Het kan wel!

Frieslab

De resultaten van het eindonderzoek van Frieslab naar behoefte, vraag, aanbod, financiering en mogelijkheden om het systeem te doorbreken.

http://frieslab.nl/wp-content/uploads/2014/02/Boek-Frieslab-HET-KAN-WEL1.pdf

Mantelzorg

• ode aan de mensen die mij mantelen

ouder worden
is van het leven
het mooiste geschenk
waarbij niet de jaren
maar het leven in de jaren telt

dus begroet ik iedere verjaardag
met een erkennend hart
dat dankbaar omziet
naar de gegaarde vriendschap
de liefde van de mensen om me heen

geniet ik van de oudste foto’s
die mijn jongheid tonen
en de haren die ik verloor
met behoud van mijn streken

smul ik van de zon
de maan en de sterren
van de wind die zingt in bomen
van vogels die sjilpen in mijn tuin

laaf ik mij aan de warme woorden
de hartelijk en welgemeende groeten
van de mensen die mij mantelen
van harte

Privacy: er zijn grenzen

Gepubliceerd 18 juli 2012 | MT | Podium | P.P.J. Doodkorte
privacy
Privacy is een groot goed in Nederland. Nu de verkiezingsstrijd weer is losgebarsten, wordt privacy als strijdpunt gebruikt. Podiumauteur Peter Paul Doodkorte vraagt zich af of de privacygrenzen niet te ver doorschieten.

Respect voor de privacy voor mijzelf en de ander staat voor mij voorop. Ik verwacht dat mijn vrienden de dingen die ik hen in vertrouwen vertel, niet doorvertellen. En al helemaal wanneer het te maken heeft met medisch beroepsgeheim, dat geschonden wordt. Dan zou ik echt laaiend zijn. Niet alleen wanneer dit betrekking heeft op mezelf, maar ook indien het medisch beroepsgeheim van een ander geschonden wordt. Het is niet aan een zorgverlener om info over een cliënt openbaar te maken; ook al wordt er geen naam van de cliënt genoemd. Naast schending van beroepsgeheim heeft dat ook alles met fatsoen te maken.

Privacy; voor mij houdt het veel in. Politici gebruiken het als strijdpunt in de aanloop naar de verkiezingen en ik… ik hecht er erg veel waarde aan. En nog meer dan dat, wens ik dat mijn privacy gerespecteerd wordt. En toch zorgen ontwikkelingen binnen internet en ict voor grote veranderingen op het gebied van privacy. We delen steeds meer informatie over onszelf. Wat we aan het doen zijn, maar ook welke trein we nemen en welke ziekten we hebben.

Ontstaan van privacy
Is privacy een verouderd begrip? Naar mijn mening niet. Maar het is door de gehanteerde eigendomsverhoudingen wel een onnodig complex issue. In een periode waarin meer mensen dan ooit hun recht op privacy bedreigd zien en willen opeisen vraag ik daarom begrip voor een andere, kritische beschouwing van het onderwerp. Ontstaan uit de overtuiging, dat de accentverschuiving naar individualiteit en autonomie sedert de zestiger jaren ten koste is gegaan van belangrijke waarden voor een hechte, tevreden samenleving. Een ander geluid dan de panische reacties – hoe begrijpelijk en terecht soms ook – wanneer onze (medische) dossiers, ons bestedingsgedrag en ons Internetgebruik bekender blijken dan we zouden willen.

Te veel bezorgdheid om persoonlijke vrijheid kan een bedreiging zijn voor publieke gezondheid, veiligheid en – misschien wel het meest wezenlijk – een echte (duurzaam betaalbare) oplossing van het vraagstuk. Voorbeeld: een pedofiel die zijn straf heeft uitgezeten, maar nog altijd als een gevaar voor kinderen wordt gezien, zou volgens mij niet zonder meer mogen terugkeren in een gemeenschap waar kinderen opgroeien. Zijn recht op privacy is hier ondergeschikt aan het welbevinden van de gemeenschap.

