Waar populistisch nationalisme regeert…

chez nous2.png

  • Chez nous

Locatie: het morsige Noord-Frankrijk. Daar woont Pauline, een alleenstaande moeder met twee kinderen en een zeer toegewijde, empathische wijkverpleegkundige. Op een dag stelt de huisarts van haar vader haar voor actief te worden in een rechts-populistische beweging (lees: Front National).

De vraag kent een verborgen agenda: de partij wil profiteren van haar ‘good looks’ en haar populariteit onder de lokale bevolking.

De Belgische regisseur Lucas Belvaux heeft met Chez nous een film willen maken ‘die kiezers adresseert en laat zien hoe hun angsten en kwaadheid gebruikt worden voor racisme, fascisme, antisemitisme en andere vormen van antidemocratische autoriteit’.

Zijn keuze voor onder meer een verpleegkundige en een arts als protagonisten verraadt dat hij die angsten en die kwaadheid uit de eerste hand wilde registreren. Een inkijk in de wortels van het populisme die tot nadenken stemt….

Wrijven in de vlek neemt haar niet weg

kwestbaar.png

  • Een echte pleister is beter dan valse aandacht

Ik zal de laatste zijn die beweert dat de meest kwetsbare gezinnen in ons land adequaat geholpen worden. Dat kan en moet veel beter. Wat mij in de recente berichtgeving daarover stoort is de suggestie dat dit komt door – of een gevolg is van – de decentralisatie van de jeugdhulp naar gemeenten. Dat schept een vals beeld. Het voelt ook een beetje als wrijven is een al langer bestaande vlek. En met wrijven in de vlek, neem je die nog niet weg!

Medio april 2017 stelden het Toezicht Sociaal Domein/Samenwerkend Toezicht Jeugd in een kritische rapportage dat de meest kwetsbare gezinnen nog onvoldoende geholpen worden door de wijkteams. Het uitgangspunt een-gezin-een-plan-een-regisseur komt volgens de stellers niet goed van de grond. De gezamenlijke Toezichthouders onderbouwen deze bevindingen adequaat en zorgvuldig. “De conclusies zijn verontrustend”, stelt Esther Deursen programmadirecteur Toezicht Sociaal Domein.

In de berichtgeving rondom de bedoelde rapportage stoppen de media vervolgens een venijnige boodschap: de gemeenten kunnen de zorg voor kwetsbare gezinnen niet aan. Om daarbij fijntjes te verwijzen naar de decentralisaties in 2015. Als gevolg waarvan deze zorg de verantwoordelijkheid van gemeenten is geworden.

Ik ben nog maar eens even terug in de tijd gegaan. Om vast te stellen dat de zorg voor kwetsbare gezinnen al veel langer een zorg is. “Gezinnen met een geringe sociale redzaamheid zijn kwetsbaar. Zij hebben vaak een combinatie van problemen, bijvoorbeeld op het gebied van zorg, onderwijs, huisvesting, financiën en justitie. Vaak krijgen deze gezinnen niet de zorg die ze nodig hebben.” Aldus de “Staat van de Gezondheidszorg” van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Zij schreef dit in 2010.

“Vanwege het meervoudige karakter van de problematiek en het grote aantal partners dat bij deze zorg betrokken is, komt adequate zorg niet vanzelfsprekend tot stand,” schreven de inspecties voor gezondheidszorg, jeugdzorg en onderwijs toen. Zij hebben destijds het initiatief genomen om met een groot aantal organisaties op het gebied van onderwijs, jeugdzorg en gezondheidszorg, randvoorwaarden te ontwikkelen voor verantwoorde zorg aan gezinnen met geringe sociale redzaamheid. Want”, zo stelden toen de Inspecties: “Verantwoorde zorg voor gezinnen met geringe sociale redzaamheid is alleen mogelijk als alle relevante instellingen betrokken zijn en als deze instellingen effectief met elkaar samenwerken en de zorg goed op elkaar afstemmen”.

Dat alles was de verontrustende stand van zaken ver voor de decentralisaties van 2015. Het lukt ons kortom in de praktijk gedurende een lange reeks van jaren en ondanks de decentralisaties onvoldoende om de problematiek van deze complexe gezinnen goed aan te pakken. Om met deze gezinnen en betrokken professionals ‘een samenhangende aanpak tot stand te brengen. Een aanpak die effectief de problemen oplost of beheersbaar maakt en nieuwe problemen helpt te voorkomen. Kwetsbare gezinnen hebben kennelijk een andere aanpak nodig dan die wij gedurende langere tijd boden of niet bieden.

