Kom zelf eens uit je luie stoel!

buiten spelen.png

  • Papa, mama, komen jullie buiten spelen?

Aan een oever van de Stille Oceaan, in het noorden van het Gazelle-schiereiland van Papoea-Nieuw-Guinea, leeft een volk van eenvoudige landbouwers. Door een naburige stam worden ze de ‘Baining’ genoemd, wat ‘wilde, onbeschaafde mensen in de rimboe’ betekent. Bij wetenschappers staan ze bekend als ‘de saaiste cultuur op aarde.’

Het verhaal van de Baining is een metafoor voor deze tijd. Het is een waarschuwing voor de wereld waar we op afstevenen: een wereld zonder vrije tijd en zonder spel. Een wereld die zich ras aan ons lijkt op te dringen…Zeker als wij op onze krent blijven zitten.

Uit onderzoek onder (groot)ouders en kinderen blijkt namelijk dat er dramatisch minder buiten wordt gespeeld. De generatieverschillen in spelen worden steeds duidelijk zichtbaar. Daar waar (groot)ouders (waaronder ik dus) vroeger massaal naar buiten gingen, spelen kinderen nu binnen. In vergelijking met 2013 is het aantal kinderen dat elke dag buiten speelt in de buurt gedaald van 20% naar 14%! Van de 1,2 miljoen kinderen op de basisschool zijn er dus meer dan 1 miljoen kinderen die niet meer dagelijks buitenspelen. Hoe dat komt? Daarover zijn de mening verdeeld.

Een belangrijke uitkomst van het onderzoek is dat er een enorm verschil is tussen de generatie van grootouders, ouders en kinderen op het gebied van buitenspelen. Maar liefst zeventig procent van de opa’s en oma’s, en 65 procent van de ouders speelden in hun jeugd vaker buiten dan binnen. Bij de kinderen van nu is dat nog slechts tien procent. Volgens alle (volwassen) deskundigen ligt het aan de jeugd. “Ze willen wel, maar…”

Eén op de drie kinderen zegt wel graag vaker buiten te willen spelen, maar één op de zeven kinderen zegt te veel tijd kwijt te zijn aan school of hobby’s om dat te kunnen doen. Voor de anderen blijken ‘te saaie speelplekken’ en ‘te veel verkeer’ een barrière. Bijna de helft van de Nederlandse kinderen, maar liefst veertig procent, zegt liever binnen te spelen dan buiten. Tegelijkertijd hebben kinderen minder vrije tijd. Ze worden voortdurend beziggehouden: school, huiswerk, sport, muziek, toneel, bijles, examentraining – het houdt niet op. Ouders zouden volgens onderzoek bijna twee keer zoveel tijd aan de opvoeding besteden als in de jaren tachtig.

Wel, ik durf dat alles in twijfel te trekken. Nee, niet dat kinderen nu minder buiten spelen. Dat klopt wel. Maar de oorzaak daarvan. Volgens mij ligt die bij ons, de volwassenen. Wij hebben geen tijd meer voor spelende kinderen. Wij zijn zelf veel te druk met ons werk. En als wij niet werken, moeten wij sporten, facetimen, social media bijhouden, Netflix-series kijken, enzovoort en zo verder. Tijd om met onze kinderen te spelen past daar niet in.

Wat ik ook zeker weet is dat wij steeds minder: spelen. En dan bedoel ik ‘spelen’ in de breedste zin van het woord: de vrijheid om je eigen nieuwsgierigheid te volgen. Om te zoeken en te ontdekken, te proberen en te creëren. Niet omdat een ouder, school of baas het je voorkauwt, maar gewoon, omdat je er zelf zin in hebt.

Overal waar je kijkt, zijn we minder gaan spelen. Kinderen en volwassenen. Thuis, op school en op kantoor. Terwijl politici zich druk maken over ranglijstjes en economische groei, zijn scholen gefocust op toetsen en resultaten. Op almaar jongere leeftijd sorteren we onze kinderen voor: jullie zijn de slimmen, en jullie niet. En onze definitie van succes? Hoge cijfers, hoog salaris. Het onderwijs moet kinderen zo snel mogelijk klaarstomen om zoveel mogelijk geld te verdienen.

Spelen en buitenspelen is belangrijk voor kinderen. Dat vinden de kinderen zelf ook. Liefst 75 procent van de kinderen geeft aan zich vrolijk en blij te voelen na het buiten spelen. Ruim 48 procent voelt zich sterk en gezond na een tijdje ravotten in de buitenlucht.

Wij zien het aan onze eigen kleinkinderen. Natuurlijk, ook zij hebben een Playstation of iPad. Mogen graag en veel op die apparaten bezig zijn. De oudsten zitten inmiddels ook op Instagram. En toch, eigenlijk is het betrekkelijk eenvoudig hen naar buiten te lokken. En ja, daar moeten wij wel wat voor doen. Om te beginnen moeten wij onze luie stoel uit komen. Kunt namelijk niet tegen je op de bank hangende kinderen zeggen “Ga eens wat doen!” als je zelf bij voortduring op diezelfde bank hangt of je achter schermen verbergt.

