Waar het systeem wringt….

little men.png

  • Little men

Over de lenigheid, de kwetsbaarheid en de weerbarstigheid van kinderen. Daar draait het om in “Little Men” van Ira Sachs.

Als de grootvader van de 13-jarige Jake overlijdt, verhuist zijn gezin van Manhattan naar diens huis in Brooklyn. Daar leert de wat dromerige Jake, die een groot tekentalent heeft, Tony kennen. Tony is een streetwise joch met acteerambities. Tony’s alleenstaande moeder runt de winkel in hetzelfde pand. Het klikt onmiddellijk tussen beide jongens. Maar hun families komen in conflict over de huur van de winkel. De oorzaak daarvan heeft alles te maken met de onverbiddelijke wetten van ‘de markt’.

Sachs laat overtuigend zien hoe een amoreel systeem mensen, ook jonge mensen, kan mangelen en uit elkaar kan drijven, en hoe ze desondanks overeind blijven.

 

Het lijkt wel oorlog

oorlog3.png

  • Je kunt niet alleen maar onkruid wieden. Je moet soms ook een bloemetje planten.

Wanneer gaan we het sociaal team omdopen tot ‘de sociale militie’ die wel even korte metten zal maken met alle problemen en uitdagingen waarmee mensen worden geconfronteerd? Die vraag struint de laatste dagen door mijn hoofd. Als gevolg van de constatering dat het sociaal beleid steeds meer ‘oorlogstermen’ het vakjargon lijken te beheersen.

Het sociaal domein kent steeds meer termen die het beeld van een slagveld oproepen. Eerder dan van een samen-krachtige samenleving. Opschalen, frontlijnwerker, taskforce, aanvalsplan, doorbraakmethode, stadsmarinier, escalatieladder. Het zijn woorden waarmee wij graag duidelijk maken dat wij de problemen serieus nemen. En dat wij de slag daartegen willen en zullen winnen. Een te waarderen inzet; dat zeker. Tegelijkertijd roepen dit soort van termen ook verwachtingen op.

Neem bijvoorbeeld de armoede.  In een in 2015 verschenen beleidsdocument lees ik: “2015 is een cruciaal jaar in onze strijd tegen armoede en voor duurzame ontwikkeling. Er moet ambitie worden getoond indien wij erin willen slagen de belangrijke doelstellingen te verwezenlijken die we onszelf hebben opgelegd: extreme armoede uitbannen en alle mensen een duurzame toekomst bieden. We moeten mensen de kans geven om het heft in handen te nemen, ongelijkheid bestrijden en gedeelde welvaart tot stand brengen door inclusieve en duurzame groei. De aanpak van deze vraagstukken is een lastige opgave die alleen tot een goed einde kan worden gebracht indien wij verantwoordelijkheden opnemen die stroken met onze eigen doelstellingen en wij onze krachten bundelen in een sterk sociaal partnerschap.”

Anno 2017 moeten wij constateren dat de cruciale strijd waarover toen gesproken werd kennelijk verloren is. Volgens het CBS neemt de armoede in Nederland sinds de laatste jaren toe in plaats van af. Met een cumulatie van armoederisico’s, bijvoorbeeld gezondheidsproblemen en schuldenproblematiek, als gevolg.

Er is een ‘ongebreidelde bestrijdingsbegeerte’ ontstaan, mede door de bloeiende zorgindustrie, die leidt tot nóg meer zorg. In menig beleidsplan staat de term ‘aanpakken’. We pakken alles maar aan. De zware woorden die wij – met alle goede bedoelingen – daarbij gebruiken blijken steeds vaker een valkuil. Omdat ze leiden tot desillusie en onvrede als de verwachtingen die wij oproepen zo vol gaten geschoten worden. Met ‘boze-burger’ partijen als antwoord.

Het is dan ook niet verwonderlijk als de ronkende beleidstaal die wij gebruiken eerder tot scepsis dan tot tevredenheid leidt. Sterker, het lijkt erop dat de mobilisatie van krachten alleen maar leidt tot nog meer ongenoegen. Het Nederlandse sociale systeem blaast zichzelf zo met snelle oplossingen, loze beloften en ondoordachte beleidsmaatregelen. Met alleen ‘oorlogstaal’ krijg je geen krachtiger samenleving. Daarin spreken heeft een katalyserend effect.

