Als het doek valt

dementie

  • Zonder publiek

In Zonder publiek, de debuutroman van Marjolein Beumer, staat actrice Catherina Pecheur zowel op het toneel als daarbuiten graag in de schijnwerpers. Haar carrière en eigenzinnige persoonlijkheid gaan ten koste van de relatie met haar dochter Laura. Catherina is ‘nooit een moedermoeder geweest, meer een sprookjesfiguur. Een feeërieke verschijning waaraan alles ruiste en rinkelde (…), betoverend maar onbereikbaar’.

De moeilijke relatie neemt een nieuwe wending als Catherina beginnende alzheimer krijgt en het iedere ochtend is ‘alsof de nacht meer gaten in haar bewustzijn heeft geslagen’. Ze haalt de banden met de labiele Laura aan, net op een moment dat Laura’s eigen dochter de banden met haar ouders verbreekt. Laura is ‘als een puzzel die uit elkaar gevallen is en het lukt maar niet om de stukjes weer aan elkaar te leggen’. Datzelfde geldt ergens ook voor Catherina, oud worden is ‘de lastigste rol die ze ooit heeft gespeeld’.

In hoofdstukken die afwisselend vanuit Catherina en Laura geschreven zijn, schetst de auteur hoe de alzheimer hun leven in sluipt, oud zeer bovenhaalt, maar de familie ook dichter bij elkaar brengt. Op geslaagde wijze zet Beumer haar personages neer: de dementerende Catherina schittert op papier, terwijl de kwetsbaarheid van Laura van de pagina’s spat.

Zonder publiek.indd

  • Zonder publiek, Marjolein Beumer, Meulenhoff, 288 blz., 19,99 euro.

Wij moeten ons schamen

daklozen

  • Daklozen en engelen leven onzichtbaar naast elkaar

Maak eens een wandeling door de stad (in de buurt waar u woont) en geef uw ogen eens goed de kost. U zult dan met eigen ogen kunnen zien dakloosheid nog steeds een heel reëel probleem is. De Nederlandse regering heeft het ook gezien. Zij komt, zoals vaker het geval, met een holle belofte en nietszeggende oplossing. Wij moeten ons schamen voor het gebrek aan daadkracht.

Bij een dakloze denken wij al gauw aan bankslapers in het park of op straat. Onder de brugslapers, enzovoort. Mensen in ieder geval die zonder dak boven het hoofd met een ernstige en complexe zorgvraag of verslaving zitten. Dat is echter maar een deel van de groep. Er is een groeiende groep dak- en thuislozen, waar verder geen onderliggende zorgproblematiek speelt. Het gaat dan om mensen die door een levensgebeurtenis als een scheiding of verlies van een baan dakloos zijn geworden. De dakloze van nu kan je collega zijn, je broer of jijzelf. Het kan iedereen overkomen.

De laatste groep staat te boek als zelfredzame of ­economische daklozen, omdat zij geen zorg nodig hebben. Daardoor vallen zij niet onder bestaande regelingen en zijn zij op zichzelf ­aangewezen. Maar als we niets doen, komen ook deze mensen van de regen in de drup. Zonder dak boven het hoofd verslechtert de zelfredzaamheid en is het een kwestie van tijd voordat iemand alsnog zorg nodig heeft. Als maatschappij hebben we dan een nóg groter probleem en dat moeten we zien te voorkomen.

Ondertussen slapen deze mensen op straat of hoppen zij van slaapbank naar logeermatras, tot hun netwerk zo uitgeput is dat er geen deur meer voor hen opengaat. We kunnen er niet omheen. We moeten met een andere aanpak komen. Dak- en thuisloosheid is geen persoonlijk falen, maar een falen van onze woningmarkt. Die vraagt om een nieuwe aanpak.

Iedereen heeft recht op een dak boven zijn hoofd. De realiteit echter is dat in Nederland een groeiend aantal mensen op straat of op de bank bij bekenden slaapt. Het CBS publiceerde onlangs dat het aantal daklozen in 10 jaar tijd meer dan verdubbeld is.

