De beste regisseur is (niet) gezien

regisserende overheid.png

  • Jammer genoeg klopt de regie niet altijd

Op dit moment wordt er her en der in het land druk gewerkt aan de totstandkoming van nieuwe colleges van B&W. Een belangrijk onderwerp voor ieder collegeprogramma is het sociaal domein. Daarbij gaat het over de vraag hoe je op de beste wijze het welbevinden van de inwoners kunt ondersteunen. De grote opgave is, om dit vanuit de mensen in plaats van de systemen te bekijken. Te zorgen voor een kloppende regie!

Steeds meer gemeenten krijgen hun basis in het sociaal domein op orde. Tot nu toe lag de nadruk daarbij op ‘in control komen’: de zorgcontinuïteit, het voorkomen van ‘ongelukken’ en de financiën beheren stonden daarbij hoog op het prioriteitenlijstje.

De decentralisaties (2015) hadden echter een hoger ideaal: ondersteuning van de inwoners in een gemeente nabij organiseren. Passend bij de situatie van de inwoner die in een lastige of knelsituatie zit. Met de bedoeling ook om de inwoners individueel en de samenleving als geheel zelfredzamer te maken. Waar weer een andere doelstelling onder lag en ligt: de kosten voor zorg beheersbaar te houden. En daarmee de zorg en ondersteuning duurzaam te borgen.

Nu is het tijd voor de volgende stap: het doorontwikkelen. Daarbij draait het om de hoe-vraag. Hoe gaan we het naar de toekomst toe nou echt doen in het sociaal domein? Lukt dat als wij (lees: gemeenten) blijven acteren zoals we dat al jaren doen, of is er meer voor nodig?

Wat mij opvalt als adviseur van verschillende partijen die daarbij een rol spelen (gemeenten, regiobesturen, instellingen voor onderwijs, welzijn, zorg, inkomen en schuldhulpverlening en participatie) is dat zij allemaal spreken over en van een integrale aanpak, om de opgave vervolgens sectoraal aan te pakken. Dat is niet alleen vreemd, maar ook een doodlopende weg.

Het vraagstuk van doorontwikkeling (transformatie) van het sociaal domein kan niet los gezien en behandeld worden van vraagstukken binnen andere domeinen die eigenlijk om hetzelfde gaan. Op welhaast alle overheidsdomeinen  is er sprake van verschuiving van regie, van overdracht van taken, van meer bestuurlijke afwegingsruimte op lokaal niveau, van inzet op betere kwaliteit door integrale benadering van maatschappelijke vraagstukken, en van andere verhouding tussen overheid en samenleving.

Tussen de decentralisaties in het sociaal domein en de komst van bijvoorbeeld de nieuwe Omgevingswet zijn er vele overeenkomsten als het gaat om de onderliggende beweging en doelstellingen. Toch zie je hiervan in de aanpak te weinig terug. Terwijl tegelijkertijd de grenzen tussen het sociaal domein en bijvoorbeeld het fysiek domein steeds meer vervagen. Wie ziet niet de samenhang tussen ruimtelijke en andere aspecten (waaronder gezondheid en zelfredzaamheid)? Een versnipperde benadering kan (en zal) onbedoelde dan wel ongewenste effecten hebben en het behalen van de eigenlijke doelen in de weg kan staan.

Meer dan ooit moeten gemeenten beseffen dat zij zelf midden in een transitie zit. Het sociaal domein, de Omgevingswet en een ruimer lokaal belastingregime; het zijn allemaal voorbeelden waarbij het lokaal bestuur meer invloed krijgt. Hierdoor kan de overheid sneller inspelen op gedeelde publieke ambities. Dit maakt het mogelijk op lokaal niveau te experimenteren met nieuwe initiatieven, wat ruimte geeft voor innovaties in de samenleving. Denk aan nieuwe vormen van mobiliteit, duurzaamheid en bijvoorbeeld de sociale zekerheid zoals we die kennen.

Deze lokale speelruimte maakt de weg vrij voor overheden om vaker op te trekken met inwoners, het bedrijfsleven, andere overheden en publieke instellingen, zoals scholen en universiteiten. De overheid maakt een verschuiving van zelf uitvoeren naar meer ruimte voor slim organiseren en faciliteren. Als overheden met elkaar en met de samenleving verbonden zijn, kan er doorlopend kennis en informatie worden uitgewisseld.

Juist hier liggen voor de nieuwe colleges van B&W grote uitdagingen en prachtige kansen. Die zij vervolgens ook grandioos kunnen verprutsen. Als zij blijven doen wat ze altijd deden: de portefeuilles verdelen  langs de lijnen van de ‘klassieke’ domeinen (fysiek, sociaal, financieel). De ‘overheid in transitie’ vraagt een integrale benadering van een opgave. De onderhandelaars – en straks de nieuwe colleges – moeten dus niet alleen nadenken over transformeren. Hoewel dat natuurlijk prima en legitiem is. Veel meer echter moeten zij  de integrale aanpak mogelijk maken met een integrale, gemeentelijke visie op samenhang tussen de diverse aspecten (zoals ruimtelijk beleid, gezondheid en zelfredzaamheid).

