Galerij

We redden onszelf…

annemarie.png

  • Anne & Jean-Paul, onze wereld geeft een unieke kijk in het leven van Anne (53) en haar vriend Jean-Paul (53).

Anne heeft het syndroom van Down, Jean-Paul het fragiele X syndroom. Samen wonen ze zelfstandig in een eigen appartement in Montélimar, Frankrijk.

De film volgt Anne, die volledig tweetalig is, en Jean-Paul in hun dagelijkse leven en kruipt in hun gedachtewereld en logica: van opstaan, naar werk gaan bij de sociale werkplaats, koffie drinken in Café des Sports, tot de weekenden weg naar de zorgboerderij en de vakantie.

“We redden onszelf, zonder begeleiders” zegt Jean-Paul in de film. Maar zelfstandigheid kost inspanning en concentratie en vaak is toch hulp van buitenaf nodig. Nu de moeder van Anne niet meer leeft komt de zorg bij zus Meike te liggen, met steun van o.a. broer Leendert, die in Nederland woont.

De film laat zien hoe Meike balanceert tussen de wens van Anne om met haar geliefde een zo zelfstandig mogelijk leven te leiden én de verantwoordelijkheid voor het bieden van voldoende steun en bescherming. Wat is er nodig om hun zelfstandigheid te behouden?

 

Galerij

Macht, wat doe je er mee als je haar hebt…

macht1.png

  • Vertrouwen, samenwerken en loslaten

Nu de landelijke verkiezingen weer achter ons liggen en de coalitieonderhandelingen gestart zijn, kunnen wij onze ogen richten op de volgende: de gemeenteraadsverkiezingen van 2018. Zorg, decentralisaties, werkgelegenheid en economie zullen ook dan weer belangrijke speerpunten in de verkiezingsprogramma’s zijn. De portefeuilles voor deze beleidsterreinen worden bij de coalitieonderhandelingen doorgaans verdeeld over verschillende wethouders. Niet in de laatste plaats ook, omdat de wens om alle partijen tevreden te houden nog wel eens leidend kan zijn. Als dat volgend jaar, net als bij de vorige verkiezingen, weer het geval is, laten wij een grote kans op écht integraal beleid liggen.

Of het niet wat vroeg is daarover nu al te beginnen? Ik denk het niet. Want als het goed is wordt door de partijen nu al druk nagedacht over hun verkiezingsprogramma. En dat moet dit najaar al klaar zijn. Juist daarom is het goed dit punt nu al te agenderen.

De in 2015 gestarte transities vragen voor de echte opgave – aansluiten bij de leefwereld van de inwoners – niet alleen om een nieuwe uitvoeringspraktijk. Het vraagt (ook) op bestuurlijk niveau verbinding in plaats van versnippering. Natuurlijk, in toenemende mate staat samenhang op de agenda. Maar wat nog in ontwikkeling is, is een echt integrale uitvoeringspraktijk. Een aanpak die de inwoners als vertrekpunt neemt in plaats van de  vele afzonderlijke thema’s binnen het sociaal domein.

We willen één sociaal domein, maar op bestuurlijk (ook departementaal) niveau is er veelal nog sprake van separatie. De verschillende wetten (Wmo2015, Jeugdwet, Participatiewet, naast Bijstandswet en Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, blijven hangen tussen verschillende portefeuilles en instituties. Met een voortdurende confrontatie tussen de ambtelijk-bestuurlijke binnenwereld versus de buitenwereld van inwoners als gevolg. Omdat ieder vanuit het eigen perspectief de werkelijkheid genereert. Buiten is maatwerk nodig, maar binnen is rechtmatigheid en gelijke behandeling een basisbeginsel. Buiten is ruimte de regel, maar binnen moet publiek geld deugdelijk verantwoord worden. Buiten denken we in mogelijkheden, maar binnen geldt toch ook het belang van de beperking; al was het alleen al omdat de middelen beperkt zijn, er wettelijke kaders zijn die ooit met redenen bedacht waren, en de overheid vanuit de beginselen van goed bestuur moet handelen.

Ik begrijp het wel: het is pragmatisch. Maar het geeft een totaal verkeerd signaal af aan de mensen in de praktijk. De intentie van veel bestuurders om te werken vanuit de bedoeling staat niet ter discussie. maar de bestuurlijke slagkracht om daar te komen lijkt te ontbreken. Want hoezeer de decentralisaties ook uitnodigen tot open samenwerking, in werkelijkheid blijven velen functioneren in de wereld van hun eigen koker en mogelijkheden. Niet uit onwil, maar door de meervoudige sturingsmechanismen. Daarom is mijn ondubbelzinnige boodschap voor de partijen – en hun onderhandelaars – na de gemeenteraadsverkiezingen in 2018: Er is één sociaal domein. Handel daarnaar!

