Spiegeltje, spiegeltje aan de wand

blaming.png

  • De slachtoffers van zich zelven geven altijd aan anderen de schuld

Minister Hugo de Jonge vindt de vernieuwing van de jeugdhulp onvoldoende geslaagd. Deze is, zo zegt hij, sinds de decentralisatie onvoldoende van de grond gekomen. Op kleinere schaal zette ook de Nijmeegse Wethouder Bert Frings (GroenLinks) zijn kanttekeningen. Hij zei teleurgesteld te zijn in de kwaliteit van de aanbieders. Tegelijkertijd heeft hun ‘klagen’ iets van slachtoffers die anderen de schuld geven van het eigen tekortschieten.

De transformatie van jeugdhulp verloopt moeizaam. Dat is waar. De oorzaak daarvan ligt niet aan het tekortschieten van de een of de ander. Het buizen is een collectieve verantwoordelijkheid.  Ieder voor zich strijdt als Joris met de Draak met een veelkoppig monster in verschillende gedaanten. Een monster bovendien dat al veel langer ons doen en laten beheerst.

Zo is er de kop ‘Samenwerking’. Samenwerking is belangrijk; zingen wij in koor. Niet alleen binnen de zorg, maar ook met welzijn, jeugd- en jongerenwerk, onderwijs en justitie. Waar wij echter samenwerking prediken, zaaien wij verdeeldheid. In de zucht naar kostenreductie bijvoorbeeld, kiest menige overheid als basis voor de inkoop en contractering voor het instrument van aanbesteding. Aanbieders die enerzijds als partners worden aangesproken, worden daarmee anderzijds als concurrenten tegenover elkaar gesteld.  Terwijl juist de manier waarop partijen in de sector samenwerken van groot belang is; het is en blijft de slagader van succes.

Om daartoe te komen zullen partijen het gesprek aan moeten gaan over het verdienmodel, de doelstellingen en de procesinrichting. Zonder helderheid hierover zal de slagader dichtslibben (miscommunicatie, verspillingen), waardoor het succes uitblijft, of erger….Ik denk dat overheden, aanbieders en inwoners de uitdagingen in de jeugdhulp alleen aankunnen als zij op een wezenlijk andere manier gaan (samen)werken. Simpel gezegd: “Het loont om goed samen te werken!

En dat brengt ons bij de volgende kop: “Vertrouwen”. Dat blijkt nog ver te zoeken. Zo is eigenlijk door de gehele sector en op alle niveaus waarneembaar. Marktwerking en concurrentie werken door in de verhoudingen. De mogelijkheden tot samenwerking nemen daardoor eerder af dan toe, terwijl dit juist belangrijk is in de zorgketens van tegenwoordig. Herstel van het vertrouwen is van groot belang. Ook omdat zij aan de basis ligt van de – voor het denken en doen op eigen kracht denken noodzakelijke – professionele autonomie.

Het vaak zeer opportunistische gedrag van alle betrokkenen vraagt hierbij aandacht. Alles moet kunnen voor de cliënten, alles moet uit de kast gehaald worden, maar er moeten ook financiële doelstellingen worden gehaald. Aanbieders van hun kant hebben de mond vol van de menselijke maat, maar de oplossingen moeten wel binnen hun productenportfolio passen. Het gevolg is een soort van polderoverleg, waarbij zowel de kool als de geit wordt gespaard. Om te overleven probeert iedereen dat spel te beheersen. Het gaat dan vaak niet meer om de beste oplossingen aan te dragen, maar om de slag in de arena te winnen.

Naast de koppen ‘samenwerking’ en ‘vertrouwen’ worden met grote regelmaat de andere koppen van het monster als schaamlap voor het wederzijds falen op tafel gelegd:

  • ‘Bureaucratie’: Iedereen wil ervan af en toch wordt het steeds erger. Elk nieuw kabinet belooft dat er gehakt gaat worden in de regels, maar niemand die er iets van merkt. Inmiddels is zelfs het meten en bestrijden van bureaucratie een bureaucratisch proces geworden!
  • ‘Privacy’: Het lijkt een schaamlap voor hulpverleners die niet hebben gedaan wat ze moeten doen; die zich niet door anderen in de kaarten willen laten kijken en zich dan op privacy beroepen.

