Opstandige puber

lady bird.png

  • Lady Bird

Christine ‘Lady Bird’ McPherson (Saoirse Ronan) zet zich af tegen haar eigenzinnige moeder (Laurie Metcalf), maar ze lijkt meer op haar dan ze denkt. Lady Birds moeder is een verpleegster die keihard werkt om te zorgen dat er brood op de plank komt nadat haar vader (Tracy Letts) zijn baan is kwijt geraakt.

Als Lady Bird aan het slot na een comazuipgelag in een ziekenhuis is beland, komt dat niet helemaal als een verrassing: je had al iets meer begrepen van wat er in haar hoofd omgaat, en zij zelf misschien ook. Aanbevolen voor iedere dokter of hulpverlener die met jeugd te maken krijgt.

Locatie en tijdvak: het katholieke milieu ‘aan de verkeerde kant van de spoorlijn’ in het saaie Californische Sacramento anno 2002-2003 – de nu 34-jarige Greta Gerwig (regisseur) is er destijds zelf opgegroeid. Ze koos voor een flitsend gemonteerde vertelling met soms ultrakorte scènes, die buitengewoon goed werkt.

Advertenties

Kom zelf eens uit je luie stoel!

buiten spelen.png

  • Papa, mama, komen jullie buiten spelen?

Aan een oever van de Stille Oceaan, in het noorden van het Gazelle-schiereiland van Papoea-Nieuw-Guinea, leeft een volk van eenvoudige landbouwers. Door een naburige stam worden ze de ‘Baining’ genoemd, wat ‘wilde, onbeschaafde mensen in de rimboe’ betekent. Bij wetenschappers staan ze bekend als ‘de saaiste cultuur op aarde.’

Het verhaal van de Baining is een metafoor voor deze tijd. Het is een waarschuwing voor de wereld waar we op afstevenen: een wereld zonder vrije tijd en zonder spel. Een wereld die zich ras aan ons lijkt op te dringen…Zeker als wij op onze krent blijven zitten.

Uit onderzoek onder (groot)ouders en kinderen blijkt namelijk dat er dramatisch minder buiten wordt gespeeld. De generatieverschillen in spelen worden steeds duidelijk zichtbaar. Daar waar (groot)ouders (waaronder ik dus) vroeger massaal naar buiten gingen, spelen kinderen nu binnen. In vergelijking met 2013 is het aantal kinderen dat elke dag buiten speelt in de buurt gedaald van 20% naar 14%! Van de 1,2 miljoen kinderen op de basisschool zijn er dus meer dan 1 miljoen kinderen die niet meer dagelijks buitenspelen. Hoe dat komt? Daarover zijn de mening verdeeld.

Een belangrijke uitkomst van het onderzoek is dat er een enorm verschil is tussen de generatie van grootouders, ouders en kinderen op het gebied van buitenspelen. Maar liefst zeventig procent van de opa’s en oma’s, en 65 procent van de ouders speelden in hun jeugd vaker buiten dan binnen. Bij de kinderen van nu is dat nog slechts tien procent. Volgens alle (volwassen) deskundigen ligt het aan de jeugd. “Ze willen wel, maar…”

Eén op de drie kinderen zegt wel graag vaker buiten te willen spelen, maar één op de zeven kinderen zegt te veel tijd kwijt te zijn aan school of hobby’s om dat te kunnen doen. Voor de anderen blijken ‘te saaie speelplekken’ en ‘te veel verkeer’ een barrière. Bijna de helft van de Nederlandse kinderen, maar liefst veertig procent, zegt liever binnen te spelen dan buiten. Tegelijkertijd hebben kinderen minder vrije tijd. Ze worden voortdurend beziggehouden: school, huiswerk, sport, muziek, toneel, bijles, examentraining – het houdt niet op. Ouders zouden volgens onderzoek bijna twee keer zoveel tijd aan de opvoeding besteden als in de jaren tachtig.

Wel, ik durf dat alles in twijfel te trekken. Nee, niet dat kinderen nu minder buiten spelen. Dat klopt wel. Maar de oorzaak daarvan. Volgens mij ligt die bij ons, de volwassenen. Wij hebben geen tijd meer voor spelende kinderen. Wij zijn zelf veel te druk met ons werk. En als wij niet werken, moeten wij sporten, facetimen, social media bijhouden, Netflix-series kijken, enzovoort en zo verder. Tijd om met onze kinderen te spelen past daar niet in.

