Het ‘hoe’ telt.

wijkaanpak.png

  • Dé wijkaanpak bestaat niet!

„Jullie wonen op nummer 1 hè?” zegt mijn nieuwe overbuurman „Ja”, zeg ik. „Gezellig”, zegt hij. „Doen jullie ook aan tennis?” „Nee”, zeg ik. „Nee, tennis daar doen we niet aan.” Ik weet niet goed wat ik met het gelijkheidsdenken moet.

Het is een identiteitskwestie. Wie ik ben? Ik ben ik, en jij bent jij!

Een integrale en wijkgerichte aanpak volgens  de blauwdrukmethode werkt niet. Wat niet zegt dat je niet integraal en wijkgericht kunt of moet werken. Integendeel zelfs!. De integrale 1 Situatie 1 Plan aanpak moet stevig doorgevoerd worden . Zeker bij huishoudens en gezinnen waar meerdere uitdagingen tegelijkertijd spelen. Meer integrale arrangementen en minder versnippering in ondersteuning is de oplossing. Voorwaarde is wel dat de wijkaanpak aansluit op het karakter en de samenstelling –  de diversiteit aan bewoners – van de wijk.

Als er iets is dat de CPB-publicatie ‘De wijkteambenadering nader bekeken’ (januari 2019) laat zien, is het wel dat blauwdrukbeleid vaak anders uitpakt dan gedacht. Geen mens of situatie is gelijk. Dat weten wij sinds mensenheugenis. En als geen mens of situatie gelijk is, geldt dat ook voor een groep van mensen. Zij mogen veel overeenkomsten hebben, maar er zijn altijd verschillen. In relaties, in inkomen, in wonen en werk, in overtuigingen, enzovoort en zo verder. Zo ook verschillen wijken van elkaar. Natuurlijk, elke gemeenschap kent kenmerkende groepseigenschappen. Maar lid zijn of deel uitmaken van een groep of wijk maakt ons nog niet hetzelfde.

Overheden, organisaties voor welzijn en zorg en hun professionals, zij kunnen zich lastig losweken uit het gelijkheidsdenken. De wijkaanpak wordt onvoldoende ingevuld, ingelijfd en ingericht op basis van de bedoeling.

Zeker, steeds meer gemeenten pretenderen dat te doen en sieren die bedoeling met het etiket ‘opgavengericht werken’. Een sturingsfilosofie waarin ambtelijke flexibiliteit, het luisteren naar inwoners en het bereiken van maatschappelijke effectiviteit centraal staan. Maar het etiket dekt helaas zelden de lading.

In de praktijk blijkt opgavengericht werken het sturen vanuit hoofdopgaven, waarbij weliswaar de klassieke sectorale indeling is losgelaten en verantwoordelijkheden op basis van opgaven worden belegd, maar tegelijkertijd is bij alles wat gedaan wordt, de opgave leidend. Het is die invulling die ons binnen het sociaal domein vaak doet struikelen.

Als een wijkaanpak de opgave is, moet de wijk met de inwoners, de woningvoorraad,  het leefklimaat, de demografische opbouw van die wijk en de sociaaleconomische status van die inwoners ook vertrekpunt zijn. En dat vraagt meer dan het optisch afscheid  nemen van de klassieke sectorale manier van organiseren. Het vraagt ook om afstand te doen van oude principes die zich minder goed of niet verhouden tot de nieuwe werkwijze. Dat laatste is en wordt nog onvoldoende gedaan bij de vormgeving en uitvoering van de wijkteambenadering. Het gevolg is, dat er een scala van principes ontstaat binnen de uitvoering. Medewerkers raken hierdoor in de war of onzeker en kiezen de sturingsvorm die zij het meest wenselijk vinden. Het meest wenselijk blijkt dan vaak dat wat men al kent en deed. Zodat ze uiteindelijk weer eindigen waar zij begonnen: bij de klassieke en gekende antwoorden en aanpakken.

Natuurlijk hebben we allemaal in de afgelopen jaren goed gekeken en geluisterd naar de bedoeling. En we werken ook steeds meer vanuit de bedoeling. Focussen we op het ‘waarom’ en het ‘wat’. En steeds vaker voeren wij het gesprek over de vraag waarom we iets doen. En met welke bedoeling. Maar de succesfactoren voor echte transformatie ligt niet in overeenstemming over het ‘waarom’ en het ‘wat’. Dé succesfactor voor het welslagen van de transformatie, is juist het ‘hoe’!