Het Kabinet wil ook werken aan het terugdringen van dakloosheid. Hoewel dat een goede zaak is, is de gekozen aanpak er een van vooruitschuiven. Het kabinet heeft – daadkrachtig als het is – alle centrumgemeenten gevraagd in kaart te brengen wat op regionaal niveau de opgave is. Op basis van de door gemeenten aangeleverde informatie komt het kabinet, in gesprek met gemeenten, woningcorporaties, zorgaanbieders en cliëntenorganisaties, dit voorjaar tot een overkoepelend plan voor de aanpak van dakloosheid. Het klinkt mooi, maar is een farce. Al overleg oeverloos zal veel tijd kosten. Tellen wij daarbij op alle procedures die doorlopen moeten worden als er eenmaal concrete plannen zijn, dan zijn wij al gauw zo’n vijf tot tien jaar – en dus twee of meer kabinetten – verder. Overigens is de opgave al lang bekend!

Naar verwachting zijn er in 2030 18 miljoen inwoners in Nederland. Dit betekent dat er 900.000 huishoudens bij zullen komen ten opzichte van vandaag. En dat er hiervoor tussen de 80.000 en 85.000 nieuwe (klimaatneutrale) woningen per jaar zullen moeten worden gebouwd. Deze opgave staat niet los van de andere opgaven, zoals de klimaatopgave of mobiliteit die tegelijkertijd ruimtelijk moeten worden ingepast. Ik verwacht dan ook niet dat de dak- en thuislozen in Nederland staan te juichen,

De aanpak van het Rijk is, met de vertraging die in het bouwtempo is opgetreden als gevolg van de klimaatdiscussie, een wassen neus. De forse toename van het aantal dak- en thuislozen in de afgelopen paar jaar laat zien dat er meer daadkracht nodig is dan ‘het in kaart brengen van de opgave’.

We moeten dak- en thuislozen het liefst direct, maar in ieder geval zo snel mogelijk, weer aan een passende woonruimte helpen. Zodat zij daar, met de benodigde begeleiding, weer een zelfstandig bestaan kunnen opbouwen. Wachten tot wij het klimaat weer op orde en onder controle hebben is daarvoor geen optie. Als het doel inderdaad is dat niemand op straat hoeft te slapen of langer dan drie maanden in de opvang hoeft te verblijven, zijn andere en sneller te realiseren oplossingen nodig.

Onder de Pannen en Kamers met Aandacht bijvoorbeeld, waarbij particulieren mentorschap en onderdak bieden aan dak- en thuislozen. Of intensivering van succesvolle initiatieven zoals het Jongeren Perspectief Fonds en het project Skills in de Stad van het Rijksvastgoedbedrijf. Ook flexwoningen bijvoorbeeld of tiny houses bieden goede mogelijkheden. Zij kunnen een stimulans zijn voor innovatie in de bouw.

Vorig jaar werden er drieduizend flexwoningen gebouwd. Dit jaar komen er ongeveer evenveel bij. Het gaat meestal om woningen van bescheiden omvang die zowel via transformatie als door nieuwbouw kunnen worden gerealiseerd. Om daarmee vaart te maken moeten wij het lef hebben om overbodige bedrijventerreinen, leegstaande kantoorgebouwen en toekomstige bouwlocaties sneller inrichten voor flexwoningen. Door kortere juridische procedures en de bouw van deze woningen in de fabriek, kan de woningvoorraad relatief snel worden uitgebreid. Daarmee kan de toegankelijkheid van de woningmarkt ook voor dak- en thuislozen op korte termijn worden vergroot.

Flexwonen biedt bovendien niet alleen de mogelijkheid om op korte termijn te voorzien in de woningvraag van (onder andere) dak- en thuislozen. Het kan op de langere termijn ook bijdragen aan de snel veranderende woningbehoefte van alle inwoners van ons land. De mogelijkheid om (delen van) de woningen te demonteren, te verplaatsen en/of te hergebruiken, bevordert ook de circulariteit in de bouw.

Het is belangrijk dat komende winter niemand op straat komt te staan. Dat vindt de politiek, dat vinden de media en dat vinden mensen als u en ik (hoop ik). Laten wij dit dan ook mogelijk maken. Om die ambitie voor élke dakloze te realiseren, moeten we die benaderen vanuit de woningbouw en beginnen bij het knelpunt: het structurele tekort aan woningen. Wij kunnen daarbij leren van anderen. De Finnen bijvoorbeeld. Zij hebben gekozen voor een rigoureuze aanpak. Vrijwel alle opvangplekken zijn omgevormd tot woningen. Dat is niet een-op-een te kopiëren naar Nederland, maar de gedachte is interessant.

