Wat zeg ik nou weer

wat zeg ik nou weer.png

  • Laat ik daar volstrekt helder over zijn: ik zeg daar sorry voor.

Op de dag van de zonnewende, 21 juni 2017, vond er in de Tweede Kamer een spoeddebat met staatssecretaris Martin van Rijn (PvdA) van VWS plaats. Het debat werd gehouden na een indringende Facebookoproep op 12 juni door de moeder van Emma, een suïcidale tiener die al 3,5 jaar moet wachten op een plek in een behandelkliniek. Na veel rondbellen heeft Van Rijn in de afgelopen dagen uiteindelijk zelf voor Emma een psychiatrische opvangplek kunnen regelen. Van Rijn zegt ‘met ongeloof’ Emma’s verhaal te hebben gevolgd. ‘Elk kind dat acuut zorg nodig heeft, moet deze zorg direct krijgen’, stelt hij in de Kamer. Met een beschuldigende vinger wijst Van Rijn naar de psychiatrische zorgaanbieders, die gezamenlijk blijkbaar niet in staat zijn enige tientallen acute gevallen onderling te verdelen.

Ik geloof het ongeloof van de staatssecretaris. En tegelijkertijd denk ik: hoeveel communicatieadviseurs zullen zich gebogen hebben over de vraag wat de staatssecretaris in de Kamer zou moeten zeggen. Om zelf geen kleerscheuren op te lopen. Want laten wij eerlijk zijn. Het verhaal van Emma staat niet op zichzelf. Dagelijks worden kinderen of volwassenen met hulpverleners geconfronteerd die hun vraagstuk wel willen, maar niet kunnen oplossen. Of wel kunnen, maar niet willen oplossen. Gelukkig gaat het niet altijd om zaken die zo schrijnend zijn als het verhaal van Emma. Maar toch.

Wie zijn oren goed te luister legt, of zijn ogen gebruikt, kan binnen de zorg met grote regelmaat verhalen horen over personen die niet de zorg krijgen die nodig of gewenst is. Tijdens het hiervoor bedoelde debat deelt SP-Kamerlid Nine Kooiman een bundeling uit van vijftig andere schrijnende gevallen van jeugdigen die acuut psychiatrische hulp nodig hebben. Maar ook op andere terreinen speelt dit.

Neem het aantal thuiszitters in Nederland. Dat schommelt nog steeds rond de 15.000. En het aandeel vrijstellingen daarin is (voor het derde jaar op rij)  sterk gestegen. Dat betekent dat voor steeds meer kinderen geen school gevonden is die hen passend onderwijs kan bieden. Hun ouders moeten zelf maar zien wat ze hun kind laten doen de hele dag. En dat terwijl er toch een wet Passend Onderwijs is.

Als ‘excuus’ wordt hierbij het beeld geschetst dat het bij vrijstellingen gaat om leerlingen met fysieke of verstandelijke handicaps. De praktijk leert, dat het voor een groot deel om hoogbegaafde leerlingen en/of leerlingen met autisme en zo. Er wordt gezegd dat vrijstellingen alleen op verzoek van de ouders gebeuren na goedkeuring van een arts. In de praktijk echter voelen ouders zich onder druk gezet om dit te accepteren omdat zij anders vervolgd worden door de leerplichtambtenaar, of geen financiële bijdrage voor dagbesteding kunnen krijgen zonder die vrijstelling. Het is toch erg onaannemelijk dat het aantal leerlingen dat vanwege fysieke of verstandelijke handicaps niet in staat is een school te bezoeken (“kasplantjes”) in vijf jaar tijd met 70% gestegen is?

Zodra die verhalen naam en gezicht krijgen – een belangrijke voorwaarde voor ‘succes’ – duikelen de verantwoordelijken met excuses over elkaar heen. Wijzen zij de vinger naar de zere plek (die altijd bij een ander zit) en beloven zij orde op zaken te stellen of – zo nodig – beterschap.

De “Kamerknieval”, het excuus of het zeggen van ‘sorry’ als communicatie-instrument. En elke keer, moet de spijtbetuiging natuurlijk ‘oprecht’ en ‘welgemeend’ overkomen. En tegelijkertijd, mist zij het menselijk gezicht. Erkenning van het wanhopige gevoel dat zowel kinderen, ouders of kinderen van of ouderen, net als hulpverleners kan overvallen. Gewoon, omdat ze het gewoon even niet meer weten.  Menig ‘drama’ resulteert zo in de roep om aanpassingen in het systeem. Er wordt gesproken over betere communicatie tussen betrokkenen, een betere monitoring, heldere wachtlijsten, landelijke regelgeving, enzovoort en zo verder.

Maar stelsels en systemen helpen niet! Dat doen mensen. Mensen die bereid zijn net even iets meer te doen dan de regels voorschrijven of vereisen. Mensen die maatwerk durven bieden. Mensen ook, die daarbij soms ook ‘buiten de lijntjes’ kleuren. Dingen doen die misschien niet mogen, maar wel helpen! Mensen die omwille van hun moed de ene dag op het schild gehesen worden, om daarvan de volgende dag –  ‘verguisd’ om hun ontregelend gedrag – weer van afgehaald te worden.

Neem dat hoofd van de school, dat op vrijdagmiddag – alle hulpverleningsinstanties zijn gesloten – met medeweten van de politie, een door zijn ouders op straat gezet jochie van tien een weekend in huis neemt. Bij gebrek aan een andere oplossing. Direct na het weekeinde wordt hij ter verantwoording geroepen. Hoe hij het in zijn hoofd haalt om een leerling mee naar huis te nemen! Ik vrees het ergste voor de leerkracht (docent Nederlands aan het Candea College in Duiven) die letterlijk en figuurlijk dit schooljaar bij al zijn mentorleerlingen is blijven eten! En binnenkort schuiven ze bij hem aan. Ik hoor het critici al zeggen: “Wat doet die man daar? Dat hoort toch niet! Je moet beroepsmatige afstand houden!”

