Gladiatoren van de nieuwe tijd

gladiatoren.png

  • Wie daagt wie nu uit?

Nederlanders moeten meer te zeggen krijgen over hun eigen leefomgeving. Dat zegt de overheid. Daarom heeft zij onder meer het ‘uitdaagrecht’ beschreven. Daarmee moet het makkelijker worden voor inwoners om aan de overheid een alternatief plan voor te stellen. Dit ‘uitdaagrecht’ moet breder worden ingezet, zegt ook de overheid. Maar als het er op aan komt, geeft diezelfde overheid niet thuis! Het ‘recht van uitdaging’ lijkt zo een hol begrip en een loze belofte te zijn.

De Wet maatschappelijke ondersteuning kent al zo’n uitdaagrecht – right to challenge – maar dat werkt niet zo soepel als zou moeten. Aan de keukentafel ja, op individueel niveau, daar wil het meestal nog wel lukken. Echter, zodra het ‘systeem’ zelf wordt uitgedaagd wordt het ingewikkelder zo niet onmogelijk. Neem de ingewikkelde aanbestedingsregels in de wet. Die zorgen er juist voor dat inwoners worden belemmerd in hun mogelijkheid om gemeenten uit te dagen meer zorgtaken zelf uit te voeren. Het aanbestedingsrecht, de Wet openbaarheid van bestuur, de Gemeentewet en de rechtsbeschermingsprocedure uit de algemene Wet bestuursrecht sluiten onvoldoende aan op onervaren, lokaalgebonden en kleinschalige initiatieven. Zo leert de ervaring.

In zo’n honderd gemeenten hebben inwoners het Right to Challenge: het recht om taken van de gemeente over te nemen als ze denken dat ze dat slimmer, beter, goedkoper of anders kunnen doen. Minister Ollongren (BZK) streeft naar een verdubbeling van het aantal gemeenten in 2022. Op papier zal dat waarschijnlijk wel lukken. Het denken ook doen zal lastiger blijken. Het op papier zetten is een, maar dan ben je er nog niet. Je moet er echt mee aan de slag, je moet er als overheid werk in steken. Je moet er actief mee naar buiten, en – in de eerste plaats – je moet willen en durven loslaten.

Stel, dat als gladiatoren in hun tijd, de inwoners van Amsterdam de overheid zouden uitdagen met een plan om ‘hun’ Slotervaartziekenhuis voortaan zelf te gaan exploiteren. Zou het ogen? Ik zou het wensen, maar waag het ernstig te betwijfelen. En wat te denken van de inwoners van de gemeenten Haren (Groningen) en Landgraaf (Limburg). Zij wilden wat graag zelf hun boontjes doppen, maar kregen of krijgen nul op het rekest.

Als inwoners geïnspireerd worden om lokale publieke taken over te nemen en daarvoor overgaan tot participatie, is  frustratie hun lot. Want in het gunstigste geval krijgen zij een beetje ondersteuning in de vorm van lippendienst. Meestal echter worden diezelfde inwoners weggezet als goed bedoelende amateurs. Een muur van verzet, een tsunami van tegenargumenten en gebrek aan openheid zijn vaak hun deel..

Dit laatste lijkt vooral het gevolg van het feit dat het juridisch kader achterloopt op de maatschappelijke ontwikkelingen. Een goede toepassing van ‘right to challenge’ vereist een herziening van de rechtsverhoudingen tussen inwoners en bestuur.

Het ‘recht van uitdagen’ is een mooi iets, maar als er zo’n initiatief komt, moeten de mensen niet van het kastje naar de muur worden gestuurd. Vaak is de angst dat inwoners hun werk gaan overnemen. Overheden moeten er duidelijk mee leren omgaan dat inwoners net even op een andere manier aankijken tegen dingen, de zaken net even anders inrichten. Zij denken niet in geldpotjes en afdelingen, ze willen gewoon iets voor elkaar krijgen.

Het ‘right to challenge’ veronderstelt een omslag van burger- naar overheidsparticipatie. Van (als inwoner) ‘mogen meepraten’ naar (als overheid) ‘betrokken zijn bij’. Dat vraagt transparantie en openheid. Het veelt geen reacties in de trant van ‘U (inwoner) kent de context net; u weet niet waar u over praat’.  Als dat al zo zou zijn, dan is dat niet aan de inwoners te wijten, maar aan een tekort schietende overheid.