Denken in oorlogstermen heeft een katalyserend effect. Het brengt vaak meer regelgeving en nog strengere wetgeving met zich. Intussen neemt daardoor het wantrouwen van inwoners en professionals  tegenover de overheid toe. Toch blijft het denken in ‘oorlogstermen’ aantrekkelijk. Voor alle betrokkenen.

Informatie die negatief wordt gebracht kan sneller op instemming rekenen. Dat is bekend uit de psychologie. En er spreekt urgentie uit, zoals slecht nieuws ook beter verkoopt. Politici net zo goed als professionals en inwoners spinnen daar garen bij. Er is geen aandacht voor ‘de banaliteit van het goede’.

De participatiesamenleving waaraan wij met elkaar werken, vraagt een andere taal en keuze. Een keuze voor een bescheiden overheid en ruimte voor de samenleving. Waarbij de overheid de juiste voorwaarden schept waarbinnen de mensen in de samenleving zich kunnen ontplooien. Naast een sterke en vitale samenleving veronderstelt dit, dat mensen – inwoners en professionals – zelf ook de (financiële) ruimte krijgen om die verantwoordelijkheid in te vullen.

Die ruimte wordt door de ‘oorlogsretoriek’ dichtgemetseld. Alles wordt tot in de kleinste details geregeld, vaak op grond van bepalingen die al lang verouderd zijn. De problemen van mensen worden abstracte thema’s (armoede, werkloosheid, thuiszitters, levenseinde, asielzoekers) waarbij de mensen om wie het gaat geanonimiseerd worden. Terwijl het juist om mensen gaat. Met ieder zijn eigen (on-)mogelijkheden.  De ‘grootschaligheid’ van de thema’s laat daarvoor geen ruimte meer.

Armoede, werkloosheid, thuiszitten of asiel zoeken: het is geen keuze. Het is een gevolg van ongewenst ‘loslaten’.  De ‘oorlog’ die wij met de beste bedoelingen daaraan verklaren, maakt ongewild de slachtoffers daarvan tot daders. En de strijd daartegen beneemt ons het zicht op de werkelijke uitdaging: de oorzaak.

Het is daarom hoog tijd om de weinig verheffende oorlogsretoriek binnen het sociaal domein bij het grof vuil te zetten. Deze te vervangen door een discours dat uitgaat van compassie met mensen die kwetsbaar zijn. Bij die compassie hoort als vanzelfsprekend dat mensen zoveel mogelijk zeggenschap over hun eigen leven behoren te behouden. Daarbij gaat het in plaats van strijden tegen de onmogelijkheden om vertrouwen en het faciliteren van mogelijkheden. Dan ook zullen mensen in plaats van strijd waarde aan hun omgeving ontlenen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Van wurging naar omhelzing

omhelzen.png

  • Ooit waren mensen een risico voor ‘het systeem’, nu zijn de systemen een risico voor de mensen

Ergens wist ik het wel. Maar ik ben een man van de inhoud. En heb daarom het wellicht niet gezien, of willen zien. De verantwoordingslast in de zorg dreigt geen nachtmerrie te worden. Zij is het! Deze constatering moet ik doen na mijn deelname aan een bijeenkomst eerder deze week.

Het team van Programma i-Sociaal Domein organiseerde een bijeenkomst met als wervende titel “Lastenvrij Inkopen en controleren in het sociaal domein.” Aan de bijeenkomst namen vertegenwoordigers van ministeries, gemeenten, aanbieders en accountantsbureaus deel. En ik dus.

Gemeenten zijn in 2015 verantwoordelijk geworden voor drie vormen van ggz: begeleiding (Wmo), de Jeugdzorg en beschermd wonen. Over de (financiële) verantwoording van die zorg ontbreken bindende centrale afspraken. Er zijn geen eenduidige criteria over welke informatie zorgaanbieders aan gemeenten moeten leveren en waaraan de contracten moeten voldoen. Gemeenten regelen de verantwoording allemaal net iets anders. De bureaucratische lasten exploderen daardoor. En ondertussen prediken wij vermindering van de administratieve last!

