. De jeugdhulp op haar beurt barst uit zijn voegen en het Passend Onderwijs wringt. Er zijn veel gelijkluidende knelpunten, met een overeenkomstige roep om meer geld als antwoord op dezelfde behoefte: meer tijd en aandacht voor de kinderen (tegen een eerlijker beloning). Het oplossende antwoord hierop is: sla de handen ineen. Niet door samen te staken, maar door samen te werken.

Samenwerken, in termen van het samengaan van onderwijs en jeugdhulp ligt zo voor de hand, dat wij er overheen of langsheen kijken. Kinderen brengen het grootste deel van hun jeugd door op school en (rondom) thuis. Naast een opvoedplicht voor ouders kennen wij bovendien een leerplicht voor alle jeugdigen tot het 18de levensjaar.  Niet alleen hun doelstellingen zijn dezelfde, maar ook hun belangen zijn gelijk: het bevorderen dat kinderen (en hun ouders) bij het opgroeien, de opvoeding en het onderwijs op een adequate wijze ondersteund, gestimuleerd en gefaciliteerd worden. Zoveel als mogelijk in en samen met de eigen sociale omgeving.

Vaak gaan onderwijs en jeugdhulp over dezelfde jeugdigen. Veel lastige situaties spelen namelijk zowel thuis als op school en in de vrije tijd. Door ons stelsel- en beheer-denken worden zij veelal door verschillende diensten en hulpverleners opgepakt. Wij moeten een eind durven maken aan deze trend van versnippering en verkokering. Door een aanpak waarbij er verbinding wordt gemaakt tussen jeugdhulp en het (passend) onderwijs.

Kleinere klassen, minder werkdruk, effectieve aandacht voor ouders en kinderen en minder jeugdzorg. Het valt allemaal te realiseren. Niet met meer geld, maar vooral door bestaande budgetten slimmer toe te delen. Bijvoorbeeld door een belangrijk deel van de jeugdhulp over te hevelen resp. samen te voegen met het onderwijsbudget. Ouders voeden hun jeugdigen immers niet alleen op. De school, voorzieningen als opvang, jeugdwerk en sport dragen eveneens bij aan de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Die zijn nu – mede door de perverse prikkel van afzonderlijke financieringsstromen – onvoldoende op elkaar gericht.

Onderwijs en jeugdhulp worden alleen beter als wij het lef hebben om de dominante en heersende benadering (geld als de panacee voor onze problemen) te doorbreken. Als wij samen een omgeving scheppen waar waarbinnen advies en ondersteuning voor ouders, kinderen en jongeren niet alleen vanzelfsprekend, maar ook verbonden aan de eigen leefomgeving is. Zonder dat er direct een label opgeplakt moet of wordt. Als wij daarin slagen kunnen wij in plaats van fluiten naar de (boze) overkant weer fluitend naar en aan ons werk!

Kan het? Zeker, als wij elkaar zo gek krijgen het gewoon te doen! (Zie ook: Doe eens gek, doe normaal!). Mijn pleidooi is dan ook dat de ministers van Onderwijs en Jeugdhulp nu eens echt werk maken van het op een andere leest schoeien van de zorg voor onze jeugd. Met het versterken van de eigen verantwoordelijkheid en het probleemoplossend vermogen van ouders en kinderen als doel.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Buitengewoon

hors normes

  • Hors Normes, een aangrijpende en inspirerende film over de opvang van kinderen met autisme

De film vertelt het bijzondere verhaal van twee goede vrienden die zich met hart en ziel inzetten voor autistische kinderen die zonder hen geen plek hebben in de maatschappij.

Al meer dan 20 jaar runt Bruno (Cassel) een opvang voor autistische kinderen die nergens anders terecht kunnen. Wanneer ouders en zorginstellingen het echt niet meer weten, geeft Bruno hen een thuis. Zijn goede vriend Malek (Kateb) leidt met zijn organisatie jongeren uit moeilijke buurten op tot begeleiders van deze kinderen. Tijdens dit traject wisselen humoristische en confronterende situaties zich af en ontstaan er bijzondere vriendschappen.

De film is uit het leven gegrepen, met ijzersterke rollen van acteurs Vincent Cassel en Reda Kateb. De ontwapenende kinderen winnen meteen je hart.