Ieder seizoen is het leuk om er op uit te trekken met de kinderen. Zo leren wij ook weer van onze kleinkinderen. Voor een tochtje op het ijs, zoals begin dit jaar nog. Of om de lammetjes bij de overbuurvrouw van opa en oma te voederen. Bij mooier weer hebben bootjes h een enorme aantrekkingskracht op kinderen en staan zij garant voor plezier zolang je maar wilt. Huur eens zo’n roeiboot en nodig je kinderen een uit voor een heus piratenavontuur. Neem ze eens mee voor een nachtje kamperen in de eigen achtertuin! Wedden dat de kinderen dat veel interessanter vinden dan die iPad, die Netflix-serie of de Playstation!

Spelen is ontzettend goed voor de ontwikkeling van kinderen; er wordt gewerkt aan allerlei vaardigheden en aan de fysieke en innerlijke gezondheid. Zaken die ook voor ons als ouderen van belang zijn en om onderhoud vragen. Wat is er leuker dan in de zomervakantie samen met jouw (of andermans) (klein-)kinderen een eigen huttendorp of boomhut te bouwen?

Een dagje naar de schaapskooi! Ook dat is een feest voor het hele gezin. Als wij ons de tijd gunnen, en niet op de heenweg ondertussen druk zijn met Facebook of onderweg alweer bezig zijn met de planning van dat wat wij daarna denken te moeten doen! Nu, of binnenkort, zijn er ook allerlei open dagen. Van schaapsscheerdersfeesten tot lammetjesdagen of fruitplukken.   Er zijn altijd wel zelfpluktuinen, moestuintjes en boerderijen te vinden waar je zelf fruit of bloemen mag plukken of oogsten. Heerlijk!

En kunnen wij toch niet zonder die iPad? Organiseer dan eens met je kinderen een interactieve speurtocht. Maar wat je ook doet: kom uit die luie stoel en laat het kind in jezelf los! Speel met jouw (klein)kind; elke dag als het kan!

Samen spelen biedt iedereen voordelen. Door de aandacht over en weer zitten wij allemaal lekkerder in ons vel. En, niet onbelangrijk, door samen te spelen of iets te ondernemen, leren wij zelf ook veel. Bijvoorbeeld wat er in de ander omgaat. Wat hem of haar bezig houdt. Vaak komt er tijdens spel iets naar boven – een anekdote, een pretje of juist een onverwerkte ruzie, angst of verdrietje – zodat jij weet: o, dáár is hij nu mee bezig! Juist tijdens het spelen is er meestal ruimte voor (moeilijke) gesprekken, omdat je elkaar niet hoeft aan te kijken en de afleiding in je handen hebt. Dus ga mee in die achtbaan, doe samen gek op discomuziek en kruip zelf ook over die smalle touwbrug. Misschien moeten wij wat gêne overwinnen, maar daarna is het zó leuk.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Advertenties

De beste regisseur is (niet) gezien

regisserende overheid.png

  • Jammer genoeg klopt de regie niet altijd

Op dit moment wordt er her en der in het land druk gewerkt aan de totstandkoming van nieuwe colleges van B&W. Een belangrijk onderwerp voor ieder collegeprogramma is het sociaal domein. Daarbij gaat het over de vraag hoe je op de beste wijze het welbevinden van de inwoners kunt ondersteunen. De grote opgave is, om dit vanuit de mensen in plaats van de systemen te bekijken. Te zorgen voor een kloppende regie!

Steeds meer gemeenten krijgen hun basis in het sociaal domein op orde. Tot nu toe lag de nadruk daarbij op ‘in control komen’: de zorgcontinuïteit, het voorkomen van ‘ongelukken’ en de financiën beheren stonden daarbij hoog op het prioriteitenlijstje.

De decentralisaties (2015) hadden echter een hoger ideaal: ondersteuning van de inwoners in een gemeente nabij organiseren. Passend bij de situatie van de inwoner die in een lastige of knelsituatie zit. Met de bedoeling ook om de inwoners individueel en de samenleving als geheel zelfredzamer te maken. Waar weer een andere doelstelling onder lag en ligt: de kosten voor zorg beheersbaar te houden. En daarmee de zorg en ondersteuning duurzaam te borgen.

Nu is het tijd voor de volgende stap: het doorontwikkelen. Daarbij draait het om de hoe-vraag. Hoe gaan we het naar de toekomst toe nou echt doen in het sociaal domein? Lukt dat als wij (lees: gemeenten) blijven acteren zoals we dat al jaren doen, of is er meer voor nodig?

Wat mij opvalt als adviseur van verschillende partijen die daarbij een rol spelen (gemeenten, regiobesturen, instellingen voor onderwijs, welzijn, zorg, inkomen en schuldhulpverlening en participatie) is dat zij allemaal spreken over en van een integrale aanpak, om de opgave vervolgens sectoraal aan te pakken. Dat is niet alleen vreemd, maar ook een doodlopende weg.