De ‘afstand’ tussen ‘systemen’ en ‘instituties’ en de mensen in de maatschappij is te groot geworden. “Zorg” is een instituut geworden, waarbinnen prijs, productie en protocol centraal staan en waarvan enig ‘welkom zijn’ niet echt meer sprake lijkt te zijn. Wat de Emma’s in deze wereld nodig hebben, is mensen die werken op basis van ‘professionele nabijheid’. Mensen die hun eigen angst en kwetsbaarheid als het gaat om nabijheid in menselijk te contact durven erkennen, maar het daarom niet uit de weg gaan. Mensen die oprecht integer en betrokken zijn. Mensen die oplossen wat anderen (wij) liggen laten.

Misschien, beste staatssecretaris, is het goed dát eens te zeggen, als u zich bij een volgend dram afvraagt: “Wat zeg ik nu weer?”

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

In je eentje heb je gemakkelijk praten

in je eentje.png

  • Als je jezelf een beetje vergeet, ga je meer belang hechten aan anderen.

Regionale samenwerking is hot. Zeker binnen het sociaal domein. Tegelijkertijd staat regionale samenwerking binnen het sociaal domein regelmatig stevig onder druk. Binnen menig regionaal samenwerkingsverband worden discussies gevoerd over nut en noodzaak ervan. Niet in de laatste plaats ook, omdat de maatschappelijke opgaven en daarmee verbonden belangen primair op lokaal niveau liggen en gemeenten, door de toegenomen verantwoordelijkheden, ook een groter financieel budget bestieren. Dus denken meer zelf te kunnen doen. Maar ja, de strategische keuze maken om niet meer samen te werken en vervolgens deze in te trekken gaat dan vaak ten koste van de reputatie en geloofwaardigheid van de ‘brekende’ gemeente.

Regionale samenwerking. Er is geen blauwdruk voor succesvolle regionale samenwerking. Gewoon, omdat regio’s zo verschillend zijn. Als samenwerking goed gaat, heeft dat meestal te maken met de kracht van de spelers: bedrijven, collectieven of individuen. Dat laatste betekent ook dat je wel moet nadenken over de duurzaamheid van de samenwerking: wat gebeurt er als sleutelfiguren wegvallen? Hoe voorkom je dat de samenwerking dan in elkaar zakt?

Regionale samenwerking verloopt namelijk niet zelden ongemakkelijk. Omdat er veel partijen betrokken zijn en vanwege de veelheid aan denkbeelden. Vaak zijn partijen die regionaal willen samenwerken het wel eens over het ideaal, maar de vertaling naar de praktijk blijkt toch niet zo gemakkelijk.

Overheden staan mede daardoor vaak niet te trappelen als het gaat om regionale samenwerking. Ze hebben de neiging om vanuit hun eigen bestuurlijke belangen te redeneren. Maar samenwerken vraagt ook de bereidheid  om wat zeggenschap op te geven. Daarvoor zijn veel bestuurders huiverig.

Samenwerking kent overigens meerdere spanningsvelden: de inhoud, de schaal, de verschillende belangen, de financiering, het samenspel en de regie die nodig is om dat alles op een lijn te krijgen. Ik laat daarbij de democratische verantwoording bij het overschrijden van bijvoorbeeld gemeente- en provinciegrenzen nog buiten beschouwing.

Als het over de inhoud gaat, denken velen te vaak en te snel dat, als ze het onderling eens zijn over de grote lijn van de inhoud, een goede uitwerking en uitvoering vanzelf volgen. Niets blijkt echter minder waar. Een helder en gedeeld beeld van het spel en de spelregels voor de regionale samenwerking met een consequente vertaling naar de praktijk, bijvoorbeeld wel of juist niet samenwerken in wisselende samenstellingen, vraagt om tijd voor gesprek. Waarbij lokale en regionale belangen met elkaar moeten worden verbonden (vergroten van synergie).

Regionale samenwerking vraagt ook om ‘vertrouwen’. In elkaar en elkaars bedoelingen. Dit vraagt het lef en de ruimte om belangentegenstellingen op een goede manier ‘op de spits’ te drijven. Daarvoor is het nodig om alle belangen en relevante invalshoeken rond de opgave(n) goed in beeld te brengen. Dat is een zoektocht naar wegen waarmee de diverse belangen elkaar kunnen versterken (‘win-win’).

Solide regionale samenwerking vraagt ook overzicht over het speelveld van de totale samenwerking en het aandeel daarin per gemeente: Wat speelt er allemaal? Wat zijn de doelen? Wie besluit wanneer en waarover? Wat is de voortgang? Wat zijn de resultaten? Wie zijn wel en niet aangesloten? Met deze informatie neemt de transparantie toe en wordt ook voorkomen dat de samenwerking – zoals vaak wel het geval – als een ‘black box’ worden ervaren.

Financiering kan volgens velen een enorme driver voor samenwerking zijn. Maar het kan ook verdomde lastig zijn. Het gaat vaak om het bij elkaar leggen van verschillende potjes. Daarover moeten dan weer op verschillende momenten beslissingen worden genomen, waarbij iedereen op elkaar wacht vanuit de houding: ik draag pas bij als jij dat ook doet. Dat kan de samenwerking frustreren.’

Toch zijn ook succesfactoren aan te wijzen. Zo werkt samenwerking beter op basis van gelijkwaardigheid. Waarbij gelijkwaardigheid niet zozeer zit in de grootte van de partner, maar wel op de inhoud. Alle partners moeten brengen

en halen. Bij alleen halen zonder iets te brengen is geen sprake van gelijkwaardigheid. Daarnaast vraagt samenwerking de bereidheid om van buiten naar binnen te denken. Open en transparant, net zo goed als innovatief en ondernemend en flexibel en klantgericht. Het is belangrijk om een gemeenschappelijk beeld te ontwikkelen bij de vastgestelde samenwerkingsdoelen. Hierbij is een inhoudelijke verbinding en vertrouwen cruciaal. Het draait soms om wat geven en nemen om te komen tot een gezamenlijk beoogd resultaat en dit houdt in dat verantwoordelijkheden over en weer gedeeld en gepakt worden.

