Leven in versnelling

jolene.png

  • Jolene

Een intiem portret over het turbulente leven van de jonge moeder, stripclub-barvrouw, hardcore Ajacied en afgestudeerd psychologiestudent Jolene.

Jolene staat altijd op versnelling honderd. Een leven gedreven door chaos en adrenaline. Jolene wordt geboren met een net afgekickte moeder en een verslaafde vader die ze nooit heeft gekend. De voormalig hulpverlener en later veroordeelde Keith Bakker is jarenlang haar stiefvader – en de man die ze, nu nog, papa noemt – maar ook hij vertrekt plots uit haar leven. De F-side van Ajax rekent ze tot haar familie. ‘s Nachts werkt Jolene achter de bar in een stripclub, overdag studeert ze psychologie en zorgt ze voor haar twee dochters die ze op haar zestiende en twintigste kreeg.

Fotograaf Elza Jo ontmoet Jolene vijftien jaar geleden, tijdens een shoot voor de (“heel lelijke”) flyers die Elza Jo maakte voor het ‘urban porno’-feest ‘911 ’ in Zaandam. Een feestje dat in Amsterdam geen vergunning kreeg wegens de seks op het podium, en waar Elza Jo van de organisatoren zelf niet heen mocht omdat het “te ranzig” zou zijn. Voor de flyer had ze een dure auto nodig en een aantal strippers. Jolene, die in de 911-organisatie zat, regelde het laatste. Ze was de onverschrokken aanvoerder van de groep. In dezelfde periode kreeg Elza Jo verkering met Freddy – Vieze Fur – van De Jeugd van Tegenwoordig, die in 2008 op zoek waren naar strippers voor hun eerste albumcover Parels voor de Zwijnen. Elza Jo gaf Jolene’s nummer, die even later op de albumcover stond.

Ze zagen elkaar daarna niet meer, tot Elza Jo dertien jaar later via een vriendin – wiens vader manager was bij stripclub La Vie en Proost – na het uitgaan in de bar op de Wallen belandde. Daar stond Jolene, inmiddels barvrouw, “met van die adelaarsogen” en een lijf onder de Ajax-tattoeages achter de tap. Elza Jo ontdekte dat Jolene psychologie studeerde. Ze is meteen weer geïntrigeerd door Jolene’s verschijning en de twee spreken af om thee te gaan drinken. Het was het begin van een drie jaar durend avontuur dat resulteerde in de documentaire Jolene, geproduceerd door HALAL docs.

 

Advertenties

Beroofd, gemarginaliseerd en genegeerd

mrs fang.png

  • Mrs. Frang

Een vrouw in een Chinees vissersdorp sterft aan de ziekte van Alzheimer. In een bescheiden kamer ergens in een dorp in Zuid-China ligt Fang Xiuying op haar sterfbed. Ze wordt omringd door het onverschillige geklets van familie en buren. Beroofd van al haar intellectuele vermogens door Alzheimer en haar fragiele lichaam wordt ze gemarginaliseerd en genegeerd. Alleen Wangs camera lijkt iets te geven om Xiuying.

Wang probeert haar onschuldige uitdrukkingen te traceren en te zoeken naar een spoor van menselijkheid. Hij produceert een beeld van de millenniumcultuur die door het kapitalisme wordt verslonden, waar geheugenverlies een algemene conditie is en de houding tegenover leven en dood radicaal is veranderd.

Filmmaker Wang Bing volgt in Mrs. Fang haar laatste levensfase in schier ondraaglijke, ongenadig objectieve shots. Zo shockerend dat doodgaan bijna banaal wordt. Heeft mevrouw Fang nog toestemming kunnen geven voor deze ontluisterende beelden? We weten het niet, zoals we hoegenaamd niets te weten komen over haar ogenschijnlijk betekenisloze leven. Huiveringwekkend.