Mijn voorlopige conclusie? Het lijkt wel of overheid de inwoners met initiatieven heeft (her)ontdekt, maar meestal blijft het beperkt tot kleine, tijdelijke projecten van een goedwillende ambtenaar of vooruitstrevende wethouder, maar ze komen niet voort uit een bestuurlijke visie op burgerinitiatieven. En dat is volgens mij de uitdaging voor de komende jaren. Want burgerparticipatie is nog te vaak iets dat moet worden afgevinkt. Terwijl het beleid er zo veel beter van wordt. Zeker, nu gemeenten steeds meer taken op zich zien afkomen. Een proces dat begon met de decentralisaties van jeugdhulp, werk en zorg en wordt gevolgd door de Omgevingswet, de energietransitie en de overgang naar aardgasvrije wijken. Dat alles gaat niet vanzelf’ en al helemaal niet zonder de inwoners. Dat vraagt een heel ander type dialoog. Gebaseerd op betrokkenheid vooraf in plaats van bezwaren achteraf.

Of het zal lukken overheden zo te laten kantelen? Ik ben ervan overtuigd. Is het niet op basis van echte overtuiging, dan wel omdat de wal het schip keert. Immers, ondanks de – op zijn vriendelijkst gezegd – tegenstribbelende medewerking van heel wat overheden zien wij een gestage toename van burgercoöperaties op het gebied van energie, gezondheid, zorg, onderwijs, werkgelegenheid en woningbouw. Als antwoord vaak op de grootschalige instanties en professionele instellingen. Mensen willen graag en weer het heft in eigen hand.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Advertenties

De beste regisseur is (niet) gezien

regisserende overheid.png

  • Jammer genoeg klopt de regie niet altijd

Op dit moment wordt er her en der in het land druk gewerkt aan de totstandkoming van nieuwe colleges van B&W. Een belangrijk onderwerp voor ieder collegeprogramma is het sociaal domein. Daarbij gaat het over de vraag hoe je op de beste wijze het welbevinden van de inwoners kunt ondersteunen. De grote opgave is, om dit vanuit de mensen in plaats van de systemen te bekijken. Te zorgen voor een kloppende regie!

Steeds meer gemeenten krijgen hun basis in het sociaal domein op orde. Tot nu toe lag de nadruk daarbij op ‘in control komen’: de zorgcontinuïteit, het voorkomen van ‘ongelukken’ en de financiën beheren stonden daarbij hoog op het prioriteitenlijstje.

De decentralisaties (2015) hadden echter een hoger ideaal: ondersteuning van de inwoners in een gemeente nabij organiseren. Passend bij de situatie van de inwoner die in een lastige of knelsituatie zit. Met de bedoeling ook om de inwoners individueel en de samenleving als geheel zelfredzamer te maken. Waar weer een andere doelstelling onder lag en ligt: de kosten voor zorg beheersbaar te houden. En daarmee de zorg en ondersteuning duurzaam te borgen.

Nu is het tijd voor de volgende stap: het doorontwikkelen. Daarbij draait het om de hoe-vraag. Hoe gaan we het naar de toekomst toe nou echt doen in het sociaal domein? Lukt dat als wij (lees: gemeenten) blijven acteren zoals we dat al jaren doen, of is er meer voor nodig?

Wat mij opvalt als adviseur van verschillende partijen die daarbij een rol spelen (gemeenten, regiobesturen, instellingen voor onderwijs, welzijn, zorg, inkomen en schuldhulpverlening en participatie) is dat zij allemaal spreken over en van een integrale aanpak, om de opgave vervolgens sectoraal aan te pakken. Dat is niet alleen vreemd, maar ook een doodlopende weg.

Het vraagstuk van doorontwikkeling (transformatie) van het sociaal domein kan niet los gezien en behandeld worden van vraagstukken binnen andere domeinen die eigenlijk om hetzelfde gaan. Op welhaast alle overheidsdomeinen  is er sprake van verschuiving van regie, van overdracht van taken, van meer bestuurlijke afwegingsruimte op lokaal niveau, van inzet op betere kwaliteit door integrale benadering van maatschappelijke vraagstukken, en van andere verhouding tussen overheid en samenleving.

Tussen de decentralisaties in het sociaal domein en de komst van bijvoorbeeld de nieuwe Omgevingswet zijn er vele overeenkomsten als het gaat om de onderliggende beweging en doelstellingen. Toch zie je hiervan in de aanpak te weinig terug. Terwijl tegelijkertijd de grenzen tussen het sociaal domein en bijvoorbeeld het fysiek domein steeds meer vervagen. Wie ziet niet de samenhang tussen ruimtelijke en andere aspecten (waaronder gezondheid en zelfredzaamheid)? Een versnipperde benadering kan (en zal) onbedoelde dan wel ongewenste effecten hebben en het behalen van de eigenlijke doelen in de weg kan staan.