Hors Normes (The Specials) is de nieuwe film van het regisseursduo Éric Toledano en Olivier Nakache, de makers van “Intouchables”.

Slappe knieën

opvoeden 2.png

  • Opvoeden? Doe het lekker zelf!

“Kinderen moeten gelukkig zijn en hun dromen waarmaken – daar zijn alle ouders het over eens. Een complete generatie wordt op dit moment echter te verwend opgevoed. En als het tegen zit, mag ‘de overheid’ (lees: gemeente, het onderwijs, de jeugdhulp) het oplossen.  Ouders creëren te weinig weerbaarheid bij jongeren en kinderen, en dat is zorgelijk en – op den duur – onbetaalbaar.” Een lokale bestuurder die dat durft te beweren kom ik – helaas – nauwelijks tegen. Omdat daar de bevolking van de betreffende gemeente vermoedelijk nog lang over zal napraten.

En toch meen ik dat betere jeugdhulp in ons land dergelijke bestuurders meer en hard nodig heeft dan het geld waarom velen in Den Haag bedelen.

Gemeenten vormen de bestuurslaag die het dichtst bij de inwoners staat. Dat is juist! En daarom zijn zij ook bij uitstek geschikt om vorm en inhoud te geven aan de bij hun inwoners passende ondersteuning. Om die reden ook worden de laatste decennia steeds meer taken belegd bij de gemeenten. De kracht van deze beweging blijkt – zoals wel vaker – tegelijkertijd de achilleshiel: gemeenten staan te dicht bij de burger als het gaat om een goed beheer van de portemonnee.

Vooral in het sociale domein heeft per 1 januari 2015 een grote verschuiving plaatsgevonden. Gemeenten zijn sedertdien verantwoordelijk voor jeugdzorg, werk en inkomen en zorg aan langdurig zieken en ouderen. Gemeenten krijgen 1 budget vanuit het gemeentefonds om deze taken uit te voeren. En komen daaraan – naar eigen zeggen – fors tekort. Wethouders met jeugdzorg in hun portefeuille klagen steen en been over de aanhoudende tekorten op de jeugdzorg. Uitspraken als ,,Wij vinden het namelijk niet te pruimen dat de staatsschuld wordt afgelost met onze financiële reserves, doordat Den Haag, waar het geld tegen de plinten klotst, blijft korten op de budgetten voor jeugdzorg.” En “Er komt een eind aan de rek van de gemeenten.” Komen in tientallen varianten voorbij. Wat mij daarbij stoort is dat al die bestuurders voor de oplossing van hun problemen kennelijk maar één kijkrichting hebben: het Rijk. Daarbij doen zij alles wat in hun macht ligt, om het Rijk aansprakelijk te stellen voor de tekorten.

Laat ik duidelijk zijn: ik beweer niet dat er niet (tijdelijk) extra geld nodig is om het lokale speelveld van het sociaal domein op orde te brengen. Maar er is echt veel meer nodig dan geld alleen. Bovendien: elke euro die er extra uit Den Haag richting gemeenten gaat, komt – per saldo – uit de portemonnee van de inwoners.

Opvoeden is kennen en erkennen en begint bij de ouders. Zij moeten een echte relatie met hun kinderen opbouwen. Een goede ouder begeleidt en ondersteunt de kinderen. Stimuleert z’n kind om zelfstandig iets te doen. Toont zelf goed gedrag, kleineert of beledigt nooit, toont dagelijks liefde, corrigeert verkeerd gedrag, laat z’n kind in zijn waarde en weet met wie z’n kind omgaat. Hij of zij maakt elke dag even tijd voor zijn kind en praat en luistert met en naar z’n kind. Dat is de basis van iedere opvoeding. En ja, dat betekent ook hard werken, net als in een huwelijk. Een relatie bouwt zichzelf niet op, maar moet actief opgebouwd en onderhouden worden. Persoonlijke warmte en aandacht is in het contact met je kinderen van levensbelang. Ziehier de ingrediënten waaraan wij in onze samenleving een chronisch tekort hebben (opgebouwd). Veel ouders werken te hard. Voor hun baan, carrière, of status. Tijd en aandacht voor de kinderen ontbreekt vaak. Met alle gevolgen van dien.

