Galerij

Op de bres voor vluchtelingen

fuo.png

  • Fuocoammare

Fuocoammare is misschien wel de belangrijkste film die u dit jaar in de bioscoop kunt gaan zien. Niet vanwege zijn cinematografische kwaliteiten – hoewel die ontegenzeggelijk groot zijn – maar vanwege zijn inhoud: de essentie van het vluchtelingenvraagstuk.

Centraal staat Samuele, een jongen van 12 jaar, wiens lotgevallen onnadrukkelijk maar fraai contrasteren met de gigantische tragedie die zich in zijn directe omgeving afspeelt. Als alle jongens van zijn leeftijd schiet hij met katapulten, klimt hij op rotsen, steekt hij vuurwerk af en heeft hij kleine zorgen: hij kampt met een lui oog, heeft last van zeeziekte (niet handig als je later visser wilt worden) en hij heeft af en toe het onbestemde gevoel, zegt hij tegen zijn huisarts, dat hij niet goed kan doorademen. Die huisarts is Pietro Bartolo; hij is de link tussen de wereld van de eilandbewoners en die van de vreemdelingen.

Na ongeveer een uur komt Bartolo wat uitvoeriger aan het woord. In het halfduister vertelt hij in alle huiveringwekkende, gruwelijke details wat hij doorgaans aantreft als de vluchtelingen levend of dood aan land zijn gebracht. En hoe hij aan de letterlijk nachtmerrieachtige taferelen die zich dan voordoen nooit, nooit zal wennen. Wie onberoerd blijft bij zijn relaas is een robot.

Daarna schakelt de film, en komen de gruwelijkheden meer en meer in beeld. Maar nergens zet Rosi het drama aan (er is geen voice-over bijvoorbeeld), nergens wordt de film ‘politiek’. Rosi toont alleen. Tegelijkertijd brengt hij zo een ode aan de naamloze reddingswerkers, en aan de onvolprezen huisarts.

Wat de vluchtelingen beweegt, wie ze zijn of waar ze vandaan komen – Rosi scheert erlangs, zoals de eilandbewoners ook gewoon hun leven blijven leiden. Hij laat de diepe wanhoop in hun gezichten zien, het verdriet, een enkele keer hun vreugde: ze hebben het gehaald. En dan is er – out of the blue – het bloedstollende moment waarop een Nigeriaan een heftige jammerklacht aanheft die alle ellende samenvat.

 

Het eiland Lampedusa ligt ongeveer 70 kilometer van de Afrikaanse kust en is zo’n 120 kilometer verwijderd van Sicilië. De afgelopen twee decennia hebben ongeveer 400.000 migranten en vluchtelingen de overtocht van Noord-Afrika naar het Europese continent gewaagd. Meestal opeengepakt in veel te kleine, gammele bootjes, was Lampedusa vaak hun eerste doel. Naar schatting minstens 15.000 mensen zijn daarbij verdronken, of door andere oorzaken (uitdroging of brandwonden bijvoorbeeld) om het leven gekomen.

Deze koele cijfers worden meteen bij aanvang van de documentaire Fuocoammare gepresenteerd.

De maker is Gianfranco Rosi, die ons eerder in het geweldige Sacro Gra liet kennismaken met de buitenwijken van Rome en zijn bewoners. Rosi bracht bijna een jaar door in de kleine gemeenschap die Lampedusa is, en ging met reddingswerkers de zee op. Hij deed alles zelf: interviews, camera, geluid. Het resultaat is verbluffend. Door de ogen van een paar eilandbewoners – onder anderen een huisvrouw, een visser en een radio-dj – laat hij zien hoe de komst van al die vluchtelingen hun gemeenschap beïnvloedt, maar hoe ze toch vooral ook een sideshow blijven in hun leven.

Galerij

Je bent wie je zijn wilt…

kalkoen

  • De prins en de kalkoen

Op een dag bedacht de prins dat hij eigenlijk een kalkoen was. Hij trok zijn kleren uit en hij verborg zich naakt onder de eettafel en leefde al snaterend van de kruimels die van de tafel vielen en de graankorrels die hem werden opgediend. De koning was wanhopig. Roepen, dreigen en soebatten hadden geen succes. Het werd tijd om hulp in te roepen en hij ontbood de beste raadslieden van zijn rijk.

