Over de schreef

lamant double.png

  • L’amant double – In therapie bij een tweeling

Chloé, 25 jaar, woont alleen, heeft geen contact met haar moeder, kent haar vader niet en was als kind ‘een ongelukje’. Ze voelt zich ‘leeg’.

Al in de eerste tien minuten van L’amant double (regie: François Ozon) komen we dat allemaal te weten als ze op aanraden van haar gynaecoloog een psychiater consulteert vanwege onverklaarde buikklachten. Die psychiater gaat vervolgens professioneel behoorlijk over de schreef als hij een verhouding met haar begint en met haar gaat samenwonen. Dan ontdekt Chloé dat haar geliefde een deel van zijn leven verborgen houdt. Hij heeft een tweelingbroer, die ook psychiater is, en die zijn patiënten heel ‘anders’ benadert dan zijn broer. Ook bij hem gaat Chloé in therapie, ook met hem begint ze een affaire.

Vervolgens ontwikkelt zich een thrillerachtig drama waarin (parasitaire) tweelingen, spiegelbeelden, erotiek en verlangen, macht en kinky seks mixen tot een semifreudiaans brouwsel. Dat alles gehuld in een bewust nogal steriel uitgevallen omgeving – zowel qua kleuren en aankleding als qua innerlijke zieleroerselen. Thematisch knoopt de film aan bij eerder werk van Ozon – wiens protagonisten vaak hun verbeelding nodig hebben om zich staande te houden in de werkelijkheid – en bij films van illustere voorbeelden als Brian De Palma, David Cronenberg en Alfred Hitchcock.

Als het slot sterker is dan de sleutel

sleutel slot 1.png

  • Een goed idee kan nooit een gesloten systeem binnenkomen

“Als een hamer het enige gereedschap is waarover je beschikt, ben je geneigd ieder probleem als een spijker te zien.” Dat was mijn reactie toen mij gevraagd werd of er wel voldoende focus was op het voorkomen van het uit huis plaatsen van jeugdigen. Want ondanks de transformatie binnen het sociaal domein is er sprake van een toename van ‘jeugdhulp met verblijf’ van circa 33.000 kinderen en jongeren in 2015 naar ruim 36.000 in 2016. Dit staat haaks op het juist zoveel mogelijk voorkomen van residentiële plaatsingen.

Op basis van deze cijfers is de gemakkelijke conclusie dat de opzet van de Jeugdwet, om hulp zoveel mogelijk thuis te bieden en bij uithuisplaatsingen kinderen en jongeren in pleeggezinnen te plaatsen, is mislukt. Ikzelf ben daar (nog) niet van overtuigd.

Ik zie en hoor steeds vaker de ambitie om deze kinderen in plaats van in een residentiële instelling in een gezinsvorm te laten wonen. Gemeenten en de professionals in de wijkteams doen er alles aan om de inzet van netwerkstrategieën te stimuleren en vroegtijdig de kracht van de gemeenschap te benutten, bijvoorbeeld in de vorm van steungezinnen. Hiermee willen zij het verergeren van problemen – en daarmee een deel van de uithuisplaatsingen – voorkomen. Kinderen – zo is het motto – groeien zoveel mogelijk thuis op, eventueel met de inzet van een steunnetwerk.

Dat er desondanks eerder sprake is van een stijgende dan dalende trend in het aantal uithuisplaatsingen ligt dus niet aan de visie of inzet. Geloof me, als ik zeg dat niet jeugdzorg faalt, maar het systeem (lees wet- en regelgeving en bureaucratie) die adequate jeugdzorg mogelijk moet maken. Ik noem een paar voorbeelden.

Wanneer een kind leer- of gedragsproblemen vertoont, focust men vaak te veel op de problemen of klachten. Men vergeet dan te kijken naar het ‘totale’ kind, en het kind in zijn omgeving. Dit wordt versterkt door het systeem.

Kern van het vaststellen van een aanspraak op jeugdhulp is dat er een in de persoon gelegen oorzaak is aan te wijzen. Als de genoemde problemen hun oorsprong vinden in omgevingsfactoren is er geen sprake van een grondslag voor Jeugdhulp. Tegelijkertijd weten wij dat de meeste genoemde redenen voor uithuisplaatsing en pleegzorg in ons land geen in de persoon van het kind gelegen factoren zijn. Pedagogische onmacht van de biologische ouders (47 procent), emotionele verwaarlozing (31 procent), fysieke verwaarlozing (24 procent) en verslavingsproblemen van de biologische ouders (22 procent) worden het vaakst genoemd als oorzaak. In 22 procent van de gevallen worden er andere redenen genoemd, bijvoorbeeld een echtscheiding of het overlijden van een of beide biologische ouders (Okma-Rayzner; 2006).

