De Blinde Mannen en de Olifant

blinde mannen
Er waren eens zes man uit Hindostan,
het opdoen van kennis zeer gezind
Ze gingen op zoek naar de olifant
(ook al waren zij allen blind)
met onderzoek zouden zij oordelen naar bevind.

De eerste liep naar de olifant
maar kwam opeens ten val
tegen de brede en stevige flank
en verklaarde meteen aan al:
‘loof de heer,
maar de olifant is als een wal.’

De tweede voelde aan een slagtand
en riep: ‘hé, maar neen, mijn heer,
wat is immers zo rond en scherp?
Voor mij is duidelijk maar al te zeer.
Dit wonder van een olifant is als een speer.

Nu kwam ook de derde naderbij,
greep bij toeval, als ware het een stang,
de kronkelende slurf,
en sloeg terstond een toon aan van belang:
‘Aha,’ sprak hij, ‘de olifant lijkt erg op een slang.’

Nu stak de vierde gretig zijn handen uit,
en voelde aan de knie,
‘Waar dit beest nog het meest op lijkt
is wel duidelijk,’ meende die;
‘Er kan geen twijfel over zijn
het is een boom die ik hier voor mij zie.’

De vijfde raakte toevallig aan het oor
en zei: ‘zelfs als de blik niet tot het daglicht reikt,
Is zonneklaar wat ik hier heb;
wat ik voel is zonder twijfelen geijkt,
Is dat dit wonder van een olifant op een waaier lijkt.’

Nauwelijks nog had de zesde overwogen
waar hij eens beginnen zou,
of hij voelde al de slingerende staart,
zwaaiend gaf deze hem een douw,
‘Ik zie het al,’ zei de man, ‘de olifant is als een touw.’

En aldus zetten de zes uit Hindostan zich aan een debat,
met luide stem en onverveerd,
ieder zei er het zijne van
en liet zich door de ander onbekeerd,
Allen waren weliswaar ten deel in het gelijk,
samen echter hadden zij het verkeerd.

MORAAL:

Maar al te vaak varen allen,
denk ik, alledag,
Hun eigen koers, volkomen onwetend
over wat de ander denken mag,
En spreken zij allen van een olifant,
die geen van hen ooit zag.

De Blinde Mannen en de Olifant – Filosofische parabel
De Blinde Mannen en de Olifant is een parabel uit de oudheid die tegenwoordig gebruikt wordt als waarschuwing tegen mensen die in een absolute waarheid geloven of beweren dat hun godsdienst “de enige echte” is. De eenvoudige reden is dat onze zintuigen, onze perspectieven en onze levenservaringen onze toegang tot de waarheid kunnen beperken en ons tot verkeerde conclusies kunnen leiden. Hoe kan een mens met een beperkte ervaring van de waarheid nou verkondigen dat zijn versie de enige echte versie van de realiteit is?

De parabel van Levijitzchak van Berditchev

Rabbi Levi

Eens reisde een koning door een groot woud. Hij drong zo diep in het woud door dat hij er in verdwaalde, en kon onmogelijk de weg terug vinden.

In het diepste van het woud ontmoette hij eenvoudige boeren, en vroeg hun om hem uit het woud te leiden, maar zij waren niet in staat om hem te helpen, want zij hadden nooit gehoord van de koningsallé, welke direct leidt naar het koninklijke paleis.

Ten slotte vond de koning een wijs en begrijpelijk man en vroeg om zijn hulp. De wijze bemerkte onmiddellijk dat het de koning was, en was diep ontroerd bij deze ontmoeting. In zijn wijsheid, leidde hij de koning onmiddellijk naar het juiste pad en begeleidde hem tot in het koninklijke paleis en stond hem bij tot aan het punt dat hij volledig in ere was hersteld en plaats genomen had op zijn majestueuze troon.

De redder, vond uiteraard, grote gunst bij de koning.

Tijd verging en de wijze man handelde onfatsoenlijk op zo danige wijze dat het de koning ergerde. De koning beschouwde hem als iemand die de koninklijke wetten had overschreden en sleepte hem voor het gerecht.

