Galerij

De buitenspelval moet ons beschamen

buitenspelval1.png

  • Waardigheid als waarde

“Soms,” vertrouwt Edwin mij toe, “wil ik liever niet meer wakker worden. Wachten op de postbode. Van dinsdag tot en met zaterdag is het middaguur een kwelling voor mij. Niet, dat ik haar graag zie. Integendeel. Het liefst kijk ik haar mijn deur voorbij. Want als zij komt en ook mijn deur aandoet, dan brengt zij nieuwe rampspoed. In de vorm van nieuwe nota’s of – erger nog – aanmaningen van eerdere. De zondag en de maandag zijn – wat dat betreft – zegeningen. Maar dan zijn er – net als alle dagen waarop de kinderen vrij waren – andere problemen. Dan vreest ik de momenten dat ik hen moet teleurstellen met een “Nee, dat kan niet. Daar is geen geld voor.” En dan de vrijdagen. Als ik naar de voedselbank moet. Dat is voor mij en mijn vrouw een schaamtevolle martelgang.”

Het verhaal van Edwin is niet uniek. Terwijl wij weer dagelijks de loftrompet steken over de prachtige economische ontwikkeling. Over de groei van werkgelegenheid ook. Ondertussen echter groeit de kloof tussen ‘arm’ en ‘rijk’. Een kloof die mensen, groot en klein – eenmaal naar ‘arm’ overgestoken – buitenspel verklaart.

Steeds vaker dringt zich, als ik Edwin spreek en zijn verhaal hoor, bij mij een almaar knagender gevoel van schuld op. “Hoe toch,” denk ik, “is het mogelijk dat wij als samenleving niet in staat zijn om voor mensen als Edwin die buitenspelval op te heffen?”

Schuld en schaamte vervreemden. Ze zijn de belangrijkste oorzaak van ontwrichting. In relaties, gezinnen en de maatschappij. Schuld, zo realiseer ik mij, vraagt om actie; die echter door schaamte wordt verlamt.

Beschamend is het gevoel door de ander te worden bekeken, be- of veroordeeld. Je voelt je vernederd, stom; je bent een loser. De ergste straf is die van het oog van de honende toeschouwer. Wie zich schaamt wil maar één ding: verdwijnen. Die neiging maakt dat ook dat het contact met de realiteit verloren gaat. Het negatieve beeld projecteren we op de ander. Wat des te gemakkelijker is, als ook die ander minder contact maakt, omdat die de schuldenaar als zondebok zien. Zo vergroot zich niet alleen stilletjes de armoede, maar meer nog de kloof.

Als wij dat alles weten, dan is niet kwijtschelding van schuld de eerste opgave. Eerder is dan het wegnemen van de schaamte de uitdaging. Dat is eigenlijk heel simpel, en daardoor waarschijnlijk ook zo verdomd moeilijk. Het vraagt namelijk om elkaar als mensen niet op economische waarde, maar op waardigheid aan te spreken.

Wie buitenspel staat, voelt zich minderwaardig. Niet gewaardeerd. Een gevoel dat eenvoudig te doorbreken is. Gewoon, met een simpele vraag: “Kun jij wat voor mij doen?” Omdat wij die vraag niet stellen, staat in Nederland dagelijks ruim 20% van het menselijk kapitaal buitenspel! En dat zijn mensen als Edwin. Mensen die – ieder op eigen wijze, net als jij en ik – willen meetellen en meedoen.

Meetellen en meedoen geeft waardigheid. Daarom roemen wij ook de prachtige economische groei. Feesten wij de toename van de werkgelegenheid die daarmee gepaard gaat. Diezelfde feestwoede maakt ons echter ook blind. Doet ons te gemakkelijk voorbij de grote en kleine Edwin’s kijken. Terwijl ook zij willen en kunnen deelnemen aan onze samenleving. Om hun recht daarop te respecteren is, eerder nog dan het kwijtschelden van schuld, een hervorming van ons waardensysteem nodig. Door dat te hervormen kunnen wij een einde maken aan erosie van de onze samenleving.