Ook moet er sprake zijn van toevoegende waarde. Dat de samenwerking iets oplevert is de meest essentiële voorwaarde voor succes. De toegevoegde waarde kan op het kwalitatieve en of financieel vlak liggen, maar ook op het vergroten van de effectiviteit en efficiency of het verhogen van de slagkracht.

Samenwerken vraagt ook om tempo. Behalve dat gemeenten elkaar iets moeten gunnen, verlangt het ook aanpassing. Van twee kanten. Lokale plannen en projecten moeten soms worden aangepast om tot succesvolle regionale samenwerking te kunnen komen. Dat vraagt tempo, regie, en inzet van de gemeenten. Het is daarbij de uitdaging om het tempo erin te houden. Gewoon, om te resultaten te laten zien.

Regionale samenwerking vereist ook betrokkenheid, vertrouwen en dus een goede onderlinge relatie. Een relatie waarbinnen de partners iets voor elkaar over hebben. Juist, omdat ze voor samenwerking kiezen. Als die houding ontbreekt, wordt het lastig om de samenwerking in stand te houden.

Regionale samenwerking moet ook ‘stuurbaar’ zijn. Dat vraagt, naast een overzichtelijke hoeveelheid partners, goed voorbereiden, duidelijke scheiding van rollen (opdrachtgever versus opdrachtnemer). Daar alles ingebed in een duidelijke besluitvormingsstructuur en helder vastgelegde governance.

Wat er nodig is voor succesvolle regionale samenwerking? Eerst en vooral enthousiasme en lef. Enthousiasme geeft spirit om meer te doen dan gevraagd wordt. En dat vraagt lef. Om grenzen te verleggen, letterlijk en figuurlijk. Om nieuwe dingen te verzinnen en anderen erbij te betrekken. Lef ook, om niet te wachten, maar durf om zelf het initiatief te nemen en met voorstellen te komen. Dat is vaak nodig omdat er in regionale samenwerking weinig trekkers zijn. Burgemeesters en wethouders leggen hun prioriteiten meestal toch in hun eigen gemeente.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Wolven in schaapsvacht

wolven.png

  • Hervorming is utopie in de ogen van hen, wier gewoonten erdoor gestoord worden.

“De jeugdzorg krijgt klap op klap.” Kopt het NRC 7 juni 2017. Kinderpsychiaters luiden de noodklok over de zorg die zij kunnen bieden. “Het zoveelste signaal van misstanden in de jeugdzorg.” En ik? Ik denk “Daar gaan we weer.”

Het is waar. Veel zorginstellingen slagen er niet in jongeren met psychische problemen tijdig te helpen. En ja, één op de vijf kinderen wacht langer dan twee maanden op een intakegesprek. Te snel en te gemakkelijk wordt dit alles gezien als een effect van de decentralisaties. De overheveling van bevoegd- en verantwoordelijkheden naar gemeenten.

Wat waar is, is dat patiënten in de ggz steeds vaker lichtere vormen van zorg of ondersteuning krijgen. Steeds meer mensen komen bij de praktijk-ondersteuner-huisarts (poh)-ggz van de huisarts, en steeds minder mensen komen in de specialistische geestelijke gezondheidszorg (sggz). Tegelijkertijd is de financiële positie van zorgaanbieders gelijk gebleven, of zelfs iets verbeterd. Dat blijkt uit de marktscan ggz die de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) op 1 juni jl. publiceerde.

In 2015 hebben ruim 427.000 mensen tenminste één consult bij een poh-ggz gehad. Dat is 16 procent meer dan in 2014, en meer dan twee keer zoveel als in 2013. In de basis-ggz kregen 281.000 mensen een behandeling en in de sggz 710.000. Dat is een daling van 18 procent. De behandeling in de specialistische ggz is wel intensiever geworden. De zwaarte is toegenomen en het aantal kortdurende behandelingen is verminderd. Dit heeft tot gevolg dat de kosten voor de sggz per patiënt met ongeveer 14 procent zijn gestegen. De kosten voor de totale ggz zijn fors verminderd. In 2014 was dat 6,5 miljard euro. In 2015 is dat gedaald naar 4,1 miljard. De daling komt vooral door de overheveling van beschermd wonen en ambulante begeleiding naar de Wmo en van de jeugd-ggz naar de Jeugdwet. De financiële positie van aanbieders in de ggz is in 2014 gelijk gebleven of iets verbeterd. Dat geldt voor de rentabiliteit, solvabiliteit, liquiditeit en het weerstandsvermogen. De geïntegreerde instellingen kampten met een omzetafname van in totaal 60 miljoen euro. Maar dat had geen invloed op hun financiële positie.

Als ik die cijfers nader beschouw, moet ik vaststellen dat het met de decentralisaties beoogde beleid kennelijk werkt. Wij signaleren eerder en meer. Zijn er daardoor vroeger bij en kunnen daardoor met minder zorg een passend antwoord geven. En ja, afname van de vraag heeft ook pijnlijke bijeffecten. Het brengt verlies van omzet en werkgelegenheid met zich. Maar, is dat alles niet precies de bedoeling? Wis en waarachtig wel, zou ik zeggen.

In weerwil van kennelijk in de Tweede Kamer levende opvattingen laat dit alles dan ook zien dat gemeenten kennelijk stevig(-er) dan gedacht de regie nemen. Meer en beter sturen ook. Juist, omdat zij er bovenop zitten en hun pappenheimers kennen.

Ik ontken niet dat er desondanks sprake is van een probleem. Dat probleem heeft – anders dan velen ons graag doen geloven – niet zozeer te maken met een tekort aan geld. Wel met de verdeling ervan. De beoogde hervormingen in de zorg vragen namelijk zowel om voorinvesteringen als om herallocatie van middelen.