De wetgever heeft dit toch onderkend, zult u zeggen. In de jeugdwet immers is het familiegroepsplan als een belangrijk instrument opgenomen. Ouders en/of gezinnen hebben de mogelijkheid een familiegroepsplan op te stellen, samen met familie, vrienden en anderen uit de sociale omgeving van de jeugdige. In het familiegroepsplan staat welke problemen de jeugdige of het gezin heeft, welke hulp nodig is, en wie die hulp geeft. Ouders, familieleden of andere directbetrokkenen kunnen een familiegroepsplan maken. Op deze manier kunnen zij meedenken en helpen aan een oplossing. De grondslag daarvoor moet echter wel in de persoon van de jeugdige gevonden worden. Waardoor diezelfde jeugdige ook als de oorzaak en ‘drager’ van het probleem wordt geëtiketteerd. Een ‘gezinsindicatie’ is – wettelijk gezien – niet mogelijk.

Het onbedoelde en ongewenste bijeffect van dit alles is, dat bij de aanpak van de problemen de focus toch – meer dan gewenst – op alleen de jeugdige komt te liggen. Een effect wat vaak nog eens versterkt wordt door de meer product- dan resultaatgerichte inkoopsystematiek binnen de jeugdhulp. De oplossing of het antwoord op een de problemen is een vast omschreven product (jeugdhulp met verblijf, ambulante ondersteuning, enzovoort). Deze productbenadering focust vooral op de vraag of het voldoet aan bepaalde criteria. Ruimte voor een procesbenadering is er nauwelijks. Waardoor ruimte voor het ontwikkelen van capabilities binnen het gehele kindsysteem ontbreekt.

Anders dan wij met de stelselwijziging in de jeugdhulp beoogden, is onze zorg door dit alles nog te veel probleem- en te weinig omgevingsgericht. Binnen een omgevingsgerichte aanpak past een instrumentarium gebaseerd op besluit en toewijzing, indicatiestelling of verwijzing of behandelplan niet (meer). Zolang wij echter dat begrippenkader blijven hanteren kunnen wij niet succesvol transformeren.

Gelukkig wordt er desondanks binnen het sociaal domein door professionals volop geëxperimenteerd. Maar, zoals bestuurskundige Jan Kees Helderman het zo mooi formuleert: “Het ‘systeem’ werkt vaak niet mee. Dat kan echt beter.” (Zomernummer 2017 Zorg+Welzijn). Ik onderschrijf dan ook van harte zijn pleidooi: ‘Ga één keer per kwartaal met systeemwereld en uitvoering bij elkaar te zitten en bespreek elkaars werk, signaleer knelpunten en praat over wet- en regelgeving.’ Alleen door voortdurende interactie en reflectie tussen systeem en werkelijkheid kunnen wij de spanning tussen dromen en daden wegnemen. Als dat niet gebeurt, blijven de vele bloempjes die bloeien nog te veel ‘incident’. Als we betere, bij de praktijk passende systemen willen ontwikkelen, dan moet die praktijk worden ontsloten. Gebeurt dat niet, dan zal het slot altijd sterker blijven dan de sleutel die het moet openen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Tolereer de liefde niet!

liefde mensen 1.png

  • Aanvaardt het verschil

Is liefde universeel? Ja, het komt overal ter wereld voor. Zij maakt ook geen onderscheid in gedrags- en identiteitsaspecten. Zo dacht en denk ik erover. Liefde kent veel verschillende facetten en uitingsvormen. Mensen die van mekaar houden kennen de volgende gevoelens: blij zijn met elkaar, meeleven met de ander, je goed voelen bij de ander, bewondering en respect hebben, de ander grappig vinden, ontroerd geraken door de ander, elkaar begrijpen, elkaar aantrekkelijk vinden…

Liefde tussen mensen ontroert (mij). Zoals ik deze week ook ontroert werd door het prachtige animatiefilmpje “In a Heartbeat”. Deze korte film, gemaakt door Esteban Bravo en Beth Davis, gaat over een homoseksuele jongen die op slag verliefd wordt op een schoolgenootje. Hij probeert zijn liefde te verbergen, maar zijn hart blijkt net een stuk sterker. Ik deelde het filmpje via een van mijn blogs (Inspirituals). Met als titel “Uit de kast”.