De gewenste beweging binnen het sociaal domein vraagt interdisciplinaire samenwerking. Ook, of misschien juist wel, op bestuurlijk niveau. De nieuwe manieren van werken, aansturen en organiseren vraagt om het wegnemen van de verschillen in de werkkaders, regelgeving en procedures per discipline. Dan ook kunnen gemeenten en hun inwoners optimaal profiteren van de overlap tussen de verschillende beleidsthema’s. De huidige bestuurspraktijk, met vaak meerdere portefeuillehouders op de verschillende deelterreinen, draagt daaraan echter niet bij. Politiek handjeklap, waarbij het draait om droge kavelruil van posities en macht verpoldert daarbij de opdracht tot samenwerking.

Vraaggericht werken, doen wat nodig is voor inwoners, wordt in sterke mate bepaalt door de wijze waarop gemeenten sturen, samenwerken, contracteren en organiseren. Dat beïnvloedt hoe het er bij de inwoners aan tafel aan toe gaat. Er is daarom een nieuw evenwicht nodig tussen loslaten en controle. In de wetenschap dat er  financieel en maatschappelijk veel te winnen is met een andere, ontkokerde sturing.

Naast ontdekken waar het echt om gaat in het leven, begint dat bij het aanstellen van één verantwoordelijke wethouder. Iemand die voldoende statuur en mandaat heeft om bij zijn collega’s de benodigde veranderingen af te dwingen. Het sociale domein behelst namelijk belangen die ons allemaal aangaan, ongeacht politieke kleur of geloof. Ik hoop en wens daarom over een jaar te kunnen vaststellen dat de inwoners echt het referentiepunt zijn voor dat wat de nieuwe colleges van Burgemeester en Wethouders doen.

Vraaggericht werken, doen wat nodig is voor inwoners vraagt vertrouwen, samenwerken en loslaten. Daaraan vorm geven vergt voorbeeldgedrag in effectief terugtreden. Een manier van werken waarin eigenaarschap en zelfredzaamheid van inwoners en hun nabije omgeving centraal staan. Los van partijpolitieke doelstellingen, macht en posities die binnen gehaald moeten worden. Zo bezien is de opgave voor gemeentebestuurders zelf exact gelijk aan die welke zij vastleggen in de gemeentelijke beleidsvoornemens voor het sociaal domein: denken en doen vanuit de inwoners in plaats van het eigen of organisatiebelang.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Galerij

Als de beweging vervormt

keukentafelgesprek.png

  • Je zult maar geen keukentafel hebben

Het sociale domein is volop in beweging. De decentralisaties van Wmo, Jeugdhulp en de invoering van de Participatiewet zijn daarvoor belangrijke impuls. De visie achter deze decentralisaties is meer participatie en eigen kracht van de burger, minder bureaucratie, meer slimme combinaties om reële resultaten te bereiken, een beperktere rol van de overheid en vermindering van de inzet van overheidsgeld. Nu, twee jaar later, dreigt de beweging stiekempjes te institutionaliseren. De metaforen voor de beoogde beweging worden werkelijkheid; met alle gevolgen van dien. De beweging valt uiteen en verstolt in fragmenten; steeds kleiner en gedetailleerder.

Neem het keukentafelgesprek. Bedoeld en beoogd is het gesprek dat inwoners samen met gemeenten of professionals voeren om in aanmerking te komen voor ondersteuning vanuit de gemeente. Doel van het gesprek is om voor iedere individuele burger tot passende antwoorden voor hun vraagstuk of uitdaging te komen. Het doel was en is een open dialoog. Maar het doel is modelmatig in vorm gevangen. Het gesprek moet aan de keukentafel plaatsvinden.

Waarom, denk ik dan, kan het geen bankgesprek zijn. Of een gesprek tijdens de afwas. Een gesprek tijdens een wandeling of autoritje. Het doel immers is een open dialoog! Voorwaarde daarvoor is wederzijds vertrouwen en een gevoel van gelijkwaardigheid en veiligheid. Bovendien vraagt dit ruimte en tijd om het gesprek te kunnen voeren.

