Paal en perk stellen

knuppel

  • Als knuppel of zakdoek vrij spel hebben

Hoewel de media  nog wel eens anders willen suggereren, zijn gemeenten tevreden over hun sociale (wijk)teams. Zo blijkt uit een landelijke peiling onder Nederlandse gemeenten naar de stand van zaken rond de sociale (wijk)teams. Het merendeel van de gemeenten, 83 procent, beschikt over een of meer (wijk)teams. 78 procent daarvan is tevreden over de bijdrage van deze teams aan het realiseren van de doelen van de transitie. Tegelijkertijd gaan deze teams gebukt onder een hoge werkdruk en een toenemend aantal hulpvragers met complexe problemen. Gemeenten maken zich hier zorgen over.

De toegenomen werkdruk kent meerdere oorzaken. Zo is er minder tijd voor het werken aan preventie en zijn er langere wachtlijsten omdat de inzet op zwaardere casussen meer tijd vraagt. Maar de hogere werkdruk wordt ook veroorzaakt door – als gevolg van bezuinigingen – vermindering van het aanbod in de tweede lijn, waardoor de doorstroming stagneert. Belangrijker echter vind ik de vraag of en hoe de sociale (wijk)teams de juiste ervaren en gekwalificeerde mensen vinden. Het beschikken over de juiste kennis en vaardigheden heeft, zo leert mijn adviespraktijk, ook veel invloed op de ervaren werkdruk.

Jeugdprofessionals dienen namelijk over een aantal cruciale vaardigheden te beschikken. Naast analytische en schrijfvaardigheden is gespreksvaardigheid daarbij een van de meest wezenlijke. En aan gespreksvaardigheid lijkt het niet zelden te schorten. Met name, doordat professionals vaak heel goed kunnen engageren, maar het lastig vinden om te positioneren.

Engageren is de vaardigheid om jeugdige, ouders en andere betrokkenen te motiveren tot actieve medewerking. Positioneren is de vaardigheid om duidelijke grenzen te stellen aan de cliënt of het systeem waarvan de cliënt deel uitmaakt. Schakelen tussen deze twee vaardigheden blijkt voor menig professional een opgave.

Het eenzijdig benadrukken van een van beide aspecten leidt als snel tot problemen in de communicatie. Wanneer een professional zonder zich te positioneren te veel invoegt en aansluit op de cliënt en zijn/haar systeem, brengt dat het gevaar met zich dat de professional ‘ingezogen raakt’ en het zicht op het noodzakelijke positioneren verliest. Anderzijds kan er sprake zijn van een te sterk positionering, met het verlies van vertrouwen als gevolg.  Juist daarom ook moet de professional binnen het sociaal domein in staat zijn om voortdurend tussen deze twee vaardigheden te schakelen. Als knuppel of zakdoek vrij spel hebben, zijn verwarring en chaos troef. Met (ervaren) werkdruk als gevolg.

Voor veel professionals blijkt juist het stellen van grenzen een dingetje. Zeker binnen het sociaal domein is te zien dat mensen, vanuit goede bedoelingen, zo voortdurend hun grenzen verleggen en uiteindelijk over hun grenzen heen gaan. Dit kan tal van redenen hebben, maar de gevolgen van geen grenzen stellen zijn onmiskenbaar. Mensen staan minder stevig in hun schoenen en de kwaliteit van het werk wordt minder. Mensen zijn minder in staat om prioriteiten te stellen en raken soms het overzicht kwijt. En juist dat zijn werkdruk verhogende aspecten.

Juist hiermee zie ik in de praktijk van alledag professionals binnen sociale (wijk-)teams struggelen. Positioneren (lees: eisen stellen) beschouwen zij als iets voor daarvoor in het leven geroepen instituties: politie, jeugdbescherming, etc.  Gek eigenlijk, omdat dit vraagstuk ook doet denken aan een proces dat elke professionals kent en heeft doorgemaakt: Opvoeden. Ouders zijn, net als professionals, altijd op zoek naar de juiste balans tussen een aantal uitersten:

  • Controleren versus vrijlaten
  • Gericht op jezelf (als opvoeder) versus gericht op je cliënt
  • Streng versus toegeeflijk
  • Beschermen versus zelf laten ervaren
  • Star versus flexibel zijn
  • Consequent versus inconsequent zijn.