Meer dan ooit moeten gemeenten beseffen dat zij zelf midden in een transitie zit. Het sociaal domein, de Omgevingswet en een ruimer lokaal belastingregime; het zijn allemaal voorbeelden waarbij het lokaal bestuur meer invloed krijgt. Hierdoor kan de overheid sneller inspelen op gedeelde publieke ambities. Dit maakt het mogelijk op lokaal niveau te experimenteren met nieuwe initiatieven, wat ruimte geeft voor innovaties in de samenleving. Denk aan nieuwe vormen van mobiliteit, duurzaamheid en bijvoorbeeld de sociale zekerheid zoals we die kennen.

Deze lokale speelruimte maakt de weg vrij voor overheden om vaker op te trekken met inwoners, het bedrijfsleven, andere overheden en publieke instellingen, zoals scholen en universiteiten. De overheid maakt een verschuiving van zelf uitvoeren naar meer ruimte voor slim organiseren en faciliteren. Als overheden met elkaar en met de samenleving verbonden zijn, kan er doorlopend kennis en informatie worden uitgewisseld.

Juist hier liggen voor de nieuwe colleges van B&W grote uitdagingen en prachtige kansen. Die zij vervolgens ook grandioos kunnen verprutsen. Als zij blijven doen wat ze altijd deden: de portefeuilles verdelen  langs de lijnen van de ‘klassieke’ domeinen (fysiek, sociaal, financieel). De ‘overheid in transitie’ vraagt een integrale benadering van een opgave. De onderhandelaars – en straks de nieuwe colleges – moeten dus niet alleen nadenken over transformeren. Hoewel dat natuurlijk prima en legitiem is. Veel meer echter moeten zij  de integrale aanpak mogelijk maken met een integrale, gemeentelijke visie op samenhang tussen de diverse aspecten (zoals ruimtelijk beleid, gezondheid en zelfredzaamheid).

Het durven leggen van verbindingen is daarbij van groot belang. Daarop moet de nadruk liggen. Niet als doel op zich, maar als voorwaarde om efficiënter te werken, hoogwaardiger dienstverlening te bieden en samenwerking mogelijk te maken. Een verbindende overheid is de sleutel tot succes.

Verbinden is ook: Samen doen en deelnemen. Anders gezegd: verbinden is als overheid participeren in de samenleving. Wat wezenlijk iets anders is dan als overheid de samenleving laten participeren in het beleid. De overheid in een participatiesamenleving is een faciliterende overheid met een ambitieuze en ondernemende agenda die de lijnen uitzet.

Een faciliterend overheid is geen teruggetrokken regisseur die de verantwoordelijkheid bij de inwoners legt. Het is een overheid die de verhalen van haar inwoners ‘vangt’ en vertaalt in een inspirerend verhaal op een hoger schaalniveau, dat ons en onze acties verbindt. Mogelijk maakt ook met passende (in plaats van minder) regels, kaders en sturingsmechanismen. Een participerende en verbindende overheid neemt de regie en zet de lijnen uit. Transitie en transformatie rechtvaardigen en vragen om een sterke en visionaire overheid. Zij moeten de regie durven nemen, maar niet zelf doen wat een ander beter kan. Sturen en beslissen zijn de kerntaken zijn. Uitvoerende werkzaamheden kunnen worden belegd en overgelaten aan bij gespecialiseerde (publieke) organisaties. En ja, dat vraagt transparante integriteit en onafhankelijkheid. Sociaal vaardig en verbindend acteren op basis van de juiste informatie binnen de specifieke context van die gemeente. De lokale samenleving staat immers voorop. De gemeente resp. het gemeentebestuur staat midden in die samenleving. Zij  geeft richting. regelt, overziet en besluit. Het is haar taak om in de samenleving dingen te ontdekken waarvan die niet wist dat hij ze in zich had.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Meepraten? Als jij je mond maar houd!

mondje dicht

  • Als je iets anders meent, hou dan je mond maar

Door Peter Paul Doodkorte

“Het overgrote deel van de basisscholen voert nog geen bewust beloningsbeleid; 98,3 procent van de leerkrachten in het basisonderwijs zit nog in de laagste salarisschaal (LA). Dit blijkt uit onderzoek (april 2018) van het Onderwijsblad van de Algemene Onderwijsbond (AOb).” Toen ik dit bericht las, vroeg ik mij af, hoe het eigenlijk met de medezeggenschap binnen het onderwijs geregeld is. Kennelijk is dat niet al te best geregeld. Een goed functionerend medezeggenschapsorgaan immers zou het bestuur of de bestuurder daarop (moeten) aanspreken!