Het durven leggen van verbindingen is daarbij van groot belang. Daarop moet de nadruk liggen. Niet als doel op zich, maar als voorwaarde om efficiënter te werken, hoogwaardiger dienstverlening te bieden en samenwerking mogelijk te maken. Een verbindende overheid is de sleutel tot succes.

Verbinden is ook: Samen doen en deelnemen. Anders gezegd: verbinden is als overheid participeren in de samenleving. Wat wezenlijk iets anders is dan als overheid de samenleving laten participeren in het beleid. De overheid in een participatiesamenleving is een faciliterende overheid met een ambitieuze en ondernemende agenda die de lijnen uitzet.

Een faciliterend overheid is geen teruggetrokken regisseur die de verantwoordelijkheid bij de inwoners legt. Het is een overheid die de verhalen van haar inwoners ‘vangt’ en vertaalt in een inspirerend verhaal op een hoger schaalniveau, dat ons en onze acties verbindt. Mogelijk maakt ook met passende (in plaats van minder) regels, kaders en sturingsmechanismen. Een participerende en verbindende overheid neemt de regie en zet de lijnen uit. Transitie en transformatie rechtvaardigen en vragen om een sterke en visionaire overheid. Zij moeten de regie durven nemen, maar niet zelf doen wat een ander beter kan. Sturen en beslissen zijn de kerntaken zijn. Uitvoerende werkzaamheden kunnen worden belegd en overgelaten aan bij gespecialiseerde (publieke) organisaties. En ja, dat vraagt transparante integriteit en onafhankelijkheid. Sociaal vaardig en verbindend acteren op basis van de juiste informatie binnen de specifieke context van die gemeente. De lokale samenleving staat immers voorop. De gemeente resp. het gemeentebestuur staat midden in die samenleving. Zij  geeft richting. regelt, overziet en besluit. Het is haar taak om in de samenleving dingen te ontdekken waarvan die niet wist dat hij ze in zich had.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Advertenties

Meepraten? Als jij je mond maar houd!

mondje dicht

  • Als je iets anders meent, hou dan je mond maar

Door Peter Paul Doodkorte

“Het overgrote deel van de basisscholen voert nog geen bewust beloningsbeleid; 98,3 procent van de leerkrachten in het basisonderwijs zit nog in de laagste salarisschaal (LA). Dit blijkt uit onderzoek (april 2018) van het Onderwijsblad van de Algemene Onderwijsbond (AOb).” Toen ik dit bericht las, vroeg ik mij af, hoe het eigenlijk met de medezeggenschap binnen het onderwijs geregeld is. Kennelijk is dat niet al te best geregeld. Een goed functionerend medezeggenschapsorgaan immers zou het bestuur of de bestuurder daarop (moeten) aanspreken!

Medezeggenschap. Voormalig minister Asscher (Sociale Zaken en Werkgelegenheid -SZW) schreef in maart 2013 in een brief aan de Tweede kamer zijn visie op de stand van zaken op het gebied van de medezeggenschap. Hij vond dat het vooral OR en bestuurder zelf zijn die in het bedrijf een eigen vorm aan de invulling van medezeggenschap moeten geven. De huidige wetgeving in de Wet op de ondernemingsraden (WOR), zo stelde hij toe, biedt genoeg houvast om dat te kunnen doen. Ik ben dat niet met hem eens.

In Nederland hecht men veel belang aan medezeggenschap binnen organisaties. Werknemers willen kunnen meedenken over de visie en toekomst van het bedrijf. Men wil betrokken worden bij belangrijke beslissingen. Daarom is er in Nederland de wet op ondernemingsraad (WOR). In de WOR is de medezeggenschap wettelijk geregeld. Hier vloeit onder andere de ondernemingsraad uit voort. Medezeggenschap zorgt daarmee voor een effectieve en efficiënte bijdrage aan de kwaliteit en draagvlak voor de besluitvorming.

Het zijn prachtige volzinnen over al even prachtige intenties. En ja, in de ‘etalage-bedrijven’, de grote multinationals en de overheid zelf is dat oer het algemeen ook goed geregeld. Zij moeten ook wel, want zij liggen onder het vergrootglas van de publieke opinie en de media.

Bij heel wat organisaties die wat minder op de voorgrond treden is het met die medezeggenschap minder goed gesteld. Er zijn, ondanks de wettelijke verplichting daartoe, nog heel wat bedrijven die geen ondernemingsraad of werknemersvertegen-woordiging kennen. Zij worden geleidt door autocratische en soms narcistische leiders. Mensen die menen dat er maar één persoon is, die weet wat goed is voor het bedrijf en de medewerkers.