Puberkwesties

blue my mind.png

Blue my mind

Mia kan het maar moeilijk bevatten maar het lijkt erop dat haar tenen langzaam maar zeker samengroeien. Het tienermeisje en haar ouders zijn recent verhuist naar een nieuw appartement in Zürich. Mia kan echter maar moeilijk overweg met haar ouders. Niet voor niets kiest ze op school vrienden uit die haar het grootste avontuur kunnen bieden. Wurgspelletjes, seks en drugs, Mia stort zich halsoverkop in dingen waarmee ze haar moed kan bewijzen om erbij te horen.

Het gaat dus niet helemaal goed met Mia. Ze is net verhuisd naar een nieuwe stad en kent niemand op haar nieuwe school. Haar ouders zijn als vreemden voor haar. Ze zoekt aansluiting bij het groepje coole meiden die hun dagen vullen met proletarisch winkelen, drank, drugs en feesten.

Maar er is meer met Mia aan de hand dan gewone puberkwesties. Ze drinkt zout water en verslindt de vissen uit haar moeders aquarium. Op de dag dat ze voor het eerst ongesteld wordt, ontdekt ze ook andere, vergaande veranderingen van haar lichaam – veel meer dan haar lief is. Met een dosis drank en drugs probeert ze dit te negeren en tegen te gaan, maar het onvermijdelijke voltrekt zich.

In Blue My Mind van de Zwitserse Lisa Brühlmann volgen we de 15-jarige puber Mia in haar zoektocht naar zichzelf, op een pad langs seks, drank, drugs en winkeldiefstal. Zulke coming-of-agefilms zijn inmiddels een bijna zelfstandig genre, maar deze gaat nog een stapje verder, want de lichamelijke en psychische metamorfose die Mia ondergaat, is wel heel erg overweldigend. Wat er precies met haar gebeurt, moet misschien maar beter in het midden blijven. Op papier klinkt het nogal ongeloofwaardig, maar dankzij de verder volstrekt realistische opzet van de film, werkt het merkwaardigerwijs heel goed.

De enorme wirwar aan gevoelens die komt kijken bij Mia’s metamorfose wordt ijzersterk in beeld gebracht door de jonge actrice Luna Wedler.

 

De valse oplossing is het echte probleem

probleem oplossing.png

  • We dromen van nieuwe, maar ontwaken op oude wegen

Steeds vaker realiseer ik mij, dat ik met goedbedoelde overwegingen meewerk aan het in stand houden van problemen. Door de verkeerde oplossing voor het goede probleem niet alleen mogelijk te maken, maar zelfs te omarmen. Elke keer als ik dat weer ontdek, troost ik mij Ik aan de worden van wijlen Johan Cruijff: “Je gaat het pas zien, als je het doorhebt.”

Soms hebben wij een wake-up call nodig om ons te realiseren dat wij veel werk maken van een oplossing voor een probleem, terwijl wij juist met die oplossing datzelfde probleem in stand houden dan wel mogelijk maken. De afgelopen week kreeg ik meerdere keren zo’n wake-up call.

Het begon in het weekeinde. Peter Dijkshoorn, kinder- en jeugdpsychiater en bestuurder van Accare (jeugd-GGz) reageerde op deze oproep: “Meer dan drieduizend gezinshuizen gezocht voor 10.000 kinderen”.

In de jeugdwet uit 2015 staat dat kinderen die niet meer thuis kunnen wonen bij voorkeur in een pleeggezin of in een gezinshuis moeten worden geplaatst. Nederland telt momenteel zo’n 750 gezinshuizen waarin bijna 2600 kinderen wonen. Daarnaast wonen er zo’n tienduizend kinderen in residentiële instellingen en 1700 in de gesloten jeugdzorg. Kunnen die allemaal naar pleeggezinnen en gezinshuizen zoals de wet voorstaat? “We kunnen het proberen, met geld van VWS en de VNG,” zo meldt het artikel. “Het is een illusie te denken dat we dit snel voor elkaar krijgen, maar we kunnen het wel proberen. Daarvoor is geld nodig om samen met de zorginstellingen de transitie van residentiële instellingen naar gezinsgerichte vormen van begeleiding mogelijk te maken, waaronder bijvoorbeeld ook kleinschalige voorzieningen zoals Spirit, Jeugdformaat en Fier die bijvoorbeeld hebben.”