Feitelijk gaat het steeds over grenzen (durven) stellen. En dat betekent regels afspreken. Dit heeft niets te maken met onvriendelijkheid, maar alles met het geven van duidelijkheid. En daar is iedereen bij gebaat. Mag je dan als professional helemaal niet engageren? Natuurlijk wel. Maar je moeten er niet in doorschieten. Net zo goed als dat je niet moet doorschieten in het grenzen stellen.

Het is zorgelijk als kennelijk juist deze basale opvoedkundige vaardigheid ontbreekt bij professionele hulpverleners. Velen van hen zijn immers zelf ook vader of moeder! En, als het thuis wel lukt om de balans tussen liefde, geduld en wijsheid te praktiseren, waarom lukt dat dan niet bij het professioneel handelen? Of, moeten wij vrezen dat dit ook thuis steeds minder goed lukt?

Dit alles doet mij denken aan het boek ”De grenzeloze generatie” (Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2009; ISBN 978 90 468 0674 6; 285 blz.;) Een belangrijke conclusie van de schrijvers daarvan is, dat veel opvoeders de jeugdcultuur als vertrekpunt nemen. Die opvoeders hebben een soort dwangmatige behoefte om ”forever young” (altijd jong) te zijn. Als diezelfde opvoeders professionele hulpverleners worden of zijn, dan zal het nog verdraaid lastig worden om de werkdruk van professionals naar een verantwoord niveau terug te brengen. Professionals die alleen maar tof willen zijn en hun cliënten niet tot de orde durven roepen organiseren daarmee immers hun eigen tegenstand en oplopende werkdruk.

Het idee dat grenzen binnen de hulpverlening overbodig zijn, is een narcistische misvatting. Die grenzeloosheid moet ingeperkt worden en vraagt om (professionele) positionering. Mensen in nood hebben behoefte aan structuur en duidelijkheid. Daarom moeten professionals verantwoordelijk willen zijn voor zowel het engagement als de positionering. En, als dat nodig is, daarin de regie (durven) nemen. Dat zijn geen vrijblijvende zaken, maar zaken van wezenlijk belang. Ook voor de door professionals (ervaren) werkdruk.

Regels

  • zijn niet bélastend, maar ontlastend
  • voorkomen steeds dezelfde discussie
  • het scheelt daardoor veel tijd
  • bevorderen de sfeer
  • bieden veiligheid
  • geven houvast
  • stimuleren het zelfvertrouwen
  • brengen respect bij
  • leren rekening te houden met anderen
  • afwijken wordt ervaren als een beloning
  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Advertenties

Winnen kun je alleen, als anderen meedoen!

huldigen

  • Waarom huldigen wij alleen de winnaars

De Olympische Winterspelen 2018 zijn begonnen. Het zal niemand ontgaan zijn En, omdat er maar een de beste kan zijn, hebben wij voor al die anderen de troostspreuk al klaar: “Meedoen is belangrijker dan winnen.” Een obligate opmerking, waarmee wij hen eigenlijk aan de schandpaal nagelen. Want alleen de winnaars huldigen wij vervolgens!

“Meedoen is belangrijker dan winnen!” Het wordt zo vaak  herhaald dat niemand zich meer afvraagt of de stelling nog wel klopt. En als hij klopt, is ons doen en laten er dan ook naar? Of papegaaien wij er maar wat op los. Omdat het lekker bekt; lekker ‘sociaal’ staat?

“Meedoen is belangrijker dan winnen’. Helaas is het een cliché dat meedoen belangrijker is dan winnen. En nog gelogen ook, want uiteindelijk wil iedereen het liefste op de hoogste trede janken bij zijn eigen volkslied.