De man wist dat hij zeer streng zou worden aangepakt. In grote angst knielde hij voor de koning en smeekte om de verlening van een gunst, voordat het gerecht zou oordelen. Hij wenste te worden gekleed in dezelfde kleren die droeg bij de eerste ontmoeting met de koning in het woud. En ook de koning zou de originele kleding dragen van toen. De koning aanvaardde zijn verzoek. Toen de woudontmoeting opnieuw was geënsceneerd door het dragen van hun originele kleding, herinnerde de koning zich krachtig en helder de levensreddende vriendelijkheid van zijn redder. Grote vergevensgezindheid werd bij hem opgewekt toen hij zich eveneens herinnerde hoe hij opnieuw in ere werd hersteld op de troon. Met begaanheid en genade vergaf de koning grootmoedig zijn redder en bracht hem terug naar zijn hoge positie van eer.

Wees niet perfect

Gepubliceerd 19 juni 2012 | MT | Podium | P.P.J. Doodkorte
perfect
Een van de opvallende constanten in de publieke discussies in Nederland is de terugkerende aandacht voor ‘de’ jeugd. Iedere paar jaar wordt de vraag weer gesteld hoe het beleid gericht op jeugdigen eruit zou moeten zien. Podiumauteur Peter Paul Doodkorte vraagt zich af of die verontrusting wel terecht is.

De aandacht voor de jeugd heeft verschillende wortels, zo leert de geschiedenis. Een deel van de terugkerende aandacht heeft primair te maken met gevoelens van onrust. De jeugd wordt voorgesteld als losgeslagen en daarmee als een bedreiging voor de rust in de buurt en de wijk. De aandacht heeft ook te maken met het gegeven dat de jeugd het aangrijpingspunt bij uitstek is voor alle gedachten over hoe de samenleving zich (anders) dient te ontwikkelen. Ook gemeenten staan nu in het middelpunt van de belangstelling. Omdat gemeenten voorzieningen op het gebied van lokale jeugdzorg, gezondheidszorg en arbeidstoeleiding beheren en binnenkort ook verantwoordelijk worden voor de gespecialiseerde jeugdzorg.

Opvoedproblemen
Alle kinderen zijn op opvoeding aangewezen. Binnen de vanzelfsprekendheid van een pedagogische relatie en de wederzijdse betrokkenheid tussen opvoeder en kind ontwikkelt het kind zich op weg naar volwassenheid. Meestal verloopt dit proces zonder al te veel problemen, maar bij circa tien tot vijftien procent is dit niet het geval. Dit percentage is in de afgelopen decennia niet of nauwelijks gewijzigd. Toen ik in 1976 als groepsopvoeder in de jeugdzorg begon, leerde ik dat het met 85% van de jeugdigen eigenlijk gewoon goed gaat. 10% heeft extra opvoedondersteuning nodig, en bij 5 % is er sprake van ernstige opvoedproblemen. Die percentages worden tot op de dag van vandaag gehanteerd en gepredikt. Juist daarom verraste mij deze week de uitkomst van onderzoek van Kinderen in Tel (KIT). Dit onderzoek beweert dat het aantal jongeren dat gespecialiseerde jeugdzorg nodig heeft, tussen 2005 en 2010 bijna verdubbeld is : van 43.593 tot 84.542. De oorzaak van de stijging is niet bekend.

Risicomijdend gedrag
De voor de hand liggende conclusie is dat het slecht gesteld is met de zorg voor jeugdigen: instellingen lijken te weinig alert, te weinig professioneel en zich onvoldoende bewust van hun verantwoordelijkheid. Wellicht zit daar een kern van waarheid in. Wat echter niet over het hoofd gezien moet worden, is dat groeiende onvrede vaak niet zozeer iets zegt over het feitelijk functioneren, maar meer over het stijgende verwachtingspatroon. De tolerantie ten aanzien van fouten van jongeren, hun ouders en instellingen zoals die in de jeugdzorg, is steeds verder afgenomen. Het is tegenwoordig usance om te spreken over een ‘risicosamenleving’ in de zin dat risico’s steeds meer in beeld komen en onderwerp worden van beleid.