Wanneer de wijkteamaanpak erin slaagt de werkwijze, de competenties van medewerkers, de teamsamenstelling en de samenwerking met inwoners en informele netwerken op een wijksensitieve wijze vorm te geven, zullen ze daadwerkelijk maatwerk kunnen leveren aan alle inwoners. Dan zullen zij  tijdig bereikt worden en kan de ondersteuning goed aansluiten bij hun leefwereld. Het aansluiten bij de inwoners is geen doel op zich. Het is een professionele vaardigheid die nodig is om te komen tot effectieve hulp. Dit is niet alleen in het belang van de inwoners, maar ook in het belang van de samenleving als geheel. Als opgaven niet effectief worden aangepakt zal die in de toekomst eerder groeien dan verminderen. Het verergeren van problemen of zelfs ernstige escalatie leiden uiteindelijk tot nog meer persoonlijk leed en meer en duurdere ondersteuning en zorg. Wijksensitief werken is in ieders belang, omdat iedereen gebaat is bij een effectieve, duurzame en betaalbare ondersteuning. Juist dat maakt wijksensitief werken geen blauwdruk. Afhankelijk van de lokale situatie en ambities moeten partijen het wijkteam vorm geven. Voorwaarde daarbij is ‘kennen en gekend worden’. Dat is geen doel op zich, maar een manier om informatie over het werkgebied en verbinding met inwoners te krijgen. Het kennen van het werkgebied (dorp, wijk of buurt), zijn inwoners, de problemen die er spelen of kunnen gaan spelen, de voorzieningen die er zijn, de instellingen en bedrijven die er zijn gevestigd, zorgt ervoor dat wij vroegtijdig kunnen signaleren, adviseren en – al dan niet samen met partners – interveniëren.

Bij kennen gaat het om ‘precies kunnen kijken’: om subjectieve, praktische en contextuele informatie over de wijk, die aanvullend aan of vooruitlopend op onze professionele kennis van welzijn en  zorg is.

Het gekend worden door inwoners, winkeliers, instellingen en bedrijven vloeit rechtstreeks voort uit de behoefte aan versterking van de maatschappelijke oriëntatie en lokale inbedding. Het opbouwen van een duurzame relatie met inwoners, het vergroten van de herkenbaarheid en het vertrouwen in professionals zijn sleutelwoorden. Kennen en gekend worden kan via huisbezoeken, via het onderhouden van contacten met bepaalde (probleem)groepen, via het bekende ‘praatje pot’ op straat, via deelname aan burgerinitiatieven en aan buurtnetwerken. De toegevoegde waarde van kennen en gekend worden wordt duidelijk zichtbaar als er moet worden opgetreden in specifieke situaties – al dan niet achter de voordeur.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Advertenties

Evenmens

naaste

  • Wie is mijn naaste?

Bijna achteloos gaan wij een landsgrens over terwijl er grote groepen zijn die weg willen maar niet kunnen, of hun leven ervoor op het spel moeten zetten. Rosita Steenbeek maakte het lot van vluchtelingen en migranten van heel dichtbij mee. Op Lampedusa, Sicilië en in Libanon hoort zij de intense verhalen van de vluchtelingen én de hulpverleners, en deelt hun leven op de meest schrijnende maar ook mooie momenten.

In een opvanghuis op Sicilië voor alleen reizende minderjarige asielzoekers. Met vrouwen uit Aleppo in een tent in een vluchtelingenkamp op een paar kilometer van de Syrische grens. Met hulpverleners in Libanon die de onmenselijke keuze moeten maken wie wel en wie niet mee mogen met een humanitaire corridor naar Italië.

Op al deze en nog veel meer plekken vol verdriet raakt Rosita Steenbeek aan de levens van mensen die op hun sterkst en tegelijk kwetsbaarst zijn. En alle betrokkenen worden ieder voor zich geconfronteerd met de fundamentele vraag: wie is mijn naaste?