Het gebrek aan balans in onze samenleving wijst op een cruciaal cultureel aspect: de veranderende verbondenheid van mensen op elkaar. Die verbondenheid wordt meer en meer uitgedrukt in termen van morele schulden en verplichtingen. Wie ben ik iets verschuldigd? Wie is mij iets verschuldigd?

Maar wie bepaalt wat een schuld is en hoe deze vereffend kan worden? Waarom kan schuld alleen weggewassen met betaling? Omdat wij de waarde van waardigheid uit het oog zijn verloren! Schuld en verplichting zijn verbonden aan economische waarde: de financiële schuld. Wat wij nu aan anderen verschuldigd zijn, wordt uitgedrukt in bedragen die enkel vereffend kunnen met neutrale valuta. Contracten, niet morele overwegingen, binden de schuldenaar aan de schuldeiser.

Het gevolg van dit alles is de erosie van de sociale samenhang. De kloof van ‘arm’ en ‘rijk’. Omdat wij het gevoel van waarde en waardigheid hebben ingeruild voor de veronderstelde objectiviteit van een munt. In de plaats van wederkerigheid stimuleren wij morele leegte. Leegte die onze samenleving uit elkaar drijft en individuen kwetsbaar maakt.

Zo kijkend naar de opgave kan schuld in plaats van vernietigend, heel constructief en helend werken. Niet door haar kwijt te schelden, maar door haar te ruilen met waarde van waardigheid. Elk mens wil iets betekenen. Voor zichzelf en voor de ander. Elk mens heeft ook zijn eigen kwaliteiten. Als wij die weer (h)erkennen en die weer ruilen gaan, dan kunnen wij de breuk in de samenleving herstellen. Zo ook kunnen wij de ons beschamende buitenspelval samen elimineren.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.
  • Meer blogs en ideeën zijn te vinden op Verruim de horizon en Inspirituals
Galerij

Chronische excuses schoffelen

modder1.png

  • De letter doodt; de geest maakt levend!

“Kijk niet of het mag, maar doe wat werkt.” Dat was, vrij vertaald, de boodschap van minister Plasterk. Hij informeerde de Tweede Kamer over het programma sociaal domein. Hierin zijn gemeenten en Rijk samen verantwoordelijk voor oplossingen in de transformatie van het sociaal domein. De uitdaging voor alle betrokkenen, gemeenten en hun bestuurders, organisaties en hun professionals én inwoners is daarbij om weg te blijven van systeemoplossingen.

Er valt inderdaad nog veel te verbeteren aan de ondersteuning en zorg van en voor mensen. Zeker vanuit het oogpunt van duurzaamheid van antwoorden en betrokkenheid van de inwoners. Want, ondanks de transitie – de overdracht van taken en middelen van Rijk en provincies naar gemeenten – is de huidige werkwijze niet toereikend. Zeker niet om met betaalbare en oplossingsgerichte antwoorden in de groeiende vraag naar ondersteuning en zorg te voorzien. Daarvoor is een grensverleggende systeemverandering nodig. Gestoeld op basisprincipes waarin de inwoner die het betreft een volwaardige rol speelt. Alleen als wij daarin slagen zal ons sociaal- en zorgstelsel voldoende robuust zijn om ook komende generaties duurzaam van ondersteuning en zorg te kunnen voorzien.

Als geen ander kunnen en willen vrijwilligers, mantelzorgers en professionals in het sociaal domein aan deze game changing werken. Als geen ander ook lopen zij tegen grenzen van vermeende belemmeringen aan. Die kunnen financieel zijn, voortkomen uit wet- en regelgeving, protocollen of handelingsverlegenheid. Hierdoor maken zij de hen toebedachte rol niet waar. Omdat zij verstrikt raken en blijven in een web van afhankelijkheden en procedures. Het gevolg? Chronisch excuusgedrag!

Of daarvoor een oplossing is? Welzeker!

