De vesting van het hart

hart vesting.jpeg
Er leefde eens een machtig heerser. Hij was al op hoge leeftijd en daarom maakte hij zich zorgen over zijn enige, minderjarige zoon.

Toen hij merkte dat zijn leven het einde naderde, werd hij verdrietig bij de gedachte dat een van zijn tegenstanders zijn jonge, onervaren zoon van de troon zou stoten. Er kwam zelfs de gedachte bij hem op, dat zijn vijanden de jonge koning wel eens zouden kunnen doden.

Hij had geen rust meer, dag en nacht piekerde hij er over, welke goede raad hij de jonge prins zou kunnen geven.

Op een dag riep hij hem bij zich en zei: “Luister, mijn lieve zoon, mijn ogen zullen niet lang meer het licht van deze wereld zien. Hoe zal het jou vergaan als ik er niet meer ben om je te beschermen? Zullen allen die je om raad vraagt je een verkeerde raad geven en je omwille van hun eigen voordeel in het verderf storten? Ga daarom het land in en zorg ervoor dat er overal in het rijk sterk e bolwerken zijn, zodat je bescherming zult hebben als er ooit gevaar mocht dreigen.”

De prins zadelde zijn paard en ging op weg. Hij reed door het hele land, over bergen en dalen, langs velden en door wouden.

Overal waar hij kwam liet hij sterke vestingen uit harde steen bouwen. Pas na een jaar keerde hij naar het paleis van zijn vader terug.

“Vertel hoe het je is vergaan. Heb je mijn raad opgevolgd?” vroeg de koning.

“Ja, vader”, antwoordde de prins trots, “ik heb overal in het hele land hoge, sterke en onneembare bolwerken laten bouwen. Er staan nu overal stenen vestingen, in de dalen, op hoge bergen, in bossen en in velden.”

Verdrietig schudde de oude koning het hoofd. “Och, mijn lieve zoon, zulke vestingen bieden je in tijden van nood en gevaar geen bescherming en hulp. Je zult daarin slechts alleen zijn en je zult aan de vervolgingen van je vijanden uiteindelijk niet kunnen ontkomen. Ga opnieuw op reis en zoek achtenswaardige mensen en win hun hart. Maak ze tot je vrienden, want zij zullen jouw bolwerken zijn. Waar de mens goede vrienden heeft, daar vindt hij altijd bescherming en hulp.”

Toen ging de prins nogmaals op reis. Maar nu ging hij naar de mensen. Hij was hun dienstbaar en maakte hen tot vrienden.

Hoewel het hem soms moeite en inspanning kostte, nooit heeft hij het berouwd. Zijn vrienden waren na de dood van zijn vader een grotere bescherming dan alle vestingen van harde steen.

Wat niet voorbijgaat

45 Years

Een week voor het 45-jarige huwelijksfeest van Kate, gepensioneerd lerares, en Geoff Mercer, oud-fabrieksmanager die een beetje sukkelt met zijn gezondheid, krijgt Geoff een brief.

Het lichaam van zijn eerste geliefde is gevonden in het ijs van de Zwitserse Alpen, waar zij begin jaren zestig vermist raakte.

In een kalm, geserreerd tempo, van dag tot dag, laat Andrew Haigh in 45 Years zien hoe vanaf het moment dat die onheilstijding – want dat blijkt het te zijn – arriveert, de chemie tussen beide echtelieden teloorgaat.

Herinneringen bestormen Geoff en zijn gedrag verandert. Alsof hij in een tijdmachine naar ‘vroeger’ is gestapt. Kate voelt zich steeds meer een buitenstaander in zijn en haar eigen leven. Langzaam kruipt er een intense melancholie in de film, over het vergaan van de tijd, de liefde en misschien ook wel het leven.

Zonder dat emoties clichématig worden uitgespeeld door de sublieme acteurs, Charlotte Rampling en Tom Courtenay. Van oude mensen en de dingen die niet voorbijgaan.