De meest ingewikkelde kop is echter die van ‘transformatie’. Mogelijk, omdat deze kop zich veelal in de nevelen van verlegen onvermogen hult.

Je hoort het steeds meer: we leven in een transformatie-wereld. Met daarin een glansrol voor het fenomeen ‘eigen kracht’. Transformatie lijkt daarvoor te zijn uitgevonden. Alles moet anders. En goedkoper. ‘Zelf de regie pakken’, dat is ons antwoord op de bezuinigingen in het sociale domein. Teveel naar mijn smaak is transformatie daarmee verworden tot een instrumentele aanpak. Met de focus op vorm in plaats van attitude. Het gevolg is een cocktail van beweeglijkheid, onzekerheid, complexiteit en meerduidigheid, binnen en buiten onze organisaties. Wat weer op gespannen voet staat met een ongebreidelde (en toenemende) behoefte aan voorspelbaarheid en controle.

Alle betrokken partijen – overheden, aanbieders, professionals en inwoners – hebben een gerechtvaardigd belang bij de transformatie van de jeugdhulp. Elk van hen echter heeft ook een eigen perspectief op de aard, inhoud en het gewicht daarvan. Dat snapt iedereen. Maar leg dat eens aan elkaar uit en ga er minimaal over in gesprek.

Transformatie namelijk is, meer dan wij misschien wel willen, een zaak van verhoudingen. Jegens elkaar, jegens problemen, uitdagingen en de belangen die daarbij in het geding zijn. Als wij de transformatie tot een succes willen maken, vraagt dat daarom eerst en vooral om een dialoog over de belangen. Die moet je als partijen helder en transparant maken. En, als ze dat zijn, vraag dan eens aan elkaar hoe of, en hoe, die belangen samen gewaardeerd en geprioriteerd kunnen of moeten worden. Helaas gebeurt dat nu niet (overal). Er wordt niet – en in ieder geval te weinig openlijk – gesproken over onderlinge belangen. Liever immers geven wij anderen de schuld van het tekortschieten.

Heb ik vertrouwen in de toekomst? Jazeker! Omdat uiteindelijk iedereen hetzelfde belang dient: het belang van de inwoners van ons land. Maar het zal veel tijd, geld en energie kosten om dat uiteindelijk samen te realiseren.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Advertenties

Ban de bijstand

basisinkomen.png

  • Een samenkrachtige samenleving geeft iedereen betekenis

“Maar wat ik eigenlijk nog vervelender vind, is zeggen dat ik in de bijstand zit. Daar zit namelijk direct zo’n negatieve associatie aan vast. Iedereen wil dan ook direct weten waarom,” vertrouwt hij mij toe. “Je voelt je toch een soort van bedelaar. Die teert op andermans zak.”

In het regeerakkoord wordt een visie op werken gepresenteerd die moderner is dan die van het vorige kabinet. Er wordt gedacht aan meer sociale zekerheid voor ZZP’ers en aan maatregelen die het makkelijker maken personeel aan te nemen. Zoals verlaging van belasting op arbeid en het minder lang doorbetalen van een WW-uitkering. Maar er is ook een andere kant van de medaille.

Nog steeds immers kan een grote groep mensen niet actief deelnemen aan de maatschappij! Een deel daarvan tot bijstand gedwongen. Zij worden al snel weggezet als fraudeurs en profiteurs. Maar ik geef het je te doen; om alles volgens de regels te doen. Vaak gaat het om een groep mensen die de greep op het leven is kwijtgeraakt. Door het verlies van een baan, met groeiende schulden als gevolg. Of door een verslaving of spanningen thuis.

