Te jong om te beslissen?

children act.png

  • The Children Act

Wat doe je als een 17-jarige jongen zich door zijn religieuze overtuigingen gedwongen ziet af te zien van alle medische hulp, zelfs als dat betekent dat hij zal sterven?

Dit is het morele dilemma waar The Children Act om draait, het dilemma waarmee Fiona Maye (Emma Thompson) geconfronteerd wordt. Fiona is een gerespecteerd rechter aan het Hooggerechtshof die bekendstaat om haar professionele en weloverwogen uitspraken binnen het familierecht. Terwijl haar huwelijk op springen staat stort ze zich met totale overgave op de zaak. Wat weegt er zwaarder: het recht op leven of het recht op vrije wil?

The Children Act van regisseur Richard Eyre (Notes on a Scandal) is gebaseerd op de gelijknamige bestseller van Booker-Prize winnaar Ian McEwan (Atonement, On Chesil Beach), die tevens het scenario schreef.

Advertenties

Sloop de piramide

piramide.png

  • Van facelift naar extreme make-over

Regelmatig krijg ik transformatieplannen voor het sociaal domein onder ogen. Over  het algemeen staan er prachtige ambities in. Vaak zijn het een nobele namen voor de behoefte aan meer geld. Waarbij steevast de piramide opduikt. De piramide is een schematische weergave van de manier waarop gemeenten hulp en ondersteuning willen organiseren van breed naar smal. Het is juist die piramide die de beoogde beweging – het gewone leven als basis – in de weg staat. “Slopen dat ding”, zeg ik daarom. Ik pleit voor een fundamenteel andere grondplaat.

Met regelmaat ben ik deelnemer aan of getuige van gezapige discussies over hoe wij nu toch echt vorm en inhoud kunnen geven aan de omvorming (transformatie) binnen het sociaal domein. Een interessante vraag maar het gesprek hierover loopt vaak stuk op wat ik onze omo-cultuur noem. U kent ze wel, die waspoeders die ons toeschreeuwen dat ze ‘vernieuwd’ zijn. Omdat er een zeker bestanddeel, een accent, gewijzigd is. En dat presenteren wij dan ‘vernieuwd’, anders dan anders. Want wij Nederlander ogen graag vernieuwend, maar dat ‘andere’ moet wel vertrouwd, bekend en herkenbaar zijn. De piramide die wij hanteren binnen het sociaal domein helpt ons daarbij.

De piramide denkt in en is opgebouwd uit disciplines en expertises. Hoe hoger je in de piramide zit, hoe specialistischer en exclusiever – dus duurder – het aanbod. Bij het streven naar beheersing van de kosten is het de bedoeling de onderste laag (ondersteuning zo kort, zo licht en zo dichtbij als mogelijk) te laten groeien. Ten koste van de hogere c.q. duurdere lagen. En daar doemt het grootste obstakel voor de beweging op.  Die hogere lagen willen best veranderen, maar dan wel op een wijze die zo dicht als mogelijk bij het huidige werkwijze en de bijbehorende (hoge) vergoedingen ligt. Er worden daardoor wel accenten verlegt, maar echte veranderingen komen niet tot stand. Bij dit alles is er een ander typisch Hollands fenomeen dat ons dwars zit.

De piramide is gebaseerd op een zeker hiërarchisch denken. Een hogere positie in de piramide suggereert een groter belang aan (dure) deskundigheid en professionaliteit. Het gevolg hiervan is dat – van boven naar beneden – de professionals in de verschillende lagen met een zeker dedain neerkijken op de actoren in de onderliggende lagen. Wetenschappers en medici kijken meewarig naar de goed bedoelende professionals – in hun ogen ‘amateurs’ binnen bijvoorbeeld de jeugdhulp. De professionele zorgverleners op hun beurt kijken met soortgelijk blikken neer op de collega’s die welzijnsondersteuning bieden. Zij kijken met een zekere argwaan naar de ervaringsdeskundigen, mantelzorgers en vrijwilligers.

Alle professionals in de piramide omarmen – in meer of mindere mare – het zogenaamde ‘eigen kracht’ denken, waarbij mensen met een ondersteuningsvraag zelf een plan maken, met mensen die dichtbij staan. Wij vinden het allemaal prachtig, maar stralen ondertussen niet zelden uit: “Eigen kracht? Dat moet u zo doen!”