De heftige maatschappelijke discussies over de tekorten in de jeugdhulp maskeren het werkelijke probleem.  “Problemen van kinderen worden steeds minder gezien als horend bij een (soms moeizaam) proces van opgroeien en opvoeden, en steeds meer als een signaal dat professionals moeten optreden en zo nodig ingrijpen. Zo ontstaat een toenemende ‘export’ van kinderen uit hun gewone leefsituatie naar professionele behandelcontexten. Ongeveer één op de zeven kinderen heeft op dit moment een indicatie voor speciale zorg, speciaal onderwijs of hulp in een justitieel kader. De verwachting is dat deze pedagogische professionals kinderen en/of ouders ‘repareren’, zodat het opgroeien en opvoeden daarna ongestoord kan verlopen” (Het opvoeden verleerd; J Hermanns, 2009).

De door Hermanns gesignaleerde ontwikkeling vraagt van ons en de door ons gekozen bestuurders een kritische zelfreflectie. Met implicaties voor zowel de rol van ouders, leerkrachten en professionele hulpverleners. En lokale bestuurders!  Want jeugdhulp kan niet alleen anders. Het moet anders! Het vraagt meer samen praten over hoe ze elkaar kunnen ondersteunen en daar samen afspraken over kunnen maken.

Naast de roep om extra geld zouden lokale bestuurder stelling moeten durven nemen tegen de slapheid en de laksheid van de in onze samenleving gegroeide opvoedingscultuur, waarin gehoorzaamheid een vies woord is, waarin grillen van kinderen en jeugdigen in toom worden gehouden door ze behandelen als prinsjes en prinsesjes en waarin de pleziertjes van sociale media en rondhangen met leeftijdgenoten voorrang krijgen boven serieuze studie en zelfverbetering.

De jeugdzorg lijkt een bodemloze put. Dat is en blijft zij, als wij niet op de juiste wijze investeren. De beste investering is opvoeden. En dat vraagt eerst en vooral een investering (in tijd en aandacht) van ouders zelf.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Ongemakkelijke waarheid

tijd en aandacht.png

  • Jeugdzorg is een zeepbel geworden!

Het budget van gemeenten voor jeugdzorg is te krap. Maar meer geld alleen is niet genoeg, vindt de sector. Waar moet al dat geld dan heen, vraag ik mij af. In de overtuiging dat meer geld voor jeugdzorg onze problemen alleen maar zal vergroten. Of dat onzin is? Nee! Het is een ongemakkelijke waarheid.

Jeugdzorg kampt met problemen. Nog altijd. Kinderen en huisartsen merken het aan lange wachtlijsten, gemeenten merken het aan tekorten op de begroting. Een eenduidige verklaring voor de stijging is er niet. Wel sterke vermoedens. Natuurlijk, wijkteams komen letterlijk achter de voordeur bij inwoners. Ze signaleren problemen van kinderen eerder. Naar mijn mening echter vooral omdat er sprake is van een nieuwe  ‘moraal’. Waarbij wij in alles wat ons als opvoeder s ‘last bezorgt’ graag als probleem definiëren. Want dan kunnen wij er anderen mee opzadelen.

Driftbuien, druk gedrag, slaap- of eetproblemen: de ouders van nu leggen hun problemen wat graag voor aan ‘deskundigen’. Want de ouders van nu zijn druk. Met het regelen en jongleren met acties, tijd, aandacht, energie, relaties en verwachtingen. Waardoor de tijd en aandacht voor de kinderen bij deze ‘renners en planners’ een schaars goed geworden is. Ze krijgen veel afgevinkt en voelen zich helemaal geweldig. Zolang de kinderen zich volgens hun verwachting gedragen. Ouders hebben geen tijd meer, of maken geen tijd meer, om vanaf het prilste begin genoeg tijd met hun kinderen door te brengen. Ze zijn te veel met zichzelf bezig. En met hun carrière, vakantie, hypotheek en spullen. Ze willen tijd voor zichzelf hebben, en niet geclaimd worden. Ze willen wel kinderen, maar ze willen er tegelijkertijd nauwelijks tijd voor vrijmaken. Het is tegenwoordig normaal om kinderen aan de zorg van anderen over te laten. Aan grootouders, gastouders, en hulpverleners.