Wij kunnen ook besluiten om mensen niet financieel te korten als zij iemand tijdelijk onderkomen bieden in hun huis. Laten we de kostendelersnorm buiten beschouwing laten en een bankslapersregeling invoeren.

Wat wij zeker niet moeten doen is wegkijken. Naarmate het weer kouder wordt deze winter, wordt leven op straat steeds gevaarlijker en is de noodzaak om mensen op straat te beschermen duidelijk. Om echt iets te bereiken, moeten wij alleemaal aan de bak. De eerste manier is eenvoudig: Een warme groet, een paar simpele praatjes of gewoon een persoonlijke vraag stellen. Het kan een enorm verschil maken voor iemands dag. En wie weet doorbreken wij zo het onzichtbaar naast elkaar wonen van de dak- en thuislozen en de engelen.

Dus, de volgende keer dat je een dakloze op straat passeert, probeer je dan eens voor te stellen wat er echt mis is gegaan en waarom ze daar terecht zijn gekomen. Al deze mensen afwijzen als mislukkingen, uitvallers en drugsverslaafden is goedkoop en misplaatst. Het is tijd om na te denken over de echte redenen voor dakloosheid en naar de individuele verhalen van deze mensen te kijken en te luisteren.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Samen Parkinson

samen

  • Samen

Samen is een ontroerende documentaire over Parkinson. Filmmaker Carmen Cobos en filmproducent Kees Rininks, die zelf getroffen is door Parkinson, kijken hoe anderen deze ziekte beleven.

Hoe zou je reageren als je te horen krijgt dat je ongeneeslijk ziek bent? Als de echtgenoot van filmmaker Carmen Cobos gediagnosticeerd wordt met de ziekte van Parkinson, stort hun wereld in. Na maanden van verdriet, woede en ontkenning proberen zij nu de balans in hun leven terug te vinden.

In de documentaire Samen volgen Carmen en haar echtgenoot, filmproducent Kees Rijninks, een jaar lang een groep mensen die getroffen is door de vreselijke ziekte van Parkinson. Ze gaan in gesprek met patiënten, hun partners en hun neuroloog. Carmen en Kees gaan samen op zoek naar het antwoord op dé vraag: hoe ga je om met de wetenschap dat je langzaam zult wegkwijnen en dat je nooit meer beter zult worden?

Oorspronkelijk komt Carmen Cobos uit Zuid Spanje, waar ze werkzaam was in de zorg. Nadat ze naar Engeland was verhuisd vond ze een baan als researcher bij de BBC. Hier vond ze haar passie voor documentaires. Inmiddels woont ze met haar Nederlandse man, schrijver en producent Kees Rijninks, in Amsterdam en runt ze het succesvolle productiebedrijf Cobos Films.

Denk de droom mee!

levi.png

  • Vertel mij wat u nodig heeft

Volg je dromen, je doel, je gevoel, je idealen

En staar je niet blind op dat wat niet lijkt te kunnen

Want het leven is meer, haal er uit wat erin zit

Het zijn woorden die mijn vader mij meegaf toen ik – tegen zijn zin in – toch de school voortijdig verliet om mijn eigen weg te gaan. Het zijn dezelfde woorden die maken dat ik de overtuiging heb dat wij mensen kunnen ondersteunen bij het waarmaken van hun droom. Door ons niet blind te staren op dat wat niet lijkt te kunnen. Door aan te sluiten op de ambities en talenten van mensen. Dat zijn de dingen die hen energie geven en betekenen laten. Daarom ook geef ik mensen graag naam en gezicht. Want mensen helpen mensen. Dat doen systemen niet. Toen ik destijds begon als ober bij Van der Valk, en later broodventer werd in Nijmegen, kon ik niet bevroeden dat ik later nog eens directeur zou worden, wethouder, bestuurder, docent en sectorexpert. Het zijn zaken die op mijn pad kwamen. Mede dankzij de mensen om mij heen. Mensen die niet keken naar mijn opleiding of theoretische kennis, maar mensen die geloofden in mijn overtuigingen en talenten. Het zijn die mensen die mij doen vasthouden aan creativiteit en mijn pad leidden naar de plek en positie die ik nu heb. Nu mag ik zelf dagelijks bezig zijn met creativiteit, in de vorm van het vinden van het juiste ‘kontje’ om mensen te laten meedoen en meetellen in onze samenleving.  In een omgeving die maakt dat ik soms tegen de stroom in zwemmen moet, maar vaak ook mijn creativiteit stimuleert en met wie ik tot het juiste idee kan komen.