Het niet kunnen of mogen werken leidt niet alleen tot een armoedeval, maar veel sterker nog tot een “participatie-val”. Een van de belangrijkste oorzaken daarvan is het hier gegroeide sociaaleconomische stelsel met zijn uitkeringen en minimumlonen. Wie onvoldoende bijdraagt, wordt niet aangenomen en wie een uitkering heeft, onvoldoende aangesproken. Daar bovenop krijgen zij te maken met een negatieve beeldvorming. Met niet zelden een spookachtige heksenjacht als resultaat. Zoals het verhaal leert van een alleenstaande mevrouw in de bijstand. Bij haar hingen elke dag witte overhemden buiten. De gemeente legt een sanctie op, mevrouw gaat in beroep. Wat blijkt? Haar zoon is kelner, zij doet zijn was.

Wat zou er kunnen veranderen?

Ik denk dat wij af moeten – en kunnen – van het bijstand denken. Gewoon, door als uitgangspunt te nemen dat iedereen een bijdrage levert aan onze maatschappij. Met open oog voor de mogelijkheden, zowel als de beperkingen; als die er zijn.

Een samenleving die zich afficheren wil met het uitgangspunt dat ieder mens ertoe doet, past het niet om mensen buitenspel te zetten. Redenerend vanuit de menselijke behoefte om te betekenen, gezien te worden en gehoord, ligt daar een duurzame plicht. Niet, door hen aan het infuus van de bijstand weg te stoppen, maar door hen een mogelijkheid tot van betekenis zijn aan te bieden. Als wij iedereen, die door omstandigheden zonder werk of inkomen komt te zitten, als samenleving een mogelijkheid tot meedoen bieden, mag – nee, moet – daar een vergoeding tegenover staan.

Goed beschouwd zou je kunnen zeggen, is het een vorm van basisinkomen. Een blijkt van waardering die, vanaf zekere leeftijd, iedereen krijgt. Vanaf de dag dat hij of zij zijn opleiding afrondt of de arbeidsmarkt betreedt tot aan zijn dood. Gebaseerd op een contract met de samenleving. Waarin wordt vastgelegd wat hij of zij bijdraagt aan die samenleving. Gebruik makend van de eigen mogelijkheden. Met open vizier ook voor beperkingen die er zijn. Ook het volgen van een bijscholing mag daaronder worden verstaan. Vanuit die basis kan iedereen die dat wil zijn ambities uitbouwen en ontwikkelen. En nee, ik weiger dat als ‘tegenprestatie’ te labelen. Gewoon, omdat dat begrip voor mij teveel de associatie oproept van genadegeld.

Begrijpt u mij goed. Ik ben huldig niet het standpunt dat alleen een werkende – lees: loon verdienende – burger een goede burger is. Integendeel. Ik ben van mening dat wij bijdragen aan de samenleving waarvoor geen loon wordt ontvangen, zoals vrijwilligerswerk, opvoeding, kunst en mantelzorg, onvoldoende waarderen. Daarom kunnen wij veel leren van de filosofie achter het basisinkomen. Ten eerste dat bestaanszekerheid voor iedere burger een recht is. Ten tweede dat verloond werk niet de enige zinvolle manier is om een bijdrage aan de samenleving te leveren.

Een samenkrachtige samenleving zet je in de steigers door een onvoorwaardelijk basisinkomen voor iedereen! Met volledige maatschappelijke participatie en voldoende inkomen voor iedereen borgen wij ook de ontwikkeling in de richting van een leefbare en duurzame samenleving. Invoering van een basisinkomen zou een instrumentele verzoening tussen participatie en inkomen kunnen vormen. Gewoon, omdat mij momenteel te zeer gericht zijn op de kwantiteit van arbeid in plaats van op de kwaliteit. Sociale integratie en duurzaamheid worden onvoldoende benadrukt. De ontkoppeling van arbeid en inkomen, minimumloon, opleiding en scholing zet zorgtaken en vrijwilligerswerk in een ruimer en betekenisvoller perspectief. Bovendien kan een basisinkomen uitkeringen of minimumlonen geheel of gedeeltelijk overbodig maken. En een einde aan de goedbedoelde, maar perverse ‘participatie-industrie’, waarin verdienende verdienen aan niet verdienenden.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Sta op!

wtk.png

  • Week tegen kindermishandeling – 20 tot en met 26 november 2017

De week van 20 tot en met 26 november 2017 is de jaarlijkse Week tegen kindermishandeling.