“Meedoen is belangrijker dan winnen’. Ik blij het desondanks toch zeggen. Omdat ik dat echt van mening ben. Ook, al zie ik dat ons doen en laten vaak iets heel anders zegt. De winnaars ja, die huldigen wij. Liefst met een praaltocht op de platte wagen of een ridderorde. De verliezers mogen daarbij langs de kant staan. Hun aandacht bestaat uit eindeloze praat- en analyseprogramma’s waarin anderen hen de oorzaak van hun falen graag en langdurig inwrijven. Waarbij de beste stuurlui natuurlijk op de spreekwoordelijke wal staan.

Ons sportklimaat is overigens een prima afspiegeling van onze maatschappij. Dagelijks boeren politici, bestuurders en bazen het in elke microfoon die hen onder de neus geduwd wordt. Of schreeuwen zij het – bij gebrek aan een microfoon – van de daken: “In onze participatiemaatschappij telt en doet iedereen mee. Het gaat niet om de knikkers, het gaat om het spel!”

Waarom dan, zo vraag ik mij af, zitten er nog elke dag opnieuw duizenden mensen thuis op de bank? Mensen die niet mogen of kunnen meespelen, omdat wij – in de jacht op de knikkers – in het spel hen voorbij kijken. Onze  prestatiemaatschappij nodigt zo niet bepaald uit tot meedoen.

Meedoen bestaat uit tweerichtingsverkeer en gedijt bij échte belangstelling voor elkaar.  Als de ander na een snel ‘Hoe gaat het?’ doorloopt en geen oog voor je heeft als het wat minder gaat – of daar oeverloos over blijft dooremmeren – is dat weinig inspirerend en motiverend om je deel te voelen van de samenleving. Of, in sporttermen, om je deel te voelen van de prestatie.

Als Sven Kramer (terecht) gehuldigd en gevierd wordt omdat hij voor de derde keer op rij goud wint op 5 kilometer hard schaatsen, dan dankt hij dat succes net zo goed aan de schitterende prestaties van anderen. Het is immers geen kunst te winnen, als de rest er met de pet naar gooit!

Meedoen is meetellen. Het leidt tot een gevoel van trots, als je jouw eigen talenten kunt inzetten om nieuwe talenten te ontplooien. Juist het gevoel ertoe te doen, iets te kunnen betekenen voor een ander, maakt ons actief.

In een echte participatiemaatschappij is “Meedoen is belangrijker dan winnen” meer dan een cliché. Een echte participatiemaatschappij laat iedereen meedoen. Gewoon, omdat ‘iedereen telt en doet mee’ gebaseerd is op inclusief denken en doen, respect en ruimte voor diversiteit; ook bij en in prestaties.

Noem mij een zuurpruim of een idealist. Het zij zo, maar ik geloof dat écht! In een echte participatiemaatschappij doet iedereen mee. Iedereen, dat wil zeggen ook de mensen die dak- of thuisloos zijn. Ook de morbide verzamelaar van grafzerken of doppen van bierflesjes. Net zo goed als de mensen die niet zo hard  – of helemaal niet – kunnen schaatsen. Maar misschien juist weer heel goed zijn voor hun buurtjes. In een echte participatie maatschappij telt elke prestatie.

Het is de kunst om juist ook die prestaties te willen zien. Niet, om afbreuk te doen aan de schitterde prestaties van de (op een moment) allerbesten. Integendeel. Het is juist het presteren van al die anderen die glans en schittering geven aan de prestaties van de allerbesten. Juist daarom moeten wij goed blijven kijken en luisteren naar de prestaties van alle mensen en (ook) hun behoeftes serieus nemen. Want winnen kun je alleen, als anderen meetellen en meedoen!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Een man mag niet huilen

  • Verlegen zijn met jezelf

Macho: ‘Grote Jongens Huilen Niet’ is een korte film die gaat over een kwetsbare jongen die op vroege leeftijd heeft geleerd dat het slecht is om je emoties te uiten. Zo groeit het hoofdpersonage op in een macho.