De eerste legde de prins uit dat je als prins niet voor kalkoen kunt gaan. De tweede ging in discussie met de prins. De derde bleef beleefd en verzocht de prins dringend onder de tafel vandaan te komen. De vierde lachte de prins vierkant uit en snaterde spottend mee. De laatste zou die onzin er wel eens uitslaan. Maar niets hielp en de koning stuurde hen allemaal weg.

Toen stapte een lakei naar voren en vroeg: ‘Mag ik het eens proberen, Hoogheid?’ De koning keek hem sceptisch aan maar zei: ‘Vooruit dan maar. ‘ De lakei trok zijn kleren uit en kroop bij de prins onder de tafel. Hij pikte van het graan en de kruimels en snaterde als een kalkoen. Verbaasd keek de prins opzij. ‘Wat doe jij hier?’ ‘Ik ben een kalkoen net als jij.’ ‘Welnee jij bent een lakei. Verdwijn!’ ‘Nee hoor ik ben een kalkoen net als jij “en kauwde verder.

Toen de prins  zag dat de lakei gewoon doorging met voedsel pikken, legde hij zich erbij neer. Gebroederlijk zaten ze onder tafel. Na enkele dagen zei de lakei: ‘Wel saai elke dag dat graan Een biefstukje zou er best ingaan.’ De prins stoof op: ‘Wij kalkoenen eten geen biefstuk!’ De lakei reageerde net zo boos: ‘Kom nou toch, wil je zeggen dat ik minder kalkoen ben als ik toevallig een biefstukje eet in plaats van graan?’ De prins krabbelde terug.

Die avond aten ze biefstuk en ze waren nog evenveel kalkoen. De dag erna zei de lakei: ‘Ik krijg  het een beetje koud. Zullen we een kamerjas vragen?’ De prins protesteerde: “Kalkoenen dragen toch geen kamerjassen?’ Op dezelfde toon wierp de lakei  tegen: ‘Of wij kalkoenen zijn hangt toch niet af van zo’n onnozel detail. Er is geen wet die kalkoenen verbiedt een kamerjas te dragen. ‘Nee’, gaf de prins aarzelend toe. Ze kregen een kamerjas en waren nog evenveel kalkoen. Een paar dagen later liet de lakei, gekleed in zijn jas, een heel diner onder tafel opdienen. ‘Wat doe je nou?’ vroeg de kalkoen-prins.

‘Er is geen enkele reden, waarom kalkoenen moeten leven van kruimels en brokjes, als er een heel diner op ons wacht.’ De prins deed ook maar mee en samen met de lakei at hij van het feestelijke maal. Toen een week later het diner eraan kwam stelde de wijze man voor om het maal te gebruiken aan tafel gezeten in een stoel. ‘Jaja, ik weet al wat je gaat zeggen…’ Hij was het protest van de prins voor en zei: ‘Er is geen wet die het kalkoenen verbiedt om aan tafel te zitten.  Bovendien gaat het eten  op die manier veel gemakkelijker. Kom maar en kijk zelf maar.’

Toen de nacht bijna viel zei de lakei: ‘Ik zou wel weer eens in een lekker bed willen slapen in plaats van op de harde vloer, wat jij?’ De prins mompelde: ‘Wij zijn kalkoenen, die slapen toch eigenlijk niet in bedden?’ De lakei begon te lachen: ‘Ik blijf evenveel kalkoen hoor, waar ik ook slaap!’ Dat was wel waar. Die nacht sliepen de lakei en de prins allebei in een zacht bed. En ze bleven evenveel kalkoen.

Jaren later, toen de lakei al lang met pensioen was en de koning overleden, regeerde de prins als een waardig en rechtvaardig vorst. Hij werd alom gerespecteerd als een wijs man. En wat niemand wist: al die tijd was hij nog evenveel kalkoen gebleven.

Galerij

Vondeltjes – gezocht en aangeboden

img_2594

  • Prikkeldistels, doordenkertjes en breindbrekers

De missie van Vondel & Nassau is mensen en organisaties binnen het sociaal domein te inspireren bij hun werk. Dat doen wij dagelijks. Ook met prikkeldistels, doordenkertjes en breinbrekers.

Ons team van frisdenkers, dwarskijkers en kantelaars zoekt uitbreiding. Heb jijzelf interesse, of weet jij iemand die interesse zou kunnen hebben? Attendeer hem of haar dan op onze mogelijkheden. Of wijs de persoon in kwestie op onderstaand videofilmpje.