De Taskforce Kindermishandeling en Seksueel Misbruik heeft vier jaar geleden het initiatief genomen voor de organisatie van de Week.

Dit jaar besteedt men veel aandacht besteden aan de wijze waarop professionals en organisaties bijdragen aan de aanpak van kindermishandeling. Partijen worden uitgenodigd om de krachten te bundelen, kennis en ervaring met elkaar te delen en van elkaar te leren. Ook de stem van (ervaringsdeskundige) jongeren en ouders heeft daarbij een belangrijke plek.

Laten wij samen kindermishandeling het zwijgen opleggen. Door op te staan en te spreken!

Hoezo ‘transformeren’?

Dia3.PNG

  • Je moet doen wat nodig is

1 januari 2015 was het formeel startmoment van wat een radicale hervorming van de zorg voor de inwoners moest worden. Een grote, beloftevolle ambitie die wij ‘transformatie’ doopten.

Het klonk goed, draaide om goede bedoelingen, maar blijkt in de praktijk verdraaid lastig. Niet in de laatste plaats, omdat wij eigenlijk geen concreet beeld of idee hebben over wat er, waarom en door wie, omgezet moet worden naar een andere vorm. Oftewel: wij worstelen vooral met wat ‘transformatie’ nu werkelijk betekent.

De conclusie?

Transformatie is geen knop die je kunt omzetten. Geen veranderingsstrategie ook. Transformatie gaat over ons en onze verhouding jegens uitdagingen, wetten en regels. Gaat over kijken vanuit een ander perspectief naar hetzelfde vraagstuk. Over denken en doen in kansen en oplossingen.

Een dialoogsessie die ik mocht leiden (14 november 2017), richtte zich sterk op een verkenning van die worsteling en dat vraagstuk. De onderstaande video is een samenvatting daarvan.

Maskers af

the work.png

  • The Work

Twee keer per jaar komt een groep mannen bijeen voor een vierdaagse therapiesessie in een verrassende setting: New Folsom Prison in Californië. De deelnemers zijn zowel veroordeelde moordenaars en bendeleden als mannen van buiten de gevangenismuur.

Rivaliteiten tussen verschillende bendes en rassen worden buiten de deur gehouden, om een zo veilig mogelijke omgeving te creëren.

Zonder commentaar en met de camera dicht op de getatoeëerde lijven volgt The Work drie van de buitenstaanders, die gaandeweg ontdekken dat hun angsten en problemen helemaal niet zo uniek en verschillend zijn als ze dachten, en dat ze minstens zoveel van de gevangenen kunnen leren als andersom. Want ook al zijn er begeleiders aanwezig, de mannen doen het vooral samen: er wordt gepraat – veelal over ontbrekende vaders – geschreeuwd, gevochten, en ook veel gehuild en getroost. Waarna een voor een de maskers worden afgedaan en de harnassen verdwijnen.

Een emotioneel, intens en bij vlagen hartverscheurend document dat alle vooroordelen over criminaliteit en mannelijkheid volledig op zijn kop zet.

Oproep tot sociaal extremisme

 barricade.png

  • Een wraakneming op sociaal vandalisme

Door Peter Paul J. Doodkorte

Acht ministeries en financiers. Zet ze bij elkaar en het gaat niet meer over het doel, maar over zeggenschap. Is het niet tenenkrommend, tranen trekkend en gekker dan idioot? De door de overheid toegelaten proef met het integraal persoonsgebonden budget (I-PGB) struikelt over de financiële schotten van diezelfde overheid. Tijd voor sociaal extremisme zou ik zeggen! De tijd van veldheersbekken in de spiegel, en dagdromen die even buiten mogen spelen is voorbij!

Eén budget voor alle zorg die iemand nodig heeft, ongeacht of die zorg onder de Wmo, Jeugdwet, de Wet langdurige zorg (Wlz) of Zorgverzekeringswet (Zvw) valt. Het integraal pgb (I-PGB) zou een uitkomst zijn voor individuen of gezinnen met een complexe zorgvraag.