Medezeggenschap. Voormalig minister Asscher (Sociale Zaken en Werkgelegenheid -SZW) schreef in maart 2013 in een brief aan de Tweede kamer zijn visie op de stand van zaken op het gebied van de medezeggenschap. Hij vond dat het vooral OR en bestuurder zelf zijn die in het bedrijf een eigen vorm aan de invulling van medezeggenschap moeten geven. De huidige wetgeving in de Wet op de ondernemingsraden (WOR), zo stelde hij toe, biedt genoeg houvast om dat te kunnen doen. Ik ben dat niet met hem eens.

In Nederland hecht men veel belang aan medezeggenschap binnen organisaties. Werknemers willen kunnen meedenken over de visie en toekomst van het bedrijf. Men wil betrokken worden bij belangrijke beslissingen. Daarom is er in Nederland de wet op ondernemingsraad (WOR). In de WOR is de medezeggenschap wettelijk geregeld. Hier vloeit onder andere de ondernemingsraad uit voort. Medezeggenschap zorgt daarmee voor een effectieve en efficiënte bijdrage aan de kwaliteit en draagvlak voor de besluitvorming.

Het zijn prachtige volzinnen over al even prachtige intenties. En ja, in de ‘etalage-bedrijven’, de grote multinationals en de overheid zelf is dat oer het algemeen ook goed geregeld. Zij moeten ook wel, want zij liggen onder het vergrootglas van de publieke opinie en de media.

Bij heel wat organisaties die wat minder op de voorgrond treden is het met die medezeggenschap minder goed gesteld. Er zijn, ondanks de wettelijke verplichting daartoe, nog heel wat bedrijven die geen ondernemingsraad of werknemersvertegen-woordiging kennen. Zij worden geleidt door autocratische en soms narcistische leiders. Mensen die menen dat er maar één persoon is, die weet wat goed is voor het bedrijf en de medewerkers.

Zo leerde mij ook een contact dat ik deze week had met een onderzoekster. Zij doet – in opdracht van de Bedrijfscommissie voor de marktsectoren (het overheidsorgaan voor toezicht op de medezeggenschap) – mee een Europees onderzoek naar conflictoplossing in ondernemingen, concreet naar bemiddeling tussen een bestuurder en een onderne-mingsraad. Zij onderzoekt de negatieve gevolgen en eventuele kosten van conflicten en hoe deze beperkt kunnen worden, escalatie kan worden voorkomen en conflictpartijen ondersteund kunnen worden bij het constructief omgaan met het conflict en het bereiken van een oplossing.

Het gesprek leerde mij dat in de wet- en regelgeving onvoldoende waarborgen zitten om medezeggenschap ‘van papier af’ te krijgen. Er zijn, zo bleek mij, nog heel veel werkgevers die over medezeggenschap zeggen: “Medezeggenschap? Ik vind het best, zolang ze hun mond maar houden.”  Medewerkers die vervolgens een beroep doen op de WOR of de Ondernemingskamer komen vervolgens in een slangenkuil terecht. Werkgevers die de betrokken medewerkers in een kwaad daglicht stellen of chanteren blijken geen uitzondering. Ze worden daarmee binnen de betreffende onderneming geïsoleerd. Wat weer handig is, omdat de Bedrijfscommissie alleen in actie komt, als de betrokken medewerker kan aantonen dat zijn klacht wordt gedragen door een grotere groep van medewerkers binnen de onderneming. Ook de gang naar het Klokkenluiders-huis blijkt voor deze medewerkers vaak een lijdensweg. Er wordt vanuit het Klokkenlui-dershuis geen of zeer traag contact opgenomen over aangedragen conflicten. Bovendien, zo leert de ervaring, beginnen Bedrijfscommissie en Klokkenluidershuis eerst en vooral met een uitleg aan de betrokken werknemers over de mogelijke risico’s die hij of zij neemt in de relatie met de werkgever. Anders gezegd: het voeren van een procedure wordt eerder afgeraden dan toegejuicht.

Dat laatste bleek mij ook weer in en gesprek dat ik later had met een goede vriend. Hij bevestigde mij het bovenstaande op grond van eigen ervaringen. “Mijn werkgever was beslist niet content met mijn vraag over hoe de medezeggenschap binnen de organisatie was geregeld. Toen ik naar de Bedrijfscommissie stapte, was een conflict al snel geboren. Ik werd uit mijn leidende rol gezet en er ontstonden conflicten over de uitleg van eerder gemaakte afspraken over arbeidsvoorwaarden. Met veel juridisch wapengekletter. Per saldo zag ik – ter bescherming van mijzelf en mijn privésituatie – geen betere optie dan het zoeken van een andere baan.”

