Galerij

Meestromen

waterstroom

  • Leven in een flow

Niets doen
Ik volg de loop van het water …
Ik zit stil, doe niets.
De lente komt en het gras groeit vanzelf.

Op een dag maakten de wijsgeer Confusies en zijn volgelingen een wandeling langs een waterval die van honderdvijftig meter hoogte naar beneden stortte. Het schuim dreef over een afstand van zestig kilometer voort. Geen schildpad, vis of krokodil kon zich in de kolkende massa handhaven. Toen zag het gezelschap tot hun verbijstering een oude man rondzwemmen in het kolkende water. Het kon niet anders of hij verkeerde in doodsnood. De wijsgeer stuurde zijn volgelingen erop af om hem te redden. Toen ze dichterbij kwamen, liep de man echter alweer zingend op de kant. Zijn haar hing los en hij genoot van de prachtige omgeving.

Confucius sprak hem aan, en zei: ‘Ik zag u voor een geest aan, maar nu zie ik dat u een mens bent. Mag ik vragen: hebt u soms een bijzondere truc om door dit woeste water te gaan?’ De man antwoordde: ‘Nee, een bijzondere kunstgreep heb ik niet. Maar ik begon het te leren op jeugdige leeftijd en toen ik opgroeide, werd het mijn tweede natuur. Nu is de goede afloop zo zeker als het lot. Ik ga erin en ga met het water mee omlaag tot aan het middelpunt van de draaikolk. Ik kom weer boven als het de andere kant uit draait. Ik volg de loop van het water en doe niets uit mijzelf om er tegenin gaat. Dat is de manier waarop ik er doorheen kom.’

Galerij

Afstemming: Een polderwoord om (in) te verzuipen

integraal kindcentrum.jpeg

  • Jeugdhulp en (Passend) onderwijs: van afstemmen naar samen optreden

Kleinere klassen, minder werkdruk, effectieve aandacht voor ouders en kinderen. Het valt allemaal te realiseren. Niet met meer geld, maar door bestaande budgetten slimmer toe te delen. Ik pleit daarom voor een verdergaande stap: maak jeugdhulpverlening structureel – en daarmee een vanzelfsprekend – onderdeel van de ondersteuningsstructuur op school. Oftewel: hevel een belangrijk deel van de jeugdhulp over naar het onderwijs. Ouders voeden hun jeugdigen immers niet in hun eentje op. De school en voorzieningen als opvang, jeugdwerk en sport dragen eveneens bij aan de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Die zijn nu onvoldoende op elkaar gericht. Het stevig pedagogisch fundament, een gedeelde visie op de ontwikkeling en opvoeding van de jeugd binnen en buiten de school – en op de daaruit voortvloeiende taken van ouders, betrokken professionals en hun instituties – ontbreekt daardoor.

Veel problemen in het leven van mensen hebben hun wortels in de jeugd. Het tijdig signaleren van (het ontstaan van) deze problemen en het bieden van de benodigde ondersteuning, hulp of zorg aan kinderen, jongeren en hun ouders kan dat vaak voorkómen. Dat weten we al jaren. Dat begint bij ouders die het beste willen voor hun zoon of dochter. En ja, de meeste jeugdigen in Nederland ontwikkelen zich zonder al te veel problemen tot autonome en sociale volwassenen die een positieve bijdrage leveren aan de samenleving. Omdat de ouders het opvoeden met vallen en opstaan leren en toepassen en als opvoeder met hun kind meegroeien.

Soms echter lukt dat niet. Omdat ouders en/of hun jeugdigen uit het evenwicht geraken, doordat er binnen het gezin of de omgeving sprake is van bijzondere omstandigheden. Eigenschappen van jeugdigen en ouders en/of kenmerken van de omgeving kunnen het gezinsleven en/of het proces van opgroeien en opvoeden extra belasten. Eén enkel probleem vormt meestal nog geen al te groot risico. Lastiger wordt het als er meer aan de hand lijkt. Als problemen en stressfactoren voor en bij ouders en/of jeugdigen toenemen, neemt de draagkracht om de daaraan verbonden opgave zelf aan te kunnen echter vaak evenredig af.