Een I-PGB zou één budget (moeten) zijn dat iemand ter beschikking krijgt om alle ondersteuning in te kopen die nodig is: thuis, op school, op het werk, voor het vervoer etc. Ook regelingen en voorzieningen waarvoor een pgb nu nog niet mogelijk is, zouden ondergebracht worden in het I-PGB. Bovendien zou het I-PGB voor een langere periode toegekend kunnen worden. Dit laatste voorkomt dat de pgb-houder steeds opnieuw een aanvraag voor een voorziening of ondersteuning moet indienen.

Het klinkt in polder- en regelland Nederland te mooi om waar te zijn. En dat blijkt het ook. Een proef in verschillende gemeenten bewijst dat het makkelijker gezegd is dan gedaan. Financiële en juridische schotten en de veelheid aan betrokken partijen blijken niet alleen grote hordes. Zij verworden tot gelegaliseerd sociaal vandalisme. Tijd dus voor de bende van extreme ontregeling.

Woerden en Delft startten in 2014 een pilot met een integraal persoonsgebonden budget, het I-PGB. Omdat verschillende domeinen (leefgebieden van inwoners) en financieringsstromen onder een kap moesten worden gebracht, waren ook de ministeries van VWS, SZW, BZK en OCW, de SVB, het UWV, de VNG, het zorgkantoor, cliëntenorganisaties Per Saldo en Vanuit Autisme Bekeken betrokken. Onderzoeksbureau TNO presenteerde deze week de eindrapportage. Met forse kritiek op vele aspecten van proef.

Met het I-PGB zouden gemeenten de regie krijgen over budgetten die in andere domein vallen, zoals de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw), re-integratie en onderwijs. Daarin voorzag een tijdelijke Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), het Besluit experiment integraal pgb 2016, dat wettelijk regelt dat er binnen de vier zorgwetten flexibel met budgetten mag worden omgegaan. En toch is het juist op dit punt niet gelukt om afspraken te maken met de verschillende betrokken organisaties.

Het door de gemeenten gekozen breekijzer van voorfinanciering, waarbij achteraf geprobeerd wordt om de middelen terug te vorderen, bleek te stranden in onwil, portefeuilledrang en angsthazengedrag. Zo blijft – ondanks de AMvB – de ontschotting belemmerd door wetgeving. Wanneer een budget wordt ingezet voor een ander doel dan wettelijk vastgesteld, ontstaan er namelijk problemen met de rechtmatigheid.

Rechtmatigheid is een juridische term, die aangeeft dat een (voorgenomen) handelwijze in overeenstemming is met de geldende regels en besluiten. De controle op deze zogenaamde financiële rechtmatigheid wordt uitgevoerd door een accountant. In de juridische wereld wordt de term in de breedste zin van het woord gebruikt, terwijl de term vooral in een financiële en of materiële context wordt gebruikt op overheidsniveau. Om zichzelf in stand te houden verzint zo de maatschappij diverse soorten waanzin.

Natuurlijk, er zijn (gelukkig) her en der in den lande ‘verzetsteams’ actief. Zij banen – dwars door de systemen heen – hun eigen olifantenpaadjes. Maar het houdt iets van illegaliteit. Iets wat je wel moet doen, maar waar je vooral niet over moet praten. Dat kost niet alleen verschrikkelijk veel energie. Zij houden – per saldo – zo de systemen in stand, waarin wij als stervende zwanen ten onder gaan. Maar belangrijker nog: het doet afbreuk aan onze eigen professionele verantwoordelijkheid. Ik wil, ik moet en ik zal doen wat in voorkomende gevallen voor de inwoners in nood werkt. Als activisme binnen de grenzen van wet- en regelgeving daarvoor te weinig ruimte biedt, dan moet het maar via sociaal extremisme.