Gezocht: supergewone mensen

Hoeveel ze ook van hem hield, Wesley’s moeder kon niet voor hem zorgen. Ze wilde een goede toekomst voor hem en bracht Wesley naar het Leger des Heils. Hij werd in een leefgroep geplaatst, kwam bij een eerste pleeggezin terecht en belandde ten slotte als vijfjarige jongen in het gezin van pleegouders Wilma en Arturo. Dat was best even wennen, maar gelukkig kwam het goed.

Kristie werd als klein meisje door haar moeder aan haar lot overgelaten. Door verwaarlozing kwam ze zelfs in het ziekenhuis terecht. Ze werd uit huis geplaatst en kwam in een leefgroep terecht. Een paar jaar later ging ze wonen bij haar pleegouders John en Jacqueline.

Jacqueline en haar man John wisten al heel vroeg dat ze pleegkinderen wilden. Nadat hun zoon werd geboren, meldden ze zich aan voor pleegzorg. Maar waarom één pleegkind in huis nemen als er plek is voor meer? In totaal hebben er 35 pleegkinderen bij het stel gewoond, waaronder Kristie.

Makbule kwam op haar achtste wonen bij pleegouders Wilma en Arturo. Pleegbroer Wesley had zich al verheugd op haar komst, maar schrok wel even toen Makbule zijn zus werd. Ze was luidruchtig en niet op haar mondje gevallen. Toch leerde de stille Wesley van zijn zus dat je best jezelf mag zijn. Nu zijn ze maatjes én broer en zus.

Toen Rosa acht maanden oud was, ging ze bij de familie van Vulpen in Bunnik wonen. Het gezin had drie kinderen, maar er kon heus nog een pleegkind bij. Vader, moeder, broers en zus waren op slag verliefd op de baby. Intussen is Rosa volwassen en voelt ze zich een echte ‘van Vulpen.’ Rosa: ‘Je hebt geen bloedband nodig om in een gezin te passen.’

Toen Pierre en Peter 11 jaar geleden trouwden en gesetteld waren, deden ze iets dat hun leven nog meer betekenis zou geven: ze besloten pleegkinderen op te gaan vangen. Momenteel wonen er twee pleegkinderen bij hun in huis. Pierre: ‘In onze oudste pleegzoon zie ik mijzelf terug toen ik klein was.’

Supergewone mensen gezocht

Supergewone Mensen Gezocht is een campagne van Pleegzorg Nederland, met als doel om nieuwe pleegouders te werven.

Achtergrond

In 2014 woonden 21.880 kinderen in Nederland voor korte of langere tijd bij pleegouders. In de afgelopen tien jaar is de vraag naar pleegzorg met bijna 70 procent gestegen. Die forse groei kan Pleegzorg Nederland niet met de huidige pleegouders opvangen. Daarom start deze week de wervingscampagne ‘Supergewone Mensen Gezocht’, waarmee Pleegzorg Nederland 3.500 nieuwe pleeggezinnen hoopt te werven. Els Rienstra, bestuurslid en portefeuillehouder Pleegzorg van Jeugdzorg Nederland: ‘We gunnen het elk kind om in een gezin op te groeien.’

‘Kinderen horen op te groeien in een gewoon gezin’

De forse stijging in de vraag naar pleeggezinnen heeft verschillende oorzaken. Rienstra: ‘Een pleeggezin komt het meest in de buurt van de natuurlijke woonsituatie van een kind.’ Kinderen die tijdelijk niet thuis kunnen wonen, kunnen dus beter in een gezin opgroeien dan in een instelling. In de nieuwe Jeugdwet is dat ook vastgelegd. Rienstra: ‘We zijn daarom de jeugdhulp anders gaan organiseren, waardoor kinderen minder in groepen worden geplaatst en vaker in pleegzorg of andere kleinschalige gezinsvormen. Hierdoor is het aantal kinderen die behoefte hebben aan pleegzorg fors toegenomen en stijgt de vraag naar pleeggezinnen.’

Als een kind uit huis wordt geplaatst, wordt er altijd eerst binnen het netwerk van het gezin gekeken of opvang mogelijk is. Bijvoorbeeld bij familie, of mensen van de school of sportclub. Lukt dat niet, dan biedt een pleeggezin de oplossing. Vaak gaat het dan om een voltijd plaatsing, maar soms ook deeltijdzorg – bijvoorbeeld in de weekenden of de vakanties. Ook zijn er pleegouders die alleen crisispleegzorg doen: tot er een definitieve oplossing wordt gevonden, bieden ze – soms voor een paar dagen, soms voor een aantal maanden – acute hulp aan kinderen.