Zo is er tegenwoordig een brugklastraining. Want het idee van de brugklas zou onze tieners wel eens bang kunnen maken of onzeker? Zou wel goed komen? Als iemand over de brugklas begint, zeurt een stemmetje in het hoofd van onze tieners: alles wordt anders! Ja, en, denk ik dan. Hoe ging dat destijds met mij? Ik herinner mij die tijd nog goed; het laatste schooljaar op de basisschool, de musical, die laatste schooldag. Het was enerverend en spannend, maar ook uitdagend. En het leverde heel wat gespreksstof op aan de keukentafel thuis. Ongemakkelijke gesprekken soms ook. Voor mij, zowel als voor mijn ouders. Al hadden die daarmee al de nodige ervaring. Ik was per slot nummer zes die die overstap maakte!

De huidige tijd vraagt veel van ouders en kinderen. Waar vroeger de moeders nog klaar zaten met het kopje thee en waar kinderen na school nog heerlijk in en rondom huis konden tuttelen, moet er tegenwoordig gewerkt worden en is er weinig tijd voor elkaar.  Tegelijkertijd stellen wij steeds hogere (cito) eisen aan ouders en kinderen bij hun functioneren op het werk en school. Met het tempo van een hogesnelheidslijn loodsen wij onze kinderen door hun ontwikkeling. Waarbij uitstel of doublures uitgesloten (moeten) zijn. Alles moet perfect zijn en vinden we het moeilijk om afwijkingen van de norm te accepteren. En tegelijkertijd zijn er duizenden prikkels van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat. Al deze componenten samen leggen een enorme druk op kinderen. Als zij zich vervolgens ongelukkig voelen of betonen, doen ze hun ouders verdriet en dat is het laatste wat ze willen. Zo komen met name de kinderen steeds meer onder druk te staan en vliegen zij vaker en eerder de bocht. Met Jeugdzorg als antwoord, want tegenwoordig lijkt dat geen taak meer te zijn voor de ouders. Die besteden dat uit. Aan professionele instituten die van dit oudergemak een mooi verdienmodel van gemaakt hebben.

Het opvoeden van kinderen gaat met vallen en opstaan. Kinderen zijn niet altijd even makkelijk. Spijbelen, een boze bui, niet luisteren, te laat thuiskomen en ook liegen kunnen allemaal horen bij het gedrag van opgroeiende kinderen. Soms ook leidt dit soort gedrag tot problemen en kun je spreken van opvoedingsproblemen. Denk maar eens aan het gedrag van uw eigen kinderen in de peuter- of pubertijd.

De meeste opvoedingsprobleem zijn  – anders dan wij onszelf en anderen graag willen doen geloven – in eerste de plaats een probleem van ouders. Juist zij echter lijken zich – in toenemende mate – machteloos te voelen. Of onzeker, bezorgd en zelfs kwaad. Want dat dit een probleem van onszelf – de opvoeders – is, vinden wij een ongemakkelijke waarheid. Die wij dan ook graag bestrijden. Met een beroep op Jeugdzorg. Omdat wij ‘het beste’ voor onze kinderen willen. Onder het motto ‘gun je kind een eigen label’ ontschuldigen wij zo onszelf en zadelen wij onze kinderen op met een aan dat ‘label’ verbonden identiteit. In mijn optiek is jeugdzorg zo doorgeschoten naar de andere kant, en is jeugdzorg te rekbaar geworden.

Natuurlijk, er is jeugd die problemen heeft en specifieke zorg nodig heeft. Zoals er ook ouders zijn die daarbij extra ondersteuning verdienen of moeten krijgen. Ik ben dan ook ferm voorstander van een goed werkend en deugdelijk Jeugdzorg systeem. Vandaag de dag echter is Jeugdzorg een verzamelnaam voor een ratjetoe aan voorzieningen. Een systeem dat door marktwerking te veel professionals kent die in het ontzorgen van ouders en opvoeders vooral een verdienmodel zien. Met als resultaat een  tsunami aan overbodige oplossingen die niet van toegevoegde waarde zijn voor onze kinderen.

Echt van toevoegende waarde voor kinderen zijn veiligheid, structuur en aandacht. Geboden door mensen die voor onze kinderen van betekenis zijn: de eigen ouders.