Het bovenstaande is een pijnlijke conclusie. Ik weet het. Ik schets bovenstaand extreem uitvergroot wat volgens mij een grote struikelsteen is bij ons streven naar transformatie. Ik heb daarbij een boel weggelaten. Want er gebeurt op uitvoeringsniveau heel veel goeds. Dit is dan ook geen wetenschappelijk verhaal, het is een beschouwing, een oordeel over de wereld va welzijn en zorg. Een oordeel van onderaf, over de naar mijn oordeel perverse prikkels die de dienst uitmaken. Maar op beleids-, besturings- en bekostigingsniveau bestrijd ik de gedachte dat het allemaal wel meevalt, of dat het slechts incidenteel zo gaat. Het gaat vast op heel veel plaatsen goed. Maar dat ontslaat ons niet van de verantwoordelijkheid de perverse prikkels, die met het piramide-denken in stand worden gehouden, nu eens daadwerkelijk uit de weg te ruimen.

De piramide – ik gebruikte hem tot voor kort ook zelf graag – lost onze problemen niet op. Sterker, zij houdt ze in stand. Gewoon, omdat zij simpelweg minder uitnodigt tot en mogelijkheden biedt om kennis en vaardigheden over te dragen. Onbedoeld werkt de piramide als een kastenstelsel. Een ingewikkeld systeem, dat mensen en hun mogelijkheden onderverdeeld in verschillende groepen. Elke groep heeft zijn eigen gebruiken en gewoonten waaraan men strikt vasthoudt. Verkeer onderling is praktisch onmogelijk. De ene kaste is hoger dan de andere. Deze verschillen zie ik ook in de piramide weerspiegeld.

De oorzaak van deze situatie is meerkoppig van aard. Naast het hiervoor geschetste (moderne) kastendenken is er het huidige financieringssysteem, dat vooral stuurt op productie- en verantwoording. De beoogde omslag naar een cultuur van verantwoordelijkheid (eigenaarschap) wordt er niet mee gediend. Daarnaast koesteren wij als professionals graag het verdichtsel dat (theoretische) kennis en expertise toch echt belangrijker is dat de logica van het gezonde verstand. Wat altijd in het geïnterpreteerd wordt in het voordeel van de professional in de hogere laag.

Mijn conclusie? De transformatie binnen het sociaal domein, geënt op het piramide denken zal mislukken en het onderspit delven. Om de grondplaat van en voor ons systeem van ondersteuning daadwerkelijk te wijzigen, moeten wij die piramide slopen. Wij moeten die graftombe van het oude systeem, met haar heersers en hun verworven kostbaarheden en bezittingen loslaten om grip te krijgen op de beweging. Nu doen wij allerlei dingen om het oude en vertrouwde te kunnen behouden. Zo maken wij een mummie in plaats van beweging. Anders gezegd: de piramide sluit – met grote steenblokken – de ruimte om te veranderen af. Daarom pleit ik niet voor een facelift, maar voor een extreme make-over!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Ik ben geen heks!

ik ben geen heks.png

  • I Am Not a Witch

Als een dier in een kooi in de dierentuin aangegaapt worden door toeristen – een onmenselijk scenario, maar de harde werkelijkheid voor de 9-jarige Shula.

Na een incident in haar dorp wordt het Zambiaanse meisje veroordeeld voor hekserij en verbannen naar een heksenkolonie. Een leven als paria/attractie lijkt onvermijdelijk, maar wanneer meneer Banda zich over haar ontfermt en met haar de publiciteit opzoekt, doet zich een mogelijk levensbepalende kans voor. Accepteert het meisje haar lot en plaats buiten de maatschappij, of neemt ze het risico voor haar vrijheid?

Regisseuse Rungano Nyoni koos voor de heksenkampen als achtergrond voor haar verhaal over verzet tegen onderdrukking en vrijheid, en verbleef zelf een maand als gast in een van de oudste kampen ter wereld. Voor haar debuutfilm I Am Not a Witch werkte ze samen met een cast van amateurs, en gooide meteen hoge ogen: ze won de prijs voor beste regie bij de British Independent Film Awards, de Student’s Choice Award bij Movies That Matter en een BAFTA Award voor haar uitmuntende debuut.