Een dialoog is een gesprek tussen twee of meer mensen waardoor die beter begrijpen wat de ander denkt, vindt en voelt. Wat de ander beweegt of tegenhoudt. Wat de ander wenst of wilt. Het gaat er niet om anderen van je eigen opvatting te overtuigen, zoals in een discussie of debat het geval is. Een dialoog is ook meer dan een beleefd gesprek over koetjes en kalfjes. En het is zeker geen eenrichtingsverkeer; zoals helaas vaak het geval blijkt. Gewoon, omdat tijd en rust ontbreekt. Een dialoog verbindt mensen, maakt ruimte voor nieuwe gezichtspunten en kweekt onderling begrip. Een dialoog is meer dan een gesprek. Een dialoog leidt tot nieuwe inzichten, activiteiten en werkwijzen, afgestemd op de behoeften van de gesprekspartners. De dialoog is een ontmoeting tussen mensen, waarbij contact en aandacht van belang zijn. Het is, mede daarom, helemaal niet wenselijk in lokale verordeningen op te nemen dat in het ‘toegangsproces’ altijd een keukentafelgesprek plaatsvindt. Je zult maar geen keukentafel hebben! Of er helemaal niet graag aanzitten.

De combinatie met de vaak grote werkdruk maakt bovendien dat er voor de professionals vaak veel urgentere thema’s zijn dan het keukentafelgesprek. Kreunend en steunend wordt voldaan aan deze tijdrovende taak; die voor velen voelt als een verplicht nummer. De werkelijkheid is daardoor dat het keukentafelgesprek vaak enkel en alleen de opmaat en maatstaf is voor het ‘persoonlijk plan’ dat onderdeel van en voorwaarde is in het zogenaamde ‘toegangsproces’. De dialoog gesystematiseerd tot een vinkgesprek.

De Jeugdwet en Wmo schrijven namelijk voor dat er zorgvuldig naar de persoonlijke omstandigheden en de behoefte en mate van beperking van de inwoners moet worden gekeken. Dit, om vast te stellen welke voorziening nodig is. Daarom moet in een persoonlijk gesprek worden vastgesteld welke hulp er nodig is. Dat alles moet landen in een persoonlijk plan. Ook wel zorgplan, budgetplan, familiegroepsplan, ondersteuningsplan of toekomstplan genoemd.

Het persoonlijk plan is te danken aan de Tweede Kamerleden Vera Bergkamp (D66) en Otwin van Dijk (PvdA) en aan het amendement dat zij in maart 2014 indienden. Dat amendement zegt dat een inwoner het college van B en W een persoonlijk plan mag overhandigen waarin hij of zij – al dan niet tezamen met zijn of haar persoonlijke netwerk – de omstandigheden en de voorziening heeft beschreven die hij of zij wenst. Het gaat om een persoonlijk arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren.

De bedoeling ervan is goed. Inmiddels echter is de mag-bepaling in de wet een moet-bepaling geworden. Het (uitnodigend) recht is een (afstotende) plicht geworden. De belangrijkste toevoeging in het amendement: “Burgers hebben zelf de keuze op welke wijze en met welk(e) instrument(en) of methodiek(en) zij hun persoonlijke plan willen vormgeven”, is daarbij gemakshalve over het hoofd gezien.

Het gevolg van dit alles: Het (opstellen van een) persoonlijk plan wordt meer als een last dan lust gezien en ervaren. Door inwoners net zo goed als door professionals. Er worden dan ook weinig persoonlijk plannen opgesteld. De reden? Het sluit niet aan bij de persoonlijke logica en situatie van mensen; inwoners noch professionals.

En laat ik eerlijk zijn. Ook ik zou eerst heel diep moeten nadenken voordat ik weet wat ik in mijn eigen persoonlijk plan wil opnemen. Wat mij tegenstaat is de gestructureerde aanpak ervan. Het begint met waardeoriëntatie, gevolgd door doelen en vervolgens de stappen die daarbij horen. Maar zo’n manier van denken is mij eigenlijk vreemd. Ik ben iemand die op het ritme van het leven door al die vragen heen gaat. Ik zet veel liever in op de goede dialoog. Tijdens zo’n dialoog komen drijfveren, wensen en belemmeringen als vanzelf naar boven. Net zo goed als de dingen die je nodig hebt om dat te bereiken. En weet je wat het grappige is? Als je dat doet, ontstaat het plan, het realiteitsgehalte en de zin om het te gaan doen, of er aan bij te dragen, als vanzelf.

Een goede dialoog, waarbij je de tijd neemt om naar elkaar te luisteren, levert de antwoorden spelenderwijs. Als je die aan het eind van de dialoog opschrijft of optekent, heb je een goed en gedeeld plan. Niet voor de vorm, maar voor de beweging die gewenst is.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Galerij

De toekomst adelt ons betekenis

arbeid adelt.png

  • Waardigheid en waarde zal het loon zijn

“Toegevoegde waarde”, zo kreeg ik onlangs aan een inspirerende ontwikkeltafel van een groep vrijdenkers bevestigd – “vindt in de toekomst haar basis niet in arbeid, maar in de betekenis van het doen en laten van mensen voor mensen (= puur kapitaal).” Met het leveren van wederdiensten kunnen mensen op een of andere manier hun waarde en betekenis voor de maatschappij vorm en inhoud geven. Wederdiensten krijgt de waarde van werk. Zo kan ieder mens, met zijn eigen mogelijkheden zich waardevol voelen. Gewoon, omdat uiteindelijk ieder mensen de ambitie heeft om iets te bereiken in het leven.