Het vraagstuk van doorontwikkeling (transformatie) van het sociaal domein kan niet los gezien en behandeld worden van vraagstukken binnen andere domeinen die eigenlijk om hetzelfde gaan. Op welhaast alle overheidsdomeinen  is er sprake van verschuiving van regie, van overdracht van taken, van meer bestuurlijke afwegingsruimte op lokaal niveau, van inzet op betere kwaliteit door integrale benadering van maatschappelijke vraagstukken, en van andere verhouding tussen overheid en samenleving.

Tussen de decentralisaties in het sociaal domein en de komst van bijvoorbeeld de nieuwe Omgevingswet zijn er vele overeenkomsten als het gaat om de onderliggende beweging en doelstellingen. Toch zie je hiervan in de aanpak te weinig terug. Terwijl tegelijkertijd de grenzen tussen het sociaal domein en bijvoorbeeld het fysiek domein steeds meer vervagen. Wie ziet niet de samenhang tussen ruimtelijke en andere aspecten (waaronder gezondheid en zelfredzaamheid)? Een versnipperde benadering kan (en zal) onbedoelde dan wel ongewenste effecten hebben en het behalen van de eigenlijke doelen in de weg kan staan.

Meer dan ooit moeten gemeenten beseffen dat zij zelf midden in een transitie zit. Het sociaal domein, de Omgevingswet en een ruimer lokaal belastingregime; het zijn allemaal voorbeelden waarbij het lokaal bestuur meer invloed krijgt. Hierdoor kan de overheid sneller inspelen op gedeelde publieke ambities. Dit maakt het mogelijk op lokaal niveau te experimenteren met nieuwe initiatieven, wat ruimte geeft voor innovaties in de samenleving. Denk aan nieuwe vormen van mobiliteit, duurzaamheid en bijvoorbeeld de sociale zekerheid zoals we die kennen.

Deze lokale speelruimte maakt de weg vrij voor overheden om vaker op te trekken met inwoners, het bedrijfsleven, andere overheden en publieke instellingen, zoals scholen en universiteiten. De overheid maakt een verschuiving van zelf uitvoeren naar meer ruimte voor slim organiseren en faciliteren. Als overheden met elkaar en met de samenleving verbonden zijn, kan er doorlopend kennis en informatie worden uitgewisseld.

Juist hier liggen voor de nieuwe colleges van B&W grote uitdagingen en prachtige kansen. Die zij vervolgens ook grandioos kunnen verprutsen. Als zij blijven doen wat ze altijd deden: de portefeuilles verdelen  langs de lijnen van de ‘klassieke’ domeinen (fysiek, sociaal, financieel). De ‘overheid in transitie’ vraagt een integrale benadering van een opgave. De onderhandelaars – en straks de nieuwe colleges – moeten dus niet alleen nadenken over transformeren. Hoewel dat natuurlijk prima en legitiem is. Veel meer echter moeten zij  de integrale aanpak mogelijk maken met een integrale, gemeentelijke visie op samenhang tussen de diverse aspecten (zoals ruimtelijk beleid, gezondheid en zelfredzaamheid).

Het durven leggen van verbindingen is daarbij van groot belang. Daarop moet de nadruk liggen. Niet als doel op zich, maar als voorwaarde om efficiënter te werken, hoogwaardiger dienstverlening te bieden en samenwerking mogelijk te maken. Een verbindende overheid is de sleutel tot succes.

Verbinden is ook: Samen doen en deelnemen. Anders gezegd: verbinden is als overheid participeren in de samenleving. Wat wezenlijk iets anders is dan als overheid de samenleving laten participeren in het beleid. De overheid in een participatiesamenleving is een faciliterende overheid met een ambitieuze en ondernemende agenda die de lijnen uitzet.

Een faciliterend overheid is geen teruggetrokken regisseur die de verantwoordelijkheid bij de inwoners legt. Het is een overheid die de verhalen van haar inwoners ‘vangt’ en vertaalt in een inspirerend verhaal op een hoger schaalniveau, dat ons en onze acties verbindt. Mogelijk maakt ook met passende (in plaats van minder) regels, kaders en sturingsmechanismen. Een participerende en verbindende overheid neemt de regie en zet de lijnen uit. Transitie en transformatie rechtvaardigen en vragen om een sterke en visionaire overheid. Zij moeten de regie durven nemen, maar niet zelf doen wat een ander beter kan. Sturen en beslissen zijn de kerntaken zijn. Uitvoerende werkzaamheden kunnen worden belegd en overgelaten aan bij gespecialiseerde (publieke) organisaties. En ja, dat vraagt transparante integriteit en onafhankelijkheid. Sociaal vaardig en verbindend acteren op basis van de juiste informatie binnen de specifieke context van die gemeente. De lokale samenleving staat immers voorop. De gemeente resp. het gemeentebestuur staat midden in die samenleving. Zij  geeft richting. regelt, overziet en besluit. Het is haar taak om in de samenleving dingen te ontdekken waarvan die niet wist dat hij ze in zich had.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Meepraten? Als jij je mond maar houd!

