Een doel is een droom met een deadline

• We hebben een visie en een kompas harder nodig dan een routekaart (Stephen Covey)

De weg vooruit is leeg - City tot City

De weg vooruit is leeg – City tot City

De afgelopen week gebeurde het mij. De hele dag geworsteld met een probleem, geen oplossing gevonden, chagrijnig naar bed, slecht geslapen en dan, de volgende morgen, opeens het inzicht. Was het de ontspanning? Het moment van de dag? Ik realiseerde mij dat het vooral ‘afstand nemen’ was. Als je afstand neemt, verdwijnt het irrelevante en ontstaat er ruimte voor verbindingen tussen het relevante.

Het sociaal domein is volop in beweging. Beleidsconcepten en doelstellingen wisselen elkaar in hoog tempo af. Gemeenten staan, samen met hun inwoners en maatschappelijke partners, voor de opgave om een nieuw stelsel van maatschappelijke ondersteuning in te richten. Lokaal, integraal en dicht bij de burger. Het moet meer vanuit eigen kracht en met minder publieke middelen. Dat vraagt om (meer) regionale samenwerking, integrale dienstverlening, omgevingsgericht werken, een daarbij passende financieringssystematiek. Maar bovenal: een hele andere rol en houding van zowel overheid, professional als inwoners. Dit vergt buiten bestaande kaders durven treden. Vanuit een nieuwe scope durven denken, kijken en doen.

Anders denken, kijken en doen is makkelijker gezegd dan gedaan. Dat geldt in het algemeen en zeker ook in de complexe realiteit van het sociaal domein. Voor de beoogde omvorming valt geen blauwdruk te geven. Het realiseren ervan vraagt ook – zo ervaar ik met grote regelmaat – meer dan alleen goede ideeën en fraaie vergezichten. Een goed idee heeft weliswaar een mobiliserende kracht en kan mensen met een magnetiserend toekomstbeeld aantrekken en verenigen. Maar innovatiekracht is eerst en vooral mensenwerk. Mensen blijken de doorslaggevend succesfactor. Ideeën, problemen, processen en mensen. Daar draait het om.

De transformatie die met de decentralisaties beoogd wordt, vraagt naast goede ideeën ook om het hebben van een verlangen, een (onvervulde) behoefte of een maatschappelijke urgentie. Zij vormen de echte motor voor de innovatie. Als daarvan sprake is, ontstaat de wil er een antwoord op te vinden. Op dat moment ontstaat er ruimte voor verandering. Ruimte voor verandering betekent ook: bereidheid om afstand te nemen. Afstand van het bestaande. Concepten als de sociale wijkteams, eigen kracht en andere fenomenen zijn ooit als een antwoord op een ervaren probleem – en daarmee een gegroeid verlangen – begonnen.
Losse ideetjes en vrije gedachten zijn interessant en spannend, maar vinden eerst een voedingsbodem, indien zij een antwoord bieden voor een reëel bestaand behoefte. Het daarop aansluiten is een mooie eerste stap, maar vraagt vervolgens om het stellen van ‘de juiste vragen’ te stellen. De vraag is waar de inspanningen zich op moeten richten. Dat vraagt kennis, intuïtie en ervaring.
Een ‘verlangen’ of ‘probleem’ is dus een belangrijk vertrekpunt, maar niet de sleutel voor verandering. Dat leert ons ook de omvorming van het sociaal domein. Het ‘verlangen’ – de stip op de horizon – dat wát we willen bereiken, is maatschappelijk gezien breed gedragen. Het hoé de verandering – de loop der dingen – te bereiken is de werkelijke uitdaging.

Het ‘hoe’ gaat over het proces waarlangs iets vorm krijgt of tot stand komt. Processen hebben dan ook een grote invloed op de vorm en inhoud van de uitkomst. Bepalen in sterke mate hoe iets uitgevoerd wordt; hoe het werkt; wat het effect is en hoe het beleefd wordt.

Uiteindelijk echter draait en gaat het om de mensen. Diverse onderzoeken tonen aan dat het mensen van vlees en bloed zijn die het verschil maken. De vernieuwing komt tot stand omdat gedreven mensen zich er sterk voor maken. En anderen die voor tegenstroom zorgen. Bijvoorbeeld vanwege de belangen die aan het bestaande zijn verbonden.

Vernieuwers laten zich door tegenkracht niet uit het veld slaan. Ze gaan door, linksom of rechtsom. Gaan door roeien en ruiten. Zij weten wanneer wat nodig is en durven daar naar te handelen. Een vernieuwingsproces als dat van ons sociaal domein zoekt en biedt d(i)e ruimte om tot verdieping te komen.

Bij de omvorming van het sociaal domein onthouden of ontzeggen wij ons niet zelden die ruimte. In meer algemene zin zijn wij geneigd de decentralisaties te benaderen als een project. Een project heeft een duidelijk begin en kent een eindpunt met een nauwkeurig omschreven doel(stelling).