Horen, zien en afwegen

afwegingskader

  • Afwegingskader: meldcode Kindermishandeling en Huiselijk Geweld verandert

De meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld is verbeterd. Vanaf 1 januari 2019 werken professionals hiermee. In de verbeterde meldcode wordt gebruik gemaakt van een afwegingskader. Dit afwegingskader beschrijft wanneer een melding noodzakelijk is en hoe goede hulp eruit ziet.

5 stappen

Er zijn 5 stappen in de meldcode. In de eerste drie stappen breng je signalen zorgvuldig in kaart, overleg je met een deskundige collega en spreek je met de betrokkenen over de zorgen die je hebt. In stap 4 weeg je al deze informatie af. Als je zorgen zijn weggenomen, sluit je de meldcode. Heb je nog steeds een vermoeden van kindermishandeling of huiselijk geweld, dan neem je in stap 5 een beslissing over melden en hulpverlenen.

Afwegingskader

In de verbeterde meldcode wordt gebruik gemaakt van een afwegingskader. Dit afwegingskader beschrijft wanneer een melding noodzakelijk is en hoe goede hulp eruit ziet. Nieuw in dit afwegingskader is, dat je vermoedens van acute of structurele onveiligheid altijd meldt bij Veilig Thuis. Bijvoorbeeld geweld met wapengebruik of ernstige letsels. Of voortdurende onveiligheid voor kinderen bij ernstige verslavingsproblematiek van hun vader of moeder. Volgens het afwegingskader meld je je vermoedens van onveiligheid ook als je zelf geen hulp kunt bieden of organiseren. Bijvoorbeeld omdat hulp verlenen niet je vak is. Of omdat de betrokkenen geen hulp accepteren. En je meldt wanneer het onveilig blijft, ook al is er hulp ingezet.

Voorwaarden voor goede hulp

Ook nieuw is, dat het afwegingskader omschrijft aan welke voorwaarden goede hulp voldoet bij onveiligheid in gezinnen en relaties. Als je volgens de normen in je het afwegingskader een melding doet bij Veilig Thuis, overleg je met hen welke hulp je zelf kunt bieden of organiseren. Melden én hulpverlenen zijn zo mogelijk. Veilig Thuis kan dan langdurig zicht op veiligheid organiseren. Heb je zorgen over de veiligheid van kinderen, partners of ouderen? Gebruik de verbeterde meldcode. Zo werk je aan veiligheid en herstel voor alle betrokkenen. Augeo Foundation ondersteunt je graag bij het gebruik van een meldcode.

 

Bekijk het afwegingskader van uw beroep:

Artsencoalitie

Verpleegkundigen en verzorgenden

Paramedici

Pedagogen, psychologen, (psycho)therapeuten, sociaal werkers en jeugd- en gezinsprofessionals

Verloskundigen

Onderwijs en leerplichtambtenaren

Kinderopvang

Justitie

Bent u medewerker bij een organisatie uit het cluster Justitie? Kijk dan op de interne communicatiekanalen van uw organisatie voor het afwegingskader.

De angst van loslaten

benzinho

  • Benzinho

Irene woont samen met haar grote gezin vlakbij Rio de Janeiro.

De deur klemt, de kraan lekt, maar aan liefde geen gebrek in dit licht chaotische huishouden. Hun oudste zoon Fernando is een getalenteerd handbalspeler en wordt gescout door een Duitse profclub. Irene wist dat er een dag zou komen dat ze haar kind los zou moeten laten, maar met dit scenario had ze geen rekening gehouden. Terwijl Irene de dagelijkse bezigheden probeert bij te houden, moet ze haar eigen angsten overwinnen en leren haar zoon de wijde wereld in te laten trekken.

Benzinho ging op 18 januari 2018 in première op het Sundance Film Festival in de World Cinema Dramatic Competition. Regisseur Gustavo Pizzi en hoofdrolspeler Karine Teles lieten zich door de geboorte van hun tweeling inspireren tot een warmbloedig Braziliaans familieverhaal in rijke kleuren. Pizzi’s innemende tweede speelfilm is zowel zeer persoonlijk als universeel herkenbaar voor elke ouder.