Tussen wil en wet staan te vaak muren van onterechte bezwaren en belemmeringen. Muren die wij eenvoudig weg kunnen nemen. Niet met een zoveelste systeemwijziging of nieuwe wet- en regelgeving. Eerder draait het om een combinatie van eigenaarschap, lef en doorzettingskracht. Gecombineerd met kennis en een dosis gezond verstand vormen deze eigenschappen hét kompas om te doen wat nodig is. Het hanteren van de ‘omgekeerde toets’ kan daarbij helpen.

De omgekeerde toets is een door kennisorganisatie Stimulansz ontwikkelde hulpmiddel. Een stapsgewijze methodiek die vraagt om anders om te gaan met wet- en regelgeving. Deze methode maakt mogelijk te doen wat nodig is. Te doen wat werkt. In plaats van te doen wat kan. Met als resultaat: maatwerk leveren zonder willekeur, en recht doen aan de geest van wet- en regelgeving.

Sinds mensenheugenis hebben we namelijk de gewoonte om regels en wetten in tekst te vangen en vast te leggen. Dat is lekker concreet en (vaak) gedetailleerd. Alles waarvan we dachten dat het vastgelegd moet worden, wordt opgeschreven. En bij alles wat wij doen (of laten) kijken wij eerst naar ‘wat de wet zegt’. Maar is dat nou wel zo’n goed idee?

Nou, niet per se! Het ligt er maar net aan hoe je er mee omgaat. En met welke bedoeling. Hanteer je de letter, of hanteer je de geest? De letter doodt, zo leert de geschiedenis. De geest maakt levend!

Eigenlijk werkt de omgekeerde toets net zo. Zij doet wat u en ik in het ‘gewone’ dagelijkse leven bijna als vanzelf en automatisch doen: kijken wat nodig is en werkt. Om dat vervolgens te combineren met de mogelijkheden. Pas als dat helder is, komt de vraag of het mag en kan. Zo doen wij wat werkt!

De decentralisaties – en vooral de door iedereen daarmee gewenste omvorming van ons sociaal- en zorgstelsel – zijn in mijn optiek een unieke kans om hier meer werk (en gewoonte!) van te maken. Dat begint niet bij de ander. Niet bij het systeem of bij wet- en regelgeving. Het begint met zelf stevig in de spiegel te kijken. Want het ‘uit koers raken’ van zorg en welzijn begint daar. Bij jou en mij. Te gemakkelijk, zo leert ons die spiegel, verliezen wij het eigenaarschap uit het oog. Kleden wij ons met de schaamlap van ‘de ander’, ‘het systeem’ of ‘de wet- en regelgeving.

Het dominante verhaal van de systeemwereld kunnen jij en ik doorbreken. Gewoon, door steeds weer bij de bedoeling te beginnen. Als een continu reflectiemechanisme voor het eigen doen en laten. Zo krijgt de leefwereld weer regie over de vraag wat hier en nu nodig is. Om pas daarna te beredeneren wat daarvoor in de systeemwereld moet worden of is ingericht. Zo maken wij de systeemwereld van sturend regisseur tot hulpmotor. De sturing ligt bij mensen als jij en ik. Mensen die zich handelingsvrij voelen om echt te doen wat nodig is. Niet vrijblijvend, maar vanuit eigenaarschap en (professionele) verantwoordelijkheid. Want dáár zit de sleutel.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Galerij

Smalle blik vraagt brede kijk

bewustzijn.png

  • De werkelijkheid is niet simpeler dan de werkelijkheid

Er is een tijd geweest dat wij de toekomst van de wereld hoopvoller onder ogen zagen dan dat dit vandaag de dag het geval is. Het perspectief van een wereld waarin democratisch geregeerde staten hun onderlinge betrekkingen vreedzaam regelen onder supervisie van een bovennationale macht (b)lijkt een utopie. In toenemende mate fascineert het verschil tussen de belofte van iets en de banale werkelijkheid. De oorzaak daarvan? Reductionisme en bewustzijnsvernauwing.

Reductionisme is het tegendeel van integraal denken en doen. Het is het terugbrengen van complexe verschijnselen tot één enkele verklaringswijze of één enkele doelstelling. Integraal denken en doen is een benaderingswijze van de werkelijkheid, waarbij integratie plaats vindt van een verscheidenheid van allerlei gezichtspunten binnen een groter geheel. Dat geheel heeft daarbij een andere, meer omvattende betekenis dan hetgeen uit de delen kan worden afgeleid.