Terwijl juist dan de sociale steun van de directe omgeving de belangrijkste factor is, hebben wij die ondersteuning in de afgelopen jaren – met de beste bedoelingen – kapot gesegmenteerd. Door zorg en goede bedoelingen meer en meer te vertalen in psychopathologie, ontwikkelingsstoornissen, handicaps en/of disfunctionele gezinsinteracties. De hoeveelheid en kringen van professionals rondom ouders en jeugdigen zijn daardoor in de loop der jaren stevig gegroeid. Terwijl veel ‘problemen’ heel normaal zijn. Somberheid, angst, druk gedrag, tegendraadsheid, agressie, het zijn tot op zekere hoogte normale verschijnselen bij jeugdigen. Veel van deze problemen zijn gebonden aan de ontwikkelingsfase waarin jeugdigen zich bevinden.

Taboeonderwerpen in de persoonlijke levenssfeer uitgezonderd willen en proberen bijna alle ouders hun vragen, onzekerheden of problemen (in eerste instantie) in hun directe, persoonlijke omgeving en netwerk op te lossen. Vrienden, familie, buren, lotgenoten zijn meestal de eersten die geraadpleegd worden; of met wie de zorgen gedeeld worden (Snijders, 2006; SCP, 2011). Pas daarna komen andere opvoeders en zorgverleners in beeld, met de huisarts vaak voorop. Daarnaast neemt men ook de leerkracht, de peuterspeelzaalleidster en de jeugdarts of jeugdverpleegkundige in vertrouwen. In een nog later stadium worden pedagogen, CJG-medewerkers, jeugdzorg of maatschappelijk werk genoemd als professionals waarbij men hulp zoekt (Snijders, 2006; Hoogenboezem en Van der Meer, 2009; Diekstra c.s., 2010). Ouders hebben – zo blijkt – vooral behoefte aan een ondersteuner die respect heeft voor de ervaringsdeskundigheid van de ouder. En aan communicatie die vooral gericht is op wederzijdse uitwisseling.

Ouders en jeugdigen willen de ondersteuning in de vorm van een flexibele en efficiënte dienstverlening. Op basis van gelijkwaardige samenwerking tussen professionals en ouders. Met heldere en eenduidige adviezen, die hen in hun rol positief bekrachtigen. Die adviezen moet dan bij voorkeur adviezen op maat zijn: adviezen die passen bij hun kind, aansluiten op de opvoedvisie van de ouders en toepasbaar zijn in hun specifieke situatie. Daarbij (en daarom?) blijkt de weg van steeds meer en zwaardere interventies niet tot de gewenste resultaten te leiden (Hermanns, 2009 – ‘het opvoeden verleerd’).

Ouders moeten veel meer dan nu het geval is de gelegenheid krijgen om dicht bij huis, in hun eigen buurt, hulp en advies bij opvoedingsvraagstukken te vragen. Dat hoeft niet altijd bij professionals te gebeuren. De opgave is om te zorgen dat wat normaal is, ook weer de gewoonste zaak van de wereld te laten zijn. Het moet dus anders: meer in de directe omgeving en nabijheid van kind en gezin. De stelselwijzingen in het kader van passend onderwijs en de transitie jeugdzorg bieden daarvoor een unieke kans. Niet alleen voor ouders en hun jeugdigen. Maar ook voor onderwijsgevenden en professionele hulpverleners. Met gebundelde krachten kunnen zij de vaak ervaren werkdruk laten kantelen naar werkplezier. Door elkaar te ontzorgen en te versterken.

Wij weten dat de jeugdgezondheidszorg een zeer hoog bereik heeft. Van circa 100% onder 0 jarigen naar ruim 84% onder 4 jarigen (CBS, 2010e). Jeugdigen van 5 tot 16 jaar zijn leerplichtig. Zij moeten naar school. Zo kunnen zij zich voorbereiden op de maatschappij en de arbeidsmarkt. Jongeren die na hun 16e nog geen startkwalificatie hebben, moeten tot hun 18e onderwijs volgen. In principe heeft het onderwijs daarmee een bereik van 100% van alle jeugdigen.

