Galerij

Wees niet perfect

Gepubliceerd 19 juni 2012 | MT | Podium | P.P.J. Doodkorte
perfect
Een van de opvallende constanten in de publieke discussies in Nederland is de terugkerende aandacht voor ‘de’ jeugd. Iedere paar jaar wordt de vraag weer gesteld hoe het beleid gericht op jeugdigen eruit zou moeten zien. Podiumauteur Peter Paul Doodkorte vraagt zich af of die verontrusting wel terecht is.

De aandacht voor de jeugd heeft verschillende wortels, zo leert de geschiedenis. Een deel van de terugkerende aandacht heeft primair te maken met gevoelens van onrust. De jeugd wordt voorgesteld als losgeslagen en daarmee als een bedreiging voor de rust in de buurt en de wijk. De aandacht heeft ook te maken met het gegeven dat de jeugd het aangrijpingspunt bij uitstek is voor alle gedachten over hoe de samenleving zich (anders) dient te ontwikkelen. Ook gemeenten staan nu in het middelpunt van de belangstelling. Omdat gemeenten voorzieningen op het gebied van lokale jeugdzorg, gezondheidszorg en arbeidstoeleiding beheren en binnenkort ook verantwoordelijk worden voor de gespecialiseerde jeugdzorg.

Opvoedproblemen
Alle kinderen zijn op opvoeding aangewezen. Binnen de vanzelfsprekendheid van een pedagogische relatie en de wederzijdse betrokkenheid tussen opvoeder en kind ontwikkelt het kind zich op weg naar volwassenheid. Meestal verloopt dit proces zonder al te veel problemen, maar bij circa tien tot vijftien procent is dit niet het geval. Dit percentage is in de afgelopen decennia niet of nauwelijks gewijzigd. Toen ik in 1976 als groepsopvoeder in de jeugdzorg begon, leerde ik dat het met 85% van de jeugdigen eigenlijk gewoon goed gaat. 10% heeft extra opvoedondersteuning nodig, en bij 5 % is er sprake van ernstige opvoedproblemen. Die percentages worden tot op de dag van vandaag gehanteerd en gepredikt. Juist daarom verraste mij deze week de uitkomst van onderzoek van Kinderen in Tel (KIT). Dit onderzoek beweert dat het aantal jongeren dat gespecialiseerde jeugdzorg nodig heeft, tussen 2005 en 2010 bijna verdubbeld is : van 43.593 tot 84.542. De oorzaak van de stijging is niet bekend.

Risicomijdend gedrag
De voor de hand liggende conclusie is dat het slecht gesteld is met de zorg voor jeugdigen: instellingen lijken te weinig alert, te weinig professioneel en zich onvoldoende bewust van hun verantwoordelijkheid. Wellicht zit daar een kern van waarheid in. Wat echter niet over het hoofd gezien moet worden, is dat groeiende onvrede vaak niet zozeer iets zegt over het feitelijk functioneren, maar meer over het stijgende verwachtingspatroon. De tolerantie ten aanzien van fouten van jongeren, hun ouders en instellingen zoals die in de jeugdzorg, is steeds verder afgenomen. Het is tegenwoordig usance om te spreken over een ‘risicosamenleving’ in de zin dat risico’s steeds meer in beeld komen en onderwerp worden van beleid.

Het is naar mijn mening minstens zo verhelderend om in dat opzicht te spreken van een ‘veiligheidsmaatschappij’: we verlangen dat er geen wantoestanden meer voorkomen en we zijn ook in toenemende mate intolerant als dat wel het geval is. Er wordt steeds vaker gevraagd om het ingrijpen van de inspectie, om onderzoek naar (vermeende) fouten en om strakke normering van het gedrag van ouders, professionals en instellingen. Hetgeen niet zelden leidt tot risicomijdend gedrag c.q. te snel of te zwaar ingrijpen.

Behoefte aan ondersteuning
De vraag die evenzeer gesteld zou moeten worden, is in welke mate er voldoende zorgvuldig met kinderen wordt omgesprongen, door de ouders, door de samenleving en overheid, door instituties en door professionals. Want als onze jeugd hun geluk het hoogste cijfer geeft van alle jongeren in Europa, de Verenigde Staten en Canada (Health Behaviour in School-aged Children) en wij tegelijkertijd een verdubbeling scoren van het aantal jongeren dat gespecialiseerde jeugdzorg nodig heeft, zegt dat dan wat over die jongeren of over onze verwachtingen en normen?

Bij (beroeps)opvoeders is – in toenemende mate – veel handelingsverlegenheid op te merken bij het in goede banen leiden van veelvoorkomende, gewone opgroeiproblemen. Het zelf oplossend vermogen lijkt te eroderen. Dit uit zich veelal in achterstanden en probleemgedrag bij het kind en een grote handelingsverlegenheid bij de opvoeders. Waar dat opvoeden niet meer vanzelf gaat, kunnen professionals vanuit een orthopedagogische invalshoek een bijdrage leveren aan een maximaal ‘herstel van het normale leven’. Dat levert (in combinatie met andere ontwikkelingen) een sterke instroom op in de speciale voorzieningen.

Recentelijk bleek dit nog eens pijnlijk toen de kinderbescherming de ondertoezichtstelling aanvroeg – en verkreeg – voor drie kinderen die aan ernstig overgewicht leden. Het gezin krijgt nu begeleiding van een gezinsvoogd van bureau jeugdzorg. Die helpt hen het overgewicht aan te pakken. Ook het onderzoeksrapport ‘Idealen op drift’ maakt duidelijk dat volwassenen die geconfronteerd worden met radicaliserende jongeren behoefte hebben aan ondersteuning van hun pedagogische taak.

Opvoedingsonzekerheid
Wetenschappers signaleren als valkuil bij het ontwikkelen van initiatieven rond opvoedingsondersteuning dat opvoedingsondersteunende initiatieven voor het welzijn van kinderen een grote verantwoordelijkheid leggen bij de opvoeders. Blokland (1996) spreekt over de trend inzake “proto-professionalisering”. Dit is het proces waarbij gepopulariseerde wetenschappelijke kennis over de ontwikkeling van kinderen deel uitmaakt van de gedachtewereld van ouders. Dit kan tot onnodig problematiseren leiden en opvoedingsonzekerheid versterken. Dit kan weer leiden tot het gevoel van schuldig zijn bij het vaststellen van problemen, in het bijzonder van ouders in risicosituaties (Bouverne-De Bie, 2002).