Natuurlijk, gemeenten en hun professionals kunnen veel beter kijken of de sociale wijkteams die kwetsbare gezinnen echt vooruit helpen. Ook ik ben ervan overtuigd dat kwetsbare gezinnen het best af zijn met één contactpersoon en met hulpverleners en instanties die goed samenwerken. Maar dat is niet voldoende.

De kwetsbaarheid ontstaat namelijk in een wisselwerking tussen gezinnen, hun sociale omgeving en de hulpverlening. En juist daarin blijkt dat er een verschraling heeft plaatsgevonden. Voor alle gezinnen zijn professionals en beroepskrachten, zoals pedagogisch medewerkers van kinderdagverblijven, huisartsen, medewerkers van consultatiebureaus en leerkrachten, belangrijke gesprekspartners over opvoeding (Van den Broek et al. 2012; Stam en Doodkorte 2011). Datzelfde geldt echter ook voor medewerkers schuldhulpverlening, bijstandsconsulenten en arbeidsbemiddelaars. Voor hulpverlening die werkt is het belangrijk dat deze professionals en beroepskrachten niet de regels, maar de vraag centraal stellen. De steeds vaker voorkomende – en met de beste bedoelingen gehanteerde – screeningslijsten en het type vragen dat daarin wordt gesteld draagt daaraan niet bij. Zij maken de ondersteuning en zorg daardoor eerder tot een opsporingsapparaat En daarmee bemoeizuchtig.

Hulpverleners komen meestal in actie na een melding of indicatie van een acute situatie. Dikwijls zijn in een acute situatie de problemen al dusdanig gegroeid dat er sprake is van een veelheid en diversiteit aan problemen. Op basis waarvan ook een veelvoud aan specialisten aan de slag gaat. Hierdoor worden vaak de problemen eerder versterkt dan opgelost (Van den Berg et al. 2008). Daarbij staan te vaak de symptomen in plaats van de oorzaken centraal.

Als wij kwetsbare gezinnen echt willen helpen, dan is aandacht voor het mee kunnen doen aan de samenleving een eerste vereiste. Gezinnen die niet weten hoe ze de maand moeten doorkomen, die geen (volledige) maaltijd op tafel kunnen zetten, die geen kleding kunnen kopen of hun kinderen naar sportverenigingen kunnen sturen help je niet met gesprekken met professionals. Mensen die hun rekeningen niet meer kunnen voldoen, die hypotheek- of huurachterstanden hebben of mensen die na het voldoen van alle rekeningen rond moeten komen van zo’n klein bedrag dat ze hier niet hun boodschappen meer van kunnen doen. Die zijn niet gebaat bij behandeling. Behandeling geeft geen oplossing voor het ’s nachts wakker liggen, omdat je bang bent om uit huis te worden gezet, de deurwaarder regelmatig bij je aan de deur staat of je je kind geen brood mee naar school kan geven. Sturen op eigen kracht en zelfredzaamheid is voor deze gezinnen niet voldoende.

Wat nodig is, is ruimte en aandacht voor praktische en materiële ondersteuning. Richt je eens op de vraag of de kwetsbaarheid al dan niet samenhangt met geldgebrek in of participatie van het gezin. En als dat zo is, verstrek dan eens de financiële middelen of instrumenten om die oorzaak te elimineren. Hard geld is dan vaak effectiever, efficiënter (en goedkoper!) dan goedbedoeld pamperen.

Om dat te bereiken moet bij kwetsbare gezinnen m.i. het primaat binnen het sociaal domein niet – anders dan nu nog vaak het geval – liggen bij zorg en welzijn, maar bij inkomensondersteuning en participatie. Gemeenten en professionals moeten daarmee aan de bak.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Niet-zien en blind kijken

blind date.png

  • Mein Blind Date mit dem Leben

De Duitse film Mein Blind Date mit dem Leben is gebaseerd op het waargebeurde verhaal van de jonge, ambitieuze Saliya, die op vernuftige en moedige wijze vasthoudt aan zijn dromen, ondanks dat hij grotendeels zijn zicht verliest.