Als een gemeenschap goed functioneert – buren, vrienden en vrijwilligersorganisaties oefenen een zekere sociale controle op elkaar uit – hoeft er geen overheid of vrije markt aan te pas te komen om de privacy te waarborgen. Want dat zijn de instituties waar het vaak verkeerd gaat. Uit electorale overwegingen kunnen politici een klimaat scheppen waarin privacy beter wordt gewaarborgd, wat op den duur zal leiden tot overheidsingrijpen om de teugels strakker aan te trekken. En ondernemingen kunnen privé-gegevens, ook eventuele onjuistheden daarin, doorverkopen aan geïnteresseerde bedrijven, zoals verzekeringsmaatschappijen, die hiermee zonder meer inbreuk plegen op persoonlijke levens.

Eigendom dossiers
Ik merk dat er rond kind en gezin steeds meer behoefte is om over de grenzen van de eigen organisatie samen te werken. Er ontstaan wijkteams en dergelijke die steeds meer eigen verantwoordelijkheid nemen (en krijgen). Tegelijkertijd ontstaat er – ook c.q. vooral – in het belang van ouders en kinderen een toenemend besef over nut en noodzaak van het delen van informatie. Zeker als er meerdere (financierende) partijen bij een gezin betrokken zijn.

De beste en meest eenvoudige manier om dit tot stand te brengen is om het beheer en eigendom van een dossier bij de ouder(s)/kinderen zelf te beleggen. Ouders en kinderen geven hierbij duidelijk en zelf te kennen dat de persoonlijke gegevens verwerkt en gebruikt mogen worden voor een bepaalde reden. Volgens mij is dat heel goed mogelijk en werkbaar met goede afspraken m.b.t. privacy, inzage- en mutatierechten voor betrokken professionals.

Geen juridische bezwaren
Dit geldt wat mij betreft niet alleen over samenwerken rond lichte problematiek, maar ook voor zaken waaraan ouders wellicht niet even gemakkelijk aan meewerken. Waar het om gaat is dat zij doordrongen zijn van nut en noodzaak tot het delen van die informatie. Vanwege de gewenste oplossing, vanwege de effectiviteit en vanwege de betaalbaarheid van de zorg. Ook het ontwerp voor zo’n privacymodel is zoeken naar een optimale balans tussen privacy en gemeenschapsbelang. Maar, waar een wil is, is een weg en kunnen juridische en andere bezwaren worden weggenomen.

En ja, ook de wet biedt daarvoor de mogelijkheid. Gebruik maken van persoonlijke gegevens mag, mits de gegevensverwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke onderworpen is. Ook voorzitter Jacob Kohnstamm van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) stelt dat er wat betreft het (medisch) beroepsgeheim niets absoluut is. Zo kan in zwaarwegende gevallen worden afgeweken van het beroepsgeheim, bijvoorbeeld als het gaat om meldingen van kindermishandeling.

Kohnstamm vindt dat de beroepsgroepen zelf moeten stilstaan bij vragen die rijzen over het medisch beroepsgeheim. ‘Zorg voor richtlijnen voor hulpverleners hoe ze met dit morele probleem moeten omgaan. Hulpverleners zitten met het dilemma: aan de ene kant heb ik een ouder en/of kind die ik vertrouwen moet geven, aan de andere kant heb ik een maatschappelijke opdracht.’

Eerdere bijdragen:
 Gezocht: rolmodellen
 Voorkom stress op vakantie
 Er zijn meer slechte ouders dan kinderen

Over de auteur:
Dit Podiumartikel is geschreven door Peter Paul Doodkorte, toentertijd partner van BMC.

Een regisseur is het meest effectief als mensen ternauwernood weten van zijn bestaan

• Als zijn werk erop zit en zijn doel is bereikt, zullen de spelers denken dat zij het zelf hebben gedaan (vrij naar Lao Tzu)

regie

De echte regisseur weet, naast dat hij wisselend op het toneel en achter de coulissen staat, ook het decor, de belichting en het geluid, ofwel de omgeving, af te stemmen.

Steeds meer stuurt de landelijke overheid erop aan dat gemeenten optreden als regisseur. ‘Regie’ lijkt een nieuw buzz-woord. Haarlemmerolie voor de nieuwe gemeentelijke rol binnen het sociaal domein.