De langdurige ggz valt onder de Wet langdurige zorg (Wlz). Het geld daarvoor zit bij de zorgverzekeraars. De kortdurende en basis-ggz valt onder de Wmo- of Jeugdwet. Dat geld zit bij de gemeenten. Als er nu minder langdurige en meer kortdurende ggz-zorg nodig is, komen gemeenten tekort, wat zorgverzekeraars overhouden.  En tussen die budgetten bestaat nog altijd een stevige waterscheiding. Met het bekende waterbedeffect: als ik hier druk, heb ik ergens anders pijn!

Het gekende én beproefde recept voor dit probleem heet niet zelden ‘wachtlijsten’ en ‘wachttijden’. Zij blijken goed te fungeren als pressiemiddel. Wachtlijsten immers verdwijnen als er meer geld in gezondheidszorg wordt gestoken, zo wordt ons voorgehouden. De roep om meer geld wordt dan ook luider en luider. Mede dankzij het recente succes van de lobby voor meer geld in de ouderenzorg. Maar zullen de wachtlijsten dan ook korter worden?

De ene wachtlijst is de andere niet. Het wachten op consult, onderzoek en behandeling voor de ene patiënt is zorgelijker dan voor de andere. Discussies over wachtlijsten en wachttijden lijken sterk op een expres veroorzaakte Babylonische spraakverwarring. Alle betrokkenen vullen daarbij het begrip ‘wachten’ op hun eigen manier in.

Wachtlijsten betekenen voor de gezondheidszorg niet alleen maar kommer en kwel. Ze brengen ook heil en zegen. Wachtlijsten zetten de sector onder druk om efficiënter te werken en te zoeken naar betere, maar goedkopere alternatieven. Ook helpen wachtlijsten bij het afremmen van de vraag naar zorg en maken ze het opstellen van werkroosters eenvoudiger.

Eén ding is zeker: alleen maar meer geld lost het probleem van de wachtlijsten en wachttijden niet op. Daarvoor hebben partijen in de gezondheidszorg te veel belang bij het in stand houden ervan. Het is een illusie om te denken dat aanbieders bij voorbaat een vanzelfsprekend belang hebben bij het terugdringen van wachtlijsten. Als zij dat belang niet hebben, leidt het inzetten van extra capaciteit en extra middelen doodeenvoudig niet tot een reductie van wachtlijsten, hoeveel geld er ook wordt ingepompt.

Natuurlijk, de bezuinigingen, die tegelijk met de decentralisaties kwamen, waren fors. En, zoals gezegd, de herverdeling van de middelen kan en moet beter. De weeffouten is het verdelingssysteem breken zowel gemeenten als aanbieders op. Maar iets te gemakkelijk wordt dat alles m.i. gebruikt voor het herleven van de – al van voor de decentralisaties daterende – GGz-lobby die de decentralisaties nooit heeft gewild. Zij willen terug naar de oude situatie, waarbij verzekeraars de zorg betaalden. Te gemakkelijk en opzichtig noem ik het signaal dat zij propaganderen: decentralisatie leidt tot nood, recentralisatie brengt redding. Menig kinder- en jeugdpsychiater ziet de recent afgekondigde landelijke regeling voor de De Kindertelefoon, stichting Sensoor (Luisterend Oor) en AKJ (Vertrouwenswerk Jeugd) als een teken van hoop. Zij beschouwen deze recentralisatie als het spreekwoordelijke eerste schaap over de dam en putten daaruit nieuwe hoop op ook en alsnog een landelijke regeling. En voor wie zo weet waar hij naartoe wil, zijn kennelijk alle wegen en middelen goed.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Nooit bang zijn om te onderhandelen

uithuiszetting.png

  • De punten moeten dáár op de i gezet worden, waar ze horen.

Een huurschuld ‘wegnemen’ met zorggeld! Volgens de ‘hokjesgeest’ en onze systemen kan dit allemaal niet. Maar wat nu, als het tot een kwalitatief betere, een meer ‘gedragen’ en bovendien goedkopere oplossing leidt?

In het kort

Een gezin dreigt op straat gezet te worden. Vanwege een huurschuld, groot € 5.500. Vader en moeder willen al langer uit elkaar, maar de regeling van een schuld uit een faillissement van vader (eigen bedrijf) houdt dat tegen. Hierdoor heeft moeder geen recht op een eigen bijstand. Het gezin telt twee kinderen die onder toezicht van de kinderbescherming staan. Als pa en ma op straat komen te staan, zo eist de jeugdzorg, moeten de kinderen naar een voorziening voor jeugdzorg. Kosten – op jaarbasis – per kind € 50.000. De uiteindelijke oplossing kost de betreffende gemeente een garantstelling voor de huurschuld. De afspraken brengen de ouders tot een schuldregeling en eisen het in gang zetten van een echtscheiding. Moeder kan nu een zelfstandige bijstandsuitkering kan krijgen en een nieuwe huurovereenkomst sluiten voor de bestaande woning. De kinderen blijven thuis!

Het was een stevige zaak. Met veel emoties. Van zowel de kant van Stan en Charlotte als van onze kant. De meeste mensen kennen het wel: mensen die elke situatie giftig en onmogelijk maken. Die in alles wat hen ‘overkomt’ een complot van de boze wereld om hen heen zien. Wij moesten de neiging defensief te zijn weerstaan. In hun ogen waren wij de bron van alle problemen. Onze mening was – aanvankelijk –  niet belangrijk, omdat wij hoe dan ook de schuld waren van hun probleem.  Een combinatie van dwang en drang, gebaseerd op ‘harde’ onderhandeling en een directieve aanpak bleek de deur naar de oplossing.

Uiteindelijk echter was dat ook de moeite waard. Getuige ook het mailtje dat wij later van de betrokken mensen kregen: “Wij willen jullie op de eerste plaats toch nog eens bedanken voor de gedane moeite die de eerste aanzet is geweest voor een nieuwe periode.”