Hoe schrijnend is in dat verband de constatering dat het ons – en de politici is ons land (en de wereld) in het bijzonder – niet lukt om met partijpolitiek duurzame samenwerking tussen overheid en inwoners de weg van het reductionisme te verlaten. Of – erger nog – die juist door het terugredeneren van de complexe werkelijkheid tot één enkele verklaringswijze of één enkele doelstelling, die samenwerking meer dan ooit uit het zicht laten raken. Een land waarin 28 partijen vechten om 150 zetels in ons parlement is een toonbeeld van versnippering. Met een kakofonie van stemmen die schreeuwen om aandacht en het gelijk voor de meest uiteenlopende kwesties als resultaat. In het gunstigste geval beperkt de strijd zich tot een Babylonische spraakverwarring waar geen touw meer aan vast te knopen valt. In het meest ongunstige geval zal het leiden tot vernietiging van elkaar.

Metaforisch gesproken: een persoon of gezien in nood heeft niks aan 28 hulpverleners die – in plaats van te acteren – elkaar de tent uitvechten over het antwoord op de vraag wie de regie mag voeren.

Binnen het sociaal domein hebben wij heel lang gewerkt volgens de principes van het reductionisme. Dat is een moeilijk woord voor het versmallen van een complex verhaal tot een klein onderdeel ervan. Dat gebeurde eigenlijk altijd: we keken naar details, naar geïsoleerde fenomenen.

Deze methode van het splitsende denken leidde ertoe dat mensen worden benaderd door hun problemen uit elkaar te nemen in zo klein mogelijke deelproblemen. Deze werden vervolgens apart opgelost en weer teruggeplaatst in het geheel. Zo kan men ook zeggen dat het denken in de geneeskunde (de cure – de reparatieafdeling) gebaseerd was op de (dominante) opvatting dat het lichaam een machine is, ziekte het gevolg van het kapot gaan van de machine en de taak van de arts om dit mechanisme te herstellen/repareren.

Hoewel dit denk- en doe-model de afgelopen decennia naast ontelbaar bruikbare denkkaders ook heel veel nieuwe behandelingsmogelijkheden opleverde, ontstonden er steeds meer en dwingender aanwijzingen dat met het opsplitsen en het analyseren de geneeskunde haar doel voorbijschoot. De geneeskunde dreigde door dit verregaand onderscheiden het zicht op het geheel te verliezen. Voor de care (de onderhoudsafdeling) bleek dit nog nadrukkelijke het geval. Met niet zelden symptoombestrijding in plaats van effectieve en duurzame oplossingen als resultaat.

Binnen het sociaal domein is, als reactie op dit inzicht in toenemende mate sprake van holistisch denken. Bij het holistisch denken kijken wij naar meerdere factoren om iets te verklaren. In tegenstelling tot enkel een ‘symptoom -gevolg”-benadering, kijken we ook naar de sociale en psychologische omgeving. Kan de moeder van twee kinderen met ADHD de drukte niet aan, of ontbreekt het aan andere zaken? Als we verder kijken naar de persoonlijke situatie van moeder en kinderen zouden wij wellicht merken dat heel andere factoren van grote invloed zijn op de draagkracht van moeder. Zoals het simpelweg ontbreken van een eigen, rustige leefruimte voor de kinderen afzonderlijk. Waardoor moeder en kinderen bij voortduring op elkaars lip zitten en met elkaars onrust worden geconfronteerd. Het realiseren van een eigen kamertje voor de kinderen kon (en bleek in het onderhavige geval) wel eens een betere oplossing zijn dan gedragstherapie.

De leefomgeving van iemand is dus van cruciaal belang om een stuitende verklaring te geven en er is dus voor een gevolg niet uitsluitend één oorzaak aan te duiden. Laat staan dat we hier in alle gevallen over een lineair verband kunnen spreken. Dat vraagt integraal kijken en doen.