‘Regisseren’ spreekt tot de verbeelding in de gemeentelijke beleidscontext. De invulling daarvan is echter niet (altijd) even helder. De concrete uitwerking wil per gemeente nogal verschillen. Wellicht komt dit, doordat het begrip uit een context is gehaald die de fantasie prikkelt: de toneel- en filmwereld.

Welbeschouwd – al weten de meeste gemeentelijke beleidsregisseurs dat niet of niet meer – is het woord ‘regie’ een metafoor. Dit is een vorm van beeldspraak, die zijn effect bereikt via associatie, vergelijking of gelijkenis. Het is een middel om een onbekende werkelijkheid te verkennen aan de hand van een bekende werkelijkheid.

‘Regie’ is binnen de context van de toneel- en filmwereld een bekend begrip en vervolgens nauw verbonden met de transitie- en transformatieopgave binnen het sociaal domein. Daarbij zijn of worden verantwoordelijkheden, bevoegdheden en middelen gedecentraliseerd van het rijk naar gemeenten. De gedachte hierachter? Het besef dat gemeenten dichter bij de burgers staan, zodat via een maatwerkanalyse van de maatschappelijke problemen op het lokale niveau, maatwerkoplossingen kunnen worden bedacht. Liefst samen met de mensen die het betreft. Een uitdijend takenpakket van gemeenten is het gevolg. Gemeenten zijn daardoor niet langer ‘slechts’ beleidsuitvoerder, maar moeten ook beleid vormen en voeren.

Wilt u regiegemeente zijn? Kijk dan eens, of u volmondig ‘ja’ kunt antwoorden op de volgende vragen. Weet u waar uw partners behoefte aan hebben? Heeft u hen concrete voordelen te bieden? Durft u uw ambtenaren ruimte te geven? Zijn uw ambtenaren ondernemend? Heeft u vertrouwen in de esprit de corps? Bent u dienstbaar? Kunt u leven met vage doelen? Vindt u de kwaliteit van het proces écht belangrijker dan de inhoudelijke uitkomst? Want dát is nodig voor regie.

De rol van de gemeente als regisseur van het sociaal domein roept vele vragen op. En nagenoeg alle gemeenten buigen zich met verve over de beantwoording daarvan. Waarbij verschillende benaderingen kunnen worden vastgesteld. Van een puur bestuurlijke tot een meer pragmatische benadering. En er zijn gemeenten die ‘alle ballen in de lucht’ proberen te houden; door als het ware aan alle knoppen tegelijkertijd te draaien.

Zij hebben allen één ding gemeen: zij focussen op de vraag als geheel. Het geheel van actoren, zowel als het geheel van terreinen. Maar de praktijk…die is weerbarstig.

Mijn model van regie voeren kent drie pijlers:
• Verkrijgen van overzicht over het complexe systeem van verschillende actoren, probleemaspecten en oplossingsmogelijkheden, dat beïnvloed dient te worden. De samenhang tussen de verschillende actoren, de onderlinge patronen en de dynamiek leren zien;
• Verkrijgen van inzicht in de kritische aspecten van het dynamische proces. Het ontwikkelen van ideeën over welke interventies werken en waar die toegepast moeten worden om effect te kunnen sorteren;
• Het vergroten van het eigen vermogen om te zorgen dat je direct of indirect in staat bent te interveniëren op die kritische punten en om effectief te handelen in die situaties. Je moet ‘er bij kunnen’ en je moet het verschil kunnen maken.

Deze pijlers van regie sluiten aan op situaties waarin sprake is van een probleem dat een actor niet in zijn of haar eentje kan oplossen. Het gaat dus om situaties met complexe aansturing. De actor heeft over de verschillende aan te sturen partners niets – of niet steeds evenveel – te zeggen. Hij of zij zal de rol van regisseur daarom moeten verdienen. Dit laatste is ook zo’n beetje de betekenis van het woord ‘regisseur’ in de gemeentelijke context.

Mijn drie pijlers sluiten hierop aan. Vanuit overzicht kom je tot inzicht en vergroot je het vermogen om effectief te handelen. Het voortdurend doorlopen van dit proces maakt het mogelijk om in regie te komen en te blijven. Goede regie echter begint met een erkenning: Alles wat anderen beter kunnen, doen anderen. Regisseren doe je dus samen! Door samen te maken (co-creëren), door samen te doen (coproduceren) of door samen te werken (uitbesteden).