De maatschappij die zegt dat alle mensen meetellen en mee (moeten) doen, zit tegelijkertijd niet op hen te wachten. Sterker nog, ze drijft mensen die dat niet (kunnen) doen tot wanhoop. Door in plaats van naast deze mensen te gaan staan vooral te denken in belemmeringen en knelpunten. Toch zouden wij veel van deze mensen kunnen helpen. Dor het delen, uitwisselen en tot bloei laten komen van – soms verborgen – talenten. Een aanpak die wel werkt en anderen inspireert is deze mensen te helpen hun droom te realiseren en hen te koppelen aan werkgevers die zich daadwerkelijk voor talent interesseren. Mensen als Levi bijvoorbeeld aan wie ik beloofd heb om samen met hem op zoek te gaan naar een passende baan.

Levi heeft (al jarenlang) de ambitie om zo snel mogelijk aan het werk te komen. Hij heeft de laatste jaren (sinds 2005) veelvuldig gesolliciteerd met slechts afwíjzingen tot gevolg. Toch heeft hij het werkniveau om zich in een door hem geambieerde functie te handhaven. Probleem is echter het ontbreken van structurele werkervaring en de schriftelijke beheersing van de Nederlandse taal. Desondanks is en blijft Levi zeer gemotiveerd om aan het werk te gaan. Het heeft zijn voorkeur om aan het werk te gaan in de sector van de voedsel- en agrarische kwaliteit.

Levi is een 64 jaríge man met de Nederlandse en Israëlische nationaliteit. Hij is getrouwd en woont samen met zijn partner in de gemeente. Levi is sinds 1982 in Nederland. Sinds eind 2008 ontvangt de familie een WWB-uitkering, hiervoor hadden Levi en zijn partner inkomsten uit loonarbeid. Meest recentelijk bestaan de inkomsten uit een WW-uitkering van de partner van Levi. in het land van herkomst (Israël) heeft Levi zijn middelbare schoolopleiding afgerond, op vergelijkbaar vwo-niveau. Aansluitend heeft hij een agrarische studie succesvol doorlopen aan de universiteit van Jeruzalem. In Nederland is Levi gestart met een studie aan de faculteit Diergeneeskunde aan de universiteit van Utrecht. In 2005 heeft cliënt hierin zijn doctoraal behaald. Na zijn studie diergeneeskunde ontdekte hij zijn interesse naar voedselveiligheid.

Levi spreekt en schrijft goed tot redelijk goed Nederlands. In het najaar van 2008 heeft Levi een opleiding Nederlandse taal voor hoogopgeleiden gevolgd en afgerond. Daarnaast beheerst Levi matig Engels in uitspraak en geschrift. De moedertaal (Hebreeuws) beheerst hij uitstekend.

De werkervaring van Levi is in te delen in werkervaring opgedaan in Israël. Daar werkte hij zo’n vijf 5 jaar op een melkveebedrijf. Hier had hij in 1ste instantie de functie van afdelingshoofd, later is hij hier bedrijfsleider geworden. In Nederland is zijn werkervaring beperkt gebleven tot een dienstverband van een aantal maanden. Eind 2005/begin 2006 was hij als keurmeester van vlees werkzaam bij de Voedsel & Warenautoriteit. Dit betrof een tijdelijk dienstverband.

