Doorpakken en doen!

doorpakken en doen 2.png

  • Als alle methoden mislukken, probeer het dan eens met doorpakken en doen.

De decentralisatie (2015) van de taken op het gebied van de Jeugdzorg, Participatiewet en de AWBZ is het stadium van het op orde krijgen van de basis inmiddels wel voorbij. Rollen, taken, verantwoordelijkheden zijn wel duidelijk. Gemeenten pakken hun nieuwe verantwoordelijk serieus op, er zijn goede stappen gezet in het wijkgericht werken, hier en daar zijn pareltjes te zien van wat eigentijdse ondersteuning van inwoners genoemd kan worden. Maar om die transitie draait het natuurlijk niet. 1 januari 2015 was slechts een formeel startmoment van wat een radicale hervorming van de zorg voor de inwoners moest worden. Een grote, beloftevolle ambitie die wij ‘transformatie’ doopten. Het klinkt goed, draait om goede bedoelingen, maar blijkt in de praktijk verdraaid lastig. Niet in de laatste plaats, omdat wij eigenlijk geen concreet beeld of idee hebben over wat er, waarom en door wie, omgezet moet worden naar een andere vorm. Oftewel: wij worstelen vooral met wat ‘transformatie’ nu werkelijk betekent.

We nemen het woord ‘transformatie’ veelvuldig en snel in de mond.  Ook zelf bezondig ik mij daar gemakkelijk aan. Zo niet zelden het beeld oproepend dat ‘transformeren’ niet meer of minder is dan het indrukken van een knop op het toetsenbord van onze computer of iPad. Zo’n knop als waarmee je in fotoprogramma’s verschillende transformatiemethoden (roteren, schalen, schuintrekken, vervormen en perspectief) in één doorgaande bewerking toepast.

Zodra er vraagtekens zijn bij de kwaliteit van de zorg, er wachtlijsten ontstaan, of de uitgaven voor zorg de beschikbaar gestelde budgetten overstijgen, komt ‘transformeren’ om de hoek kijken. Want een ding is zeker: wat wij willen omvormen, dat is wel duidelijk. Lastiger en weerbarstiger is het antwoord op de vraag ‘hoe’ je transformeert. Of van wie dat actie vraagt; en waarom of waartoe dan? Bestuurders en professionals zijn voortdurend zoekende, maar de combinatie van de decentralisatie met de daaraan parallel lopende bezuinigingen maken het bepaald niet gemakkelijk. Eigenlijk ontbreekt ons de tijd. Nieuwe ideeën, nieuwe passie en met zijn allen geloven dat dit iets moois gaat worden. Dat lukt wel. Maar de tijd om ideeën en passies daadwerkelijk uit te diepen en te verkennen, die tijd ontbreekt.

Daarbij, en dat is wellicht de grootste valkuil: transformeren wordt teveel vereenzelvigd met veranderen. Veranderen echter is iets anders, beter of mooier doen dan dat je dat vroeger deed. Transformeren is nog helemaal niet weten wat je gaat doen. Veranderen is op het verleden gericht, met datzelfde verleden als maatstaf. Omdat we toen iets verkeerd deden, moeten we dat wat we verkeerd deden aanpakken. Met de wet van aantrekking als reisgenoot. Dat waar onze naar aandacht groeit. Dus, als we denken aan het veranderen van iets dat verkeerd ging, zal het dan beter gaan? Nee, het gaat misschien dan juist wel meer verkeerd. Neem de bureaucratie binnen het sociaal domein. Die moest en zou verminderen. Of die vermaledijde indicatieorganen! We bedachten een mooi alternatief: de sociale wijkteams. En wat doen die vooral? Juist ja, indicaties stellen.

Transformeren is op de toekomst gericht. Zonder enige last van het verleden iets nieuws creëren in de toekomst. Doordat we echter met de toekomst bezig zijn op basis van het verleden (dat is veranderen) herhalen wij eigenlijk het verleden. Zie daar de vicieuze cirkel waar we in vastzitten. Het voelt alsof we niet vooruitkomen, terwijl we toch zo verschrikkelijk ons best doen om onszelf – en liever nog ‘de ander’ te veranderen…..

