Ben ik nou gek?

depressie.png

  • Nooit eens een depressie? Zeg, voel jij je wel goed?

Een tsunami van kritiek daalt neer over het plan van Menzis om aanbieders met betere uitkomsten financieel te belonen. ‘Een waanzinnige gedachte’, vindt de een. “Zeer gevaarlijk”, zegt de ander. ‘Alsof de verschillen in behandelresultaten zijn terug te voeren op de verschillen in inspanning en kwaliteit van de behandelaren” De GGZ slaagt er – als vanouds – weer in om met een goed doordachte reactie  onrust te strooien over dit voornemen. Tijd dus voor een tegengeluid. Want het idee van Menzis is zo gek nog niet. Vind ik!

Ik bespeur namelijk een subjectieve zelfanalyse bij veel professionals in de GGZ. Hun eigen effectiviteit schatten ze steevast dwaas hoog in. Die mening stoelt vrijwel nooit op harde cijfers. Ik zie ook een onderling hopeloos verdeelde en een met het eigen imago schermutselende beroepsgroep. “Wanneer loodgieters eenzelfde wazige opvatting over hun nering zouden ventileren als therapeuten, dan lekte heel Nederland van binnenuit en konden we ons landje doortrekken.”

Therapeutische uitmuntendheid vraagt niet om nog meer of nieuwe behandelmethoden en -technieken. Integendeel. Het is niet de therapeut of zijn therapiemodel wat een therapie doet slagen. De meest krachtige factor tot verandering is de cliënt (de mens) zelf en wat zich afspeelt in zijn of haar leven buiten de therapiekamer. De zogenaamde extra-therapeutische factoren. Gevolgd door de tot stand gebrachte relatie tussen cliënt en therapeut (zie ook Barry L. Duncan, Scott D Miller, Jacqueline A Sparks 2004).

Ook VU-hoogleraar klinische psychologie Pim Cuijpers reageerde kritisch in de Volkskrant. Hij noemde het plan “onzalig”, want het is volgens hem nauwelijks te zeggen of een patiënt opknapt door een behandeling. “Veel mensen knappen spontaan op”, zegt hij….. Als dat zo is, waarom zetten wij dan überhaupt behandeling in?

Laat ik het wat concreter maken.

Deze week verscheen ook (toevallig?) een Artikel dat zegt dat huisartsen het aantal studenten met psychische problemen zie stijgen. “De nood is hoog”, kopt het artikel. “Psychologen zijn niet aan te slepen. Steeds meer studenten kampen met psychische problemen. De oorzaak is een opeenstapeling van stressfactoren: toegenomen prestatiedruk op universiteiten, angst voor schulden, de invloed van sociale media.”

Precies, denk ik dan. Dat is wat wij doen: wij bieden behandelingen aan om de gevolgen te bestrijden, te verzachten of hanteerbaar te maken. Wij lopen over van begrip voor de cliënt, diepen het probleem graag uit., Waardoor er vaak een vicieuze cirkel ontstaat met als gevolg een steeds groter wordend probleem dat voor de persoon die er last van heeft alleen maar ingewikkelder en onoverzichtelijker wordt. De sfeer wordt beladen met problemen, waardoor het gevaar dreigt dat de oplossing steeds verder uit het zicht raakt er ook de hoop op verbetering zal afnemen. Het doet mij denken aan de boodschap in het boek “Ooit een haan horen zeggen dat-ie vroeger ’n eitje was?; een psychiatrische patiënt kijkt liever vooruit dan terug (Stichting Pandora, Amsterdam, 1991 ISBN9071227049). Of, zoals meiden bij Fier Fryslan (slachtoffers van eer gerelateerd en huiselijk geweld, seksueel geweld en mensenhandel mij eens spiegelden: “Jullie hulpverleners willen alleen maar praten over onze problemen. Wij willen praten over onze toekomst. Over opleiding, werk enzo.”