Toevallig werd er diezelfde dag in een televisie-interview over dat filmpje gesproken. Luisterend naar dat interview realiseerde ik mij dat de door mij gekozen titel “Uit de kast”, hoe goed bedoeld ook, eigenlijk heel ongepast was. Onbedoeld namelijk stelt zij de liefde tussen twee mensen van hetzelfde geslacht in een bijzonder hoekje.

Uit de kast komen, ook wel een coming-out genoemd (een verkorting van het Engelse coming out of the closet), is een uitdrukking die veelvuldig wordt gebruikt voor het moment waarop een homo, lesbienne of biseksueel ervoor kiest om openlijk voor zijn of haar seksuele geaardheid uit te komen.

Een coming-out wordt gezien als een gezonde stap in het proces van zelfverwerkelijking en in de kast blijven als een beperking en onderdrukking van de eigen persoonlijkheid. Deze negatieve lading is al vervat in de kastmetafoor: in de kast is het donker en benauwd, uit de kast is men vrij en in het licht. Uit de kast komen wordt vaak gezien als een politiek of persoonlijk statement en ertoe zal leiden dat de acceptatie ervan toeneemt. Uit de kast komen suggereert zo iets als ‘ik weet dat ik bijzonder ben’. Terwijl ‘wij’ – de Nederlandse samenleving althans – wil uitstralen dat liefde tussen wee mensen van hetzelfde geslacht net zo gewoon is (of hoort te zijn) als de liefde tussen mensen van verschillende sekse. Met hetzelfde recht kan dan ook beweerd worden dat ik (of wij)  met ‘uit de kast’ komen die ander als een buitenstaander positioneren en daarmee tot doelwit maken van discriminatie.

Als een jongen ‘op’ een meisje is, of andersom, en dit aan de wereld kenbaar maakt, dan spreken wij immers ook niet over ‘uit de kast komen’. Kennelijk, zo moest ik voor mijzelf vaststellen, denk en doe ik ook nog aan gender-discriminatie. De term betekent in de praktijk “de nadelige of bijzondere behandeling van een groep of geslacht of het geslacht van een persoon”. Veelal gebaseerd op het gedrag en onze houding jegens die groep of persoon, op basis van een clichématige opvatting.

Ik realiseerde mij dat mijn diep gevoelde aanvaarding van het universele karakter van liefde juist door mijn woord- en taalgebruik onbedoeld toch het karakter van ‘tolerantie’ droeg. Mijn nobele individuele inborst, die ervoor zorgt dat ik — op basis van welke criteria ook — bepaalde dingen ‘verdraag’.

Tolerantie is goed, ruimdenkend en nobel, intolerantie slecht, kleingeestig of kortzichtig. Maar ‘tolerantie’ – de bereidheid om andere mensen afwijkend te laten denken en handelen – suggereert ook iets van ‘gedogen’. Gedogen betekent geen toelaten, want dat zou op acceptatie kunnen lijken. Nee, gedogen houdt in dat we iets laten passeren hoewel we er niet gelukkig mee zijn: liever gingen we over tot een verbod, maar omdat een verbod niet haalbaar is, zien we bepaalde dingen door de vingers.

Het laatste dat ik wil is de liefde tussen twee mensen ‘tolereren’ of ‘gedogen’. Omdat het suggereert dat het niet normaal is. Terwijl ik die mening wel ben toegedaan en ook wil uitdragen. Ik heb dan ook de titel boven het stukje over ‘In a Heartbeat’ meteen vervangen door: Gewoon, liefde! Want dat is het: gewoon, liefde!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Laat ze lekker klooien

sire jongen 4.png

  • Laat jij jouw jongen genoeg jongen zijn?

Opletten, stilzitten, niet naar buiten kijken, niet tikken met je balpen, niet wippen, niet dromen. Jongens mogen geen jongens zijn in de huidige maatschappij. Sterker, jongens worden beknot in hun ontwikkeling; ze moeten juist bewegen om iets te kunnen leren.

Hoe ga je als opvoeder met jongens om? Ravotten ze genoeg buiten en kunnen ze risico’s nemen? Mogen ze stoeien op straat en is het geen probleem als ze thuiskomen met een kapotte broek? Dat zijn enkele vragen die in de nieuwe SIRE-reclame worden gesteld. Krijgen jongens nog genoeg ruimte om jongens te zijn?

