De doodlopende weg van eindeloze verwachting

sleutelen.png

  • Goed onderhoud is een zaak van iedereen

De zorg in Nederland is  in ons denken en doen opgesplitst in twee sectoren, cure en care. ‘Cure’ heeft als doel het komen tot genezing dan wel bevordering van herstel, met de daarbij behorende ondersteuning en zorg. ‘Care’ heeft als doel het zoveel mogelijk terugdringen van de nadelige effecten van ziekte en beperkingen door verpleging, begeleiding ondersteuning en zorg. Het verschil tussen beide vormen van zorg wordt nog wel eens uit het oog verloren. Niet in de laatste plaats, zo denk ik, omdat wij denken, verwachten of vinden dat alles te repareren (herstellen) moet zijn.  

Bovenstaande gedachte ontspon zich bij mij toen ik kennis nam van een interessant artikel van de hand van Han van der Horst, historicus (Joop, 6 december 2018). In dit commentaar stelt hij aan de kaak wat er nu met de jeugdzorg gebeurt door de manier waarop steeds meer gemeentes de jeugdzorg financieren. Zijn commentaar komt er – kort samengevat – op neer dat volgens hem gemeenten hun (jeugdige) inwoners zien als ‘objecten’ en de organisaties die hen behoren te helpen als machines. Waarbij de omstandigheden van de (jeugdige) inwoners maakbaar zijn. Als je ze maar in de juiste stand zet. Of, zoals Han van der Horst dat opschrijft: “Jeugdzorg wordt teruggebracht tot een vorm van africhten waarbij de dompteur de schuld krijgt als het kind niet snel genoeg leert door de hoepel te springen.”

Ik kan in veel opzichten meevoelen met de kritische kanttekeningen van Van der Horst. Zeker waar het gaat om het door overheden voortdurend streven naar beheers- en maakbaarheid van de samenleving. Hiermee draagt de overheid bij aan het beeld dat alles wat in ons leven tegen zit reparabel is. Tegen zo laag mogelijke kosten.

Wat ik echter mis in het commentaar van Van der Horst is de andere kant van diezelfde medaille. Daar waar hij gemeenten verwijt dat zij denken dat ze marionettenspelers zijn met de inwoners aan een touwtje, zou ik ook het omgekeerde willen stellen. Te veel en te vaak zie ik inwoners die van diezelfde overheid juist dat verwachten wat Van der Horst de gemeenten verwijt: wij hebben een probleem en u – overheid – moet dat voor ons oplossen. Waarbij het de professionele hulpverleners kwalijk genomen wordt als zij ook niet (direct) een passend antwoord kunnen vinden of geven op lastigheden.

Opvoeden, ouder worden en alles wat daar tussen ligt of mee gepaard gaat kent bij tijd en wijle (forse) hindernissen en beperkingen voor (jeugdige) inwoners en hun omgeving. Dat is absoluut waar. Maar (ook) professionele hulpverleners zijn geen oliemannetjes- of -vrouwtjes die dat allemaal wel even oplossen (lees: repareren).

Jeugdzorg is, net als zorg die wij bieden onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) geen reparatiebedrijf. Bij een minder functionerend vatenstelsel rond ons hart kan de hartchirurg de slechte delen vervangen en zo de werking van het hart herstellen. Bij een gebroken been of arm, kan de schade inderdaad hersteld worden. In zaken rond opvoeden, groter groeien en ouder worden ligt dat toch even anders. De oorzaak is dan vaak niet allen minder eenduidig, maar kent ook vele aangrijpingspunten. Een druk kind bijvoorbeeld. Is dat het gevolg van beperkingen in het kind zelf gelegen, of komt dat door een omgeving die teveel prikkels geeft? Of ouders die onvoldoende grenzen stellen?