Wat ik ook zeker weet is dat wij steeds minder: spelen. En dan bedoel ik ‘spelen’ in de breedste zin van het woord: de vrijheid om je eigen nieuwsgierigheid te volgen. Om te zoeken en te ontdekken, te proberen en te creëren. Niet omdat een ouder, school of baas het je voorkauwt, maar gewoon, omdat je er zelf zin in hebt.

Overal waar je kijkt, zijn we minder gaan spelen. Kinderen en volwassenen. Thuis, op school en op kantoor. Terwijl politici zich druk maken over ranglijstjes en economische groei, zijn scholen gefocust op toetsen en resultaten. Op almaar jongere leeftijd sorteren we onze kinderen voor: jullie zijn de slimmen, en jullie niet. En onze definitie van succes? Hoge cijfers, hoog salaris. Het onderwijs moet kinderen zo snel mogelijk klaarstomen om zoveel mogelijk geld te verdienen.

Spelen en buitenspelen is belangrijk voor kinderen. Dat vinden de kinderen zelf ook. Liefst 75 procent van de kinderen geeft aan zich vrolijk en blij te voelen na het buiten spelen. Ruim 48 procent voelt zich sterk en gezond na een tijdje ravotten in de buitenlucht.

Wij zien het aan onze eigen kleinkinderen. Natuurlijk, ook zij hebben een Playstation of iPad. Mogen graag en veel op die apparaten bezig zijn. De oudsten zitten inmiddels ook op Instagram. En toch, eigenlijk is het betrekkelijk eenvoudig hen naar buiten te lokken. En ja, daar moeten wij wel wat voor doen. Om te beginnen moeten wij onze luie stoel uit komen. Kunt namelijk niet tegen je op de bank hangende kinderen zeggen “Ga eens wat doen!” als je zelf bij voortduring op diezelfde bank hangt of je achter schermen verbergt.

Ieder seizoen is het leuk om er op uit te trekken met de kinderen. Zo leren wij ook weer van onze kleinkinderen. Voor een tochtje op het ijs, zoals begin dit jaar nog. Of om de lammetjes bij de overbuurvrouw van opa en oma te voederen. Bij mooier weer hebben bootjes h een enorme aantrekkingskracht op kinderen en staan zij garant voor plezier zolang je maar wilt. Huur eens zo’n roeiboot en nodig je kinderen een uit voor een heus piratenavontuur. Neem ze eens mee voor een nachtje kamperen in de eigen achtertuin! Wedden dat de kinderen dat veel interessanter vinden dan die iPad, die Netflix-serie of de Playstation!

Spelen is ontzettend goed voor de ontwikkeling van kinderen; er wordt gewerkt aan allerlei vaardigheden en aan de fysieke en innerlijke gezondheid. Zaken die ook voor ons als ouderen van belang zijn en om onderhoud vragen. Wat is er leuker dan in de zomervakantie samen met jouw (of andermans) (klein-)kinderen een eigen huttendorp of boomhut te bouwen?

Een dagje naar de schaapskooi! Ook dat is een feest voor het hele gezin. Als wij ons de tijd gunnen, en niet op de heenweg ondertussen druk zijn met Facebook of onderweg alweer bezig zijn met de planning van dat wat wij daarna denken te moeten doen! Nu, of binnenkort, zijn er ook allerlei open dagen. Van schaapsscheerdersfeesten tot lammetjesdagen of fruitplukken.   Er zijn altijd wel zelfpluktuinen, moestuintjes en boerderijen te vinden waar je zelf fruit of bloemen mag plukken of oogsten. Heerlijk!

En kunnen wij toch niet zonder die iPad? Organiseer dan eens met je kinderen een interactieve speurtocht. Maar wat je ook doet: kom uit die luie stoel en laat het kind in jezelf los! Speel met jouw (klein)kind; elke dag als het kan!