Integraal denken en doen is, zeker bij mensen of gezinnen die met meerdere uitdagingen tegelijkertijd geconfronteerd worden een profijtelijke must gebleken. Van groot belang daarbij is een goede samenwerking tussen alle betrokkenen. Hierbij speelt regie een belangrijke rol; één persoon is, neemt en krijgt de verantwoordelijk voor het overzicht op het geheel.

Ik hoop en wens dan ook dat u en mij – en de mensen met en voor wie wij binnen het sociaal domein werken – bespaard wordt wat er dreigt te gebeuren met het ideaal van een democratische wereldorde. Dat al ons denken en doen uiteindelijk gebaseerd blijkt op loutere retoriek. Blijkt dat toch het geval, dan zullen reductionisme en bewustzijnsvernauwing de harmoniserende invloed van integraal denken en doen verpulveren.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.
Galerij

De vloek van de Toegang

vloek.png

  • Realiseer voor grote vraagstukken een oplossing als ze nog klein zijn

1 gezin, 1 plan, 1 aanspreekpunt, en – als het kan – 1 budget. Nagenoeg elke gemeente in Nederland hanteert inmiddels dit mantra voor het sociaal domein. Die term wij gebruiken voor alle sectoren die te maken hebben met de sociale kant van het gemeentelijke beleid: zorg, welzijn, onderwijs, gezondheidszorg, opvoeding, inburgering en sociale activering. Om dit mantra te realiseren werken veel gemeenten met sociale wijkteams. Met een integrale aanpak moeten de sociale wijkteams voorkomen worden dat hulpverleners zich ongecoördineerd bezig houden met hetzelfde gezin (1gezin-1plan-1regisseur). Muurtjes tussen verschillende hulpverleners moeten daarmee afbrokkelen en een hechte samenwerking op gang brengen. Het klinkt goed. Het moet ook. Maar in het praktisch handelen zie ik dat nog onvoldoende terug. Als het bijvoorbeeld om individuele behandeling of begeleiding gaat, werken ze al gauw als ware het een ticketbureau. Een ticketservice die voorzieningen toewijst als antwoord op een beperking. Dat noem ik de vloek van de toegang: oud denken en doen.

De sociale wijkteams hebben vaak ook de taak te voorzien in toegang tot intensievere of specialistische vormen van ondersteuning. Wie daarop is aangewezen, moet voor die ondersteuning of zorg een toewijzing (indicatie) krijgen, Hiermee krijgt een inwoner toegang tot de voor die persoon gewenste of noodzakelijk geachte zorg.

Het ticketbureau Toegang werkt meestal stevig geprotocolleerd. Niet zelden gevoed door of verankerd in:

  • Systeemoriëntatie: waarbij de ondersteuning of zorg wordt gebouwd rondom de verschillende wettelijke kaders – elk met hun eigen aanbod, regels en financiering en met bijbehorende perverse prikkels.
  • Probleemoriëntatie: waarbij niet het vraagstuk van het individu vertrekpunt is, perspectief van het individu en/of zijn omgeving centraal staat, maar het probleem. Meestal is er daardoor eerder sprake van symptoombestrijding dan van eliminatie van de oorzaak, de bron van het probleem.
  • Beroepsoriëntatie: waarbij niet de vraag van het individu in zijn omgeving centraal staat, maar de professie van de beroepskracht of zijn organisatie.
  • Aanbodoriëntatie: waarbij de vraag/ het probleem wordt vertaald naar het bestaande (professionele) aanbod in plaats van op de specifieke (on-)mogelijkheden van het individu in zijn omgeving aansluitend maatwerk.

Om een ticket voor individuele ondersteuning voor elkaar te krijgen ontstaat zo een tijd vretende dialoog en torenhoge drempel. Met de beste intenties willen de medewerkers van het ticketbureau de inwoner breed ondervragen op meerdere levensgebieden en vervolgens tot een passende oplossing komen. Diagnostiek duurt zo lang en leidt niet zelden ook tot meer verwarring. De werkwijze heeft ook als gevolg dat concrete acties uitblijven. Juist die ervaring maakt dat mensen het vertrouwen en geloof in de zorg verliezen.

