Gemengde gevoelens

stroke

  • Doe beter een kleinigheid goed dan veel beneden de maat

Afgelopen week was ik (opnieuw) het doelwit én slachtoffer van een  propjesschieter. Met een korte crash van mijn ‘harde schijf’ – ook wel ‘grijze cellen’ genoemd – als gevolg. De veroorzaker hiervan is nog voorvluchtig resp. nog niet geïdentificeerd. Het lopende onderzoek leverde mij – als cliënt nu – al diverse inkijkjes in ons zorgstelsel op. Daar doorheen bladderend heb ik gemengde gevoelens.  Van trots, verbazing, ongeloof en kippenvel.

Trots over en op de passie waarmee ik professionals hun werk zie doen. Mijn huisarts, die mij serieuzer nam dan ikzelf. De verpleegsters op de Spoedeisende Hulp (SEH), die mij snel en vakkundig doorheen verschillende onderzoeken leidden. Het geduld ook van de verpleegkundigen op de verpleegafdelingen. Ook ten opzichte van patiënten die daarop – wat mij betreft – geen recht hadden. Ware ik niet aan bed en monitor gekluisterd geweest! Dan had ik een enkele patiënt graag geconfronteerd. Het onhebbelijk onredelijke en soms ronduit beledigende gedrag van medepatiënten heeft mij meerdere malen vervuld met ongeloof en verbazing.

Kippenvel kreeg ik van mijn laatste kamergenoot. Een heer op leeftijd. Rond 23.00uur (wisseling van de wacht) vertelt hij de avondzuster het koud te hebben. Zij schudt het bed een beetje op en laat de man weten dat hij – als hij dat wil – de nachtdienst om een extra deken kan vragen. De goede man, oud, maar niet gek, reageert ad rem: ik kan dat dus ook aan u vragen. Wat hij doet. Om 00.15 uur hoor ik mijn buurman aan de nachtzuster opnieuw om diezelfde deken moeten vragen…..

Kippenvel kreeg ik ook van de vasthoudendheid waarmee verpleegkundigen zich vastbeten in een noodzakelijk gevonden oplossing. Een oudere man op de afdeling Neurologie was na een omzwerming via meerdere ziekenhuizen en ambulances hier beland. Hij is van buitenlandse komaf, spreekt gebrekkig Nederlands en is tijdens zijn omzwervingen al zijn persoonlijke bezittingen (geld, sleutels woning, ID-kaart, etc.) kwijtgeraakt. Volgens de een verloren, volgens de ander gestolen. Aangifte van verlies of diefstal is mogelijk, maar bij het politiebureau in zijn woonplaats (Den Haag). Best lastig als je vanuit de regio Rijnmond  zonder geld of identiteit moet reizen. De verpleegkundigen brachten uiteindelijk de eigendommen van de man weer boven tafel. Dat kostte heel wat telefoontjes, frustraties en overredingskracht. Hoe ik dat weet? Mijn kamer lag tegenover de balie van de afdeling. Ik had daar het eerste bed bij de deur en kon dus de vele gesprekken die gevoerd werden bijna woordelijk volgen. Zoals ik heel veel – te veel – tijdens mijn verblijf kon volgen.

Privacy was en is ver te zoeken. Dat was ook na meerdere eerdere opname in dit ziekenhuis al mijn conclusie. Die bevindingen heb ik vaker en op verschillende wijze met hen gedeeld. Zonder merkbaar resultaat. Tot nu toe.

Op de SEH was ook deze keer nog sprake van een zekere privacy. Eenmaal ‘op zaal’ was daarvan geen sprake meer. Letterlijk werd mij – en de patiënten die na mij werden opgenomen – het hemd van het lijf gevraagd. Zelf als je niet wilt horen moet je als kamergenoot wel meeluisteren. Wat voelde ik mij ‘naakt’ en – later, jegens mijn medepatiënten – beschaamd.  Ik hoef niet te horen dat het broekje van mevrouw aan de overkant verschoond moet worden omdat er kennelijk iets mis gegaan is bij het ontlasten.