Samen spelen biedt iedereen voordelen. Door de aandacht over en weer zitten wij allemaal lekkerder in ons vel. En, niet onbelangrijk, door samen te spelen of iets te ondernemen, leren wij zelf ook veel. Bijvoorbeeld wat er in de ander omgaat. Wat hem of haar bezig houdt. Vaak komt er tijdens spel iets naar boven – een anekdote, een pretje of juist een onverwerkte ruzie, angst of verdrietje – zodat jij weet: o, dáár is hij nu mee bezig! Juist tijdens het spelen is er meestal ruimte voor (moeilijke) gesprekken, omdat je elkaar niet hoeft aan te kijken en de afleiding in je handen hebt. Dus ga mee in die achtbaan, doe samen gek op discomuziek en kruip zelf ook over die smalle touwbrug. Misschien moeten wij wat gêne overwinnen, maar daarna is het zó leuk.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

De beste regisseur is (niet) gezien

regisserende overheid.png

  • Jammer genoeg klopt de regie niet altijd

Op dit moment wordt er her en der in het land druk gewerkt aan de totstandkoming van nieuwe colleges van B&W. Een belangrijk onderwerp voor ieder collegeprogramma is het sociaal domein. Daarbij gaat het over de vraag hoe je op de beste wijze het welbevinden van de inwoners kunt ondersteunen. De grote opgave is, om dit vanuit de mensen in plaats van de systemen te bekijken. Te zorgen voor een kloppende regie!

Steeds meer gemeenten krijgen hun basis in het sociaal domein op orde. Tot nu toe lag de nadruk daarbij op ‘in control komen’: de zorgcontinuïteit, het voorkomen van ‘ongelukken’ en de financiën beheren stonden daarbij hoog op het prioriteitenlijstje.

De decentralisaties (2015) hadden echter een hoger ideaal: ondersteuning van de inwoners in een gemeente nabij organiseren. Passend bij de situatie van de inwoner die in een lastige of knelsituatie zit. Met de bedoeling ook om de inwoners individueel en de samenleving als geheel zelfredzamer te maken. Waar weer een andere doelstelling onder lag en ligt: de kosten voor zorg beheersbaar te houden. En daarmee de zorg en ondersteuning duurzaam te borgen.

Nu is het tijd voor de volgende stap: het doorontwikkelen. Daarbij draait het om de hoe-vraag. Hoe gaan we het naar de toekomst toe nou echt doen in het sociaal domein? Lukt dat als wij (lees: gemeenten) blijven acteren zoals we dat al jaren doen, of is er meer voor nodig?

Wat mij opvalt als adviseur van verschillende partijen die daarbij een rol spelen (gemeenten, regiobesturen, instellingen voor onderwijs, welzijn, zorg, inkomen en schuldhulpverlening en participatie) is dat zij allemaal spreken over en van een integrale aanpak, om de opgave vervolgens sectoraal aan te pakken. Dat is niet alleen vreemd, maar ook een doodlopende weg.

Het vraagstuk van doorontwikkeling (transformatie) van het sociaal domein kan niet los gezien en behandeld worden van vraagstukken binnen andere domeinen die eigenlijk om hetzelfde gaan. Op welhaast alle overheidsdomeinen  is er sprake van verschuiving van regie, van overdracht van taken, van meer bestuurlijke afwegingsruimte op lokaal niveau, van inzet op betere kwaliteit door integrale benadering van maatschappelijke vraagstukken, en van andere verhouding tussen overheid en samenleving.

Tussen de decentralisaties in het sociaal domein en de komst van bijvoorbeeld de nieuwe Omgevingswet zijn er vele overeenkomsten als het gaat om de onderliggende beweging en doelstellingen. Toch zie je hiervan in de aanpak te weinig terug. Terwijl tegelijkertijd de grenzen tussen het sociaal domein en bijvoorbeeld het fysiek domein steeds meer vervagen. Wie ziet niet de samenhang tussen ruimtelijke en andere aspecten (waaronder gezondheid en zelfredzaamheid)? Een versnipperde benadering kan (en zal) onbedoelde dan wel ongewenste effecten hebben en het behalen van de eigenlijke doelen in de weg kan staan.

Meer dan ooit moeten gemeenten beseffen dat zij zelf midden in een transitie zit. Het sociaal domein, de Omgevingswet en een ruimer lokaal belastingregime; het zijn allemaal voorbeelden waarbij het lokaal bestuur meer invloed krijgt. Hierdoor kan de overheid sneller inspelen op gedeelde publieke ambities. Dit maakt het mogelijk op lokaal niveau te experimenteren met nieuwe initiatieven, wat ruimte geeft voor innovaties in de samenleving. Denk aan nieuwe vormen van mobiliteit, duurzaamheid en bijvoorbeeld de sociale zekerheid zoals we die kennen.