Dit is de eerste van een reeks films met verschillende artiesten en acteurs. Het doel is uiteindelijk om door middel van films, verhalen te vertellen waarin jongeren zichzelf kunnen herkennen.

Wijkzuster Duracell

  • robotpoes.png
  • Twijfel is de waakhond van het inzicht

Doortje heet ze. Ze wordt binnenkort 75 en is alleen. Sporadisch zie ik haar op straat. En af en toe zie ik dat zij bezoek heeft. Ik ken haar oppervlakkig. Gewoon, een ‘hallo’ of ‘dag’ in het voorbijgaan. Deze week echter kwam het – even maar – tot een gesprek. Ze vertelde mij dat ze binnenkort jarig was. Ze vroeg ook of ik dan niet een kopje koffie wilde komen drinken. “Anders komt er niemand”, voegde ze er nog aan toe. Ik heb het beloofd en worstel nu met de vraag wat ik voor haar jaardag meenemen zal.

Zoekend naar een passend presentje stuitte ik op de robotpoes. Deze robotpoes snort, miauwt en gaat af en toe met haar pootje omhoog. Zijn functie? Eenzaamheid bestrijden. De robotpoes 2.0 kan niet alleen gezelschap houden, zo werd mij duidelijk, maar kan ouderen ook herinneren aan afspraken of helpen bij het terugvinden van verloren spullen. Ik vond het wel wat en bestelde er een. Sedertdien knaagt het in mijn hoofd.

Robots in de ouderenzorg worden steeds normaler. Ze worden niet alleen ingezet als praktische hulp. Naast hulprobots – van de hairwashrobot tot My spoon (eethulp) – zijn er ook de zogeheten knuffelrobots. Zij kunnen helpen bij kinderen met aandoening, demente bejaarden of als gezelschapsrobot. Het summum is misschien wel Zora; een mannetje van kunststof dat kan communiceren, dansen, spelletjes spelen, voorlezen en bewegingsoefeningen voordoen.

Sociale robots zijn sterk in opkomst. Zeker ook omdat er te weinig handjes voor sociale interactie zijn. Ze kunnen zorgen voor voorspelbare reacties en aanwezigheid zonder onderhoud, zoals bij een huisdier. En juist daarom kwelt mij de gedachte.

Ik vind die robothulpjes en robotspeeltjes enerzijds handig en aandoenlijk. Ik zie ook dat zij toegevoegde waarde kunnen hebben. Zo vertelde mij ook de verzorgster van een dame met dementie. Voor deze dame is de robotpoes een uitkomst: ze praat de hele dag door met de poes en krijgt gemiauw terug. Volgens de verzorgster was ze voorheen vaak onrustig en wilde ze hele dag naar de wc. Sinds de komst van de witte kat is ze rustiger geworden. Ze neemt de kat inmiddels overal mee naar toe, zoals naar de eetzaal, waar ze ook leuke reacties ontvangt van haar medebewoners.

Toch ervaar ik een toenemende aarzeling. Want hoe lang zal het duren voor dit soort hulpjes voor ons niet een, maar hét antwoord zijn op – in dit geval – eenzaamheid. Wanneer zullen de rekenmeesters in onze zorgzame samenleving vaststellen dat het doneren van een robotpoes vele malen goedkoper en efficiënter is dan het voorzien in menselijk contact?

Als er naast de robotpoes ook een robothond is, zullen gemeenten dan hun hondenbelasting fors gaan verhogen? Opdat mensen in plaats van een echte hond ook een robothond kunnen kopen? Die niet hun/onze straten vervuilt en dus een finaal einde kan maken aan die vermaledijde poep op de stoep? Nu nog staat ons land op zijn kop als er (gelukkig?) weer een wolf in onze bossen gesignaleerd wordt. Maar hoe lang nog zal het duren, voor datzelfde land in rep en roer is omdat er altijd nog levende katten en honden zijn?