Juist deze boodschap schraagt de inzet van Menzis. Zij willen goede uitkomsten belonen en niet langer (alleen) het aantal behandelingen resp. de inzet. Het belang en het oordeel van de patiënt wordt daarin meegewogen. Terecht, zeg ik. Met onze zorg is veel geld gemoeid. Dat geld moet worden ingezet om de uitkomst voor de patiënt te verbeteren. Dat zou een onverstandige maatregel zijn als wij het probleem als vertrekpunt nemen. Niemand op de wereld kan mij vertellen hoe een depressie ontstaat, bij wie, hoe ernstig die wordt en hoe lang die gaat duren. Die kennis is er gewoon niet. Wat wij wel weten is wat wel werkt: een oplossingsgerichte aanpak.

“Doe je ogen eens open” vraag ik de GGZ-collega’s dan ook. “Overschat je eigen effectiviteit niet.” Geschoolde en gekwalificeerde therapeuten in alle disciplines overschatten hun eigen effectiviteit met gemiddeld 60%!” Zegt ook psycholoog Scott D. Miller, Ph.D. (Institute for the Study of Therapeutic Change, Center for Clinical Excellence). Een psycholoog kan betere psychologische zorg bieden door te werken volgens het principe van ‘practice based evidence’ in plaats van ‘evidence based practice’ (Zie ook http://www.scottdmiller.com/). Zeker als hij of zij daarbij ook de (mogelijkheden van) de context meeneemt.

Anders gezegd: isoleer niet het ‘probleem’, maar plaats het in haar context. Focus de behandeling niet op het beperken van het problematische functioneren. Herstel van het onproblematisch functioneren vraagt om het kijken (en durven zien!) van kansen en mogelijkheden. En laat dat nu precies het fundament zijn van de decentralisatiebeweging van en bij de meeste – zo niet alle – gemeenten: het plaatsen van de inwoners in het bredere denk- en kijkraam van hun talenten en omgeving. Volgens mij kunnen bepaalde onderdelen van behandelingen snel worden geschrapt omdat blijkt dat ze niet helpen. Vindt ook Ernst Klunder, voorzitter van Volante, een samenwerkingsverband van grote ggz-instellingen. Het belangrijkste en werkende bestanddeel in heel veel therapieën blijkt namelijk gewoon ‘tijd’ en ‘aandacht. Tijd om te luisteren naar het verhaal, tijd om het te plaatsen in zijn context en aandacht voor de mogelijkheden.

Oplossingsgerichte gespreksvoering, gebaseerd op tijd en aandacht verschilt wezenlijk van de doorgaans gehanteerde (probleemgerichte) gespreksvoering. Exploratie en analyses van de factoren die een probleem veroorzaken of in stand houden zorgen niet automatisch voor verbetering van dat probleem. Kenmerkend bij de oplossingsgerichte gespreksvoering is dat

  • Problemen als uitdagingen/kansen worden gezien
  • De probleemhouder/cliënt de expert is
  • Je niet stuk maakt wat niet stuk is
  • Dat als iets werkt, je daarmee doorgaat
  • Als iets werkt, ga ermee door
  • Als iets niet werkt, je het anders moet doen

De interventies zijn erop gericht de probleemhouders/cliënten te helpen de aandacht te verleggen naar juist die momenten waarop het anders is, waardoor oplossingen mogelijk zijn.

Ben ik nou gek? Ik ben gek genoeg om daaraan te twijfelen. Wereldwijd wordt enorm veel energie en geld gestoken in onderzoek naar en betere behandelingen voor depressie. Met gematigd succes. Er bestaat een alternatieve route: stimulatie van geluk!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Advertenties

Loop met mij op

walk with me.png

  • Walk with me

Walk With Me is een prachtige cinematografische reis in de wereld van mindfulness, waarin de wereldberoemde boeddhistische leermeester Thich Nhat Hanh centraal staat. Hij komt oorspronkelijk uit Vietnam en heeft mindfulness naar het Westen gebracht. Als spiritueel leider woont hij nu in Plum Village, een leefgemeenschap in rustiek Zuid-Frankrijk, waar hij samen met andere zen-boeddhistische monniken en -nonnen mindfulness tot een wereldwijd fenomeen heeft doen uitgroeien.