Zo leerde mij ook een contact dat ik deze week had met een onderzoekster. Zij doet – in opdracht van de Bedrijfscommissie voor de marktsectoren (het overheidsorgaan voor toezicht op de medezeggenschap) – mee een Europees onderzoek naar conflictoplossing in ondernemingen, concreet naar bemiddeling tussen een bestuurder en een onderne-mingsraad. Zij onderzoekt de negatieve gevolgen en eventuele kosten van conflicten en hoe deze beperkt kunnen worden, escalatie kan worden voorkomen en conflictpartijen ondersteund kunnen worden bij het constructief omgaan met het conflict en het bereiken van een oplossing.

Het gesprek leerde mij dat in de wet- en regelgeving onvoldoende waarborgen zitten om medezeggenschap ‘van papier af’ te krijgen. Er zijn, zo bleek mij, nog heel veel werkgevers die over medezeggenschap zeggen: “Medezeggenschap? Ik vind het best, zolang ze hun mond maar houden.”  Medewerkers die vervolgens een beroep doen op de WOR of de Ondernemingskamer komen vervolgens in een slangenkuil terecht. Werkgevers die de betrokken medewerkers in een kwaad daglicht stellen of chanteren blijken geen uitzondering. Ze worden daarmee binnen de betreffende onderneming geïsoleerd. Wat weer handig is, omdat de Bedrijfscommissie alleen in actie komt, als de betrokken medewerker kan aantonen dat zijn klacht wordt gedragen door een grotere groep van medewerkers binnen de onderneming. Ook de gang naar het Klokkenluiders-huis blijkt voor deze medewerkers vaak een lijdensweg. Er wordt vanuit het Klokkenlui-dershuis geen of zeer traag contact opgenomen over aangedragen conflicten. Bovendien, zo leert de ervaring, beginnen Bedrijfscommissie en Klokkenluidershuis eerst en vooral met een uitleg aan de betrokken werknemers over de mogelijke risico’s die hij of zij neemt in de relatie met de werkgever. Anders gezegd: het voeren van een procedure wordt eerder afgeraden dan toegejuicht.

Dat laatste bleek mij ook weer in en gesprek dat ik later had met een goede vriend. Hij bevestigde mij het bovenstaande op grond van eigen ervaringen. “Mijn werkgever was beslist niet content met mijn vraag over hoe de medezeggenschap binnen de organisatie was geregeld. Toen ik naar de Bedrijfscommissie stapte, was een conflict al snel geboren. Ik werd uit mijn leidende rol gezet en er ontstonden conflicten over de uitleg van eerder gemaakte afspraken over arbeidsvoorwaarden. Met veel juridisch wapengekletter. Per saldo zag ik – ter bescherming van mijzelf en mijn privésituatie – geen betere optie dan het zoeken van een andere baan.”

“Er valt nog veel te verbeteren in Nederland medezeggenschapsland,” zo vertelde mij de onderzoekster. “Om te beginnen zou het helemaal geen slecht idee zijn om naast de verplichting om jaarlijks het financieel jaarverslag van een onderneming te deponeren bij de Kamer van Koophandel, ondernemers ook te verplichten tot het gelijktijdig indienen van het jaarverslag van de Ondernemingsraad. Uit dat verslag moet dan blijken dat de medezeggenschap is geregeld, de verkiezingen van dat orgaan onafhankelijk en in vrijheid zijn georganiseerd en welke onderwerpen door de ondernemer en het medezeggen-schapsorgaan zijn besproken.”

Volgens mijn gesprekspartner zou een dergelijke wettelijke verplichting de controle op de naleving niet allen een stuk beter maken. Ook zou het kunnen voorkomen dat individuen ‘vermalen’ worden in de molen van juristerij en macht.

Nog even terug naar mijn vriend. Die ik de vraag stelde of het nu beter met hem gaat. Dat kon hij bevestigen. In zijn nieuwe werkomgeving is de medezeggenschap wel geregeld. “Maar,” zo vertrouwde hij mij toe, “trots ben ik niet op mijzelf. Het voelt toch, alsof ik door mijn zwijgen en mijn keuze voor mijn eigen (privé)belang verraad heb gepleegd. Aan mijzelf, zowel als aan mijn collega’s.”

Terwijl ik dit zo opschrijf, dringt zich het wrange besef bij mij op dat ik uiteindelijk misschien wel hetzelfde doe. Ik noem in dit stuk niet de namen van de onderzoekster of mijn vriend. Noch van de betrokken ondernemingen. Om hen en mijzelf van negatieve gevolgen te vrijwaren. Ik mag er het mijne van vinden, maar het is veiliger als ik mijn mond houdt!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

 

Koester de kloof

kloof.png

  • Democratiseer de democratie niet dood!