Te vaak en te veel zie en hoor ik inwoners verwachten dat professionals hun probleem wel even (moeten) kunnen fixen. Wanneer diezelfde professional dan het vraagstuk in een bredere context probeert te bekijken – waarbij ook de bijdrage (in houding, gedrag, activiteit, etc.) van de inwoners zelf ook aan de orde komt) ontstaat al gauw verontwaardiging. “Mijn kind (of partner, ouder) heeft een probleem. Ik niet!”

Wij, de inwoners verwachten van ‘de overheid’ een oplossing voor al onze problemen. Diezelfde overheid moet dat dan wel doen tegen zo laag mogelijke kosten. Want onze Onroerende Zaak Belasting of de andere belastingen mogen vooral niet omhoog gaan. Zoals ook onze eigen financiële bijdrage aan een eventueel antwoord zo niet nihil, dan toch in ieder geval zo beperkt als mogelijk moet blijven. Als onze overheid, die wij overigens zelf gekozen hebben, vervolgens probeert de kosten in de hand te houden spreken wij – de inwoners – daar ook weer schande van. Wat ik maar zeggen wil: we zijn te veel klant geworden van de overheid, en te weinig mens gebleven.

Het gevolg hiervan is ook de oorzaak van de gordiaanse knoop waarmee wij elkaar gevangen houden. Dat is – helaas – niet een nieuwe constatering: de Franse politiek filosoof Alexis de Tocqueville voorspelde dit al in “Over de Democratie in Amerika (1931-32): “De democratie zal er toe leiden dat de mens individualistischer wordt, en de staat bureaucratischer. En deze twee gaan elkaar versterken. Dus hoe meer de staat gaat oplossen – in plaats van mensen onderling en in verenigingen – hoe individualistischer de mens wordt, omdat hij denkt dat de staat het wel regelt. En hoe individualistischer de mens wordt, hoe meer de staat de noodzaak zal ervaren om problemen op te lossen, want wie doet het anders?”

Het voortgaan op ‘de weg van eindeloze verwachting’ biedt u en mij wellicht het heerlijke gevoel dat ons ongemak vooral aan de ander ligt (mij valt niets te verwijten). Het zal ons ongenoegen per saldo echter alleen maar voeden. Het wordt daarom tijd dat wij stoppen met het bij elkaar over de schutting gooien van deze gezamenlijke uitdaging. Gewoon, omdat dit niet alleen de onvrede zal verminderen, maar ook en belangrijker nog, omdat het een passend antwoord dichterbij brengt. En dat begint met de erkenning – bij overheid én inwoners – dat repareren (cure) echt wat anders is dan (goed) onderhouden (care). Goed onderhoud is namelijk een zaak van iedereen! Om te beginnen bij onszelf!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Advertenties

Jij bent mijn vriend

jij bent mijn vriend.png

  • Een hartverwarmende film over de schooltijd van net overgekomen vluchtelingkinderen.

De film volgt Branche (6); vanaf de paniek van de eerste schooldag tot een zelfverzekerde jongen in de klas van meester Wout. Een film over het belang en de kracht van vriendschap en de hunkering van ieder mens naar een liefdevolle en veilige omgeving.

Petra en Peter Lataster filmden in hun kenmerkende observerende stijl; zonder commentaar of interviews en vanuit het perspectief van de kinderen.

Hypocriet

hypocriet.png

  • Het voorbeeld doet volgen

De aandacht voor het borgen van privacy is met name door nationale en Europese regelgeving een prioriteit geworden, door respectievelijk de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Het blijkt dat het nog niet zo eenvoudig is om in de praktijk invulling te geven aan het borgen van privacy. Daarom geven mijn collega’s en ik daaraan in ons werk veel aandacht. En dan is daar Beau!

Beau (van Erven Dorens) en zijn Rotterdam Project (RTL4). Met kennelijke compassie met zwervers en daklozen neemt hij de kijker mee naar de duistere wereld van Rotterdamse daklozen. Eerlijk is eerlijk, de enkele keer dat ik hem zag ontroerde het programma mij ook. Met aandacht voor zwervers en daklozen is ook niks mis. En toch schuurde het bij mij nadat ik – later thuisgekomen – middenin dit programma viel waar mijn partner naar zat te kijken.