“Er valt nog veel te verbeteren in Nederland medezeggenschapsland,” zo vertelde mij de onderzoekster. “Om te beginnen zou het helemaal geen slecht idee zijn om naast de verplichting om jaarlijks het financieel jaarverslag van een onderneming te deponeren bij de Kamer van Koophandel, ondernemers ook te verplichten tot het gelijktijdig indienen van het jaarverslag van de Ondernemingsraad. Uit dat verslag moet dan blijken dat de medezeggenschap is geregeld, de verkiezingen van dat orgaan onafhankelijk en in vrijheid zijn georganiseerd en welke onderwerpen door de ondernemer en het medezeggen-schapsorgaan zijn besproken.”

Volgens mijn gesprekspartner zou een dergelijke wettelijke verplichting de controle op de naleving niet allen een stuk beter maken. Ook zou het kunnen voorkomen dat individuen ‘vermalen’ worden in de molen van juristerij en macht.

Nog even terug naar mijn vriend. Die ik de vraag stelde of het nu beter met hem gaat. Dat kon hij bevestigen. In zijn nieuwe werkomgeving is de medezeggenschap wel geregeld. “Maar,” zo vertrouwde hij mij toe, “trots ben ik niet op mijzelf. Het voelt toch, alsof ik door mijn zwijgen en mijn keuze voor mijn eigen (privé)belang verraad heb gepleegd. Aan mijzelf, zowel als aan mijn collega’s.”

Terwijl ik dit zo opschrijf, dringt zich het wrange besef bij mij op dat ik uiteindelijk misschien wel hetzelfde doe. Ik noem in dit stuk niet de namen van de onderzoekster of mijn vriend. Noch van de betrokken ondernemingen. Om hen en mijzelf van negatieve gevolgen te vrijwaren. Ik mag er het mijne van vinden, maar het is veiliger als ik mijn mond houdt!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

 

Koester de kloof

kloof.png

  • Democratiseer de democratie niet dood!

Deze week was hij er weer: de kloof! De veel voorkomende veronderstelling dat er een kloof is tussen de burgers en de politiek. En dat deze kloof, linksom of rechtsom, gedicht moet worden. De aanleiding? De (uitslag van de) Amerikaanse presidentsverkiezing. Volgens menig politicus en welhaast alle media moeten wij alle creativiteit en werkkracht inzetten voor het bouwen van bruggen over die kloof. Ikzelf ben daarvan steeds minder overtuigd.

Volgens elk zichzelf respecterend medium is de kloof het gevolg van het feit dat onze politici en bestuurders niet (meer) weten wat er onder ons leeft. Hetgeen ik waag te betwijfelen. Je moet vandaag de dag wel onder een steen liggen om niet geconfronteerd te worden met dat wat er leeft onder mensen. En als het al waar is, dan is het op zijn minst ook een spiegel voor diezelfde media. Want kennelijk slagen ook zij er niet in dat wat er leeft op adequate wijze over het voetlicht te brengen.

Mijn groeiende overtuiging is dat politici en bestuurders in toenemende mate last hebben van hetzelfde fenomeen als onze jeugd: keuzestress. Met name veroorzaakt door de hoeveelheid aan informatie, belangen en meningen die over hen worden uitgestort. Om vervolgens de juiste keuze te maken waar het de (on)betrouwbaarheid van die informatie, meningen en opvattingen betreft.

Wat is nut en noodzaak van verkiezingen, als wij tegelijkertijd het recht claimen om op elk gewenst moment – als het ons van pas komt – met inspraak of een referendum zand in de besluitvormingsmachine mogen en kunnen gooien? Referenda lijken in toenemende mate het standaardrepertoire voor mensen die erop zijn om met behulp van propaganda, bedrog en manipulatie hun veelal desastreuze politiek een schijn van legitimiteit te geven. Politici en bestuurders kunnen nauwelijks beleid maken, omdat elk deelbesluit op zichzelf al een verkiezingscampagne lijkt te vragen.