Mijn belofte aan Levi en het waarmaken van zijn droom kan alleen slagen als iedereen in mijn netwerk de krachten bundelt en zich hiervoor inzet. Ik vraag u als lezer dus mij te helpen Levi te helpen. Mijn vraag is simpel: welke werkgever binnen de sector van de voedsel- en agrarische kwaliteit wil Levi zijn droom helpen te verwezenlijken. Wie wil hem een baan bieden. Levi stelt zijn ambitie en talent beschikbaar. Ikzelf sta paraat om eventuele belemmeringen en bedenkingen weg te nemen. Vertel mij wat ú nodig heeft om dat mogelijk te maken. Oké, het vraagt misschien wat creativiteit of coaching. Er kan echter meer dan u denkt.  heel veel banen wel! Meer dan u denkt.

Wie met een goed idee heeft om Levi aan werk te helpen of mee te laten doen kan bij mij terecht. Gezamenlijk kunnen wij vast een goed arrangement met en voor Levi creëren.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Gewone huizen, in een gewone wijk

browndale.png

  • Kind uit huis niet altijd beter af

De minister wil de jeugdzorg verbeteren door de organisatie daarvan te versterken. Als die organisatie met de plannen van de minister kan worden versterkt, is dat positief te noemen. Het is echter de vraag de focus niet eerder zou moeten liggen op dat wat kinderen echt nodig hebben. Ondersteuning in een vorm die zo dicht mogelijk bij het normale gezinsmodel aansluit bijvoorbeeld. Het verhaal van Hans en Marcel, maar ook de verhalen van de andere kinderen die destijds bij mij woonden en met wie ik nog regelmatig contact heb (Michel, Herman) sterken mij in die overtuiging. Juist daarom ook pleit ik ervoor dat gemeenten daadwerkelijk in de positie zijn en blijven om jeugdhulp uit te voeren. Met voor de kinderen die gedurende korte of langere tijd niet thuis kunnen wonen een thuis in de buurt. In de vorm van buurt- en in- of meeloopgezinnen, gezinshuizen of pleeggezinnen.

Meer dan veertig jaar geleden is het bijna dat een aantal jeugdhulpverleners ervoor pleitte om gewone inrichtingen af te schaffen en zeer moeilijk opvoedbare kinderen op te nemen in “gewone huizen in gewone wijken”. Dat gaf toen (onverwachte) impuls aan vernieuwing van de jeugdhulp. Ik mocht in die beginjaren een van die hulpverleners zijn.

Inmiddels is er niets meer van die (Browndale) werkwijze over. Als gevolg van de invoering van een CAO, een werktijdenbesluit en tal van andere bureaucratische regeltjes. Waardoor deze vorm van jeugdhulp onbetaalbaar werd. Toen ik als jochie van 19 die kans kreeg voelde ik mij de hemel te rijk. Ons werk, destijds gestart onder verantwoordelijkheid van de Gunning Browndale Stichting in Rotterdam, werd betaald door de Gemeentelijke Sociale Dienst Rotterdam. Zij betaalden de plaatsingen en niet snel daarna volgde ook Justitie. Ik was – als voortijdig schoolverlater – tot dan toe een broodventer (Bakker Kouwenberg, Nijmegen) en ober (Van der Valk, Molenhoek) geweest. Pas jaren later (1980) studeerde ik af aan de Sociale Academie te Rotterdam. Vandaag de dag kan dat allemaal niet meer. Enthousiasme is leuk, maar zonder vakkennis kinderen met behoorlijke rafelrandjes weer op de rails krijgen? Dat kan nu (toch) niet. Of toch wel?

Afgelopen week ontving ik van Hans (11), een van de jongens die – samen met zijn broertje Marcel (9) – in 1976 bij mij in huis woonden, een berichtje via Messenger. Het bericht deed mij en mijn overtuiging groeien.

“Goedemorgen Peter Paul, ben jij vergeten hoe je mij toen vasthield? Om mij rustig te houden? Ik weet nog dat we naar jouw ouders gingen en dat we daar brood met appelmoes aten. Dat was leuk. En weet je nog, dat ik ’s ochtends aan de ontbijttafel altijd moest kiezen? ‘Pap’ of ‘brood’. Herinneren, herinneren, herinneren! Dat jij mee ging naar de tandarts en naar de voetbalvereniging (Xerxes, Rotterdam) en naar school. Of die moorkoppen, waarvan ik zei dat ik er wel tien achter elkaar kon opeten. Wat niet lukte natuurlijk! Of de hond die we hadden, Wodan. Ik ben nu 54 jaar, maar ik ben dat allemaal niet vergeten. Ik vond het zo lief dat er iemand was er voor mij. Het ga je goed ouwe vriend van vroeger. Groetjes, Hans.”