De zwijgende klas

klassenzimmer

  • Das schweigende Klassenzimmer

De Oost-Duitse scholieren Theo en Kurt zien in een bioscoop in West-Berlijn schokkende beelden over de Hongaarse opstand in Boedapest. Uit solidariteit met de gevallen slachtoffers willen ze een gebaar maken; samen met de hele klas houden ze tijdens een les een minuut stilte.

De schooldirecteur doet het gebaar af als een onschuldige puberdaad. Maar als het ter ore komt van het Ministerie van Onderwijs, beoordeelt de minister het als een contrarevolutionaire actie en eist dat de organisator binnen een week bekend wordt gemaakt. De klas blijft echter solidair met elkaar, wat verstrekkende gevolgen heeft voor hun verdere leven heeft.

Das schweigende Klassenzimmer is een boeiend en moedig hoofdstuk uit de Koude Oorlog, gebaseerd op de persoonlijke ervaringen en het indrukwekkende gelijknamige boek van Dietrich Garstka, een van de 19 scholieren die door een simpel gebaar de gehele staat op zijn dak kreeg. De bekroonde regisseur en scriptschrijver Lars Kraume (winnaar German Film Award in 2016 voor de politieke thriller The People vs. Fritz Bauer) verzamelde een indrukwekkende cast bestaande uit een aantal veelbelovende opkomende en gerenommeerde jonge acteurs, waaronder Jonas Dassler, Michael del Coco, Lena Klenke en Sina Ebdell. De film kreeg zijn wereldpremière op het Filmfestival Berlijn in het Gala-programma. In 2008 verscheen de Nederlandse vertaling van het boek onder de titel ‘De zwijgende klas’.

Deodorant van de angst

kruisbeeld.png

  • Wie tegen het naakte in opstand komt, bewijst dat hij uit het paradijs is verdreven.

Weet u het nog? De ‘memorabele 14de december van het vorig jaar? Toen Nederland welhaast uit haar voegen barstte van trots. Omdat de 12-jarige Robbe van Hulst uit Den Bosch toch maar mooi uit de kast durfde te komen. “Dit is het moment dat ik helemaal mezelf kan zijn,” zo vertelde Robbe het ganse land. Dat kon toch mooi maar in ons vrije Nederland! Inmiddels staat Nederland – dankzij een paar ‘ketters’ – weer met beide benen op de grond.

“Waarom niet liever direct aan het kruis? Beter zou het zijn in één keer te sterven dan op een pijnbank steeds weer gekweld te worden.” Het zouden – na het lezen van de Nashville-verklaring – zomaar de gedachten kunnen zijn van menig homoseksueel, lesbienne of transgender. Zij voelen zich – terecht – hard bij, in en door het kruis gegrepen!

De Nashville-verklaring (Engels: Nashville Statement) is een document over het christelijk geloof, huwelijk en seksualiteit dat oorspronkelijk in 2017 in de Verenigde Staten is opgesteld. Met deze verklaring wilden de ondertekenaars, meest afkomstig uit orthodox en conservatief protestantse of evangelische kringen, een eenduidig conservatief christelijk geluid laten horen rond thema’s als homoseksualiteit, genderneutraliteit en transgenderisme.

De ondertekenaars spreken zich uit tegen lgbt-seksualiteit, transseksualiteit, het homohuwelijk, het gelijktijdig hebben van meer dan één liefdesrelatie, overspel en seksuele onreinheid. De verklaring stelt hier normen en waarden ontleend aan de Bijbel ten aanzien van seksualiteit en het belang van huwelijkstrouw tegenover.

Ons blazoen van vrijzinnigheid jegens vrije liefde voor iedereen en de vrijheid van relaties heeft met deze verklaring meer dan een flinke deuk opgelopen. In hedendaagse kruistocht van zogenaamd religieus geïnspireerde wisten zij  met militaire precisie de illusie van erkenning van ieder mens – ongeacht sekse of geaardheid – weg te nemen.