mondje dicht

  • Als je iets anders meent, hou dan je mond maar

Door Peter Paul Doodkorte

“Het overgrote deel van de basisscholen voert nog geen bewust beloningsbeleid; 98,3 procent van de leerkrachten in het basisonderwijs zit nog in de laagste salarisschaal (LA). Dit blijkt uit onderzoek (april 2018) van het Onderwijsblad van de Algemene Onderwijsbond (AOb).” Toen ik dit bericht las, vroeg ik mij af, hoe het eigenlijk met de medezeggenschap binnen het onderwijs geregeld is. Kennelijk is dat niet al te best geregeld. Een goed functionerend medezeggenschapsorgaan immers zou het bestuur of de bestuurder daarop (moeten) aanspreken!

Medezeggenschap. Voormalig minister Asscher (Sociale Zaken en Werkgelegenheid -SZW) schreef in maart 2013 in een brief aan de Tweede kamer zijn visie op de stand van zaken op het gebied van de medezeggenschap. Hij vond dat het vooral OR en bestuurder zelf zijn die in het bedrijf een eigen vorm aan de invulling van medezeggenschap moeten geven. De huidige wetgeving in de Wet op de ondernemingsraden (WOR), zo stelde hij toe, biedt genoeg houvast om dat te kunnen doen. Ik ben dat niet met hem eens.

In Nederland hecht men veel belang aan medezeggenschap binnen organisaties. Werknemers willen kunnen meedenken over de visie en toekomst van het bedrijf. Men wil betrokken worden bij belangrijke beslissingen. Daarom is er in Nederland de wet op ondernemingsraad (WOR). In de WOR is de medezeggenschap wettelijk geregeld. Hier vloeit onder andere de ondernemingsraad uit voort. Medezeggenschap zorgt daarmee voor een effectieve en efficiënte bijdrage aan de kwaliteit en draagvlak voor de besluitvorming.

Het zijn prachtige volzinnen over al even prachtige intenties. En ja, in de ‘etalage-bedrijven’, de grote multinationals en de overheid zelf is dat oer het algemeen ook goed geregeld. Zij moeten ook wel, want zij liggen onder het vergrootglas van de publieke opinie en de media.

Bij heel wat organisaties die wat minder op de voorgrond treden is het met die medezeggenschap minder goed gesteld. Er zijn, ondanks de wettelijke verplichting daartoe, nog heel wat bedrijven die geen ondernemingsraad of werknemersvertegen-woordiging kennen. Zij worden geleidt door autocratische en soms narcistische leiders. Mensen die menen dat er maar één persoon is, die weet wat goed is voor het bedrijf en de medewerkers.

Zo leerde mij ook een contact dat ik deze week had met een onderzoekster. Zij doet – in opdracht van de Bedrijfscommissie voor de marktsectoren (het overheidsorgaan voor toezicht op de medezeggenschap) – mee een Europees onderzoek naar conflictoplossing in ondernemingen, concreet naar bemiddeling tussen een bestuurder en een onderne-mingsraad. Zij onderzoekt de negatieve gevolgen en eventuele kosten van conflicten en hoe deze beperkt kunnen worden, escalatie kan worden voorkomen en conflictpartijen ondersteund kunnen worden bij het constructief omgaan met het conflict en het bereiken van een oplossing.

Het gesprek leerde mij dat in de wet- en regelgeving onvoldoende waarborgen zitten om medezeggenschap ‘van papier af’ te krijgen. Er zijn, zo bleek mij, nog heel veel werkgevers die over medezeggenschap zeggen: “Medezeggenschap? Ik vind het best, zolang ze hun mond maar houden.”  Medewerkers die vervolgens een beroep doen op de WOR of de Ondernemingskamer komen vervolgens in een slangenkuil terecht. Werkgevers die de betrokken medewerkers in een kwaad daglicht stellen of chanteren blijken geen uitzondering. Ze worden daarmee binnen de betreffende onderneming geïsoleerd. Wat weer handig is, omdat de Bedrijfscommissie alleen in actie komt, als de betrokken medewerker kan aantonen dat zijn klacht wordt gedragen door een grotere groep van medewerkers binnen de onderneming. Ook de gang naar het Klokkenluiders-huis blijkt voor deze medewerkers vaak een lijdensweg. Er wordt vanuit het Klokkenlui-dershuis geen of zeer traag contact opgenomen over aangedragen conflicten. Bovendien, zo leert de ervaring, beginnen Bedrijfscommissie en Klokkenluidershuis eerst en vooral met een uitleg aan de betrokken werknemers over de mogelijke risico’s die hij of zij neemt in de relatie met de werkgever. Anders gezegd: het voeren van een procedure wordt eerder afgeraden dan toegejuicht.