PS.

“Ook met Marcel gaat het goed en ook hij herinnert zich jou en de Kerst die wij samen vierden. Dat vond hij zo leuk en er is veel meer om leuk op terug kijken. Groetjes aan je vrouw. Ik ga nu eten, spreek je gauw.”

“Kinderen, die in tehuizen verblijven, krijgen niet wat ze nodig hebben en wat de gemeenschap hun is verschuldigd”, was een conclusie uit het toen (1974) verschenen Zwartboek Kinderbescherming. Deze conclusie vertolkte de gevoelens van “driehonderd mensen die dagelijks met kinderen in tehuizen werken “. Het was één van de redenen, waarom wij toentertijd iets anders wilden weergeven. Zo ontstond Browndale, waar wij op eigen wijze zochten naar antwoorden op bovengenoemde problematiek.

Redenen voor opname waren schoolmoeilijkheden, agressief gedrag, delinquentie, ‘promiscuïteit, zwerven, brandstichten, suïcidaal gedrag en zo meer. Naast een aantal door instanties als psychotisch en autistisch gediagnostiseerde kinderen waren het vooral kinderen, die vanaf hun prille jeugd ernstig emotioneel of pedagogisch verwaarloosd waren. Vaak kinderen, die van het ene pleeggezin of inrichting naar het andere zijn gegaan en voor wie Browndale, een “eindstation” betekende. Soms namen wij kinderen op voor een korte observatieperiode van ongeveer tien dagen. Er was een open intake en geen wachtperiode. In de korte tijd heeft dit in die jaren geleid tot opname van meer dan 300 kinderen in ongeveer 50 huizen.

De organisatie waarvoor ik destijds werkte (Gunning-Browndale Stichting, later Stichting Kleinschalige Hulpverlening aan Jongeren (SKHJ) huurde of kocht eengezinswoningen in een wijk van een stad. In een woning worden 5 of 6 jongens en meisjes van verschillende leeftijden geplaatst. Per wijk zijn niet meer dan 6 van dergelijke huizen; niet naast elkaar, maar verspreid over de wijk. De staf in het huis bestond uit drie tot vier jonge groepsleiders en groepsleidsters. Met deze opzet wilden wij het kind, dat door zijn gedrag uit de gemeenschap is gestoten, het gevoel geven dat het t6ch tot een gezin woont; een “gezin”, waar ouderfiguren voor hem zorgen. Bovendien woonde het kind in een huis dat niet verschilt van dat van de andere gezinnen in de buurt. Het voorkwam de discriminatie, “een kind uit een inrichting” te zijn. Ieder therapeutisch “gezin” ontving zijn eigen inkomen (huishoudgeld), afgestemd op dat van het gemiddelde gezin. Zo beslisten wij zelf wat er aan meubilair moest komen, of er een televisie of een auto nodig was, enzovoorts. Wij, als “ouders”, deden inkopen voor de maaltijden en betrokken de kinderen hierin. De kinderen ontwikkelen op deze manier begrip voor geld en verantwoordelijkheid voor wat er in hun huis kwam of kapot ging.

Ieder gezin bepaalde ook waar het de vakantie zou doorbrengen. Zo maakten wij bijvoorbeeld mee, dat wij met een volkswagenbusje door Engeland trokken Het bleek mogelijk te zijn, voor deze toch ernstig gestoorde kinderen, dusdanige voorzieningen te treffen (onder andere voldoende leiding), dat dit alles kon. Het meemaken van een dergelijke onderneming betekende voor de kinderen een verhoging van hun gevoel van eigenwaarde.

Dit alles was financieel mogelijk doordat men geen hoge kosten heeft voor het onderhoud van grote gebouwen en te veel hulpverleners. Wij woonden vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week bij en met de kinderen die bij ons verbleven. Het tegenwoordige werktijdenbesluit maakt dat daarvoor vandaag al gauw zes tot negen hulpverleners nodig zijn. Waarmee deze vorm van jeugdhulp niet alleen ‘werk’ is geworden, maar ook onbetaalbaar. De “verpleegprijs” voor ‘onze’ kinderen was fors lager dan wat de reguliere jeugdhulp toentertijd al kostte. De open intake was mogelijk, omdat steeds eengezinswoningen werden aangekocht, wanneer er in andere huizen geen plaats meer was.