Peter’s reactie was ontnuchterend: “Mooi, gezinshuizen, maar waarom niet fors investeren in onderzoek om het aantal uithuisplaatsingen minstens te halveren? Dat is haalbaar, beter voor kinderen en ook weer voor hún kinderen.”

Aan het einde van de week had ik een gesprek met een bestuurder van een organisatie voor de opvang van daders en slachtoffers van huiselijk geweld. Ook in dat gesprek kwam zo’n verwondering naar voren. “Waarom,” zo vroeg mijn gesprekspartner zich af, “realiseren wij voor dak- en thuislozen wel de eerste en tijdelijke opvang, maar niet de structurele huisvesting en participatie die wij beogen? Waarom richten wij – als vangnet – wel het bijstandsloket in, maar verzuimen wij ieder mens de kans te geven daadwerkelijk te participeren. Terwijl wij dat wel prediken!”

Natuurlijk, de verkeerde oplossing voor het goede probleem is te preferen boven een goede oplossing voor het verkeerde probleem. Maar tegelijkertijd moeten wij ons wellicht vaker realiseren dat veel van onze doen en laten eerder een maatregel ter beheersing dan een oplossing van het probleem is. Daarmee reduceren wij wellicht de impact van een probleem op ons leven of de samenleving, maar wij nemen niet de oorzaak ervan weg. En zo dijen de kosten tot levensbedreigende obesitas voor ons stelsel.

Veel organisaties binnen welzijn en zorg hebben in hun doelstelling staan dat – in finale zin – hun inspanningen er op gericht zijn zich overbodig te maken. Het zijn niet zelden ronkende teksten, die verschrikkelijk mooi klinken. De harde werkelijkheid is dat diezelfde organisaties hun bijdrage meestal vertalen of vertaald hebben naar een businessmodel dat vervolgens in stand gehouden moet worden. Omdat juist dat probleem – in combinatie met die oplossing – ons bestaansrecht en betekenis geeft.

Ons zorgsysteem is te duur, te log en te star. Het staat op het punt te imploderen. Daarom dromen wij van nieuwe wegen. Maar wij blijven wakker worden op de oude weg.

Als wij onze zorg voor elkaar en de samenleving daadwerkelijk anders willen regelen en inrichten, dan zullen wij moeten stoppen met het symptoom bestrijden. Dan zullen wij, zoals Peter en mijn gesprekspartner deze week, de bereidheid moeten hebben fundamentele vragen te stellen bij ons doen en laten. Dan moeten wij werk durven maken van het wegnemen van de oorzaken van een probleem. Ook, als dat uiteindelijke onze business om zeep helpt.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Verlies niet de les

.monnik.png

  • Het wiel

We denken vaak dat we onze tijd economisch indelen en dat allerlei middelen ons behulpzaam zijn. We denken dat die middelen ons leven gemakkelijker maken en dat we daar gelukkig van worden. De vraag is of dat altijd zo werkt..?

Er was eens een monnik die erg van stilte, contemplatie en mediteren hield, maar om dat kúnnen doen, moest hij wel zorgen dat hij genoeg eten en drinken had. Er was een boerderij in de buurt waar hij iedere dag heen ging voor melk en wat eten.

Op een dag zei de boer: “Luister eens, nu kom je hier elke dag. Waarom neem je zelf geen koe? Die laat je gewoon grazen dan heb je elke dag melk en hoef je dat hele eind niet te lopen en kan je langer mediteren.” De monnik vond dat nog niet zo’n slecht idee, maar hoe moest hij dan warm eten? “Nou,” zei de boer, “net als ik en iedereen, zoek een vrouw, die zorgt wel voor je eten terwijl jij mediteert.” Zogezegd, zo gedaan. De monnik zocht een vrouw, hij trouwde en leefde zoals iedereen.