Dat laatste bleek mij ook weer in en gesprek dat ik later had met een goede vriend. Hij bevestigde mij het bovenstaande op grond van eigen ervaringen. “Mijn werkgever was beslist niet content met mijn vraag over hoe de medezeggenschap binnen de organisatie was geregeld. Toen ik naar de Bedrijfscommissie stapte, was een conflict al snel geboren. Ik werd uit mijn leidende rol gezet en er ontstonden conflicten over de uitleg van eerder gemaakte afspraken over arbeidsvoorwaarden. Met veel juridisch wapengekletter. Per saldo zag ik – ter bescherming van mijzelf en mijn privésituatie – geen betere optie dan het zoeken van een andere baan.”

“Er valt nog veel te verbeteren in Nederland medezeggenschapsland,” zo vertelde mij de onderzoekster. “Om te beginnen zou het helemaal geen slecht idee zijn om naast de verplichting om jaarlijks het financieel jaarverslag van een onderneming te deponeren bij de Kamer van Koophandel, ondernemers ook te verplichten tot het gelijktijdig indienen van het jaarverslag van de Ondernemingsraad. Uit dat verslag moet dan blijken dat de medezeggenschap is geregeld, de verkiezingen van dat orgaan onafhankelijk en in vrijheid zijn georganiseerd en welke onderwerpen door de ondernemer en het medezeggen-schapsorgaan zijn besproken.”

Volgens mijn gesprekspartner zou een dergelijke wettelijke verplichting de controle op de naleving niet allen een stuk beter maken. Ook zou het kunnen voorkomen dat individuen ‘vermalen’ worden in de molen van juristerij en macht.

Nog even terug naar mijn vriend. Die ik de vraag stelde of het nu beter met hem gaat. Dat kon hij bevestigen. In zijn nieuwe werkomgeving is de medezeggenschap wel geregeld. “Maar,” zo vertrouwde hij mij toe, “trots ben ik niet op mijzelf. Het voelt toch, alsof ik door mijn zwijgen en mijn keuze voor mijn eigen (privé)belang verraad heb gepleegd. Aan mijzelf, zowel als aan mijn collega’s.”

Terwijl ik dit zo opschrijf, dringt zich het wrange besef bij mij op dat ik uiteindelijk misschien wel hetzelfde doe. Ik noem in dit stuk niet de namen van de onderzoekster of mijn vriend. Noch van de betrokken ondernemingen. Om hen en mijzelf van negatieve gevolgen te vrijwaren. Ik mag er het mijne van vinden, maar het is veiliger als ik mijn mond houdt!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

 

Liefde op leven en dood

wound.png

  • The Wound

Xolani behoort in Zuid Afrika tot de Xhosa stam. Ieder jaar neemt hij vrij van zijn werk om te helpen bij de “Ukwaluka”, het stamritueel van een aantal weken waarbij jongens worden ingewijd tot man.

Met een aantal andere mannen gaat hij op weg naar een verlaten berggebied waar dit oude stamritueel plaatsvindt. Ieder van hen is mentor over een jongen en Xolani heeft de zorg over Kwanda, de enige jongen uit de groep die afkomstig is uit een welgestelde familie in Johannesburg. De rest komt van het platteland en vindt Kwanda maar een eigenwijs stadsjongetje. Gaandeweg de inwijding komt Kwanda erachter dat Xolani verliefd is op Vija, een van de andere mentoren. Al jaren ontmoeten zij elkaar tijdens de initiatie en kunnen dan toegeven aan hun gevoelens voor elkaar. Deze ontdekking zet het leven en bestaan van hun beiden op het spel…

 

Boeman blijkt vriend

laurel en hardy.png

  • Een ware professional heeft altijd een goede grond

Voor wie even niet opgelet heeft: In mei 2018 wordt in Nederland de Europese privacy wet (GDPR) van kracht onder de naam AVG (Algemene verordening gegevensbescherming). Het belangrijkste hieruit is dat je alleen persoonsgebonden gegevens mag opslaan zolang je hiervoor een geldige grondslag (reden) hebt. In de aanloop naar deze datum worden wij doodgegooid met artikelen over deze nieuwe wetgeving èn wat er gebeurt als we er nièt aan voldoen. Het is, als je de vele gesprekken en artikelen daarover moet geloven, enge shit. En dat op zijn beurt is volgens mij nou weer bullshit.

Interessant fenomeen is dat het bij dit alles vooral gaat om de formele en administratieve verplichtingen. Is er een informatie beleid? Is er een beveiligingsbeleid? Welke rol hebben persoonsgebonden data hierin? Zijn beleid en processen op dit gebied geborgd in organisatorische maatregelen? Wat gebeurt er als er fouten worden gemaakt? Past de organisatie zich daar op aan? Dat alles is best wel even een klusje. Maar laten wij dat niet spannender maken dan het is: een lastig, maar uiteindelijk technisch klusje.

