(G)een zachte landing voor de rupsjes Nooitgenoeg

• Meer met minder – het kan!

Nooitgenoeg

Door de overdracht en omvorming van taken op het gebied van werk (Participatie), Wmo, jeugd en onderwijs zijn gemeenten straks verantwoordelijk voor bijna de gehele maatschappelijke ondersteuning aan inwoners; jongeren, volwassenen en ouderen. Op het gebied van passend onderwijs zijn gemeenten en onderwijsorganisaties samen aan zet. De gemeenten krijgen door deze overdracht van taken de kans een samenhangend stelsel van maatschappelijke ondersteuning in te richten voor alle leefgebieden van de inwoners. Gezamenlijk vormt de overdracht van taken een belangrijke impuls voor de omvorming van het sociale domein.

Aan de basis van de overdracht en omvorming in het sociaal domein ligt de ambitie om ondersteuning en zorg zoveel mogelijk integraal, samenhangend, dicht bij huis en dicht bij de leefwereld van mensen te organiseren. Aan te sluiten op hun eigen kracht. Van professionals en de organisaties van waaruit zij werken, vergt dit (soms) een nieuwe manier van samenwerken en verbinden. Verbinden van leefwereld en systeemwereld. Verbinden van eigen kracht en systeemkracht. Verbinden van disciplines en professionals die betrokken zijn bij een casus. Verbinden van beleidsambities en organisatiebelangen. Van lokale en bovenlokale voorzieningen.

Gemeenten en zorgaanbieders zijn daarvoor volop aan de slag. Want het vraagt om daarop afgestemde werkwijzen, organisatievormen en besturingswijzen. Op de inhoudelijke ambities lukt het goed om elkaar te vinden. Maar zodra het om de centen gaat…

De door iedereen gewenste duidelijkheid over het definitieve budget waarmee gemeenten vorm en inhoud moeten geven aan de overdracht en omvorming is nu geboden. Op 28 mei werd de verdeling van het macrobudget gepubliceerd in de meicirculaire van het gemeentefonds. Dit moet een einde maken aan de voortdurende onzekerheid en de daarmee oplopende discussies. Ik laat mij op dat punt graag aangenaam verrassen. Maar zeker daarover ben ik allerminst. Niet in de laatste plaats door de rupsjes Nooitgenoeg. De rupsjes die nooit tevreden gesteld zijn. Altijd hongeren naar meer.

De gemeenten krijgen er door de drie decentralisaties (3D) – de invoering van de Participatiewet, delen van de AWBZ die naar de Wmo gaan, en de decentralisatie van de Jeugdzorg – veel nieuwe taken bij. Dit gaat gepaard met forse bezuinigingen. Deze opgave is alleen mogelijk met een herontwerp van en innovatie binnen het sociale domein. En juist het herontwerpen en innoveren roept het nodige verzet op. In het bijzonder bij de (grotere) aanbieders en de landelijke politici. Met nog iets meer dan een half jaar voor de boeg vragen (lees: eisen) zij een zachte landing. De bestaande zorg moet gecontinueerd worden, net zoals de gekende bekostigingsmodellen. En ook de werkgelegenheid moet gewaarborgd worden.

Ik begrijp de intenties van deze pleitbezorgers. Tegelijkertijd is het bangmakerij-retoriek. Zijn het krokodillentranen. Want het zijn de perverse prikkels in de huidige bekostigingssystemen die in belangrijke mate bijdragen aan kostenstijgingen en een ondoelmatige inzet van middelen binnen het sociaal domein. In veel gevallen worden aanbieders betaald per consult/verrichting of per “zorgbundel”, wat een financiële prikkel geeft om meer volume te genereren. Immers, meer volume betekent meer omzet en meer personeel voor de zorgaanbieder.

In combinatie met het grotendeels afwezig zijn van betrouwbare informatie over kwaliteit en uitkomsten van zorg leidt dit tot ongewenste resultaten, waaronder een ondoelmatige inzet van middelen. De beperkte transparantie van de resultaten van de geleverde zorg maakt dat de financiers (overheden en verzekeraars) nauwelijks in staat zijn om scherp in te kopen. Daarnaast is het ook voor aanbieders zelf vaak moeilijk om op kwaliteit te sturen en verbeteringen door te voeren. Ook wordt coördinatie van zorg en samenwerking tussen verschillende typen zorgaanbieders binnen de huidige bekostiging onvoldoende gestimuleerd, terwijl onderzoek aantoont dat juist dit veel meerwaarde kan hebben ten aanzien van kwaliteit en doelmatigheid van zorg.

Uitkomstbekostiging – bekostiging van zorg die gericht is op het stimuleren van goede uitkomsten van ondersteuning en behandeling – in termen van kwaliteit en kosten, blijkt een methode waarmee zowel de volumegroei van onnodige zorg beperkt en doelmatiger zorg gestimuleerd kan worden. En daar wringt voor de rupsjes Nooitgenoeg de schoen. Immers, door als (gemeentelijke) overheid samen met de inwoners goed te formuleren wat je met de overdracht wilt bereiken (stip aan de horizon), door de juiste mensen aan elkaar te verbinden (vitale coalities) en door het met elkaar eens te worden over de route daar naartoe en de inzet die daarbij van alle betrokkenen nodig is (routes naar de horizon), neemt de onzekerheidsmarge voor aanbieders toe. En dat is goed. Want in die ruimte ontstaan oplossingen die anders nooit bedacht zouden worden.