Gelukkige jeugd; daar horen problemen bij!

gelukkige jeugd.png

  • Laten wij ons laten stimuleren door het optimisme van kinderen.

Nederlandse jongeren zijn gelukkig ongelukkig. Ze zijn druk en blij met hun sociale relaties. Ze zijn ongelukkig door schoolwerk, gebruiken minder vaak een condoom, en drinken best veel. Dat leert ons het internationale onderzoek Health Behaviour in School-aged Children (HBSC). In Nederland een gezamenlijk project van de Universiteit Utrecht, het Trimbos-instituut en het Sociaal en Cultureel Planbureau. En ondanks dat alles groeit de behoefte aan (jeugd)zorg. Tijd voor bezinning en normalisatie zou ik zeggen.

Als ik kennis neem van onderzoeken als het hiervoor bedoelde, dan bekruipt mij elke keer een unheimisch gevoel. Is de jeugd nu zoveel lastiger geworden, of zijn wij als maatschappij meer eisend en minder tolerant geworden. Is elk ‘probleem’ wel een probleem? Of is het gewoon gemakkelijk als je er een ‘probleemetiket’ op kunt plakken. Dan kunnen wij het ‘probleem’ de schuld geven en anderen er mee aan de slag laten gaan.

Negen op de tien 12 tot 25-jarigen zijn tevreden met hun leven. Vooral met hun vriendenkring en psychische gezondheid – aldus het CBS (2016). Dat nergens ter wereld het welbevinden van kinderen zo groot is, wisten we al van Unicef (2007-2013).

Paradoxaal genoeg liggen veel te veel ouders ’s nachts wakker: een op de zes kinderen in Nederland krijgt een vorm van hulp (Jo Hermanns; 2015). Ook het aantal kinderen dat medicijnen krijgt voorgeschreven bij problemen met opvoeden en opgroeien is exponentieel gegroeid, en groeit nog steeds.

Deze trend zien we ook bij leerproblemen. Hooguit 3 – 4% van de kinderen heeft ernstige dyslexie, maar sinds de overheid in 2009 besloot om de dyslexie behandelingen te vergoeden blijft het aantal groeien. Saillant detail daarbij: er zijn veel meer kinderen die zorg krijgen dan er kinderen zijn die volgens bevolkingsstudies problemen zouden hebben die professionele zorg nodig maakt. Zelfs het meest pessimistische epidemiologisch onderzoek komt niet tot zo een hoge schatting van het aantal kinderen dat ernstige problemen heeft. In het algemeen gaat men uit van ongeveer 2 tot 5 % die dit type hulp nodig hebben (Hermanns, 2013).

De graag gehanteerde verklaring dat ‘veel problemen tegenwoordig eerder worden gediagnosticeerd door toegenomen deskundigheid’ vind ik er een uit het rijk der fabelen. Zoals ook de verklaring  dat het zo goed gaat met de jeugd omdat er zoveel professionele hulp wordt geboden. Van veel interventies is (nog) niet eens bekend noch bewezen dat ze effectief zijn.

Hoe heeft het dan zover kunnen komen dat de opvoeding niet meer zonder professionele hulp lijkt te kunnen? Kennelijk willen en verwachten wij dat al onze kinderen ‘storingsvrij’ zijn. Hetgeen leidt tot een tendens om uitdagingen in opvoeding en onderwijs psychopathologisch te definiëren. En we praten dientengevolge over gedrag van kinderen in termen van ADHD, autisme, depressie. Als je problemen hebt met je kind omdat het zich afwijkend gedraagt en je hebt daar een label voor – Asperger, ADHD, ODD – dan is het het probleem van het kind geworden. Dat is het beeld dat wij hebben geconstrueerd.

En nee, de problemen met de jeugd nemen niet toe.  Alle indicatoren die iets zeggen over hun welbevinden, hun (psychische) gezondheid, de criminaliteit, het middelengebruik en de schoolprestaties staan in het groen (Landelijke Jeugdmonitor 2016).