Deze week was hij er weer: de kloof! De veel voorkomende veronderstelling dat er een kloof is tussen de burgers en de politiek. En dat deze kloof, linksom of rechtsom, gedicht moet worden. De aanleiding? De (uitslag van de) Amerikaanse presidentsverkiezing. Volgens menig politicus en welhaast alle media moeten wij alle creativiteit en werkkracht inzetten voor het bouwen van bruggen over die kloof. Ikzelf ben daarvan steeds minder overtuigd.

Volgens elk zichzelf respecterend medium is de kloof het gevolg van het feit dat onze politici en bestuurders niet (meer) weten wat er onder ons leeft. Hetgeen ik waag te betwijfelen. Je moet vandaag de dag wel onder een steen liggen om niet geconfronteerd te worden met dat wat er leeft onder mensen. En als het al waar is, dan is het op zijn minst ook een spiegel voor diezelfde media. Want kennelijk slagen ook zij er niet in dat wat er leeft op adequate wijze over het voetlicht te brengen.

Mijn groeiende overtuiging is dat politici en bestuurders in toenemende mate last hebben van hetzelfde fenomeen als onze jeugd: keuzestress. Met name veroorzaakt door de hoeveelheid aan informatie, belangen en meningen die over hen worden uitgestort. Om vervolgens de juiste keuze te maken waar het de (on)betrouwbaarheid van die informatie, meningen en opvattingen betreft.

Wat is nut en noodzaak van verkiezingen, als wij tegelijkertijd het recht claimen om op elk gewenst moment – als het ons van pas komt – met inspraak of een referendum zand in de besluitvormingsmachine mogen en kunnen gooien? Referenda lijken in toenemende mate het standaardrepertoire voor mensen die erop zijn om met behulp van propaganda, bedrog en manipulatie hun veelal desastreuze politiek een schijn van legitimiteit te geven. Politici en bestuurders kunnen nauwelijks beleid maken, omdat elk deelbesluit op zichzelf al een verkiezingscampagne lijkt te vragen.

Heel vaak geven de tegenstanders aan dat ze niet tegen een oplossing zijn, maar wel tegen de voorgestelde oplossing. Daarbij dragen ze onmogelijke en niet haalbare alternatieven aan. Met andere woorden; ondanks wat ze zeggen willen ze dat er helemaal niets gebeurt. En dat is jammer, want als je meer constructief met elkaar aan de slag gaat ontstaat er meer begrip en kan je samen meer focussen op de beste oplossing. Althans een optimale verbetering van dat wat niet goed bevonden wordt… tot natuurlijk blijkt dat de aangedragen oplossing zo gek nog niet is en het enige alternatief blijkt. En soms blijkt het best wel iets genuanceerder te liggen, maar dan is de politiek ook zeker bereid hier een mouw aan te passen. Het effect van dit alles is een not-in-my-backyard-democratie. Want wij willen altijd en overal dat ons gelijk ieders gelijk is. En verliezen we uiteindelijk toch, en krijgen wij niet het gelijk, dan deugt de democratie niet meer.

Goed, de democratie deugt ook niet, maar is wel de beste oplossing van alle kwaden. En ja, iedereen kan kiezen, en zal altijd op een aantal onderdelen – achteraf of in onze ogen – een verkeerde keuze maken. Dat immers heet democratie.

Luisterend naar alle discussies en meningen vraag ik mij oprecht af of wij de democratie niet dood gedemocratiseerd hebben. Steeds meer groeit de notie dat een goed werkende democratie die kloof nodig heeft. Hij moet dus niet gedicht, maar moet uitgediept worden. Niet het gebrek aan democratie lijkt de oorzaak van onze toenemende ontevredenheid, maar juist een overkill aan democratische instrumenten.

Die kloof? Ik geloof er steeds minder in. De overheid waarop wij graag en veel schimpen, dat zijn wij zelf. Wij laten ons vertegenwoordigen door politici. Wij kiezen politici waar we vertrouwen in hebben en bij volgende verkiezingen kunnen we die keuze veranderen, mocht het vertrouwen afnemen of geschonden zijn.

Wij besluiten niet zelf over alle wetsvoorstellen, omdat we er of minder tijd, deskundigheid en middelen voor hebben. En als we toch zelf aan de knoppen willen zitten, dan stellen wij ons verkiesbaar voor een lijst en kunnen wij meedoen. Die optie is er voor iedereen.

Referenda en wat dies meer zij? De politiek is er niet geloofwaardiger op geworden en wij zijn ons niet meer verbonden gaan voelen. Wel zien wij nerveuze politici en bestuurders, op zoek naar achterbannen, incidentenpolitiek, afsplitsingen en fragmentatie. Zo voeden wij de personendemocratie en het daarmee verbonden cliëntelisme. Met verdere polarisatie en ontevredenheid als gevolg.