Veel van dat wat mij gevraagd werd, staat in mijn medisch dossier. Ik heb toestemming gegeven, dat deze informatie door mijn artsen gedeeld mag worden. Het LSP (Landelijk Schakelpunt) zorgt daarvoor. Dat mag alleen als het nodig is voor mijn behandeling. Andere zorgverleners kunnen dan mijn actuele medische gegevens opvragen. Zo beschikken zij snel over de juiste informatie en kunnen ze mij de juiste zorg geven. Van die toestemming bleek geen gebruik te worden gemaakt. Waardoor informatie over mij – uit recent en relevant onderzoek in een ander ziekenhuis – niet gebruikt werd. Mijn afdronk van dit alles? Wat niet gedeeld hoort te worden, wordt overmatig gedeeld. Wat gedeeld mag worden, wordt dood gezwegen. Of alle onderzoek dat ik dezer dagen heb ondergaan daarmee ook overbodig was? Ik weet het niet, maar ik heb wel mijn twijfels. De getekende ontslagbrief – inclusief nieuwe medicatie – zag ik, wachtend op mijn MRI-scan – zat al in mijn dossier….

De twijfel over doelmatigheid wordt verder versterkt door de gang van zaken rond mijn medicatie. Die krijg ik steeds voor drie maanden voorgeschreven. Via het eerdere genoemde LSP kan direct worden vastgesteld wat ik nog in huis kan hebben. Of wat moet worden aangevuld. In mijn geval – zo blijkt bij mijn ontslag uit het ziekenhuis – moet een van mijn huidige medicijnen vervangen worden door een ander. En dus volgt een recept. Alleen voor het nieuwe medicijn? Zou je denken. Ik krijg voor alle medicijnen een recept mee; voor een maand. Terwijl ik – zo blijkt later bij mijn apotheker, die wel het LSP raadpleegt – van alle medicijnen nog voor ruim twee maanden in huis heb!

Ik ben inmiddels ruim 40 jaar, vanuit vier verschillende functies, nauw betrokken geweest bij de ontwikkelingen binnen ons zorgstelsel. Zo’n ziekenhuisopname is een mooi moment van reflectie. Die reflectie leidt tot verwondering zowel als bewondering. Ik heb geen medische achtergrond, en daarom des te meer respect voor het werk dat artsen, verpleegkundigen en alle andere beroepsbeoefenaren dagelijks verrichten. Maar er is ook reden tot verwondering. Voor een relatieve buitenstaander blijft de zorg een gesloten bastion, met eigen regels en een eigen logica. Dat zich weinig gelegen laat liggen aan de rest van de samenleving. Bezoekuren die worden ingekort ten faveure van de rust voor de patiënten. Het klinkt mooi en plausibel. Maar als ik – in mijn ziekenhuisbed gelegen – bijna doorlopend de slaap niet kan vatten vanwege luidruchtige verpleegsters, wordt dat al gauw kwestieus.

Voor de mensen die mij dreigen mis te verstaan: Met alles wat nog beter kan – en dus moet – ben ik trots op de werking van en de professionals binnen dit stelsel. Heb ik grote bewondering voor de medici, verpleegsters en aanverwante ondersteuning die in de hectiek van alledag  hun werk (moeten) doen. Juist daarom irriteert het mij dat de kwaden het werk van de goeden te grabbel gooien. Ik zal dat, ook vanuit mijn functie als patiënt, kritisch blijven volgen. Om de successen gevierd te krijgen. En de fouten, net als mijn propjesschieter, opgespoord en geëlimineerd te krijgen.

Advertenties

Geboorte – geheim van de natuur

baarmoeder tweeling.png

  • Leven na de geboorte

In de moederbuik praten de twee leerlingen met elkaar. “Geloof jij in een leven na de geboorte?” “Ja”, zegt de ene. “Hoe ziet dat er dan uit, een leven na de geboorte?” “Dat weet ik niet precies. Maar het zal wel lichter zijn dan hier. En misschien lopen we wel rond en eten we met onze mond?” 

“Rondlopen, dat gaat toch helemaal niet? En met de mond eten? Hoe dan? Er is toch een navelstreng die ons voedt. Bovendien is de navelstreng veel te kort.” 

“Ik geloof dat alles echt anders zal zijn”.

“Nou, ik denk dat met de geboorte het leven ten einde is. Ik blijf liever bij dat wat ik hier en nu ervaar: het leven is een kwelling en het is donker…”

“Nee, we zullen dan onze moeder zien en zij zal voor ons zorgen.”

“Geloof jij in een moeder? Waar is ze dan?”

“Hier, overal om ons heen. Wij zijn en leven in haar en door haar. Zonder haar zouden we er helemaal niet zijn!” 

  • Uit: Lente in je hart – Erich Kaniok

Cultuur is één ding en vernis een ander

filmster

  • De cultuur veranderen

Nasrudin had een ontmoeting met de directie van een groot bedrijf. Ze vroegen hem hoe ze de cultuur van hun organisatie konden veranderen.