Meer geld voor het sociaal domein? Ik vind het prima en wat mij betreft ook niet onnodig. Meer dan dat echter is een  koerswijziging nodig. En een fundamentele gedragsverandering bij ons als ouders, opvoeders en schoen, die een rol spelen in het leven van kinderen. Gebeurt dat niet, dan zal de Jeugdzorg een bodemloze put blijven. Dat is misschien een ongemakkelijke waarheid, maar wel een die hout snijdt en onze jeugd een goede toekomst geeft.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

 

Ik blijf het zeggen

ik blijf het zeggen.png

  • Geld is niet ons grootste probleem, gebrek aan transformatie wel

De VNG is met het Rijk in gesprek over de tekorten in het Sociaal Domein. Eind april neemt het kabinet een besluit over de voorjaarsnota. Voor gemeenten gaat het daarbij vooral om de thema’s jeugdhulp, Hoofdlijnen Akkoord Geestelijke Gezondheidszorg en de Wet Verplichte geestelijke gezondheidszorg. De discussie lijkt zich vooral toe te spitsen op de financiële tekorten bij gemeenten. Ik ontken het bestaan daarvan niet. Tegelijkertijd blijf ik zeggen: geld is niet ons grootste probleem. Het werkelijke probleem is gebrek aan transformatie.

Het kabinet heeft aangegeven onafhankelijk onderzoek te doen naar de jeugdhulp en eventuele volumegroei. Dat onderzoek is inmiddels in concept afgerond en er blijkt inderdaad sprake van een flinke volumegroei in de jeugdhulp. De VNG heeft daarop bij VWS aangedrongen op een adequate financiële compensatie hiervoor door het kabinet.

De volumegroei mag niet verbazen. Gemeenten zitten dichter op de huis van de inwoners. Daardoor zien zij niet alleen meer, inwoners spreken de gemeenten ook sneller aan op ondersteuning. Bij jeugd speelt daarbij ook nog eens het niet van de grond komen van Passend Onderwijs. Sterker nog: sneller en meer dan ooit verwijst het onderwijs voor zaken die eigenlijk hun verantwoordelijkheid zijn naar de gemeenten.

Waar wij met zijn allen niet, of in ieder geval niet voldoende, in slagen is het aanbieden van de juiste ondersteuning op de juiste plaats. Dat is ook de essentie van het Hoofdlijnenakkoord GGZ: de juiste zorg op de juiste plek organiseren. Onderdeel daarvan is meer mensen uit de instellingen, en meer zorg en ondersteuning thuis en in de wijk (ambulantisering). Daar heeft het sociaal domein een belangrijke rol. Natuurlijk, daar moeten middelen voor beschikbaar zijn. Ook hier echter is geld niet het grootste probleem. Het grootste probleem is onze samenleving. Of juister misschien: het gebrek aan een samenleving.

Ik haal de legendarische, vaak aangehaalde quote van Margaret Thatcher over dit onderwerp graag nog eens in onze herinnering. Want weet u, er is er lijkt steeds minder sprake van ‘de samenleving’. Er zijn individuele inwoners; jongens, meisjes, mannen en vrouwen, en er zijn gezinnen. En wij kunnen als hulpverleners niets doen zonder hulp van deze mensen. Mensen die allereerst naar zichzelf moeten kijken. Maar wij mensen denken steeds meer en veel te veel in rechten. Rechten zonder plichten.

Een van de belangrijkste beloften van de decentralisaties van het sociaal domein is democratisering. Maar dat lijken wij vergeten Dat met de decentralisaties ook een fundamenteel ander, meer democratische verhouding tussen inwoners en overheid in het sociaal domein wordt beoogd. Met decentralisaties wordt beleid over lokale problemen als zorg, welzijn en re-integratie lokaal gemaakt. Meer in het algemeen verplicht de inzet op eigen kracht tot het vinden van maximaal lokaal draagvlak, tot maximale transparantie van het gemeentelijk beleid, en tot verantwoording op het lokale niveau. Het gaat immers om de directe leefomgeving van mensen.