Sociaal extremisme dus. Dat is waar ik toe oproep. Niet door systematisch haat te zaaien, te demoniseren of te intimideren. Niet door het gebruik van geweld. Integendeel! Sociaal extremisme is wat mij betreft: uitzonderingen en keuzes durven maken. Niet alleen rechtmatig, maar vooral ook doelmatig kijken. Dat vraagt lef, eigenaarschap en de bereidheid om verantwoording af te leggen. Transparant willen en kunnen zijn over het waarom van mijn en jouw doen en laten. Sociaal extremisme kortom, is gewoon doen wat nodig is. Zonder de ballast van goedkeuring vooraf. Sociaal extremisme is de omgekeerde toets: kijken wat nodig is en werkt en daar de wet- en regelgeving voor gebruiken. Met de zekerheid dat jouw hoofd niet op het hakblok van de preciezen zal belanden, maar hooguit als spiegel tot bezinning zal worden gepresenteerd.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Doorpakken en doen!

doorpakken en doen 2.png

  • Als alle methoden mislukken, probeer het dan eens met doorpakken en doen.

De decentralisatie (2015) van de taken op het gebied van de Jeugdzorg, Participatiewet en de AWBZ is het stadium van het op orde krijgen van de basis inmiddels wel voorbij. Rollen, taken, verantwoordelijkheden zijn wel duidelijk. Gemeenten pakken hun nieuwe verantwoordelijk serieus op, er zijn goede stappen gezet in het wijkgericht werken, hier en daar zijn pareltjes te zien van wat eigentijdse ondersteuning van inwoners genoemd kan worden. Maar om die transitie draait het natuurlijk niet. 1 januari 2015 was slechts een formeel startmoment van wat een radicale hervorming van de zorg voor de inwoners moest worden. Een grote, beloftevolle ambitie die wij ‘transformatie’ doopten. Het klinkt goed, draait om goede bedoelingen, maar blijkt in de praktijk verdraaid lastig. Niet in de laatste plaats, omdat wij eigenlijk geen concreet beeld of idee hebben over wat er, waarom en door wie, omgezet moet worden naar een andere vorm. Oftewel: wij worstelen vooral met wat ‘transformatie’ nu werkelijk betekent.

We nemen het woord ‘transformatie’ veelvuldig en snel in de mond.  Ook zelf bezondig ik mij daar gemakkelijk aan. Zo niet zelden het beeld oproepend dat ‘transformeren’ niet meer of minder is dan het indrukken van een knop op het toetsenbord van onze computer of iPad. Zo’n knop als waarmee je in fotoprogramma’s verschillende transformatiemethoden (roteren, schalen, schuintrekken, vervormen en perspectief) in één doorgaande bewerking toepast.

Zodra er vraagtekens zijn bij de kwaliteit van de zorg, er wachtlijsten ontstaan, of de uitgaven voor zorg de beschikbaar gestelde budgetten overstijgen, komt ‘transformeren’ om de hoek kijken. Want een ding is zeker: wat wij willen omvormen, dat is wel duidelijk. Lastiger en weerbarstiger is het antwoord op de vraag ‘hoe’ je transformeert. Of van wie dat actie vraagt; en waarom of waartoe dan? Bestuurders en professionals zijn voortdurend zoekende, maar de combinatie van de decentralisatie met de daaraan parallel lopende bezuinigingen maken het bepaald niet gemakkelijk. Eigenlijk ontbreekt ons de tijd. Nieuwe ideeën, nieuwe passie en met zijn allen geloven dat dit iets moois gaat worden. Dat lukt wel. Maar de tijd om ideeën en passies daadwerkelijk uit te diepen en te verkennen, die tijd ontbreekt.

Daarbij, en dat is wellicht de grootste valkuil: transformeren wordt teveel vereenzelvigd met veranderen. Veranderen echter is iets anders, beter of mooier doen dan dat je dat vroeger deed. Transformeren is nog helemaal niet weten wat je gaat doen. Veranderen is op het verleden gericht, met datzelfde verleden als maatstaf. Omdat we toen iets verkeerd deden, moeten we dat wat we verkeerd deden aanpakken. Met de wet van aantrekking als reisgenoot. Dat waar onze naar aandacht groeit. Dus, als we denken aan het veranderen van iets dat verkeerd ging, zal het dan beter gaan? Nee, het gaat misschien dan juist wel meer verkeerd. Neem de bureaucratie binnen het sociaal domein. Die moest en zou verminderen. Of die vermaledijde indicatieorganen! We bedachten een mooi alternatief: de sociale wijkteams. En wat doen die vooral? Juist ja, indicaties stellen.