Deze lokale speelruimte maakt de weg vrij voor overheden om vaker op te trekken met inwoners, het bedrijfsleven, andere overheden en publieke instellingen, zoals scholen en universiteiten. De overheid maakt een verschuiving van zelf uitvoeren naar meer ruimte voor slim organiseren en faciliteren. Als overheden met elkaar en met de samenleving verbonden zijn, kan er doorlopend kennis en informatie worden uitgewisseld.

Juist hier liggen voor de nieuwe colleges van B&W grote uitdagingen en prachtige kansen. Die zij vervolgens ook grandioos kunnen verprutsen. Als zij blijven doen wat ze altijd deden: de portefeuilles verdelen  langs de lijnen van de ‘klassieke’ domeinen (fysiek, sociaal, financieel). De ‘overheid in transitie’ vraagt een integrale benadering van een opgave. De onderhandelaars – en straks de nieuwe colleges – moeten dus niet alleen nadenken over transformeren. Hoewel dat natuurlijk prima en legitiem is. Veel meer echter moeten zij  de integrale aanpak mogelijk maken met een integrale, gemeentelijke visie op samenhang tussen de diverse aspecten (zoals ruimtelijk beleid, gezondheid en zelfredzaamheid).

Het durven leggen van verbindingen is daarbij van groot belang. Daarop moet de nadruk liggen. Niet als doel op zich, maar als voorwaarde om efficiënter te werken, hoogwaardiger dienstverlening te bieden en samenwerking mogelijk te maken. Een verbindende overheid is de sleutel tot succes.

Verbinden is ook: Samen doen en deelnemen. Anders gezegd: verbinden is als overheid participeren in de samenleving. Wat wezenlijk iets anders is dan als overheid de samenleving laten participeren in het beleid. De overheid in een participatiesamenleving is een faciliterende overheid met een ambitieuze en ondernemende agenda die de lijnen uitzet.

Een faciliterend overheid is geen teruggetrokken regisseur die de verantwoordelijkheid bij de inwoners legt. Het is een overheid die de verhalen van haar inwoners ‘vangt’ en vertaalt in een inspirerend verhaal op een hoger schaalniveau, dat ons en onze acties verbindt. Mogelijk maakt ook met passende (in plaats van minder) regels, kaders en sturingsmechanismen. Een participerende en verbindende overheid neemt de regie en zet de lijnen uit. Transitie en transformatie rechtvaardigen en vragen om een sterke en visionaire overheid. Zij moeten de regie durven nemen, maar niet zelf doen wat een ander beter kan. Sturen en beslissen zijn de kerntaken zijn. Uitvoerende werkzaamheden kunnen worden belegd en overgelaten aan bij gespecialiseerde (publieke) organisaties. En ja, dat vraagt transparante integriteit en onafhankelijkheid. Sociaal vaardig en verbindend acteren op basis van de juiste informatie binnen de specifieke context van die gemeente. De lokale samenleving staat immers voorop. De gemeente resp. het gemeentebestuur staat midden in die samenleving. Zij  geeft richting. regelt, overziet en besluit. Het is haar taak om in de samenleving dingen te ontdekken waarvan die niet wist dat hij ze in zich had.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Investeren in de toekomst

graankorrel

  • De mier en de graankorrel

Een graankorrel, die na de oogst op het veld was blijven liggen, wachtte op regen, zodat hij zich kon laten wegzinken in de aarde. Toen kwam er een mier. Ze zag de graankorrel, sjorde hem op haar rug en begon moeizaam de lange weg naar haar nest. De graankorrel drukte op haar kleine, taaie lijf en leek steeds zwaarder te worden.

‘Waarom sjouw je zo? Waarom leg je me niet neer?’ vroeg de graankorrel.

De mier hijgde: ‘Als ik je niet meeneem, hebben we geen eten voor de winter. Wij mieren zijn met zo velen en elk van ons moet zoveel mogelijk voedsel naar de voorraadkamer slepen.’

‘Maar ik ben niet gemaakt om zomaar opgegeten te worden’, zei de graankorrel.

‘Ik ben een zaadje, vol leven. Ik ben er om uit te groeien tot een grote plant. Luister naar me, laten we samen een overeenkomst sluiten.’

De mier was blij dat ze even kon uitrusten. Ze legde de graankorrel neer en vroeg: ‘Wat is een overeenkomst?’ De graankorrel zei: ‘Als je me hier op de akker laat liggen, in plaats van me mee te slepen naar je nest, dan zal ik je honderd graankorrels schenken voor je voorraadkamer.’