Natuurlijk, het is logisch dat aan de toegang tot individuele ondersteuning of hulp een professionele inschatting en oordeelsvorming vooraf gaat. Waarom echter kunnen – net als bijvoorbeeld bij de huisarts – professionele oordeelsvorming en praktisch handelen niet gelijktijdig plaatsvinden? Als je echt wilt weten waar mensen tegenaan lopen én waar hun kracht ligt, of wat nodig is om dit te ontwikkelen, moet je niet alleen de vraag kunnen verhelderen, maar ook kunnen acteren. Doen wat (als eerste stap) nodig is. Dit laatste houdt in dat we niet meer de beperking (alleen) als uitgangspunt nemen, maar (ook) de mogelijkheden die worden bepaald door de individuele situatie waarin een persoon zich bevindt.

Elke huisarts in Nederland beoogt maatwerk en zijn of haar werkwijze kenmerkt zich door een oplossingsgerichte aanpak. Dat vraagt ruimte en flexibiliteit om op het concrete aangrijpingspunt – het actuele probleem – in te spelen. Dat vraagt naast improvisatietalent, creativiteit om inbeeldingsvermogen om handelingsgerichtheid in plaats van kijken naar formele posities, verantwoordelijkheden, richtlijnen en protocollen.

Een goede professional in het sociale domein werkt open minded, verricht geen losse, context loze handelingen, maar beoefent een complexe praktijk. Hij heeft oog voor wat er voor de inwoner op het spel staat. Maar ook wat er voor die inwoner of zijn/haar omgeving op het spel staat. Hij stelt zich voor hoe het zal gaan als hij iets op z’n beloop laat, en vraagt zich af of dat dan goed of niet goed is. Terwijl hij zich goed laat informeren, de verschillende opties zorgvuldig naloopt en over het algemeen beredeneerd te werk gaat, durft hij ook een ‘sprong’ te maken. Zo nodig zoekt hij de randen van zijn vak op. Of gaat er zelfs overheen. Hij bedrijft een soort hogere kunde van improvisatie en kan spelen met de toepassing van regels. Anders gezegd: hij beheerst de kunst van de regelovertreding ten behoeve van goede zorg.

Het overkoepelende begrip is uiteindelijk: ‘praktische wijsheid’ gekoppeld aan daadkracht. Deze oplossingsgerichte werkwijze vraagt om professionals die weten wat hun vak is, waarop het is gericht, en die daarop durven koersen. Professionals ook die aanvaarden dat zij moeten handelen, ook als doelen tegenstrijdig zijn, regels elkaar tegenspreken en de uitkomst van dat handelen onzeker is. Deze professionals snappen ook dat complexiteit, dynamiek en ‘spontaan’ acteren bij het vak horen. Regels en richtlijnen vatten zij net op als aanwijzingen op basis waarvan zij niet mogen acteren.

Oplossingsgericht werken is leuk en lastig om te doen. Oplossingsgerichte interventies zijn – mits met de juiste grondhouding uitgevoerd – vaak verrassend simpel. Grote vraagstukken blijken niet zelden voorkomen of wegenomen te kunnen met een heel praktische oplossing. Daarbij gaat het om het vinden van antwoorden op vragen als: Waar ben je goed in, waar word je blij van, wat helpt je en wat heeft al geholpen. Zo oplossingsgericht werken is een positieve, krachtige manier om veranderingen bij mensen, teams en organisaties te realiseren. Een werkwijze ook, waarmee wij de vloek van de Toegang kunnen terugdringen of uitbannen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als Partner/senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.
Galerij

Het leven repareren

reparer.png

  • Reparer-les-vivants

Een camera volgt een hart vanaf een noodlottig ongeval tot aan het moment waarop het met stroomstootjes weer aan het kloppen wordt gebracht in een ander lichaam…