Ketter – in zijn specifieke betekenis – is een aanduiding voor een aanhanger van een ketterij, een leerstelling, die bewust en opzettelijk in tegenspraak is met datgene wat een bepaalde gemeenschap beschouwt als de fundamentele overtuiging.  Welnu, zoals ooit Calvijn het ‘ware’ gezicht van de Rooms-katholieke Kerk wist te ontmaskeren, zo ontmaskert de Nashville-verklaring het ware gezicht van een groep van zogenaamd Bijbelgetrouwen. Zij willen terug naar het huwelijk zoals God het (volgens hen) wil. Homoseksuelen, transgenders en seks buiten het huwelijk staan daarbij niet enkel in het verdomhoekje. Het is verderfelijk! Zij kunnen enkel getolereerd of verdragen worden wanneer zij zich tot het levenslang dragen van een kuisheidsgordel verplichten..

De eerste maand van het nieuwe jaar was kennelijk hét moment voor de opstellers om zelf kleur de bekennen en uit de kast te komen. Met de rode kleur van opwinding en opgeblazen van de wijn van de nieuwjaarsrecepties nog in het bloed, lieten zij harde geselslagen neerdalen op de ruggen van de ‘dommen’ die liefde voor hetzelfde geslacht of meerdere personen tegelijkertijd menen te moeten praktiseren.

De Nashville-verklaring voelt niet  meer of minder dan een openlijke bespotting dan wel verbranding van homoseksuelen, transgenders enzovoorts. En juist dat maakt dat de Nashville-verklaring naar mijn stellige overtuiging met de Bijbel niets van doen heeft. Wie op deze manier ‘bijbelgetrouw’ wil zijn, verraadt daarmee nu precies dat wat de Bijbel betoogt: gelijkheid, broederschap en naastenliefde.

Ooit vergeleek Calvijn zijn tegenstanders met iemand die toiletten schoonmaakt. Iemand die zijn eigen stank niet meer ruikt en vervolgens de spot drijft met mensen die hun neus dichtknijpen als ze bij hem in de buurt zijn. Welnu, de Nashville-verklaring leert ons dat wij ook vandaag de dag omringd zijn met zulke mensen. Figuren die vastgeroest zijn aan hun gewoonte. Of, zoals Calvijn het ooit schreef: “In hun eigen uitwerpselen zitten, terwijl ze geloven omgeven te zijn door rozen.”

Er is genoeg reden om te huilen en te klagen over de ‘mateloze leugens’ van de Nashville-verklaring. Daarover moeten wij onze mond openen. Opvattingen als die welke de Nashville-verklaring verkondigt zijn problematisch genoeg om het serieus te nemen, en actief te bestrijden. Tegelijkertijd denk ik dat wij over dit soort van  opvattingen slechts volmondig en luidkeels moeten lachen. Gewoon, omdat de ‘kruistocht’ van deze zichzelf bevredigende ‘kruisvaarders’ slechts de deodorant is voor de eigen angst en schaamte over seksualiteit, waarmee zij zelf kennelijk ruimschoots worstelen.  Of, zoals Robert Long het ooit eens zei: “Zo is het leven; veel deodorant zodat je de eigen stront niet ruikt.”

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

De olifant voor de kast!

roze olifant.png

  • Je hoeft niets te doen om te zijn wie je bent

Wat zijn wij een lekker tolerant volk he? Zo enorm geëmancipeerd ook. Fier op onze vrijheid van meningsuiting. Groots op onze democratie ook. Maar steeds vaker voelt dat alles als een laagje vals bladgoud. Want eigenlijk zijn wij helemaal zo tolerant niet, of zo geëmancipeerd, vrij in het uiten van onze mening of democratisch gezind. Het is vaak niet meer dan een wensdenken!

14 december 2018. Het is Paarse Vrijdag. Voor scholieren en studenten een dag om uit de kast te komen en seksuele diversiteit te vieren. Dat doen ze in een paars overhemd. De 12-jarige Robbe van Hulst kwam de avond ervoor bij zijn ouders uit de kast, en vertelde daar die vrijdagochtend al meteen over in het NOS Radio 1 Journaal.

Nederland – inclusief mijn persoon – ontplofte welhaast. Van trots en blijdschap. Dat dit kon. In een woord GEWELDIG. Daarom ook besteedden later die avond het Jeugdjournaal en het NOS Acht uur journaal er ook weer aandacht aan.

Al die blijdschap en trots, zo realiseerde ik mij in de loop van die dag en de dagen daarna, is mooi en wrang tegelijkertijd.