Volgens velen zou werkgelegenheid een belangrijk verkiezingsthema moeten zijn. Ik denk daar anders over. Niet werkgelegenheid of het arbeidsmarktbeleid is onze grote uitdaging. Die ligt in een fundamentele omslag in ons waarde denken!

Waarom? Omdat de economie gewoonweg verandert. Deze revolutie is stilletjes allang begonnen en zal in de komende jaren tot orkaankracht toenemen. Ons huidig economisch concept, enkel gebaseerd op ‘arbeid’ en ‘banen’ zal daarmee onhoudbaar worden. Als wij niet nu al beginnen, zullen de sociaaleconomische, sociaal-maatschappelijke en sociaal-culturele implicaties onze samenleving duurzaam ontwrichten. Simpelweg, omdat op termijn ons sociale stelsel niet meer te financieren valt op basis van werknemers- en werkgeverspremies.

De explosie aan technische ontwikkelingen die nog gaat komen, waaronder een toenemende robotisering van huidig werk, zal – tijdelijk vertraagd misschien, maar gestaag – leiden tot een verdere afkalving van de ‘klassieke’ werkgelegenheid. En daarmee van het daarop gebaseerde economisch model. Voortgaand inzetten op alleen werkgelegenheid als doel beschouw ik daarom als een heilloze opgave.

Veel mensen profiteren helemaal niet van welke economische groei dan ook. En allemaal leven wij in een enorme schuldeneconomie. Die ongelijke verdeling zit in ons geldsysteem. Dat gaat ten koste van ecologische, maatschappelijke en sociale waarden. Daarom ook is het tijd voor een hervorming van dat economisch stelsel.

Zijn mensen in de toekomst dan overbodig? Integendeel. De technologische ontwikkelingen kunnen een zegen zijn voor de her- en erkenning van andere waarden. Die van mensen voor en met elkaar. Waarde dus, die zich ontleent aan het betekenis geven aan mensen. Niet, door hen ‘nutteloos’ bezig te houden; of – als dat niet lukt – kunstmatig in het leven te houden met een uitkering. Begrippen als ‘werk, ‘arbeid’ en ‘loonwaarde’, splijten – onbedoeld, maar toch – onze samenleving. In cohorten van werkenden en niet werkenden, van verdienenden en niet verdienenden, van arm en rijk. Als wij deze begrippen vervangen door ‘bijdragen van waarde’ – voor een ander en de samenleving – in gelijkwaardiger verhouding te staan.

Een dienst van waarde is gebaseerd op overeenkomsten die burgers en instanties met elkaar sluiten, waarbij afspraken worden gemaakt over diensten die zij elkaar in ruil leveren. Geld zal daarbij een minder belangrijk betaalmiddel worden. Meer en meer mensen zullen mensen met een dienst van waarde (willen) betalen. Iets wat jij eenvoudig kunt doen, kan voor een ander heel waardevol zijn. Zo kan jij jouw spullen of talenten aanbieden en terugvragen van de ander.

Als wij als maatschappij vinden dat het belangrijk is dat er kinderen geboren worden en door hun ouders worden opgevoed, is dat wat waard. Als wij vinden dat mensen die niet of niet onvoldoende voor zichzelf kunnen zorgen, geholpen moeten worden, is dat wat waard. Als mensen bijdragen aan deze punten zouden ze daarvoor ook beloond moeten worden. Ook als ze dat – volgens het economisch arbeidsmodel niet beroepsmatig doen.

Op termijn zal de samenleving zo haar kapitaal niet meer ontlenen aan de loonwaarde van mensen, maar aan hun menswaarde. Dat vraagt een samenleving, waarbij niet arbeid of loonwaarde de dragende pijler is, maar het meedoen en meetellen van ieder mens.

Gelooft u mij niet? Kijk dan eens naar de stille opmars – nationaal en internationaal – van lokale munten. In Nederland alleen al zijn er inmiddels tientallen lokale muntinitiatieven.

Een aansprekend voorbeeld van een goed werkend lokale complementaire munt is de Bristol Pound. Het volledige loon van de burgemeester wordt uitbetaald in de Bristol Pound (1 Bristol Pound = 1 Sterling Pound. Bristol Pound) en komt volledig terecht in de lokale economie. De lokale economie is ook ingericht op de Bristol Pound met geschikte fysieke en digitale mogelijkheden, voldoende vraag en aanbod, grote bekendheid en binding aan de lokale munt.