Na een tijdje zei de vrouw: “Wat zou je denken van kinderen?” De monnik wist zich geen raad en vroeg de boer om advies. Die zei: “Dat kun je rustig doen. Je vrouw zorgt voor de kinderen en de kinderen kunnen straks helpen met melken zodat jij meer tijd overhoudt.”

Tien jaar later stond er een gigantische onderneming en de monnik kwam nooit meer aan mediteren toe…

Thuis is waaruit je begint

daklozen.png

  • Wij zijn als rozenkwekers die zich meer met de bladluis bezig houden dan met de rozen zelf.

Het aantal dak- en thuislozen in Nederland stijgt fors. Sinds twee jaar is het totaal aantal dak- en thuislozen gestegen tot 31.000, terwijl er ook er weer duizenden daklozen in de steden buiten slapen. Meer dan de helft daarvan vindt plaats in de grote steden. En dat, ondanks de vele en forse investeringen in maatschappelijke opvang. De oorzaak van dat alles? Wij bestrijden de symptomen, maar nemen de oorzaken niet weg!

Dak- en thuisloosheid is een proces van ontankeren. Van verlies of afwezigheid van sociale netwerken. Dit ontankeren situeert zich zowel op het macroniveau (de samenleving met haar structuren, sociale bescherming, waarden, normen), het mesoniveau (met allerhande instituties, informele en formele sociale netwerken) en het microniveau (de individuele problematiek en/of de relationele problematiek met naasten).

Dak- en thuisloosheid is dus niet de oorzaak van een probleem, maar – net als armoede – het gevolg van sociale uitsluiting op het macro niveau (de samenleving en haar structuren), het meso-niveau (instituties, formele en informele netwerken) en het micro-niveau (de individuele problematiek).

Wat wij doen – met de beste bedoelingen – is dak- en thuisloosheid als symptoom  bestrijden. Zo leert ook de ervaring: Na de actie ‘Niemand Op Straat’ (3013) waren er in Nederland vrijwel geen daklozen meer te vinden. Buiten!  Het probleem leek opgelost. Maar ondertussen zaten er wel 24.000 mensen bij opvanginstanties. En daar wringt de schoen! Wij  bleven en blijven steken in goedbedoelde symptoombestrijding. In reductie van overlast. De maatschappelijke opvang – van residentiële opvangcentra tot doorgangshuizen is door het beleid in hetzelfde bedje ziek.

Met de gangbare ‘technische’ benadering van dak- en thuisloosheid lossen wij het probleem niet structureel op. Sterker nog: de huidige werkwijze houdt het probleem in stand! Zij zorgt zeven dagen per week voor een bed, een douche, een boterham, soep en koffie aan ieder die zich er komt aanmelden. Zij biedt voor korte of langere – maar altijd beperkte – tijd opvang, waar ook nog meer of minder voorwaarden aan verbonden worden (zoals het volgen van  begeleiding of therapie, geen drugs, het niet overtreden van bepaalde reglementen…). Bovendien moet de dak- en thuisloze ook nog eens passen binnen de afgesproken definitie. Zo faciliteren wij het symptoom wat wij bestrijden willen.

In de loop der jaren werden daarbij al heel wat definities gehanteerd: hobo’s, landlopers, daklozen, thuislozen, zwervers, clochards. Deze definities komen niet zomaar uit de lucht vallen. Nee, ze passen in een bepaalde tijdsgeest. Ze verwijzen naar de wijze waarop de maatschappij naar de dak- en thuislozen kijkt. Bovendien impliceert de definitie ook welke categorieën wel of niet welke soort hulp mag verwachten. Voor de ene groep geldt een wettelijke verplichting tot het verlenen van onderdak; voor de andere groep geldt die verplichting niet. Zo onderscheiden wij sedert kort binnen de groep van dak- en thuislozen de groep van ‘pechmannen’. Pechmannen zijn de nieuwe daklozen. Ze zijn niet verslaafd of psychotisch, maar wonen wel op straat. Vaak gewoon door geldproblemen. Deze ‘nieuwe daklozen’ zouden zich eigenlijk best kunnen redden, als snel hulp wordt geboden. Maar juist door hun betrekkelijke zelfredzaamheid komen zij voor die hulp niet in aanmerking. Het moet eerst uit de hand lopen voor wij het op orde willen brengen.