Inmiddels groeit het ongemak en ongeduld rond het transformeren. De daarvoor geïntroduceerde ‘taal’ – van ‘eigen kracht’ tot ‘keukentafelgesprek’ en ‘transformatieopgave’, is eerder jeukjargon dan inspiratiebron geworden. Met enige regelmaat ervaar ik dat.

Het groeiend onvermogen om te beoogde omvorming daadwerkelijk handen en voeten te geven is naar mijn mening ook een gevolg van gebrek aan tijd. Bijeenkomsten daarover kenmerken zich door een te rijk gevulde agenda. Met allemaal punten die er toe doen. Waarbij wij elkaar tegelijkertijd in een deadlock tussen efficiency en doelgerichtheid zetten. Zodra het echt ergens over gaat, blijkt de tijd op. De volgende bespreking wacht immers al weer. Dus sluiten wij beleefd en welwillend af met een “Daar moeten wij een volgende keer wat dieper op ingaan.” Om de volgende keer onszelf weer te confronteren met een opnieuw rijk gevulde agenda. Met punten die er allemaal toe doen…..

Inmiddels is wel duidelijk dat het fundamenteel aanpassen van het sociaal domein begint met het transformeren van de geest. Het veranderen van onze kijk naar een vraagstuk. Net zo goed als het veranderen van de kijk naar mogelijke antwoorden daarop. Daarvoor zijn inspiratie en creativiteit de broodnodige brandstoffen. Transformatie draait om de magie van het (durven) dromen en de praktijk van het (durven) doen.

Dat dromen lukt nog wel. In grote, beloftevolle ambities zelfs Maar als het gaat om de weg ernaartoe en om de vraag wat nu precies goede, effectieve ondersteuning is, dan blijkt er nog veel handelingsverlegenheid.  De oorzaak daarvan? Het ontbreken van een gezamenlijk vertrekpunt. Ga maar eens een in gesprek over passende zorg, regie, eigen kracht, of de echte betekenis van ‘ruimte voor professionals’…

Transformeren is of mag geen papieren tijger zijn. Transformeren is een kwestie van schuren, schooieren en knutselen. Van ontmoeting en gesprek. Van co-creatie ook. En ja, transformatie binnen het sociaal domein is – mede door een vat vol van paradoxen – ook complex en niet rechtlijnig. Maar juist daarom is het van belang om grip te krijgen op de beoogde omvorming. Dat vraagt tijd en aandacht voor elkaar en elkaars belangen, net zo goed als een gemeenschappelijk denkraam.

Investeren daarin helpt alle betrokkenen om hun belangen anders te definiëren. Het helpt gemeenten om uitvoerders te inspireren en te binden. Het helpt professionals, instellingen en hun beroeps- en brancheorganisaties om samen te bouwen aan geïntegreerde ondersteuning. En dat is noodzakelijk om na een aantal jaren samen te kunnen beoordelen of we op de goede weg zijn.

De ruggengraat van de transformatie is het ontwikkelen van werkwijzen, producten en afspraken. Gaat over loslaten    en overlaten. Het is een zoektocht zonder duidelijke routekaart. Een verkenning waarbij de betrokkenen als partners in plaats van als partijen de route samen bepalen. Met het kompas op het doel  dat gebaseerd is op duidelijke antwoorden op de vraag wie, wat, wanneer en waartoe moet doen. Laten wij daarop doorpakken en doen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Advertenties

Ondernemen op andermans kosten

trasparant kosten.png

  • Een gebrek aan transparantie resulteert in ontrouw en onzekerheid

Kunt u zich het volgende voorstellen: boodschappen doen, zonder dat je weet wat de producten die je koop kosten? Ik denk het niet. U wilt weten wat het kost. Of het de prijs waard is. Waarom dan doen wij in Nederland massaal ‘boodschappen’ in de zorg, zonder dat wij weten wat het kost? Prijzen en producten. In de wereld van de zorg is het nog altijd geen algemeen goed dat wij daar transparant over zijn. Zo leerde mij een discussie waarin ik deze week verzeild raakte.

De opdrachtgever waarvoor ik werk, samen met een consortium van organisaties voor welzijn en zorg hebben afgesproken dat de gemeente, als financier, zich minder met het “HOE” van de ondersteuning voor mensen zal bemoeien. Dat is, zo vindt die gemeente, de expertise van de uitvoerende professionals. De gemeente creëert daarbij en daarmee ook regelruimte voor de professionals. Zij bepalen – in samenspraak met de betrokken inwoners – “WAT” er aan ondersteuning nodig is en geleverd zal worden.