De verantwoording is complex en niet altijd uitvoerbaar binnen de tijdlijnen die de verschillende partijen (de eigen organisatie, de gemeente en/of regio, het rijk en de zorgverzekeraar(s) hanteren. Dit geldt voor alle partijen: gemeenten, zorgaanbieders en hun accountants. Door gemeenten worden – al dan niet in afstemming met zorgaanbieders – nog diverse verantwoordings- en accountantsprotocollen gehanteerd.

Wat mij tijdens de bijeenkomst duidelijk werd, dat dit alles geen onwil is. Van gemeenten noch aanbieders. Eerder is het een gevolg van het feit dat er bij de decentralisatie bewust is gekozen voor weinig tot geen centrale sturing op een bij het beoogde veranderingsproces passende verantwoording. Dat was en is immers nu de verantwoordelijkheid van gemeenten. Maar al direct na het op afstand plaatsen van de taken op het terrein van jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning en participatie  ging ineens iedereen de gewenste verantwoording en resultaten specificeren. Het gekende paradigma van controle, beheersing en risicomijding was daarbij – op basis van de eigen percepties – leidend. Wat gemist werd en wordt is een gemeenschappelijke visie op de bij de transformatie passende verantwoording. Zo leidde de decentralisatie in plaats van vermindering tot vermenigvuldiging van de administratieve last.

Zeker, zorgaanbieders en gemeenten die hun administratieve lasten willen verminderen, krijgen daarbij hulp. Met de nieuwe toolkit ‘Minder papier, meer tijd voor zorg’ bijvoorbeeld. Maar als ‘minder papier’ feitelijk betekent ‘meer digitaal’, dan blijven mensen horendol worden van al die registraties.

Dat moet anders. Want verspilling van tijd, geld en middelen is zonde. Het is immers de taak van ons allemaal dat elke euro die we aan zorg besteden, goed terechtkomt. Wat wij daarbij nodig hebben is een omslag van denken in termen van ‘government’ naar ‘governance’. Dat moet de maatstok zijn (worden). Van beleid tot uitvoering is het concept van de decentralisaties gebaseerd op ‘sturen op afstand’, ‘eigen kracht’ en ‘(regel-)ruimte. Dat vraagt om een strategische dialoog tussen gemeenten en aanbieders. En juist die relatie wordt gekenmerkt door iets dat tussen wurging en omhelzing in staat. Omdat de zorg ook als een ‘markt’ wordt gezien. Waarbij aanbieders elkaar, als gevolg van de – ten onrechte verheerlijkte – Europese aanbestedingsregels moeten beconcurreren op prijs (en kwaliteit). Zo blijft het fundament gebaseerd op government, wantrouwen, angst en  verantwoordingsdrift.

Natuurlijk moeten we ons verantwoorden, maar zoals het nu gaat is echt van de gekke. De verantwoording kan veel simpeler als gemeenten (lees: de politiek) niet zou eisen dat alle zorg op individueel niveau tot op detail verantwoord wordt.  Als de zorg die vrijheid zou krijgen, dan zouden we honderden miljoenen euro’s minder aan administratieve lasten, ergernis en irritatie kwijt zijn en dat geld en die aandacht aan de echte zorg voor mensen kunnen besteden.

In het kader van het programma I-Sociaal Domein* hebben gemeenten en zorgaanbieders inmiddels standaardartikelen voor de inkoop ontwikkeld, zodat de administratieve lasten kunnen verminderen. Deze standaardartikelen zijn een onderdeel in een geheel van afspraken zodat gemeenten kunnen sturen op zorg en de verantwoording ervan en tegelijkertijd de administratieve lasten kunnen verminderen. Die standaardartikelen kennen echter op hun beurt weer diverse uitvoeringsvarianten (inspanningsgericht, outputgericht en taakgericht). En gemeenten kunnen ook nog kiezen voor een mix van die uitvoeringsvarianten. Daarnaast is er dan nog een een verantwoordingsformat en een controleprotocol om de rechtmatigheid van de uitgaven te kunnen vaststellen.