Ik herken de typering en de vragen. Weet ook – uit eigen ervaring – dat het keurslijf waarin wij kinderen menen te kunnen dwingen de originaliteit, creativiteit en empathie kan beknotten. Mijn mening over de nieuwe SIRE-campagne “Laat jij jouw jongen genoeg jongen zijn?” is mede daardoor wellicht gekleurd. Toch meen ik dat juist de kritische reacties op de campagne het gelijk ervan bewijzen.

Wij – de samenleving – denken en doen teveel in gemiddelden. En de aandacht voor een specifieke groep daarbinnen tast al snel ons gelijkheidsdenken aan. Laten wij vooral niet suggereren dat jongens anders zijn dan meisjes. Voor je het weet heb je een emancipatiefobie. Ja, toen wij begin van deze eeuw de meisjes volop in het zonnetje zetten, toen klopte het wel. Dat had namelijk alles te maken met de emancipatie….

Laat ik duidelijk zijn: ik ben voor gelijke kansen en mogelijkheden voor elk mens. Jong of oud. Van welke aard, geloof of kleur dan ook. En tegelijkertijd moeten wij een open oog hebben voor het feit dat- niet voor niets – de natuur ieder mens anders geschapen heeft.

Zo ook is het een gegeven dat jongens een andere biologische klok hebben dan meisjes. Zoals die klok ook bij jongens onderling weer kan verschillen. De ene jongen is nu eenmaal drukker en extroverter dan de andere. Eigenlijk veelt de natuur van kinderen geen stereotypering. Wat in meer algemene zin voor ons allemaal geldt.

Oog voor het verschil. Dat is wat de SIRE – campagne vraagt. Maatwerk  is  een  kreet  die  daarbij  regelmatig  gehoord  wordt.

Zolang  het  op  missie-visie  niveau  blijft,  schaart  iedereen  zich  daar vrij  eenvoudig  achter.  Dan  blijft  het  abstract  en  kan  het  geen  kwaad. Bovendien is het een containerbegrip dat al zo vaak gebezigd is, dat de geloofwaardigheid ervan niet heel groot is en de impact niet sterk wordt gevoeld. Maar, zodra het praktijk dreigt te worden, gaan mensen zich achter de oren krabben, of steigeren. Dan (b)lijkt het moeilijk, zo niet onmogelijk. Ja, op kleine schaal, of in een enkel geval lukt het…soms.. Maar niet over de hele linie. En zeker niet als rode draad, verweven met de vezels van onze samenleving.

Daarvoor zijn legio argumenten. Soms zelfs steekhoudend. En, laat ik eerlijk zijn, er zijn voldoende praktijkvoorbeelden die leren dat een maatwerk-benadering een utopie is.  Successen – en die zijn er – worden vaker als een ‘toevallig’ incident beschouwd. Bovendien, al dat ‘maatwerk-gedoe’ is lastig te beheersen. Als je het al zou willen, of áls je al mogelijkheden zou zien… Waarom zou je het dóen, wanneer je weet dat het je of een hoop extra werk of gezeur geeft?

Voor mij is het duidelijk waarom oog voor verschil mag en moet! Omdat ontwikkelingen in de samenleving vragen om mensen  die  weten  wat  ze  waard  zijn. Die zichzelf hebben mogen ontdekken. Die daardoor beschikken  over  zelfsturend  vermogen en  flexibel  zijn. Die in staat zijn zich te bewegen in een wereld waarin veranderingen aan de orde van de dag zijn, en blijven. Juist dat laatste vraagt ruimte voor avontuur. Want avontuur stimuleert het lerend vermogen. Dat laatste hebben wij nodig in een steeds sneller veranderende leef- en werkomgeving.

De theorie is prachtig. Maar dan de praktijk. Maatwerk blijft dan vaak voorbehouden aan risico- of zorgkinderen, met een gedragsstoornis, probleem in de thuissituatie, of een probleem als adhd, dyslexie enzovoort. Dat wat afwijkt van ónze ‘norm’ wordt – zoveel als mogelijk – gemodelleerd naar het gemiddelde. Uitgezonderd dan weer de kinderen die een uitzonderlijk (sport-, muziek-)talent hebben. Die hijsen wij op het schild ten voorbeeld voor al die ‘grijze muizen’ van kinderen.