Vroeg in de ochtend trekken drie surfers naar zee om de golven te trotseren. Op de weg terug krijgen ze een ongeval. De negentienjarige Simon Limbres wordt in comateuze toestand naar het ziekenhuis vervoerd, waar de arts constateert dat hij hersendood is. Hij wordt door machines in leven gehouden. Zijn ouders moeten snel een moeilijke beslissing nemen over mogelijke orgaandonatie. Tegelijkertijd moet Claire, moeder van twee net volwassen zonen, in Parijs onder ogen zien dat haar hart niet lang meer zal blijven functioneren. Haar kwaliteit van leven gaat snel achteruit. Een nieuw hart zou haar redding zijn. Het hart van Simon. Urgente keuzes en de consequenties daarvan vormen de basis van de verfilming van de roman ‘De Levenden Herstellen’ van Maylis de Kerangal. Regisseuse Katell Quillévéré weet op een ingetogen en indrukwekkende manier het leven te tonen dat zowel eindigt als begint.

 

Galerij

Het doet zo zeer

het doet zo zeer.png

  • Intiem portret van een dementerende moeder

Als haar moeder niet meer voor zichzelf kan zorgen, besluit Heleen een mantelzorgwoning in haar tuin te laten maken. Nadat haar moeder ook hier niet meer kan verblijven, volgt opname in het verpleeghuis. Daar verbetert de geestelijke en lichamelijke gesteldheid van haar moeder gestaag. Een euthanasieverklaring? Wat haar moeder betreft nog even niet.
In de documentaire “Het doet zo zeer “volgt schrijfster Heleen van Royen gedurende één jaar haar dementerende moeder. Een portret van zeer dichtbij. Moeilijke beslissingen over verhuizen, over euthanasie en kostbare momenten van samenzijn wisselen elkaar af. Een liefdevolle, herkenbare, pijnlijke en vaak bijzonder grappige ode aan het leven, met dank aan Heleens moeder, mevrouw Breed.

Heleen bedient de camera grotendeels zelf. In een periode van ruim een jaar volgt ze haar moeder in alledaagse situaties en in de tocht langs artsen, zorginstellingen en klinieken. Het resultaat is een aangrijpend filmportret dat de schrijnende kanten van het ouder worden in Nederland anno 2017 laat zien; het huidige kabinetsbeleid in volle glorie.

HET DOET ZO ZEER is geselecteerd voor IFFR 2017, het internationale filmfestival Rotterdam. De wereldpremière vindt plaats tijdens het festival, op 28 januari 2017 in het Oude Luxor in Rotterdam. Vanaf 23 februari draait de film in de bioscoop.

Van woensdag 25 januari t/m zondag 5 februari 2017 vindt de 46ste editie van het International Film Festival Rotterdam (IFFR) plaats.

Galerij

Ontketen de transformatie

ontketenen.png

  • Een idee is slechts een startpunt en anders niets.

“Men moet de dingen zo diep zien, dat ze eenvoudig worden.” Dat is – in essentie – de opdracht die verbonden is aan de veranderingsopgave binnen het sociaal domein. Voor gemeenten en uitvoerende professionals vormt het realiseren van de daarvoor benodigde ‘veranderkracht’ de kern van een succesvolle transformatie in de praktijk. Naast een gedeelde visie, een gevoel van urgentie, aanjagers van verandering en daadkrachtig sturen op de verandering vraagt dit eerst en vooral ruimte voor verandering. En daar gaat het, structureel te vaak – fout. Want in de politiek is toegestaan wat in de zorg verboden is: iets uit zijn verband rukken.

De afgelopen jaren heeft tussen rijk, provincies en gemeenten een ingrijpende herschikking van verantwoordelijkheden en bevoegdheden plaatsgevonden. In het sociale domein heeft de decentralisatie haar beslag gekregen, in het fysieke domein is dit nog gaande. De beoogde veranderingen zijn dermate ingrijpend dat zij tijd nodig hebben om verwezenlijkt te worden. Bovendien moet de praktijk de komende jaren de ruimte krijgen om de doelstellingen van de decentralisaties te verwezenlijken. De Afdeling advisering van de Raad van State beveelt om deze reden terecht aan zeer terughoudend te zijn met het initiëren van nieuwe regelgeving.