Ik ben dus geneigd de kloof te gaan koesteren. In een goed functionerende democratie presenteren politici voorstellen, onderzoeken ze gezamenlijk alle argumenten en nemen ze daarmee een afgewogen besluit. Een besluit waarvan ik op z’n minst denkt: “Ik ben het er niet mee eens, maar ik begrijp het wel.”

En voor wie meent dat zij de kloof tussen burger en politiek wel kunnen en moeten dichten, citeer ik graag Gerdi Verbeet: “Ajax kan ook niet spelen zonder supporters, wij ook niet’. Een goed functionerende volksvertegenwoordiging met een eigen speelveld en speeltijd is de enige garantie om voor iedereen begrijpelijke beslissingen te nemen waarin ieders belang wordt gewogen.

Privacy van de gespleten tong

gluren.png

  • Ook anderen hebben het recht om de gordijnen af te sluiten!

Privacy is het hoogste goed…Dat willen wij onszelf en de ander graag doen geloven. De essentie is dat het onderkennen van privacyaspecten in alle handelingen centraal moet staan. Op deze manier wordt bereikt dat bij welke handeling dan ook rekening wordt gehouden met de eigen privacy of de privacy van anderen. En dat doet het. Zolang het onszelf betreft!

Hoezo privacy? Toen besloten werd onze vingerafdrukken centraal op te slaan was er de nodige tegenstand. En nu de telefoongegevens worden bewaard alsof we allemaal criminelen zijn morren we. Als het onze eigen privacy betreft die geschonden dreigt, zijn wij oprecht verontwaardigd.

Toch vraag ik mij af of wij nog recht van spreken hebben, als we ons tegelijkertijd – van hoog tot laag – verlustigen aan privézaken van anderen. De media prediken privacy, om vervolgens dieper dan diep te gaan graven in relaties van anderen. We verwittigen de wereld met alle ins en outs van zaken die ons eigenlijk niks aangaan. En, of je nu wilt of niet, je moet er nog getuige van zijn ook. En ja, ik realiseer mij heel goed dat waar het mij met een gevoel van schaamte kan vervullen, anderen zich graag verlustigen en wentelen in het leed van anderen. Omdat het zo herkenbaar is!

Zoals de afgelopen dagen. Toen het boek Juliana – Vorstin in een mannenwereld van schrijfster Jolanda Withuis verscheen. Onder het mom van wetenschappelijk onderzoek, historische waarde en staatsveiligheid wordt onbeschaamd en onbeteugeld ingezoomd op het huwelijk van wijlen prinses Juliana en prins Bernhard. De media stort zich gelijk een wervelwind op elk detail.

Waar halen wij in hemelsnaam het recht vandaan om te gaan interpreteren wat mensen denken of doen, terwijl je er niet bij bent geweest. Om ondertussen ongeduldig te zuchten dat het naatje pet is met onze privacybescherming. We spreken (terecht) schande van een door een tiener of wraaklustige echtgenoot op Facebook geplaatste naaktfoto. Maar waarom tonen wij diezelfde foto dan bij herhaling aan anderen? Om ons gelijk te halen?

Het is een onbegrijpelijke dubbele moraal. Privacy moet! Maar we smullen ervan. We wroeten graag en diep. In andermans leven. De brutale manier waarop wij – overheden, particulieren, journalisten en televisiemakers materiaal over anderen verzamelen en (mis-)gebruiken, staat in schril contrast met de privacy die wij voor onszelf eisen.

Begrijpt u mij goed. Ik ben geen privacy-fetisjist. In mijn dagelijkse werk wordt ik vaker bevraagd op mijn standpunt in deze. Het antwoord is heel simpel: Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Het doorbreken van dat recht kan en mag alleen als de persoon in kwestie daarmee instemt (wie vroeg Juliana toestemming?) of als er een legitiem belang (de gezondheid of de veiligheid van de persoon in kwestie of zijn omgeving) mee gediend is. En in die gevallen dien je er heel zorgvuldig mee om te gaan en alleen dat te delen wat er – in relatie tot het probleem, het vraagstuk of de oplossing – toe doet.

Zie ook https://verruimdehorizon.wordpress.com/2013/04/14/privacy-de-schaamlap-voorbij/.

Als ik mij aan die stel- en leefregel niet wil of kan houden dan mag u mij – als ik schande spreek over de schending van privacy – hypocriet noemen.

Toen ik deze week overspoeld werd met de reacties op het boek van Jolanda Withuis dacht ik oprecht aan een uitspraak van Bert Jaap Koops, hoogleraar regulering van technologie in Tilburg: “Het ergste wat je over iemand te weten kan komen is alles.” Laten wij dat eens wat vaker in onze hersenpan laten indalen. Want ook anderen hebben het recht om de gordijnen af te sluiten!