 

Geïnteresseerden kunnen bellen (088 0305000) of schrijven (Stadionstraat 11 b 9 te 4815 NC Breda) met Vondel  & Nassau. Zij kunnen hun belangstelling ook kenbaar maken via onze website: http://www.vondel-nassau.nl/over-ons/werken-bij/

Galerij

Veranderen is er niet alleen voor anderen

 veranderen

  • De menselijke maat en regels – de volgende fase in ontschotting en transformatie in het sociaal domein

Vanaf 2015 werken gemeenten, welzijn- en zorgorganisaties met de nieuwe wet- en regelgeving in het sociaal domein.

De Wmo 2015, Participatiewet, Jeugdwet en Passend Onderwijs zijn van kracht. Maar wat betekent dat nu voor hen in de praktijk?

Tijdens een dialoogsessie met professionals uit de praktijk heb ik onlangs stil gestaan bij de praktische toepasbaarheid van wet- en regelgeving. Daarbij kwam vragen aan de orde als:

  • Wat betekent de samenkomst van de wetgevingen sociaal domein nu in de praktijk?
  • Welke ruimte is er binnen de kaders van deze wetten?
  • Hoe pak je de wetgeving integraal op binnen het sociaal domein?
  • Waar zit er overlap in de wetgevingen en waar bijten deze elkaar?
  • En welke invloed heeft de privacy wetgeving op de integraliteit in het sociaal domein?
  • Wat hebben de veranderingen in het sociaal domein nu opgeleverd?
  • Hoe kunt je integraal samenwerken stimuleren en ondersteunen?
  • Wat wordt er verwacht van de transformatie op inhoudelijk en financieel vlak?
  • Van systeemwereld naar leefwereld ter bevordering van maatwerk en samenspraak inwoners
  • Hoe bewerkstellig je een cultuuromslag waar de transformatie om vraagt bij zowel de inwoners, als gemeenten en zorginstanties/-professionals?

Het werd een vindtocht langs valkuilen, uitdagingen en mogelijkheden. Want er is weliswaar sprake van één sociaal domein, maar wij handelen er nog lang niet naar….

Onderstaande video was leidraad bij deze inspirerende ontmoeting, die ik mocht faciliteren in het kader van de opleiding “Werken met wet- en regelgeving in het sociaal domein”                  

De opleiding is een initiatief van
Studiecentrum voor Bedrijf en Overheid
Postbus 845
5600 AV Eindhoven
Tel. 040 – 2 974 980
klant@sbo.nl
http://www.sbo.nl

Galerij

Van tevredenheid krijgt men snel genoeg

feedback

  • De zin of onzin van cliëntervaringsonderzoek

Gemeenten moeten in 2016 aan de slag met het cliëntervaringsonderzoek (CEO) Jeugd en Wmo. De uitkomsten van het CEO geven een beeld van de door cliënten ervaren kwaliteit van hulp en ondersteuning vanuit Wmo en Jeugdhulp. Het is – aldus de Vereniging van Nederlandse Gemeenten – dus een belangrijk instrument in de monitoring van de situatie en de resultaten van de transities. Ik heb er mijn twijfels bij….

De cliëntervaringsonderzoeken hebben tot doel om een beeld te geven van de ervaringen van de populatie cliënten op een bepaald moment. Op een hoog abstractieniveau wordt een beeld verkregen van de positieve ervaringen en eventuele verbeterpunten met betrekking tot zorg en dienstverlening.

En juist dat maakt deze onderzoeken naar mijn mening weinig  tot nietszeggend. De opbrengst moeten we met een flinke korrel zout nemen. Waarom?

De meeste cliëntervaringsonderzoeken zijn gedateerd. Presenteren resultaten van een periode die achter ons ligt. Wanneer de uitkomsten aanleiding geven om over mogelijke verbeteringen te praten, hoor je al gauw dat de praktijk het onderzoeksresultaat allang heeft ingehaald. “Het gaat nu veel beter als toen…..”.

De rapportages van de cliëntervaringsonderzoeken zijn, afhankelijk van de aard en inhoud van de conclusies  hapklare brokjes of een makkelijke prooi voor cliënten organisaties, aanbieders of bestuurders en politici. Zijn de resultaten goed (een zeven of meer), dan maken wij er graag goede sier mee. Zijn de scores lager (6 of minder), dan grijpen wij de rapportages graag aan om moord en brand te schreeuwen over de kwaliteit van de dienstverlening.