De transformatie echter is veel eerder een proces: een opeenvolging van gebeurtenissen in de tijd waarbij doel en richting vooraf globaal zijn bepaald, maar waarbij ruimte moet bestaan om in te spelen op wensen of ontwikkelingen vanuit de omgeving. Een proces dat ontvankelijk is voor krachten van andere betrokken actoren en ideeën. Die daarmee invloed kunnen en mogen uitoefenen op datzelfde proces.

Ook in mijn eigen werkpraktijk zie en ervaar ik dat. Het vasthouden aan gebaande paden en klassieke projectbenadering kan al snel leiden tot eendimensionale oplossingen. En gemopper en lekkage van energie genereren.

Daarbij is het – zeker voor het welslagen – prettig wanneer er sprake is van ‘sterke’ opdrachtgevers. Opdrachtgevers die oog durven en willen hebben voor het beschreven ontwerpproces bepalen in sterke mate het verloop en resultaat daarvan. Zij kunnen en durven de (on)mogelijkheden, wensen en behoeften die van belang zijn in het proces van planning, ontwerp en uitvoering – de factoren dus die het proces beïnvloeden – te lezen, te beschrijven en te reconstrueren.

Samenvattend:
De omvorming van ons sociaal domein vraagt om een intelligente procesarchitectuur. Deze architectuur moet het ene moment ruimte bieden voor brainstormen, terwijl op het volgende moment de focus kan liggen op het kiezen uit en selecteren van opties. Het vraag om traploze schakeling tussen arena’s, waarbij externe partijen, experts, eindgebruikers en beslissers op passende momenten worden betrokken. Adequate procesvoering – zo ervaar ik – is daarbij een kwestie van balanceren. Van meebewegen enerzijds en standvastig koers houden anderzijds.

Een vastomlijnd concept daarvoor is niet te geven. Het vraagt om een open oog en oor voor alle betrokken belangen, net zo goed als het markeren van grenzen. Dat vraagt geduld, net zo goed als ongeduld. Om een doordachte regie op basis van planmatigheid zo goed als ruimte voor het toeval en open staan voor ongedachte inzichten en oplossingen. Die ruimte kun je vinden en geven als je naast een voorkeursoplossing ook een terugvalscenario achter de hand hebt.

Advertenties

Niemand is zijn eigen stoornis

GGZ Friesland is het zat. Niemand is zijn stoornis. Vandaar dat de organisatie tijdens de Week van de Psychiatrie (24 tot 31 maart 2014) een langlopende actie startte om de gevolgen van vooroordelen onder de aandacht te brengen.

Welke vooroordelen zijn er?
Onvoorspelbaar, onbekwaam en onaantrekkelijk: dat zijn de meest voorkomende en hardnekkigste vooroordelen over mensen met een psychische aandoening. Leren leven met schizofrenie, een manische depressie of andere psychische problematiek is al ingewikkeld. Helemaal wanneer je je ook nog eens moet wapenen tegen de vooroordelen en discriminatie van anderen. Stigmatisering en discriminatie zijn een dagelijkse last voor mensen met een psychische probleem.

Psychiatrisch stigma wordt ook wel ‘de tweede ziekte’ genoemd, omdat het stigma dat mensen moeten dragen soms meer belemmeringen opwerpt dan de aandoening zelf. Uit onderzoek blijkt dat vooroordelen het moeilijker maken om werk te vinden en te behouden, toegang te krijgen tot voorzieningen, woonruimte te vinden en relaties aan te gaan. Dat kan ernstige psychologische gevolgen hebben, een terugval in de hand werken en de bestaande gezondheidsproblemen verergeren. Stigmatisering en discriminatie belemmeren de maatschappelijke integratie en rehabilitatie van mensen met psychische beperkingen.

Wat kunnen we hieraan doen?
Pas als mensen weten dat ze vooroordelen hebben en daarmee het herstel van een ander in de weg zitten, kunnen zij dit gedrag veranderen. GGZ Friesland wil met deze bewustwordingscampagne het onderwerp onder de aandacht brengen en de maatschappelijke discussie op gang brengen. Meer over deze campagne is te vinden via http://www.ggzfriesland.nl/vooroordelen.

Meer informatie
http://www.ggzfriesland.nl/vooroordelen

Meedoen in gemeente Bergen

Net als andere gemeenten in Nederland krijgt gemeente Bergen te maken met fundamentele veranderingen op sociaal domein (Jeugdzorg, WMO/AWBZ en Participatiewet). De decentralisatie van bevoegdheden, verantwoordelijkheden en middelen van het Rijk naar het lokaal niveau dwingt gemeenten, en dus ook gemeente Bergen, maatschappelijke instellingen, bedrijven en inwoners om zich te bezinnen op hun rol en positie in het lokale sociale domein. Op 4 maart 2014 presenteerde Jan Mesu, wethouder Jeugdzorg, AWBZ/Wmo en Participatiewet tijdens de conferentie ‘Jeugdzorg, AWBZ/Wmo en participatiewet’ de Bergense visie op deze decentralisaties. Er waren ruim 140 deelnemers vanuit het lokale sociale domein: maatschappelijke- en welzijnorganisatie, zorginstellingen, jeugdzorg, huisartsen fysiotherapeuten bij aanwezig.