Dit alles reduceert de professionele werkers tot uitvoerders van richtlijnen en kaders; zonder ruimte voor structureel perspectief. Voor professionals met een missie is dat –  meer dan frustrerend – ziekmakend.

Laten wij daarom kritisch blijven nadenken over de zin en onzin van dak- en thuislozenzorg en de functie van de maatschappelijke opvang hierin. Wij mogen ons doen en laten niet enkel verantwoorden door naar wettelijke kaders, richtlijnen en wat dies meer zij te verwijzen. Bij ons ingrijpen dienen wij af te wegen welke bijdrage dat levert aan het in staat stellen van individuen een menswaardig bestaan op te bouwen.

Een fatsoenlijke samenleving wil zich geen dak- en thuisloosheid permitteren. Daarom ook moesten en moeten zij van de straat af. Dus bieden wij opvang. Veel dak- en thuislozen circuleren zo en daardoor in het opvangcircuit; terwijl ze daar niet thuishoren. Want ieder mens heeft behoefte aan een veilige plek waar hij of zij zich thuis kan voelen. De meeste mensen vinden die plek in hun directe omgeving, bij hun partner, in het gezin of de familie, of binnen een ander sociaal netwerk. Maar er zijn – en helaas in toenemende mate – steeds nog mensen, zeker binnen de anonimiteit van de grote steden, die dit moeten ontberen. Mensen voor wie de samenleving te complex is. Die zonder een steuntje in de rug of ‘een gegeven kontje’ uitvallen en op straat of – in het gunstigste geval – de maatschappelijke opvang terecht komen.

Als de finaliteit van die opvang is, om mensen kortdurend op te vangen en de praktijk toont aan dat een grote groep langer dan drie jaar begeleiding nodig heeft, dan klopt er dus iets niet.

Dak- en thuislozen blijven kleven aan opvangvormen en stromen niet door als bijvoorbeeld de woonmarkt, participatie en armoedebestrijding onder de radar blijven. En dus moeten wij een fundamentele omslag maken. Moeten wij de verdoezelende cirkel van de maatschappelijke opvang doorbreken. Met  frisse kop en out-of-the-box zoeken naar beloftevolle alternatieven. Het mag immers niet stoppen bij dak- en thuislozen die geen overlast veroorzaken. Dat is ‘slechts’ het begin. De volgende stap is het fundamenteel aanpakken van en inhaken op de meest basale behoeften van elk mens: veiligheid, onderdak, relaties, waardering, zelfrespect en erkenning en zelfverwerkelijking. Ten onrechte blijven zij onderbelicht. En dat zet meteen ook een meer structurele en duurzame aanpak op losse schroeven.

De woonmarkt plooien naar de noden van kwetsbare mensen, is een specialisatie binnen de maatschappelijke opvang die binnen het huidige beleid nog teveel dode letter blijft. Ze stopt bij de discussie of die specialisatie de welzijns- dan wel de woonsector toebehoort.

“Niemand op straat’ vraagt om een nieuw model dat de afbouw van residentiële opvangvormen mogelijk maakt. Door te investeren in nieuwe woonvormen voor dak- en thuislozen. Eerst gewoon een huis dus; zo snel als mogelijk. Dat betekent dat zij toegang moeten krijgen tot reguliere en duurzame huisvesting. Een eigen plekje (huisvesting) is de eerste stap in de aanpak van thuis- en dakloosheid.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Romijn, slim op zijn eigen wijze

romijn.png

  • De zeventienjarige Lotte maakte een documentaire over haar autistische en zwakbegaafde broertje Romijn

Lotte wil graag dat de rest van de wereld kennismaakt met haar broertje Romijn zoals zij hem ziet: een autistische en zwakbegaafde jongen van 12, maar ook een heel bijzonder jongetje. En zeker niet dom, want hij kan zoveel meer. “Het is jammer, en eigenlijk ook niet eerlijk, dat hij allerlei labels opgeplakt krijgt.”