De homo-emancipatiebeweging boekte in de jaren ’70 en begin ‘80 succes, Mensen kwamen letterlijk uit de kast en gingen de straat op, men durfde dat gewoon. En zie waar wij vandaag de dag staan!

Immers, als wij zo overtuigd zijn van onze tolerantie en emancipatie, waarom dan is de ‘coming out’ van een twaalfjarige knul anno 2018 welhaast wereldnieuws? Kennelijk is het helemaal niet zo vanzelfsprekend. Vraagt het toch nog heel veel lef en moed om openlijk te zeggen dan wel te laten zien dat je bent wie en wat je bent.

Het is verdomd prettig dat kinderen als de 12-jarige Robbe zo eerlijk kunnen zijn. Veel meer nog echter verdienen zij respect voor het lef om dat wat kan ook te doen! Want wij mogen dan wel vinden dat ieder mens – ongeacht hun sekse – moet kunnen kouden van de persoon die voor hem of haar de ware is, ons doen en laten staat daarmee in schril contrast.

Het homo of lesbisch zijn is zo niet vanzelfsprekend, dat in menig radio- of televisieprogramma wel even aan de wereld verteld moet worden of iemand homo of lesbisch is. Vreemd is dat, zeker als je bedenkt dat van de andere gasten niet verteld wordt dat zij heteroseksueel zijn. Of misschien wel aseksueel.

Eigenlijk, zo denk ik, mogen wij pas echt trots zijn op onze verhoudingen tot elkaar, als onze geaardheid geen issue meer is. En dat kon best nog wel eens even duren!

Veertig jaar geleden waren er in hartje Amsterdam vrolijke demonstraties voor ‘flikkerij’. Het was toentertijd vrij nieuw dat homo’s zo openlijk en in zulke mate voor hun rechten streden. Nu, veertig jaar na dato moeten die demonstranten van toen paars van woede aanlopen als zij zien waar wij vandaag de dag staan met onze acceptatie en gelijke rechten voor homoseksuelen en lesbiennes. Goedbeschouwd zijn wij nog niet veel verder dan het stadium van progressieve tolerantie.

Wij verkeren in de fase van het toestaan van gedrag of personen die afwijken van de (onze) norm, ondanks dat de aanwezigheid van dit gedrag of die personen als negatief wordt ervaren of gezien. Nog altijd gaan wij uit van de heersende  status quo die oordeelt dat liefde voor hetzelfde geslacht eigenlijk toch wel vreemd of afwijkend is. En onderwijl kloppen wij, die de tolerantiemythe propageren, onszelf graag op de borst. Wij adverteren onze ruimhartigheid op alle platforms die wij maar kunnen bedenken. Waarbij onze kleingeestigheid ons belet te bevatten dat wij tegen jongens en meisjes als Robbe eigenlijk zeggen dat zij ons dankbaar moeten zijn. Omdat wij het hen toestaan om te zijn wie en wat zij zijn.

Ondanks jarenlang gevoerde strijd is er binnen onze samenleving nog altijd sprake van ongelijke ruimte voor lesbo’s, homo’s, biseksuelen en transgenders Door het op het podium zetten van Robbe legitimeren wij eigenlijk heel onwenselijk gedrag. Niet van Robbe, maar van wat hen die zich zien als de gevestigde orde. Zij degraderen  de “getolereerden” tot tweederangs ‘burgers’ die voor hun bestaansrecht en uitingsvrijheid afhankelijk zijn van de “onmetelijke goedheid” van hen die hen willen tolereren.

Jongens, meisjes, mannen en vrouwen, ongeacht hun sekse of geaardheid, horen niet gedoogd, niet toegelaten of “getolereerd” te worden. Zij dienen erkend te worden in wie en wat zij zijn. Zoals jij en ik erkend (willen) zijn. Alleen zo verjagen wij de olifant voor de kast!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Meestribbelen

meestribbelen

  • Intelligent ongehoorzaam zijn

Ik ben er voor dat ondersteuning en zorg voor iedereen die dat nodig heeft bereikbaar is. Maar om daarvoor de zorg op lokaal niveau min of meer in de uitverkoop te doen, dat gaat mij veel te ver. Toch is dat wat de landelijke overheid doet met de invoering – per 1 januari 2019 – van het abonnementstarief voor de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo).