De gemeente en het consortium vinden het belangrijk dat alle inwoners – ook kinderen en gezinnen – zoveel mogelijk zelf kunnen kiezen van wie zij, als dat nodig is, ondersteuning krijgen. En hoe die ondersteuning er – passend bij hun situatie – uit moet zien. Dat betekent onder andere dat aanbieders geen afnamegarantie wordt gegeven, maar dat de geleverde ondersteuning wordt afgerekend volgens afgesproken tarieven.

Dat alles vraagt, zo menen betrokkenen, transparantie over resultaten, tarieven en wat dies meer zij. Voor de gemeente vanuit en omwille van verantwoord opdrachtgeverschap. Voor de inwoners, opdat zij samen met de verwijzers dan wel toeleiders – een verantwoorde keuze kunnen maken. Voor de betrokken aanbieders om een gelijk speelveld voor grotere en kleinere spelers te kunnen realiseren.

Voor inwoners en de verwijzers en toeleiders naar ondersteuning is transparantie over de tarieven ook om andere redenen belangrijk. Wanneer zij weten welke budgetten gemoeid zijn met de voorgenomen ondersteuning, kunnen zij ook af- en overwegen of met hetzelfde budget wellicht nog andere dan wel beter passende oplossingen gerealiseerd kunnen worden. Het antwoord op de vraag “Wat draagt nu werkelijk en aantoonbaar bij aan het antwoord of de oplossing?” past zeker niet altijd bij de producten en diensten die de financiers (gemeenten, zorgverzekeraars, aanbieders) hebben gecontracteerd of aanbieden.

Een besluit tot een uithuisplaatsing van een kind naar een jeugdhulporganisatie bijvoorbeeld, kost al gauw zo’n € 50.000. Wanneer je – kijkend door de ogen van het kind en de betrokken ouders – dat weet, zijn er wellicht heel andere oplossingen denkbaar. Die het kind met passende ondersteuning in de eigen omgeving kunnen laten. Want met het eerder genoemde bedrag kun je welhaast een fulltime werkende ondersteuner toevoegen aan het gezin! Natuurlijk, dit kan niet altijd. Er zijn situaties waarin een uithuisplaatsing wel op zijn plaats is. Ondanks de daarmee gemoeide uitgaven. En dat moet dan ook gebeuren. Maar voorbeelden als de bovenstaande zijn er talloos. Ik schreef daarover al eerder (zie o.a. Thomas en Grote uitgaven).

Dat vraagt van aanbieders en hun professionals dat zij meer gaan denken vanuit de wensen en behoeften van degenen die de zorg ontvangen. Zij kunnen ook helpen bij het vormgeven van de kaders voor zorgcontractering. Het kostenplaatje voor de zorg zou er wel eens heel anders, en verrassend veel effectiever, uit kunnen komen te zien als je begint te denken, met ouders en jeugdigen, over vragen als:

  • Wat heft deze inwoner precies nodig?
  • Welke aanbieder past bij die wensen en behoeften?
  • Hoeveel budget is hiervoor nodig?
  • En welke aanbieder kan en wil dit bieden?

Transparantie in de tarieven dus. Dat was en is de wens van velen. Waaronder de Consumentenbond. Ook de nu demissionair Minister Schippers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wil dat alle tarieven voor behandelingen in de zorg openbaar en inzichtelijk worden. Die maatschappelijke wens en gedachte, zo blijkt bij het kenbaar maken van het voornemen tot het openbaar maken van de tarieven, nog lang geen algemeen goed.

Inmiddels is er een stevige discussie ontstaan over nut, noodzaak en toelaatbaarheid van het openbaar maken van de tarieven. De Consumentenbond roept de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) op om actie te ondernemen en per 1 januari 2018 de gecontracteerde tarieven van alle zorgverzekeraars openbaar te maken. De bereidbaarheid daartoe lijkt echter klein, zo ervaar ook ikzelf. Waar de een transparantie bepleit, haasten anderen zich in het op tafel leggen van argumenten daartegen.