Het verhaal

Stan is 30 jaar oud en opgegroeid in Brabant als kind van gescheiden ouders. Volgens eigen zeggen heeft hij een onstuimige jeugd gehad, maar geen justitiële ervaringen. Zijn schoolopleiding heeft hij niet succesvol kunnen afronden. Hij heeft als jeugdige vele baantjes gehad in allerlei verschillende soorten beroepen, en heeft – naar eigen zeggen – op latere leeftijd de diagnose ADHD gekregen. Hij kenmerkt zichzelf als positief, ruimdenkend, optimistisch, enthousiast, maar ook impulsief, snel verveeld, chaotisch, opschepperig en slordig.

Zijn partner, Charlotte, is drie jaar ouder. Eveneens in een Brabants dorpje opgegroeid als kind van een gezin van met een vader met een alcoholverslaving en een zware vorm van schizofrenie. Ze is daardoor op jonge leeftijd uit huis gegaan om samen te gaan wonen met haar voormalige vriend.  Ook Charlotte heeft de school niet afgemaakt, maar wel diverse cursussen en certificaten gehaald.  Zij kenmerkt zichzelf als positief, verantwoordelijk, zorgzaam, gevoelig, maar ook perfectionistisch, onzeker en cynisch

In 2005 ontmoeten beiden elkaar tijdens een feest. Stan was toen 19 jaar, Charlotte 23. Woonachtig.  De vlam sloeg over en vanaf waren zij onafscheidelijk.  Kort daarna huwden zij.  Destijds op basis van een enkelzijdig inkomen vanuit een Wajong uitkering van Charlotte.

Na eerst in een chalet op een camping gewoond te hebben, verhuisden zij  in 206 naar een kleine twee-onder-een-kap woning in een rustige woonwijk. Stan is als elektromonteur aan de slag bij een lokaal electro bedrijf.  Charlotte had nog haar Wajong uitkering. Na een korte periode waren diverse gebreken aan de woning verhuist naar een andere meer passende woning.

In 2007 is hun eerste zoon geboren na een zware bevalling met flinke complicaties. Zoonlief huilde veel, wilde niet drinken en had als baby geen regelmaat. Stan was inmiddels werkzaam bij de Unox in Oss als procesoperator en intern transporteur. De problemen met hun zoontje veroorzaakte ook dat Stan vaak afwezig was op zijn werk, wat zijn toekomst bij Unox ook onzeker maakte.

Toen begonnen de eerste problemen op te doemen. Stan werd werkloos en moest een uitkering aanvragen. Eerste schulden ontstonden, omdat zij niet in staat waren om de vaste lasten te voldoen. Ook ontstonden er onderlinge spanningen. Charlotte was – ondanks het gebruik van de pil – opnieuw zwanger. Het gezin besloot vervolgens wederom te verhuizen.

Stan was een klussenbedrijf voor zichzelf begonnen en werkte hard om de opgedane schulden in te lossen. Toen de schulden bijna weggewerkt waren, kwamen het plan voor het kopen van een eigen woning. Naast Stans bedrijf wilde Charlotte ook een eigen kledingwinkel beginnen.

Financieel leek het goed te gaan, totdat een grote opdrachtgever van Stan zich terugtrok. Op dat moment was juist het koopcontract voor de woning getekend. Nieuwe financiële problemen doemden op en de idee van een kledingwinkel ging in rook op. Zakelijke conflicten volden en leiden tot vernielingen en bedreigingen. Door allerlei omstandigheden liep de schuld op tot een bedrag van ruim anderhalve ton. Charlotte was inmiddels bevallen van een tweede zoon. Vanwege de bedreigingen, schulden en wat dies meer zij vluchtte het gezin, werd hun woning ontruimd en trokken zij in bij de schoonouders van Stan.

Een nieuwe start in (weer) een andere woning werd gemaakt. Het gezin leefde van een bijstandsuitkering, wat Charlotte was haar Wajong verloren door de winkel-ambitie. Er was nog altijd sprake van een forse schuld, maar schuldsanering kon niet worden opgestart.  Schuldeisers bleven aankloppen en de situatie werd uitzichtlozer.

In 2010 was de schuld opgelopen tot ongeveer € 200.000,- . Stan ging weer werken en verdiende een bovengemiddeld inkomen, maar door loonbeslag bleef daar weinig van over.  Uiteindelijk volgde een persoonlijk faillissement. Charlotte raakte weer – ongepland – zwanger van een derde. De druk van het faillissement, de komst van een derde kind, de schuld en wat dat met zich meebracht leidde bij Stan tot psychische problemen. Een burn-out volgde en niet lang daarna lag er een ontslagbrief in de bus.  De 3de was net geboren.

In 2011 en 2012 volgden weer een verhuizingen. De problematische schulden bleven en het faillissement was geëindigd wegens gebrek aan baten. Om snel en meer geld te kunnen verdienen, werd een online kledingwinkel gestart. Gevolg: een nieuwe woning met bedrijfsruimte werd gezocht en gevonden. Het succes eindigde door zaken te doen met een investeerder met andere plannen.

De perikelen leidden ook tot de wens van Charlotte om te scheiden. Zij meende dat Stan haar en de boel had opgelicht.  Jeugdbescherming komt in beeld en de kinderen worden onder toezicht gesteld. De contacten met Charlotte werden beetje bij beetje weer hersteld, en – wonder boven wonder – met de kinderen gaat het thuis en op school redelijk tot goed.

In 2014, na 10 jaar vol problemen staan ze bij ons sociaal team. Met een immense schuldenlast, een relatie die opgebrand is, een dreigende huisontruiming, en – als gevolg daarvan – dreigende uit huis plaatsing van twee van de drie kinderen. Want Jeugdbescherming is duidelijk: als de onder toezicht staande kinderen op straat terecht dreigen te komen, volgt een uithuisplaatsing. De woningcorporatie wil de rechterlijke machtiging tot huisuitzetting uitvoeren en Stan en Charlotte verwijten elkaar over een weer schuld. Een scheiding wil Charlotte niet, omdat zij dan de helft van de schuld (ruim 2 ton euro) op haar naam krijgt. Desondanks zijn Stan en Charlotte sedert midden 2015 feitelijk uiteen en wensen zij de gevolgen van hun huwelijksgoederenregime – voor zover mogelijk – ongedaan te maken. Om de situatie voor de kinderen stabiel te houden is volgens zowel Stan als Charlotte – ieder voor zich en gezamenlijk – actie nodig op de terreinen huisvesting, financiën en zorg. Naast adequate ondersteuning voor de vader, de moeder en de kinderen houdt dit o.a. in dat de financiën op orde moeten zijn/komen zodat de woning behouden kan blijven.