Schoolbesturen en gemeenten moeten dit bereik benutten. Door de verschillende speelvelden daadwerkelijk met elkaar te verbinden. Niet door afstemming, maar door krachtenbundeling. Juist aan de prachtig afgestemde grenzen is er vaak geen sprake van doorgaande lijnen en zijn de aansluitingen slecht. Het ‘op overeenstemming gericht overleg’ dat samenwerkingsverbanden en gemeenten moeten voeren, is te vrijblijvend om tot inhoudelijke samenwerking en normalisering te komen. Want, hoewel wij al jaren streven naar een meer samenhangend aanbod van voorzieningen voor jongeren en een betere verbinding tussen onderwijs en jeugdhulpverlening, laat de samenwerking nog steeds te wensen over. Onderwijs- en jeugdhulpverleningsprofessionals zijn over en weer vaak beperkt op de hoogte van de wederzijdse vormen van ondersteuning en begeleiding die ingezet worden om de ontwikkeling van een jongere te stimuleren. Daardoor krijgen kinderen en jongeren nog te weinig het meest passende aanbod zo dicht mogelijk bij hun eigen omgeving.

Stimulering, ondersteuning en zorg zo dicht mogelijk bij het kind georganiseerd en genormaliseerd, kan ervoor zorgen dat er meer en betere aandacht is voor de context waarin een kind opgroeit. Denk aan de gezinssituatie, het onderwijs- en didactische systeem, de sfeer in de klas, de dynamiek in de vriendengroepen, het mediagebruik van jeugdigen, passende vrijetijdsbesteding etc. Omdat de interactie met hun omgeving bij de analyse en aanpak van de uitdagingen die jeugdigen ervaren van groot belang is, moet het proces van opvoeden en opgroeien zo ingericht worden dat er een ongedeeld primair proces ontstaat.

Bundeling van opdrachtgeverschap – en daarmee krachten, budgetten en mandaten – zorgt voor de daarvoor benodigde ruimte. Zo ook kunnen ‘problemen’ eerder worden gesignaleerd en kan meer directe hulp worden geboden, waarmee wij vaker kunnen voorkomen dat de problemen verergeren.

En ja, ook dan blijft er altijd jeugd die specialistische zorg of ondersteuning nodig heeft. Maar, zoals Jo Hermanns vaak (terecht) oproept: “Kinderen moeten weer opgevoed worden en niet te snel behandeld. Ouders moeten gesteund worden en niet te snel naar een “gedragsmanagement programma” gestuurd worden. Scholen moeten de moeilijkste kinderen niet ervaren als een last maar juist als een professionele uitdaging. Burgers in het publieke domein zouden weer plezier in kinderen op straat moeten krijgen en zich mede verantwoordelijk moeten voelen voor hun welzijn.”

Galerij

Geluk in een geschenkverpakking

  • NVP Complimentenfilm pleegouders

pleegzorg,png

Tijdens de Maand van het Inhuisplaatsen (oktober 2015, http://www.inhuisplaatsen.nu) werd door de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen op vier verschillende locaties in Nederland een complimentenactie gehouden. Hierbij werden pleegouders in het zonnetje gezet: pleegkinderen maakten samen met een professioneel kunstenaar een mooi kunstwerk op canvasdoek. Hierbij werden ze geholpen door de wethouder Jeugdzorg van hun gemeente. Tijdens het schilderen ontstonden mooie gesprekken over hoe de kinderen pleegzorg beleven en wat de pleegouders voor hen betekenen.
Het kunstwerk werd als verrassing aan de pleegouder(s) gegeven, met daarbij een groot compliment van de wethouder.

Alle ontmoetingen zijn gefilmd en een compilatie van deze beelden kunt u zien in deze film. Een film die de positieve kant van pleegzorg belicht vanuit het perspectief van pleegkinderen!


© 2015 Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen
http://www.denvp.nl
info@denvp.nl

Galerij

Bescherm op zijn minst de kinderen

Kind vluchteling loopt „onacceptabel” risico -  Een moeder wacht in de Griekse grensplaats Gevgelija met haar kinderen totdat ze de grens met Macedonië mag passeren. beeld AF

Kinderen van vluchtelingen lopen tijdens hun tocht naar en door Europa ‘onacceptabele risico’s’ op onder meer ziekte, overlijden, uitbuiting en misbruik. Europese landen ‘falen’ in het beschermen van deze grootste slachtoffers van de vluchtelingencrisis.

Dat stellen 41 Europese kinderombudsmannen uit 33 landen, verenigd in de Taskforce Children on the Move, in een maandag gepresenteerd onderzoek. Zij roepen de Europese Commissie ‘dringend’ op een aanvullend actieplan op te stellen voor kindervluchtelingen. “Europa moet zijn inzet intensiveren en de verantwoordelijkheid nemen voor zijn internationale verplichtingen aan kinderen.”