Het gevolg van dit alles is dat wij – met de beste bedoelingen – een tweeledige boodschap afgeven. Je moet enerzijds uitzonderlijk zijn en tegelijkertijd is de nadrukkelijke boodschap: ‘Doe maar gewoon; da’s gek genoeg!’.

Die boodschap lijkt ook de teneur in de kritische reacties op de SIRE-campagne: De boodschap heeft misschien wel een kern van waarheid, maar om hem nu zo uit te vergroten….

Jongens – oké, niet alle – hebben behoefte aan actie, doen, experimenteren, uitzoeken, competitie, sporten, grenzen en regels zonder bla, bla bla. Op zich zou het toch niet zo moeilijk moeten zijn om hen daarvoor de ruimte te geven?

En de jongens die dat niet willen? Ook goed. Ze hoeven niet allemaal een Pietje Bel, Sietse of Hielke Klinkhamer te zijn!

Overigens, de SIRE – campagne is helemaal niet zo bijzonder als de kritische reacties willen doen geloven. Het is ook geen ‘uniek’ Nederlands probleem. Kijk maar eens naar de animatiefilm Alike. Sinds eind 2015 ging Alike de hele wereld rond. De korte animatiefilm werd voor net geen honderd festivals geselecteerd en sleepte op bijna de helft daarvan een prijs of vermelding in de wacht.

Laten wij dus wat meer de ogen dicht doen als jongens ze zich in het avontuur storten, duwen, trekken, de strijd aangaan en als viezeriken thuiskomen. Of een geweldige ‘poets’ bakken. Laten wij kinderen kinderen laten zijn! Of het nu meisjes zijn of jongens. Maar laten wij ook niet doen alsof dat een pot nat is! Bezorg ze gewoon een leuke, onbezorgde en spannende jeugd!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Sterfbed van een koning

zonnekoning.png

  • La Mort de Louis XIV

Op 1 september 1715 sterft Lodewijk XIV van Frankrijk in zijn paleis in Versailles aan gangreen. In zijn verduisterde slaapvertrek is het tijdens zijn laatste dagen een komen en gaan van vertrouwelingen en artsen.

De mythische status van de Zonnekoning en diens fysieke lijdensweg komen samen in de memorabele vertolking door Jean-Pierre Léaud.

Met La mort de Louis XIV continueert de Catalaan Albert Serra een reeks radicale films, van Honor de cavallería (2006) tot Història de la meva mort (2013), die gekenmerkt wordt door een weldadig maar urgent gevoel voor literair-filosofische herschepping van historische onderwerpen.

Zijn iconoclastische benadering van cinema is schilderachtig mooi en humoristisch. Voor de eerste keer, en met succes, werkt Serra hier met professionele acteurs. De performance van icoon Jean-Pierre Léaud als de Franse Zonnekoning maakt de film tot een van de absolute hoogtepunten van het jaar.

In de duistere paleisvertrekken, door kaarsen belicht in een fraai Rembrandtesk palet, trekt een stoet aan gezagsdragers en hulpverleners langs het bed van de aan gangreen stervende vorst. Onmiskenbaar is hij nog altijd de machtigste man van een Europa dat met één voet – een pijnlijk rottende voet – in de moderne, rationele tijd stapt, terwijl de ander nog vastzit in het slijk der middeleeuwen. Of andersom.

Papieren tijgers bijten niet

papieren tijger3.png

  • Wat je afgesproken hebt, moet je waarmaken

Gemeenten, Rijk, jeugdhulpaanbieders en branches hebben een statement uitgebracht hoe zij met zorg en hulp – dicht bij huis – kunnen aansluiten op wat jongeren en gezinnen écht nodig hebben. Van zulke berichten word ik blij. En verwachtingsvol. In de wetenschap dat papieren tijgers niet bijten.

Alle betrokken partijen willen op korte termijn actie om tot verbeteringen te komen. De acties zullen zich vooral richten op versterking van samenwerking tussen gemeenten en zorgaanbieders in de jeugdregio’s. Problemen moeten worden benoemd, de juiste personen aangesproken en er moet doorgepakt worden!  Waar heb ik dat vaker gehoord. Was en is dat niet de gezamenlijke ambitie bij de grootste decentralisatieoperatie ooit?