De mier dacht na. Honderd korrels in ruil voor één enkele? Maar dat was een wonder!

‘Hoe gebeurt het dan?’ vroeg ze.

‘Dat is een geheim’, antwoordde de graankorrel, ‘dat is het geheim van het leven. Graaf nu een klein kuiltje in de grond, begraaf me daarin en kom dan over een jaar terug.’

Er ging een jaar voorbij. De mier keerde terug. En de graankorrel had woord gehouden.

  • Naar een vertelling van Leonardo da Vinci

Meepraten? Als jij je mond maar houd!

mondje dicht

  • Als je iets anders meent, hou dan je mond maar

Door Peter Paul Doodkorte

“Het overgrote deel van de basisscholen voert nog geen bewust beloningsbeleid; 98,3 procent van de leerkrachten in het basisonderwijs zit nog in de laagste salarisschaal (LA). Dit blijkt uit onderzoek (april 2018) van het Onderwijsblad van de Algemene Onderwijsbond (AOb).” Toen ik dit bericht las, vroeg ik mij af, hoe het eigenlijk met de medezeggenschap binnen het onderwijs geregeld is. Kennelijk is dat niet al te best geregeld. Een goed functionerend medezeggenschapsorgaan immers zou het bestuur of de bestuurder daarop (moeten) aanspreken!

Medezeggenschap. Voormalig minister Asscher (Sociale Zaken en Werkgelegenheid -SZW) schreef in maart 2013 in een brief aan de Tweede kamer zijn visie op de stand van zaken op het gebied van de medezeggenschap. Hij vond dat het vooral OR en bestuurder zelf zijn die in het bedrijf een eigen vorm aan de invulling van medezeggenschap moeten geven. De huidige wetgeving in de Wet op de ondernemingsraden (WOR), zo stelde hij toe, biedt genoeg houvast om dat te kunnen doen. Ik ben dat niet met hem eens.

In Nederland hecht men veel belang aan medezeggenschap binnen organisaties. Werknemers willen kunnen meedenken over de visie en toekomst van het bedrijf. Men wil betrokken worden bij belangrijke beslissingen. Daarom is er in Nederland de wet op ondernemingsraad (WOR). In de WOR is de medezeggenschap wettelijk geregeld. Hier vloeit onder andere de ondernemingsraad uit voort. Medezeggenschap zorgt daarmee voor een effectieve en efficiënte bijdrage aan de kwaliteit en draagvlak voor de besluitvorming.

Het zijn prachtige volzinnen over al even prachtige intenties. En ja, in de ‘etalage-bedrijven’, de grote multinationals en de overheid zelf is dat oer het algemeen ook goed geregeld. Zij moeten ook wel, want zij liggen onder het vergrootglas van de publieke opinie en de media.

Bij heel wat organisaties die wat minder op de voorgrond treden is het met die medezeggenschap minder goed gesteld. Er zijn, ondanks de wettelijke verplichting daartoe, nog heel wat bedrijven die geen ondernemingsraad of werknemersvertegen-woordiging kennen. Zij worden geleidt door autocratische en soms narcistische leiders. Mensen die menen dat er maar één persoon is, die weet wat goed is voor het bedrijf en de medewerkers.

Zo leerde mij ook een contact dat ik deze week had met een onderzoekster. Zij doet – in opdracht van de Bedrijfscommissie voor de marktsectoren (het overheidsorgaan voor toezicht op de medezeggenschap) – mee een Europees onderzoek naar conflictoplossing in ondernemingen, concreet naar bemiddeling tussen een bestuurder en een onderne-mingsraad. Zij onderzoekt de negatieve gevolgen en eventuele kosten van conflicten en hoe deze beperkt kunnen worden, escalatie kan worden voorkomen en conflictpartijen ondersteund kunnen worden bij het constructief omgaan met het conflict en het bereiken van een oplossing.