Terwijl ik dagelijks alert moet zijn op het niet onnodig of onnodig veel delen van informatie van mensen waarvoor ik moet zorgen, staat Beau voor het oog van een miljoenenpubliek schaamteloos het hele hebben en houden van een twintigjarige schildersknecht uit de doeken te doen. Van de ene op de andere minuut weet heel Nederland dat deze – overigens ontwapenend lieve gozer – dakloos is dankzij een stevige schuld dankzij zijn vader. Hoezo privacy?

De betweters zullen mij ervan overtuigen dat dit vooraf en achter de schermen natuurlijk best goed geregeld is. De knul zal ongetwijfeld op de hoogte gebracht zijn en een toestemmingsverklaring hebben ondertekend. Dat is echter niet het beeld dat de programmamaker en zijn crew oproepen. Zij suggereren dat zij de knul achteloos overvallen en confronteren met zijn eigen (!) verhaal. Er is – zo doet het programma vermoeden – al heel veel over deze knul gesproken, zonder dat hij daarvan afwist. En dat knelt naar mijn overtuiging met de richtlijnen en afspraken rond privacy.

Er kleven nog wel meer vraagtekens aan dit – ongetwijfeld naast commerciële ook met oprechte bedoelingen gemaakte – programma.

Beau spreekt dus volgens het programma een niets vermoedende knaap aan op straat. Confronteert hem met zijn probleem en biedt hem en passant een bedrag van 10.000 euro aan. Om te werken aan de oplossing van zijn probleem. Hij mag er ook nog een nachtje over slapen. In een voor hem geregeld hotel; op kosten weer van Beau. Prachtige, gewaardeerde en prijs waardige emo-televisie. Dat is inmiddels zeker. Maar toch!

Onbedoeld waarschijnlijk, maar ondertussen toch, geeft Beau daarmee een prachtig voorbeeld van hoe eenvoudig het is om mensen – en vooral jeugdigen – te verleiden. Hij doet precies dat, waarvoor bij wijze van spreken op diezelfde avond een ander programma (Misdaad Anoniem) ons waarschuwt! Wordt geen geldezel, money mule of katvanger. Allemaal termen voor mensen die door criminelen geronseld worden om geld wit te wassen. Dat schuurt. Ook, omdat diezelfde schildersjongen van knuffelkonijn in een handomdraai het doelwit is van massale verontwaardiging als hij besluit een iPhone X ter waarde van 1159 te kopen. Ruim 1/10e deel van het totale geldbedrag dat bestemd was om hem uit de problemen te helpen. Waarom? Zodat hij Pokémons met de telefoon kon vangen. Wij, kijkers die onszelf graag dit soort onzinnige prullaria cadeau, doen reageren massaal verbijsterend hypocriet. Hoe kan hij dat nou doen.

Dat wij allemaal – inclusief ikzelf – in katzwijm kunnen vallen voor programma’s als het Rotterdam Project of bijvoorbeeld Boer zoekt Vrouw verbaast mij niet. Het is echter ook hypocriet. Want programma’s als deze mogen kennelijk wel wat ‘de gewone burger’ niet mag. Of wat een professioneel hulpverlener verboden wordt. Hem of haar zelfs en gevangenisstraf of iets dergelijks kan opleveren.  Het voelt niet goed als wij vinden dat ProRail terecht geïrriteerd is over spoorlopers in Boer zoekt vrouw terwijl er al een tijd campagne wordt gevoerd tegen spoorlopen, omdat dat levensgevaarlijk is en tot veel vertraging voor reizigers leidt.

Privacy is een hekel punt. Wat deel je wel/niet? Zeker voor mensen van wie delen van hun leven op straat of de buis gegooid word. Zij betalen een hoge prijs (zie ook: ‘SuperStreamMe’ van BNN (2015)). Dat zal zeker niet het oogmerk zijn van de programmamakers, maar bijdragen aan de juiste beeldvorming doet het niet.