Technologische ontwikkelingen gaan het dagelijks leven en daarmee ook de (onze) zorg volledig transformeren. Daarbij zullen robots niet meer weg te denken zijn. De vraag is hoe ver wij dat willen en kunnen laten komen. Tot waar wij de regie behouden of verliezen.

De technologische ontwikkelingen gaan razendsnel. Maar wat betekenen ze voor ons zorgstelsel en hoe beïnvloeden ze ons denken over en doen aan gezondheid? Waar ligt de grens tussen mens en machine? Hebben wij straks het script in handen of komt dat in handen van de robots? Wie stuurt wie? Een robot is meer en meer een machine die kan waarnemen, denken en handelen.

Zie daar ook het en mijn dilemma. Want naast alle gemak en plezier die deze robotisering in ons leven met zich kan brengen, brengt zij ook het gevaar van ontmenselijking met zich mee. Nog kunnen wij genieten van het beeld van de wijkzuster die – op de fiets, met de scooter of in de auto – haar ronde door de wijk doet. Maar hoe lang nog zal het duren voordat zij vervangen wordt door een mannetje van Duracell. Een mannetje dat die niet de mensen, maar de robots verzorgt, opdat zij blijven werken?

En wat betreft die robotpoes voor Doortje? Ik heb de bestelling geannuleerd. Ik heb besloten voor haar verjaardag niks meer of minder mee te nemen dan mijzelf. In de hoop op een betekenisvol contact. Over en weer. Met de nadrukkelijke bedoeling ook, om het niet bij deze ene keer te laten. En dat besluit, dat voelt heerlijk!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Leven in versnelling

jolene.png

  • Jolene

Een intiem portret over het turbulente leven van de jonge moeder, stripclub-barvrouw, hardcore Ajacied en afgestudeerd psychologiestudent Jolene.

Jolene staat altijd op versnelling honderd. Een leven gedreven door chaos en adrenaline. Jolene wordt geboren met een net afgekickte moeder en een verslaafde vader die ze nooit heeft gekend. De voormalig hulpverlener en later veroordeelde Keith Bakker is jarenlang haar stiefvader – en de man die ze, nu nog, papa noemt – maar ook hij vertrekt plots uit haar leven. De F-side van Ajax rekent ze tot haar familie. ‘s Nachts werkt Jolene achter de bar in een stripclub, overdag studeert ze psychologie en zorgt ze voor haar twee dochters die ze op haar zestiende en twintigste kreeg.

Fotograaf Elza Jo ontmoet Jolene vijftien jaar geleden, tijdens een shoot voor de (“heel lelijke”) flyers die Elza Jo maakte voor het ‘urban porno’-feest ‘911 ’ in Zaandam. Een feestje dat in Amsterdam geen vergunning kreeg wegens de seks op het podium, en waar Elza Jo van de organisatoren zelf niet heen mocht omdat het “te ranzig” zou zijn. Voor de flyer had ze een dure auto nodig en een aantal strippers. Jolene, die in de 911-organisatie zat, regelde het laatste. Ze was de onverschrokken aanvoerder van de groep. In dezelfde periode kreeg Elza Jo verkering met Freddy – Vieze Fur – van De Jeugd van Tegenwoordig, die in 2008 op zoek waren naar strippers voor hun eerste albumcover Parels voor de Zwijnen. Elza Jo gaf Jolene’s nummer, die even later op de albumcover stond.

Ze zagen elkaar daarna niet meer, tot Elza Jo dertien jaar later via een vriendin – wiens vader manager was bij stripclub La Vie en Proost – na het uitgaan in de bar op de Wallen belandde. Daar stond Jolene, inmiddels barvrouw, “met van die adelaarsogen” en een lijf onder de Ajax-tattoeages achter de tap. Elza Jo ontdekte dat Jolene psychologie studeerde. Ze is meteen weer geïntrigeerd door Jolene’s verschijning en de twee spreken af om thee te gaan drinken. Het was het begin van een drie jaar durend avontuur dat resulteerde in de documentaire Jolene, geproduceerd door HALAL docs.