De regiefunctie als onderdeel van de procesbenadering kent de nodige voordelen ten opzichte van het traditionele organisatie denken. Door alleen in organisatiestructuren te denken, organiseren en regisseren we verticaal. De ‘hark’ en de hiërarchie zijn dominant in plaats van de ‘klant’ of het resultaat. Het resulteert (meestal) in starre structuren, waarbij medewerkers zijn gericht op hun taak, in plaats van op het resultaat. In de procesorganisatie is het net andersom. Dit alles laat onverlet dat beide structuren noodzakelijk zijn. Zij dienen echter als één geheel ontworpen.
Regisseren binnen het sociaal domein vraagt om het ´ontdekkenderwijs´ opstellen van een besturingsfilosofie die het nieuwe denken – het denken van loslaten en ruimte en vertrouwen geven – toepast. Dat vraagt om het voeren van regie vanuit systeem dynamisch perspectief. Daarbij kijk je naar de betekenis van ieders eigen rol als onderdeel van een groter geheel. Wie zit op welke plek in het systeem? Is dat de juiste plek? Is het gedrag consistent met die plek? Wat is er op onbewust, collectief niveau gaande in de probleemsituatie?

Gaandeweg ontwikkel je sensitiviteit voor probleemsystemen, het krachtenveld en de dynamieken die er spelen. Het leert kijken en komen tot nieuwe vormen van interventie. Door daarop regie te voeren wordt duidelijk waar uiteenlopende ingrepen elkaar versterken en waar niet. Vervolgens kunnen mensen en organisaties dát oppakken waarvoor zij het beste zijn toegerust.

Samenvattend
Vraagstukken worden steeds complexer. Zij trekken ze zich vaak ook niets aan van organisatiegrenzen. Strekken zich uit over meerdere organisaties en domeinen. Velen hebben daarin dan een deelverantwoordelijkheid. In dit soort situaties is er een continue veranderende interactie tussen betrokken partijen. Dit vraagt om iets of iemand, die de formele positie of bevoegdheid heeft het hele proces naar zich toe te trekken. Die op de een of andere wijze een werkbare situatie kan doen ontstaan en voortgang kan realiseren. Daar ligt de kracht en noodzaak van regie: het krachtenveld zodanig ‘bespelen’ dat synergie ontstaat.

Regie op het proces doorbreekt de hokjesgeest. Door te denken in resultaten wordt er horizontaal georganiseerd. De ‘klant’ bepaalt welk resultaat hij wil en het proces wordt ingericht en bestuurd aan de hand van dat uitgangspunt. Er ontstaat een veel dynamischer structuur en een plattere organisatie. Leidinggevenden worden proceseigenaren die procesontwerp én procesresultaat systematisch besturen. De afdelingsgrenzen vervagen. En, als het proces dat vraagt, medewerkers worden ingezet in wisselende multidisciplinaire teams. Want ook dat is regie: de juiste persoon op het juiste moment op de juiste plaats hebben.

De kunst van het (anders) kijken

• In de aandacht staan kan een last zijn.

Paul 108

Paul_Cézanne_106

Paul_Cézanne_107

Joseph Addison, Engels politicus, schrijver en dichter (1672 – 1719) zei eens: “Wat is het een absurd iets, om over alle waardevolle onderdelen van een mens heen te gaan, en onze aandacht te bevestigen op zijn gebreken.”

De focus op problemen in plaats van op ontwikkelingskansen domineert ook onze maatschappij en daarvan onderdeel uitmakende stelsel. Zoals ons huidige stelsel van zorg en welzijn. De vele en mooie initiatieven “van denken In problemen naar kijken in kansen” ten spijt. Nog te veel en te vaak zijn wij keien in het constateren van problemen. Nog vóór onze ‘klanten’ ze zien.

Nu is het denken in problemen niet zo vreemd. Het is tenslotte aangeleerd gedrag. We worden – ook door wet- en regelgeving – op welhaast perverse wijze geconditioneerd om in problemen te denken.