Wie gebruikmaakt van de Wmo, gaat daarvoor vanaf 1 januari 17,50 euro per vier weken betalen. Het kabinet houdt daarmee vast aan het plan dat al in het regeerakkoord werd aangekondigd. De gedachte achter de maatregel is ‘dat de zorg betaalbaar is voor iedereen’.

Met dat laatste uitgangspunt ben ik het dus eens. Maar de ene portemonnee is de andere niet! Nederlanders zijn bovendien koopjesjagers. Waarom zouden zij bijvoorbeeld een scooter uit eigen middelen betalen – wat momenteel meer dan gangbaar is – als je diezelfde scooter (voor een fors deel) kunt laten financieren door de gemeente? Het bijpassende verhaal is immers snel gemaakt! Bovendien is bekend dat beter gesitueerden over het algemeen beter de weg in de wetten, regels en financieringsmogelijkheden kennen dan de mensen die het allemaal wat lastiger hebben.

Kennelijk echter – zo vermoed ik – werd de kloof tussen ‘arm’ en ‘rijk’ de overheid iets te smal? Ook voor beter gesitueerden – en daar reken ik mijzelf ook toe – moeten de kosten voor ons welbevinden immers niet al te zeer uit de hand lopen. De champagne tussen de gangen van het kerstdiner door moet immers ook betaald!

Gemeenten vrezen daarom – terecht zo vrees ik – onder meer een toename van de vraag naar voorzieningen en dus extra kosten, naast veel lagere opbrengst aan eigen bijdragen.

Deze bemoeienis van het Rijk staat niet alleen haaks staan op de gedachte achter de decentralisaties. Van gemeenten, (jeugd)zorginstellingen, partijen in het participatietraject en inwoners wordt verwacht dat ze met meer eigen initiatief werken en meer vanuit hun eigen kracht. Juist de ‘eigen kracht’ wordt met de invoering van het abonnementstarief weer uitgehold. Mensen uitdagen zelf na te denken over de beste aanpak van een knelpunt? Inwoners zelf laten nadenken over de vraag wat zij er zelf aan kunnen doen en wat er aanvullend van anderen nodig is?  Waarom zou je dat doen, als je voor 17,50 euro per maand de sores kunt laten regelen?

Door de invoering van het abonnement wordt de hulp goedkoper voor veel groepen. Gemeenten en uitvoerders, zo meent het Rijk, besparen zo bovendien uitvoeringskosten en administratieve lasten. Ik spreek hen over een jaar graag nog eens. Want een ding is duidelijk: de invoering van het abonnementstarief binnen de Wmo zal heel veel gemeenten – begrijpelijkerwijs – aanzetten tot het ontwikkelen van een nieuw regel- en drempelwoud, gericht op het beheersbaar houden van de kosten. In menig gemeentehuis wordt die discussie al gevoerd.

Diverse oplossingsrichtingen worden onderzocht. Meerdere voorzieningen die nu nog voor vergoeding vanuit de Wmo in aanmerking komen zullen door gemeenten uit de regeling geknikkerd worden. Of de voorziening zelf wordt niet meer vergoedt, maar vervangen door een – aan een maximum gebonden – financiële tegemoetkoming.

Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen die – in principe – voor iedereen beschikbaar en bereikbaar zijn, of u nu wel of geen beperking heeft. Algemeen gebruikelijke voorzieningen worden niet vanuit de Wmo verstrekt. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als die:

  • niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking én;
  • in de reguliere handel verkrijgbaar is én;
  • in prijs vergelijkbaar is met soortgelijke producten.

Uitzonderingen op deze criteria zijn situaties waarin:

  • de handicap plotseling ontstaat, waardoor algemeen gebruikelijke voorzieningen eerder dan normaal vervangen moeten worden;
  • de aanvrager een inkomen heeft, dat door aantoonbare kosten van de handicap onder de voor hem/haar geldende bijstandsnorm dreigt te komen.

Wat in een concrete situatie algemeen gebruikelijk is, hangt vaak af van de geldende maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag.