Natuurlijk, de wetgeving wordt actief en wij moeten er echt aan voldoen. Maar moeten wij daarvan in paniek raken? Nee, we moeten het uitzoeken, regelen en organiseren. Dat is heel wat anders. Bovendien, doelstelling van de Autoriteit Persoonsgegevens is niet om zoveel mogelijk boetes op te leggen, maar het borgen van de – uw en onze –  privacy! Zij wil borgen wat wij wensen! En ja, de nieuwe wetgeving vergt een andere houding ten aanzien van het omgaan met persoonsgebonden data. We kunnen niet meer zomaar onbezonnen allerlei persoonlijke gegevens verzamelen delen en analyseren. Het doel moet legitiem zijn, en dat is een goede zaak.

Veel interessanter en uitdagender dan de papieren exercitie en het daarmee verbonden informatiemanagement is het vraagstuk van de praktische toepassing. Binnen mijn eigen werkveld – zorg en welzijn – bijvoorbeeld. Want juist daar wordt in de praktijk privacy vaak als belemmering ervaren. De beleving is dat privacy betekent dat er geen gegevens gedeeld mogen worden. En al helemaal niet zonder voorafgaande toestemming van de betrokken persoon of personen. U herkent ze waarschijnlijk wel, de privacy-schaamlappen:  ‘Ik heb een vertrouwensrelatie met mijn cliënt, daar zit mijn cliënt niet op te wachten, ik heb een beroepsgeheim, ik kan alleen gegevens delen na een schriftelijke toestemming van mijn cliënt, ik mag alleen gegevens delen binnen mijn discipline. Nee, ik mag geen gegevens delen!”  Dat is allemaal bullshit! De rechters van het Europees Hof hebben namelijk ook een Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens vastgesteld.

Er kan en mag dan ook veel meer dan wij denken. Juist dankzij die vaak verguisde wet- en regelgeving. Omdat juist die wet- en regelgeving ons professionals een prachtig en uniform afwegingskader biedt. Zij bevat krachtige en prachtige bepalingen die een andere – minder angstige – manier van kijken mogelijk maken. Met als uitgangspunt: het doel van ons handelen is leidend! Zo ook bevestigde mij deze week Jolanda van Boven weer. Zij hield een schitterend betoog voor welzijns- en zorgprofessionals in de gemeente Wijchen. Zij reikte hen in haar presentatie een paar simpele zorgvuldigheidskleppen aan:

  1. Met welk doel deel ik gegevens?
  2. Welke noodzaak is er?
  3. Communicatie met betrokkenen over het voornemen om informatie te delen. En als daartegen bezwaar is het wegen van argumenten om informatie te delen met de bezwaren van leerlingen of ouders.

Let op: communicatie over het voornemen om informatie mag en moet niet verward worden met het vragen om toestemming! Het toestemmingsvereiste is – zoals Jolanda dat noemde –  “een ‘vluchtstrook’ voor de professional, die daarmee wegloopt voor de eigen professionele verantwoordelijkheid.” Zo ook maakte zij korte metten met het niet durven doen terwijl het wel nodig is. “Ook niet handelen is een verantwoordelijkheid. Natuurlijk is het beroepsgeheim belangrijk, maar dat betekent niet dat je niks kan doen. Het Europese Hof leert ons dat het recht op menselijke waardigheid belangrijker is dan het recht op zelfbeschikking.” 

In de wetgeving wordt toestemming van de betrokkene als belangrijke pijler genoemd, maar niet als dé pijler. Bij het delen van gegevens moet het ‘transparantiebeginsel’ worden gehanteerd: iemand heeft het recht te weten wat er waar vastligt en wat wordt uitgewisseld tussen wie. Dit betekent dat wij als professional aan betrokkenen moeten vertellen wat wij van plan zijn te gaan doen. Wanneer betrokkenen met tegenargumenten komen, kunt wij de voor- en tegenargumenten tegen elkaar afwegen.

De eerste vraag is dus niet of wij informatie mogen delen, maar wat ons doel is als wij informatie willen delen. Bij die afweging kunnen wij putten uit twee bronnen: 1. Ons eigen vakgebied en 2. de wetgeving. Bij onze weging zijn vervolgens drie principes relevant: kiezen voor de minst ingrijpende maatregel (subsidiariteit), kijken naar de verhouding tussen maatregel en doel (proportionaliteit) en antwoord vinden op de vraag of de meest geschikte maatregel is getroffen (doelmatigheid). Belangrijk daarbij is dat wij onze motivering documenteren.  En dus zorgdragen voor een goede dossieropbouw. Dat bevordert de transparantie.

Als wij willen komen tot één plan en één regisseur, dan kan dat dus. Maar wel binnen kaders van zorgvuldigheid, argumentatie en documentatie. Zo omgaan met privacy maakt dat zijn in plaats van struikelsteen een vliegwiel voor de transformatie binnen het sociaal domein kan zijn. Dat vraagt van ons om cultuurverandering en zorgvuldige en bewuste sturing, gebaseerd op een wijziging van onze paradigma.