We leven in een maatschappelijk klimaat waar opvoeden niet meer vanzelf loopt. Opvoeden beschouwt word als een belangrijke en moeilijke opdracht waarmee van alles fout kan lopen). Dit brengt als gevaar met zich dat opvoeders zich gaan vastklampen aan ‘algemene’ opvoedingsadviezen (bv. bepaalde artikelen in de media) die soms simplistisch zijn en vooral veel schuldgevoelens en onzekerheid meebrengen. Maar ook het gevaar van te krampachtig naar opvoeding te kijken.

Vallen en opstaan
Iedereen die met kinderen te maken heeft weet hoeveel energie, tijd en soms pijn en moeite het kost om kinderen op te voeden. De verzorging van pasgeborenen, het toezicht houden op en het grenzen stellen aan peuters en kleuters, het zichzelf leren redden, het coachen van de adolescent en de zorgen om de veiligheid en het welzijn van kinderen in al die fasen zijn worstelingen voor alle opvoeders. Opvoeden is een kwestie van vallen en opstaan. En dat vraagt een zekere tolerantie van ons als opvoeders. Ontzorgen en normaliseren in plaats van problematiseren, moet dus het motto zijn. Cyrulnik( 2004) formuleert het als volgt: “Ouders moeten niet perfect zijn. Laat ze hun schuldgevoelens daarover maar snel overboord gooien. Maar er wel voor zorgen dat, zoals vroeger, het netwerk rond hun kinderen groter wordt dan papa en mama”. “Wees niet perfect en niet almachtig en probeer het niet alleen te klaren.”

Eerdere bijdragen

  • Transformatie is boven alles een kwestie van loslaten
  • De gift van wederkerigheid
  • Laat een ander groeien

Over de auteur:
Dit Podiumartikel is geschreven door Peter Paul Doodkorte, toentertijd partner van BMC.

Word een autonome manager

Gepubliceerd 15 mei 2012 | MT | Podium | P.P.J. Doodkorte
autonome manager
Er wordt van managers verwacht dat ze proactief zijn en verantwoordelijkheid nemen. Maar krijgt u daarvoor ook genoeg mandaat? Podiumauteur Peter Paul Doodkorte legt uit hoe u een echt autonome manager wordt.

De term autonomie is afgeleid van het Griekse autonomos (eigen wetten opleggend) en beschrijft het vrij zijn van extern bestuur. Het concept wordt teruggevonden in politiek, technisch, filosofisch, geneeskundig, moreel en psychologisch verband. Het verwijst daarbij steeds naar de capaciteit van een rationeel individu of bestuur om eigen verantwoorde beslissingen te nemen. Autonomie is een belangrijk begrip in de zorg. In deze context slaat het op het recht of de mogelijkheid van een mens om zelf te bepalen wat er moet gaan gebeuren. Het eigen wetten opleggend kan dan worden vertaald naar eigen keuzes makend.

Regels en protocollen
In de huidige governance-, riskcultuur zijn we sterk gericht op regels en protocollen om risico’s in te perken. Dat wordt onder andere veroorzaakt door niet echt de verantwoordelijkheid te kunnen of willen nemen voor het eigen handelen. Hierdoor bestaat het risico dat professionals zich achter regels en protocollen gaan verschuilen en de essentie van professionaliteit naar de achtergrond wordt gedrongen.

De professional (én manager) heeft als grootste klacht het inperken van zijn autonomie. Door veel regels, procedures en protocollen wordt hij of zij gedwongen steeds meer gestandaardiseerd te werken. Professionals vragen om vanuit hun passie, hun drijfveer en hun eigen kracht te werken doet wonderen. Persoonlijk ben ik daarvan overtuigd. Omdat een functionele organisatie voor het eigen kracht denken (op alle niveaus) de dood in de pot betekent. De autonome professional voelt zich verantwoordelijk voor een probleem en lost het op. Bij een functionele structuur krijg je potentieel wijsgedrag: daar gaan wij niet over, dat moet iemand anders regelen. Maar tegelijkertijd is er de notie dat eigen kracht of autonomie van de professional geen panacee is voor het probleem van de doorgeschoten bureaucratische instrumenten. Hoe je daarmee omgaat wordt bepaald door de professionaliteit van zowel de professional als zijn professionele omgeving.

Autonomie versus verantwoording
Autonomie heeft veel te maken met waarden als lef, visie, eigenzinnigheid, fairness en zelfvertrouwen. En daardoor zeker niet iets wat ons komt aanwaaien. Het is een leerproces. Dat begint met een mindset waarbij je de verantwoordelijkheid voor het eigen welslagen in eerste instantie bij jezelf legt. En dan nog ben je niet zomaar even een zelfsturende, autonome professional. Integendeel: we zijn eerder opgegroeid en vertrouwd (gemaakt) met afhankelijkheid en conformiteit. Wie in de pas blijft lopen, wordt beloond met zekerheid, veiligheid en erkenning. Dit begint al op school met complimenten van de leerkracht en gaat door in organisaties met het krijgen van een goede beoordeling. Het tonen van individualiteit en creativiteit wordt lang niet altijd gewaardeerd en is vaak aan nauwe grenzen gebonden.

Van professionals wordt verwacht dat ze proactief zijn en verantwoordelijkheid nemen. De autonome professional heeft daarvoor vertrouwen en mandaat nodig. Zonder mandaat wordt hem de noodzakelijke stuurkracht voor het van hem gevraagde maatwerk onthouden. Idealiter heeft de professional dus een fors mandaat. Heeft hij of zij dat niet dan is de uitvoeringspraktijk een bijzonder stroeve bezigheid. De autonome professional doet dus niet alleen wat anderen verlangen, maar toont in hoge mate zelf leiderschap. Dit vraagt om bevoegdheden.