De risico’s waaraan kinderen tijdens hun reis naar en door Europa blootstaan, zijn vooral dood, ziekte, mensenhandel, scheiding van ouders, afpersing door smokkelaars, uitbuiting en misbruik. Van de vluchtelingen die de reis over de Middellandse Zee niet overleven, is circa 30 procent kind. Andere minderjarigen komen nat en koud aan op de kust en lopen het risico op onderkoeling, veelal met ziektes als longontsteking tot gevolg. Er is onvoldoende coördinatie en directe hulp aan de kust van Griekenland.

Alleenreizende kinderen lopen een vergroot risico om slachtoffer te worden van mensenhandel en seksuele uitbuiting. Veel van deze kinderen willen zich niet bij de autoriteiten melden, omdat ze bang zijn om in gevangenschap te worden geplaatst, waardoor ze hun reis naar Noord-Europa niet kunnen vervolgen.

De Nederlandse kinderombudsman Marc Dullaert presenteerde de uitkomsten van het onderzoek. Het rapport signaleert dat er het afgelopen jaar sprake was van een enorme toename van het aantal kinderen onder de vluchtelingen. In 2015 hebben ten minste 337.000 kindervluchtelingen asiel aangevraagd in Europa. In juni was 16 procent kind; in december ging het om 35 procent.

Het onderzoek wijst ook uit dat veel kinderen tijdens de tocht verwijderd raken van hun ouders. Dit gebeurt met name door de chaos rond Europese grensposten. Als kinderen hun ouders kwijt zijn, blijken ze dikwijls slachtoffer van mensensmokkel en seksueel misbruik.

De ombudsmannen adviseren de Europese leiders om bij de uitvoering van het herverdelingsplan kinderen voorrang te geven, om zo de risico’s die minderjarigen lopen te verminderen. Het gaat daarbij om 160.000 vluchtelingen die vanuit Griekenland en Italië moeten worden verdeeld over andere Europese landen.

Ook willen de ombudsmannen dat de condities van de registratie- en doorvoercentra op de route naar Europa snel worden verbeterd. De centra moeten beschikken over kindvriendelijke ruimtes en worden uitgerust met warm water en dekens. Bovendien moeten er aparte slaapruimtes komen voor mannen enerzijds en vrouwen en kinderen anderzijds.

Galerij

Er is altijd een reden voor waanzin

prejudice

  • Préjudice

Mooie detailopnames en grimmige geluidsfragmenten die door merg en been gaan.In Préjudice neemt Antoine Cuypers je mee in een intrigerend familiedrama waarin de manipulatieve, sociaal gestoorde en naar eigen mening onder­gewaardeerde zoon zijn familie tot waanzin drijft.

Een familiediner loopt funest uit de hand als Cedric, een dertiger die – om redenen die later duidelijk worden – nog bij zijn ouders woont, het verrassende nieuws dat zijn zus een kindje verwacht slecht kan verdragen en de hele boel op stelten zet.

Galerij

Afblijven

robotisering.jpeg

  • Als mensen niet aangeraakt worden, sterven ze

(Fysieke) aanraking in de hulpverlening is een veelbesproken en beladen onderwerp. Zowel in de samenleving als in het werkveld. Het antwoord is al gauw: no-risk; waarbij het devies luidt: geen fysieke aanraking. Deze week laaide de discussie ook weer stevig op. Met als rode draad: “Daar mag je alleen maar naar kijken, maar aankomen? Niet!”

De aanleiding? Een uitspraak van een inspecteur tijdens een tuchtzaak. Over een psychiatrisch verpleegkundige. Die verpleegkundige werd ervan beschuldigd dat hij regelmatig te ver ging met een ‘aai over de bol’ en het geven van een knuffel aan patiënten. De inspecteur liet tijdens de zitting weten dat, naast een hand schudden, geen enkele vorm van lichamelijk contact is toegestaan in de zorg. ‘Een professionele houding betekent fysieke distantie.’

Toen ik hiervan kennis nam, heb ik even onderzoek overwogen. Zou deze inspecteur in zijn vrije tijd – of als bijbaan – misschien als lobbyist werkzaam zijn? Voor de (zorg-)robotindustrie?