Het concept van de transformatie vraagt naar mijn mening echter om iets anders dan het gekende antwoord met een blauwdruk van standaarden en systemen. Dat is ‘oud’ denken. Als de idee is dat aanbieders zelf meer autonomie moeten krijgen en meer adaptief ten opzichte van hun omgeving moeten zijn, zodat ze het ondersteunings- of zorgaanbod zo nodig kunnen veranderen, dan vraagt dat ook een eenvoudiger – minder bot en lomp – verantwoordingsinstrument. Zo ook kun je tot collectief aanvaardbare uitkomsten komen. Met een pragmatische opstelling van zowel gemeenten als zorgaanbieders geeft dit zekerheid over de financiële verhoudingen en kan dit tevens veel administratieve lasten en controlekosten voorkomen.

De echte transformatie en vermindering van de verantwoordingslast vraagt om co-creatie. Om gemeenten en aanbieders die elkaar niet als ‘partijen’ wantrouwen, maar als partners omhelzen. Dan wordt een ‘open dialoog’ en netwerkstrategie mogelijk;  waarbinnen partijen hun strategische koers en de daarvoor beschikbare middelen aan elkaar kenbaar maken. Om op basis daarvan te komen tot afspraken over prestaties en verantwoording. Op deze wijze ontstaat een rijk en collectief beeld van de wijze waarop de zorg nu en in de toekomst is en kan worden georganiseerd en uitgevoerd. Tegelijkertijd ontstaat een transformatiebeweging tijdens de gesprekken: mensen van verschillende organisaties leren elkaar kennen, werken samen aan oplossingen vanuit het belang van de inwoners. Goede zorg en de duurzame betaalbaarheid is daarbij ook een gezamenlijke opgave!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Waar populistisch nationalisme regeert…

chez nous2.png

  • Chez nous

Locatie: het morsige Noord-Frankrijk. Daar woont Pauline, een alleenstaande moeder met twee kinderen en een zeer toegewijde, empathische wijkverpleegkundige. Op een dag stelt de huisarts van haar vader haar voor actief te worden in een rechts-populistische beweging (lees: Front National).

De vraag kent een verborgen agenda: de partij wil profiteren van haar ‘good looks’ en haar populariteit onder de lokale bevolking.

De Belgische regisseur Lucas Belvaux heeft met Chez nous een film willen maken ‘die kiezers adresseert en laat zien hoe hun angsten en kwaadheid gebruikt worden voor racisme, fascisme, antisemitisme en andere vormen van antidemocratische autoriteit’.

Zijn keuze voor onder meer een verpleegkundige en een arts als protagonisten verraadt dat hij die angsten en die kwaadheid uit de eerste hand wilde registreren. Een inkijk in de wortels van het populisme die tot nadenken stemt….

Wrijven in de vlek neemt haar niet weg

kwestbaar.png

  • Een echte pleister is beter dan valse aandacht

Ik zal de laatste zijn die beweert dat de meest kwetsbare gezinnen in ons land adequaat geholpen worden. Dat kan en moet veel beter. Wat mij in de recente berichtgeving daarover stoort is de suggestie dat dit komt door – of een gevolg is van – de decentralisatie van de jeugdhulp naar gemeenten. Dat schept een vals beeld. Het voelt ook een beetje als wrijven is een al langer bestaande vlek. En met wrijven in de vlek, neem je die nog niet weg!

Medio april 2017 stelden het Toezicht Sociaal Domein/Samenwerkend Toezicht Jeugd in een kritische rapportage dat de meest kwetsbare gezinnen nog onvoldoende geholpen worden door de wijkteams. Het uitgangspunt een-gezin-een-plan-een-regisseur komt volgens de stellers niet goed van de grond. De gezamenlijke Toezichthouders onderbouwen deze bevindingen adequaat en zorgvuldig. “De conclusies zijn verontrustend”, stelt Esther Deursen programmadirecteur Toezicht Sociaal Domein.

In de berichtgeving rondom de bedoelde rapportage stoppen de media vervolgens een venijnige boodschap: de gemeenten kunnen de zorg voor kwetsbare gezinnen niet aan. Om daarbij fijntjes te verwijzen naar de decentralisaties in 2015. Als gevolg waarvan deze zorg de verantwoordelijkheid van gemeenten is geworden.