Welnu, er zijn heel wat Wmo-voorzieningen die inmiddels niet meer speciaal bedoeld zijn voor mensen met een beperking. Zij worden nu als gemak voorziening in de reguliere handel aangeboden. Van scooters tot trapliften, van sta-op-stoelen tot maaltijdservices, het is de gewoonste zaak van de wereld!

Neemt u van mij aan, dat veel van deze voorzieningen in de toekomst niet meer als vanzelfsprekend vanuit de Wmo beschikbaar zullen zijn. Of slechts voor een gedeeltelijke vergoeding in aanmerking komen. Voor velen zal dat wellicht een kwestie van ‘even slikken’ zijn. Voor mensen die echt in knelsituaties zitten en de middelen niet hebben worden zo deze voorzieningen onbereikbaar. Voor de mensen die echt zijn aangewezen op de Wmo zal het er dus allemaal niet beter op worden.

Het voor iedereen laagdrempelig maken van de Wmo-voorzieningen zal juist de echt kwetsbare groepen drempelverhogend gaan werken. En daarmee de toch al groeiende kloof tussen de hebbenden en de niet-hebbenden vergoten. Het zal bovendien leiden tot heel veel extra administratief gedoe en – zo moet gevreesd – veel extra werk voor juristen.. Bij de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is, moet de gemeente – hoe tegenstrijdig het ook klinkt – namelijk steeds opnieuw kijken naar het individuele geval. Een voorziening is daarmee dus nooit als zodanig algemeen gebruikelijk. Het laat zich raden wie zich die jurist kan veroorloven.

Het liefst zou ik – net als de gemeenten – tegenstribbelen waar ik dat kan, als het gaat om het tegengaan van de perverse gevolgen die samengaan met de invoering van het Wmo-abonnementstarief, zolang het nut daarvan niet is bewezen. Nu het kabinet desondanks besloten heeft dat het abonnementstarief er komt, rest vooralsnog een houding van meestribbelen. Waar mogelijk door intelligent ongehoorzaam te zijn.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

De doodlopende weg van eindeloze verwachting

sleutelen.png

  • Goed onderhoud is een zaak van iedereen

De zorg in Nederland is  in ons denken en doen opgesplitst in twee sectoren, cure en care. ‘Cure’ heeft als doel het komen tot genezing dan wel bevordering van herstel, met de daarbij behorende ondersteuning en zorg. ‘Care’ heeft als doel het zoveel mogelijk terugdringen van de nadelige effecten van ziekte en beperkingen door verpleging, begeleiding ondersteuning en zorg. Het verschil tussen beide vormen van zorg wordt nog wel eens uit het oog verloren. Niet in de laatste plaats, zo denk ik, omdat wij denken, verwachten of vinden dat alles te repareren (herstellen) moet zijn.  

Bovenstaande gedachte ontspon zich bij mij toen ik kennis nam van een interessant artikel van de hand van Han van der Horst, historicus (Joop, 6 december 2018). In dit commentaar stelt hij aan de kaak wat er nu met de jeugdzorg gebeurt door de manier waarop steeds meer gemeentes de jeugdzorg financieren. Zijn commentaar komt er – kort samengevat – op neer dat volgens hem gemeenten hun (jeugdige) inwoners zien als ‘objecten’ en de organisaties die hen behoren te helpen als machines. Waarbij de omstandigheden van de (jeugdige) inwoners maakbaar zijn. Als je ze maar in de juiste stand zet. Of, zoals Han van der Horst dat opschrijft: “Jeugdzorg wordt teruggebracht tot een vorm van africhten waarbij de dompteur de schuld krijgt als het kind niet snel genoeg leert door de hoepel te springen.”

Ik kan in veel opzichten meevoelen met de kritische kanttekeningen van Van der Horst. Zeker waar het gaat om het door overheden voortdurend streven naar beheers- en maakbaarheid van de samenleving. Hiermee draagt de overheid bij aan het beeld dat alles wat in ons leven tegen zit reparabel is. Tegen zo laag mogelijke kosten.