“Wat wilt u echt veranderen?” vroeg hij.

“De missionstatement, het bedrijfslogo, onze rituelen, enzovoort,” antwoordde nummer een.

“U klinkt als een filmster op haar retour die met behulp van plastische chirurgie haar populariteit tracht te herwinnen,” zei Nasrudin.

“Nee, nee,” zei nummer twee. “We willen ons gedrag veranderen, hoe we omgaan met de arbeiders op de werkvloer. We willen dat ze ons begrijpen.”

“Het klinkt alsof de filmster op haar retour spraakles wil nemen,” antwoordde Nasrudin laconiek.

“Mijn collega’s begrijpen het niet,” kwam nummer drie tussenbeide. “Het gaat veel dieper dan zij beseffen. We dienen onze denkrichting te veranderen, het perspectief van waaruit we naar problemen kijken.”

“Heeft de oude filmster een nieuwe bril nodig?”

“Dat is niet eerlijk,” wierp nummer vier tussenbeide.

“Wat we tot op de bodem moeten uitzoeken is hoe het voelt om in het bedrijf te werken, de motivatie die ten grondslag ligt aan ons samenzijn.”

“Aha!” antwoordde Nasrudin, “ik begrijp dat de filmster op haar retour eindelijk heeft besloten dat de tijd rijp is voor psychotherapie. Maar, ze is evengoed een filmster op haar retour.”

Wie is hier nou gek?

debiel.png

  • DEBIEL – Wie is hier nou gek?

Rahima is 26, maar heeft het niveau van een kind van 5. Het weerhield regisseur Dewi Reijs er niet van om een film met Rahima te maken. “Het was een te gekke tijd.”

DEBIEL is een korte jeugdfilm (15min.) over Yildiz, een Turks verstandelijk gehandicapt meisje. Zij komt terecht achter de schermen van een modeshow, Die dag gaat haar grootste wens in vervulling

De film is het regiedebuut van Dewi Reijs.

Toelichting

Dewi Reijs (33) en de Turkse Rahima Güngor kwamen veel bij elkaar over de vloer. Tien jaar lang waren ze buurmeisjes in de Baarsjes in Amsterdam. “We zijn echt vriendinnen, hoe verschillend we ook zijn”, zegt Dewi. “Rahima was vaak bezig met verkleden. Ik vond dat grappig en dacht: hier moet ik wat mee.”

Dewi studeerde aan de Amsterdamse Toneelschool en Kleinkunstacademie en is actrice en regisseur. Ze besloot een film te maken, geïnspireerd op ex-buurmeisje Rahima. “Het was moeilijk om aan financiering te komen. Omdat ik iemand met een verstandelijke beperking een grote rol had gegeven, dachten ze: eerst zien, dan geloven.”

Debiel
Nu geloven ze Dewi wel. ‘Debiel’ is haar regiedebuut en de korte film is genomineerd voor de Short Film Corner van het Filmfestival in Cannes. Naast Rahima heeft ook Emmy-winnares Maryam Hassouni een hoofdrol. De film gaat over een verstandelijk beperkt meisje, Yildiz, dat net als Rahima van kleding houdt. Door toeval komt ze op de catwalk van een grote modeshow terecht. Op die dag gaat haar grootste wens in vervulling.

Rahima is verstandelijk gehandicapt geboren. Iemand opbellen is lastig voor Rahima, maar bij Dewi kletst ze veel. “Daarom gingen de repetities voor de film ook goed. Ze kende me al, vertrouwde me.” Maar: het kostte tijd. Veel tijd. “Rahima kan niet veel onthouden. Ik moest dingen eindeloos herhalen. Vooral de teksten waren heel moeilijk.” Soms wist Rahima niet meer wat ze moest zeggen. “Even wachten”, zei ze dan tijdens de repetities. “Het wordt moeilijk in mijn hoofd, mijn hoofd zit vol.”

Onbegrip
Rahima oefende met de acteurs en de crew in de gymzaal van de dagopvang in Osdorp. Er waren op de set altijd begeleiders aanwezig, naast Dewi. “Ik stond vaak naast de camera en deed voor wat ze moest doen. Ze snapte wel dat ze aan het acteren was, maar je kunt tegen iemand zoals Rahima niet zeggen: ‘Ga eens naar links’. Dat begreep ze niet. Daarom moesten we ook veel meer repeteren dan ‘normaal’ is in de filmwereld.”