Walk With Me biedt een nooit eerder vertoonde toegang in deze gemeenschap. Drie jaar lang werden de levens van de bewoners van Plum Village gevolgd en komen existentiële vragen waarmee ze geconfronteerd worden aan bod in hun zoektocht naar acceptatie. Treed binnen in een wereld van bewustwording.

 

 

Kinderen van zwart zaad

louis

  • Alle kinderen van Louis

Een Poolse journalist die een boek – Alle kinderen van Louis – schrijft over een Nederlands schandaal. Zo mogen we de misstanden die aan het licht kwamen bij de kliniek van Jan Karbaat toch wel noemen. De vrij succesvolle fertiliteitsarts hielp vele paren en alleenstaande vrouwen aan een kind, maar bleek het achteraf niet zo nauw te nemen met de administratie en registratie van de donoren. Het meest berucht werd hij toen bleek dat de directeur ook zijn eigen sperma doneerde, zonder dat erbij te vertellen.

De journalist Kamil Bałuk zoomt in op een verhaal dat minstens zo bijzonder is, namelijk dat van één zaaddonor die via verschillende klinieken naar eigen schatting wel tweehonderd kinderen verwekte. Die donor, in het boek Louis genoemd, is een bijzonder type, en wil heel graag contact met zijn kinderen. Baluk sprak die donor, en veel van zijn kinderen die zich later verenigden in een groep die ze zelf de Halfjes noemen. Vooral de figuur Louis is een intrigerend personage. Je zou bij lezing nog meer willen weten over hoe de kinderen zich wel of niet in hem herkennen. Maar Baluk heeft nog veel meer te vertellen. Hij ging grondig te werk, was tweeënhalf jaar bezig met research – bezocht de kliniek van Karbaat meermaals, en sprak de man uiteindelijk ook – en schrijft en passant ook nog een kleine geschiedenis van het zaaddonorbeleid in Nederland. Dat is bij elkaar wat veel. Zeker als in het laatste hoofdstuk – een nawoord dat in de Nederlandse versie verschijnt, de Poolse was vorig jaar al klaar – vrij terloops wordt opgemerkt dat er inmiddels veertig kinderen zijn gematcht met een kind van Karbaat zelf. Oftewel: die zijn zeer waarschijnlijk zijn kinderen. Dat is een boek op zich. Maar Baluk heeft van zijn graafwerk wel een intrigerend boek gemaakt.

Alle kinderen van Louis, Kamil Baluk, De Geus, 288 blz., 19,99 euro.

Verloren weekend

lost weekend.png

  • The Lost Weekend

Er zijn veel films over alcoholisten. De beste is nog altijd de in 1945 gemaakte The Lost Weekend naar een beroemde roman van Charles Jackson.

De onsuccesvolle schrijver Don Birnam, die verslaafd is aan alcohol, slaagt er door toedoen van zijn broer Wick en zijn vriendin Helen in om tien dagen lang nuchter te blijven. Maar op de avond voordat Wick en hij op een vierdaagse vakantie zouden gaan, zodat Don weer serieus kan gaan schrijven, stuurt hij Helen en Wick boos zijn huis uit. Vervolgens zit Don alleen thuis zonder geld én zonder alcohol. En die drang naar alcohol wordt steeds groter en groter. Met alle desastreuze gevolgen van dien, inclusief een gruwelijk delirium.

De film is gewoon te koop op dvd.

Help, mijn collega is ziek!

ziekte

  • Ziek ben je nooit alleen

Medewerkers die na een ingrijpende of langdurige ziekte terugkeren in het arbeidsproces, vragen veel aandacht. Als ik eerlijk ben, begint het echte werk juist dan als iedereen denkt of verwacht dat alles wel weer normaal is. De zieke collega is hersteld en we kunnen weer terug naar de situatie zoals het voordien was. Niets is minder waar!

Als je ziek bent, wil je niet vergeten worden. Ook niet door je collega’s. Een (chronisch of ernstig) zieke collega vraagt en verdient veel aandacht. Terecht. Het omgekeerde is echter net zo waar en belangrijk. Bedenk het maar: een telefoontje, een kaartje, een bezoekje, een schouderklopje, een sms’je…. Ziekte van een collega heeft veel impact op de werkvloer. Er op de juiste manier mee omgaan, weten wat je wel of niet tegen elkaar kunt zeggen. Het zijn puzzeltjes. Met – over en weer – de giftige adders van onbegrip en het gevoel van onvoldoende steun en begrip als de grootste risico’s.