Wie de evolutietheorie van Charles Darwin een beetje kent, kon voorspellen hoe het zou aflopen met die grootse ambitie. Want nadat wij de transitie (overdracht van taken) hadden gerealiseerd, is de ambitie onder invloed van beheers- en drift tot behoud vooral een papieren tijger geweest. Evolueren naar een tandeloze tijger zit er misschien nog wel in. Maar net als voor 99,9 procent van de diersoorten die ooit de aarde bevolkten, dreigt voor dit exemplaar toch ook nog te veel en te vaak: die zien we niet meer terug.

Wat je afgesproken hebt, moet je waarmaken. Dat geldt zeker voor de ambities binnen het sociaal domein. Iedereen moet meetellen en meedoen. Met een open oog en oor voor de mogelijkheden en beperkingen van elk individu. Maar niettemin stelt menig politicus, bestuurder, organisatie of professional alles in het werk om uitvoering van de zoveel mogelijk te ontlopen.

Omdat partners binnen het sociaal domein minder happig zijn op de consequenties van die beweging. (Verantwoord) loslaten, andere werkinvulling, minder omzet, enzo verder. Belangrijker nog dan deze ‘praktische’ bezwaren is wellicht de collectieve moeite die wij – mijzelf incluis – hebben om de omvormingsopdracht (transformatie) concreet handen en voeten te geven.

‘Eigen kracht’: het lijkt een hol begrip. Tegelijkertijd is het wel de rode draad voor de hele transformatie, en voor alle facetten die in de transformatie aan de orde zijn. Wat houdt het precies in? Wat zijn concreet de consequenties ervan in het sociaal domein en wat vraagt dit van de betrokkenen? Het eigen kracht-denken heeft namelijk vooral impact op de professional, de manager en het politiek bestuur.

Professionals verwerven door het eigen kracht-denken hun eigenwaarde op een andere manier. De expertrol op afstand wordt lastiger, ze worden geacht zelf zuiver te blijven en zich niet te verschuilen achter protocollen. Hun zekerheid neemt af, de ‘echtheid’ neemt toe, het werk gaat van denken naar meer hands-on, en het vraagt om een betere combinatie van denken en doen. Het vermogen om eigen werk met je collega’s te organiseren neemt toe, het vermogen om samen verantwoordelijkheid te nemen ook.

Managers moeten meer verbinding op de gezamenlijke stip aan de horizon organiseren. Ze moeten vertrouwen geven aan anderen, zodat zij in beweging komen. Loslaten is een van de hefbomen. Inhoudelijke sturing en het geven van instructies passen niet meer. Het gaat om bezieling en korte cirkels, waarbij de medewerker verantwoordelijkheid krijgt en verantwoordelijk wordt gehouden.

Ook het politiek bestuur moet afscheid nemen van ‘in control’ willen zijn. Terwijl hun natuurlijke houding er een is van meer kaders scheppen. Inhoudelijke normen bedenken blijkt lastig. Politici en bestuurders moeten leren omgaan met tragiek en pech. Sturen op gewenste uitkomsten, op doelen, is wat anders dan sturen op basis van output. Is de dienst juist uitgevoerd? Zijn de juiste handelingen verricht (volgens het juiste behandelprotocol)? Zijn de uren gemaakt? Zijn er voldoende contactmomenten geweest?

Eigen kracht heeft zo effect op alle actoren. De wijze waarop zij sturen, samenwerken, contracteren en organiseren beïnvloedt hoe het in de wijk en bij de inwoner aan tafel werkt. Dat vraagt een nieuw evenwicht tussen sturing, samenwerken, autonomie en verantwoording.

Of ik dat niet zie gebeuren? Welzeker. Ik zie her en der in den lande goede en inspirerende initiatieven. Zo ben ik zelf professioneel betrokken bij een gemeente die daadwerkelijk dat avontuur aan wil gaan. In Wijchen (Gelderland) werken gemeente en de organisaties voor welzijn en zorg aan een nieuwe vorm van samenwerking. Samen hebben zij, gebaseerd op een gezamenlijke verkenning, een model voor een gebiedsgerichte werkwijze en bekostiging uitgewerkt. Met enerzijds de veranderopgave (transformatie) binnen het sociaal domein en anderzijds het beheersbaar houden van de uitgaven daarvoor als leidraad.

Onder voorwaarde van een verschuiving van verantwoordelijkheden en mandaat naar de organisaties van welzijn en zorg worden daarmee tegelijkertijd (administratieve) barrières en belemmeringen voor inwoners, professionals en hun organisaties worden weggenomen.