Wie bevoegdheden heeft is in min of meerdere mate autonoom. Wie autonomie bezit moet verantwoording afleggen. Tussen autonomie en de mate van verantwoording afleggen bestaat een ruilverhouding. Heel vaak is deze verhouding scheef. Mensen moeten dan wel heel veel verantwoording afleggen, maar bezitten nauwelijks autonomie. Dat is onzinnig.

Regels, procedures en protocollen zijn als werkstandaard een hulpmiddel. Een goede professional ziet zichzelf niet als de gevangene en uitvoerder daarvan, maar als de vrije denker die dankbaar gebruik maakt van wat de standaard kan doen. Een goede professional kent ook de beperkingen van al die werkstandaarden en weet tijdig aan te geven waar beperkingen of fouten zitten. De echt goede professional kan daar omheen werken.

De ruimte krijgen
Volledige autonomie is (ook) voor de professional een illusie. Zijn of haar werk staat niet op zich, maar dient een hoger/ander doel. De professional is de eerstverantwoordelijke om te zorgen dat het doel binnen de afgesproken tijd, geld en vereiste kwaliteit gereed komt. Zolang hem dat lukt moet hij gewoon door kunnen werken zonder van allerlei anderen toestemming nodig te hebben.

Om die ruimte te krijgen moet de professional wel zorgen dat zijn/haar opdrachtgever het vertrouwen heeft dat het goed loopt. Dat vertrouwen biedt hij door over zijn activiteiten, de stand van zaken en de risico’s transparant te zijn en verantwoording af te leggen. Hierin ligt de beperking van de autonomie van iedere professional. Hoe meer mandaat, hoe meer verantwoording moet worden afgelegd.

Autonomie en het afleggen van verantwoording zijn sterk gerelateerd en niet tegenstrijdig. Wie geen mandaat heeft, heeft formeel gezien geen (of weinig) verantwoordelijkheid, wie een ruim mandaat heeft, heeft veel verantwoordelijkheid. Wie veel verantwoordelijkheid heeft, heeft veel te verantwoorden. Dus geldt ook dat meer mandaat betekent dat meer afleggen van verantwoording mag worden verwacht. De prijs voor het krijgen van ruimte is dus dat meer verantwoording moet worden afgelegd.

Zelfstandigheid en vrijheid
Het zijn vervolgens vooral de uitzonderingen die maken dat professionals elkaar nodig hebben, moeten samenwerken en met elkaar moeten communiceren. Durven om er op verschillende manieren over na te denken en daar met elkaar over de discussiëren levert het meeste op. Dat vergt wel dat de professionals elkaar accepteren zoals ze zijn. En aan dat laatste schort het nog wel eens.

Autonomie tenslotte kan worden verward met totale onafhankelijkheid en zelfvoorzienendheid. Het gaat echter om zelfstandigheid en vrijheid, en de keuze hoe er met afhankelijkheid wordt omgegaan.

Voorwaarde om autonoom te kunnen zijn is:

  • erkennen dat persoonlijke mogelijkheden begrensd zijn;
  • erkennen dat de omgeving grenzen biedt;
  • accepteren dat niet iedereen hetzelfde is;
  • elkaars stijl begrijpen – ook al is die geheel anders is.

Wie binnen die grenzen de kwaliteit bezit het eigen leven vorm te geven kan als autonome professional worden betiteld. Hij of zij is vervolgens in staat om binnen een voorgeschreven kader van regels en afspraken zelf op verantwoorde wijze ruimte te creëren. Het goed kunnen begeleiden van dit proces vergt weer een andere competentie: het stimuleren van autonoom denken en het bevorderen van de transparante communicatie daarover.

Eerdere bijdragen:

  • Ga nou eens gewoon zelf opvoeden
  • De teerling is geworpen, er is geen weg terug
  • Bouwstenen voor naadloze zorg

Over de auteur:
Dit Podiumartikel is geschreven door Peter Paul Doodkorte, tegenwoordig partner bij Vondel & Nassau, toentertijd partner bij BMC.

Galerij

Privacy: er zijn grenzen

Gepubliceerd 18 juli 2012 | MT | Podium | P.P.J. Doodkorte
privacy
Privacy is een groot goed in Nederland. Nu de verkiezingsstrijd weer is losgebarsten, wordt privacy als strijdpunt gebruikt. Podiumauteur Peter Paul Doodkorte vraagt zich af of de privacygrenzen niet te ver doorschieten.

Respect voor de privacy voor mijzelf en de ander staat voor mij voorop. Ik verwacht dat mijn vrienden de dingen die ik hen in vertrouwen vertel, niet doorvertellen. En al helemaal wanneer het te maken heeft met medisch beroepsgeheim, dat geschonden wordt. Dan zou ik echt laaiend zijn. Niet alleen wanneer dit betrekking heeft op mezelf, maar ook indien het medisch beroepsgeheim van een ander geschonden wordt. Het is niet aan een zorgverlener om info over een cliënt openbaar te maken; ook al wordt er geen naam van de cliënt genoemd. Naast schending van beroepsgeheim heeft dat ook alles met fatsoen te maken.

Privacy; voor mij houdt het veel in. Politici gebruiken het als strijdpunt in de aanloop naar de verkiezingen en ik… ik hecht er erg veel waarde aan. En nog meer dan dat, wens ik dat mijn privacy gerespecteerd wordt. En toch zorgen ontwikkelingen binnen internet en ict voor grote veranderingen op het gebied van privacy. We delen steeds meer informatie over onszelf. Wat we aan het doen zijn, maar ook welke trein we nemen en welke ziekten we hebben.

Ontstaan van privacy
Is privacy een verouderd begrip? Naar mijn mening niet. Maar het is door de gehanteerde eigendomsverhoudingen wel een onnodig complex issue. In een periode waarin meer mensen dan ooit hun recht op privacy bedreigd zien en willen opeisen vraag ik daarom begrip voor een andere, kritische beschouwing van het onderwerp. Ontstaan uit de overtuiging, dat de accentverschuiving naar individualiteit en autonomie sedert de zestiger jaren ten koste is gegaan van belangrijke waarden voor een hechte, tevreden samenleving. Een ander geluid dan de panische reacties – hoe begrijpelijk en terecht soms ook – wanneer onze (medische) dossiers, ons bestedingsgedrag en ons Internetgebruik bekender blijken dan we zouden willen.