Met enige regelmaat zie en ervaar ik het bovenstaande in situaties waarbij een zieke collega na lange afwezigheid weer terugkeert op de werkvloer. Het hele leven van de betrokkene stond in één klap op zijn kop. Logisch! Maar ziek ben je nooit alleen. Dat geldt zowel voor de zieke zelf als zijn privé- en werkomgeving. Iedereen – de partner, vriend of collega – worstelt met de vraag hoe je de ander zo goed mogelijk kunt ondersteunen zonder daar zelf aan onderdoor te gaan. Dat is heel logisch.

De zorg voor de ander – de betekenis daarvan voor het eigen leven, de eigen werksituatie, enzovoort – brengt gevoelens van angst, kwaadheid en verdriet met zich. Bij de ziek net zo goed als bij de mensen in zijn of haar omgeving. Iedereen doorloopt min of meer hetzelfde proces. Alleen, de perspectieven van de een zowel als de ander verschillen. Terwijl de zieke alles doet om zijn ziekte te overleven blijkt het voor omstanders heel lastig om hierop adequaat te reageren. Iedereen voelt zich tekort schieten in het omgaan met elkaar. Gevoelens van begrip, ontkenning, woede, vechten, verdriet en acceptatie strijden voortdurend met elkaar. Processen en gevoelens die  vaak niet parallel verlopen. Juist dat maakt het moeilijk om het ziekte- en herstelproces samen te beleven en elkaar daarbij optimaal te  steunen. Met – ongewild en onbedoeld – het risico van misverstand, onbegrip en verwijdering als gevolg. Terwijl de een niet over de ziekte wil of kan praten, wil de ander dat juist wel; of omgekeerd. Wij willen de ander beschermen, niet belasten of ontzien.

In de regel gebeurt dit met een goede bedoeling. De meest cruciale en wederkerige vraag – Waar heb jij behoefte aan en wat kan ik daarin voor jou betekenen? – wordt daarbij meestal niet gesteld. Juist daardoor is het moeilijk om het ziekteproces samen te beleven. Een open gesprek met een gezamenlijk vertrekpunt is heel zinvol. Praat met elkaar in de tijd tussen het bericht en de terugkomst van de zieke. Doe niet tegen elkaar alsof er niets aan de hand is en stel vragen. Bedenk eens hoe je zelf zou willen dat anderen met jou omgaan als jij in zijn of haar schoenen zou staan. Je mag best zeggen dat je het moeilijk vindt om met de situatie om te gaan. Dat lucht niet alleen op, maar blijkt vaak ook van grote – want verbindende – betekenis.

Juist die communicatie is cruciaal en lastig tegelijkertijd. Zo heb ik geleerd. Natuurlijk is het goed om met elkaar te praten over waar de ander is in het proces en waar hij behoefte aan heeft. Maar, dat is een wederkerig proces. Het is niet alleen zo dat de gezonde collega’s goed moeten reageren op hun zieke collega. Dat geldt ook andersom. Je kweekt een hoop begrip als je in alle openheid vertelt wat er aan schort, wat de anderen kunnen verwachten en dergelijke. En juist daaraan schort het vaak.

Het is van groot belang dat er verbinding blijft tussen de collega’s en de (chronisch) zieke collega. Dat is tegelijkertijd zowel moeilijk als eenvoudig tegelijkertijd. Het vraagt om de wederzijde erkenning dat de ziekte – waar niemand om gevraagd heeft veranderingen met zich brengt. Voor de zieke net zo goed als de werkgever en de collega’s. Over en weer speelt de vraag en het dilemma wat de een redelijkerwijs van de ander mag vragen en verwachten. Iedereen stoeit met die veranderingen. Het is een cyclus waarin iedereen terechtkomt. Met helaas ook misverstanden, onbegrip of irritaties als gevolg. Dat is – zo leert mijn ervaring – vervelend voor alle betrokkenen.