Toen de beer in de media los bleek, kwam de werkgever van die inspecteur met een nadere verklaring. De Inspectie Geestelijke Gezondheid (IGZ) verklaarde dat een troostend gebaar moet kunnen. Mits het een aanraking is die past binnen het professioneel contact! Maar het echte kwaad was toen al geschiedt.

Natuurlijk, het is goed om aandacht te vragen en te hebben voor gewenst en niet gewenst lichamelijk contact. In elke relatie. Het belangrijk je af te vragen wat er eigenlijk achter steekt. Maar de welhaast hysterische wijze van reageren kan ook verstikkend en verlammende werken. Weet ik uit eigen ervaring.

De teneur van de berichtgeving rond de hiervoor bedoelde tuchtzaak deed mij terugdenken aan De Bolderkar-affaire (1988). Die had betrekking op vermeend seksueel misbruik, geconstateerd door een orthopedagoge bij medisch kinderdagverblijf De Bolderkar in Vlaardingen. De leiding van het kinderdagverblijf meldde dit bij justitie. Veertien kinderen werden bij de ouders weggehaald en uit huis geplaatst, terwijl de vaders werden opgepakt. Uiteindelijk ging iedereen vrijuit, omdat de bewijsvoering vrijwel uitsluitend was gebaseerd op de omstreden poppenmethode, waarbij gebruik werd gemaakt van speciaal ontwikkelde poppen met geslachtsdelen. Aan de kinderen werd gevraagd wat je daarmee kon doen.

De strafzaak tegen de bij het vermeende incest betrokken ouders resulteerde in vrijspraak. Maar ook toen was – bij mij – het kwaad al geschiedt.

Mijn kinderen waren destijds 11 en 9 jaar oud. Als ‘jonge’ vader werd ik door de hype rond de affaire ernstig geraakt. Door de aard en teneur daarvan verloor ik gedurende enige tijd de onschuld en vanzelfsprekendheid in de lichamelijke contacten met mijn kinderen. Ik dorst niet meer samen met mijn kinderen onder de douche. Wat tot dan voor ons allen een regelmatig waterfeest was! Ik durfde – bij wijze van spreken – niet meer met mijn kinderen te knuffelen.

De zorg over lichamelijk misbruik is terecht. Lichamelijke mishandeling en seksueel misbruik voorkóm je echter niet door ieder lichamelijk contact dat verder reikt dan het schudden van handen te verbieden. Integendeel zelfs, dat grenst – bij wijze van spreken – aan geestelijke mishandeling.

Een schouderklopje, een aai over de bol of een knuffel, wie heeft daar geen behoefte aan? Aanraken is een levensbehoefte. Het is juist die hand op je schouder die maakt dat je je even geborgen en getroost kunt voelen. Het is de aanraking op het juiste moment, die zorgt dat je weet dat je er niet alleen voor staat.

Professionaliteit in de zorg betekent – net als bij goed ouderschap – dat je dat juiste moment van lichamelijk contact goed kunt inschatten. Of, zoals de Nederlandse sociologe en politica Hedy d’Ancona het eens treffend zei: “Lijfelijke aanraking kan stukken minder intiem zijn dan een zakelijk lijkend gesprek, waarbij de gesprekspartner communiceert met het bovenste knoopje van de bloes.”

Die professionaliteit aan banden leggen met protocollen leidt tot dodelijke verschraling van de interactie tussen mensen. Het feit dat er nog steeds ‘horken’ en ‘ijskonijnen’ in de zorg rondlopen die geen goed en betrokken gesprek kunnen voeren met hun patiënt, leidt toch ook niet tot het afschaffen van het gesprek in de spreekkamer?

Het simpele feit dat lichamelijk contact kán leiden tot misbruik, mag nooit voldoende reden zijn om dat contact te beperken tot een handdruk.

De relatie tussen mensen dient gebaseerd en geworteld te zijn op oprechte waardering, acceptatie en respect voor elkaars (lichamelijke) integriteit. Aan die erkenning groeien mensen; groot en klein. Dat is – zo leert onderzoek – kenmerkend voor de persoonlijke relatie tussen mensen. En dat geldt ook voor de relatie hulpverlener en cliënt.