Die laatste groep weet zich overigens gesteund door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling meent dat er sprake is van bedrijfs- en/of fabricagegegevens. Want, hoewel een prijs van een zorgproduct uitsluitend de financiële bedrijfsvoering betreft, kan – gelet op de samenhang van de prijs met de andere verzochte gegevens – de prijs ook als een bedrijfs- en fabricagegegeven worden aangemerkt. Bovendien zouden openbaar gemaakte prijzen een voorspellende waarde kunnen hebben bij toekomstige onderhandelingen.

Dit alles overziende, vrees ik dat het voornemen tot openbaarheid van de tarieven voor welzijn en zorg nog wel even een loffelijk maar vooral omstreden en onuitvoerbaar streven zal blijven. Desondanks, of juist daarom, pleit ik voor het opstellen van regelgeving om transparantie over de tarieven af te dwingen.

Bij de gewraakte ‘black-box-houding’ van aanbieders is er vooral sprake van ‘budgetsturing’ in plaats van dat wordt uitgegaan van behoefte. Daardoor ontstaat een strijd tussen gemeenten en aanbieders, omdat de tarieven heilig zijn. En dat gebeurt niet alleen over de hoofden van de betrokken inwoners heen, maar heeft ook een effect op de kwaliteit van de hulp. Kan het anders? Zeker.

In de regio West-Brabant West zijn door zorgaanbieders en gemeenten gezamenlijk cliëntprofielen  ontwikkeld voor de niet vrij toegankelijke jeugdhulp. Deze zijn gebaseerd op 9 onderscheidende zorgvraagprofielen, gecombineerd met 4 niveaus van zorgzwaarte. Bij de 36 mogelijke combinaties zijn vaste tarieven gesteld – en gepubliceerd – die gelden voor alle zorgaanbieders voor het te behalen resultaat. Deze staan los van de daadwerkelijke invulling door de aanbieder. Juist daarin ligt het onderscheidend vermogen: in uitvoering en aanpak.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Loop met mij

  • Walk with me – Treed binnen in een wereld van bewustwording

walk with me.png

Walk With Me is een prachtige cinematografische reis in de wereld van mindfulness, waarin de wereldberoemde boeddhistische leermeester Thich Nhat Hanh centraal staat.

Thich Nhat Hanh komt oorspronkelijk uit Vietnam en heeft mindfulness naar het Westen gebracht.

Als spiritueel leider woont hij nu in Plum Village, een leefgemeenschap in rustiek Zuid-Frankrijk, waar hij samen met andere zen-boeddhistische monniken en -nonnen mindfulness tot een wereldwijd fenomeen heeft doen uitgroeien.

Walk With Me biedt een nooit eerder vertoonde toegang in deze gemeenschap. Drie jaar lang werden de levens van de bewoners van Plum Village gevolgd en komen existentiële vragen waarmee ze geconfronteerd worden aan bod in hun zoektocht naar acceptatie.

De wonderlijke documentaire wordt verteld door niemand minder dan de charismatische, Oscar-genomineerde Benedict Cumberbatch.

  • Walk With Me werd geregisseerd door Max Pugh & Marc J. Francis

Van Pier naar Pouwel

kastje muur.png

  • Gelukkig is de professional die de noodwendige onderlinge samenhang leert inzien.

Van Pier naar Pouwel gezonden worden, van Pontius naar Pilatus, van hot naar haar (of: her), van bakboord naar stuurboord, van de os naar de ezel. Blijkbaar behoort het tot de Nederlandse volksaard om een ander met een kluitje in het riet te sturen. Het is, zo bleek ook recentelijk weer, in ieder geval een hardnekkig en welhaast niet uit te bannen verschijnsel. Ook binnen welzijn en zorg.

Bovenstaande bedacht ik mij toen ik deze week las dat de Ombudsman het ‘van kastje naar de muur’- gedrag in het sociaal domein gaat onderzoeken. De ombudsman ontvangt namelijk nog steeds klachten van inwoners die van Pieter naar Pouwel worden gestuurd door instanties binnen het sociaal domein.