Hoe dat te voorkomen? Ik pretendeer niet ‘het antwoord’ te weten. Integendeel. Ik vind het elke keer weer een zoektocht. Duidelijk is wel, dat de zieke zowel als de collega’s de eigen beleving van de situatie moeten kunnen en durven delen met de ander. Zonder elkaar daarbij voortdurend te ontzien of te sparen. Duidelijkheid over de impact van de ziekte, de veranderingen op de werkvloer – al dan niet als gevolg van het langdurig uitvallen van de collega -, de gevoelens van miskenning, onbegrip, etcetera, enzovoort. Juist eerlijkheid daarover helpt om de eigen kijk op de toekomst, angsten, behoeften en zorgen wederzijds aan te kaarten.

Naast het kweken van begrip kunnen leidinggevenden daarbij sturend en faciliterend optreden.  Door ieders verhaal aan bod te laten komen. En door de verschillen in benadering en perspectief bespreekbaar te maken en te duiden. Niet, met het oogmerk om de een te overtuigen van het gelijk van de ander. Integendeel. Durf de pijn en moeite bij alle betrokkenen te erkennen. Niemand is alleen ziek. Verwacht dus niet een knieval van of voor elkaar. Niemand is daarbij gebaat. Het zal bij alle betrokkenen leiden tot nieuwe frustraties en teleurstellingen. Ieders perspectief is net zo waar als waardevol. Het werkelijke addertje dat samen bestreden moet worden, is het gevoel dat het perspectief van de ander als miskenning of ontkenning van dat van de een wordt ervaren of uitgelegd. Anders gezegd, soms moet je samen die deur sluiten, om verder te kunnen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Kafkaiaans eten

kafka.png

  • De regels zijn niet de conclusie van ons verstand

Tijdens een casusbespreking dezes week bekroop mij de sfeer in de boeken van Franz Kafka. Zij ademt een zinloze, desoriënterende en nachtmerrieachtige complexiteit. De sfeer in het werk van Kafka is absurd: elke stap die de hoofdpersoon in alle redelijkheid zet wordt gefrustreerd door draconische regelgeving. Als lezer raak je zo in een onbetrouwbare wereld verzeild waarin niets wat logisch en redelijk lijkt nog werkt. Kafka schetst hiermee een beeld van de vervreemding van de mens in de moderne maatschappij.

Vanaf 2015 is de zorg en ondersteuning voor ouderen anders gefinancierd en georganiseerd. Drie wetten spelen daarin een belangrijke rol: de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz).  Kort samengevat is de essentie van deze drie wetten dat ouderen passende zorg, hulp en ondersteuning krijgen die zoveel mogelijk aansluit op hun persoonlijke (thuis)situatie, mogelijkheden en sociale netwerk.

De afbakening tussen de Wmo 2015 en de Wet langdurige zorg (Wlz) leek met de inwerkingtreding van de Wmo 2015 zo mooi en duidelijk te zijn geregeld. De gemeente hoeft geen voorziening toe te kennen op het moment dat de cliënt een Wlz-indicatie heeft of hierop aanspraak zou kunnen maken (artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015). Ook formuleerde de wetgever hierop enkele uitzonderingen (artikel 8.6a Wmo 2015).

Ruim 2 jaar nadat de Wmo 2015 zijn intrede heeft gedaan, bespeuren ik echter diverse onduidelijkheden c.q. knelpunten in de afbakening tussen deze zorgwetten.

We willen dat ouderen zo lang mogelijk thuis kunnen wonen én dat ze daarbij zoveel mogelijk zelf de regie hebben over het zorgproces.  Daarvan zijn de positieve effecten zeker zichtbaar. Maar ook is duidelijk dat de praktijk van de drie-wetten-in samenhang weerbarstig is.