 

De valse oplossing is het echte probleem

probleem oplossing.png

  • We dromen van nieuwe, maar ontwaken op oude wegen

Steeds vaker realiseer ik mij, dat ik met goedbedoelde overwegingen meewerk aan het in stand houden van problemen. Door de verkeerde oplossing voor het goede probleem niet alleen mogelijk te maken, maar zelfs te omarmen. Elke keer als ik dat weer ontdek, troost ik mij Ik aan de worden van wijlen Johan Cruijff: “Je gaat het pas zien, als je het doorhebt.”

Soms hebben wij een wake-up call nodig om ons te realiseren dat wij veel werk maken van een oplossing voor een probleem, terwijl wij juist met die oplossing datzelfde probleem in stand houden dan wel mogelijk maken. De afgelopen week kreeg ik meerdere keren zo’n wake-up call.

Het begon in het weekeinde. Peter Dijkshoorn, kinder- en jeugdpsychiater en bestuurder van Accare (jeugd-GGz) reageerde op deze oproep: “Meer dan drieduizend gezinshuizen gezocht voor 10.000 kinderen”.

In de jeugdwet uit 2015 staat dat kinderen die niet meer thuis kunnen wonen bij voorkeur in een pleeggezin of in een gezinshuis moeten worden geplaatst. Nederland telt momenteel zo’n 750 gezinshuizen waarin bijna 2600 kinderen wonen. Daarnaast wonen er zo’n tienduizend kinderen in residentiële instellingen en 1700 in de gesloten jeugdzorg. Kunnen die allemaal naar pleeggezinnen en gezinshuizen zoals de wet voorstaat? “We kunnen het proberen, met geld van VWS en de VNG,” zo meldt het artikel. “Het is een illusie te denken dat we dit snel voor elkaar krijgen, maar we kunnen het wel proberen. Daarvoor is geld nodig om samen met de zorginstellingen de transitie van residentiële instellingen naar gezinsgerichte vormen van begeleiding mogelijk te maken, waaronder bijvoorbeeld ook kleinschalige voorzieningen zoals Spirit, Jeugdformaat en Fier die bijvoorbeeld hebben.”

Peter’s reactie was ontnuchterend: “Mooi, gezinshuizen, maar waarom niet fors investeren in onderzoek om het aantal uithuisplaatsingen minstens te halveren? Dat is haalbaar, beter voor kinderen en ook weer voor hún kinderen.”

Aan het einde van de week had ik een gesprek met een bestuurder van een organisatie voor de opvang van daders en slachtoffers van huiselijk geweld. Ook in dat gesprek kwam zo’n verwondering naar voren. “Waarom,” zo vroeg mijn gesprekspartner zich af, “realiseren wij voor dak- en thuislozen wel de eerste en tijdelijke opvang, maar niet de structurele huisvesting en participatie die wij beogen? Waarom richten wij – als vangnet – wel het bijstandsloket in, maar verzuimen wij ieder mens de kans te geven daadwerkelijk te participeren. Terwijl wij dat wel prediken!”

Natuurlijk, de verkeerde oplossing voor het goede probleem is te preferen boven een goede oplossing voor het verkeerde probleem. Maar tegelijkertijd moeten wij ons wellicht vaker realiseren dat veel van onze doen en laten eerder een maatregel ter beheersing dan een oplossing van het probleem is. Daarmee reduceren wij wellicht de impact van een probleem op ons leven of de samenleving, maar wij nemen niet de oorzaak ervan weg. En zo dijen de kosten tot levensbedreigende obesitas voor ons stelsel.

Veel organisaties binnen welzijn en zorg hebben in hun doelstelling staan dat – in finale zin – hun inspanningen er op gericht zijn zich overbodig te maken. Het zijn niet zelden ronkende teksten, die verschrikkelijk mooi klinken. De harde werkelijkheid is dat diezelfde organisaties hun bijdrage meestal vertalen of vertaald hebben naar een businessmodel dat vervolgens in stand gehouden moet worden. Omdat juist dat probleem – in combinatie met die oplossing – ons bestaansrecht en betekenis geeft.