Wanneer wij integraal willen werken, zullen wij breder moeten willen en durven kijken dan de eigen discipline. Als wij meer aandacht  willen hebben voor en geven aan preventie, moeten wij al gegevens willen delen in het stadium ‘waar we ons zorgen maken’. En als wij proactief willen handelen, zijn wij verplicht iets met onze kennis te doen als wij ons zorgen maken om mensen met en voor wie wij werken. Niets doen is ook een keuze waar wij net zo verantwoordelijk voor zijn.

De conclusie? Privacy waarborgen is geen belemmering, maar een hulpmiddel voor betere, transparante en gelijkwaardigere dienstverlening. Privacy, zo blijkt, is niet statisch of juridisch maar heeft een duidelijke ethische component. Die gaat over het antwoord op de vraag  wie wij als dienstverlener willen zijn en hoe wij onze werkprocessen daarop inrichten. Wij kunnen doen wat écht nodig is door aansluiting te vinden bij de persoon om wie het gaat. Niet door het voor hem of haar te bepalen, maar door samen te werken op basis van open en gelijkwaardige communicatie vanuit doel en noodzaak. Met inzet en verantwoordelijkheid van onze eigen professionaliteit, gebed in een gezamenlijk afwegingskader met eenduidige afspraken over privacy. Privacy is dus niet de boeman waarvoor wij haar graag houden. Zij is een vriend van alles en iedereen die zorgvuldige zorg vraagt, krijgt en geeft.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Een nukkige, kettingrokende atheïst

Lucky.png

  • Lucky

Iedereen kent Lucky, hij heeft als oorlogsveteraan ondertussen al zijn leeftijdsgenoten overleefd en is erg gesteld op zijn onafhankelijkheid. In het zonovergoten afgelegen stadje in Arizona gebeurt er vandaag niet veel, en morgen waarschijnlijk ook niet. Lucky keuvelt en kibbelt met een excentrieke groep dorpsgenoten en toevallige passanten, onder wie David Lynch, die zijn schildpad is verloren. Ondertussen moet hij vrede maken met het idee dat het leven eindig is. Lucky is een film over de dood, angst voor de dood, gezondheid en eenzaamheid. Een verhaal over de keuzes die niet gemaakt zijn en de wegen die nooit zijn bewandeld.

Over de brug komen

over de brug

  • Als ‘zien, horen en zwijgen’ ‘zien, horen en spreken’ wordt

De Nederlandse zorgsector kampt over een aantal jaar met een personeelstekort van 100.000 tot 125.000 medewerkers als zorginstellingen geen extra maatregelen nemen. Dat tekort komt bovenop de duizenden vacatures die nu al openstaan. De zorg in ons land komt in gevaar als wij de knelpunten niet aanpakken.

Een belangrijk knelpunt in de zorg zijn de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden. Die moeten verbeteren en beter aansluiten op de wensen van medewerkers. Maar ook de inspraak van medewerkers moet beter. Zij moeten meer invloed hebben op het beleid van de organisatie waarvoor zij werken.

In de afgelopen maanden is wel duidelijk geworden dat de knelpunten in de zorg niet wezenlijk verschillen van knelpunten in andere sectoren. Vanuit de politie en het gevangeniswezen komen dezelfde signalen. Zoals ook het onderwijs hierover al een tijdje stevig aan de deur rammelt. Uit eigen waarneming herken en ken ik deze problemen overigens ook binnen de commerciële dienstverlening en het bedrijfsleven in meer algemene zin. Slechts 12% van de werknemers in de Benelux ervaart een match tussen het imago van de werkgever en de eigen ervaring op de werkvloer (The Employer Brand Credibility Gap: Bridging the Divide, november 2017, Weber Shandwick).

De kloof tussen het werkgeversimago en de perceptie van de werknemers kan niet leiden tot serieuze reputatieschade. Het is ook ondermijnend voor het commitment van mensen. Aan de eigen organisatie, en in breder perspectief: de maatschappij als sociaal verband. Ik meen dan ook dat er niet kennelijk een probleem is; er ís een probleem.

Net als bij werkgevers draait het imago van onze zorgzame samenleving om een overtuigend, authentiek en herkenbaar verhaal. Ook moet het de werkelijke ervaring die de inwoners hebben, reflecteren. Of het nu gaat om cultuur, leiderschap, persoonlijke ontwikkeling, mogelijkheden of communicatie.

Binnen mijn eigen expertisegebied, het ‘gewone leven van mensen – ook wel het sociaal domein genoemd – gaat dat verhaal over kansen en mogelijkheden zowel als de knelpunten en bedreigingen die daarbij aan de orde zijn.  Tegen de achtergrond van het buiten de muren van instellingen zorg willen bieden (extramuralisering) en vermaatschappelijking is een zorgzame samenleving onontbeerlijk. Steeds meer ouderen, gehandicapten en psychiatrische patiënten wonen in de wijk in plaats van in instellingen. Maar welke kansen zijn er voor een civil society? En wat zijn de voorwaarden waaronder deze floreert?