Het succes van dit soort programma’s maakt de vraag niet minder relevant wat nu precies de grens moet zijn van privacybescherming. Waarom genieten wij massaal van publiekelijk gemaakte ellende aan de zelfkant van de maatschappij om vervolgens moord en brand te schreeuwen als een professional – omwille van adequate zorg – in onze ogen niet zorgvuldig genoegd is geweest in de uitwisseling van die informatie met een andere professional.  Kennelijk mag dat voor het oog van miljoenen wel, maar in de bescherming van een spreekkamer niet!

Ik zou willen dat wij en programmamakers ons dat iets beter en vaker realiseren als wij in onze luie stoel stilletjes zitten te sniffen over die lieve schilderknecht. Of wanneer wij – samen met Pauw – ons (nogmaals) verkneukelen over de onhandigheid van mensen bij hun first date. Het voorbeeld doet volgen! Wat vandaag anderen gebeurt, kan morgen ons lot zijn!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Vrijwilligers zijn goud waard

vrijwilligerswerk.png

  • Het schip van verwachting versus de wal van (on)mogelijkheden

Niet alleen de chimpansees worden met uitsterven bedreigt. Ook de vrijwilliger is een bedreigde soort! Is dat erg? Uitsterven hoort nu eenmaal bij evolutie zou je kunnen zeggen. Dat klopt, en het uitsterven van een soort nu en dan is ook geen ramp. Maar de huidige uitstervingsgolf wordt honderd procent veroorzaakt door een schip vol van verwachtingen dat zonder vaart te minderen afstevent op een kade van onmogelijkheden. Terwijl wij als samenleving eigenlijk afhankelijk zijn van het de vrijwilligers. Zij zijn het fundament van onze transformatie.  Als dat fundament in elkaar klapt, is dat onomkeerbaar.

Boodschappen doen voor een oudere vrouw die het zelf niet meer kan, huiswerkbegeleiding geven aan kinderen uit achterstandswijken, bewoners van een verpleegtehuis helpen bij het eten en knutselen met verstandelijk beperkte mensen die baat hebben bij een dagbesteding. Allemaal taken die onze ouders als vanzelfsprekend deden voor mensen in hun netwerk. Later werden ze onderdeel van betaalde zorg. Waardoor langzaam maar zeker bij onze generatie het beeld ontstond dat dit altijd al door professionals gedaan was. En nu ze in onze huidige samenleving weer terugkomen op het bordje van onszelf voelen wij ons bestolen van en door de verzorgingsstaat.

Het is onderdeel van een ingrijpende verandering van onze samenleving: de overgang van de verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving. De overheid trekt zich steeds meer terug en er wordt een groter beroep op inwoners gedaan. Een belangrijke pijler om de decentralisaties en transformatie binnen het sociaal domein tot een succes te maken is de eigen kracht van mensen. Hun participatie ook als vrijwilliger. En juist de vrijwilliger is een uitstervend ras.

Wat een moeite verenigingen, scholen en instellingen moeten doen om mensen te vinden die hun vrijwillig willen helpen. Bij menige sportvereniging moeten  teams uit de competitie worden gehaald, omdat men geen trainers en leiders voor deze teams kan vinden. En wat dacht je van al die vrijwilligers in de zorg die bij ouderen langs gaan die alleen zijn, die in hospice werken, die in bejaardenhuizen activiteiten doen? Het is dankbaar werk, maar steeds minder mensen willen het doen.