Maar dat is niet alles. De ambities van de decentralisaties reiken verder. Ten eerste moet decentralisatie niet alleen betrekking hebben op beleidsvorming, zoals vaak het geval is, maar ook op de uitvoering zelf: op de verhouding tussen de gemeenteraad en de organisaties die het beleid uitvoeren, de daarin werkende professionals en de inwoners voor wie het beleid bedoeld is. Instellingen en professionals zouden ‘meer ruimte’ moeten krijgen om lokaal maatwerk te leveren, minder gehinderd door dictaten van bovenaf uit Den Haag of de gemeente, en met veel minder verticale, bureaucratische verantwoording. In plaats daarvan zou er ‘horizontale verantwoording’ komen, tussen betrokkenen onderling.

Ten tweede was er de hoop en verwachting dat er een nieuwe verhouding tussen inwoners en overheid zou ontstaan. Een verhouding waarbij niet langer de overheid het beleid bepaalt en inwoners kunnen meepraten, maar het omgekeerde.

Dat alles is er tot op heden onvoldoende van gekomen. Het is nog steeds ieder voor zich. En dat geldt voor overheden, organisaties en inwoners. Het idee dat je een zekere verantwoordelijkheid hebt voor elkaar, leidt vooral tot et naar elkaar wijzen. Het is niet de taak van de overheid, noch van organisaties of individuele inwoners om te zorgen voor zieken, zwakken of minderbedeelden. Dat moeten wij samen doen.

Ja, ik hekel dus het afwentelen van verantwoordelijkheid. Net zoals ik het voortdurend vragen om meer geld voor zorg hekel. Omdat meer geld de problemen niet zal doen afnemen. Integendeel. Wij moeten als samenleving meer onze eigen broek ophouden, en elkaar onderling helpen, en niet bij elke klacht of tegenslag aankloppen bij de overheid. Het is onze plicht om voor onszelf te zorgen en dan ook te helpen om voor onze buren te zorgen. Leven is een wederkerige zaak, De kwaliteit van ons leven hangt af van de vraag in hoeverre we die verantwoordelijkheid durven te nemen en, ieder van ons, bereid zijn om anderen te helpen die minder geluk hebben. Als de grote meerderheid dat doet, kun wij ook uit de voeten met gevallen waarin het mis gaat – en er gaan dingen mis.

De discussie over het geld – of de tekorten, zo u wilt, leidt af van de echte uitdagingen;

  1. Een fundamentele discussie over het begrip ‘eigen verantwoordelijkheid’.
  2. De échte kanteling (of transformatie). Deze heeft in de meeste gemeenten nog niet plaatsgevonden. Wat opvalt is dat bijna iedere gemeente nog steeds bezig is met het zoeken naar de beste aanpak. Dat bestuurders, beleidsmakers, leidinggevenden en professionals daarbij vooral aanlopen tegen de weerbarstigheid van de processen in hun eigen organisatie. Mede daardoor worden gemeenten geconfronteerd met forse financiële tekorten. Daarmee komt de beschikbaarheid van zorg en ondersteuning voor mensen die dit nodig hebben in gevaar en dreigen wachtlijsten te ontstaan.
  3. Het primaat voor besluitvorming in het sociale domein. De gemeente staat nog steeds boven, in plaats van naast inwoners als het gaat om primaat van de besluitvorming.
  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

 

 

Groep acht

groep acht.png

  • Eighth Grade

De dertienjarige Kayla (Elsie Fisher) zit in haar laatste schooljaar voor High School.

Thuis maakt ze inspirerende Youtube-videos, maar in het echte leven is ze vooral een onzekere puber die maar moeilijk aansluiting vindt bij haar leeftijdgenoten. Kayla wil niets liever dan zichzelf zijn, maar hoe doe je dat? Daar probeert ze achter te komen, terwijl ze navigeert langs pijnlijke zwemfeestjes, een vader die er helemaal niks van begrijpt, populaire pestkoppen en ongewenst avances.

Komiek Bo Burham vangt in zijn indrukwekkende regiedebuut de tijdsgeest en het jong zijn zó goed dat het lijkt alsof zijn script rechtstreeks uit tienerdagboeken gehaald is. Komisch, authentiek en (pijnlijk) herkenbaar voor iedereen die jong is geweest. Na de première tijdens het Sundance Film Festival, waar Eighth Grade de publieksprijs won, veroverde Kayla de harten van de bezoekers met haar naïviteit, kwetsbaarheid en onhandigheid. Burnham is een 27-jarige komiek die zelf als onzekere tiener bekend werd via YouTube, en die achtergrond zie je overtuigend terug in het verhaal van Kayla.