Na de opnames voelde Rahima zich als een filmster. “Op een gegeven moment ging ze wel een beetje naast d’r schoenen lopen. Dan was ze geïnterviewd, sprak ze klasgenootjes van de dagopvang en dan deed ze alsof ze heel bijzonder was. Ik zei dan: ‘Dat mag je nooit doen’. Maar ik kon er ook wel om lachen.”

Met de titel van de film wil Dewi een statement maken. “‘Debiel’ is misleidend. Je denkt in eerste instantie dat het om Rahima gaat. Want, eerlijk is eerlijk: mensen met een verstandelijke beperking worden zowel door kinderen als volwassenen vaak ‘debiel’ genoemd. ‘Ha, zie die debiel, daar’. Met mijn film wil ik mensen laten inzien: wie is hier nou debiel? Rahima is uniek om wie ze is, maar in de film zie je dat ‘normale’ mensen juist debiel kunnen doen.”

Eindeloos doel

ezel

  • Met welk doel?

De directie van een groot bedrijf werkte aan hun missionstatement.

“Wat is uw fundamentele doel?” vroeg Nasrudin.

“Onze missie is om voortdurend toenemende dividenden voor onze aandeelhouders te creëren,” verklaarden zij.

“Met welk doel?” vroeg Nasrudin.

“Zodat ze meer winst zullen maken die ze opnieuw in ons bedrijf willen investeren,” zeiden ze.

“Met welk doel? vroeg Nasrudin.

“Zodat zij meer winst maken,” zeiden ze en een beetje geïrriteerd.

“Met welk doel?” vroeg Nasrudin onverschillig.

“Zodat ze zullen herinvesteren en meer winst zullen maken.”

Nasrudin dacht hier even over na en bedankte hen voor hun uitleg.

Later die week hadden ze afgesproken om naar Nasrudin te komen om verder aan de missionstatement te werken. Ze troffen hem aan in de tuin, waar hij probeerde zijn ezel vol te proppen met haver.

“Wat doet u?” vroegen ze. “U geeft dat arme dier zoveel eten dat hij geen poot meer zal kunnen verzetten.”

“Maar dat is ook niet de bedoeling,” antwoordde Nasrudin. “Zijn doel is om mest te produceren.”

“Met welk doel?” vroegen ze.

“Omdat ik zonder mest niet genoeg haver op mijn kleine stukje grond kan verbouwen om dit gulzige beest te voeden.”

Hoe wij onze waardigheid verbruien

waardigheid.png

  • Het meten met maten tweespalt onze samenleving

Vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. Dit zijn belangrijke waarden in onze samenleving. Maar wat betekenen deze waarden? Wat merken u en ik hiervan in ons dagelijks leven? Wat verwacht de Nederlandse samenleving.

van ons? En wat kunnen wij van de samenleving verwachten? Ik registreer een sterke erosie van die kernwaarden. Zie, hoor en ervaar bijna dagelijks hoe wij ons waardigheid verbruien. En daarmee onze kernwaarden.

Ik ben geïrriteerd. Door een zekere Nederlandse ‘cabaretier’. Ik ben gechoqueerd. Door de vaststelling dat het ene leven er kennelijk meer toe doet dan het andere. Ik ben gedesillusioneerd. Omdat wij kernwaarden prediken, terwijl wij ze tegelijkertijd met reuzelaarzen plattrappen. Het gevolg? Ik moet de nodige moeite doen om mijn eigen waardigheid te behouden. Met redelijkheid, fatsoen en gecontroleerde passie. Eenvoudig is dat niet, moet ik erkennen.

Een komiek maakt een grap. Het doelwit daarvan wordt woedend. Hij noemt het belediging. Dom! Was ik dat staatshoofd, dan zou ik die cabaretier een kast schenken. Met daarbij een welgemeend advies: Kom eruit! Waarna hij eindelijk kan toegeven aan zijn lusten. Die hij kennelijk heeft, maar  die hij – in de valkuil van woede stappend die het staatshoofd groef – platvloers meent te moeten projecteren op datzelfde staatshoofd. Met zijn als opzettelijke belediging bedoelde beschuldiging voegt hij niets toe aan de onwaardige reactie van het staatshoofd. Hij ontneemt slechts zijn eigen waardigheid.