In het voorjaar van dit jaar concludeerde de ombudsman al – na onderzoek naar klachtbehandeling in het sociaal domein, “Terug aan tafel, samen de klacht oplossen” – dat het voor inwoners vaak onduidelijk is onder welke regeling hun zorg- of hulpvraag valt. vooral bij multiproblematiek, waarbij er aanspraak gemaakt moet worden op voorzieningen vanuit verschillende wetten, zoals de Wmo, de Jeugdwet of de Wlz. Instanties verschillen vaak van mening over wie verantwoordelijk is voor de benodigde zorg, waardoor inwoners van het kastje naar de muur gestuurd worden.

De Ombudsman beoogt structurele oplossingen te vinden voor dit probleem. Terecht, vind ik. Tegelijkertijd echter vrees ik een hopeloze missie. Diep ingesleten gedragspatronen van systemen en volwassenen daarbinnen zijn lastig te veranderen. Lastiger bijvoorbeeld dan gedragsgewoonten van kinderen. Slechte gewoontes zijn als onkruid. Het is gedrag dat zich moeilijk laat uitroeien. En lukt het je wel, dan moet je erop rekenen dat het schijnbaar zomaar weer de kop op kan steken. Zo ervoer ik ook zelf deze week nog.

Ik belde mijn huisarts voor een vervolgrecept van – helaas – noodzakelijke medicijnen die ik slik. De assistent van de huisarts, die ik hiervoor in het verleden al vaker gebeld had (en het regelde) was deze keer verrassend in haar reactie: “Daarvoor moet u bij de behandelende specialist zijn.” Verbaasd accepteerde ik het verrassende – want niet verwachtte – antwoord van de assistent en belde met het secretariaat van de betreffende specialist. Die was net zo resoluut in haar reactie: “Dat doen wij niet. Daarvoor moet u bij uw huisarts zijn.” Mijn antwoord, dat de huisarts mij naar de specialist had verwezen, leverde een schamper lachje op. Ik kon hoog en laag springen, ik moest toch echt bij de huisarts zijn. Hetgeen ik, lichtelijk geïrriteerd en na ampele overweging (ik zou misschien ook wel een paar dagen zonder kunnen, over een ruim een week moest ik toch voor de jaarlijkse controle naar de betreffende specialist), met enige schroom deed.

De kern van het ‘ van Pontius naar Pilatus sturen’-gedrag is dat het ontstaat door herhaling. Door de handeling, is er steeds minder bewuste aandacht voor de consequenties daarvan. Langzaam maar zeker is het zodanig geautomatiseerd, dat het een vanzelfsprekendheid wordt. Met als ‘heerlijke’ beloning dat wij van het probleem verlost zijn. “Laat een ander het maar oplossen.” We steken onze kop in het zand voor de effecten van ons gedrag oor de ander.

Het door de Ombudsman binnen het sociaal domein gesignaleerde en gewraakte gedrag was in 2007 voor de toenmalige Minister voor Jeugd & Gezin de reden voor de invoering van de Centra voor Jeugd & Gezin. Het Centrum voor Jeugd en Gezin was dé plek voor alle vragen, tips, ondersteuning, jeugdhulp en -zorg voor kinderen en jongeren (0 tot 23 jaar) en hun opvoeders. Met de nadruk op ‘alle’.

De evaluatie van de ‘Wet op de jeugdzorg’, die diezelfde minister in 2009 aan de Tweede Kamer stuurde, leerde ons dat die missie niet was geslaagd. Vooruitlopend hierop pleitte het Nederlands Jeugdinstituut ervoor geen overhaaste stelselwijziging door te voeren. Het pleidooi om meer samenhang tussen de verschillende initiatieven en problemen te brengen leidde in 2015 tot de grootste decentralisatieoperatie (in Nederland) ooit. Een groot aantal taken op het gebied van de jeugdzorg, de Wajong en de AWBZ werden naar de gemeenten overgeheveld. Ook de budgetten werden overgeheveld.

De veranderingen zijn ongekend. Na 1 januari 2015 zijn zeker tienduizend professionals op een andere werkplek met andere collega’s gaan werken als lid van een sociaal wijkteam. Zo  moest een sociaal wijkteam de vooruitgeschoven post vormen voor een nieuwe manier van werken: dichtbij de burgers, met veel ruimte voor maatwerk zodat problemen van  bewoners in een vroeg stadium in hun samenhang kunnen worden aangepakt. Het idee was om de verkokering te doorbreken, de bureaucratie te verminderen en escalatie van problemen te voorkomen, zodat minder dure zorg nodig zou zijn.