 

Wanhopig zelfbevlekking

zelfbevlekking.png

  • Moet het de dag rond en altijd in het openbaar?

Gerrit-Komrij zei eens: “De omroepen zijn heden ten dage kleine eilandjes van zelfbevlekking.” Ik ben geneigd hem te parafraseren: “De media zijn een tsunami van zelfbevlekking geworden.” En wij, de kijker en luisteraar, moeten het allemaal aanzien of aanhoren en het nog lekker vinden ook!

Elke zichzelf respecterende televisiezender doet het. Net als elke zichzelf respecterende radiozender: zelfbevlekking. En dat allemaal voor de ogen en oren van ons, het kijk- en luisterpubliek.

Je kunt tegenwoordig geen radio- of televisieprogramma meer beluisteren of bekijken of het fenomeen van zelfbevlekking dringt zich op. Bekende Nederlanders die spelletjes doen met bekende Nederlanders. Terwijl het gepeupel mag toekijken. Ze kennen elkaar, bejubelen of – liever nog – beschimpen elkaar, maar delen in ieder geval de smaak van geld.

In de media zijn macht, geld en invloed het eigendom van de bekende Nederlanders.  Zij bepalen de richting van de politiek, terwijl ze aan de borreltafels op tv of bij de radio klagen over de bezuinigingen op hun kip met de gouden eieren: de publieke omroep, de cultuur, enzovoort, enzovoort. Zogenaamde personality’s die het eigen blazoen oppoetsen door – terwijl zij hun neus ervoor ophalen – de dagelijkse ellende van anderen vercommercialiseren. Een irritante combinatie van snobisme en onnozelheid. Een zichzelf beklagende ‘elite’ die zich ‘genegeerd’ voelen als ze niet minstens een keer per week bij een collega in een programma mogen optreden. Het is een steeds irritanter en hinderlijker vorm van zelfbevlekking.

Begrijp mij goed, ik heb niks tegen masturbatie. Behalve als ik geacht wordt er naar te moeten kijken en er nog van te genieten ook! Geef het klootjesvolk brood en spelen en ze eten uit onze hand en vullen onze zakken, zo lijkt het motto in medialand.

Op de radio is het al niet anders. Een nieuwsprogramma, Nieuws & Co dat er prat op gaat vaste (bekende) vrienden te hebben die minstens een keer per week hun commentaar mogen geven. Dat alles begeleidt door Lara Rense; die elk item brengt op een toon die doet vermoeden dat elk nieuwsfeit haar tot een hoogtepunt kan brengen. Of een (dagelijks) mediaforum waarin journalisten, reporters of mediagoeroes met en over elkaar debatteren. Met altijd dezelfde uitkomst: zij weten het beter!

Stel je voor zeg, dat het volk het nieuws gewoon zou krijgen voorgeschoteld zoals het is! Zonder commentaar of mening van een reporter of journalist. Een die zichzelf te buiten gaat in het etaleren van wat hij of zij van het onderwerp weet. En natuurlijk weet wat u of i daarvan moeten vinden. Hoezo, denk ik dan, recht op vrije meningsvorming? De media en haar vrienden bepalen wat de wil is van het volk.

Daarom doe ik een welgemeend beroep op die bekende Nederlanders die ik stilletjes meen te mogen verdenken van het bezit van (nog een beetje) gezond verstand. Stop die publieke masturbatie! Een paar keer per week is gezond, maar moet het de dag rond? En altijd in het openbaar?

Ook beledigen moet men leren

varken modderpoel.png

  • Hoe vriendelijker des te dieper raken ze

De afgelopen week zijn zekere heren, van beroep komiek of cabaretier vele malen in het nieuws geweest.  De pijlen van de komiek, gericht op de Turkse president Erdogan, troffen doel. Midden in de roos. Het doelwit pikte dit niet. Volgens hem was er sprake van belediging. En, hoewel ik weinig met de persoon in kwestie op heb, hij heeft – vrees ik – gelijk. Het aangekondigde doel van de komiek was niet de man in kwestie op de hak te nemen. Het doel was – zo blijkt uit zijn eigen aankondiging – kwetsen, beledigen.

De kwestie loopt hoog op. Zo hoog, dat de komiek inmiddels onder politiebescherming staat en zijn komende tv-optredens heeft geannuleerd. Erdogan heeft, met instemming van Angela Merkel, de Duitse Bondskanselier, inmiddels een juridische procedure gestart tegen de komiek.

Dat besluit van Merkel heeft vele vrienden van de vrije meningsuiting in alle staten gebracht. Mij heeft het de ogen op meerdere van die vrienden geopend. Zij misbruiken het recht op vrije meningsuiting als voorwendsel voor gewoon botte beledigingen.