Humor, satire, spot en belediging. Het hoort bij onze open en vrije samenleving. Stellen politici, commentatoren enzovoort. Met de premier voorop. Hij noemt het zelfs een kernwaarde van onze samenleving. Voor wat betreft humor, satre, spot kan ik dat van harte onderschrijven. Belediging? Dat hoort niet bij onze samenleving. Zegt ook de grondwet. Belediging is – mits vastgesteld – strafbaar. Met een apart haakje voor staatshoofden. Belediging daarvan is extra strafbaar. En dat, zo besluit onze regering in de slipstream van het oorspronkelijke akkefietje, is niet nodig of terecht. Iedereen is gelijk. Voelt hij of zij zich beledigt, dan kan de persoon in kwestie aangifte doen.

Onderwijl is het op de hak nemen van dat ‘bevriende’ staatshoofd verworden tot een ordinair spelletje ‘pesten’. Ministers, politici, bestuurders, journalisten, presentatoren en commentatoren. Iedereen doet er aan mee. Niet zelden zijn dat dezelfde mensen die aan de basis staan van de – terecht –  bloeiende antipestindustrie. Zij schreeuwen moord en brand over pestgedrag dat mensen – kinderen soms – zelfs tot zelfmoord brengt. Wij adviseren hen om zich er niks van aan te trekken om. Nog is dat niet gezegd, of wij keren ons om en geven een stevig lesje in pesten. Het goede voorbeeld is niet om meer respect roepen, en tegelijkertijd respectloos gedrag te tonen.

Nederland is een rechtsstaat. Dat betekent dat iedereen dezelfde rechten heeft, en dat iedereen zich aan dezelfde regels moet houden. Een mooi uitgangspunt, dat ik graag onderschrijf. Het schrappen van de bijzondere positie van staatshoofden kan ik dan ook onderschrijven. Maar dit besluit roept ook een gevoel van dubbelhartigheid op.

Ieder mens is gelijk. Zeggen wij. Zeggen ook de Universele Rechten van de Mens. Maar steeds vaker denk ik: wat we zeggen en schrijven doen we niet.

Wij staan regelmatig in vuur en vlam. Of in tranen. Als er een bekendheid komt te overlijden bijvoorbeeld. Zoals bij het verscheiden van  David Bowie of The Artist Formal Known As Prince (Tafkap). Daar is niks mis mee. Het heeft ook iets moois. Maar, het schuurt ook. Zeker als wij tegelijkertijd de meer dan 10.000 verdwenen vluchtelingenkinderen als meer dan een voetnoot in het nieuws voor kennisgeving aannemen.

En waar is de gelijkheid van mensen wanneer er sprake is van geweld? Partners die elkaar het hoofd inslaan is erg. Maar, als ik uitspraken van bestuurders en politici mag geloven, niet zo erg als geweld tegen een agent of andere functionarissen in overheidsdienst. Onbestaanbaar zelfs is het, als het geweld de bestuurders zelf raakt. Dat vraagt de hoogste en strengste straffen. Zo moet ik begrijpen. Kennelijk, zo merk ik op, is er toch sprake van minder- en meerderwaardige mensen. Ook in onze rechtstaat.

Is ieder mens gelijk? Het Kastenstelsel is verworpen. De grondrechten van alle mensen zijn vastgesteld.  Wij wapperen daar lustig mee. In de richting van anderen. Terwijl wij ondertussen lustig bouwen aan een nieuw eigen kastenstelsel. Met de grondwet als dekmantel.

Als wij onze kernwaarden serieus nemen, dan stelt dat ook eisen aan ons doen en laten. Dat vraagt, meer nog dan ons aan wetten en regels houden, om het zelf uitdragen daarvan. Wetten en regels mag en moet je durven overtreden. Als de situatie daarom vraagt. Voor de kernwaarden geldt het omgekeerde. Als wij daarmee gaan marchanderen – en dat doen wij – dan zaaien wij de tweespalt die wij vrezend groeien zien. En zullen wij geweld en strijd oogsten. De grens tussen humor of spot en belediging is als die tussen plagen en pesten. Zij kennen een ragfijn overgangsgebied. Juist daar is waardigheid geboden.

Afsluitend herhaal ik graag in eigen woorden een uitspraak van Marcus Aurelius (121-180), Romeins keizer. Hij zei het ooit zo mooi: “Beslis van uur tot uur krachtig, gelijk een mens betaamt, om wat er gedaan moet worden te doen met een onberispelijke en natuurlijke waardigheid, met humaniteit, onafhankelijkheid en rechtvaardigheid.”

Een Spannende Dag voor Anna

pleegzorg10

  • Deze voorlichtingsfilm voor jongere (pleeg)kinderen werd gemaakt in opdracht van Pleegzorg Nederland.

Het educatieve filmpje (2010) geeft kinderen een kijkje in het leven van een pleegkind.