Het is naar mijn mening minstens zo verhelderend om in dat opzicht te spreken van een ‘veiligheidsmaatschappij’: we verlangen dat er geen wantoestanden meer voorkomen en we zijn ook in toenemende mate intolerant als dat wel het geval is. Er wordt steeds vaker gevraagd om het ingrijpen van de inspectie, om onderzoek naar (vermeende) fouten en om strakke normering van het gedrag van ouders, professionals en instellingen. Hetgeen niet zelden leidt tot risicomijdend gedrag c.q. te snel of te zwaar ingrijpen.

Behoefte aan ondersteuning
De vraag die evenzeer gesteld zou moeten worden, is in welke mate er voldoende zorgvuldig met kinderen wordt omgesprongen, door de ouders, door de samenleving en overheid, door instituties en door professionals. Want als onze jeugd hun geluk het hoogste cijfer geeft van alle jongeren in Europa, de Verenigde Staten en Canada (Health Behaviour in School-aged Children) en wij tegelijkertijd een verdubbeling scoren van het aantal jongeren dat gespecialiseerde jeugdzorg nodig heeft, zegt dat dan wat over die jongeren of over onze verwachtingen en normen?

Bij (beroeps)opvoeders is – in toenemende mate – veel handelingsverlegenheid op te merken bij het in goede banen leiden van veelvoorkomende, gewone opgroeiproblemen. Het zelf oplossend vermogen lijkt te eroderen. Dit uit zich veelal in achterstanden en probleemgedrag bij het kind en een grote handelingsverlegenheid bij de opvoeders. Waar dat opvoeden niet meer vanzelf gaat, kunnen professionals vanuit een orthopedagogische invalshoek een bijdrage leveren aan een maximaal ‘herstel van het normale leven’. Dat levert (in combinatie met andere ontwikkelingen) een sterke instroom op in de speciale voorzieningen.

Recentelijk bleek dit nog eens pijnlijk toen de kinderbescherming de ondertoezichtstelling aanvroeg – en verkreeg – voor drie kinderen die aan ernstig overgewicht leden. Het gezin krijgt nu begeleiding van een gezinsvoogd van bureau jeugdzorg. Die helpt hen het overgewicht aan te pakken. Ook het onderzoeksrapport ‘Idealen op drift’ maakt duidelijk dat volwassenen die geconfronteerd worden met radicaliserende jongeren behoefte hebben aan ondersteuning van hun pedagogische taak.

Opvoedingsonzekerheid
Wetenschappers signaleren als valkuil bij het ontwikkelen van initiatieven rond opvoedingsondersteuning dat opvoedingsondersteunende initiatieven voor het welzijn van kinderen een grote verantwoordelijkheid leggen bij de opvoeders. Blokland (1996) spreekt over de trend inzake “proto-professionalisering”. Dit is het proces waarbij gepopulariseerde wetenschappelijke kennis over de ontwikkeling van kinderen deel uitmaakt van de gedachtewereld van ouders. Dit kan tot onnodig problematiseren leiden en opvoedingsonzekerheid versterken. Dit kan weer leiden tot het gevoel van schuldig zijn bij het vaststellen van problemen, in het bijzonder van ouders in risicosituaties (Bouverne-De Bie, 2002).

We leven in een maatschappelijk klimaat waar opvoeden niet meer vanzelf loopt. Opvoeden beschouwt word als een belangrijke en moeilijke opdracht waarmee van alles fout kan lopen). Dit brengt als gevaar met zich dat opvoeders zich gaan vastklampen aan ‘algemene’ opvoedingsadviezen (bv. bepaalde artikelen in de media) die soms simplistisch zijn en vooral veel schuldgevoelens en onzekerheid meebrengen. Maar ook het gevaar van te krampachtig naar opvoeding te kijken.

Vallen en opstaan
Iedereen die met kinderen te maken heeft weet hoeveel energie, tijd en soms pijn en moeite het kost om kinderen op te voeden. De verzorging van pasgeborenen, het toezicht houden op en het grenzen stellen aan peuters en kleuters, het zichzelf leren redden, het coachen van de adolescent en de zorgen om de veiligheid en het welzijn van kinderen in al die fasen zijn worstelingen voor alle opvoeders. Opvoeden is een kwestie van vallen en opstaan. En dat vraagt een zekere tolerantie van ons als opvoeders. Ontzorgen en normaliseren in plaats van problematiseren, moet dus het motto zijn. Cyrulnik( 2004) formuleert het als volgt: “Ouders moeten niet perfect zijn. Laat ze hun schuldgevoelens daarover maar snel overboord gooien. Maar er wel voor zorgen dat, zoals vroeger, het netwerk rond hun kinderen groter wordt dan papa en mama”. “Wees niet perfect en niet almachtig en probeer het niet alleen te klaren.”