Deze oriëntatie op problemen zien wij in veel maatschappelijke sectoren. Tijdens de uitzendingen rond het wereldkampioenschap voetbal werd dat (opnieuw) duidelijk. De journalisten doen er alles aan om een verhaal te krijgen. In interviews zijn het veelal vervelende zuigers die er alles aan doen om vooral ‘problemen’ bloot te leggen. En als die er niet zijn, dan creëren zij er wel een. Datzelfde gebeurt bij de avonduitzendingen rond de Tour de France: Mart Smeets weet elke keer feilloos het gesprek op doping te brengen. Onbeschoft, vervelend, respectloos en doelbewust zoekend naar tegenstellingen die de spanning tussen (groepen) mensen vergroten. De middenweg en het denken in gezamenlijke antwoorden of oplossingen is ver te zoeken.

Als je alleen maar over de problemen praat, dan zit jij – of zet je iemand – in de slachtofferrol. Dat is voor veel mensen best comfortabel. Je hoeft dan namelijk (nog) niet aan oplossingen te denken. Laat staan dat je je zou bedenken dat sommige problemen een probleem zijn, omdat wij ze een probleem maken.

Veel mensen zoeken vervolgens de problemen buiten zichzelf. Het ligt aan een ander; of aan de overheid, enzovoorts. Terwijl – als je er goed over nadenkt – je zelf vaak degene bent die het had kunnen voorkomen, of kunnen oplossen. Maar dat kan wel heel confronterend zijn…Dan is het makkelijker om maar over de problemen te praten, om de beren op de weg te zien, in plaats van de route om de beren te omzeilen.

Van Winston Churchill is de fameuze uitspraak: “De pessimist ziet problemen in elke kans. De optimist ziet kansen in elk probleem.” Welke hulpvrager zou niet willen dat de hem ondersteunende dienst- of hulpverlener denkt in kansen in plaats van problemen? Die wijze van denken is niet alleen vruchtbaar in ons werk, maar in het gehele leven. Daar waar mensen kansgericht denken en doen verzekeren zij zich van innovatiekracht.

Op zijn manier hanteerde Churchill een holistische visie. Zag hij de mens als totaal. Een kijkwijze die mij bijzonder aanspreekt. Holisme is een benadering vanuit het besef dat alles een onderdeel is van een groot geheel, waarin alles met alles is verbonden. Holisme staat voor het zien van samenhangen.
¬¬
Het holistisch denken vraagt van hulpvragers en hulpverleners het serieus nemen van het eigen exploratieproces, waarbij het omgaan met spanningen, angsten en conflicten een reëel gegeven is. Het concretiseren van negatieve ervaringen geeft aanwijzingen waarmee zij de kwaliteit van hun leven kunnen verbeteren. Deze methode is er op gericht dat mensen leren van positieve en negatieve gebeurtenissen en dit vervolgens benutten. Wij zullen dus – wanneer we iemand willen helpen – naar de totale mens (en/in zijn context) moeten kijken en luisteren. Daarvoor is het essentieel om naar het levensverhaal te luisteren. Daarin zitten vaak symbolen en signalen verborgen die een indicatie kunnen zijn voor het gedrag en de problemen van vandaag.

Wat kunnen we in dat verband leren van Lance Armstrongs dopingaffaire? De bekentenis daarvan kwam niet als een verrassing. Het hoorde erbij wilde je winnen. Zonder dope geen hope. Hierbij spelen heel menselijke factoren een rol: angst, de wil om te winnen en de behoefte om mee te willen doen met ‘de echte jongens’. De stoere binken, de winnaars. Wie wil dat niet? En als we deze dingen eens nader bekijken… Zijn de genoemde argumenten om te gebruiken eigenlijk niet op ons allemaal van toepassing? Wie is in deze tijd niet bang voor zijn baan of hypotheek? Wie wil niet winnen of een glansrijke carrière? Wie heeft geen behoefte erbij te horen? Wie wil niet meedoen met de grote jongens als je de kans hebt?

En dan zegt wielrenner Thomas Dekker: “Ik had tóen mensen nodig die tegen me hadden moeten zeggen dat ik geduld moest hebben, dat ik met mijn fikken van de doping af moest blijven. Maar die waren er niet. Integendeel.” Iedereen hield elkaar gevangen….