Een belediging is de aantasting van iemands waardigheid of eer zonder dat dit enigszins door feiten kan worden gestaafd. In beginsel is het dus een belediging als iemand als ‘geitenneuker’ wordt neergezet of als pedofiel. En dat is wat de komiek – met wie het allemaal begon – deed.

Zijn vakgenoten, in binnen- en buitenland, laten zich inmiddels graag van het eigen stuk brengen. Vergetend wie zij zijn laten zij zich door wrok en woede leiden. Om vervolgens dat te doen wat Erdogan beweert: beledigen.

Vrije meningsuiting? Ik vind het een groot goed. Het is daarom goed als wij door de narren van de samenleving stevig op de hak genomen worden. Als echter diezelfde narren de grens tussen spot en belediging niet meer weten te zien, maken zij zichzelf tot de grootste bedreiging van dat recht. Mijn boodschap aan hen?  Tergt iemand jou, waak dan voor de dwaling te veel waarde aan de mening daarover te hechten. En dat, zo vrees ik, is nu precies wat teveel van onze narren doen.

Het gevolg van dit alles: met het beledigen van Erdogan werpen onze narren een steen in een modderpoel. Die vervolgens slechts henzelf bespat. Nog sneuer wordt het, wanneer zij de aandacht van de media en massa daarvoor zien als een bevestiging van het eigen gelijk. Die laatsten zijn – zo vrees ik – minder of niet geïnteresseerd in de afloop. Of het gelijk. Zij lijken vooral slechts te genieten van het moddergevecht. Waarvoor zij graag de kraan van nodeloze herhaling aanzetten.

Mijn advies aan alle narren? Laat u niet verleiden tot varkensgedrag. Leer en beoefen de kunst van het beledigen die satire heet: hoe vriendelijker zij is, des te dieper raakt zij.

Overtreffend dapper of onbeschaamd hufterig?

  • De waarheid onthullen vraagt de afzijdige moed om verstandig te zijn

middelvinger

Maatschappelijke verhuftering is in de media een terugkerend thema. Het uit zich op straat, bij verkiezingen en in opinieonderzoeken die met regelmaat worden gehouden. Media bieden wat graag een platform aan het thema en politici geven zich daarin graag rekenschap van deze uitingen en spelen erop in. Daardoor wordt onbehagen in de publieke opinie zichtbaar. Zeker. Maar – in toenemende mate – lijken de media zich zelf schuldig te maken de verhuftering van het debat. Onder het mom van ‘nieuws’ ‘vrijheid van meningsuiting’ enzovoort lijken cliches, misvattingen en vooroordelen misbruikt ten faveure van de kijk- en luistercijfers.

Dezer dagen kun je geen zichzelf respecterend (?) medium opslaan, lezen op bekijken, of het ging over de jongste ‘mediahype: de vervolging van activist Abulkasim al-Jaberi voor de ‘fuck de koning’-uitspraak.

Natuurlijk, Abulkasim al-Jaberi is – staatsrechtelijk gesproken – ernstig in de fout gegaan toen hij tijdens een demonstratie ‘fuck de koning’ riep. Dat moet gezegd. Maar wat, als vervolgens nieuws- en actualiteitenprogramma’s de oorspronkelijke taak van verstrekker van informatie en opinie daarover verruilen voor die van populistische roeptoeter? Die vraag puzzelt mij de laatste tijd in toenemende mate.

Ik wil liever niet spreken van tendentieuze berichtgeving. Al was het maar, omdat ik een groot voorstander ben van vrijheid van meningsuiting. Anders wordt dat, wanneer (de vormgeving van) die berichtgeving tot irritatie aanleiding geeft. Want waarom moet de ergernis over (het wraken van) de uitspraak worden aangewakkerd, juist door een podium te bieden aan de overtreffende trap van verhuftering. Zoals Jeroen Pauw dat in zijn programma PAUW (6 mei 2015) deed door Arjen Lubach, Marc van der Linden en Zihni Özdil te vragen naar hun oordeel over de toelaatbaarheid van de ‘Fuck de koning’-uitspraak. Hun antwoorden hadden meer weg van een wedstrijdje ‘wie heeft de grofste moed’ om Abulkasim in grofheid te overtroeven. Met als gevolg dat de conversatie een eindeloze echo van misplaatste inhakers op de hufterigheid zelf werd.

Deze trend signaleer ik al langer. In de jaren ’80 en ‘ 90 zagen we al ‘onfatsoenlijke’ televisiemakers als Pieter Storms, Rob Muntz en Willibrord Frequin. Mannen die de grenzen van het betamelijke opzochten en soms overschreden. Onderzoeksjournalistiek met een rauw randje, maar wel vanuit een bepaald idee. Ze streden tegen het establishment, maar steeds voor derden of als een vorm van kleinkunst.