Te veel bezorgdheid om persoonlijke vrijheid kan een bedreiging zijn voor publieke gezondheid, veiligheid en – misschien wel het meest wezenlijk – een echte (duurzaam betaalbare) oplossing van het vraagstuk. Voorbeeld: een pedofiel die zijn straf heeft uitgezeten, maar nog altijd als een gevaar voor kinderen wordt gezien, zou volgens mij niet zonder meer mogen terugkeren in een gemeenschap waar kinderen opgroeien. Zijn recht op privacy is hier ondergeschikt aan het welbevinden van de gemeenschap.

Als een gemeenschap goed functioneert – buren, vrienden en vrijwilligersorganisaties oefenen een zekere sociale controle op elkaar uit – hoeft er geen overheid of vrije markt aan te pas te komen om de privacy te waarborgen. Want dat zijn de instituties waar het vaak verkeerd gaat. Uit electorale overwegingen kunnen politici een klimaat scheppen waarin privacy beter wordt gewaarborgd, wat op den duur zal leiden tot overheidsingrijpen om de teugels strakker aan te trekken. En ondernemingen kunnen privé-gegevens, ook eventuele onjuistheden daarin, doorverkopen aan geïnteresseerde bedrijven, zoals verzekeringsmaatschappijen, die hiermee zonder meer inbreuk plegen op persoonlijke levens.

Eigendom dossiers
Ik merk dat er rond kind en gezin steeds meer behoefte is om over de grenzen van de eigen organisatie samen te werken. Er ontstaan wijkteams en dergelijke die steeds meer eigen verantwoordelijkheid nemen (en krijgen). Tegelijkertijd ontstaat er – ook c.q. vooral – in het belang van ouders en kinderen een toenemend besef over nut en noodzaak van het delen van informatie. Zeker als er meerdere (financierende) partijen bij een gezin betrokken zijn.

De beste en meest eenvoudige manier om dit tot stand te brengen is om het beheer en eigendom van een dossier bij de ouder(s)/kinderen zelf te beleggen. Ouders en kinderen geven hierbij duidelijk en zelf te kennen dat de persoonlijke gegevens verwerkt en gebruikt mogen worden voor een bepaalde reden. Volgens mij is dat heel goed mogelijk en werkbaar met goede afspraken m.b.t. privacy, inzage- en mutatierechten voor betrokken professionals.

Geen juridische bezwaren
Dit geldt wat mij betreft niet alleen over samenwerken rond lichte problematiek, maar ook voor zaken waaraan ouders wellicht niet even gemakkelijk aan meewerken. Waar het om gaat is dat zij doordrongen zijn van nut en noodzaak tot het delen van die informatie. Vanwege de gewenste oplossing, vanwege de effectiviteit en vanwege de betaalbaarheid van de zorg. Ook het ontwerp voor zo’n privacymodel is zoeken naar een optimale balans tussen privacy en gemeenschapsbelang. Maar, waar een wil is, is een weg en kunnen juridische en andere bezwaren worden weggenomen.

En ja, ook de wet biedt daarvoor de mogelijkheid. Gebruik maken van persoonlijke gegevens mag, mits de gegevensverwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke onderworpen is. Ook voorzitter Jacob Kohnstamm van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) stelt dat er wat betreft het (medisch) beroepsgeheim niets absoluut is. Zo kan in zwaarwegende gevallen worden afgeweken van het beroepsgeheim, bijvoorbeeld als het gaat om meldingen van kindermishandeling.

Kohnstamm vindt dat de beroepsgroepen zelf moeten stilstaan bij vragen die rijzen over het medisch beroepsgeheim. ‘Zorg voor richtlijnen voor hulpverleners hoe ze met dit morele probleem moeten omgaan. Hulpverleners zitten met het dilemma: aan de ene kant heb ik een ouder en/of kind die ik vertrouwen moet geven, aan de andere kant heb ik een maatschappelijke opdracht.’

Eerdere bijdragen:
 Gezocht: rolmodellen
 Voorkom stress op vakantie
 Er zijn meer slechte ouders dan kinderen

Over de auteur:
Dit Podiumartikel is geschreven door Peter Paul Doodkorte, toentertijd partner van BMC.

Galerij

Waarom incidentenpolitiek niet werkt

Gepubliceerd 23 april 2012 | MT | Podium | P.P.J. Doodkorte
incidenten
Geen incidentenpolitiek bedrijven, maar de burger gewoon serieus nemen. Politici en bestuurders moeten niet op elk incident springen en er wetgeving over willen maken, concludeert de Ombudsman, Alex Brenninkmeijer, in zijn jaarverslag 2011. Tegelijkertijd moeten overheden meer doen om het vertrouwen van burgers te wekken. Zie daar de spagaat waarin de overheden al snel kunnen verkeren, aldus Podiumauteur P.P.J. Doodkorte.

Jaap Smit, directeur van Slachtofferhulp Nederland, was in 2010 in het nieuws met de uitspraak dat grote incidenten te snel als ‘ramp’ werden betiteld. Hij gaf als voorbeeld de vliegtuigcrash van Turkish Airlines van het jaar daarvoor. Smit vond het ongeluk daar niet zwaar genoeg voor. Het was verrassend om deze woorden te horen uit de mond van iemand wiens werk bestaat uit verdediging van slachtofferbelangen, maar gelijk heeft hij natuurlijk wel. Bij het vliegongeluk kwamen negen mensen om. Dat is afschuwelijk, zoals elke verkeersdode er een te veel is, maar in het verkeer vallen jaarlijks 750 doden en die groep krijgt niet 75 keer zo veel herdenkingsaandacht.
Incidentenpolitiek

Met incidenten is het wel vaker de vraag wat een gepaste reactie is. Moet je berusten en overgaan tot de orde van de dag omdat shit happens, of moeten er maatregelen komen? Tegen gewapende roofovervallen en rondvliegende kogels van drugscriminelen staan toevallige burgers weerloos, terwijl je met enige oplettendheid er wel voor kunt zorgen zelf niet in een levenverziekende relatie terecht te komen.