Je luistert naar het totale verhaal vanuit de wetenschap dat het de ander meer inzicht kan geven in zijn patronen en beperkingen waardoor dit probleem heeft kunnen ontstaan. Daarna is het belangrijk dat je terug gaat naar de basisbehoeften van deze mens: welke behoeften zijn in zijn leven niet bevredigd of hebben te weinig aandacht gehad? Dit correspondeert altijd met een bepaalde ‘pijn’ die nu ontstaan is. Dan zijn we holistisch bezig en behandelen we niet de klacht, maar brengen we het probleem in een breder kader, waardoor het inzichtelijk wordt hoe het is ontstaan en wat daarvan de oorzaak is.

Dát is de vorm van ondersteuning en hulp waarnaar wij streven. Dit vraagt van meer tijd en inspanning, maar de effectiviteit is dan ook vele malen groter.

Ja, de kinderen, jongeren en volwassenen die we zien hebben een probleem, maar ze zíjn niet hun probleem. Ze zijn in de eerste plaats gewone mensen, met een leven dat meer inhoudt dan alleen bezoekjes aan de hulpverlening. Zij hebben – net als u en ik – een sociaal kader nodig, vrienden, diploma’s, werk, een toekomstperspectief. Positieve ervaringen en succeservaringen, want daarmee zijn ze in staat de negatieve spiraal in hun leven te doorbreken.

De maatschappij vraagt om de kunst van het anders kijken. Een verschuiving van invalshoek: van de problematiek naar de toekomst, ambities en dromen. Logisch. Want je kunt nog zulke goede zorg hebben gehad; wat heb je er aan als je vervolgens geen enkele kans hebt in de samenleving?

Paul Cézanne, een invloedrijke Franse post-impressionistische schilder, had een geliefd thema voor zijn schilderijen: de Saint-Victoireberg, dicht bij zijn huis in Aix-en-Provence. Hij heeft deze berg wel zestig keer geschilderd. Iemand vroeg hem eens of het niet saai was om maar steeds hetzelfde object te schilderen. Cézanne gaf aan dat het helemaal niet saai was: „„Als ik het doek maar wat verplaats, levert dat al een geheel nieuw landschap op.” Cézanne slaagde er dus in steeds op een andere manier naar het vertrouwde te kijken. Daarmee ontdekte hij steeds weer nieuwe kansen voor een unieke creatie.

Als professionals kunnen we veel leren van kunstenaars als Cézanne, die een meester was in het vinden van nieuwe kansrijke perspectieven. Hij wist te ontsnappen aan een eenzijdige blik op de wereld. Ontsnap jij mee?

Jongerenwerk als schakel in positief jeugdbeleid

Jongerenwerk als schakel in positief jeugdbeleid

Wat is de plaats van het jongerenwerk als (preventieve)schakel in het nieuwe jeugdbeleid dat de gemeente Amsterdam ontwikkelt? In opdracht van Combiwel heeft het Verwey-Jonker Instituut / Kenniswerkplaats Tienplus zich over deze vraag gebogen, op basis van de recente literatuur over het jongerenwerk en van enkele groepsgesprekken met jongerenwerkers van Combiwel. Deze brochure geeft de resultaten weer, die ook neergelegd zijn in een korte film. Zie ook:

De onzichtbare kinderen in de zorg voor jeugd

Deze film is gemaakt voor de mini-conferentie ‘De onzichtbare kinderen in de zorg voor jeugd’ op 27 juni ’14, een initiatief van TriviumLindenhof en Stek Jeugdhulp. Bekijk het verhaal van Faissal, Mariska, Jadaen en Elson.

onzichtbare kinderen in de jeugdzorg
onzichtbare kinderen in de jeugdzorg

De onzichtbare kinderen in de zorg voor jeugd zijn enerzijds de kinderen waarvan de veilige ontwikkeling in het gedrang is en waarvan de omgeving dit niet ziet en aan de andere kant kinderen met ernstige problemen waar we altijd zo goed voor hebben gezorgd (in speciaal onderwijs en leefgroepen) dat ze voor de samenleving onzichtbaar zijn geworden.