Ons zorgsysteem is te duur, te log en te star. Het staat op het punt te imploderen. Daarom dromen wij van nieuwe wegen. Maar wij blijven wakker worden op de oude weg.

Als wij onze zorg voor elkaar en de samenleving daadwerkelijk anders willen regelen en inrichten, dan zullen wij moeten stoppen met het symptoom bestrijden. Dan zullen wij, zoals Peter en mijn gesprekspartner deze week, de bereidheid moeten hebben fundamentele vragen te stellen bij ons doen en laten. Dan moeten wij werk durven maken van het wegnemen van de oorzaken van een probleem. Ook, als dat uiteindelijke onze business om zeep helpt.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Thuis is waaruit je begint

daklozen.png

  • Wij zijn als rozenkwekers die zich meer met de bladluis bezig houden dan met de rozen zelf.

Het aantal dak- en thuislozen in Nederland stijgt fors. Sinds twee jaar is het totaal aantal dak- en thuislozen gestegen tot 31.000, terwijl er ook er weer duizenden daklozen in de steden buiten slapen. Meer dan de helft daarvan vindt plaats in de grote steden. En dat, ondanks de vele en forse investeringen in maatschappelijke opvang. De oorzaak van dat alles? Wij bestrijden de symptomen, maar nemen de oorzaken niet weg!

Dak- en thuisloosheid is een proces van ontankeren. Van verlies of afwezigheid van sociale netwerken. Dit ontankeren situeert zich zowel op het macroniveau (de samenleving met haar structuren, sociale bescherming, waarden, normen), het mesoniveau (met allerhande instituties, informele en formele sociale netwerken) en het microniveau (de individuele problematiek en/of de relationele problematiek met naasten).

Dak- en thuisloosheid is dus niet de oorzaak van een probleem, maar – net als armoede – het gevolg van sociale uitsluiting op het macro niveau (de samenleving en haar structuren), het meso-niveau (instituties, formele en informele netwerken) en het micro-niveau (de individuele problematiek).

Wat wij doen – met de beste bedoelingen – is dak- en thuisloosheid als symptoom  bestrijden. Zo leert ook de ervaring: Na de actie ‘Niemand Op Straat’ (3013) waren er in Nederland vrijwel geen daklozen meer te vinden. Buiten!  Het probleem leek opgelost. Maar ondertussen zaten er wel 24.000 mensen bij opvanginstanties. En daar wringt de schoen! Wij  bleven en blijven steken in goedbedoelde symptoombestrijding. In reductie van overlast. De maatschappelijke opvang – van residentiële opvangcentra tot doorgangshuizen is door het beleid in hetzelfde bedje ziek.

Met de gangbare ‘technische’ benadering van dak- en thuisloosheid lossen wij het probleem niet structureel op. Sterker nog: de huidige werkwijze houdt het probleem in stand! Zij zorgt zeven dagen per week voor een bed, een douche, een boterham, soep en koffie aan ieder die zich er komt aanmelden. Zij biedt voor korte of langere – maar altijd beperkte – tijd opvang, waar ook nog meer of minder voorwaarden aan verbonden worden (zoals het volgen van  begeleiding of therapie, geen drugs, het niet overtreden van bepaalde reglementen…). Bovendien moet de dak- en thuisloze ook nog eens passen binnen de afgesproken definitie. Zo faciliteren wij het symptoom wat wij bestrijden willen.