Probleemgedrag is bovendien altijd een subjectief en normatief begrip. Waar de een zich zorgen maakt over agressief gedrag, noemt een ander dit gezonde assertiviteit. Waar een ouder teruggetrokken gedrag ziet, pakt de leerkracht de checklist autisme. Waar een orthopedagoog bij een 3-jarige bij de leeftijd passende overbeweeglijkheid ziet, kan een kinderpsychiater adhd-kenmerken signaleren.

Ik ben er daarom van overtuigd dat het goed is om na te gaan of wij als maatschappij wel goed met onze jongeren omgaan. Wordt hun omgeving wel voldoende ingezet? Waar blijft de eigen verantwoordelijkheid van ouders? Zou jeugdzorg niet meer moeten richten op ouders en opvoeders en hun onmacht dan op de kinderen zelf? Moeten wij niet meer denken aan en aandacht geven aan de (toenemende) opvoedingsverlegenheid? En moeten wij niet veel meer durven ‘normaliseren’?

Normaliseren is één van de kernthema’s in de transformatie van het sociaal domein. Het gaat daarbij om de zienswijze dat kwetsbaarheid bij het leven hoort en de problematiek rondom opvoeden en opgroeien kan daar niet van uitgesloten zijn. Niet het oplossen van problemen staat centraal, maar het ontzorgen en normaliseren van de situatie rond kinderen. Het gaat om het herstel van het gewone leven.

Normaliseren vraagt ons het ‘gewone’ leven altijd in beeld te houden, ongeacht de situatie van het kind en het gezin, ongeacht de hoeveelheid specialistische zorg. De vraag is ‘Waar wil je naar toe werken?’.

Deze benadering heeft ook gevolgen voor de wijze waarop we de zorg organiseren. Professionals moeten kunnen schakelen tussen formele kaders en het alledaagse. Maar ook de moed en het vermogen om ouders en andere opvoeder voortdurend methodisch te reflecteren op het eigen handelen. Ook zij moeten de bereidheid en het vermogen hebben om zichzelf onder ogen te zien… Bij opvoeden horen ook de problemen.

Het moet ouders duidelijk worden gemaakt dat veel problemen bij opgroeien en opvoeden normaler zijn dan deskundigen willen doen geloven. Strijd hoort bij opvoeden.

Het moet dus anders. Met meer nadruk op opvoeden en minder behandelen. Wat heeft dit kind nodig? Wat hebben deze ouders nodig? zijn de vragen die gesteld zouden moeten worden. Met de kennis van nu zeg ik orthopedagogiek is een bittere noodzaak. Maar als negen op de tien kinderen lekker in hun vel zitten, zullen het vooral de opvoeders zijn die hulp nodig hebben.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

 

 

 

Thuis gaat het met iedereen prima

a casa.png

  • A casa tutti bene

Alba en Pietro vieren hun 50-jarig huwelijksfeest op het zonovergoten eiland Ischia waar ze wonen.

Daar hebben ze een lommerrijke villa met voldoende plek om de talrijke familie te ontvangen. Iedereen is uitgenodigd; kinderen, ex partners, neven, nichten, vrienden. Aanvankelijk doet de zon zijn best en de villa met zwembad en piano bevallen de gasten. Maar wat slechts een middag had moeten duren, loopt uit op twee dagen en twee nachten. Door een storm varen er geen veerponten en zitten de gasten op het eiland vast. De meesten hebben herinneringen aan hun kindertijd op deze plek. In zo’n nostalgische setting lopen vanzelfsprekend de spanningen op en worden oude wonden opengereten. Al snel komen geheimen uit het verleden, niet uitgeprate ruzies, jaloezie, bedrog en andere spanningen naar boven…

Regisseur Gabriele Muccino maakte het tweeluik L’ultimo baccio (2001) en Baciami ancora (2010) over dertigers- en veertigersdilemma’s. Hij nam zijn eigen bindingsangst als onderwerp voor de ensemblefilms. Hij, en zijn acteurs, groeiden met de problematiek mee. Drie van die acteurs spelen nu mee in A casa tutti bene en groeien met Muccino richting de vijftig. Wellicht is daarom het werkelijke vijftigersdilemma het meest ontroerende.