Maar, wat zeggen de meeste cliëntervaringsonderzoeken ons nu eigenlijk? In de meeste gevallen gaat het over een eindoordeel over de ontvangen ondersteuning of zorg. Dat eindoordeel is niet onbelangrijk, maar zegt lang niet alles.

Ikzelf bijvoorbeeld ben, na wat hart- en hoofdproblemen overall best tevreden over de zorg dit ik uiteindelijk heb mogen ontvangen. Maar tijdens het hele proces zijn er meerdere momenten geweest waarop ik heel ontevreden of ongelukkig was met de aard en inhoud van de geboden zorg. Er zijn momenten geweest dat ik, na en bezoek aan de specialist, mij ernstig afvroeg om mijn klachten wel serieus genomen werden. Situaties ook, waarbij mijn amateuristische kennis uiteindelijk beter bleek dan die van de behandelend arts. Momenten ook, waarop ik gekozen heb voor een andere arts, omdat ik het oordeel van een eerdere arts niet kon vertrouwen.

De meeste cliëntervaringsonderzoeken geven die inzichten en informatie niet. En als zij die informatie al bevatten, is het toch een beetje als kijken in de achteruitkijkspiegel. Geven zij een beeld van een situatie die ik, noch de ander, niet meer kan beïnvloeden.

Er zijn – grofweg – vijf dimensies die de tevredenheid van cliënten bepalen: betrouwbaarheid, zekerheid, tastbare zaken, empathie en responsiviteit. Bij kwaliteitsmetingen is het niet voldoende om alleen de uiteindelijke tevredenheid met betrekking tot de verleende ondersteuning of zorg te weten. Ook de verschillende stappen om tot dat resultaat te komen en de relevantie daarvan voor de cliënt doen er toe. Juist door (ook) op die momenten de thermometer erin te stoppen wordt echt inzichtelijk hoe het kwaliteitsoordeel is samengesteld. Een goed uitgevoerd cliëntervaringsonderzoek wordt dan ook gebaseerd op basis van een combinatie van waardering- en belangscores met betrekking tot de verschillende momenten van contact en dienstverlening.

Cliëntervaringsonderzoek kan – en moet naar mijn mening – veel meer verbonden worden  aan het lopende en primaire proces van zorg- en dienstverlening. Waardoor het een veelzeggend instrument wordt  waarmee zowel de cliënt als de dienstverlener elkaar helpen om zowel de kwaliteit van zorg als het primair proces te optimaliseren. Niet meten dus, om elkaar met de uitkomsten op de schouders of om de oren te slaan. Niet meten ook, om aan een verplichting te voldoen, maar meten als middel om het gesprek tussen de cliënt en de dienstverlener te ondersteunen. Waardoor het mogelijk is nog tijdens het proces te verbeteren. Feedback on demand noem ik het voor het gemak maar even. Een werkwijze waarbij systematisch gebruik gemaakt wordt van cliëntenfeedback. Met als doel de resultaten van de hulpverlening te verbeteren.

De feedback wordt gebaseerd op hoe het met de cliënt gaat en hoe de cliënt het hulpverleningscontact heeft ervaren. Niet alleen neemt hierdoor de effectiviteit van de hulp toe, maar ook worden resultaten in minder sessies bereikt en wordt voortijdige uitval uit de hulpverlening of ontevredenheid achteraf voorkomen. Dat alles draagt ook bij aan (meer) zelfredzaamheid, eigen regie en eigen verantwoordelijkheid van de cliënt.  Het stimuleert ook een meer gelijkwaardige relatie tussen de dienstverlener en de cliënt. Door te leren van elkaars ervaringen krijgen cliënten ook de ruimte om echt op te treden als opdrachtgever van de zorg.

Is dit een utopie? Integendeel! Er zijn inmiddels al meerdere systemen en methoden ontwikkeld die deze werkwijze mogelijk maken. Zij brengen op een slimme wijze, en gerelateerd aan het primaire werkproces, de reis van de cliënt in kaart. Zo ontstaat inzicht in de rollen, werkwijze en contactmomenten tussen dienstverleners en cliënten. Per contactmoment kan vervolgens worden vastgesteld wat of de beleving van de dienstverlener en de cliënt is. En per contactmoment zijn er dus mogelijkheden tot een actieve interventie. Niet om elkaar er op af te rekenen. Maar om elkaar beter te begrijpen en de (ervaren) kwaliteit van dienstverlening in zijn totaliteit op een hoger plan te brengen.