De buurtkinderen bleken namelijk eveneens graag bij ons over de vloer te komen. Wij hadden tijd en aandacht voor hen en vonden niet alle fantasieën en emoties gek. Kinderen uit de buurt deelnamen aan allerlei vormen van sport en vrije tijd die wij organiseerden. Zo hadden wij onbedoeld, maar zeer gewenst, ook een betekenis voor de kinderen buiten ons gezin.

Een   kind kan alleen emotioneel groeien als er een hechte en veilige relatie is met een ouderfiguur, die — vooral als het kind emotioneel jong is — op alle momenten aanwezig is, dat dit nodig mocht zijn. Dat was en is nog altijd zo. Onze opgave was tot een wezenlijke relatie met het kind te komen, zodat er een gevoel ontstond van “bij elkaar te horen” en zodat het kind voelt dat het gewenst is en geaccepteerd wordt zoals het is. Alles kan dan belangrijk zijn: opstaan, eten, spelen, niets doen, zich terugtrekken, slapen. De wijze waarop deze ouderlijke zorg wordt gegeven bepaalt de therapeutische werking ervan.

Bovenstaande is vandaag helaas relevanter dan ooit. Kinderen die weken, zo niet maanden, moeten wachten voordat ze de hulp krijgen die ze nodig hebben. Als ze die al krijgen. Ouders die verloren raken in het systeem. Kortom, jeugdzorg en jeugdbescherming in Nederland staan in brand. Een brand die de verantwoordelijk minister wil blussen met een structuurverandering. Hij rent – het spoor volledig bijster – als een olifant door de porseleinkast.

Ik heb tientallen jaren ervaring in en met de jeugdzorg. Eerst dus bij Browndale, later bij een project voor begeleid wonen (kamer-training), dagopvang voor niet schoolgaande jeugd en daarna als directeur, bestuurder, wethouder en adviseur binnen het sociaal domein. In al die jaren hebben de ouders en kinderen waarmee ik mocht optrekken mij steeds één ding geleerd: ouders en kinderen willen er samen goed uitkomen. Alleen lukte dat niet altijd. Soms moet je constateren dat bij elkaar blijven wonen geen optie is. Niet, omdat ze niet willen, maar omdat het niet kan. Maar de ouders blijven wel ouders. En de kinderen zijn hun kinderen. Zoals de kinderen hun ouders, wat ze ook deden of doen, als hun ouders (willen) blijven zien. Juist daarom vind ik dat wij er alles aan moeten doen om kinderen een thuis te bieden.

Het gaat om liefde, warmte en respect leerde ook een rondgang van oud-kinderrechter Leeser langs kinderen met wie zij te maken had. Zij maakte voor het boek ‘Een moeilijke jeugd’ (2008, met Loes de Fauwe) een tocht langs volwassenen die als kind voor haar in de rechtszaal verschenen. Met de één gaat het nu heel goed, de ander blijft levenslang tobben. In de succesverhalen figureert vaak een liefhebbende pleegouder of zeer betrokken voogd. Zo zit het volgens Leeser: weet een kind zich met genegenheid omringd, ontmoet hij volwassenen die hem begrijpen, stimuleren, koesteren, dan kán een uithuisplaatsing het begin zijn van iets moois. Of in elk geval iets beters.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

Achtergrond

Tienduizenden kinderen werden de afgelopen jaren op last van de kinderrechter uit huis geplaatst. Heeft die maatregel ze geholpen? Of hadden ze beter thuis kunnen blijven?  Talrijke kinderen komen in een pleeggezin of tehuis. Voor hun eigen bestwil, omdat het thuis te riskant leek of onveilig was.

De grote groep kinderen die dit lot treft, is zeer gemêleerd: er zijn slimme, beperkte, lastige, zelfredzame, heel jonge, puberende, mishandelde, misbruikte en alsmaar weglopende kinderen bij. Die hebben op hun beurt weer verslaafde, gewelddadige, beperkte, liefhebbende, ruziënde of verstandige ouders, die door omstandigheden even de grip op hun leven kwijt zijn.