Heel vaak geven de tegenstanders aan dat ze niet tegen een oplossing zijn, maar wel tegen de voorgestelde oplossing. Daarbij dragen ze onmogelijke en niet haalbare alternatieven aan. Met andere woorden; ondanks wat ze zeggen willen ze dat er helemaal niets gebeurt. En dat is jammer, want als je meer constructief met elkaar aan de slag gaat ontstaat er meer begrip en kan je samen meer focussen op de beste oplossing. Althans een optimale verbetering van dat wat niet goed bevonden wordt… tot natuurlijk blijkt dat de aangedragen oplossing zo gek nog niet is en het enige alternatief blijkt. En soms blijkt het best wel iets genuanceerder te liggen, maar dan is de politiek ook zeker bereid hier een mouw aan te passen. Het effect van dit alles is een not-in-my-backyard-democratie. Want wij willen altijd en overal dat ons gelijk ieders gelijk is. En verliezen we uiteindelijk toch, en krijgen wij niet het gelijk, dan deugt de democratie niet meer.

Goed, de democratie deugt ook niet, maar is wel de beste oplossing van alle kwaden. En ja, iedereen kan kiezen, en zal altijd op een aantal onderdelen – achteraf of in onze ogen – een verkeerde keuze maken. Dat immers heet democratie.

Luisterend naar alle discussies en meningen vraag ik mij oprecht af of wij de democratie niet dood gedemocratiseerd hebben. Steeds meer groeit de notie dat een goed werkende democratie die kloof nodig heeft. Hij moet dus niet gedicht, maar moet uitgediept worden. Niet het gebrek aan democratie lijkt de oorzaak van onze toenemende ontevredenheid, maar juist een overkill aan democratische instrumenten.

Die kloof? Ik geloof er steeds minder in. De overheid waarop wij graag en veel schimpen, dat zijn wij zelf. Wij laten ons vertegenwoordigen door politici. Wij kiezen politici waar we vertrouwen in hebben en bij volgende verkiezingen kunnen we die keuze veranderen, mocht het vertrouwen afnemen of geschonden zijn.

Wij besluiten niet zelf over alle wetsvoorstellen, omdat we er of minder tijd, deskundigheid en middelen voor hebben. En als we toch zelf aan de knoppen willen zitten, dan stellen wij ons verkiesbaar voor een lijst en kunnen wij meedoen. Die optie is er voor iedereen.

Referenda en wat dies meer zij? De politiek is er niet geloofwaardiger op geworden en wij zijn ons niet meer verbonden gaan voelen. Wel zien wij nerveuze politici en bestuurders, op zoek naar achterbannen, incidentenpolitiek, afsplitsingen en fragmentatie. Zo voeden wij de personendemocratie en het daarmee verbonden cliëntelisme. Met verdere polarisatie en ontevredenheid als gevolg.

Ik ben dus geneigd de kloof te gaan koesteren. In een goed functionerende democratie presenteren politici voorstellen, onderzoeken ze gezamenlijk alle argumenten en nemen ze daarmee een afgewogen besluit. Een besluit waarvan ik op z’n minst denkt: “Ik ben het er niet mee eens, maar ik begrijp het wel.”

En voor wie meent dat zij de kloof tussen burger en politiek wel kunnen en moeten dichten, citeer ik graag Gerdi Verbeet: “Ajax kan ook niet spelen zonder supporters, wij ook niet’. Een goed functionerende volksvertegenwoordiging met een eigen speelveld en speeltijd is de enige garantie om voor iedereen begrijpelijke beslissingen te nemen waarin ieders belang wordt gewogen.

Privacy van de gespleten tong

gluren.png

  • Ook anderen hebben het recht om de gordijnen af te sluiten!

Privacy is het hoogste goed…Dat willen wij onszelf en de ander graag doen geloven. De essentie is dat het onderkennen van privacyaspecten in alle handelingen centraal moet staan. Op deze manier wordt bereikt dat bij welke handeling dan ook rekening wordt gehouden met de eigen privacy of de privacy van anderen. En dat doet het. Zolang het onszelf betreft!

Hoezo privacy? Toen besloten werd onze vingerafdrukken centraal op te slaan was er de nodige tegenstand. En nu de telefoongegevens worden bewaard alsof we allemaal criminelen zijn morren we. Als het onze eigen privacy betreft die geschonden dreigt, zijn wij oprecht verontwaardigd.

Toch vraag ik mij af of wij nog recht van spreken hebben, als we ons tegelijkertijd – van hoog tot laag – verlustigen aan privézaken van anderen. De media prediken privacy, om vervolgens dieper dan diep te gaan graven in relaties van anderen. We verwittigen de wereld met alle ins en outs van zaken die ons eigenlijk niks aangaan. En, of je nu wilt of niet, je moet er nog getuige van zijn ook. En ja, ik realiseer mij heel goed dat waar het mij met een gevoel van schaamte kan vervullen, anderen zich graag verlustigen en wentelen in het leed van anderen. Omdat het zo herkenbaar is!