Al snel nadat hij het slechte nieuws van zijn oogarts krijgt dat hij nog maar 5 procent van zijn zicht kan behouden, besluit hij om zijn handicap te verzwijgen en toch te solliciteren bij het vijfsterrenhotel Bayerischer Hof. Tegen alle verwachtingen in lukt het hem om zijn geheim voor zich te houden en aangenomen te worden.

Vol passie en plezier werkt hij samen met zijn familie en vrienden aan het verwezenlijken van zijn droom en bevindt hij zich constant in het speelveld tussen succes en gesnapt worden. In deze ingewikkelde situatie oefent hij hard, maar loopt hij toch geregeld tegen de grenzen van zijn kunnen aan. Als hij Laura ontmoet wordt het allemaal nog spannender en komt zijn zorgvuldig opgebouwde kaartenhuis op instorten te staan. In de romantische komedie van Marc Rothemund maak je mee hoe Saliya zich in deze veeleisende omgeving knap staande weet te houden.

We redden onszelf…

annemarie.png

  • Anne & Jean-Paul, onze wereld geeft een unieke kijk in het leven van Anne (53) en haar vriend Jean-Paul (53).

Anne heeft het syndroom van Down, Jean-Paul het fragiele X syndroom. Samen wonen ze zelfstandig in een eigen appartement in Montélimar, Frankrijk.

De film volgt Anne, die volledig tweetalig is, en Jean-Paul in hun dagelijkse leven en kruipt in hun gedachtewereld en logica: van opstaan, naar werk gaan bij de sociale werkplaats, koffie drinken in Café des Sports, tot de weekenden weg naar de zorgboerderij en de vakantie.

“We redden onszelf, zonder begeleiders” zegt Jean-Paul in de film. Maar zelfstandigheid kost inspanning en concentratie en vaak is toch hulp van buitenaf nodig. Nu de moeder van Anne niet meer leeft komt de zorg bij zus Meike te liggen, met steun van o.a. broer Leendert, die in Nederland woont.

De film laat zien hoe Meike balanceert tussen de wens van Anne om met haar geliefde een zo zelfstandig mogelijk leven te leiden én de verantwoordelijkheid voor het bieden van voldoende steun en bescherming. Wat is er nodig om hun zelfstandigheid te behouden?

 

Macht, wat doe je er mee als je haar hebt…

macht1.png

  • Vertrouwen, samenwerken en loslaten

Nu de landelijke verkiezingen weer achter ons liggen en de coalitieonderhandelingen gestart zijn, kunnen wij onze ogen richten op de volgende: de gemeenteraadsverkiezingen van 2018. Zorg, decentralisaties, werkgelegenheid en economie zullen ook dan weer belangrijke speerpunten in de verkiezingsprogramma’s zijn. De portefeuilles voor deze beleidsterreinen worden bij de coalitieonderhandelingen doorgaans verdeeld over verschillende wethouders. Niet in de laatste plaats ook, omdat de wens om alle partijen tevreden te houden nog wel eens leidend kan zijn. Als dat volgend jaar, net als bij de vorige verkiezingen, weer het geval is, laten wij een grote kans op écht integraal beleid liggen.

Of het niet wat vroeg is daarover nu al te beginnen? Ik denk het niet. Want als het goed is wordt door de partijen nu al druk nagedacht over hun verkiezingsprogramma. En dat moet dit najaar al klaar zijn. Juist daarom is het goed dit punt nu al te agenderen.

De in 2015 gestarte transities vragen voor de echte opgave – aansluiten bij de leefwereld van de inwoners – niet alleen om een nieuwe uitvoeringspraktijk. Het vraagt (ook) op bestuurlijk niveau verbinding in plaats van versnippering. Natuurlijk, in toenemende mate staat samenhang op de agenda. Maar wat nog in ontwikkeling is, is een echt integrale uitvoeringspraktijk. Een aanpak die de inwoners als vertrekpunt neemt in plaats van de  vele afzonderlijke thema’s binnen het sociaal domein.