Bij ieder incident in Nederland waarbij dodelijke slachtoffers en ernstige gewonden vallen, staat de politiek op zijn achterste benen. Bewindslieden worden naar de kamer geroepen, schuldigen worden aangewezen. Er verschijnen dikke rapporten en er volgt een diaree aan maatregelen om de (vermeende) wantoestand te bestrijden. “Het moet niet gekker worden,” houd ik mijn gehoor voor. Van de overheid mogen we, nee moeten we iets anders verwachten. Van de overheid mogen we vragen om het grotere geheel te blijven zien. Van de overheid moeten we vragen of ze beleid wil uitzetten dat verder gaat dan incidentenpolitiek, hoe ingrijpend incidenten ook in de samenleving kunnen zijn.

De theorie dat toeval niet bestaat, met andere woorden dat alle gebeurtenissen van tevoren volledig bepaald en dus volledig voorspelbaar zijn (het determinisme, het beroemdst geformuleerd door Laplace), kent een toenemende schare volgelingen. Hierdoor is het incident een containerbegrip geworden voor alles wat er mis gaat. Maar – bijvoorbeeld – de moord op een drie-en-tachtig jarige plaatsgenoot op Paasmaandag van dit jaar noem ik geen incident. Dat noem ik een willens en wetens gemaakte misser c.q fout door een individu.

Eigen kracht denken
Mensen die mij kennen, weten het. Ik ben een adept van het ‘eigen kracht denken’. Zonder daarbij uit het oog te verliezen, dat er (grote) uitzonderingen kunnen zijn. Mensen die mij daarop wijzen, houd ik dat ook voor. Ik wijs hen er dan op dat je voor de uitzondering geen stelsel moet bouwen. Zij vragen maatwerk. Zoals bijzondere gebeurtenissen in ons leven ons ook uit onze dagelijkse routine halen. Mijn geloof in de eigen kracht van mensen laat onverlet dat ook ik mijn angsten ken. Zo zie ik in een van de aanleidingen voor de transformatie van het sociaal domein – het incident – ook de grootste struikelsteen voor het succes ervan. Elke keer als ik mijn overtuiging met verve uitdraag, breng ik ook die struikelsteen – de incidentenpolitiek – te sprake.

In het licht van het duale stelsel staat de gemeenteraad en haar verantwoordelijkheid centraal. Door de kaderstellende opdracht aan de gemeenteraad zou verondersteld kunnen worden dat incidentenpolitiek zijn langste tijd heeft gehad. Een raad die haar opdracht serieus neemt laat immers steeds minder ruimte voor onvoorziene incidenten?

Door de hedendaags heersende – op noties van rede, maakbaarheid en vooruitgang gebaseerde – hang naar control, meetbaarheid en technische rationaliteit worden de mogelijkheden van interventie overschat. Veel incidenten líjken qua oorzaak, gevolg en schuldvraag – voor zowel politici, bestuurders als burgers – concreet. Mede hierdoor krijgen incidenten dan al snel (te) veel aandacht.

Schijnveiligheid
Het leed dat het overlijden van de 15-jarige Ximena (Den Haag, februari 2012) veroorzaakt kan niet anders dan immens zijn. Dergelijk leed zou je de samenleving en de direct betrokken willen besparen. Met alles wat je hebt. Maar dat kan niet. De samenleving blijkt niet maakbaar. Ik zeg en schrijf dat in de wetenschap dat – als het incident mijn eigen gezin of (klein)kinderen zal betreffen – de rationaliteit van mijn overtuiging aardig zal wankelen. Zo niet doet verdwijnen. Omdat ik overmand zal raken door emoties en dat hoort ook zo. Daar moet ruimte voor zijn.

Ieder tragisch incident leidt tot wijzigingen, althans op zijn minst tot publieke onrust. En het vertrouwen dat de (lokale) overheid pal voor het getransformeerde stelsel zorg voor jeugd gaat staan zal niet iedereen zo maar krijgen. En als professionals dat vertrouwen niet krijgen, en als inderdaad weer op grond van een incident een hele maatregel wordt aangepast, zal uiteindelijk de maatschappij onveiliger worden. Incidentenpolitiek creëert de absolute farce van schijnveiligheid.

In het kader van het stelsel zorg voor jeugd waaraan (samenwerkende) lokale overheden in de komende jaren vorm en inhoud moeten geven herhaal ik nog maar eens de volgende stelling: “De opvoeding is het moeilijkste vraagstuk dat de mens is voorgelegd.” (Immanuel Kant (1724-1804), Duits filosoof). Dat het dus wel eens fout gaat, mag niet verwonderen. Jeugdzorg is daarvan niet de oorzaak, maar het gevolg. Het zou goed zijn als de maatschappij – en zij die geacht worden haar te vertegenwoordigen – zich dat nadrukkelijker zou realiseren. En natuurlijk, “Alle veralgemeningen zijn gevaarlijk, zelfs de zonet genoemde.” (Alexandre Dumas (1802-1870), Frans schrijver). Maar zij raakt wel de essentie van mijn betoog: De politiek moet de rug recht durven houden. Durven te staan voor de prestaties van de jeugdzorg. En niet ‘surfen’ op incidenten. Anders gezegd: heb een open oog voor oorzaak en gevolg.

Eerdere bijdragen:
 De kunst van het loslaten
 De kracht van een compliment
 Een duivels dilemma

Over de auteur:
Dit Podiumartikel is geschreven door Peter Paul Doodkorte, toentertijd partner van BMC.

Galerij

Doorbreek patronen, geef feedback

Gepubliceerd 24 januari 2012 | MT | Podium | P.P.J. Doodkorte
feedback
Feedback geven én ontvangen is niet makkelijk. Toch is dat de enige manier om patronen te doorbreken. Podiumauteur P.P.J. Doodkorte over het belang van feedback.

Veel bedrijven hebben te maken met ingesleten patronen. Hoe komt u uit die vicieuze cirkel? Haal uw inspiratie uit het voorstel van Podiumauteur P.P.J. Doodkorte om de patronen in de jeugdzorg te doorbreken.