Het vermogen van de betrokken organisaties en hun medewerkers om in samenhang en samenspel de visie en strategie die daaraan ten grondslag lag te vertalen in heldere doelen en in concrete acties – de meest succes bepalende factor – blijkt echter opnieuw overschat. We willen wel, maar kunnen niet. Of, is het wel kunnen, maar niet willen?

Wat houdt ons tegen? Als ik om me heen kijk hoor ik vaak de stelling “verandering is de enige constante”. Is dat wel zo? Is dat niet veel eerder van toepassing op de technologische ontwikkelingen en minder op ons gedrag? In de praktijk zie ik mensen zich zelden aanpassen aan een verandering.

Ik zie meerdere oorzaken. De eerste daarvan is het ontbreken van de noodzaak op individueel niveau. De monitoring op het gedrag ontbreekt, waardoor er nauwelijks sprake is van een aanspreekcultuur. De tweede reden is dat de beoogde verandering gezien wordt als iets wat anderen willen. Organisaties en professionals identificeren zich niet, nauwelijks en in ieder geval onvoldoende met de vragende inwoners. “What is in it for me?” lijkt daarbij vaak de leidraad bij het doen en laten. Mensen willen heel concrete voordelen zien als ze overwegen hun gedrag aan te passen. Zien ze die niet, dan blijven ze in hun oude gedrag volharden. Het gedrag wordt voornamelijk gedreven door het gemak voor hen zelf. Kortom, er zijn nog al wat aspecten waarop gelet moet worden als wij de cultuur ‘van hot naar her sturen’ willen doorbreken.

De eerste stap? Een revival van het eigenaarschap. Het vermogen van professionals om eigenaarschap (ook genoemd ondernemerschap) te tonen, is binnen het Sociaal Domein gedurende langere tijd vakkundig (lees: bedrijfskundig) de kop ingedrukt. Balance score cards, productie-targets en de protocollen-maffia hebben hoogtij gevierd. Zelden in dienst van de professional en nog minder frequent met meerwaarde voor de klant c.q. inwoners.

Overigens moeten wij, de beroepsgroep in het Sociaal Domein (psychologen, verpleegkundigen, maatschappelijk werkers, managers en beleidsmedewerkers) zelf ook stevig in de spiegel te kijken. Slechts een enkeling heeft immers professionele consequenties getrokken uit het ‘uit koers raken’ van zorg en welzijn!

Vakmensen, verpleegkundigen, sociaal werkers en wat dies meer zij kunnen en moeten weer eigenaar  worden van de systemen. Zich verantwoordelijk weten – en dus verantwoordelijkheid nemen – om het tij te keren. Dat kan alleen als zij zelf weer regie nemen in het organiseren van zorg en ondersteuning. Kijkend met en door de ogen van de vragende inwoner. Wij kunnen daaraan met passie en overtuiging als proceseigenaar werken. Want ‘wij’ zijn de knop om de echte verandering teweeg te brengen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Onafscheidelijk

indivisibili.png

  • Indivisibili

De 18-jarige zusjes Dasy en Viola treden als zangeressen op tijdens feestelijke gelegenheden, maar danken hun succes vooral aan het feit dat ze siamese tweelingen zijn: bij hun heupen zitten ze aan elkaar vast. Hun familie, wonend in een kustdorpje in de buurt van Napels, kan er goed van leven en hun goklustige, barse vader bestiert hun wel en wee. Maar het familiebedrijf wordt in zijn bestaan bedreigd als een chirurg bereid is de meisjes te opereren. Viola is bang de geborgenheid van haar huidige leven te verliezen, maar voor Dasy gloort hoop op een eigen leven.

Indivisibili van Edoardo De Angelis is een mooi, sprookjesachtig coming-of-ageverhaal met licht surreële trekjes.

Lijf en lijden

cialo.png

  • Body (Cialo)

Een patholoog-anatoom, zijn anorectische dochter en een vrouwelijke psychiater die haar seksualiteit ontkent: de hoofdpersonen in Body blijken op heel verschillende manieren in de ban te zijn van het lichaam.

Janusz, Olga en Anna zijn de protagonisten in Szumowska’s vertelling over hoe de omgang met het lichaam symbool kan staan voor de levensopvatting van verschillende generaties in het huidige Polen.