We willen één sociaal domein, maar op bestuurlijk (ook departementaal) niveau is er veelal nog sprake van separatie. De verschillende wetten (Wmo2015, Jeugdwet, Participatiewet, naast Bijstandswet en Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, blijven hangen tussen verschillende portefeuilles en instituties. Met een voortdurende confrontatie tussen de ambtelijk-bestuurlijke binnenwereld versus de buitenwereld van inwoners als gevolg. Omdat ieder vanuit het eigen perspectief de werkelijkheid genereert. Buiten is maatwerk nodig, maar binnen is rechtmatigheid en gelijke behandeling een basisbeginsel. Buiten is ruimte de regel, maar binnen moet publiek geld deugdelijk verantwoord worden. Buiten denken we in mogelijkheden, maar binnen geldt toch ook het belang van de beperking; al was het alleen al omdat de middelen beperkt zijn, er wettelijke kaders zijn die ooit met redenen bedacht waren, en de overheid vanuit de beginselen van goed bestuur moet handelen.

Ik begrijp het wel: het is pragmatisch. Maar het geeft een totaal verkeerd signaal af aan de mensen in de praktijk. De intentie van veel bestuurders om te werken vanuit de bedoeling staat niet ter discussie. maar de bestuurlijke slagkracht om daar te komen lijkt te ontbreken. Want hoezeer de decentralisaties ook uitnodigen tot open samenwerking, in werkelijkheid blijven velen functioneren in de wereld van hun eigen koker en mogelijkheden. Niet uit onwil, maar door de meervoudige sturingsmechanismen. Daarom is mijn ondubbelzinnige boodschap voor de partijen – en hun onderhandelaars – na de gemeenteraadsverkiezingen in 2018: Er is één sociaal domein. Handel daarnaar!

De gewenste beweging binnen het sociaal domein vraagt interdisciplinaire samenwerking. Ook, of misschien juist wel, op bestuurlijk niveau. De nieuwe manieren van werken, aansturen en organiseren vraagt om het wegnemen van de verschillen in de werkkaders, regelgeving en procedures per discipline. Dan ook kunnen gemeenten en hun inwoners optimaal profiteren van de overlap tussen de verschillende beleidsthema’s. De huidige bestuurspraktijk, met vaak meerdere portefeuillehouders op de verschillende deelterreinen, draagt daaraan echter niet bij. Politiek handjeklap, waarbij het draait om droge kavelruil van posities en macht verpoldert daarbij de opdracht tot samenwerking.

Vraaggericht werken, doen wat nodig is voor inwoners, wordt in sterke mate bepaalt door de wijze waarop gemeenten sturen, samenwerken, contracteren en organiseren. Dat beïnvloedt hoe het er bij de inwoners aan tafel aan toe gaat. Er is daarom een nieuw evenwicht nodig tussen loslaten en controle. In de wetenschap dat er  financieel en maatschappelijk veel te winnen is met een andere, ontkokerde sturing.

Naast ontdekken waar het echt om gaat in het leven, begint dat bij het aanstellen van één verantwoordelijke wethouder. Iemand die voldoende statuur en mandaat heeft om bij zijn collega’s de benodigde veranderingen af te dwingen. Het sociale domein behelst namelijk belangen die ons allemaal aangaan, ongeacht politieke kleur of geloof. Ik hoop en wens daarom over een jaar te kunnen vaststellen dat de inwoners echt het referentiepunt zijn voor dat wat de nieuwe colleges van Burgemeester en Wethouders doen.

Vraaggericht werken, doen wat nodig is voor inwoners vraagt vertrouwen, samenwerken en loslaten. Daaraan vorm geven vergt voorbeeldgedrag in effectief terugtreden. Een manier van werken waarin eigenaarschap en zelfredzaamheid van inwoners en hun nabije omgeving centraal staan. Los van partijpolitieke doelstellingen, macht en posities die binnen gehaald moeten worden. Zo bezien is de opgave voor gemeentebestuurders zelf exact gelijk aan die welke zij vastleggen in de gemeentelijke beleidsvoornemens voor het sociaal domein: denken en doen vanuit de inwoners in plaats van het eigen of organisatiebelang.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Als de beweging vervormt

keukentafelgesprek.png

  • Je zult maar geen keukentafel hebben

Het sociale domein is volop in beweging. De decentralisaties van Wmo, Jeugdhulp en de invoering van de Participatiewet zijn daarvoor belangrijke impuls. De visie achter deze decentralisaties is meer participatie en eigen kracht van de burger, minder bureaucratie, meer slimme combinaties om reële resultaten te bereiken, een beperktere rol van de overheid en vermindering van de inzet van overheidsgeld. Nu, twee jaar later, dreigt de beweging stiekempjes te institutionaliseren. De metaforen voor de beoogde beweging worden werkelijkheid; met alle gevolgen van dien. De beweging valt uiteen en verstolt in fragmenten; steeds kleiner en gedetailleerder.