Wat ik echter mis in het commentaar van Van der Horst is de andere kant van diezelfde medaille. Daar waar hij gemeenten verwijt dat zij denken dat ze marionettenspelers zijn met de inwoners aan een touwtje, zou ik ook het omgekeerde willen stellen. Te veel en te vaak zie ik inwoners die van diezelfde overheid juist dat verwachten wat Van der Horst de gemeenten verwijt: wij hebben een probleem en u – overheid – moet dat voor ons oplossen. Waarbij het de professionele hulpverleners kwalijk genomen wordt als zij ook niet (direct) een passend antwoord kunnen vinden of geven op lastigheden.

Opvoeden, ouder worden en alles wat daar tussen ligt of mee gepaard gaat kent bij tijd en wijle (forse) hindernissen en beperkingen voor (jeugdige) inwoners en hun omgeving. Dat is absoluut waar. Maar (ook) professionele hulpverleners zijn geen oliemannetjes- of -vrouwtjes die dat allemaal wel even oplossen (lees: repareren).

Jeugdzorg is, net als zorg die wij bieden onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) geen reparatiebedrijf. Bij een minder functionerend vatenstelsel rond ons hart kan de hartchirurg de slechte delen vervangen en zo de werking van het hart herstellen. Bij een gebroken been of arm, kan de schade inderdaad hersteld worden. In zaken rond opvoeden, groter groeien en ouder worden ligt dat toch even anders. De oorzaak is dan vaak niet allen minder eenduidig, maar kent ook vele aangrijpingspunten. Een druk kind bijvoorbeeld. Is dat het gevolg van beperkingen in het kind zelf gelegen, of komt dat door een omgeving die teveel prikkels geeft? Of ouders die onvoldoende grenzen stellen?

Te vaak en te veel zie en hoor ik inwoners verwachten dat professionals hun probleem wel even (moeten) kunnen fixen. Wanneer diezelfde professional dan het vraagstuk in een bredere context probeert te bekijken – waarbij ook de bijdrage (in houding, gedrag, activiteit, etc.) van de inwoners zelf ook aan de orde komt) ontstaat al gauw verontwaardiging. “Mijn kind (of partner, ouder) heeft een probleem. Ik niet!”

Wij, de inwoners verwachten van ‘de overheid’ een oplossing voor al onze problemen. Diezelfde overheid moet dat dan wel doen tegen zo laag mogelijke kosten. Want onze Onroerende Zaak Belasting of de andere belastingen mogen vooral niet omhoog gaan. Zoals ook onze eigen financiële bijdrage aan een eventueel antwoord zo niet nihil, dan toch in ieder geval zo beperkt als mogelijk moet blijven. Als onze overheid, die wij overigens zelf gekozen hebben, vervolgens probeert de kosten in de hand te houden spreken wij – de inwoners – daar ook weer schande van. Wat ik maar zeggen wil: we zijn te veel klant geworden van de overheid, en te weinig mens gebleven.

Het gevolg hiervan is ook de oorzaak van de gordiaanse knoop waarmee wij elkaar gevangen houden. Dat is – helaas – niet een nieuwe constatering: de Franse politiek filosoof Alexis de Tocqueville voorspelde dit al in “Over de Democratie in Amerika (1931-32): “De democratie zal er toe leiden dat de mens individualistischer wordt, en de staat bureaucratischer. En deze twee gaan elkaar versterken. Dus hoe meer de staat gaat oplossen – in plaats van mensen onderling en in verenigingen – hoe individualistischer de mens wordt, omdat hij denkt dat de staat het wel regelt. En hoe individualistischer de mens wordt, hoe meer de staat de noodzaak zal ervaren om problemen op te lossen, want wie doet het anders?”

Het voortgaan op ‘de weg van eindeloze verwachting’ biedt u en mij wellicht het heerlijke gevoel dat ons ongemak vooral aan de ander ligt (mij valt niets te verwijten). Het zal ons ongenoegen per saldo echter alleen maar voeden. Het wordt daarom tijd dat wij stoppen met het bij elkaar over de schutting gooien van deze gezamenlijke uitdaging. Gewoon, omdat dit niet alleen de onvrede zal verminderen, maar ook en belangrijker nog, omdat het een passend antwoord dichterbij brengt. En dat begint met de erkenning – bij overheid én inwoners – dat repareren (cure) echt wat anders is dan (goed) onderhouden (care). Goed onderhoud is namelijk een zaak van iedereen! Om te beginnen bij onszelf!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.