In de toekomst zal – om te beginnen binnen lokale gemeenschappen – de nadruk meer en meer gelegd worden op deze andere waarden. Soms met alleen ondernemende doelstellingen, vaak met ecologische en sociale doelen of een combinatie hiervan. Met als grootste winst en voordeel van dat alles, dat niet langer enkel arbeid adelt en aanzien geeft. Ieder mens kan met waardigheid betekenis en waarde toevoegen.

Welke antwoorden wij van de politieke leiders de komende periode mogen dan wel moeten verwachten? Voor de komende kabinetsperiode zou een eerste stap kunnen zijn om – in plaats van een wet Werk en Zekerheid – te komen tot een wet Waarde en Zekerheid. De verantwoordelijk minister zou naast een arbeidsmarkt het nieuwe paradigma van waardenmarkt moeten creëren. En, als wij een regering krijgen met visie en lef, zal daarna het verbod op werk zonder loon sneuvelen. In combinatie met het invoeren van (voorlopers van) het basisinkomen. Daarmee samenhangend wordt het woord ‘tegenprestatie’ vervangen door ‘dienst van waarde.’

Misschien zal ik met deze boodschap (voorlopig nog) een roepende in de woestijn zijn. Mede door het aantrekken van de economie – en daarmee de arbeidsmarkt – laten wij ons graag in slaap sussen. Zeker, zolang wijzelf nog ‘gewoon’ mogen meedoen. Wat ik aankaart lijkt daarom wellicht onbetaalbare dagdromerij. Maar is dat ook zo?

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.
Galerij

De buitenspelval moet ons beschamen

buitenspelval1.png

  • Waardigheid als waarde

“Soms,” vertrouwt Edwin mij toe, “wil ik liever niet meer wakker worden. Wachten op de postbode. Van dinsdag tot en met zaterdag is het middaguur een kwelling voor mij. Niet, dat ik haar graag zie. Integendeel. Het liefst kijk ik haar mijn deur voorbij. Want als zij komt en ook mijn deur aandoet, dan brengt zij nieuwe rampspoed. In de vorm van nieuwe nota’s of – erger nog – aanmaningen van eerdere. De zondag en de maandag zijn – wat dat betreft – zegeningen. Maar dan zijn er – net als alle dagen waarop de kinderen vrij waren – andere problemen. Dan vreest ik de momenten dat ik hen moet teleurstellen met een “Nee, dat kan niet. Daar is geen geld voor.” En dan de vrijdagen. Als ik naar de voedselbank moet. Dat is voor mij en mijn vrouw een schaamtevolle martelgang.”

Het verhaal van Edwin is niet uniek. Terwijl wij weer dagelijks de loftrompet steken over de prachtige economische ontwikkeling. Over de groei van werkgelegenheid ook. Ondertussen echter groeit de kloof tussen ‘arm’ en ‘rijk’. Een kloof die mensen, groot en klein – eenmaal naar ‘arm’ overgestoken – buitenspel verklaart.

Steeds vaker dringt zich, als ik Edwin spreek en zijn verhaal hoor, bij mij een almaar knagender gevoel van schuld op. “Hoe toch,” denk ik, “is het mogelijk dat wij als samenleving niet in staat zijn om voor mensen als Edwin die buitenspelval op te heffen?”

Schuld en schaamte vervreemden. Ze zijn de belangrijkste oorzaak van ontwrichting. In relaties, gezinnen en de maatschappij. Schuld, zo realiseer ik mij, vraagt om actie; die echter door schaamte wordt verlamt.

Beschamend is het gevoel door de ander te worden bekeken, be- of veroordeeld. Je voelt je vernederd, stom; je bent een loser. De ergste straf is die van het oog van de honende toeschouwer. Wie zich schaamt wil maar één ding: verdwijnen. Die neiging maakt dat ook dat het contact met de realiteit verloren gaat. Het negatieve beeld projecteren we op de ander. Wat des te gemakkelijker is, als ook die ander minder contact maakt, omdat die de schuldenaar als zondebok zien. Zo vergroot zich niet alleen stilletjes de armoede, maar meer nog de kloof.

Als wij dat alles weten, dan is niet kwijtschelding van schuld de eerste opgave. Eerder is dan het wegnemen van de schaamte de uitdaging. Dat is eigenlijk heel simpel, en daardoor waarschijnlijk ook zo verdomd moeilijk. Het vraagt namelijk om elkaar als mensen niet op economische waarde, maar op waardigheid aan te spreken.