In de discussie van opgroei- en opvoedvraagstukken dreigt uit het oog verloren te raken dat rechten van ouders – en van professionals – gefundeerd zijn op hun zorgplicht. Een belangrijk interventiemiddel bij ongewenst gedrag is niet het uitoefenen van drang of dwang, maar het doorbreken van patronen. Als ingesleten patronen of gewoontes zijn doorbroken, ontluiken er nieuwe werelden.

Kritisch denken
Bepaalde patronen zorgen ervoor dat een situatie in stand wordt gehouden. Het begin van het proces – gericht op het doorbreken daarvan – kenmerkt zich door het leren herkennen van het leef- en gedachtepatroon van ouders en kinderen. Kritisch kunnen en durven denken is daarbij essentieel voor professionals. Een tekort kan leiden tot discutabele beslissingen, en – in het ergste geval – tot een flinke deuk in het vertrouwen dat in de professional wordt gesteld.

Zodra je bewuster met ouders en kinderen naar de leef- en gedachtewijzen gaat kijken, identificeer en herken je de patronen. Daardoor krijg je de kans een patroon te doorbreken. Dat vraagt wel om het besef dat jouw actie als professional bepaalt of iets echt verandert, want inzicht zonder handeling brengt geen verandering. Gebeurt er op een zeker moment iets, dan kun je het ombuigen door verrassend c.q. anders te reageren. Als je dit met ouders en kinderen blijft oefenen, wordt het een deel van het bewustzijn en kunnen ouders en kinderen steeds eerder zelf uit de vicieuze cirkels stappen.

Dit alles vereist wel een georganiseerde en gedisciplineerde aanpak waarbij relevante informatie logisch geordend wordt; met een open oog voor de verschillende belangen. De professional maakt daarbij gebruik van observaties, contacten en de netwerken van het kind en het systeem.

Compliment of kritiek
Ouders en kinderen reageren meestal op basis van door de tijd gegroeid gedrag. Ze reageren (op elkaar) zoals ze dat steeds doen, en ook van elkaar verwachten. Dat leidt tot vicieuze cirkels. Zelfstandige, mondige en moreel bewuste professionals kunnen het verschil maken door kritiek hierop in de vorm van opbouwende feedback te gebruiken.

Letterlijk betekent feedback: terugkoppeling. Feedback is zeker niet negatief. Ook een compliment is feedback. Een applaus of een boos gezicht is ook een vorm van feedback. Complimenten zijn positieve feedback. Geef complimenten over gedrag, niet over de persoon. Een compliment over de persoon kan aanmatigend overkomen. Een compliment over gedrag zal tot gevolg hebben dat de ontvanger meer van dat gedrag zal gaan vertonen. Mensen onthouden kritische feedback veel beter dan complimenten. Voor een ontspannen relatie is het daarom van belang om veel vaker een compliment te geven dan kritische feedback.

Doorbreken van oude patronen is – zeker in geval van opvoedsituaties waarin de veiligheid of de integriteit van ouders en/of kinderen in het gedrang is – nodig om een frisse start te kunnen maken. Feedback is daarbij een sleutelwoord bij het succesvol samenwerken met ouders en kinderen. Feedback die op een goede manier wordt gegeven en ontvangen, maakt het samenwerken leuker en zet aan tot verbetering. Escalatie van discussie of conflicten daarover kan worden voorkomen door het tijdig geven van feedback. Feedback beïnvloedt de vervolgactie van degene die de feedback ontvangt.

Feedback is er altijd. Reden om er zorgvuldig mee om te gaan, want feedback geven en ontvangen is een effectief sturingsinstrument. Elke reactie op een actie is feedback. Feedback is een schakel in een circulaire beweging van actie – reactie. Door de reactie die je van ouders en kinderen krijgt, kun je als professional zien of een actie het gewenste resultaat heeft.

Goede feedback geven
In de jeugdzorg is het geven en ontvangen van feedback helaas (te) vaak een lastig onderwerp. Er is angst voor kritiek, voor het negatief beïnvloeden van de sfeer en het verstoren van de onderlinge verhoudingen. Terwijl juist het via positieve feedback bespreekbaar maken van (on-)gewenst gedrag en het gezamenlijk oefenen van effectieve vormen van het geven en ontvangen van feedback, de angst verdwijnt en de weg openligt voor een directe en opbouwende stijl van communiceren. De effectiviteit van de samenwerking met ouders en kinderen wordt daarmee enorm verhoogd.

Goede feedback gaat over gedrag en geeft geen waardeoordeel over de persoon. De intentie daarbij is: met mijn feedback help ik jou/jullie om te groeien. Daarbij zijn de volgende tips van belang:

 Probeer feedback te formuleren in termen van gedrag dat in jouw beleving goed is of beter kan, vermijd om gedrag als slecht te kwalificeren.
 Naast een beschrijving van het gedrag van de persoon, kun je ook aangeven wat het effect op jou is, wat voor gevoel het jou geeft. Blijf bij jezelf, praat in de ik-vorm.
 Geef feedback zo snel mogelijk na een gebeurtenis, zodra de persoon er aan toe is om ernaar te luisteren.
 Geef kritische feedback onder vier ogen.
 Houd het kort en concreet. Gebruik de sandwich-methode. Dat wil zeggen eerst positieve feedback, dan kritische feedback en tenslotte een positief geformuleerde samenvatting.
 Benoem verbetermogelijkheden en verwoord wat je van de ouders of kinderen verwacht in een positief verzoek, dus ‘doe alsjeblieft dit’ in plaats van ‘doe s.v.p. niet dat’.
 Bied voldoende tijd voor verwerking en reactie.

Onzekerheid
In het omgaan met kritiek speelt onzekerheid vaak een rol. We interpreteren kritische kanttekeningen als een aanval op onze persoon en voelen ons afgewezen. Is de kritiek ook nog eens afkomstig van iemand van wie wij ons afhankelijk voelen, dan voelt dat extra onveilig omdat we de consequenties niet altijd kunnen overzien.