Eerdere bijdragen

  • Transformatie is boven alles een kwestie van loslaten
  • De gift van wederkerigheid
  • Laat een ander groeien

Over de auteur:
Dit Podiumartikel is geschreven door Peter Paul Doodkorte, toentertijd partner van BMC.

Je moet geduldig zijn, luisteren en het ongelijk begrijpen

  • Geef ongelijke monniken passende kappen!

iedereen_gelijk

Je kunt gerust bij iemand binnenvallen als je daar zin in hebt. Als ze ‘Jakkes’ zeggen kun je altijd weer naar buiten vallen – (Winnie de Poeh).

Er verandert momenteel veel in de zorg en ondersteuning van mensen. Voor veel vormen van ondersteuning en zorg moeten ze tegenwoordig aankloppen bij de gemeente. Gemeenten baseren de toewijzing van noodzakelijke ondersteuning of zorg op het zogenaamde compensatiebeginsel.

Wat dat is? Het is afgeleid van het begrip ‘compenseren’. En dat begrip kent de nodige betekenissen. Van ‘iets goed (proberen te) maken’? tot ‘het een tegen het ander afwegen’. Van ‘het afsluiten van een tegengestelde transactie’ tot ‘het goedmaken of vereffenen van schade’. Ik voel mij het meest verwant met de betekenis van ‘terug in balans brengen’. Het samen met mensen bekijken welke voorzieningen of hulpmiddelen nodig zijn om de hindernissen weg te nemen. Met als uiteindelijk doel: ‘meedoen’. Meedoen van álle mensen aan álle facetten van de samenleving. Dus wonen, werken, vrijetijdsbesteding, sporten, enzovoorts. Daarbij al dan niet geholpen door vrienden, familie of bekenden. Lukt dit laatste niet, dan kunnen mensen een beroep doen op de gemeente of de hiervoor door de gemeente aangewezen organisatie.

Mensen die zo bij de hiervoor door de gemeente aangewezen organisatie aankloppen, moeten dus duidelijk (kunnen) maken hoe hun leven eruit ziet en wat zij nodig hebben om mee te kunnen doen. Veel gemeenten hanteren daarvoor het zogenaamde keukentafelgesprek.

Inzet van een keukentafelgesprek is het verkennen van de ondersteuningsbehoefte van inwoners om te komen tot ondersteuning op maat. Deze gesprekken zijn een trendig topic geworden. Ook, omdat – steeds vaker – ze met succes worden gevoerd. Tegelijkertijd, zo constateer ik, is er ook nog veel te doen en te winnen.

De veranderingen in de zorg hebben namelijk ook veel twijfels en zorgen met zich meegebracht. Hierdoor ligt tijdens de keukentafelgesprekken niet zelden het accent op de inhoudelijk toelichting gegeven op de veranderingen. Of het vragen van begrip voor de verslechtering: minder hulp, meer zelf doen. Onbedoeld dreigt hierdoor verwording van het Eigen Kracht-denken. Het is niet langer een alternatief, maar eerder een uitsluitingsgrond: u hebt voldoende vrienden – bekijk het maar (met hen)!

Kijken naar wat nodig is in plaats van waar iemand recht op heeft. Dat is de juiste aanpak. Daar moet het om draaien bij een (goed) keukentafelgesprek. En ja, dat kost tijd en vaak ook geld.

Een persoonlijke aanpak biedt inzicht in de situaties van inwoners die ondersteuning nodig hebben. Dat is belangrijk, omdat je hun situaties niet zomaar over één kam kunt scheren. Het eigen plan en de eigen inbreng van de inwoners moeten daarbij leidend zijn.