Neem het keukentafelgesprek. Bedoeld en beoogd is het gesprek dat inwoners samen met gemeenten of professionals voeren om in aanmerking te komen voor ondersteuning vanuit de gemeente. Doel van het gesprek is om voor iedere individuele burger tot passende antwoorden voor hun vraagstuk of uitdaging te komen. Het doel was en is een open dialoog. Maar het doel is modelmatig in vorm gevangen. Het gesprek moet aan de keukentafel plaatsvinden.

Waarom, denk ik dan, kan het geen bankgesprek zijn. Of een gesprek tijdens de afwas. Een gesprek tijdens een wandeling of autoritje. Het doel immers is een open dialoog! Voorwaarde daarvoor is wederzijds vertrouwen en een gevoel van gelijkwaardigheid en veiligheid. Bovendien vraagt dit ruimte en tijd om het gesprek te kunnen voeren.

Een dialoog is een gesprek tussen twee of meer mensen waardoor die beter begrijpen wat de ander denkt, vindt en voelt. Wat de ander beweegt of tegenhoudt. Wat de ander wenst of wilt. Het gaat er niet om anderen van je eigen opvatting te overtuigen, zoals in een discussie of debat het geval is. Een dialoog is ook meer dan een beleefd gesprek over koetjes en kalfjes. En het is zeker geen eenrichtingsverkeer; zoals helaas vaak het geval blijkt. Gewoon, omdat tijd en rust ontbreekt. Een dialoog verbindt mensen, maakt ruimte voor nieuwe gezichtspunten en kweekt onderling begrip. Een dialoog is meer dan een gesprek. Een dialoog leidt tot nieuwe inzichten, activiteiten en werkwijzen, afgestemd op de behoeften van de gesprekspartners. De dialoog is een ontmoeting tussen mensen, waarbij contact en aandacht van belang zijn. Het is, mede daarom, helemaal niet wenselijk in lokale verordeningen op te nemen dat in het ‘toegangsproces’ altijd een keukentafelgesprek plaatsvindt. Je zult maar geen keukentafel hebben! Of er helemaal niet graag aanzitten.

De combinatie met de vaak grote werkdruk maakt bovendien dat er voor de professionals vaak veel urgentere thema’s zijn dan het keukentafelgesprek. Kreunend en steunend wordt voldaan aan deze tijdrovende taak; die voor velen voelt als een verplicht nummer. De werkelijkheid is daardoor dat het keukentafelgesprek vaak enkel en alleen de opmaat en maatstaf is voor het ‘persoonlijk plan’ dat onderdeel van en voorwaarde is in het zogenaamde ‘toegangsproces’. De dialoog gesystematiseerd tot een vinkgesprek.

De Jeugdwet en Wmo schrijven namelijk voor dat er zorgvuldig naar de persoonlijke omstandigheden en de behoefte en mate van beperking van de inwoners moet worden gekeken. Dit, om vast te stellen welke voorziening nodig is. Daarom moet in een persoonlijk gesprek worden vastgesteld welke hulp er nodig is. Dat alles moet landen in een persoonlijk plan. Ook wel zorgplan, budgetplan, familiegroepsplan, ondersteuningsplan of toekomstplan genoemd.

Het persoonlijk plan is te danken aan de Tweede Kamerleden Vera Bergkamp (D66) en Otwin van Dijk (PvdA) en aan het amendement dat zij in maart 2014 indienden. Dat amendement zegt dat een inwoner het college van B en W een persoonlijk plan mag overhandigen waarin hij of zij – al dan niet tezamen met zijn of haar persoonlijke netwerk – de omstandigheden en de voorziening heeft beschreven die hij of zij wenst. Het gaat om een persoonlijk arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren.