Met dat model als basis hebben zij vervolgens de dialoog gevoerd over de kaders waaraan de uitwerking in vorm (organisatie en proces) en inhoud (houding en gedrag) zal worden getoetst. Zo is overeenstemming bereikt over de vorming van een coöperatie waarin alles aanbieders samenwerken.  De gemeente en coöperatie verhouden zich als subsidieverstrekker en subsidieontvanger. De gemeente definieert de door de coöperatie uit te voeren activiteiten en de daarmee beoogde doelen. De leden en leveranciers hebben zich  verplicht tot en zijn aanspreekbaar op het samenhangend en integraal vorm geven van de welzijn en zorg voor de inwoners in de gemeente.

Of het een eenvoudig proces is? Integendeel. Waar de visie en doelstelling gedeeld wordt, blijken vooral wet- en regelgeving een molensteen om de nek van de ambitie. De ruimte voor de ‘meer redelijke’ methode op basis van is – als wij alles doen wat ‘moet’ nog onvoldoende of nog niet voorhanden is. Desondanks heeft de gemeenteraad deze week besloten om het ‘avontuur’ aan te gaan. Dat is, wat mij betreft pas echt een statement.

 

 

 

Verwachtingen zijn het zaad voor teleurstellingen

teleurstelling 2.png

  • Oorzaak van de problemen zijn de oplossingen

De systeemwereld van de zorg is ‘losgezongen’ van de leefwereld. Beiden hanteren dezelfde beleidsvisie maar ook een andere logica. Zo heeft de systeemwereld langzaam maar zeker de leefwereld gekoloniseerd. Het gevolg: de systemen zijn niet meer dienend aan de mensen, maar de mensen zijn dienend aan de systeemwereld. De systeemwereld straalt de verwachting dat wij alles geregeld hebben. Of kunnen en dus zullen regelen. Dat laatste blijkt – juist door het systeemdenken meer dan lastige opgave. Met als gevolg dat die verwachtingen resulteren in het zaad voor teleurstelling. Dat alles blijkt uit een inventarisatie van 30.000 meldingen die het afgelopen jaar binnenkwamen bij een aantal grote cliënten- en patiëntenorganisaties.

Mensen die complexe zorg nodig hebben, lopen vast tussen de vele loketten van het huidige zorgsysteem. Een overmaat aan bureaucratie, (te) lange wachttijden, het verdwijnen van voorzieningen en het gebrek aan kennis en deskundigheid. Een deel van de mensen die stevig in de shit zitten blijft daardoor verstoken van zorg. Het gaat bijvoorbeeld om radeloze ouders die een jong kind met meerdere psychiatrische problemen thuis hebben, maar daarvoor niet op tijd passende zorg geregeld krijgen. Maar ook volwassenen die door een levenslange ingewikkelde zorgvraag onder meer zorgwetten vallen, krijgen moeilijk passende zorg. Ze moeten langs verschillende loketten om hun noodzakelijke zorg en ondersteuning geregeld te krijgen. Hoe complexer de problemen, des te langer mensen moeten wachten op duidelijkheid en hulp. De oorzaak van dat alles: wij hebben alles gesystematiseerd en gestructureerd.

Waar wij ontschotting wilden, zijn wij met de overdracht van taken binnen het sociaal domein uiteindelijk niet verder gekomen dan een ruilverkaveling van posities en verantwoordelijkheden. Met als gevolg dat mensen die met complexe problemen te maken krijgen nog altijd van het kastje naar de muur – en terug – gestuurd worden.

Het ‘sociaal domein’ omvat voor gemeenten alle inspanningen die de gemeente verricht rond werk, zorg en jeugd, op basis van de Wmo, de Participatiewet en de Jeugdwet. In de ruime, integrale zin van het woord vallen onder ‘sociaal domein’ ook alle aanverwante taken. Denk aan onder meer: handhaving bij leerplicht, het voorkomen van vroegtijdig schoolverlaten, passend onderwijs, leerlingenvervoer, de reguliere en bijzondere bijstand, schuldhulpverlening en (jeugd)gezondheidzorg. Maar, zo ervaren de mensen, waag het niet om op meerdere van deze vlakken tegelijkertijd iets nodig te hebben. Want met haar afzonderlijke (sub-)systemen, loketten en aanspreekpunten kan “de planologie van lokale beheersbaarheid” dat niet aan. Gemeenten staan hierin overigens niet alleen. Ook mensen die vallen onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz) ervaren dezelfde problemen met de daarvoor aangewezen uitvoeringsinstanties. Waarbij ik gemakshalve even voorbij ga aan de mensen die – voor een adequaat antwoord op hun ondersteuningsbehoefte – te maken hebben met een combinatie van deze instanties zijn aangewezen.