Wie buitenspel staat, voelt zich minderwaardig. Niet gewaardeerd. Een gevoel dat eenvoudig te doorbreken is. Gewoon, met een simpele vraag: “Kun jij wat voor mij doen?” Omdat wij die vraag niet stellen, staat in Nederland dagelijks ruim 20% van het menselijk kapitaal buitenspel! En dat zijn mensen als Edwin. Mensen die – ieder op eigen wijze, net als jij en ik – willen meetellen en meedoen.

Meetellen en meedoen geeft waardigheid. Daarom roemen wij ook de prachtige economische groei. Feesten wij de toename van de werkgelegenheid die daarmee gepaard gaat. Diezelfde feestwoede maakt ons echter ook blind. Doet ons te gemakkelijk voorbij de grote en kleine Edwin’s kijken. Terwijl ook zij willen en kunnen deelnemen aan onze samenleving. Om hun recht daarop te respecteren is, eerder nog dan het kwijtschelden van schuld, een hervorming van ons waardensysteem nodig. Door dat te hervormen kunnen wij een einde maken aan erosie van de onze samenleving.

Het gebrek aan balans in onze samenleving wijst op een cruciaal cultureel aspect: de veranderende verbondenheid van mensen op elkaar. Die verbondenheid wordt meer en meer uitgedrukt in termen van morele schulden en verplichtingen. Wie ben ik iets verschuldigd? Wie is mij iets verschuldigd?

Maar wie bepaalt wat een schuld is en hoe deze vereffend kan worden? Waarom kan schuld alleen weggewassen met betaling? Omdat wij de waarde van waardigheid uit het oog zijn verloren! Schuld en verplichting zijn verbonden aan economische waarde: de financiële schuld. Wat wij nu aan anderen verschuldigd zijn, wordt uitgedrukt in bedragen die enkel vereffend kunnen met neutrale valuta. Contracten, niet morele overwegingen, binden de schuldenaar aan de schuldeiser.

Het gevolg van dit alles is de erosie van de sociale samenhang. De kloof van ‘arm’ en ‘rijk’. Omdat wij het gevoel van waarde en waardigheid hebben ingeruild voor de veronderstelde objectiviteit van een munt. In de plaats van wederkerigheid stimuleren wij morele leegte. Leegte die onze samenleving uit elkaar drijft en individuen kwetsbaar maakt.

Zo kijkend naar de opgave kan schuld in plaats van vernietigend, heel constructief en helend werken. Niet door haar kwijt te schelden, maar door haar te ruilen met waarde van waardigheid. Elk mens wil iets betekenen. Voor zichzelf en voor de ander. Elk mens heeft ook zijn eigen kwaliteiten. Als wij die weer (h)erkennen en die weer ruilen gaan, dan kunnen wij de breuk in de samenleving herstellen. Zo ook kunnen wij de ons beschamende buitenspelval samen elimineren.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.
  • Meer blogs en ideeën zijn te vinden op Verruim de horizon en Inspirituals
Galerij

Chronische excuses schoffelen

modder1.png

  • De letter doodt; de geest maakt levend!

“Kijk niet of het mag, maar doe wat werkt.” Dat was, vrij vertaald, de boodschap van minister Plasterk. Hij informeerde de Tweede Kamer over het programma sociaal domein. Hierin zijn gemeenten en Rijk samen verantwoordelijk voor oplossingen in de transformatie van het sociaal domein. De uitdaging voor alle betrokkenen, gemeenten en hun bestuurders, organisaties en hun professionals én inwoners is daarbij om weg te blijven van systeemoplossingen.

Er valt inderdaad nog veel te verbeteren aan de ondersteuning en zorg van en voor mensen. Zeker vanuit het oogpunt van duurzaamheid van antwoorden en betrokkenheid van de inwoners. Want, ondanks de transitie – de overdracht van taken en middelen van Rijk en provincies naar gemeenten – is de huidige werkwijze niet toereikend. Zeker niet om met betaalbare en oplossingsgerichte antwoorden in de groeiende vraag naar ondersteuning en zorg te voorzien. Daarvoor is een grensverleggende systeemverandering nodig. Gestoeld op basisprincipes waarin de inwoner die het betreft een volwaardige rol speelt. Alleen als wij daarin slagen zal ons sociaal- en zorgstelsel voldoende robuust zijn om ook komende generaties duurzaam van ondersteuning en zorg te kunnen voorzien.

Als geen ander kunnen en willen vrijwilligers, mantelzorgers en professionals in het sociaal domein aan deze game changing werken. Als geen ander ook lopen zij tegen grenzen van vermeende belemmeringen aan. Die kunnen financieel zijn, voortkomen uit wet- en regelgeving, protocollen of handelingsverlegenheid. Hierdoor maken zij de hen toebedachte rol niet waar. Omdat zij verstrikt raken en blijven in een web van afhankelijkheden en procedures. Het gevolg? Chronisch excuusgedrag!