Ik zie dat ouderen onbedoeld, ongewild en onbeschaamd hinder ondervinden van de schotten in de financiering van zorg, hulp en ondersteuning. Juist, omdat precies volgens alle wet- en regelgeving gewerkt wordt. Ik zie machteloosheid en frustraties bij professionals wanneer ouderen tussen wal en schip belanden. Ik zie ook dat professionals goed uit de voeten kunnen met de bedoeling van de wetten (ouderen vitaal te houden en zo lang mogelijk zelfstandig thuis blijven wonen met een combinatie van professionele en informele zorg & ondersteuning). Maar tegelijkertijd zie ik ze worstelen met vragen als: Wie is verantwoordelijk? Wie wordt betaald? Welke wet is leidend? Ook is het soms niet duidelijk wat professionals van elkaar en van de gemeente en de verzekeraar mogen verwachten. Ook zien we dat de eigen interpretaties van professionals over welke zorg/ handeling in welk takenpakket hoort niet altijd passen binnen de door gemeente en zorgverzekeraar gestelde kaders of binnen de gestelde kaders vanuit het Rijk.

Neem meneer en mevrouw Trommel bijvoorbeeld. Beiden zijn al stevig op leeftijd en onvrijwillig hoofdrolspelers geworden in een kafkaiaans drama. Zij zijn gehuwd, voeren een gezamenlijke huishouding en zorgen, zo goed als dat gaat, voor elkaar. Mevrouw heeft een Wlz-indicatie VPT (Volledig Pakket Thuis). Zij ontvangt haar maaltijdvoorziening uit de Wlz. Haar man, halfzijdig verlamd en zich voortbewegend met een rollator, krijgt de maaltijd wel thuisbezorgd, maar heeft geen Wlz-indicatie. De maaltijd voor mevrouw Trommel wordt dagelijks voor haar klaargezet. Die van haar man niet. “Want dat valt niet onder de indicatie van mevrouw”, aldus de betrokken hulporganisatie. Met een welhaast satanisch genoegen wenst zij mevrouw Trommel vervolgens “Smakelijk eten, mevrouw!”, en wenst zij meneer Trommel “Sterkte en succes”.

Het gevolg van dit alles is dat mevrouw Trommel dagelijks haar maaltijd geniet, onderwijl haar man eindeloos probeert zijn eigen maaltijd geopend en/of in de magnetron te krijgen. Of dat mevrouw Trommel haar eten koud ziet worden, omdat zij wacht tot ook de maaltijd van haar man eindelijk op tafel staat. Kunt en wilt u het gekker bedenken? Ik niet.

Vanuit het perspectief van meneer en mevrouw Trommel zou idealiter de vraag uit welke wettelijk kader de ondersteuning of zorg gefinancierd wordt geen rol moeten spelen. Zeker ook, omdat de oplossing uiterst eenvoudig en simpel is. De professionals die bij mevrouw Trommel (en dus ook meneer Trommel!) over de vloer komen, nemen de maaltijdverzorging (lees: het warm maken en klaarzetten) voor beiden op zich, ook al valt deze taak voor meneer Trommel formeel niet onder het VPT-pakket van zijn vrouw. Ik noem dat ‘de logica van de uitvoering’.

De logica echter is weliswaar onwrikbaar, maar tegen Kafka en zijn volgers kan zij niet op. Want eens Kafka in het spel en over de vloer komt, groeien de problemen. De passende en logische oplossing voor meneer en mevrouw Trommel  past namelijk niet bij het strikt hanteren van de kaders die met wet- en regelgeving zijn gesteld. De praktische (en efficiënte!) opzet die ik voorsta heeft namelijk gevolgen voor de financiële kaders van de aanspraak.

Wie denkt dat ik dit allemaal wat overdrijf, heeft het mis. De namen van meneer en mevrouw Trommel zijn gefingeerd. Omwille van hun privacy. De rest is naakte waarheid en kwam deze week tot mij in een zogenaamd casusoverleg. Ik heb mij daarop voorgenomen geen tijd meer te verspillen aan het zoeken naar niet bestaande hindernissen. Ik ga de regels te studeren om het beste middel te vinden om ze te overtreden!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Heb het lef eens

dakloos.png

  • Van onderhouden naar oplossen

Het gaat goed met de economie in Nederland. Zij draait op volle toeren. Hetzelfde geldt voor de opvang van dak-en thuislozen in ons land in het algemeen en de 4 grootste steden in het bijzonder. Hun aantal stijgt fors, nadat het probleem enkele jaren geleden vrijwel was opgelost. De dag- en nachtopvang draait op volle toeren. Niet in de laatste plaats ook, omdat zij – door het gevoerde beleid – vooral ook als draaideur fungeren. Wil de opvang duurzaam betekenis krijgen, dan is een omslag van het onderhouden van het probleem naar het wegnemen van de oorzaken dringend noodzakelijk.