De (mate van) intimiteit kan van grote invloed zijn op de kwaliteit van die relatie. Hierbij staat intimiteit voor gelijkwaardigheid, oprechtheid, respect en nabijheid. Uiteraard is dat relatief. De aard en het doel van de relatie zijn van betekenis voor aard en intensiteit van het contact. Dat kan op vele manieren ‘vertaald’ worden. Dat vraagt ‘aandachtigheid’ en ‘responsiviteit’: ervaart de ander dat wat ik doe als prettig en gepast? Het antwoord daarop laat zich lastig tot niet protocolleren. En dat is maar goed ook. Of willen wij onszelf tot gevoelsarme zombies (laten) degraderen? Ik niet. Daarom ook bied ik de aandachtige lezer een welgemeende knuffel.

Galerij

Verbroken verbinding

cock

  • Wanhopige Belgische moeder smeekt om hulp psychiatrie voor haar zoon

‘Wie in de psychiatrie iets verkeerd doet, word naar huis gestuurd: je wordt als het ware beloond’

Patricia De Cock smeekt in dit YouTube-filmpje de Belgische Minister voor Volksgezondheid Maggie De Block en de hele psychiatrie om haar zoon Natan eindelijk te helpen. Omdat hij diabetes en autisme heeft en ook verslaafd is aan drugs, wil geen enkele psychiatrische instelling hem opnemen. Ook al is dat heel dringend nodig. ‘Mijn kind kan niet meer’, zegt zijn moeder. ‘En wij ook niet’, zo meldt Knack.be

Afgelopen zomer deed Natan (20) zijn verhaal in Knack. Hij en zijn moeder hadden toen al een jarenlange vergeefse zoektocht naar geschikte hulp achter de rug. Daarbij belandde hij keer op keer op de spoeddienst, in de jeugdpsychiatrie en later ook in afkickcentra. Nergens leek hij thuis te horen, nooit vond hij de ondersteuning die hij zo nodig heeft.

Soms spuit hij geen insuline en raakt hij in coma, andere keren neemt hij een te hoge dosis waardoor hij suf en afwezig is. Dat alleen al maakte het moeilijk om de juiste zorgen voor hem te vinden. Maar het werd pas helemaal een probleem toen hij als tiener ook nog eens drugs begon te gebruiken. ‘In de verslavingsafdeling van de psychiatrie wordt vooral met groepstherapie gewerkt, maar door Natans autisme kan hij daar amper in meedraaien’, aldus zijn moeder. ‘Daardoor krijgen wij keer op keer te horen dat hij niet op de afdeling thuishoort en wordt hij weggestuurd.’

Totaal geen toekomstperspectief

Begin deze week deed Patricia De Cock een oproep op de sociale media: haar zoon was vermist. Het laatste nieuws dat ze van hem had, was een sms waarin hij zei dat hij weer was beroofd en door Gent dwaalde. Uiteindelijk daagde hij weer op: zonder geld, zonder jas en met een zorgwekkende bloedsuikerspiegel. Hij had in de vrieskou rondgedoold en op straat geslapen. ‘Natuurlijk was ik opgelucht om hem te zien: hij leefde nog’, zegt zijn moeder.

‘Alleen heb ik geen idee wat ik nu moet doen. Alle instellingen heb ik afgebeld: niemand wil hem helpen. Natan moet nochtans dringend voor lange tijd – misschien wel één of twee jaar – in de psychiatrie worden opgenomen. Maar dan wel op voorwaarde dat hij niet wordt afgeschreven zodra hij iets fout doet. Zelf wil Natan dat ook, want hij heeft nu totaal geen toekomstperspectief meer. Ik weet niet wat er nu zal gebeuren. Zal hij wel insuline spuiten? Zal hij thuis blijven of verdwijnt hij straks weer? Moet ik bang zijn voor een nieuwe zelfmoordpoging?’

Omdat ze nergens gehoor kreeg, besloot Patricia De Cock om een filmpje op YouTube te zetten waarin ze om hulp smeekt. Daar kwamen al veel reacties op. Maar niet van minister van Volksgezondheid Maggie De Block (Open VLD) of van een psychiater. Het zijn vooral ouders die in een soortgelijke situatie zitten, die hun steun betuigen. Natan is duidelijk niet de enige jongen die aan zijn lot wordt overgelaten omdat de hulpverlening zijn mix van problemen te ingewikkeld vindt.