Maatwerk is voor het gezonde verstand vanzelfsprekend. Desondanks raken nog te veel mensen in de knel. Omdat wij te vaak niet luisteren naar de antwoorden die mensen zelf hebben bedacht. Of omdat hun oplossingen niet goed passen in de systemen. Of omdat wij iedereen gelijk willen behandelen. Waardoor het maatwerk eerder een worstelpartij met algemene regels en normen wordt. Vraag het maar aan gemeentebestuurders, –ambtenaren en professionals. Die komen al snel met allerlei praktische bezwaren. Ook zij gruwen van opgelegde concepten en confectieoplossingen, maar als de uitvoering van maatwerk arbeids- of kostenintensief wordt, dan wint dat wat binnen het metrum van het stelsel past.

Maatwerk betekent: puzzelen, passen en meten ( zie ook: https://verruimdehorizon.wordpress.com/2015/02/07/schuren-knutselen-en-schooieren/) Maatwerk betekent: kiezen voor eigen regie en mensen ruimte geven om hun eigen talenten en vermogens te benutten. Eng? Wel als plannen, standaardiseren, controleren en toetsen het houvast is. Alsof alle mensen gelijk zijn!

Mensen zijn verschillend, hun omstandigheden en mogelijkheden zijn dat ook. Net als hun ziekten en beperkingen geldt dat ook de hindernissen die geslecht moeten worden. Net als de talenten die ter beschikking staan. En ja, dat is best spannend. Voor iedereen. Maar het is en wordt een feest als mensen erdoor in staat gesteld worden de gewenste balans in hun leven te kunnen terugbrengen.

Daarom heb ik een welgemeend advies: ga daadwerkelijk het gesprek aan. Je moet geduldig zijn, luisteren en het ongelijk begrijpen. Creëer ruimte voor mensen om een eigen plan en afwegingen te maken. Van bestuurders mag – nee, moet je – eisen dat ook zij ‘kantelen’. Het is namelijk onvermijdelijk dat er klachten komen. Dat er onrust zal ontstaan over ongelijke behandeling in schijnbaar gelijke gevallen. Juist dan is rugdekking van bestuurders en leidinggevenden nodig. Moeten zij zich zichtbaar eigenaar betonen van het kantelingsconcept en uitdragen en uitleggen dat de keuze voor maatwerk per definitie een keuze voor verschil is.

Menselijke gevoelens contra kille cijfers. Het blijft een boeiende tegenstelling. Maar passende oplossingen vragen om een open oog en oor voor de specifieke situatie van mensen. Het blijkt en blijft steeds weer verrassend om te merken dat mensen vaak opener zijn als je belangstelling toont, ruimte geeft voor het verhaal en laat merken dat je luistert, vragen stelt en feedback geeft. Als de ander luister, zonder oordeel, durven mensen meer te zeggen over wat ze denken en voelen.

Die – en wat mij betreft mooiere – insteek voor het keukentafelgesprek kent alleen maar winnaars. Het voorkomt dat mensen hun behoefte moeten vertalen in een oplossing die wordt beperkt tot het beschikbare aanbod. Het draagt niet allen zorg voor (meer) draagvlak. Het houdt de inwoners ook zelf in de regierol. En, voor professionals geven de verhalen waar ze trots op zijn zin. Gewoon, omdat ze de betekenis van hun werk vormen. Ze waardevol waardevolle dingen mogelijk kunnen maken.

Zin is – net als eigen kracht – niet te koop en een ander kan het ons ook niet geven. Maar een ander kan wel helpen in de zoektocht daarnaar. Helpen om de ogen te openen en te zien wat kleur geeft en waar je warm voor kunt lopen. En dat is niet altijd eenvoudig, zeker niet in een wereld waarin wij al gauw in systemen verzanden. Maar het kan! Daarom ook kun je gerust bij iemand binnenvallen als je daar zin in hebt. Als ze ‘Jakkes’ zeggen kun je altijd weer naar buiten vallen….

Van binden naar knellen

“Lucas” draait rond vraagstukken van pedofilie en afwezige vaders

Lucas heeft een moeilijke tijd in zijn adolescentie als hij wanhopig probeert indruk te maken op het het meisje waartoe hij zich voelt aangetrokken. Hij geraakt verwikkeld in een precaire situatie door een verdachte deal om geld te verwerven.