In de wet staat dat kinderen alleen uit huis geplaatst mogen worden als dat ‘noodzakelijk’ is. De maatregel is een ‘ultimum remedium’, een uiterste middel. Een uithuisplaatsing is een paardenmiddel, een stormram waarmee het gezinsleven flink wordt ontwricht. Dat is voor een kleine groep kinderen onontkoombaar. Maar daarnaast is er een groot, grijs gebied van kinderen die mogelijk gevaar lopen thuis. Die misschien in hun ontwikkeling worden bedreigd, omdat hun ouders in een vechtscheiding verwikkeld zijn, of omdat hun moeder langdurig zwak, ziek of misselijk is. Die op grond van inschattingen, vermoedens en beschuldigingen uit hun vertrouwde omgeving worden gehaald. Die kinderen snappen niet altijd waarom ze weg moeten. Ze zijn het er soms ook helemaal niet mee eens.

Dat trauma is niet zelden het begin van een tocht die voor elk kind anders uitpakt. Goed of slecht, dat hangt voor een belangrijk deel ook af van waar het kind terecht komt, en van de begeleiding die het daar krijgt.

Juist daarom ook pleit ik ervoor dat gemeenten daadwerkelijk in de positie zijn en blijven om jeugdhulp uit te voeren. Met voor de kinderen die gedurende korte of langere tijd niet thuis kunnen wonen een thuis in de buurt. In de vorm van buurt- en in- of meeloopgezinnen, gezinshuizen of pleeggezinnen.

Hongerblokkade

hongerblokkade

  • Het Leningrad-dieet

Buurmeisjes Oksana en Lena groeien op in een voorstad van Sint-Petersburg en zijn onafscheidelijk. Totdat Lena wordt gescout als model (het populaire ‘graatmagere type met een bizar gezicht’) en naar een flatje in Shanghai verhuist.

Oksana, afgunstig op Lena’s kans op een beter leven, zoekt een drastisch dieet om af te vallen en komt terecht op een vage website die de ‘hongerblokkade’ verheerlijkt. De hongerblokkade van Leningrad verwijst naar het beleg van Sint-Petersburg door de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog. Honderdduizenden, misschien een miljoen inwoners kwamen om door ontberingen, zoals kou en honger. Het is een afgrijselijke inspiratiebron, beseft Oksana uiteindelijk, maar tegen die tijd heeft ze ‘recepten’ als graspuree en lerenriemensoep al uitgeprobeerd.

De Russische journalist Wlada Kolosowa (1987), die in Duitsland opgroeide, heeft met Het Leningrad-dieet een geloofwaardig en modern verhaal geschreven over (bi)seksueel ontwaken, de treurige ratrace om model te worden, proberen te ontsnappen aan je buurt en de onlineleefwereld van anorectische meisjes. Dat klinkt somber, maar daarvoor is deze debuutroman te goed geschreven, met tragische situaties die ook komisch zijn – en andersom.

  • Het Leningrad-dieet, Wlada Kolosowa, De Geus, 256 blz., 20,99 euro.

Niña Mamá

mother child

  • Mother-Child

Vanuit Nederlands perspectief is het aantal tienerzwangerschappen in Argentinië onvoorstelbaar hoog. In 2016 kregen bijna 97 duizend tieners in het Zuid-Amerikaanse land met 44 miljoen inwoners een kind.

Iets meer dan 2400 moeders waren jonger dan 15 jaar. Ter vergelijking: in Nederland kregen 1492 tieners in 2016 een baby, van wie 95 jonger dan 16 jaar. In de buitenwijken van de miljoenenstad Buenos Aires voeren kinderartsen en sociaal werkers in ziekenhuizen uitgebreide gesprekken met zwangere of net bevallen meisjes.

Deze gesprekken – vastgelegd door Andrea Testa in de aangrijpende film Niña Mamá (Engelse titel: Mother-Child) – leveren een ontluisterend beeld op van de sociale omstandigheden van de meisjes. Armoede en onwetendheid beperken de mogelijkheden voor anticonceptie, terwijl abortus – hoewel toegestaan – vanwege het stigma vaak een ongewenste keuze is.