De bedoeling ervan is goed. Inmiddels echter is de mag-bepaling in de wet een moet-bepaling geworden. Het (uitnodigend) recht is een (afstotende) plicht geworden. De belangrijkste toevoeging in het amendement: “Burgers hebben zelf de keuze op welke wijze en met welk(e) instrument(en) of methodiek(en) zij hun persoonlijke plan willen vormgeven”, is daarbij gemakshalve over het hoofd gezien.

Het gevolg van dit alles: Het (opstellen van een) persoonlijk plan wordt meer als een last dan lust gezien en ervaren. Door inwoners net zo goed als door professionals. Er worden dan ook weinig persoonlijk plannen opgesteld. De reden? Het sluit niet aan bij de persoonlijke logica en situatie van mensen; inwoners noch professionals.

En laat ik eerlijk zijn. Ook ik zou eerst heel diep moeten nadenken voordat ik weet wat ik in mijn eigen persoonlijk plan wil opnemen. Wat mij tegenstaat is de gestructureerde aanpak ervan. Het begint met waardeoriëntatie, gevolgd door doelen en vervolgens de stappen die daarbij horen. Maar zo’n manier van denken is mij eigenlijk vreemd. Ik ben iemand die op het ritme van het leven door al die vragen heen gaat. Ik zet veel liever in op de goede dialoog. Tijdens zo’n dialoog komen drijfveren, wensen en belemmeringen als vanzelf naar boven. Net zo goed als de dingen die je nodig hebt om dat te bereiken. En weet je wat het grappige is? Als je dat doet, ontstaat het plan, het realiteitsgehalte en de zin om het te gaan doen, of er aan bij te dragen, als vanzelf.

Een goede dialoog, waarbij je de tijd neemt om naar elkaar te luisteren, levert de antwoorden spelenderwijs. Als je die aan het eind van de dialoog opschrijft of optekent, heb je een goed en gedeeld plan. Niet voor de vorm, maar voor de beweging die gewenst is.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

De toekomst adelt ons betekenis

arbeid adelt.png

  • Waardigheid en waarde zal het loon zijn

“Toegevoegde waarde”, zo kreeg ik onlangs aan een inspirerende ontwikkeltafel van een groep vrijdenkers bevestigd – “vindt in de toekomst haar basis niet in arbeid, maar in de betekenis van het doen en laten van mensen voor mensen (= puur kapitaal).” Met het leveren van wederdiensten kunnen mensen op een of andere manier hun waarde en betekenis voor de maatschappij vorm en inhoud geven. Wederdiensten krijgt de waarde van werk. Zo kan ieder mens, met zijn eigen mogelijkheden zich waardevol voelen. Gewoon, omdat uiteindelijk ieder mensen de ambitie heeft om iets te bereiken in het leven.

Volgens velen zou werkgelegenheid een belangrijk verkiezingsthema moeten zijn. Ik denk daar anders over. Niet werkgelegenheid of het arbeidsmarktbeleid is onze grote uitdaging. Die ligt in een fundamentele omslag in ons waarde denken!

Waarom? Omdat de economie gewoonweg verandert. Deze revolutie is stilletjes allang begonnen en zal in de komende jaren tot orkaankracht toenemen. Ons huidig economisch concept, enkel gebaseerd op ‘arbeid’ en ‘banen’ zal daarmee onhoudbaar worden. Als wij niet nu al beginnen, zullen de sociaaleconomische, sociaal-maatschappelijke en sociaal-culturele implicaties onze samenleving duurzaam ontwrichten. Simpelweg, omdat op termijn ons sociale stelsel niet meer te financieren valt op basis van werknemers- en werkgeverspremies.

De explosie aan technische ontwikkelingen die nog gaat komen, waaronder een toenemende robotisering van huidig werk, zal – tijdelijk vertraagd misschien, maar gestaag – leiden tot een verdere afkalving van de ‘klassieke’ werkgelegenheid. En daarmee van het daarop gebaseerde economisch model. Voortgaand inzetten op alleen werkgelegenheid als doel beschouw ik daarom als een heilloze opgave.

Veel mensen profiteren helemaal niet van welke economische groei dan ook. En allemaal leven wij in een enorme schuldeneconomie. Die ongelijke verdeling zit in ons geldsysteem. Dat gaat ten koste van ecologische, maatschappelijke en sociale waarden. Daarom ook is het tijd voor een hervorming van dat economisch stelsel.