De belangrijkste voorwaarde voor een civil society is voldoende draagvlak in de samenleving. Zijn mensen bereid de handen uit de mouwen te steken. Niet alleen voor zichzelf, maar ook voor anderen? Is er voldoende trekkracht vanuit de samenleving? Of overvragen overheden en instellingen?

Er liggen wat mij betreft goede kansen voor een civil society. De voorwaarden daarvoor moeten goed in het zicht blijven. En weet u, die voorwaarden gaan in essentie over precies als dat wat speelt in de relatie tussen werkgevers en werknemers. Het gaat over voorwaarden en omstandigheden, over waardering en erkenning, over inspraak en betrokkenheid. Juist daarin is er nog heel wat stimulans en ondersteuning nodig om het overal realiteit te laten worden en vervolgens zo te houden.

Het zo creëren van een sterke reputatie is voor overheden in het algemeen en lokale overheden in het bijzonder een stevige uitdaging. Zo een reputatie is goud waard, maar alleen als het een authentieke weergave is van de realiteit. In deze tijd van mega-transparantie en instant online beoordelingen moeten gemeenten – net zo goed als de organisaties die daaraan uitvoering geven – kunnen verantwoorden wie ze zeggen te zijn, hoe ze mensen behandelen en hoe ze zelf het verschil maken. Waarbij het besef aanwezig moet zijn dat de inwoners, samen met de professionals op de werkvloer, meer zijn dan toeschouwers als het aankomt op reputatie; zij vormen, maken en breken, iedere dag opnieuw, het werkelijke kapitaal van de samenleving.

De geloofwaardigheid van de zorgzame samenleving staat dus onder druk. Tegelijkertijd zijn er voldoende kansen voor verbetering. Althans, als er de bereidheid is om over de brug te komen.

Waar ik dan aan denk? Eigenlijk zijn het dezelfde zaken als die ik van bijvoorbeeld mijn werkgever vraag. Openheid en inzichtelijkheid over de financiële huishouding. Budgetmonitoring is een instrument waarmee inwoners daadwerkelijk inhoud en vorm kunnen geven aan zelfbeschikking, eigen kracht en verantwoordelijkheid. En mee-spraak. Als wij betrokkenheid willen van mensen, moeten zij ook kunnen meepraten over het beleid en de organisaties die dat beleid uitvoeren.

Inwoners en professionals: het zijn altijd mensen. Mensen die gezien en gehoord willen worden. Die daardoor weten en ervaren dat zij meetellen en meedoen. Dat vraagt om en begint met een gedragsverandering. Eerst en vooral bij de leiders.  Zij moeten durven los te laten. Ze moeten niet alles zelf, maar samen – met de inwoners en de mensen die hen ondersteunen – aanpakken. En ja, dat vraagt transparantie. Anders weten de mensen die het uiteindelijk moeten doen niet, waarom en wat zij (kunnen) doen.

Een overheid die haar inwoners zo weet te binden en te boeien, zal in de eerste plaats merken dat er minder ‘afhakers’ zijn. Het versterken (empoweren) van inwoners, gebaseerd op erkenning en open communicatie is een belangrijke schakel naar verbondenheid. Ieder mens wil kunnen bijdragen aan het succes van de samenleving door het inzetten van hun talenten en competenties. Door dat te erkennen en ernaar te handelen organiseer je engagement en betrokkenheid.

Hoe jij en ik dat kunnen of moeten doen? Er bestaat niet één eenvoudige oplossing die als toverknop voor iedereen werkt. Betrokkenheid is geen systeem. Het is een houding. Juist hierdoor is en blijft het boeien en binden of het binden en boeien mensenwerk. Toch zijn er wel een aantal concepten of typische zaken waarmee wij rekening kunnen houden. Dat begint met het ‘zien’ en ‘horen’ van de mensen om wie het gaat. De uitdaging ligt in het doorbreken van het ‘zwijgen’. Door met elkaar te ‘spreken’ leer je elkaars drijfveren en energiebronnen te ontdekken. Dat zijn de zaken die wij nodig hebben om de uitdagingen en kansen die er zijn op te pakken.

Feitelijk, zo valt vast te stellen, gaat het om beleid en houding welke gericht zijn op het behouden van inwoners voor de samenleving. Over hoe wij de relatie met de inwoners zo vorm geven en uitbouwen dat zij zich verbonden weten en voelen met samenleving en daardoor minder geneigd zijn om zich ervan af te zonderen. Het gaat daarbij dus, zoals eerder opgeschreven, over voorwaarden en omstandigheden, over waardering en erkenning, over inspraak en betrokkenheid. Juist daarin is er nog heel wat stimulans en ondersteuning nodig om het overal realiteit te laten worden en vervolgens zo te houden.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.