De vrijwilligerssector heeft te maken met grote veranderingen, vooral door de drie grote decentralisaties van zorg, werk en jeugd. Hierdoor is vooral het beroep op vrijwilligers in zorg en welzijn is de laatste jaren gegroeid. Ook worden hogere eisen gesteld aan het werk dat vrijwilligers doen omdat de vragen complexer en langduriger zijn. Voor steeds meer organisaties is het een meer dan grote uitdaging hoe zij hieraan invulling en uitvoering kunnen geven. Niet i de laatste plaats ook door onze afnemende bereidheid om vrijwilligerswerk onbetaald – een kenmerk van vrijwilligerswerk – te verrichten. Het hulpje dat wij in het huishouden inhuren, zodat wij vrijwilligerswerk kunnen doen voor de dagopvang waar ons hulpje haar kind naartoe brengt moet immers ook betaald worden!

Vrijwilligersorganisaties ondervinden inmiddels een enorme druk, omdat zij een groter aantal en complexere hulpvragen ontvangen. Hulpvragen die tot voor kort – dankzij de gouden eeuw die wij beleefden – door professionals in de zorg en welzijn werden opgepakt, komen nu (weer) bij vrijwilligersorganisaties terecht.

De grenzen aan vrijwillige inzet vormen dan ook een vaak terugkerend gespreksonderwerp. Niet alleen vanwege de vraag of een vrijwilligersorganisatie of vrijwilliger de extra gevraagde taak of een meer complexe taak wel aankan. Vaker gaat het om een gebrek aan capaciteit dan om een gebrek aan deskundigheid. Veel vaker doemt de vraag op of wij de gezochte vrijwilliger nog wel kunnen vinden en binden.

Jongeren bijvoorbeeld doen nog maar zelden vrijwilligerswerk. Daar waar zij dat wel doen, is het vaak een zakelijke transactie: ik doe dit in ruil voor…woonruimte, verlaging lidmaatschapskosten, etc. Ook wij ouderen echter staan niet bepaald meer in de rij voor het langdurig doen van vrijwilligerswerk. Een avondje bardienst dragen bij een sportclub, meehelpen bij een spelletjesmiddag in het buurt- of verzorgingshuis, de Vierdaagse meelopen met mensen in een rolstoel. Er is van alles mogelijk. Mits er vrijwilligers zijn! En daar knelt steeds meer de schoen.

De toenemende schaarste aan vrijwilligers maakt dat wij met enige urgentie moeten nadenken over de vraag wanneer het schip van de verwachting wordt gekeerd door de wal van (on)mogelijkheden. Veronderstellen dat het wel goed komt is riskant.

Los van de vraag of vrijwilligers bereid zijn om nieuwe taken op te pakken, zullen wij naar verwachting veel meer oog moeten hebben voor goede condities en voorwaarden. Waarbij wij niet blind kunnen zijn voor de toenemende trend in onze samenleving dat elke prestatie die wij voor en aan elkaar leveren voorzien moet worden van een tegenprestatie. Dat keren wij niet door mensen wild te enthousiasmeren met het beeld van verenigingen, organisaties en instellingen die draaiende gehouden worden door vrijwilligers. Dat vraagt om een bij de huidige tijd passende erkenning van het feit dat vrijwilligers goud waard zijn en dus niet met de loden last van onbetaalbaarheid afgescheept kunnen worden. 

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

 

Transformeren – Van papier naar praktijk

pic Transformatie - Van papier naar praktijk

  • Voor nieuwe dingen moet je ruimte maken

1 januari 2015 was het formeel startmoment binnen het sociaal domein van dat wat een radicale hervorming van de ondersteuning en zorg voor de inwoners teweeg moest brengen. Een grote, beloftevolle ambitie die wij ‘transformatie’ doopten.

Het klonk en klinkt goed. Het draait ook om goede bedoelingen, maar in de praktijk blijkt het doen van het denken verdraaid lastig. Niet in de laatste plaats, omdat wij eigenlijk geen concreet beeld of idee hebben over wat er, waarom en door wie, omgezet of omgevormd moet worden. Alles moet anders. Dat wel.

Oftewel: wij worstelen vooral met wat ‘transformatie’ nu werkelijk inhoud. Wat het betekent en wat het vraagt.

Deze video bevat een leidraad voor de het gesprek rond de verkenning van die worsteling en dat vraagstuk. Daarbij wordt de ontwikkeling binnen het sociaal domein geplaatst in de context van een brede maatschappelijke zoektocht.