Transformeren is op de toekomst gericht. Zonder enige last van het verleden iets nieuws creëren in de toekomst. Doordat we echter met de toekomst bezig zijn op basis van het verleden (dat is veranderen) herhalen wij eigenlijk het verleden. Zie daar de vicieuze cirkel waar we in vastzitten. Het voelt alsof we niet vooruitkomen, terwijl we toch zo verschrikkelijk ons best doen om onszelf – en liever nog ‘de ander’ te veranderen…..

Inmiddels groeit het ongemak en ongeduld rond het transformeren. De daarvoor geïntroduceerde ‘taal’ – van ‘eigen kracht’ tot ‘keukentafelgesprek’ en ‘transformatieopgave’, is eerder jeukjargon dan inspiratiebron geworden. Met enige regelmaat ervaar ik dat.

Het groeiend onvermogen om te beoogde omvorming daadwerkelijk handen en voeten te geven is naar mijn mening ook een gevolg van gebrek aan tijd. Bijeenkomsten daarover kenmerken zich door een te rijk gevulde agenda. Met allemaal punten die er toe doen. Waarbij wij elkaar tegelijkertijd in een deadlock tussen efficiency en doelgerichtheid zetten. Zodra het echt ergens over gaat, blijkt de tijd op. De volgende bespreking wacht immers al weer. Dus sluiten wij beleefd en welwillend af met een “Daar moeten wij een volgende keer wat dieper op ingaan.” Om de volgende keer onszelf weer te confronteren met een opnieuw rijk gevulde agenda. Met punten die er allemaal toe doen…..

Inmiddels is wel duidelijk dat het fundamenteel aanpassen van het sociaal domein begint met het transformeren van de geest. Het veranderen van onze kijk naar een vraagstuk. Net zo goed als het veranderen van de kijk naar mogelijke antwoorden daarop. Daarvoor zijn inspiratie en creativiteit de broodnodige brandstoffen. Transformatie draait om de magie van het (durven) dromen en de praktijk van het (durven) doen.

Dat dromen lukt nog wel. In grote, beloftevolle ambities zelfs Maar als het gaat om de weg ernaartoe en om de vraag wat nu precies goede, effectieve ondersteuning is, dan blijkt er nog veel handelingsverlegenheid.  De oorzaak daarvan? Het ontbreken van een gezamenlijk vertrekpunt. Ga maar eens een in gesprek over passende zorg, regie, eigen kracht, of de echte betekenis van ‘ruimte voor professionals’…

Transformeren is of mag geen papieren tijger zijn. Transformeren is een kwestie van schuren, schooieren en knutselen. Van ontmoeting en gesprek. Van co-creatie ook. En ja, transformatie binnen het sociaal domein is – mede door een vat vol van paradoxen – ook complex en niet rechtlijnig. Maar juist daarom is het van belang om grip te krijgen op de beoogde omvorming. Dat vraagt tijd en aandacht voor elkaar en elkaars belangen, net zo goed als een gemeenschappelijk denkraam.

Investeren daarin helpt alle betrokkenen om hun belangen anders te definiëren. Het helpt gemeenten om uitvoerders te inspireren en te binden. Het helpt professionals, instellingen en hun beroeps- en brancheorganisaties om samen te bouwen aan geïntegreerde ondersteuning. En dat is noodzakelijk om na een aantal jaren samen te kunnen beoordelen of we op de goede weg zijn.

De ruggengraat van de transformatie is het ontwikkelen van werkwijzen, producten en afspraken. Gaat over loslaten    en overlaten. Het is een zoektocht zonder duidelijke routekaart. Een verkenning waarbij de betrokkenen als partners in plaats van als partijen de route samen bepalen. Met het kompas op het doel  dat gebaseerd is op duidelijke antwoorden op de vraag wie, wat, wanneer en waartoe moet doen. Laten wij daarop doorpakken en doen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.