Het gesprek leerde mij dat in de wet- en regelgeving onvoldoende waarborgen zitten om medezeggenschap ‘van papier af’ te krijgen. Er zijn, zo bleek mij, nog heel veel werkgevers die over medezeggenschap zeggen: “Medezeggenschap? Ik vind het best, zolang ze hun mond maar houden.”  Medewerkers die vervolgens een beroep doen op de WOR of de Ondernemingskamer komen vervolgens in een slangenkuil terecht. Werkgevers die de betrokken medewerkers in een kwaad daglicht stellen of chanteren blijken geen uitzondering. Ze worden daarmee binnen de betreffende onderneming geïsoleerd. Wat weer handig is, omdat de Bedrijfscommissie alleen in actie komt, als de betrokken medewerker kan aantonen dat zijn klacht wordt gedragen door een grotere groep van medewerkers binnen de onderneming. Ook de gang naar het Klokkenluiders-huis blijkt voor deze medewerkers vaak een lijdensweg. Er wordt vanuit het Klokkenlui-dershuis geen of zeer traag contact opgenomen over aangedragen conflicten. Bovendien, zo leert de ervaring, beginnen Bedrijfscommissie en Klokkenluidershuis eerst en vooral met een uitleg aan de betrokken werknemers over de mogelijke risico’s die hij of zij neemt in de relatie met de werkgever. Anders gezegd: het voeren van een procedure wordt eerder afgeraden dan toegejuicht.

Dat laatste bleek mij ook weer in en gesprek dat ik later had met een goede vriend. Hij bevestigde mij het bovenstaande op grond van eigen ervaringen. “Mijn werkgever was beslist niet content met mijn vraag over hoe de medezeggenschap binnen de organisatie was geregeld. Toen ik naar de Bedrijfscommissie stapte, was een conflict al snel geboren. Ik werd uit mijn leidende rol gezet en er ontstonden conflicten over de uitleg van eerder gemaakte afspraken over arbeidsvoorwaarden. Met veel juridisch wapengekletter. Per saldo zag ik – ter bescherming van mijzelf en mijn privésituatie – geen betere optie dan het zoeken van een andere baan.”

“Er valt nog veel te verbeteren in Nederland medezeggenschapsland,” zo vertelde mij de onderzoekster. “Om te beginnen zou het helemaal geen slecht idee zijn om naast de verplichting om jaarlijks het financieel jaarverslag van een onderneming te deponeren bij de Kamer van Koophandel, ondernemers ook te verplichten tot het gelijktijdig indienen van het jaarverslag van de Ondernemingsraad. Uit dat verslag moet dan blijken dat de medezeggenschap is geregeld, de verkiezingen van dat orgaan onafhankelijk en in vrijheid zijn georganiseerd en welke onderwerpen door de ondernemer en het medezeggen-schapsorgaan zijn besproken.”

Volgens mijn gesprekspartner zou een dergelijke wettelijke verplichting de controle op de naleving niet allen een stuk beter maken. Ook zou het kunnen voorkomen dat individuen ‘vermalen’ worden in de molen van juristerij en macht.

Nog even terug naar mijn vriend. Die ik de vraag stelde of het nu beter met hem gaat. Dat kon hij bevestigen. In zijn nieuwe werkomgeving is de medezeggenschap wel geregeld. “Maar,” zo vertrouwde hij mij toe, “trots ben ik niet op mijzelf. Het voelt toch, alsof ik door mijn zwijgen en mijn keuze voor mijn eigen (privé)belang verraad heb gepleegd. Aan mijzelf, zowel als aan mijn collega’s.”

Terwijl ik dit zo opschrijf, dringt zich het wrange besef bij mij op dat ik uiteindelijk misschien wel hetzelfde doe. Ik noem in dit stuk niet de namen van de onderzoekster of mijn vriend. Noch van de betrokken ondernemingen. Om hen en mijzelf van negatieve gevolgen te vrijwaren. Ik mag er het mijne van vinden, maar het is veiliger als ik mijn mond houdt!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

 

’t Is hier een gekkenhuis

gekkenhuis

  • Ggz van binnenuit

’t is hier een gekkenhuis is een onthullend en spraakmakend boek dat door zijn vlotte taalgebruik een plezier is om te lezen. Het boek doet recht aan de psychiatrische patiënt en zijn hulpverlener, maar helaas in mindere mate aan het worstelende zorgsysteem waarin zij zich momenteel bevinden.