De woning echter, kan enkel behouden blijven als de ouders een gescheiden huishouden gaan voeren resp. de moeder een eigen inkomen heeft. Dat is alleen mogelijk, als er sprake is van een (in gang gezette) echtscheiding. Dit laatste is ook de wens van Charlotte, die niet langer in een afhankelijkheidsrelatie t.o.v. Stan wil staan. Ook, omdat deze in het (recente) verleden de continuïteit van de zorg voor de kinderen in gevaar bracht. Tegelijkertijd is het voor de kinderen (en de beide partners) belangrijk dat er na/binnen de gescheiden relatie een goede en ruimhartige omgangsregeling komt voor en met de kinderen. Dit wordt door alle betrokken partijen benadrukt en geborgd in duidelijke afspraken met de betrokken instanties.

Stan en Charlotte zijn ook van mening dat de kinderen het nodig hebben dat de woonsituatie voor de kinderen stabiel blijft en dat zij de problemen rondom hun financiën moeten aanpakken.

Wij besluiten ons ‘hard’ op te stellen en de verschillende problemen te gebruiken om tot een oplossing te komen.

Hiervoor worden – na stevige gesprekken en onderhandelingen – voor een periode van 5 jaren afspraken gemaakt.

  1. Stan en Charlotte werken op basis van een eigen toekomstplan mee aan de afspraken rond de omgang met en veiligheid van de kinderen en de voor de kinderen afgesproken hulpverlening.
  2. De afspraken over de omgang met elkaar en de kinderen kennen als voorwaarde dat de zelfstandige financiële huishouding van/voor Charlotte en kinderen niet in gevaar mag worden gebracht.
  3. Dit betekent dat Stan en Charlotte een echtscheidingsprocedure starten. Hiermee verkrijgt Charlotte een zelfstandige titel voor bijstand.
  4. Op basis daarvan kan de woningcorporatie de huurverhouding met Stan per datum huisuitzetting beëindigen en per gelijke datum een nieuwe huurovereenkomst met Charlotte aangaan. Daarmee is de woonsituatie voor Charlotte en de kinderen gewaarborgd en kan Jeugdbescherming afzien van uit huis plaatsing van (in ieder geval) 2 van de drie kinderen.
  5. Stan en Charlotte moeten ieder voor zich en gezamenlijk afspraken maken met de Kredietbank over de schuldhulpverlening en schuldsanering. Basis van die afspraken is de meest verregaande vorm van (uitgebreid) budgetbeheer bij of – waar mogelijk – beschermingsbewind vanwege de Kredietbank Nederland.
  6. Het budgetbeheer of beschermingsbewind is vooral bedoeld om Stan en Charlotte te beschermen en ervoor te zorgen dat zijzelf noch anderen misbruik van hun situatie kunnen maken. Het betekent wel dat zowel Stan als Charlotte hun inkomsten laten verlopen via een rekening van de budget- of bewindvoerder. Alle inkomsten komen op deze bankrekening(en). Dus niet alleen het loon én de uitkering, maar bijvoorbeeld ook de kinderbijslag, belastingteruggave en vakantiegeld. De bewindvoerder beheert deze rekening.
  7. De budgetbeheer/bewindvoerder beheert de inkomsten en zorgt er onder andere voor dat de vaste lasten op tijd worden betaald. Ook zorgt de budgetbeheer/bewindvoerder ervoor dat de kans op (nieuwe schulden) kleiner wordt. Kortom de budgetbeheer dan wel de bewindvoerder regelt alle financiële zaken voor de Stan zowel als Charlotte. Ieder voor zich.
  8. Om te voorkomen dat de zorg voor de drie kinderen in het gedrang komt, wordt afgesproken dat de gemeentelijke sociale dienst voor de komende jaren geen sollicitatieplicht voor Charlotte zal handhaven.
  9. Als Stan en Charlotte zich aan deze (onderling samenhangende) afspraken en voorwaarden houden, en optimaal medewerking verlenen m.b.t. de verdere voortgang van de hulpverlening en de (aanvraag tot) schuldregeling zijn wij bereid om de openstaande vordering aan de woningcorporatie tijdelijk van hen over te nemen en te voldoen. Deze schuld aan de gemeente wordt een onderdeel van het Plan Van Aanpak met betrekking tot het traject schuldhulpverlening. In dit plan wordt opgenomen dat Stan en Charlotte ieder voor zich hun aandeel (50%) in deze vordering kwijtgescholden kunnen krijgen. Basisvoorwaarde is daarbij dat zij zich gedurende de looptijd van de overeenkomst en het totale traject schuldhulpverlening en bewind voering aan de gemaakte afspraken houden. De overeenkomst vervalt dus, als Charlotte en Stan zich niet aan de afspraken houden.
  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Waar het systeem wringt….

little men.png

  • Little men

Over de lenigheid, de kwetsbaarheid en de weerbarstigheid van kinderen. Daar draait het om in “Little Men” van Ira Sachs.

Als de grootvader van de 13-jarige Jake overlijdt, verhuist zijn gezin van Manhattan naar diens huis in Brooklyn. Daar leert de wat dromerige Jake, die een groot tekentalent heeft, Tony kennen. Tony is een streetwise joch met acteerambities. Tony’s alleenstaande moeder runt de winkel in hetzelfde pand. Het klikt onmiddellijk tussen beide jongens. Maar hun families komen in conflict over de huur van de winkel. De oorzaak daarvan heeft alles te maken met de onverbiddelijke wetten van ‘de markt’.

Sachs laat overtuigend zien hoe een amoreel systeem mensen, ook jonge mensen, kan mangelen en uit elkaar kan drijven, en hoe ze desondanks overeind blijven.