Zoals de afgelopen dagen. Toen het boek Juliana – Vorstin in een mannenwereld van schrijfster Jolanda Withuis verscheen. Onder het mom van wetenschappelijk onderzoek, historische waarde en staatsveiligheid wordt onbeschaamd en onbeteugeld ingezoomd op het huwelijk van wijlen prinses Juliana en prins Bernhard. De media stort zich gelijk een wervelwind op elk detail.

Waar halen wij in hemelsnaam het recht vandaan om te gaan interpreteren wat mensen denken of doen, terwijl je er niet bij bent geweest. Om ondertussen ongeduldig te zuchten dat het naatje pet is met onze privacybescherming. We spreken (terecht) schande van een door een tiener of wraaklustige echtgenoot op Facebook geplaatste naaktfoto. Maar waarom tonen wij diezelfde foto dan bij herhaling aan anderen? Om ons gelijk te halen?

Het is een onbegrijpelijke dubbele moraal. Privacy moet! Maar we smullen ervan. We wroeten graag en diep. In andermans leven. De brutale manier waarop wij – overheden, particulieren, journalisten en televisiemakers materiaal over anderen verzamelen en (mis-)gebruiken, staat in schril contrast met de privacy die wij voor onszelf eisen.

Begrijpt u mij goed. Ik ben geen privacy-fetisjist. In mijn dagelijkse werk wordt ik vaker bevraagd op mijn standpunt in deze. Het antwoord is heel simpel: Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Het doorbreken van dat recht kan en mag alleen als de persoon in kwestie daarmee instemt (wie vroeg Juliana toestemming?) of als er een legitiem belang (de gezondheid of de veiligheid van de persoon in kwestie of zijn omgeving) mee gediend is. En in die gevallen dien je er heel zorgvuldig mee om te gaan en alleen dat te delen wat er – in relatie tot het probleem, het vraagstuk of de oplossing – toe doet.

Zie ook https://verruimdehorizon.wordpress.com/2013/04/14/privacy-de-schaamlap-voorbij/.

Als ik mij aan die stel- en leefregel niet wil of kan houden dan mag u mij – als ik schande spreek over de schending van privacy – hypocriet noemen.

Toen ik deze week overspoeld werd met de reacties op het boek van Jolanda Withuis dacht ik oprecht aan een uitspraak van Bert Jaap Koops, hoogleraar regulering van technologie in Tilburg: “Het ergste wat je over iemand te weten kan komen is alles.” Laten wij dat eens wat vaker in onze hersenpan laten indalen. Want ook anderen hebben het recht om de gordijnen af te sluiten!

 

Wanhopig zelfbevlekking

zelfbevlekking.png

  • Moet het de dag rond en altijd in het openbaar?

Gerrit-Komrij zei eens: “De omroepen zijn heden ten dage kleine eilandjes van zelfbevlekking.” Ik ben geneigd hem te parafraseren: “De media zijn een tsunami van zelfbevlekking geworden.” En wij, de kijker en luisteraar, moeten het allemaal aanzien of aanhoren en het nog lekker vinden ook!

Elke zichzelf respecterende televisiezender doet het. Net als elke zichzelf respecterende radiozender: zelfbevlekking. En dat allemaal voor de ogen en oren van ons, het kijk- en luisterpubliek.

Je kunt tegenwoordig geen radio- of televisieprogramma meer beluisteren of bekijken of het fenomeen van zelfbevlekking dringt zich op. Bekende Nederlanders die spelletjes doen met bekende Nederlanders. Terwijl het gepeupel mag toekijken. Ze kennen elkaar, bejubelen of – liever nog – beschimpen elkaar, maar delen in ieder geval de smaak van geld.

In de media zijn macht, geld en invloed het eigendom van de bekende Nederlanders.  Zij bepalen de richting van de politiek, terwijl ze aan de borreltafels op tv of bij de radio klagen over de bezuinigingen op hun kip met de gouden eieren: de publieke omroep, de cultuur, enzovoort, enzovoort. Zogenaamde personality’s die het eigen blazoen oppoetsen door – terwijl zij hun neus ervoor ophalen – de dagelijkse ellende van anderen vercommercialiseren. Een irritante combinatie van snobisme en onnozelheid. Een zichzelf beklagende ‘elite’ die zich ‘genegeerd’ voelen als ze niet minstens een keer per week bij een collega in een programma mogen optreden. Het is een steeds irritanter en hinderlijker vorm van zelfbevlekking.