Zijn we zélf degene die kritiek uiten, dan voelen we ons minstens zo onzeker. Ons streven naar harmonie gaat boven alles, van jongs af aan hebben we geleerd anderen niet te kwetsen. Lastig dus om gevoelige onderwerpen aan te snijden.

Leef je daarom als professional in in het standpunt van de betrokken ouders: Stel je voor dat de ander het over jou of jouw gezin zou zeggen. Wat zou jij dan doen? Dat helpt. Want waarom vinden we kritiek lastig? Niet zelden worden we boos of emotioneel als we worden aangesproken op ons gedrag. We ontkennen bij hoog en laag of schieten in de verdediging.

Ook het uiten van kritiek is niet altijd gemakkelijk. Want: hoe zal de ander reageren? Wat doen we als hij boos wordt of emotioneel? Wie zich oefent in het geven en ontvangen van kritiek loopt minder risico’s en bereikt meer!

Eerdere bijdragen:
 Protocol boven gezond verstand
 Verbeter de performance vanuit de kracht van mensen
 Waardeer en je krijgt meer
 Slank en wendbaar
 De kracht van waardering
 Vitale kwaliteit van essentieel belang

Over de auteur:
Dit Podiumartikel is geschreven door Peter Paul Doodkorte, toentertijd partner van BMC.

Galerij

Ga nou eens gewoon zelf opvoeden

Gepubliceerd 8 mei 2012 | MT | Podium | P.P.J. Doodkorte
opvoeden
Opvoeden gaat – dankzij een stroom van boeken, rapporten en adviezen – gepaard met een levendige belangstelling onder alle lagen van de bevolking en de overheid. In dit debat wordt alles meegenomen wat ook maar enigszins te maken heeft met de opvoeding van onze kinderen. Podiumauteur P.P.J. Doodkorte pleit voor ouderwets opvoeden.

Toen ik ruim 35 jaar geleden als groepsopvoeder in de jeugdzorg begon, vertelde men mij dat bij 15% van de jeugdigen opvoedproblemen worden gesignaleerd. Bij 1% gaat het om zware problematiek, bij 4% om matige problematiek en bij 10% om lichte problematiek. Anno 2012 zijn deze cijfers nog altijd gangbaar. Dus kennelijk doen wij het als opvoeders ‘met ons boerenverstand’ zo slecht nog niet. En tegelijkertijd is de zorgconsumptie onder kinderen nergens zo hoog als in Nederland. En ze stijgt nog altijd snel. De GGZ zag in twee jaar tijd 18 procent meer kinderen, het aantal onder toezichtstellingen steeg van 23.000 in 2005 naar 33.000 in 2009. Een op de 12 jongeren komt in aanmerking voor de Wajong. Er is kortom sprake van een paradox.

Overdiagnosticering
Zijn er nog normale kinderen? In de snel veranderende samenleving lijken ouders, professionals en politici steun te zoeken bij labels: Wij speuren naar problemen bij kinderen om er vervolgens een label op te plakken. In onze maatschappij genereert een label namelijk hulp en geld. Het is bijvoorbeeld nodig om begeleid onderwijs te krijgen. Achterstand levert geld op. Problematiseren is dus profijtelijk en leidt tot overdiagnosticering. En ja, we grijpen te snel naar psychofarmaca. Er zijn vandaag de dag niet meer kinderen die aan adhd lijden dan – pakweg – 30 jaar geleden. Maar het ritalinegebruik is de laatste vijf jaren wel verdubbeld. En ja, soms hebben zij wel degelijk hun nut.

Verlegen of overgevoelig, stout of bipolair? Ruwe kanten van het karakter worden plots een gedragsstoornis. Steeds vroeger signaleren we wat er mis is, autisme kunnen we al bij een kind van zes maanden vaststellen. En omdat we in Nederland geneigd zijn dingen uit te besteden aan mensen die ervoor geleerd hebben, komt de ‘patiënt’ al gauw in contact met specialisten. De diagnose wordt soms als het ware een deel van de identiteit van het kind. De jeugdige ziet zich als iemand met een bijzondere eigenschap en de omgeving gaat hem zo behandelen. Met een harde diagnose én niet zelden een voorschrift als gevolg.

Ouders horen veel en maken zich sneller druk. Zij zoeken vaak houvast en een deskundig advies. Wat zij vooral moeten beseffen, is dat de diagnose ‘slechts’ nuttig is om te weten. Het belangrijkste is wat daarop volgt. Opvoeden is geen zwart- witverhaal, geen exacte wetenschap. Ik kan geen kind in een scanner steken om te zien of hij een gedrags- of leerstoornis heeft. We moeten diagnoses blijven stellen, maar dan wel multidisciplinair. Een samenwerking van ouders, leerkrachten, sociaal werkers, pedagogen en artsen. Door evaluaties en meerdere gesprekken maken we betere diagnoses en realiseren we een beter afgestemde reactie. En dat hoeft niet altijd medicatie of behandeling te betekenen, dat kan ook een andere manier van opvoeden zijn.

Opvoeden
Wat is opvoeden precies? Heeft opvoeden zin? Er zijn kasten vol boeken over geschreven. En je kunt overal cursussen en trainingen over opvoeding volgen. Maar, opvoeden is geen exacte wetenschap. Het is geen kwestie van het simpel samenvoegen van verschillende ‘grondstoffen’ in de juiste samenstelling. Opvoeden is een samenspel van verschillende factoren en in de eerste plaats een interactie tussen ouder(s) en kind. En ja, dat gaat met vallen en opstaan. Het is een voortduren bewegen tussen uitersten:
 controleren ↔ vrijlaten
 gericht op jezelf (als opvoeder) ↔ gericht op je kind
 streng ↔ toegeeflijk
 beschermen ↔ zelf laten ervaren
 star ↔ flexibel
 consequent ↔ inconsequent

Iedere ouder stelt zich wel eens vragen over de opvoeding van zijn kind en twijfelt aan zijn aanpak. Of het nu gaat over het starten van een zindelijkheidstraining, een kleuter die niet wil eten, een achtjarige die tussen zijn ouders in slaapt of het omgaan met een koppige puber. Niemand kent de waarheid, maar elke mening telt. Opvoeding is mensenwerk. Niet alleen de ouders hebben invloed op de opvoeding van hun kind. Ook de school, de vriendjes, de sportclub en de leeftijd zijn van invloed. In zijn Opvoedingscanon geeft René Diekstra de volgende definitie van opvoeden: Opvoeding is iedere invloed die mensen, bedoeld of onbedoeld, uitoefenen op de ontwikkeling van een kind.