Of daarvoor een oplossing is? Welzeker!

Tussen wil en wet staan te vaak muren van onterechte bezwaren en belemmeringen. Muren die wij eenvoudig weg kunnen nemen. Niet met een zoveelste systeemwijziging of nieuwe wet- en regelgeving. Eerder draait het om een combinatie van eigenaarschap, lef en doorzettingskracht. Gecombineerd met kennis en een dosis gezond verstand vormen deze eigenschappen hét kompas om te doen wat nodig is. Het hanteren van de ‘omgekeerde toets’ kan daarbij helpen.

De omgekeerde toets is een door kennisorganisatie Stimulansz ontwikkelde hulpmiddel. Een stapsgewijze methodiek die vraagt om anders om te gaan met wet- en regelgeving. Deze methode maakt mogelijk te doen wat nodig is. Te doen wat werkt. In plaats van te doen wat kan. Met als resultaat: maatwerk leveren zonder willekeur, en recht doen aan de geest van wet- en regelgeving.

Sinds mensenheugenis hebben we namelijk de gewoonte om regels en wetten in tekst te vangen en vast te leggen. Dat is lekker concreet en (vaak) gedetailleerd. Alles waarvan we dachten dat het vastgelegd moet worden, wordt opgeschreven. En bij alles wat wij doen (of laten) kijken wij eerst naar ‘wat de wet zegt’. Maar is dat nou wel zo’n goed idee?

Nou, niet per se! Het ligt er maar net aan hoe je er mee omgaat. En met welke bedoeling. Hanteer je de letter, of hanteer je de geest? De letter doodt, zo leert de geschiedenis. De geest maakt levend!

Eigenlijk werkt de omgekeerde toets net zo. Zij doet wat u en ik in het ‘gewone’ dagelijkse leven bijna als vanzelf en automatisch doen: kijken wat nodig is en werkt. Om dat vervolgens te combineren met de mogelijkheden. Pas als dat helder is, komt de vraag of het mag en kan. Zo doen wij wat werkt!

De decentralisaties – en vooral de door iedereen daarmee gewenste omvorming van ons sociaal- en zorgstelsel – zijn in mijn optiek een unieke kans om hier meer werk (en gewoonte!) van te maken. Dat begint niet bij de ander. Niet bij het systeem of bij wet- en regelgeving. Het begint met zelf stevig in de spiegel te kijken. Want het ‘uit koers raken’ van zorg en welzijn begint daar. Bij jou en mij. Te gemakkelijk, zo leert ons die spiegel, verliezen wij het eigenaarschap uit het oog. Kleden wij ons met de schaamlap van ‘de ander’, ‘het systeem’ of ‘de wet- en regelgeving.

Het dominante verhaal van de systeemwereld kunnen jij en ik doorbreken. Gewoon, door steeds weer bij de bedoeling te beginnen. Als een continu reflectiemechanisme voor het eigen doen en laten. Zo krijgt de leefwereld weer regie over de vraag wat hier en nu nodig is. Om pas daarna te beredeneren wat daarvoor in de systeemwereld moet worden of is ingericht. Zo maken wij de systeemwereld van sturend regisseur tot hulpmotor. De sturing ligt bij mensen als jij en ik. Mensen die zich handelingsvrij voelen om echt te doen wat nodig is. Niet vrijblijvend, maar vanuit eigenaarschap en (professionele) verantwoordelijkheid. Want dáár zit de sleutel.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Galerij

Smalle blik vraagt brede kijk

bewustzijn.png

  • De werkelijkheid is niet simpeler dan de werkelijkheid

Er is een tijd geweest dat wij de toekomst van de wereld hoopvoller onder ogen zagen dan dat dit vandaag de dag het geval is. Het perspectief van een wereld waarin democratisch geregeerde staten hun onderlinge betrekkingen vreedzaam regelen onder supervisie van een bovennationale macht (b)lijkt een utopie. In toenemende mate fascineert het verschil tussen de belofte van iets en de banale werkelijkheid. De oorzaak daarvan? Reductionisme en bewustzijnsvernauwing.

Reductionisme is het tegendeel van integraal denken en doen. Het is het terugbrengen van complexe verschijnselen tot één enkele verklaringswijze of één enkele doelstelling. Integraal denken en doen is een benaderingswijze van de werkelijkheid, waarbij integratie plaats vindt van een verscheidenheid van allerlei gezichtspunten binnen een groter geheel. Dat geheel heeft daarbij een andere, meer omvattende betekenis dan hetgeen uit de delen kan worden afgeleid.