Janusz is de oudere, door het leven getekende, licht verbitterde lijkschouwer en weduwnaar die dagelijks met dode lichamen – objecten – wordt geconfronteerd. Zijn dochter Olga haat haar lichaam en is zo anorectisch geworden dat haar vader haar naar een kliniek brengt. Daar komt ze onder behandeling van Anna, een psychologe die, na het verlies van een kind, alleen in een flat leeft met een grote dog. Anna zet zich volledig in voor haar patiënten die ze met behulp van ‘primal scream’-therapie probeert te bevrijden van obsessies en neuroses, thuis houdt ze spiritistische seances om de geesten van de doden op te roepen. Haar eigen lichaam beschouwt ze als seksloos.

https://youtu.be/BuakADd8Ds8

Regisseur Malgorzata Szumowska (1973) weet het thema zo neer te zetten dat niet de zwaarte van de dood overheerst maar het leven een kans krijgt. Op de voorgrond staan de persoonlijke betrekkingen – tussen vader en dochter, tussen dochter, psycholoog en vader – en ook de meer zwart-komische, absurde kanten van de hedendaagse Poolse maatschappij krijgen een gezicht.

Szumowska’s zesde speelfilm won de Audience Award voor beste Europese film (European Film Awards) en de European Film Award voor Best European Editor. Ze werd genomineerd voor een European Film Award voor beste Europese regisseur.

De container voorbij

dagelijks leven.png

  • Op zoek naar het gewone leven

Weet u het nog? Premier Balkenende, destijds de leider van dit land. Hij trad met zijn ’U kijkt zo lief’ de symbolische orde waar een leider zich bewust dient te zijn. Buiten de orde ook van de praktijk van gelijkwaardigheid die Nederland probeert na te streven.

Gelijkwaardigheid speelt ook een belangrijke rol in het samenspel tussen professionals binnen het sociaal domein en de inwoners die ondersteuning vragen. Zeker, als het gaat om tot een integrale aanpak te komen bij het vinden   en realiseren van oplossingen in de gecompliceerde situaties waarin oplossingen zich niet als vanzelf aandienen.  Waarbij wij ook nog eens moeten aansluiten op ‘het gewone leven’ van die mensen.

Het sociale domein is in beweging. Sedert 1 januari 2015 hebben gemeenten nieuwe taken op het gebied van zorg en sociale zekerheid. Er verandert hierdoor veel. De eigen verantwoordelijkheid en eigen kracht van inwoners en hun omgeving spelen hierbij een belangrijke rol. Iedereen moet meer voor zichzelf en voor elkaar (gaan) zorgen. Aansluiten bij de kracht van het gewone leven is het paradigma: gerichtheid op een taak buiten het probleem, het gewone leven meebeleven, het bijdragen aan het zich nuttig voelen van mensen die deel uitmaken van de samenleving. Daarbij zijn gelijkwaardigheid en ‘het gewone leven’ belangrijke waarden. Het zijn die waarden ook waarvan elke professional binnen het sociaal domein zich vermoedelijk wel bewust is. Maar wat betekent het in en bij ons doen of laten? Gelijkwaardig zijn betekent, ongeacht afkomst, status, opleiding of inkomen, gelijk zijn. In combinatie met ‘het gewone leven’ is dat best een uitdaging. Want, wat is ‘het gewone leven’?

In welhaast alle lokale en regionale kaders over het sociaal domein lees je het terug: Hulp die geboden wordt, is gericht op herstel van het normale leven van kind en gezin. Wie verder leest, vindt nagenoeg nooit een definitie van ‘het gewone leven’. Veel verder dan “De leefomgeving van de inwoner (huishouden, gezin, wijk, school, werk vrije tijd) is het fundament.” Of, “De nadruk ligt op normaliseren en niet op problematiseren,” komt een uitwerking zelden.

‘Het gewone leven’ wordt daarbij – ook door mijzelf – veelal als een containerbegrip gehanteerd. Een begrip zonder scherp afgebakende betekenis. Een duiding waaraan de lezer zelf nader invulling kan geven en dat op veel verschillende toestanden, gebeurtenissen of zaken wordt toegepast.