Supergewone Mensen Gezocht

Er zijn zeker 3.500 nieuwe pleegouders nodig om de forse groei in vraag naar pleegzorg op te vangen. Rienstra: ‘Veel mensen denken dat ze niet geschikt zijn als pleegouder, omdat ze bijvoorbeeld een drukke baan hebben, homoseksueel zijn, alleenstaand zijn, te veel of te weinig verdienen. Maar dat is onzin. Pleegouders hoeven ook geen superhelden te zijn; het zijn juist hele gewone mensen. Die door heel gewoon te doen, iets supers kunnen betekenen voor een pleegkind.’

Centraal in de nieuwe wervingscampagne staat de SuperGewoneMensenGezocht.nl. Daar staan 20 verhalen over pleegzorg verteld door voormalig (inmiddels) volwassen pleegkinderen, (pleeg)ouders en experts. Zoals het verhaal van Marlou, die vanaf haar 30e pleegmoeder was voor een 16-jarige jongen. Om de week was hij een weekend bij Marlou. En die weekenden waren eigenlijk verrassend normaal. Marlou: ‘Je hoeft echt niet elke week naar Duinrell, gewoon samen boodschappen doen is al genoeg.’

Pleegzorg Nederland werkt samen met:
Pleegzorg Nederland zet zich in voor kinderen die (tijdelijk) niet thuis kunnen wonen en is een onderdeel van de brancheorganisatie Jeugdzorg Nederland. De campagne is ontwikkeld door campagnebureau Johnny Wonder en wordt financieel mogelijk gemaakt door hoofdsponsor Stichting Kinderpostzegels en een subsidie van het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport. Kinderpostzegels zet zich in voor pleegzorg en wenst ieder kind toe dat het kan opgroeien in een veilige gezinssituatie.

Meer informatie: Supergewone mensen gezocht

Denk aan mij zoals ik was

‘1 op de 3 vrouwen krijgt dementie’ staat prominent op de website van Alzheimer Nederland. Een afschrikwekkend getal waarvan veel mensen denken: ‘dat kan niet waar zijn’. Helaas klopt het getal.

Denk aan mij zoals ik was

Toen ik nog elke dag op de fiets zat
nog zelf m’n boodschappen kon halen
en m’n zaakjes voor elkaar had
Gewoon…alles kon doen, zonder af te dwalen

Denk aan mij zoals ik was

Toen ik nog wist: vandaag is het woensdag
en verjaardagen kon onthouden
Toen ik nog schateren kon van de lach
en niet iedereen wantrouwde

Denk aan mij zoals ik was

Toen ik nog wist hoeveel kinderen ik had
en ik jullie namen niet vergat
Toen ik nog wist
wie ik zelf was

Denk aan mij zoals ik was
dan is het net alsof ik je weer herken
Denk aan mij zoals ik was
en niet zoals ik geworden ben

Anja Messemaker

Loslaten is het begin van een nieuw leven

Korte film geproduceerd door studenten Media en Entertainment Management van de Hogeschool Inholland Rotterdam, dat gaat over vrijheid, zwangerschap en hoe dit een effect heeft op relaties.

Regie: Danny Bliek
Scenario: Sindy Ramirez
Producent: Ramesh Sital

Uitvoerend Producent: Ramesh Sital en Xandra Lieffering
Productieleider: Vera van der Hoff
Marketing: Suyandra Mariano

Muzikale composities door: René van Tol en Muziekcomposities.nl

Als je niet weet wie je zijn moet

kickstarter-coverrr1

The Girl Who Didn’t Know How To Be is een uniek prentenboek over neurodiversity en wat het betekent anders in deze wereld te zijn. Ik wil dit verhaal met de rest van de wereld te delen!