Het is tegen de achtergrond van dat advies schrijnend, te moeten vaststellen dat tussen de gedeelde droom de draad van daad steeds weer en meer breuken vertoont tussen de vooruit- en achteruittrekkende elastiekjes.

Natuurlijk, de verschillende verantwoordelijkheden op grond van het wettelijke stelsel moeten gerespecteerd worden. Tegelijkertijd mag de stelselverantwoordelijkheid van de rijksoverheid geen alibi zijn voor het rijk om – eenzijdig en in strijd met het uitgangspunt van de decentralisatie – in te grijpen in de uitoefening van gedecentraliseerde bevoegdheden. Toch blijkt in de praktijk tussen deze tuinen van theorie en praktijk een bedroevende prikkelhaag te staan. De bestuurlijke kapiteins op het binnenhof manifesteren zich met hun ‘nee, dat kan en mag niet’ met grote regelmaat als terugtrekkende elastiekjes jegens gemeenten die ook ‘ja, dat moet’ kunnen zeggen. Ze creëren niets, ze ontdekken en onthullen slechts wat al bestaat. Het effect daarvan is dat de transformatie binnen het sociaal domein geketend wordt aan de instandhouding van dat wat was. De aanjagers van het transformationele paradigma, worden daarmee strevers naar het onmogelijke die steeds weer opnieuw het onontkoombare moeten accepteren.

Beleid op maat en integraal beleid – pijlers voor het gedachtengoed bij de transformatie – beperken de mate waarin uitvoering van het beleid door regels kan worden gestandaardiseerd. De uitvoering moet – meer dan voorheen – worden bepaald door de beoordeling in concrete gevallen. Van behoeften, mogelijkheden en middelen en de wijze waarop onderscheiden voorzieningen en maatregelen het beste daarop afgestemd. Natuurlijk zal de kwaliteit, de beoordeling en besluitvorming moeten plaatsvinden op grond van regels. Maar met die regels zal op een zodanige wijze moeten worden omgegaan dat meer ruimte ontstaat voor een waardering van de uitkomsten in het individuele geval.

Kan en moet het anders? Ja en nee. Wij kunnen en zullen de eindjes van een gebroken elastiekje steeds weer aan elkaar knopen, maar het blijven altijd knopen. De transformatie die nodig is, reikt veel verder dan dat met de wijzigingen van de daaronder liggende wetten is gerealiseerd. Dat geldt voor inwoners, voor aanbieders en professionals net zo goed als voor gemeenten en het rijk. De daarvoor benodigde verandering in houding en gedrag – van alle betrokkenen – kan echter niet van de ene op de andere dag worden verwacht. Dat vergt een proces van lange adem.

De overgang van taken, bevoegdheden en middelen binnen het sociaal domein is door grote inzet van alle betrokkenen zonder al te veel problemen verlopen. De gewenste paradigmawisseling moet echter verdergaand verankerd worden in een veranderende houding van de betrokkenen ten opzichte van elkaar. Dit vraagt bij het loslaten en overdragen van taken en bevoegdheden tegelijkertijd rolvastheid van eenieder. Terughoudendheid ook bij het zich voordoen van nieuwe dan wel onverwachte ontwikkelingen. Het zo doorontwikkelen van de verhoudingen is van essentieel belang voor het kunnen behalen van de doelstellingen die met de decentralisaties zijn beoogd.

Tegen de niet aflatende aanjagers zeg ik intussen: blijf enthousiast en aanmoedigend optreden. Maar blijf ook realistisch. Als je sneller wilt zeilen dan de wind, vraagt elke beweging naar voren oog voor de wrijvingskrachten die je oproept. Blijf desondanks volhouden en het goede voorbeeld geven! Laat zien wie je bent, los van verwachtingen, los van goedkeuring. Duw harder als je iets hebt om tegen te duwen. Maar wacht niet. Het juiste moment bestaat niet. En mocht, ten langen leste, duidelijk worden dat je jouw doel niet bereikt, verander dan niet je doel, maar verander je aanpak.