 

De therapiefabriek

therapiefabriek 3.png

  • Door de bomen zien wij het bos niet meer

“Een therapeut kan betere zorg bieden door te werken volgens het principe van ‘practice based evidence’ in plaats van ‘evidence based practice’. Therapeuten in alle disciplines overschatten hun eigen effectiviteit! Wanneer loodgieters eenzelfde opvatting over hun nering zouden ventileren als therapeuten, dan lekte heel Nederland van binnenuit en konden we het landje doortrekken.”

Boude uitspraken zult u misschien zeggen. Toch meen ik het oprecht. Nederland heeft langzaam maar zeker iets van een therapiefabriek. Elke zichzelf respecterend organisatie of therapeut lijkt er eer in te leggen een unieke werkmethode te ontwikkelen. Maar tegelijkertijd blijkt er bij al die interventies heel veel overlap.

Ook vanuit de behandelaren zelf is er het nodige commentaar op veel bestaande interventies. Ze zijn niet zelden lastig toepasbaar in de praktijk. Wat ten koste gaat van het effect. Om maatwerk te kunnen leveren, wijken behandelaren daarom vaak af van de methodiek. Met weer nieuwe variaties als gevolg. Bijvoorbeeld omdat behandelaren vinden dat inwoners in Drenthe een nét iets andere aanpak nodig hebben dan inwoners elders in het land. Ze bedenken daarom liever een eigen interventie. Inmiddels zien wij door de bomen het bos niet meer.

Deze diarree aan zogezegd ‘onderbouwde en effectieve’ interventies gaat ten koste van de overzichtelijkheid. Ze zijn opgebouwd uit potentieel werkzame elementen, ook wel ‘bouwstenen’ genoemd. Zoals: opvoedvaardigheden leren aan ouders, een veilige omgeving creëren en een kind weerbaarder maken. Ronkend taalgebruik allemaal. Maar hoogleraren en professoren menen  dat er veel onderzoek nodig is om te bepalen wat de precieze werkzaamheid van de bouwstenen is.

Dat vindt ook psycholoog Scott D. Miller, Ph.D. (Institute for the Study of Therapeutic Change, Center for Clinical Excellence). Overal ter wereld hoort hij keer op keer respectabele therapeuten praten over de eigen effectiviteit “Doe je ogen open, lees het actuele wetenschappelijke onderzoek”, verzucht hij. “Geschoolde en gekwalificeerde therapeuten in alle disciplines overschatten hun eigen effectiviteit met gemiddeld 60%! Veelal gebruiken therapeuten alleen de onderzoeksresultaten die in hun straatje passen.”

Therapeutische uitmuntendheid vraagt niet om nog meer of nieuwe behandelmethoden en technieken. Integendeel. Het is niet de therapeut of zijn therapiemodel wat een therapie doet slagen. Uit jarenlange ervaring weten wij inmiddels dat vooral de combinatie van een contextuele visie en de inzet van  ervaringsprofessionals de meest effectieve manier  is  om  hardnekkige en  complexe  stoornissen  te  benaderen:  De  ‘klik’  die  cliënten met hun ‘behandelaar’ ervaren is een van de belangrijkste werkzame bestanddelen van behandeling. En tegelijkertijd de meest onderschatte. De meest krachtige factor tot verandering is de cliënt (de mens) zelf en wat zich afspeelt in zijn of haar leven buiten de therapiekamer. De zogenaamde extra-therapeutische factoren. Gevolgd door de tot stand gebrachte relatie tussen cliënt en therapeut.

Anders gezegd: isoleer niet het ‘probleem’, maar plaats het in haar context. En focus de behandeling niet op het beperken van het problematische functioneren. Herstel van het onproblematisch functioneren vraagt, naast oprechte aandacht voor de persoon, om het kijken (en durven zien!) van kansen en mogelijkheden. En laat dat nu precies het fundament zijn van de decentralisatiebeweging van en bij de meeste – zo niet alle – gemeenten: het plaatsen van de inwoners in het bredere denk- en kijkraam van hun talenten en omgeving.

Natuurlijk, er is niks tegen om psychisch of sociaal lijden te duiden met een woord. De vraag echter is, of het niet een beetje uit de hand is gelopen met die talloos verschillende diagnosen en – als antwoord daarop – de ontelbare interventies en therapieën. De Nederlandse samenleving in het algemeen en de zorg in het bijzonder moet daarom de overproductie aan therapieën met enige argwaan beschouwen en – bij voorkeur – niet meer accepteren. Dat moet duidelijk zijn.

En ja, mijn mening zal ongetwijfeld onder vuur genomen worden. Want de therapiefabriek is big business. En therapeuten zullen ook nooit zeggen: we doen ons best, maar we weten nog niet zeker of het werkt. Dat brengt hun vak en portemonnee  in gevaar. Stel je voor zeg, dat ze hun interventie of therapie niet meer als pakket kunnen verkopen. Dat gaat hun business – verpakt in dure licenties en jaarlijks (dure) bijscholingsactiviteiten –  in rook op!

Laat ik dat nog eens anders zeggen: wie werkt voor het geld, doet zijn werk minder goed dan wie werkt vanuit zijn hart. Dat leert ook een onderzoek van ESB (ESB 4728, 20 februari 2016). Op basis van een analyse van 188.000 behandelingen door de vrijgevestigde psychiaters en psychotherapeuten, concluderen de onderzoekers dat driekwart van de behandelaren zich ‘geld gedreven’ gedraagt. Ze organiseren hun diagnose en behandeling zó dat ze er zelf financieel zo goed mogelijk uitspringen. Eén op de vier behandelaren in de ggz doet dit dus niet. En wat blijkt? Juist deze mensen behandelen hun patiënten gemiddeld 172 minuten korter, zijn 20% goedkoper en de patiënten zijn significant beter af. Het verband is sterk; hoe meer geld gedreven, hoe slechter het resultaat. Dat lijkt me – voor gemeenten, hun inwoners en hulpverleners, een les om rekening mee te houden!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Het lijkt wel oorlog

oorlog3.png

  • Je kunt niet alleen maar onkruid wieden. Je moet soms ook een bloemetje planten.