Hoe schrijnend is in dat verband de constatering dat het ons – en de politici is ons land (en de wereld) in het bijzonder – niet lukt om met partijpolitiek duurzame samenwerking tussen overheid en inwoners de weg van het reductionisme te verlaten. Of – erger nog – die juist door het terugredeneren van de complexe werkelijkheid tot één enkele verklaringswijze of één enkele doelstelling, die samenwerking meer dan ooit uit het zicht laten raken. Een land waarin 28 partijen vechten om 150 zetels in ons parlement is een toonbeeld van versnippering. Met een kakofonie van stemmen die schreeuwen om aandacht en het gelijk voor de meest uiteenlopende kwesties als resultaat. In het gunstigste geval beperkt de strijd zich tot een Babylonische spraakverwarring waar geen touw meer aan vast te knopen valt. In het meest ongunstige geval zal het leiden tot vernietiging van elkaar.

Metaforisch gesproken: een persoon of gezien in nood heeft niks aan 28 hulpverleners die – in plaats van te acteren – elkaar de tent uitvechten over het antwoord op de vraag wie de regie mag voeren.

Binnen het sociaal domein hebben wij heel lang gewerkt volgens de principes van het reductionisme. Dat is een moeilijk woord voor het versmallen van een complex verhaal tot een klein onderdeel ervan. Dat gebeurde eigenlijk altijd: we keken naar details, naar geïsoleerde fenomenen.

Deze methode van het splitsende denken leidde ertoe dat mensen worden benaderd door hun problemen uit elkaar te nemen in zo klein mogelijke deelproblemen. Deze werden vervolgens apart opgelost en weer teruggeplaatst in het geheel. Zo kan men ook zeggen dat het denken in de geneeskunde (de cure – de reparatieafdeling) gebaseerd was op de (dominante) opvatting dat het lichaam een machine is, ziekte het gevolg van het kapot gaan van de machine en de taak van de arts om dit mechanisme te herstellen/repareren.

Hoewel dit denk- en doe-model de afgelopen decennia naast ontelbaar bruikbare denkkaders ook heel veel nieuwe behandelingsmogelijkheden opleverde, ontstonden er steeds meer en dwingender aanwijzingen dat met het opsplitsen en het analyseren de geneeskunde haar doel voorbijschoot. De geneeskunde dreigde door dit verregaand onderscheiden het zicht op het geheel te verliezen. Voor de care (de onderhoudsafdeling) bleek dit nog nadrukkelijke het geval. Met niet zelden symptoombestrijding in plaats van effectieve en duurzame oplossingen als resultaat.

Binnen het sociaal domein is, als reactie op dit inzicht in toenemende mate sprake van holistisch denken. Bij het holistisch denken kijken wij naar meerdere factoren om iets te verklaren. In tegenstelling tot enkel een ‘symptoom -gevolg”-benadering, kijken we ook naar de sociale en psychologische omgeving. Kan de moeder van twee kinderen met ADHD de drukte niet aan, of ontbreekt het aan andere zaken? Als we verder kijken naar de persoonlijke situatie van moeder en kinderen zouden wij wellicht merken dat heel andere factoren van grote invloed zijn op de draagkracht van moeder. Zoals het simpelweg ontbreken van een eigen, rustige leefruimte voor de kinderen afzonderlijk. Waardoor moeder en kinderen bij voortduring op elkaars lip zitten en met elkaars onrust worden geconfronteerd. Het realiseren van een eigen kamertje voor de kinderen kon (en bleek in het onderhavige geval) wel eens een betere oplossing zijn dan gedragstherapie.

De leefomgeving van iemand is dus van cruciaal belang om een stuitende verklaring te geven en er is dus voor een gevolg niet uitsluitend één oorzaak aan te duiden. Laat staan dat we hier in alle gevallen over een lineair verband kunnen spreken. Dat vraagt integraal kijken en doen.

Integraal denken en doen is, zeker bij mensen of gezinnen die met meerdere uitdagingen tegelijkertijd geconfronteerd worden een profijtelijke must gebleken. Van groot belang daarbij is een goede samenwerking tussen alle betrokkenen. Hierbij speelt regie een belangrijke rol; één persoon is, neemt en krijgt de verantwoordelijk voor het overzicht op het geheel.

Ik hoop en wens dan ook dat u en mij – en de mensen met en voor wie wij binnen het sociaal domein werken – bespaard wordt wat er dreigt te gebeuren met het ideaal van een democratische wereldorde. Dat al ons denken en doen uiteindelijk gebaseerd blijkt op loutere retoriek. Blijkt dat toch het geval, dan zullen reductionisme en bewustzijnsvernauwing de harmoniserende invloed van integraal denken en doen verpulveren.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.