Ik ben nog maar eens even terug in de tijd gegaan. Om vast te stellen dat de zorg voor kwetsbare gezinnen al veel langer een zorg is. “Gezinnen met een geringe sociale redzaamheid zijn kwetsbaar. Zij hebben vaak een combinatie van problemen, bijvoorbeeld op het gebied van zorg, onderwijs, huisvesting, financiën en justitie. Vaak krijgen deze gezinnen niet de zorg die ze nodig hebben.” Aldus de “Staat van de Gezondheidszorg” van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Zij schreef dit in 2010.

“Vanwege het meervoudige karakter van de problematiek en het grote aantal partners dat bij deze zorg betrokken is, komt adequate zorg niet vanzelfsprekend tot stand,” schreven de inspecties voor gezondheidszorg, jeugdzorg en onderwijs toen. Zij hebben destijds het initiatief genomen om met een groot aantal organisaties op het gebied van onderwijs, jeugdzorg en gezondheidszorg, randvoorwaarden te ontwikkelen voor verantwoorde zorg aan gezinnen met geringe sociale redzaamheid. Want”, zo stelden toen de Inspecties: “Verantwoorde zorg voor gezinnen met geringe sociale redzaamheid is alleen mogelijk als alle relevante instellingen betrokken zijn en als deze instellingen effectief met elkaar samenwerken en de zorg goed op elkaar afstemmen”.

Dat alles was de verontrustende stand van zaken ver voor de decentralisaties van 2015. Het lukt ons kortom in de praktijk gedurende een lange reeks van jaren en ondanks de decentralisaties onvoldoende om de problematiek van deze complexe gezinnen goed aan te pakken. Om met deze gezinnen en betrokken professionals ‘een samenhangende aanpak tot stand te brengen. Een aanpak die effectief de problemen oplost of beheersbaar maakt en nieuwe problemen helpt te voorkomen. Kwetsbare gezinnen hebben kennelijk een andere aanpak nodig dan die wij gedurende langere tijd boden of niet bieden.

Natuurlijk, gemeenten en hun professionals kunnen veel beter kijken of de sociale wijkteams die kwetsbare gezinnen echt vooruit helpen. Ook ik ben ervan overtuigd dat kwetsbare gezinnen het best af zijn met één contactpersoon en met hulpverleners en instanties die goed samenwerken. Maar dat is niet voldoende.

De kwetsbaarheid ontstaat namelijk in een wisselwerking tussen gezinnen, hun sociale omgeving en de hulpverlening. En juist daarin blijkt dat er een verschraling heeft plaatsgevonden. Voor alle gezinnen zijn professionals en beroepskrachten, zoals pedagogisch medewerkers van kinderdagverblijven, huisartsen, medewerkers van consultatiebureaus en leerkrachten, belangrijke gesprekspartners over opvoeding (Van den Broek et al. 2012; Stam en Doodkorte 2011). Datzelfde geldt echter ook voor medewerkers schuldhulpverlening, bijstandsconsulenten en arbeidsbemiddelaars. Voor hulpverlening die werkt is het belangrijk dat deze professionals en beroepskrachten niet de regels, maar de vraag centraal stellen. De steeds vaker voorkomende – en met de beste bedoelingen gehanteerde – screeningslijsten en het type vragen dat daarin wordt gesteld draagt daaraan niet bij. Zij maken de ondersteuning en zorg daardoor eerder tot een opsporingsapparaat En daarmee bemoeizuchtig.

Hulpverleners komen meestal in actie na een melding of indicatie van een acute situatie. Dikwijls zijn in een acute situatie de problemen al dusdanig gegroeid dat er sprake is van een veelheid en diversiteit aan problemen. Op basis waarvan ook een veelvoud aan specialisten aan de slag gaat. Hierdoor worden vaak de problemen eerder versterkt dan opgelost (Van den Berg et al. 2008). Daarbij staan te vaak de symptomen in plaats van de oorzaken centraal.