Wanneer gaan we het sociaal team omdopen tot ‘de sociale militie’ die wel even korte metten zal maken met alle problemen en uitdagingen waarmee mensen worden geconfronteerd? Die vraag struint de laatste dagen door mijn hoofd. Als gevolg van de constatering dat het sociaal beleid steeds meer ‘oorlogstermen’ het vakjargon lijken te beheersen.

Het sociaal domein kent steeds meer termen die het beeld van een slagveld oproepen. Eerder dan van een samen-krachtige samenleving. Opschalen, frontlijnwerker, taskforce, aanvalsplan, doorbraakmethode, stadsmarinier, escalatieladder. Het zijn woorden waarmee wij graag duidelijk maken dat wij de problemen serieus nemen. En dat wij de slag daartegen willen en zullen winnen. Een te waarderen inzet; dat zeker. Tegelijkertijd roepen dit soort van termen ook verwachtingen op.

Neem bijvoorbeeld de armoede.  In een in 2015 verschenen beleidsdocument lees ik: “2015 is een cruciaal jaar in onze strijd tegen armoede en voor duurzame ontwikkeling. Er moet ambitie worden getoond indien wij erin willen slagen de belangrijke doelstellingen te verwezenlijken die we onszelf hebben opgelegd: extreme armoede uitbannen en alle mensen een duurzame toekomst bieden. We moeten mensen de kans geven om het heft in handen te nemen, ongelijkheid bestrijden en gedeelde welvaart tot stand brengen door inclusieve en duurzame groei. De aanpak van deze vraagstukken is een lastige opgave die alleen tot een goed einde kan worden gebracht indien wij verantwoordelijkheden opnemen die stroken met onze eigen doelstellingen en wij onze krachten bundelen in een sterk sociaal partnerschap.”

Anno 2017 moeten wij constateren dat de cruciale strijd waarover toen gesproken werd kennelijk verloren is. Volgens het CBS neemt de armoede in Nederland sinds de laatste jaren toe in plaats van af. Met een cumulatie van armoederisico’s, bijvoorbeeld gezondheidsproblemen en schuldenproblematiek, als gevolg.

Er is een ‘ongebreidelde bestrijdingsbegeerte’ ontstaan, mede door de bloeiende zorgindustrie, die leidt tot nóg meer zorg. In menig beleidsplan staat de term ‘aanpakken’. We pakken alles maar aan. De zware woorden die wij – met alle goede bedoelingen – daarbij gebruiken blijken steeds vaker een valkuil. Omdat ze leiden tot desillusie en onvrede als de verwachtingen die wij oproepen zo vol gaten geschoten worden. Met ‘boze-burger’ partijen als antwoord.

Het is dan ook niet verwonderlijk als de ronkende beleidstaal die wij gebruiken eerder tot scepsis dan tot tevredenheid leidt. Sterker, het lijkt erop dat de mobilisatie van krachten alleen maar leidt tot nog meer ongenoegen. Het Nederlandse sociale systeem blaast zichzelf zo met snelle oplossingen, loze beloften en ondoordachte beleidsmaatregelen. Met alleen ‘oorlogstaal’ krijg je geen krachtiger samenleving. Daarin spreken heeft een katalyserend effect.

Denken in oorlogstermen heeft een katalyserend effect. Het brengt vaak meer regelgeving en nog strengere wetgeving met zich. Intussen neemt daardoor het wantrouwen van inwoners en professionals  tegenover de overheid toe. Toch blijft het denken in ‘oorlogstermen’ aantrekkelijk. Voor alle betrokkenen.

Informatie die negatief wordt gebracht kan sneller op instemming rekenen. Dat is bekend uit de psychologie. En er spreekt urgentie uit, zoals slecht nieuws ook beter verkoopt. Politici net zo goed als professionals en inwoners spinnen daar garen bij. Er is geen aandacht voor ‘de banaliteit van het goede’.

De participatiesamenleving waaraan wij met elkaar werken, vraagt een andere taal en keuze. Een keuze voor een bescheiden overheid en ruimte voor de samenleving. Waarbij de overheid de juiste voorwaarden schept waarbinnen de mensen in de samenleving zich kunnen ontplooien. Naast een sterke en vitale samenleving veronderstelt dit, dat mensen – inwoners en professionals – zelf ook de (financiële) ruimte krijgen om die verantwoordelijkheid in te vullen.

Die ruimte wordt door de ‘oorlogsretoriek’ dichtgemetseld. Alles wordt tot in de kleinste details geregeld, vaak op grond van bepalingen die al lang verouderd zijn. De problemen van mensen worden abstracte thema’s (armoede, werkloosheid, thuiszitters, levenseinde, asielzoekers) waarbij de mensen om wie het gaat geanonimiseerd worden. Terwijl het juist om mensen gaat. Met ieder zijn eigen (on-)mogelijkheden.  De ‘grootschaligheid’ van de thema’s laat daarvoor geen ruimte meer.

Armoede, werkloosheid, thuiszitten of asiel zoeken: het is geen keuze. Het is een gevolg van ongewenst ‘loslaten’.  De ‘oorlog’ die wij met de beste bedoelingen daaraan verklaren, maakt ongewild de slachtoffers daarvan tot daders. En de strijd daartegen beneemt ons het zicht op de werkelijke uitdaging: de oorzaak.

Het is daarom hoog tijd om de weinig verheffende oorlogsretoriek binnen het sociaal domein bij het grof vuil te zetten. Deze te vervangen door een discours dat uitgaat van compassie met mensen die kwetsbaar zijn. Bij die compassie hoort als vanzelfsprekend dat mensen zoveel mogelijk zeggenschap over hun eigen leven behoren te behouden. Daarbij gaat het in plaats van strijden tegen de onmogelijkheden om vertrouwen en het faciliteren van mogelijkheden. Dan ook zullen mensen in plaats van strijd waarde aan hun omgeving ontlenen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.