Maar juist met die onzekerheidsmarge hebben de aanbieders grote moeite. De continuïteit van de zorg zou in gevaar komen. Of de zorginfrastructuur verloren gaan. Massaontslagen komen steeds dichterbij. En er wordt hardop gepraat over faillissementen die in het verschiet liggen. Ik kan en wil die effecten niet uitsluiten. Sterker: zij zijn wellicht zowel onvermijdelijk als noodzakelijk.

Het welslagen van de overdracht binnen en omvorming van het sociaal domein vraagt (daarom) om lef. Om te beginnen bij politici en overheden. Zij moeten het lef hebben om te kiezen. Bijvoorbeeld om nieuwe spelers toe te laten op het speelveld. Dat betekent wellicht ook risico nemen met partijen die nog geen oude vertrouwde partners zijn. Maar wel iets te bieden hebben dat voor vernieuwing en kwaliteit kan zorgen. De zekerheden echter die men denkt te vinden bij bestaande partners (bijvoorbeeld continuïteit en financiële stabiliteit) blijken niet zelden slechts schijnzekerheden (personele wisselingen, onduidelijkheid over waar middelen aan besteed worden, weinig directe betrokkenheid bij het resultaat). Nieuwe partners bieden andersoortige zekerheden. Minstens zo duurzaam, maar selectiecriteria en verantwoordingssystemen zijn daar nog niet op ingesteld!

Voor aanbieders geldt: Als er één gebied is dat om ondernemende oplossingen vraagt, is het wel het sociale domein. Daarbij bestaat behoefte aan sterke, innovatieve en houdbare aanpakken. Dat vraagt om loslaten en de mogelijkheid creëren en pakken om opnieuw te dromen. Je open te stellen voor nieuwe zaken, nieuwe contacten, nieuwe netwerken, nieuwe ideeën. Dat geeft onzekerheden, zeker. Maar succesvol kunnen omgaan met onzekerheid en verandering is hét kernelement van ondernemerschap. Vasthouden aan het bestaande is geen optie. Sturen op adaptiviteit en leervermogen wel. Het is daarom uw verantwoordelijkheid nύ afspraken te maken over hoe de gewenste uitkomsten samen kunnen worden bereikt. Ook, als dat andere (financiële) verhoudingen met zich brengt.

Advertenties

One Reply to “(G)een zachte landing voor de rupsjes Nooitgenoeg”

  1. Helemaal met jou eens, Peter Paul. Zéér goede analyse…
    De transitie wordt vooral gebruikt om de bestaande aanbieders in een warm bedje te houden. Vele ervan zijn wars van ‘onzekerheden’, zoals het afgerekend worden op echt resultaat bij cliënten en het toelaten van nieuwe aanbieders op de zorgmarkt. . Daarom proberen zij de gemeente te verleiden on de bestaande contracten, liefst met zoveel mogelijk omzetgarantie, en zo min mogelijk ‘afreken’-mogelijkheden voor de opdrachtgevers. Veel gemeenten trappen daarin onder het mom dat ze niet anders kunnen. Maar dat kunnen ze wel!
    Omdat gemeenten niet goed overzien wat er op ze afkomt, spelen ze op safe en gaan ze veelal met de huidige aanbieders en hun beproefde producten in zee. Dat stelt ook Marcel Stuijts, van het inkoopbureau Zuidoost-Brabant, afgelopen week op een conferentie over inkoop in het sociale domein, en ik denk dat hij gelijk heeft.

    We zagen het al bij de jeugdzorg waarbij bijna alle jeugdregio’s in hun transitiearrangement kozen voor (continuering van de) bestaande instellingen, zoals het bureau jeugdzorg, zonder veel ruimte te laten voor kleinere aanbieders. Deels werden ze daartoe aangezet door staatssecr. Van Rijn, die met ‘zachte landing’ niet de continuïteit van zorg voor burgers, maar het voortbestaan van bestaande zorginstellingen beoogde, vanwege zijn zorg voor frictiekosten. Van hem moesten gemeenten minimaal 80% omzetgarantie (lees: banengarantie) geven, zelfs voor taken (de Toegang) die niet onder de wettelijke continuïteitseis vallen.
    Het gevaar bestaat dat door de markt op deze manier voor nieuwelingen ‘op slot’ gaat, zodat over een jaar (of twee) deze allemaal verdwenen zijn en alleen de gevestigde partijen onderling de dienst uit maken. Aanbestedingsexperts waarschuwen hier al voor.
    Gemeenten, kijk verder dan je neus lang is, zou ik zeggen. En zorg dat je een gemêleerde markt aan aanbieders blijft houden zodat je keuzes blijft houden!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s