Het is een ironisch idee: wat als een jongen een vaderfiguur in een pedofiel vindt? Lucas vindt deze man, die hem aanspreekt en helpt. Tegelijkertijd is er de pedofiel die weet dat hij niet zijn neigingen moet onderdrukken. Zo geraken beiden verstrikt in een wederzijdse afhankelijkheidsrelatie.

De film intensiveert geleidelijk het onderliggende gevoel van onbehagen, maar houdt de kijkers in de ban van het verhaal. Er wordt nooit teveel onthult, , maar impliceert veel meer. Duidelijk is dat alles in de relatie tussen de jonge Lucas en zijn verdachte weldoener Alvaro niet goed is. Ondanks dat de omvang van zijn bedoelingen nooit volledig onthuld worden

Als de ziel niet meer in jou woont

Self/less – Tarsem Singh

Nieuw lichaam
De oogverblindende films van Tarsem Singh waren zeker in het begin van zijn loopbaan nogal eens gesitueerd in het medische domein. Zo ging zijn eerste film The Cell over een experimentele comabehandeling waarbij zielsverhuizing aan de orde was. En in zijn tweede film, The Fall, bleek haar verblijf in een ziekenhuis de verbeelding van een meisje zodanig te stimuleren dat er een duizelingwekkende reeks verhaallijnen op gang kwam.

Nu is er Self/less, over een terminaal zieke miljardair die middels een medisch experiment de kans krijgt op het eeuwige leven. Ook hier is weer sprake van zielsverhuizing: zijn geest wordt namelijk overgezet naar het lichaam van een jongere man. Het blijkt een ingreep met – eufemistisch uitgedrukt – existentiële bijwerkingen. Want de patiënt voelt zich aanvankelijk beter dan ooit, tot hij geconfronteerd wordt met visioenen van een ander leven dat kennelijk nog in het ‘nieuwe’ lichaam schuilgaat. Singh maakt zich – net als voorheen – niet erg druk om het aloude geest-lichaamdualisme. Toch maakte hij een actie- c.q. sciencefictionfilm die interessante filosofische en ethische vragen stelt.

Self/less is geïnspireerd op de speelfilm Seconds uit 1966. Deze film kun je via onderstaande link zien.

Plaatsmaken

Het ideaal van een meisje dat een kerk kocht.

meisje kerk

Er was eens een meisje in Philadelphia, dat graag naar de zondagsschool ging. Op een zondagochtend was ze om een bepaalde reden wat later dan anders bij de kerk. Toen ze door de zijramen naar binnen keek, zag ze, dat het zaaltje al helemaal vol zat. Teleurgesteld ging ze op het stoepje van de kerk zitten. De voorganger van de kerk, die een controleronde deed, vond haar daar.
“Wat is er met jou aan de hand?” vroeg hij.
“Ik, eh … Er is geen plek meer binnen,”zei ze triest.
“Dan maken we toch een plekje voor je,” lachte de man.
Hij nam haar mee naar de zondagsschoolzaal, haalde ergens een stoel vandaan en zette die in het middenpad naast de andere stoelen. Zo had het meisje toch nog een fijne ochtend.
Een paar jaar later werd de voorganger echter gebeld. Het bewuste meisje was gestorven. De voorganger werd gevraagd om de begrafenis te leiden, wat erg aangrijpend was. Maar na deze dienst kreeg hij van haar ouders een papiertje in handen gedrukt. Er was 57 cent bijgevoegd. Op het papiertje stond: ‘Dit geld is om een grotere kerk te bouwen met een grotere zondagsschoolzaal.’
Wat ontroerend. De voorganger vertelde alles de volgende zondag in de kerk en veel mensen kregen tranen in de ogen. Op de een of andere manier hoorde een krant dit verhaal en publiceerde het. Toen stroomde van alle kanten geld binnen voor een nieuwe kerk. Iedereen wilde de laatste wens van het meisje in vervulling doen gaan. Een kerk bouwen, dat is één, maar een waar haal je tegen een redelijke prijs een stuk grond vandaan in zo’n grote stad als Philadelphia?
Op een dag kwamen er een paar zakenlui bij de kerkbestuurders om te praten over de koop van een prachtige locatie. En weet je wat ze voor prijs vroegen? Zevenenvijftig cent!