Als wij kwetsbare gezinnen echt willen helpen, dan is aandacht voor het mee kunnen doen aan de samenleving een eerste vereiste. Gezinnen die niet weten hoe ze de maand moeten doorkomen, die geen (volledige) maaltijd op tafel kunnen zetten, die geen kleding kunnen kopen of hun kinderen naar sportverenigingen kunnen sturen help je niet met gesprekken met professionals. Mensen die hun rekeningen niet meer kunnen voldoen, die hypotheek- of huurachterstanden hebben of mensen die na het voldoen van alle rekeningen rond moeten komen van zo’n klein bedrag dat ze hier niet hun boodschappen meer van kunnen doen. Die zijn niet gebaat bij behandeling. Behandeling geeft geen oplossing voor het ’s nachts wakker liggen, omdat je bang bent om uit huis te worden gezet, de deurwaarder regelmatig bij je aan de deur staat of je je kind geen brood mee naar school kan geven. Sturen op eigen kracht en zelfredzaamheid is voor deze gezinnen niet voldoende.

Wat nodig is, is ruimte en aandacht voor praktische en materiële ondersteuning. Richt je eens op de vraag of de kwetsbaarheid al dan niet samenhangt met geldgebrek in of participatie van het gezin. En als dat zo is, verstrek dan eens de financiële middelen of instrumenten om die oorzaak te elimineren. Hard geld is dan vaak effectiever, efficiënter (en goedkoper!) dan goedbedoeld pamperen.

Om dat te bereiken moet bij kwetsbare gezinnen m.i. het primaat binnen het sociaal domein niet – anders dan nu nog vaak het geval – liggen bij zorg en welzijn, maar bij inkomensondersteuning en participatie. Gemeenten en professionals moeten daarmee aan de bak.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Niet-zien en blind kijken

blind date.png

  • Mein Blind Date mit dem Leben

De Duitse film Mein Blind Date mit dem Leben is gebaseerd op het waargebeurde verhaal van de jonge, ambitieuze Saliya, die op vernuftige en moedige wijze vasthoudt aan zijn dromen, ondanks dat hij grotendeels zijn zicht verliest.

Al snel nadat hij het slechte nieuws van zijn oogarts krijgt dat hij nog maar 5 procent van zijn zicht kan behouden, besluit hij om zijn handicap te verzwijgen en toch te solliciteren bij het vijfsterrenhotel Bayerischer Hof. Tegen alle verwachtingen in lukt het hem om zijn geheim voor zich te houden en aangenomen te worden.

Vol passie en plezier werkt hij samen met zijn familie en vrienden aan het verwezenlijken van zijn droom en bevindt hij zich constant in het speelveld tussen succes en gesnapt worden. In deze ingewikkelde situatie oefent hij hard, maar loopt hij toch geregeld tegen de grenzen van zijn kunnen aan. Als hij Laura ontmoet wordt het allemaal nog spannender en komt zijn zorgvuldig opgebouwde kaartenhuis op instorten te staan. In de romantische komedie van Marc Rothemund maak je mee hoe Saliya zich in deze veeleisende omgeving knap staande weet te houden.

We redden onszelf…

annemarie.png

  • Anne & Jean-Paul, onze wereld geeft een unieke kijk in het leven van Anne (53) en haar vriend Jean-Paul (53).

Anne heeft het syndroom van Down, Jean-Paul het fragiele X syndroom. Samen wonen ze zelfstandig in een eigen appartement in Montélimar, Frankrijk.

De film volgt Anne, die volledig tweetalig is, en Jean-Paul in hun dagelijkse leven en kruipt in hun gedachtewereld en logica: van opstaan, naar werk gaan bij de sociale werkplaats, koffie drinken in Café des Sports, tot de weekenden weg naar de zorgboerderij en de vakantie.

“We redden onszelf, zonder begeleiders” zegt Jean-Paul in de film. Maar zelfstandigheid kost inspanning en concentratie en vaak is toch hulp van buitenaf nodig. Nu de moeder van Anne niet meer leeft komt de zorg bij zus Meike te liggen, met steun van o.a. broer Leendert, die in Nederland woont.

De film laat zien hoe Meike balanceert tussen de wens van Anne om met haar geliefde een zo zelfstandig mogelijk leven te leiden én de verantwoordelijkheid voor het bieden van voldoende steun en bescherming. Wat is er nodig om hun zelfstandigheid te behouden?