 

De basisovertuiging, – het geven van de regie aan de inwoners blijkt naast een avontuur ook een grote uitdaging. Net zoals het antwoord op de vraag hoe overheden en maatschappelijke instellingen en instituties daarin participeren een zoektocht is.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Gladiatoren van de nieuwe tijd

gladiatoren.png

  • Wie daagt wie nu uit?

Nederlanders moeten meer te zeggen krijgen over hun eigen leefomgeving. Dat zegt de overheid. Daarom heeft zij onder meer het ‘uitdaagrecht’ beschreven. Daarmee moet het makkelijker worden voor inwoners om aan de overheid een alternatief plan voor te stellen. Dit ‘uitdaagrecht’ moet breder worden ingezet, zegt ook de overheid. Maar als het er op aan komt, geeft diezelfde overheid niet thuis! Het ‘recht van uitdaging’ lijkt zo een hol begrip en een loze belofte te zijn.

De Wet maatschappelijke ondersteuning kent al zo’n uitdaagrecht – right to challenge – maar dat werkt niet zo soepel als zou moeten. Aan de keukentafel ja, op individueel niveau, daar wil het meestal nog wel lukken. Echter, zodra het ‘systeem’ zelf wordt uitgedaagd wordt het ingewikkelder zo niet onmogelijk. Neem de ingewikkelde aanbestedingsregels in de wet. Die zorgen er juist voor dat inwoners worden belemmerd in hun mogelijkheid om gemeenten uit te dagen meer zorgtaken zelf uit te voeren. Het aanbestedingsrecht, de Wet openbaarheid van bestuur, de Gemeentewet en de rechtsbeschermingsprocedure uit de algemene Wet bestuursrecht sluiten onvoldoende aan op onervaren, lokaalgebonden en kleinschalige initiatieven. Zo leert de ervaring.

In zo’n honderd gemeenten hebben inwoners het Right to Challenge: het recht om taken van de gemeente over te nemen als ze denken dat ze dat slimmer, beter, goedkoper of anders kunnen doen. Minister Ollongren (BZK) streeft naar een verdubbeling van het aantal gemeenten in 2022. Op papier zal dat waarschijnlijk wel lukken. Het denken ook doen zal lastiger blijken. Het op papier zetten is een, maar dan ben je er nog niet. Je moet er echt mee aan de slag, je moet er als overheid werk in steken. Je moet er actief mee naar buiten, en – in de eerste plaats – je moet willen en durven loslaten.

Stel, dat als gladiatoren in hun tijd, de inwoners van Amsterdam de overheid zouden uitdagen met een plan om ‘hun’ Slotervaartziekenhuis voortaan zelf te gaan exploiteren. Zou het ogen? Ik zou het wensen, maar waag het ernstig te betwijfelen. En wat te denken van de inwoners van de gemeenten Haren (Groningen) en Landgraaf (Limburg). Zij wilden wat graag zelf hun boontjes doppen, maar kregen of krijgen nul op het rekest.

Als inwoners geïnspireerd worden om lokale publieke taken over te nemen en daarvoor overgaan tot participatie, is  frustratie hun lot. Want in het gunstigste geval krijgen zij een beetje ondersteuning in de vorm van lippendienst. Meestal echter worden diezelfde inwoners weggezet als goed bedoelende amateurs. Een muur van verzet, een tsunami van tegenargumenten en gebrek aan openheid zijn vaak hun deel..

Dit laatste lijkt vooral het gevolg van het feit dat het juridisch kader achterloopt op de maatschappelijke ontwikkelingen. Een goede toepassing van ‘right to challenge’ vereist een herziening van de rechtsverhoudingen tussen inwoners en bestuur.