Het gewone leven is het patroon van gebruikelijke handelingen en bezigheden die in een bepaalde periode door de meeste mensen als voor de hand liggend beschouwd worden. Gebeurtenissen of daden die geen bijzonder karakter hebben en volgens een min of meer regelmatig ritme terugkeren. Daarin zitten evidenties als eten en slapen, zaken als het doen van het huishouden of de afwas, inspanningen als studeren en werken en ook courante ontspanningen zoals het nemen van vakantie of een etentje uit huis. Ook werk, seksualiteit en sport behoren in principe tot het gewone leven.

Zo beschouwd kan en zal het gewone leven van ieder mens ook weer heel erg verschillend zijn. Simpelweg, omdat de sociaal-maatschappelijk omstandigheden per individu of huishouden kunnen verschillen. Het wonen, het werken, de relaties, het inkomen, alles dus wat te maken heeft met mensen onderling en het eigen – door mensen en hun omstandigheden ingerichte en aangeduide stukje van de wereld waarin zij wonen en leven. Zo zal ook het leven en wonen in een stad, dorp of streek verschillen. Door de al dan niet meer pluriforme samenstelling. Door andere faciliteiten of mogelijkheden.

Het gewone leven, en wat daarbij belangrijk is, is voor ieder mens dus wat anders. En dat gewone leven zit daarmee barstenvol met situaties die je met geen mogelijkheid neutraal kunt beschouwen. Ook, al doe je nog zo je best. Dat ervaren ook de professionals die actief zijn binnen het sociaal domein.  Zij reageren verschillend op de dingen die ze meemaken. De een effectiever ook dan de ander. Vreemd is dat niet. Want elk van die professionals heeft ook zijn eigen normen en waarden. Heeft ook een eigen opvatting over wat ‘het gewone leven’ is. Bepaald door de eigen situatie.  Dat alles maakt het best lastig om aan te sluiten bij het gewone leven van anderen.

Natuurlijk, de professionals doen hun uiterste best om alles wat er in hun werkpraktijk voorkomt door een neutrale bril te bekijken. Desondanks heeft hun oordeel altijd een zekere mate van subjectiviteit. Gerelateerd aan en voortkomen uit het eigen referentiekader. Steeds zullen eigen normen en waarden een rol spelen bij de afwegingen die gemaakt worden.

Juist daarom is het van belang dat professionals binnen het sociaal domein leren om met een brede blik en een zekere onbevangenheid te kijken naar de situatie en de mensen met en voor wie zij werken. Met het risico dat het leidt tot een zekere opdringerigheid van antwoorden of oplossingen.

Een professional binnen het sociaal domein moet de bereidheid hebben de vraag van de inwoner vanuit diens invalshoek (sociaal‐ethisch en existentieel te bezien. Het vraagt om een professionele benadering in zorg en welzijn waarin het draait om de relationele afstemming van hulp en steun op wat goed kan zijn voor de unieke behoeftige ander. Dat vraagt om nabijheid en aandacht, het serieus nemen van de ander. Ook in zijn soms onbegrijpelijke gedrag. Aansluiten bij het gewone leven vraagt om radicale aansluiting en leefwereldgerichtheid. Om zorgzaamheid en het verlangen of appèl dat uitgaat van de ander. Aansluiten bij het gewone leven vraagt om een houding van mee willen lopen met de ander. De bereidheid ook om, als de situatie daarom vraagt – al dan niet tijdelijk – jezelf in te voegen in zijn of haar doen en laten.

Een dergelijke houding wijkt nogal af van wat we gewoonlijk zien in zorg, welzijn, dienstverlening en onderwijs. Het is ook de broodnodige correctie op de doorgeschoten verzakelijking en vermarkting van de zorg. Een correctie die ons niet alleen kan inspireren, maar ook kan laden met nieuwe energie. Niet alleen door zijn direct praktische toepasbaarheid, maar vooral ook door de eenvoud en wijsheid die eruit spreekt, De vraagstelling is: Wat kan er in het leven van alledag gedaan worden om een vastgelopen situatie weer vlot te krijgen? Wat kunnen professionals doen voor het herstel van het gewone leven? In de wetenschap dat het niet hun gewone leven is dat telt, maar dat van de ander. Dat namelijk, dat is het gewone leven: de container voorbij!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.