Zoals ogenschijnlijk iedere tien jaar ligt er in de ggz een nieuwe zorgvisie op tafel. Het nieuwe devies luidt ‘ambulant is leidend’ en ‘herstellen doe je thuis’: verblijf in een psychiatrische instelling maakt de patiënt passief en afhankelijk, wat hospitalisatie in de hand werkt. In de laatste twee eeuwen kende de ggz meerdere gezichten. Aan het einde van de 19de eeuw was afzondering nog de enige oplossing denkbaar voor de ‘krankzinnigen’. Halverwege de 20ste eeuw ontstond met de antipsychiatrie een tegenbeweging die veel belang hechtte aan participatie van psychiatrische patiënten in de samenleving. Totdat enkele tientallen jaren later bleek dat deze beweging juist verwaarlozing van patiënten in de hand werkte. Hoewel het sociale aspect van de behandeling belangrijk bleef, kreeg de psychiatrie daarna een meer biologische benadering. Met de intrede van de Wet Bopz in 1994 kwam meer aandacht voor de inzet van drang en dwang in de ggz, met name het mogelijke misbruik daarvan. Een focus die sindsdien alleen maar sterker is geworden. Met de kennis van nu, die het ontstaan van traumatisering ten gevolge van dwangmaatregelen benadrukt, wordt zelfs getracht om maatregelen als separatie in zijn geheel uit te bannen.

In ’t is hier een gekkenhuis – De ommezwaai in de geestelijke gezondheidszorg combineren Koos Neuvel en Caroline de Pater deze historische feiten met ervaringen van nu. Twee jaar lang dompelden zij zich onder in een (anonieme) ggz-instelling, waar zij spraken met patiënten en hulpverleners. Zij wilden naar eigen zeggen stemmen horen, om aan de meerstemmigheid van de werkelijkheid recht te doen. Een werkelijkheid die beddenreductie en sluiting van (met name chronische) afdelingen heet. Hoe gaan patiënten om met de boodschap dat zij na tientallen jaren in de instelling opeens zelfstandig moeten gaan wonen? En hoever is de beoogde vermaatschappelijking van de zorg, in onze zogeheten participatiesamenleving? Volgens patiënten toont de werkelijkheid voornamelijk maatschappelijke taboes en eenzaamheid. Hulpverleners – wier rol is verlegd van ‘allesbepalers’ naar slechts ‘facilitators’ – concluderen dat een versterking van de ambulante voorzieningen de snelle afbouw van de klinische zorg vooralsnog niet kan bijbenen. Samen komen zij tot de belangrijke slotsom dat er geen sterker medicijn bestaat dan een goede behandelrelatie, met aandacht en oprechte interesse.

  • ’t is hier een gekkenhuis – De ommezwaai in de geestelijke gezondheidszorg, Koos Neuvel & Caroline de Pater, Podium, 288 blz., 22,50 euro.

 

Buitengewoon passend!

 maatwerk.png

  • Middelmaat: wat je in confectie krijgen kan

“Maak “passende jeugdhulp” en zorgvernieuwing concreet. Er ontbreekt nu veelal een duidelijk en gedeeld beeld over de gewenste veranderingen en de kwaliteitseisen waaraan (specialistische) passende hulp moet voldoen.” Die uitdaging van de Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ) houdt mij momenteel bezig.

“Passende hulp” is, net als ‘transformatie’ en ‘zorgvernieuwing’ binnen het sociaal domein een veelgebruikte container. Iedereen, mijzelf incluis, heeft het er over. Maar wat er in die container zit, of zou moeten zitten, dat weten wij eigenlijk niet. Dat bevestigt ook de vierde  jaarrapportage van de met als titel “Tussen droom en daad, op weg naar een volwassen jeugdstelsel” (maart 2018). Eerlijkheidshalve kwam dat spiegeltje ook bij mij wel even aan.

Ook ik heb het vaak over ondersteuning op tijd en op maat. Over passende hulp. Zonder het verder uit te werken. Het operationaliseren daarvan is, ook nu ik een aantal dagen verder ben, nog zo eenvoudig niet. Het is en blijft een interessante uitdaging die de TAJ op tafel legt. Het erover nadenken leert echter ook, dat juist ook in het concretiseren een gevaar schuilt. Voor je het weet verwordt passende zorg tot een ‘product’ dat wij voor een ons passende prijs inkopen; nog voor wij de mensen, voor wie het product bestemd is, kennen. Met als resultaat dat er van het ene ‘product’ veel te veel en van het andere ‘product’ veel te weinig voorradig is. Voor je het weet is passende hulp dan toch weer de confectiezorg die ons – en de beoogde maatschappelijke beweging – juist niet past.