Het ‘recht van uitdagen’ is een mooi iets, maar als er zo’n initiatief komt, moeten de mensen niet van het kastje naar de muur worden gestuurd. Vaak is de angst dat inwoners hun werk gaan overnemen. Overheden moeten er duidelijk mee leren omgaan dat inwoners net even op een andere manier aankijken tegen dingen, de zaken net even anders inrichten. Zij denken niet in geldpotjes en afdelingen, ze willen gewoon iets voor elkaar krijgen.

Het ‘right to challenge’ veronderstelt een omslag van burger- naar overheidsparticipatie. Van (als inwoner) ‘mogen meepraten’ naar (als overheid) ‘betrokken zijn bij’. Dat vraagt transparantie en openheid. Het veelt geen reacties in de trant van ‘U (inwoner) kent de context net; u weet niet waar u over praat’.  Als dat al zo zou zijn, dan is dat niet aan de inwoners te wijten, maar aan een tekort schietende overheid.

Mijn voorlopige conclusie? Het lijkt wel of overheid de inwoners met initiatieven heeft (her)ontdekt, maar meestal blijft het beperkt tot kleine, tijdelijke projecten van een goedwillende ambtenaar of vooruitstrevende wethouder, maar ze komen niet voort uit een bestuurlijke visie op burgerinitiatieven. En dat is volgens mij de uitdaging voor de komende jaren. Want burgerparticipatie is nog te vaak iets dat moet worden afgevinkt. Terwijl het beleid er zo veel beter van wordt. Zeker, nu gemeenten steeds meer taken op zich zien afkomen. Een proces dat begon met de decentralisaties van jeugdhulp, werk en zorg en wordt gevolgd door de Omgevingswet, de energietransitie en de overgang naar aardgasvrije wijken. Dat alles gaat niet vanzelf’ en al helemaal niet zonder de inwoners. Dat vraagt een heel ander type dialoog. Gebaseerd op betrokkenheid vooraf in plaats van bezwaren achteraf.

Of het zal lukken overheden zo te laten kantelen? Ik ben ervan overtuigd. Is het niet op basis van echte overtuiging, dan wel omdat de wal het schip keert. Immers, ondanks de – op zijn vriendelijkst gezegd – tegenstribbelende medewerking van heel wat overheden zien wij een gestage toename van burgercoöperaties op het gebied van energie, gezondheid, zorg, onderwijs, werkgelegenheid en woningbouw. Als antwoord vaak op de grootschalige instanties en professionele instellingen. Mensen willen graag en weer het heft in eigen hand.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Moeder mag niet dood

moeder mag niet.png

  • Omgekeerde euthanasie

Moeder Jopie heeft zich voorgenomen om niet dood te gaan. Dochter Minou heeft beloofd haar daarbij te helpen, ze is alleen vergeten wanneer. Moeder danst en leert haar de rituelen van haar levensdrift: zorg tenminste voor één levende plant en zing iedere dag. Vrolijk zwierend richting eeuwigheid geven moeder en dochter een energiek beeld van een omgekeerde euthanasie. Samen geven  ze een energiek beeld van ‘omgekeerde euthanasie’, als broodnodig tegengeluid bij het maatschappelijke debat over ouderen. Moeder Jopie heeft zich namelijk voorgenomen om niet dood te gaan. Wat zijn de consequenties van moeders ongebreidelde levenslust?

 Minou Bosua, voorheen de helft van cabaretduo De Bloeiende Maagden, staat samen met haar moeder Jopie (87) en zes oudere dansers op het toneel in Moeder mag niet dood. Een ontroerende en optimistische voorstelling voor iedereen met een onbedwingbare levensdrift of een gebrek daaraan. Een subtiel pleidooi ook om je ouders te eren, maar ook te leren van hun tekortkomingen. Als tegengeluid bij het maatschappelijke debat over ouderen dat vaak gaat over aftakeling, ontbrekende zorg en het georganiseerde levenseinde.

Moeder mag niet dood is het eerste deel van het drieluik Moeder, Vader, Kinderen, over de rijke, geheimzinnige en vaak gesloten structuren van het gezin.