The-Girl-Who-Didnt-Know-How-To-Be8__880 The-Girl-Who-Didnt-Know-How-To-Be7__880 The-Girl-Who-Didnt-Know-How-To-Be6__880 The-Girl-Who-Didnt-Know-How-To-Be5__880 The-Girl-Who-Didnt-Know-How-To-Be4__880 The-Girl-Who-Didnt-Know-How-To-Be3__880

Dit verhaal wijst op de moeilijkheden die autistische mensen elke dag ondervinden. De onwetendheid en discriminatie tegen hen. In de afgelopen jaren is de kennis en het bewustzijn van autisme weliswaar gegroeid, maar tegelijkertijd is er een groeiende overtuiging dat autistische mensen ‘gewoon’ moeten voldoen aan de verwachtingen van de samenleving en perfect moeten passen in het conventionele denkbeeldige maatschappelijke patroon.

In principe is het boek zelf een allegorie van een autistische persoon, maar tegelijkertijd portretteert het perfect hoe iemand die ‘anders’ is zich kan voelen. En daarmee worstelt. Steeds weer.

Een lekkend kraantje vraagt geen bouwteam, tenzij….

  • Integraal werken – wat is ook al weer de bedoeling

Funny-Ants-HD-Wallpaper

‘Bij ons zijn er geen schotten meer. Elke vraag wordt integraal beantwoord.’ Het zou anno nu een zin kunnen zijn in zomaar een gemeentegids, onderwijs- of zorgbrochure. Want integraal werken lijkt het toverwoord wanneer het gaat over de omvorming van het sociaal domein. En de werkers? Die moeten het gewoon gaan doen!

Geen woord dat zo frequent gebruikt wordt in het huidig maatschappelijk verkeer als het woord integraal. Kennelijk is het een begrip dat een belangrijk zingevingpatroon representeert. In de praktijk dreigt het doorgaans te verworden tot een bureaucratisch beheersinstrument. Of, erger nog, een doel op zich.

Dat er meer ‘in verbinding’ gewerkt kan en moet worden onderschrijf ik van harte. Niet zelden hebben mensen vragen op meerdere leefgebieden. Die vragen of de antwoorden daarop – werken op elkaar in. Denk aan werkloosheid, schulden, slechte gezondheid, opvoedings- of relatieproblemen. Het aanpakken van het ene probleem heeft effect op het andere. Een integrale werkwijze, waarin je als team deze vragen in samenhang benadert, ligt daarom voor de hand.

Tegelijkertijd lijkt het wel, alsof het welslagen van dorpsteams, buurtteams en wijkteams staat of valt met de kwaliteit van de professionals en de mate waarin zij al dan niet integraal werken. Die verwachtingen zijn hooggespannen, misschien wel té hoog. Toch zijn de mensen die in sociale wijkteams werken – net als ikzelf overigens – er behoorlijk positief over. Ook ervaringen in de praktijk wijzen op de toegevoegde waarde van integraal werken. Als dat nodig is.

Om passende oplossingen te bieden aan mensen is het een voorwaarde dat professionals hun activiteiten met elkaar verbinden. De wijze waarop deze verbinding wordt gelegd kan van situatie tot situatie verschillen, afhankelijk van wat voor de betreffende persoon of personen nodig is om de situatie te verbeteren. Dat vraagt van professionals dat ze creatief zijn en diverse oplossingen kunnen bieden. Daarnaast is het van belang dat de mensen die het betreft erbij worden betrokken.

Daarvoor is het nodig en gewenst dat professionals elkaar kennen. Bekend zijn met elkaars werkwijze en met elkaars mogelijkheden. Daarbij is het van belang dat ze weten welke disciplines nodig zijn om een volgende stap in het vinden van passende hulp te kunnen zetten. Daarnaast vraagt het van professionals dat ze voldoende vertrouwen hebben in elkaars deskundigheid en verantwoordelijkheid. Tegelijkertijd moeten professionals elkaar waar nodig ook kritisch kunnen bevragen over hun aanpak. Feitelijk gaat het om een proces van versterking en verbinding. Waarbij individuen, organisaties en gemeenschappen greep krijgen op de eigen situatie en hun omgeving en dit via het verwerven van controle, het aanscherpen van kritisch bewustzijn en het stimuleren van participatie kunnen op- en aanpakken.