Zijn mensen in de toekomst dan overbodig? Integendeel. De technologische ontwikkelingen kunnen een zegen zijn voor de her- en erkenning van andere waarden. Die van mensen voor en met elkaar. Waarde dus, die zich ontleent aan het betekenis geven aan mensen. Niet, door hen ‘nutteloos’ bezig te houden; of – als dat niet lukt – kunstmatig in het leven te houden met een uitkering. Begrippen als ‘werk, ‘arbeid’ en ‘loonwaarde’, splijten – onbedoeld, maar toch – onze samenleving. In cohorten van werkenden en niet werkenden, van verdienenden en niet verdienenden, van arm en rijk. Als wij deze begrippen vervangen door ‘bijdragen van waarde’ – voor een ander en de samenleving – in gelijkwaardiger verhouding te staan.

Een dienst van waarde is gebaseerd op overeenkomsten die burgers en instanties met elkaar sluiten, waarbij afspraken worden gemaakt over diensten die zij elkaar in ruil leveren. Geld zal daarbij een minder belangrijk betaalmiddel worden. Meer en meer mensen zullen mensen met een dienst van waarde (willen) betalen. Iets wat jij eenvoudig kunt doen, kan voor een ander heel waardevol zijn. Zo kan jij jouw spullen of talenten aanbieden en terugvragen van de ander.

Als wij als maatschappij vinden dat het belangrijk is dat er kinderen geboren worden en door hun ouders worden opgevoed, is dat wat waard. Als wij vinden dat mensen die niet of niet onvoldoende voor zichzelf kunnen zorgen, geholpen moeten worden, is dat wat waard. Als mensen bijdragen aan deze punten zouden ze daarvoor ook beloond moeten worden. Ook als ze dat – volgens het economisch arbeidsmodel niet beroepsmatig doen.

Op termijn zal de samenleving zo haar kapitaal niet meer ontlenen aan de loonwaarde van mensen, maar aan hun menswaarde. Dat vraagt een samenleving, waarbij niet arbeid of loonwaarde de dragende pijler is, maar het meedoen en meetellen van ieder mens.

Gelooft u mij niet? Kijk dan eens naar de stille opmars – nationaal en internationaal – van lokale munten. In Nederland alleen al zijn er inmiddels tientallen lokale muntinitiatieven.

Een aansprekend voorbeeld van een goed werkend lokale complementaire munt is de Bristol Pound. Het volledige loon van de burgemeester wordt uitbetaald in de Bristol Pound (1 Bristol Pound = 1 Sterling Pound. Bristol Pound) en komt volledig terecht in de lokale economie. De lokale economie is ook ingericht op de Bristol Pound met geschikte fysieke en digitale mogelijkheden, voldoende vraag en aanbod, grote bekendheid en binding aan de lokale munt.

In de toekomst zal – om te beginnen binnen lokale gemeenschappen – de nadruk meer en meer gelegd worden op deze andere waarden. Soms met alleen ondernemende doelstellingen, vaak met ecologische en sociale doelen of een combinatie hiervan. Met als grootste winst en voordeel van dat alles, dat niet langer enkel arbeid adelt en aanzien geeft. Ieder mens kan met waardigheid betekenis en waarde toevoegen.

Welke antwoorden wij van de politieke leiders de komende periode mogen dan wel moeten verwachten? Voor de komende kabinetsperiode zou een eerste stap kunnen zijn om – in plaats van een wet Werk en Zekerheid – te komen tot een wet Waarde en Zekerheid. De verantwoordelijk minister zou naast een arbeidsmarkt het nieuwe paradigma van waardenmarkt moeten creëren. En, als wij een regering krijgen met visie en lef, zal daarna het verbod op werk zonder loon sneuvelen. In combinatie met het invoeren van (voorlopers van) het basisinkomen. Daarmee samenhangend wordt het woord ‘tegenprestatie’ vervangen door ‘dienst van waarde.’

Misschien zal ik met deze boodschap (voorlopig nog) een roepende in de woestijn zijn. Mede door het aantrekken van de economie – en daarmee de arbeidsmarkt – laten wij ons graag in slaap sussen. Zeker, zolang wijzelf nog ‘gewoon’ mogen meedoen. Wat ik aankaart lijkt daarom wellicht onbetaalbare dagdromerij. Maar is dat ook zo?

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.