Nu dreigt een een hele generatie te ontstaan die leert dat hufterigheid vooral cool is. Elke ochtend tussen 06.00 en 09.00 uur en ’s middags tussen 16.30 en 18.00 uur bijvoorbeeld. Dan is op Radio 1, de nieuws- en sportzender van de publieke omroep, het NOS Radio 1 Journaal te beluisteren. Deze uitzendingen lijken in toenemende mate gepresenteerd te worden door presentatoren die – over de ruggen van hun gasten – achtergrond en duiding van het nieuws vermalen tot pulp. Alles moet snel en flitsend om het publiek te blijven boeien. Niemand kan of mag meer uitspreken, want de gastheer of gastvrouw hoort het liefst zichzelf praten. Herhaaldelijk grijpen zij als inhakertje op de discussies naar smadelijke en beledigende teksten.

Ontregelend gedrag kan best leuk zijn. Brutaliteit, ironie, sarcasme, zijn nuttige manieren om starre structuren open te breken. Daar staat tegenover dat het óók mogelijk moet zijn om daar weer tegen te protesteren. Om kanttekeningen te zetten bij al die vrijheid. Helaas blijkt daarvoor – in toenemende mate – geen ruimte te zijn. Kritiek op verbaal geweld leidt vaak tot méér verbaal geweld. Zinloos en overtreffende verbaal geweld dat ons geen stap verder brengt. Reden genoeg dus hier kanttekeningen bij te blijven plaatsen. Duidelijk te maken dat hufterigheid hufterig is, en daarom onacceptabel.

In dat licht bezien deel ik de opvatting van de Amsterdamse burgemeester Eberhard van der Laan over het ‘Fuck de koning-citaat. Hij benadrukte dat de uitspraak volgens de wet strafbaar is. Maar ook dat ongeveer het lichtst denkbare strafbare feit is. Of dat ook opgaat voor al die inhakers die zich er eindeloos aan verlekkerden, dat vraag ik mij af. Het komt mij te veel over als een perverse behoefte aan ‘kwetsen om te kwetsen’.

Onbeschoft gedrag is van alle tijden. Maar nu in de politiek en media ’zeggen wat je vindt’ kennelijk het ideaal geworden is, gaan alle fatsoensnormen overboord. Niet alleen asocialen gedragen zich hufterig; ook hoogopgeleiden maken zich er schuldig aan. Maar als alle mensen zeggen wat ze vinden, en als alle mensen doen wat ze willen, ontstaan er schuringen, wrevel en conflicten. Dat is wat er aan de hand is in Nederland en dat noemen we hufterigheid.

Dat alles is uitermate zorgelijk. Dat de media en de politiek hier mede debet aan zijn is nog zorgelijker. Wie het hardst schreeuwt, krijgt de meeste aandacht. En wie het meest extreme standpunt inneemt, krijgt onmiddellijk een ereplaats op het podium. Nuance en diepgang verdwijnen hierdoor langzaamaan uit het Nederlandse publieke leven.

Getergd door dat alles wil ik graag wat tegengas geven. Wil ik al die politici, presentatoren en presentatrices vragen om niet te snel hun geestesproducten de wereld in te schoppen als content die wij maar moeten slikken. Hun eigenlijke taak en boodschap zou hen juist daardoor wel eens door de vingers kunnen glippen. Van het vraag en verwacht ik de kunst hierin enerzijds mee te buigen als riet in windvlagen, en anderzijds toch te proberen het grote verhaal te blijven vertellen.

En voor allen anderen geldt dat wij assertiever moeten worden en de politici, media en hun redacties moeten laten weten dat deze onbeschoftheden niet worden gewaardeerd. En, om misverstanden te voorkomen:ik ben voor het vrije woord. Heb niks tegen satire. Dat alles is een groot goed en moeten we zorgvuldig verdedigen. In bepaalde opzichten is satire misschien zelfs wel een belangrijker of krachtiger genre dan de traditionele journalistiek om de politiek verantwoordelijk te houden voor haar daden en plannen. Dat maakt het voor cabaretiers en satirici wellicht veel eenvoudiger om niet afstandelijk op nieuwsgebeurtenissen te reageren. Presentatoren en journalisten kunnen en moeten de waardering van het publiek krijgen door de consument te vertellen waarom ze doen wat ze doen, welke afweging ze daarbij maken en welke bronnen ze waarom hebben gebruikt. Open en transparant communiceren met hun lezers, luisteraars en kijkers dus. Hun taak en vakmanschap is het om het nieuws te filteren en te selecteren, te duiden en uit te leggen, te verzamelen en te presenteren. Dat vraagt accountability en ervoor zorgen dat het wantrouwen in de media niet verder toeneemt. Juist daarom moeten beoefenaren van dit integriteitsberoep over de afzijdige moed van verstandig en bescheiden zijn beschikken…