Hoe dat voor haar is, een broertje als Romijn, vindt ze moeilijk om zo 1, 2, 3 uitleggen. Het is immers haar enige broertje, dus ze weet niet beter. “Ik was zes toen hij werd geboren, en acht toen de diagnose autisme werd gesteld. Voor mij is Romijn dan ook gewoon zoals hij is. Een ontzettend lief en slim jongetje. Maar ook een jongetje dat bijvoorbeeld niet goed kan omgaan met veranderingen. Als we boodschappen gaan doen dan vertellen we hem van te voren naar welke winkels we gaan. Romijn denk dan heel rechtlijnig: stad, supermarkt, drogist, naar huis. Als we dan toch nog even naar een andere winkel willen dan is dat verwarrend voor hem en wil hij het niet.”

En nee, dat vindt ze niet lastig. Ze is wel gewend hoe het bij Romijn werkt. “Je kunt denken: jammer dat we niet iets spontaan kunnen doen, maar je kunt ook denken: stick to the plan. En soms kunnen we hem overhalen met snoep. Hij is dol op lolly’s, dus als we hem er een beloven dan wil hij toch nog wel even met ons iets doen wat we van te voren niet hadden afgesproken.”

Het plan om een documentaire over haar broertje te maken ontstond begin 2017 toen ze voor een filmfestival in haar woonplaats een klein filmpje over hem maakte. “Het was eigenlijk een soort trailer geworden, en het inspireerde me om meer te  filmen. Om mijn verhaal over hem te vertellen, wie hij is, en waarom hij doet zoals hij doet. Ik ben onder meer met hem mee naar school geweest en heb zijn juffen geïnterviewd, maar ook mijn ouders en een expert op het gebied van autisme. Ik wilde een compleet beeld geven van Romijn.”

Ze vindt het belangrijk dat mensen ook de andere kant van haar broertje zien. “De maatschappij heeft een label op hem geplakt: jij bent autist. Punt. En ik vind het niet eerlijk als hij alleen op die manier bekend staat, als een dom en retarded jongetje. Romijn is slim op zijn eigen manier. Hij kan dingen niet die wij wel kunnen, maar kan op zijn beurt weer dingen die wij niet kunnen. Hij kan bijvoorbeeld ontzettend goed onthouden. Elke video die hij op YouTube ziet kan hij na een keer woord voor woord meepraten. En de eerste keer dat hij het alfabet opnoemde deed hij dat achterstevoren. Autisme is echt niet alleen maar negatief. Romijn is slim op zijn manier.”

Dat het soms ook lastig is, ontkent Lotte niet. Als ze met haar ouders iets wil doen moeten ze zich altijd afvragen: als we dit doen, kan Romijn dat dan? Kan hij het aan? Zoiets als wintersport is voor een kind als Romijn teveel. Terwijl Lotte dat best wel graag wil doen. En met haar ouders drie weken backpacken zit er ook niet in. “Daar kun je heel lang boos om zijn, of je denkt: ik doe dat later wel. Ik heb gekozen voor dat laatste.

Hoewel het altijd om haar broertje draait zou ze hem voor geen goud willen ruilen. En laten we vooral niet vergeten dat zo’n broertje ook voordelen heeft. “Hij is twaalf, dus een puber. Maar mentaal is hij ongeveer vier jaar.  Ik heb dus niet zo’n irritant puberbroertje. Dat is echt een groot voordeel, hoor.”

Volg de facebookpagina van Romijn, de documentaire voor de laatste informatie.