Meer meten over deze mogelijkheden? Lees dan dit eens, of neem een kijkje op de website van Evolvr: www.evolvr.nl. Het loont de moeite. Voor de kwaliteit, de waardering én de kosten. Want we hebben mensen nodig die ons feedback geven. Dat is hoe wij beter worden.

Galerij

Schaarste is een goede beurs

schaarste

Gemeenten besteden veel zorgtaken uit aan welzijns- en zorgvoorzieningen. Deze video gaat in op dit thema: sturen en bekostigen binnen het sociaal domein.

Het sturingsinstrument dat in deze video centraal staat, is de bekostigingsmethode en de betekenis daarvan voor een ander belangrijk thema binnen het sociaal domein: de transformatie c.q. omvorming.

De video bespreekt de verschillende bekostigingsvormen.

Veel gemeenten houden (nog) vast aan een vaste vergoeding per uur van geleverde zorg of voor een bepaalde product. Deze manier van bekostigen prikkelt aanbieders of uitvoerders echter niet om op kosten te besparen door met innovatieve behandelmethoden het zorgvolume te verlagen. Alternatieve bekostigingsmodellen geven een sterkere prikkel tot doelmatigheid, maar gaan weer gepaard met andere risico’s. Zoals het verlies van kwaliteit of afwenteling.

De video is opgesteld ten behoeve van een inspirerende ontmoeting, georganiseerd door het Zorgalliantiecafé op 29 september 2016. Het Zorgalliantiecafé is een gezamenlijk project van Meervoormekaar (Wijchen) en de HAN (Zorgalliantie) met als doel om op een informele wijze met elkaar van gedachten te wisselen. In dit geval over het thema ‘Populatiebekostiging’.

  • De video is opgesteld ten behoeve van een inspirerende ontmoeting, georganiseerd door het Zorgalliantiecafé op 29 september 2016. Het Zorgalliantiecafé is een gezamenlijk project van Meervoormekaar (Wijchen) en de HAN (Zorgalliantie) met als doel om op een informele wijze met elkaar van gedachten te wisselen. In dit geval over het thema ‘Populatiebekostiging’.
Galerij

Neem je tijd, maar snel een beetje…

dubbelen

  • Wij willen jou niet opjagen, maar…

Het wel, niet of halverwege het jaar overgaan van kleuters naar groep 3, is iets waar het Ministerie zich helemaal niet mee moet bemoeien. Dit is een zaak van de leerkrachten en de ouders. Die hebben hun professie en kennen hun kind. Dus met de beslissing van wel of niet naar groep 3 gaan, daar heeft de minister niets en dan ook niets mee te maken.

Waarom ik dit zo stellig zeg? Deze week presenteerde de minister van Onderwijs, Sander Dekker, samen met de PO-raad een handreiking waarin de ‘vertraging’ van kinderen in de kleuterklassen als probleem gepresenteerd wordt. En ja, het is een probleem. Maar dat is nou net niet het probleem wat de minister aanpakt.

Mijn kleinzoon, Joshua, geboren in december, is een zogenaamde ‘late’ leerling. Eind van het vorig schooljaar werd door zijn school – in samenspraak met zijn ouders – besloten dat hij nog een jaar zal ‘doorkleuteren’. Gezamenlijk oordeelden zij dat Joshua nog niet toe was aan een volgende stap in zijn schoolcarrière. Inmiddels is het nieuwe schooljaar gestart.

De afgelopen week bood de juf van Joshua aan alle kinderen een tweetal stickers aan. Ze konden kiezen tussen een lachende en een sippe smiley.  Joshua koos, als enige, voor de sippe smiley en werd door de juf uitgenodigd om aan de groep te vertellen waarom hij die keuze had gemaakt.

Joshua vertelde zijn klasgenootjes dat hij het eigenlijk helemaal niet zo naar zijn zin had in deze klas. Al zijn vriendjes uit het vorige schooljaar waren naar groep drie gegaan. En in deze groep kende hij nog te weinig kinderen. Bovendien waren hun interesses niet de zijne.