In de loop der jaren werden daarbij al heel wat definities gehanteerd: hobo’s, landlopers, daklozen, thuislozen, zwervers, clochards. Deze definities komen niet zomaar uit de lucht vallen. Nee, ze passen in een bepaalde tijdsgeest. Ze verwijzen naar de wijze waarop de maatschappij naar de dak- en thuislozen kijkt. Bovendien impliceert de definitie ook welke categorieën wel of niet welke soort hulp mag verwachten. Voor de ene groep geldt een wettelijke verplichting tot het verlenen van onderdak; voor de andere groep geldt die verplichting niet. Zo onderscheiden wij sedert kort binnen de groep van dak- en thuislozen de groep van ‘pechmannen’. Pechmannen zijn de nieuwe daklozen. Ze zijn niet verslaafd of psychotisch, maar wonen wel op straat. Vaak gewoon door geldproblemen. Deze ‘nieuwe daklozen’ zouden zich eigenlijk best kunnen redden, als snel hulp wordt geboden. Maar juist door hun betrekkelijke zelfredzaamheid komen zij voor die hulp niet in aanmerking. Het moet eerst uit de hand lopen voor wij het op orde willen brengen.

Dit alles reduceert de professionele werkers tot uitvoerders van richtlijnen en kaders; zonder ruimte voor structureel perspectief. Voor professionals met een missie is dat –  meer dan frustrerend – ziekmakend.

Laten wij daarom kritisch blijven nadenken over de zin en onzin van dak- en thuislozenzorg en de functie van de maatschappelijke opvang hierin. Wij mogen ons doen en laten niet enkel verantwoorden door naar wettelijke kaders, richtlijnen en wat dies meer zij te verwijzen. Bij ons ingrijpen dienen wij af te wegen welke bijdrage dat levert aan het in staat stellen van individuen een menswaardig bestaan op te bouwen.

Een fatsoenlijke samenleving wil zich geen dak- en thuisloosheid permitteren. Daarom ook moesten en moeten zij van de straat af. Dus bieden wij opvang. Veel dak- en thuislozen circuleren zo en daardoor in het opvangcircuit; terwijl ze daar niet thuishoren. Want ieder mens heeft behoefte aan een veilige plek waar hij of zij zich thuis kan voelen. De meeste mensen vinden die plek in hun directe omgeving, bij hun partner, in het gezin of de familie, of binnen een ander sociaal netwerk. Maar er zijn – en helaas in toenemende mate – steeds nog mensen, zeker binnen de anonimiteit van de grote steden, die dit moeten ontberen. Mensen voor wie de samenleving te complex is. Die zonder een steuntje in de rug of ‘een gegeven kontje’ uitvallen en op straat of – in het gunstigste geval – de maatschappelijke opvang terecht komen.

Als de finaliteit van die opvang is, om mensen kortdurend op te vangen en de praktijk toont aan dat een grote groep langer dan drie jaar begeleiding nodig heeft, dan klopt er dus iets niet.

Dak- en thuislozen blijven kleven aan opvangvormen en stromen niet door als bijvoorbeeld de woonmarkt, participatie en armoedebestrijding onder de radar blijven. En dus moeten wij een fundamentele omslag maken. Moeten wij de verdoezelende cirkel van de maatschappelijke opvang doorbreken. Met  frisse kop en out-of-the-box zoeken naar beloftevolle alternatieven. Het mag immers niet stoppen bij dak- en thuislozen die geen overlast veroorzaken. Dat is ‘slechts’ het begin. De volgende stap is het fundamenteel aanpakken van en inhaken op de meest basale behoeften van elk mens: veiligheid, onderdak, relaties, waardering, zelfrespect en erkenning en zelfverwerkelijking. Ten onrechte blijven zij onderbelicht. En dat zet meteen ook een meer structurele en duurzame aanpak op losse schroeven.

De woonmarkt plooien naar de noden van kwetsbare mensen, is een specialisatie binnen de maatschappelijke opvang die binnen het huidige beleid nog teveel dode letter blijft. Ze stopt bij de discussie of die specialisatie de welzijns- dan wel de woonsector toebehoort.

“Niemand op straat’ vraagt om een nieuw model dat de afbouw van residentiële opvangvormen mogelijk maakt. Door te investeren in nieuwe woonvormen voor dak- en thuislozen. Eerst gewoon een huis dus; zo snel als mogelijk. Dat betekent dat zij toegang moeten krijgen tot reguliere en duurzame huisvesting. Een eigen plekje (huisvesting) is de eerste stap in de aanpak van thuis- en dakloosheid.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.