De dakloze anno 2018 is al jaren niet meer de getikte zwerver of de tandeloze junk. Het gaat over personen met een complexe problematiek, waarbij een groot aantal factoren van maatschappelijke en individuele aard een rol speelt. Een cumulatie van stressvolle gebeurtenissen, materiële, affectieve of relationele factoren, persoonlijke en institutionele factoren, waaraan een verschillend gewicht wordt gegeven, zorgt voor de thuisloosheid. Dit komt onder andere door de moderne samenleving, die een aantal risico’s herbergt voor maatschappelijke uitsluiting en thuisloosheid. Processen als individualisering, het hogere levenstempo, de druk op toenemende arbeidsproductiviteit en de afnemende bereidheid om mensen binnen de eigen kring op te vangen zijn voorbeelden van risicofactoren voor sociale uitsluiting.  Wie om welke reden dan ook achter raakt met zijn vaste lasten – door scheiding en/of ontslag – staat voor hij het weet op straat. Bij een bepaalde categorie van thuislozen is er bovendien sprake van een pijnlijke onmacht hen adequaat te kunnen helpen. Zij heten de zorgmijders: voor iedereen ongenaakbare of verwarde mensen die zich ondanks hun in ellende gezwachtelde omstandigheden beroepen op hun recht op zelfbeschikking.  Dat maakt de groep van dak- en thuislozen zeker geen homogene groep.  In sociaal opzicht is er sprake van een ernstige problematiek! Tegelijkertijd lijken stadsbestuurders deze problematiek vooral een ongewenst fenomeen te vinden waartegen men hardhandig wenst op te treden. De zichtbare aanwezigheid van daklozen en de overlast die met hun gedrag gepaard gaat, wordt door hen als ongewenst beschouwd, omdat dit een negatieve invloed heeft op de uitstraling van de stad. De stigmatisering richting daklozen neemt daardoor eerder toe dan af.

Het is dus niet waar dat iedereen in Nederland mee mag doen en dat wie aan de kant blijft staan bij de kraag wordt gevat om onderdeel te worden van de maatschappij. Daklozen kunnen de bout hachelen.

De rekenkamers van de vier grote gemeenten (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht) hebben op basis van onderzoek eerder deze maand (mei 2018) vastgesteld dat er vier wezenlijke knelpunten spelen:

  1. Gemeenten leveren onvoldoende passende ondersteuning bij de meestal zeer complexe problematiek van cliënten. Nog te vaak staat niet de cliënt, maar het systeem met allerlei regels en criteria centraal
  2. Er zijn tekorten wat betreft opvangbedden en passende en betaalbare woonruimte binnen en buiten de opvangketen.
  3. De sturingsinformatie is bij alle gemeenten van wisselende kwaliteit.
  4. Sommige van de G4-gemeenten hebben in de organisatie van opvang en ondersteuning onvoldoende aandacht voor leren, verbeteren en innoveren.

In 2013 leek het probleem van de dak- en thuislozen na de actie ‘Niemand Op Straat’ vrijwel opgelost. Hoewel er toen nog altijd 24.000 dak- en thuislozen bij opvanginstanties verbleven. Sinds twee jaar neemt het aantal dak- en thuislozen snel toe, ondanks alle inspanningen.

Het totaal aantal dak- en thuislozen is gestegen tot 31.000, terwijl er ook er weer duizenden daklozen in de steden buiten slapen. Per saldo kachelen wij achteruit.  Zeker in de grotere gemeenten. Meer dan de helft van de landelijke stijging vindt daar plaats. Precieze cijfers zijn moeilijk te krijgen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CSB) hanteert getallen waarbij dak- en thuislozen vooral worden geregistreerd als ze in de opvang zitten of bij familie op de bank slapen. Van daklozen op straat bestaan geen cijfers. Deze registratie- en informatievoorziening moet worden verbeterd, zodat beter gestuurd kan worden in opvang en zorg. Maar betere registratie alleen neemt de oorzaken niet weg. Je kunt er niet in wonen, noch van eten.