Integraal werken gaat over vier kernbegrippen: Samenwerken, Samenhang, Afstemming en Gemeenschappelijkheid. En dat, als antwoord op verkokering en onsamenhangend werken van professionals, organisaties en specialismen.

Integraal werken kent echter ook een paar (lelijke) valkuilen. Denk aan (het gevoel van) gedeelde verantwoordelijkheid, dat als risico heeft dat betrokken partners naar elkaar gaan wijzen (‘ik dacht, dat hij dacht, dat…’). Of er is geen scherpe rol- en taakverdeling (‘ik dacht dat jij daar van was…’); geen eigenaarschap. Het gevaar bestaat dan, dat integraal werken wordt opgevat als een vrijbrief voor iedereen om zich overal mee te bemoeien. Maar niemand is verantwoordelijk. Of de handelingsruimte op een lager schaalniveau neemt af, omdat alles aan elkaar is geritst. Dat kan leiden tot vertraging en machteloosheid. Tenslotte brengt integraal beleid een grote behoefte aan coördinatie en bijbehorende kosten met zich.

Het beleidsjargon van integraal zet velen – onbedoeld en ongewild – op het verkeerde been. Alsof een gemeenschappelijke aanpak de panacee is voor alle uitdagingen. En dat is niet zo. Het gaat om het kunnen aanbieden van een passend antwoord op een vraagstuk. Een lekkend krantje vraagt geen bouwteam, tenzij natuurlijk. Net zo goed als dat je niet aan een loodgieter vraagt om een heel huis te bouwen.

Integraal beleid betekent in het gunstige geval dat men vanuit de verschillende invalshoeken oog heeft voor mogelijke oorzaken van een vraagstuk. Of de gevolgen van een beoogde aanpak. Naast tegenwicht tegen de altijd aanwezige tendens tot oogkleppen (niet weten wat er écht in aan de hand is), verkokering (niet weten waarmee andere collega’s van bezig zijn) en vakidioten (het heilig verklaren van de eigen aanpak, visie of werkwijze) gaat het eerst en vooral om bedoeld (samen-)werken.

Samenvattend kan worden gezegd dat veel professionals en organisaties het begrip integraal of integraliteit in hun doelstellingen en werkwijze hebben opgenomen. Wat die integraliteit nu precies beoogt en bedoelt – hoe, waarom en waartoe – het zou moeten werken blijft echter vaak nog vaag en abstract. Toch geloven steeds meer mensen er in dat integraliteit de weg van de toekomst is. Ook ik geloof dat, mits een integrale oplossing gaat over het breed aanpakken van een klantvraagstuk, niet over een multidisciplinair aanbod.

Het bedenken en realiseren van integrale oplossingen doet een enorm appel op interne- en externe samenwerking en de wijze waarop je als organisatie interacteert met klanten en andere stakeholders. Het vraagt bovendien om nieuwe bekostigingsmodellen en betekent vaak meer risico. Integrale oplossingen betekenen kortom meer complexiteit.

Het organiseren vanuit deze complexiteit en onzekerheid is voor velen een grote uitdaging. Veelal hebben zij geleerd complexiteit te reduceren, niet om meer complexiteit te integreren. Tegelijkertijd is de hang naar hanteerbaarheid en korte termijnresultaat groot. We willen snel concreet aan de slag! We zijn geneigd integrale concepten snel te willen begrijpen en toepasbaar te maken. Hierdoor is de kans groot dat we nieuwe inzichten reduceren in bestaande denkkaders en toepassingsmodellen, waardoor de echte slag wordt gemist.

Integraliteit is (ook) binnen het sociaal domein de toekomst. We moeten ons echter realiseren dat we deze toekomstige vaardigheden met geduld eigen moeten maken. Dit betekent overigens niet dat we de oude strategieën zomaar kunnen loslaten. Dat zou ook niet passen in de integrale benadering. Integraliteit is niet het oude weggooien, maar juist het oude benutten vanuit een nieuw verworven, meer integraal perspectief.

Voor professionals en hun organisaties betekent dit dat zij moeten investeren in het bedoeld leren denken, het bedoeld organiseren en bedoeld werken. Vanuit een integraal bewustzijn en integrale concepten.