De beleidsvisie binnen het ‘sociaal domein’ kent een aantal kernelementen met een herpositionering van de belangrijkste spelers als basis:

  • Van de inwoners wordt verwacht dat ze bij het oplossen van problemen meer uit gaan van de eigen kracht en het eigen netwerk en zich in de samenleving actiever opstellen als vrijwilliger.
  • Professionals moeten burgers ondersteunen in het versterken van de eigen kracht en het bij elkaar brengen van het informele netwerk; alleen als het niet anders kan voeren zij zelf nog de taken uit.
  • De gemeente moet zich beperken tot het stellen van kaders voor, het faciliteren van en toezicht houden op inwoners en professionals en gaat zich daarnaast ook zelf effectiever en efficiënter organiseren.

Deze visie wordt breed gebruikt wordt in de praktijk. Maar, dat wil dit niet zeggen dat er sprake is van doorwerking, in de houding van alle actoren tegenover het beleid. Er is zeker sprake van een positieve doorwerking als het gaat om de richtinggevende functie van de visie. Alle actoren her- en erkennen de bedoeling. Anders ligt dat ten aanzien van de bereidheid om – voor het eigen doen en laten – hieraan consequenties te verbinden. Van een feitelijke doelbereiking (conformiteit) is dan ook nog lang geen sprake. Van doorwerking van visie naar praktijk is dan ook maar mondjesmaat sprake. Natuurlijk zijn er op onderdelen aanwijsbare resultaten geboekt. Van een echte, uit de  visie voortvloeiende herpositionering van de geadresseerde actoren (inclusief de wetgever zelf) is echter nog onvoldoende sprake. Het strategische beleid is daarvoor nog onvoldoende van invloed  op navolgende besluitvorming. Valt dit alles dan niet op te lossen? Natuurlijk wel. Als wij bereid zijn om de consequenties daarvan te aanvaarden.

De oplossing voor mensen met complexe problemen is net zo simpel als lastig: het eerste loket waar een zorgvrager zich meldt, moet zich verantwoordelijk weten en voelen voor het regelen van alle benodigde zorg. Hartstikke logisch en verstandig toch? Zeker. Maar dat vraagt naast ‘eigenaarschap’ bij dat eerste loket ook om ‘struinruimte’ daarvoor. Om het recht om in andermans bevoegd- en verantwoordelijkheden (lees: systemen, loketten) te treden. En dat nu blijkt in de praktijk van alledag weer niet zo logisch of vanzelfsprekend. In de visie van gemeenten staat het wel. En in de hoofden van bestuurders en beleidsmakers speelt het ook. Net zo goed als dat de professionals op de werkvloer staan te springen om het daadwerkelijk te doen!

Tussen de gedeelde droom en de eigen daad zit een moeizaam proces. Waarbij er volop ruimte genomen wordt voor interpretatie en discussie over wat de nieuwe positionering moet inhouden. Iedereen vindt dat het anders moet; bij de ander! Iedereen vraagt om ‘loslaten’; van de ander! Iedereen schreeuwt om of eist de regie; door – of over – de ander! Want natuurlijk: het moet veranderen. Maar dan vooral bij anderen. Want ‘mijn’ systeem klopt wel, maar dat van de ander, dat klopt niet!

Dit alles werkt contraproductief bij de overdracht van taken en frustreert de voortgang van de binnen het sociaal domein met de visie beoogde ‘kanteling’. Een visie die verwachtingen oproept, die wij onvoldoende tot niet waarmaken. Omdat wij met tegelijkertijd voortdurend streven naar systematisering en beheersbaarheid. Goed willend, maar slecht doend zaaien wij zo met het zaad van teleurstelling nieuwe brandnetels in de tuintjes van de mensen die hun tuintjes toch al overwoekerd zien!

De ondersteuning van mensen is helemaal niet zo ingewikkeld. Als je oog hebt voor de context van een (complexe) ondersteuningsbehoefte, en die goed begrijpt, kun je van daaruit kijkend en denkend de systemen gebruiken.  En ja, dat vraagt vervolgens (ook) de bereidheid om de systemen weer dienend in plaats van leidend te maken!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.