En ook de media – waaronder televisie, computer, internet, radio , etc. hebben een zekere invloed op de ontwikkeling van een kind. En ja, die verschillende invloeden worden nog wel eens onderschat.

Probleem van de gemeenschap
Ik herhaal het nog maar eens: opvoeden is geen exacte wetenschap. Voor ieder probleem bestaan er verscheidene oplossingen. Welke oplossing voor welk gezin resp. welk kind de juiste is, hangt af van verschillende factoren: het karakter van het kind, de omgeving, de relatie van de ouders, de woonsituatie van het gezin. Professioneel opvoeden – en ja, dat doen de meeste ouders – vereist een combinatie van dienstbaarheid, passie en nuchterheid. ’t Moet nuchter, met boerenverstand, niet ‘uit het boekje’, maar altijd met volledige aandacht. Eerst aanvoelen, dan invoelen. Consistent en consequent zijn als ouder is belangrijk. Afhankelijk van het kind moet je hen belonen, confronteren, straffen en grenzen stellen. Praktijkgerichtheid en logica zijn, net als theoretisch denken, ook onderdelen van pedagogische intelligentie.

Natuurlijk zijn er gevallen waarin individuele hulp door specialisten zinvol is. Maar in het algemeen tonen onderzoeken aan dat dergelijke behandelingen zelden werken. Sterker nog, kinderen worden er regelmatig slechter van. De maatschappij doet er daarom verstandig aan ‘moeilijke’ kinderen op een andere manier aan te pakken. Niet individueel, maar juist als gemeenschap: op straat, op school en thuis. Waar nodig met ondersteuning van specialisten. Hun doel moet echter niet het behandelen zijn, maar het herstellen van een gewoon leven voor het kind. De beroepsmatige opvoeders moeten ook niet denken dat zij wel weten wat het probleem is, maar de ouders en kinderen zien als experts van hun eigen leven. Zij kunnen het best aangeven waar problemen én oplossingen liggen.

Accepteren
Opvoeden heeft dus zin, maar realiseer je dat je als ouder of beroepskracht niet almachtig bent. Er zijn nu eenmaal een hoop dingen waar je geen invloed op hebt. De aanleg van je kind bijvoorbeeld, die kun je met de beste wil van de wereld niet veranderen. En ook niet met regels, grenzen, straffen of beloningen. Ook de wereld waarin je kind opgroeit kun je niet naar je hand zetten. Accepteer dus dat je een hoop dingen niet kunt veranderen. En richt je aandacht op de momenten waarop je je kind wel kunt bijsturen. Kortom, als we nou weer eens gewoon gingen opvoeden.

Eerdere bijdragen:
 De teerling is geworpen, er is geen weg terug
 Bouwstenen voor naadloze zorg
 Waarom incidentenpolitiek niet werkt

Over de auteur:
Dit Podiumartikel is geschreven door Peter Paul Doodkorte, toentertijd partner van BMC.

Galerij

Jeugdzorg in het grijze circuit

Gepubliceerd 18 aug 2006 | Binnenlands Bestuur | Peter Paul J. Doodkorte
doolhof 2
Onder invloed van de WJz staat de jeugdzorg beter en sterker dan ooit tevoren op de kaart. Wat niet weg neemt, dat veel nog beter moet. In de aansluiting tussen lokaal jeugdbeleid en provinciale jeugdzorg zitten nog de nodige knelpunten. Belangrijke oorzaak is de keuze voor een ‘smal’ bureau jeugdzorg, dat geen licht ambulante hulp meer mag verlenen. De daardoor lokaal ontstane leemte is duidelijk merkbaar. Bureaus jeugdzorg geven wel invulling aan hun wettelijke aansluitingstaken (advisering, deskundigheidsbevordering en contact onderhouden met voorliggende voorzieningen), maar versnippering van het lokale aanbod maakt uitvoering erg arbeidsintensief.

Ook geven gemeenten aan dat zij moeite hebben met het invullen van de hen toebedachte regierol, omdat verschillende voor het lokale jeugdbeleid relevante organisaties (jeugdgezondheidszorg, maatschappelijk werk, politie en voortgezet onderwijs) bovenlokaal functioneren.

In het complexe krachtenveld van het lokale jeugdbeleid is een krachtige, eenduidige sturing nodig. Het Centrum voor Jeugd en Gezin, in combinatie met de introductie van de verwijsindex en het elektronisch kinddossier, past daarbinnen uitstekend. Het biedt mogelijkheden tot het terugdringen van het aantal spelers, geeft bureaus jeugdzorg een focus voor de inrichting van haar aansluitingstaken, biedt ruimte voor heldere, toets- en afrekenbare afspraken over taakverdeling en regievoering en draagt zo bij aan een betere communicatie tussen voorliggende voorzieningen en de jeugdzorg en daarmee versterking van de keten.

Het door sommigen verfoeide ‘duale’ karakter van de WJz (jeugdbeleid bij gemeenten, jeugdzorg bij provincie) draagt juist bij aan het elkaar aanspreken op verbeteringen. Veel van de voorgestelde verbeteringen (Inventgroep, Gideongemeenten, Operatie Jong) passen dan ook goed binnen het huidige stelsel van de WJz. Ik verwacht dan ook dat de provincies het kabinetsbesluit van harte zullen ondersteunen en – op korte termijn – met stimuleringsregelingen komen, die de vorming van de Centra voor Jeugd en Gezin stevig zullen stimuleren.

Als dat eenmaal is geregeld, is verdere decentralisatie van verantwoordelijkheden en bevoegdheden zeker denkbaar, maar de vorming van Centra voor Jeugd en Gezin moet niet leiden tot een hernieuwde discussie over (weer) een wijziging van stelsel of aansturing.

Peter Paul J. Doodkorte, toentertijd senior adviseur BMC