Passende zorg (ondersteuning, hulp) is voor mij zorg die aansluit op de krachten en mogelijkheden van de mensen. Waarbij het eerst en vooral draait om aandacht geven aan diens uitdaging of opgave. Niet meteen gericht op bijspringen of overnemen, maar luister naar het verhaal. Wellicht ter bevestiging. Misschien ook met af en toe een tip of handreiking. Pas als dat niet voldoende is, volgt het bijspringen. Het samen met de persoon in kwestie ‘aanpakken’ van het probleem. Niet het probleem staat daarbij centraal, maar de mens. Met eerst en vooral zijn mogelijkheden, talenten en eigen oplossingen. Om zo ook te komen tot de juiste aanpak voor hem of haar.  Waarbij de beslissingen samen genomen worden. Tenzij de ander dat niet kan of wil. Waar het om gaat, is dat mensen met hun hulpbehoefte verder geholpen worden, zo veel mogelijk thuis, zo veel mogelijk in de wijk, met zo min mogelijk verlies van sociale  en maatschappelijke rollen.

Passende hulp is ook niet alleen gericht op ‘doen’. Niet alles wat kan, hoeft. Ook iets ‘laten’ kan passende zorg zijn en bijdragen aan het aanvaarden van problemen. Zo bezien is passende hulp altijd maatwerk. De talenten en kwaliteiten van ieder mens immers zijn even uniek als verschillend. Zeker als je daarbij ook zijn of haar omgeving betrekt.

Passende hulp is daarmee – anders dan wij met onze inkoop en contractering vaak bewerkstelligen – geen (zorg-) confectie.  Het is en vraagt maatwerk. Is ook niet gericht op productie, maar op passendheid. Dat wil zeggen: bij de persoon in kwestie – in zijn of haar situatie, met de daaraan verbonden mogelijkheden en beperkingen – passend.

Omdat zij rekening moet houden met de kenmerken van het individu, met verschillende groepen en met de na te streven veranderingen in de zorg- en hulpverlening. Natuurlijk kan daarbij gebruik gemaakt worden van actuele kennis over wat werkt in specifieke situaties. Maar het blijft per saldo maatwerk.

Bij passende hulp staat de mens centraal. Samen met de hulpverlener stelt hij of zij vast wat hij of zij zelf kan en wil doen. Gevoed door de interactie met de hulpverlener. Passende hulp veronderstelt ook het door de betreffende persoon en de hulpverlener beschikken over probleemspecifieke kennis en vaardigheden. Het vraagt vertrouwen in het eigen kunnen en een vermogen tot zelfontplooiing. Weten dus wat het probleem inhoudt, wat de consequenties zijn, wat er nog wel of niet meer kan, en waar we het juiste antwoord kunnen vinden of krijgen.

Zo beschouwd vraagt passende hulp ook een passende attitude van ons hulpverleners. Waarbij wij de natuurlijke neiging tot ‘doen’ (overnemen) moeten onderdrukken. Passende ondersteuning heeft zelfmanagement voor de persoon in kwestie hoog in het vaandel. Beschikbare kennis wordt juist daarom ook aan hem of haar overgedragen. Het vraagt van ons om onze coachende vaardigheden in te zetten, en – als dat aangewezen is – de kortste weg naar bij die situatie passende ondersteuning of voorzieningen te wijzen. Passende hulp participeert en anticipeert dus! Met het oogmerk om zichzelf, mits dat kan en verantwoord is – uiteindelijk overbodig te maken.

Passende hulp, zo denk ik te moeten menen, vraagt dus ook om passende financiering. Bekostiging op basis van passendheid van de oplossing. En omdat die oplossing telkens weer net even anders kan (en moet!) zijn, vraagt dit van de financiers om meer met budgettaire kaders (dit is het vierkant) dan met producten (dit mag/moet de oplossing zijn) te werken. En ja, dat vraagt vertrouwen. In de mensen voor en de mensen met wie wij werken.  Vanuit de overtuiging ook dat mensen in problemen – uitzonderingen daargelaten – per saldo voor zichzelf nooit meer vragen dan wat strikt noodzakelijk is. Tenzij het door het gewenste maatwerk alleen als vooraf bepaalde zorgconfectie bepaald is.

Of ik met dit alles een passend antwoord heb gevonden? Ik waag dat te betwijfelen. Om tot een optimaal antwoord te komen en de juiste keuzes te maken vraagt passende hulp om gedeelde besluitvorming. Besluitvorming die expliciet rekening houdt met ieders omstandigheden en voorkeuren. Ik houd mij daarom aanbevolen voor passende adviezen!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.