Natuurlijk, er zijn veel voorzieningen voor deze doelgroep, naast ook frequent niet-gebruik van deze instellingen. Maar juist deze oplossingen zijn de oorzaken van het structurele probleem. Dak- en thuislozen krijgen onderdak en begeleiding, maar een duurzaam perspectief, een eigen ‘thuis’ wordt niet of mondjesmaat geboden. Cliënten verblijven daardoor vaak te lang in een opvangcentrum waardoor ze ‘geïnstitutionaliseerd’ raken.

De graad van terugval na vertrek uit een opvangcentrum is mede hoog, omdat de begeleiding zich vooral toespitst op de opvang en dus niet op de woonsituatie. De druk aan de poort van de instellingen is daardoor onveranderd hoog, en het duurt vaak een tijdje voordat een behandeling kan starten of er een plekje is gevonden waar iemand opgenomen kan worden. Het is de kracht van de opvangvoorzieningen om voor die mensen even herberg te zijn ter overbrugging naar een meer gepaste en – als het even kan – duurzame vorm van ondersteuning.

De integrale aanpak is binnen de opvang mede daardoor succesvol. Deze heeft er toe geleid dat er heel veel mensen van straat zijn gehaald en een beter (integraal) hulpaanbod hebben gekregen. Er is minder overlast op straat en de veiligheid is toegenomen. Een duurzaam toekomstperspectief voor deze mensen echter ontbreekt. Dat is ook het ondubbelzinnige en vernietigende oordeel van de rekenkamers van de G4.  Met de huidige inzet, gericht op het realiseren van opvang, faciliteert de gemeente daarmee feitelijk het in stand houden van het probleem.

Het passende antwoord ligt in een eigen huis, een plek onder de zon, meedoen (participatie) en altijd iemand in de buurt die jou raden kan. Dat draagt bij aan duurzaam herstel. Weten wij uit onderzoek en ervaring. Juist echter die elementen ontbeert de huidige opvang. Waardoor het risico op terugval voor dak- en thuislozen niet alleen groot is, maar vooral ook naakte werkelijkheid. Er zijn – naar de huidige stand van zaken – zo’n 10.000 woningen nodig om een groep van 16.000 daklozen die klaar zijn om zelfstandig te wonen, een eigen onderkomen te bieden. Realiseren wij dat niet, dan blijft alle opvang per saldo – de niet aflatende inzet en bedoelingen van de voorzieningen ten spijt – water naar de spreekwoordelijke zee dragen.

Wat is de oplossing? Een woning! Gewoon zoals iedereen een woning betrekt. Met voorwaarden die voor alle huurders gelden: geen overlast veroorzaken, tijdig huur betalen en je houden aan de (sociale) regels. Omdat het hierbij gaat over mensen voor wie zelfstandig wonen geen vanzelfsprekendheid is, kan woonbegeleiding op maat een uitkomst zijn; met als doel de woning te behouden. Met het weer zelfstandig wonen neemt de eigenwaarde en het zelfvertrouwen van de deelnemer toe en gaat hij weer perspectief zien. Hierdoor ontstaan mogelijkheden om te gaan werken aan verbetering van de kwaliteit van leven.

Het wordt tijd dat de opvangvoorzieningen in de steden daarvoor de handen ineen slaan. Het lef hebben om een grens te stellen. Van hun achilleshiel het sterke punt maken. Oftewel: zij moeten van de gemeenten (fors) meer budget vragen Met onder andere gemeenten en woningcorporaties moeten zij zich inspannen om samen voldoende woningen te realiseren. Waarbij ook alternatieve en laagdrempelige woonconcepten als tiny houses in ogenschouw genomen worden. De opvang wordt daarbij omgevormd tot ‘tijdelijke verblijfscentra met maximale leerkansen voor het individu’, waarbij individuele begeleiders de cliënt langdurig ‘volgen’. Goed opvang begint namelijk waar zij ophoudt: bij thuisgeven!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.