Begrijp mij goed, ik heb niks tegen masturbatie. Behalve als ik geacht wordt er naar te moeten kijken en er nog van te genieten ook! Geef het klootjesvolk brood en spelen en ze eten uit onze hand en vullen onze zakken, zo lijkt het motto in medialand.

Op de radio is het al niet anders. Een nieuwsprogramma, Nieuws & Co dat er prat op gaat vaste (bekende) vrienden te hebben die minstens een keer per week hun commentaar mogen geven. Dat alles begeleidt door Lara Rense; die elk item brengt op een toon die doet vermoeden dat elk nieuwsfeit haar tot een hoogtepunt kan brengen. Of een (dagelijks) mediaforum waarin journalisten, reporters of mediagoeroes met en over elkaar debatteren. Met altijd dezelfde uitkomst: zij weten het beter!

Stel je voor zeg, dat het volk het nieuws gewoon zou krijgen voorgeschoteld zoals het is! Zonder commentaar of mening van een reporter of journalist. Een die zichzelf te buiten gaat in het etaleren van wat hij of zij van het onderwerp weet. En natuurlijk weet wat u of i daarvan moeten vinden. Hoezo, denk ik dan, recht op vrije meningsvorming? De media en haar vrienden bepalen wat de wil is van het volk.

Daarom doe ik een welgemeend beroep op die bekende Nederlanders die ik stilletjes meen te mogen verdenken van het bezit van (nog een beetje) gezond verstand. Stop die publieke masturbatie! Een paar keer per week is gezond, maar moet het de dag rond? En altijd in het openbaar?

Ook beledigen moet men leren

varken modderpoel.png

  • Hoe vriendelijker des te dieper raken ze

De afgelopen week zijn zekere heren, van beroep komiek of cabaretier vele malen in het nieuws geweest.  De pijlen van de komiek, gericht op de Turkse president Erdogan, troffen doel. Midden in de roos. Het doelwit pikte dit niet. Volgens hem was er sprake van belediging. En, hoewel ik weinig met de persoon in kwestie op heb, hij heeft – vrees ik – gelijk. Het aangekondigde doel van de komiek was niet de man in kwestie op de hak te nemen. Het doel was – zo blijkt uit zijn eigen aankondiging – kwetsen, beledigen.

De kwestie loopt hoog op. Zo hoog, dat de komiek inmiddels onder politiebescherming staat en zijn komende tv-optredens heeft geannuleerd. Erdogan heeft, met instemming van Angela Merkel, de Duitse Bondskanselier, inmiddels een juridische procedure gestart tegen de komiek.

Dat besluit van Merkel heeft vele vrienden van de vrije meningsuiting in alle staten gebracht. Mij heeft het de ogen op meerdere van die vrienden geopend. Zij misbruiken het recht op vrije meningsuiting als voorwendsel voor gewoon botte beledigingen.

Een belediging is de aantasting van iemands waardigheid of eer zonder dat dit enigszins door feiten kan worden gestaafd. In beginsel is het dus een belediging als iemand als ‘geitenneuker’ wordt neergezet of als pedofiel. En dat is wat de komiek – met wie het allemaal begon – deed.

Zijn vakgenoten, in binnen- en buitenland, laten zich inmiddels graag van het eigen stuk brengen. Vergetend wie zij zijn laten zij zich door wrok en woede leiden. Om vervolgens dat te doen wat Erdogan beweert: beledigen.

Vrije meningsuiting? Ik vind het een groot goed. Het is daarom goed als wij door de narren van de samenleving stevig op de hak genomen worden. Als echter diezelfde narren de grens tussen spot en belediging niet meer weten te zien, maken zij zichzelf tot de grootste bedreiging van dat recht. Mijn boodschap aan hen?  Tergt iemand jou, waak dan voor de dwaling te veel waarde aan de mening daarover te hechten. En dat, zo vrees ik, is nu precies wat teveel van onze narren doen.

Het gevolg van dit alles: met het beledigen van Erdogan werpen onze narren een steen in een modderpoel. Die vervolgens slechts henzelf bespat. Nog sneuer wordt het, wanneer zij de aandacht van de media en massa daarvoor zien als een bevestiging van het eigen gelijk. Die laatsten zijn – zo vrees ik – minder of niet geïnteresseerd in de afloop. Of het gelijk. Zij lijken vooral slechts te genieten van het moddergevecht. Waarvoor zij graag de kraan van nodeloze herhaling aanzetten.

Mijn advies aan alle narren? Laat u niet verleiden tot varkensgedrag. Leer en beoefen de kunst van het beledigen die satire heet: hoe vriendelijker zij is, des te dieper raakt zij.