Voor Joshua is het zo open voor een groep staan geen vanzelfsprekendheid. Juist daarom triggert zijn optreden mij. Het zou, zo denk ik, in ieder geval aanleiding moeten zijn om het voor de zomer genomen besluit tot ‘doorkleuteren’ te heroverwegen. En, indien die heroverweging daartoe aanleiding geeft, alsnog tot een tussentijdse overstap naar groep drie moeten kunnen leiden. En dat, dat blijkt lastiger….

Het probleem is ontstaan vanaf 1986. Daarvóór was het simpel: wie vóór 1 oktober 6 jaar werd, mocht door. Daarna werd het ingewikkelder. Want vanaf 1986 moet een leerkracht zelf inschatten wanneer een kind toe is aan groep 3.

De vroegere 1-oktoberregeling was hard, maar wel duidelijk. Kinderen die na 1 oktober 6 jaar werden, mochten nog niet naar ’de grote school’. Alleen bij hoge uitzondering kwamen school en ouders overeen dat zo’n jong kind toch al deze grote stap mocht maken.

Nu is het andersom. Kinderen die in het najaar 6 jaar worden, gaan na de zomervakantie, als ze nog vijf zijn, al naar groep 3, waar ze leren lezen en schrijven. Alleen als er gegronde redenen voor zijn, kunnen ze nog een jaartje in de kleuterklas blijven. Een enkele school biedt tegenwoordig de mogelijkheid om na de kerst, in januari dus, alsnog door te stromen naar groep drie. In de meeste gevallen echter moet et extra kleuterjaar volledig doorlopen worden.

Jaarlijks zijn er heel wat (groot-)ouders die met dit dilemma geconfronteerd worden. Het leidt niet zelden tot heftige discussies tussen ouders en scholen; en veel getob. Ook, omdat het besluit tot ‘doorkleuteren’ niet zelden gepresenteerd of door de ouders dan wel omgeving, ervaren wordt als ‘zitten blijven’. Want sinds we geen aparte kleuterschool meer hebben, maar één basisschool met doorlopende klassen van 1 tot 8, is een jaar overdoen (in welke groep dan ook, dus ook in groep 2) volgens hen gewoon doubleren.

Ik ben het met die zienswijze niet eens, maar begrijp haar wel. Want ons onderwijs systeem zit – nog altijd – vreemd in elkaar. Een jaar langer doen over de basisschool, kan later – bij het vervolgonderwijs – onbedoeld een contra-indicatie opleveren. Onderwijsinstellingen immers willen, afgerekend en beoordeeld als zij worden op ‘prestaties’ en ‘geslaagden’, liever geen ‘risico’-leerlingen. En als vervolgens ook de onderwijsinspectie zelf erop wijst dat de wet ervan uitgaat dat de basisschool acht jaar duurt, is negen jaar dus te lang…..Maar een kind dat in oktober of november – of zoals Joshua, in december – is geboren en bijna drie jaar in de kleuterklas blijft, is bijna zeven als hij naar groep 3 gaat. Zo’n kind doet dan bijna negen jaar over de basisschool. En dat zou – volgens diezelfde Onderwijsinspectie – een verstoring van de ononderbroken leerlijn met zich brengen.

Het voorgaande doet mij – als grootvader zowel als professioneel – bij tijd en wijle diep zuchten. Het onderwijs is weliswaar efficiënter geworden maar de voor het gepredikte maatwerk noodzakelijke flexibiliteit is eerder minder geworden en de druk op de overgangen toegenomen.

Anders dan vroeger, gaat tegenwoordig elk kind vanaf zijn vierde verjaardag naar school. De kinderen komen druppelsgewijs (namelijk vanaf hun verjaardag) binnen in een kleuterklas, waar groep 1 en 2 meestal bij elkaar zitten. Het zou logisch zijn als dit in de daaropvolgende jaren ook zo zou zijn. Echter, de overgang naar groep 3 is hard: alleen na de zomervakantie starten de meeste scholen met nieuwe groepen 3. Ik vind dát een ongewenste ontwikkeling.

We behalen binnen ons onderwijs goede resultaten. Willen en beogen ook meer ruimte voor flexibiliteit en maatwerk. Om op die manier individuele leerlingen meer kansen te bieden, hun talenten te benutten en hen de bijpassende kwaliteitssprong te laten maken. Maar we doen dit, met aan de meet een spandoek dat schreeuwt: “Wij willen je niet opjagen hoor, maar…”