Samenwerken
“De noodzaak om samen te werken aan vernieuwing en nieuwe verhoudingen is groter dan ooit. Om te zorgen dat deze decentralisatie en vernieuwing in gemeente Bergen soepel verlopen, is het belangrijk daar gezamenlijk aandacht aan te geven en in op te trekken. Peter Paul Doodkorte, partner Vondel&Nassau, verzorgde een inspirerende inleiding onder de titel ‘Zinvloed”. Zijn betoog valt kort samen te vatten: Niet de problemen zelf maken het ons moeilijk, maar de manier waarop we er tegen aankijken ! Op de conferentie werd door middel van workshops gekeken hoe de samenwerking op korte en lange termijn verder gebracht kon worden. Het resultaat? Veel enthousiasme en zin om aan de slag te gaan!

Bergense visie op sociaal domein
De Bergense visie komt kort samengevat op het volgende neer: Mensen benutten al hun mogelijkheden en investeren in hun kansen om mee te doen. De gemeente ondersteunt hen hierbij indien dat nodig is. Deze steun kenmerkt zich door nabijheid en is effectief doordat de gemeente samenwerkt met relevante partners, verbinding legt tussen leefdomeinen en mensen aanspreekt op hun individuele en gezamenlijke verantwoordelijkheid. De gemeente maakt deze visie concreet met onder meer de volgende projecten: pilot sociaal wijkteam, aanstellen van jeugdzorgcoach bij de gemeente, bemiddelen van mensen uit de bijstand naar werk en publiekscampagne ‘dat is heel normaal in onze gemeente’.

Wordt jij ook zo moe van alles wat moet?

• Mensen moeten doen wat ze willen. Waar leven ze anders voor?

Moeten

De zorg in Nederland is al geruime tijd onderwerp van een hervorming die zich kort laat beschrijven als een poging om door middel van overdracht en omvorming van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden te komen tot een beter en volhoudbaar zorgstelsel. Niemand kan nog precies voorspellen wat deze poging allemaal zal opleveren, laat staan in hoeverre wij in deze ambitie uiteindelijk slagen. De beoogde overdracht en omvorming betreft een veelomvattende operatie. Zij raakt iedereen. De inwoners (zorgconsumenten), de overheid en de professionals en hun organisaties.

De intenties verraden een grote ambitie. De zorg moet doelmatiger en innovatiever. Tegelijkertijd echter moeten de solidariteit, toegankelijkheid, kwaliteit van zorg en betaalbaarheid gewaarborgd blijven. In sommige opzichten zelfs worden verbeterd. De hervorming van ons sociaal domein is zo een samenstel van doeleinden en middelen. Het succes daarvan vraagt en draait om een verandering van besturingsparadigma.

Een besturingsparadigma is een samenhangend geheel van ideeën en opvattingen over de aard en structuur van besturingsproblemen en de wijze waarop die het beste kunnen worden aangepakt. Bij de transitie en transformatie van de jeugdzorg, de omvorming van de AWBZ en Wmo en de invoering van de Participatiewet gaat het om een omslag van ‘beheersing’ naar ‘ontwikkeling’. Die omslag in het denken gaat niet vanzelf. Niet in de laatste plaats geldt dit voor de ‘sturende’ overheid zelf. Zij is gewend op alle niveaus een dominante functie te vervullen. Terwijl de noodzakelijk geachte en vervolgens gewenste paradigmashift vraagt om een nadruk op decentralisatie van beslisrechten en bijbehorende verantwoordelijkheden.

Deze evolutie in ons denken past in een breder politiek-maatschappelijke ontwikkeling. Deze kenmerkt zich door een veranderende verhouding tussen overheid, middenveld en inwoners. Het gaat daarbij om het ruimte bieden aan ondernemerschap van en bij inwoners. Om een overheid die niet langer alles zelf wil bedisselen, maar veel meer op afstand stuurt en faciliteert. De inwoners – jong en oud – worden in dit model gepositioneerd als mensen die zoveel mogelijk hun eigen keuzes ‘mogen’ in plaats van ‘moeten’ maken.

Het verschil tussen moeten en mogen
We hebben ooit – en al heel jong – het woord ‘moeten’ geleerd. Moeten legt druk op alles wat we doen. Het zit in ons en in onze systemen. “Moeten’ ontneemt ons de keuze in en bij het doen, horen en zien. Het is een automatische piloot geworden die ons denken en doen in de greep heeft. Hoe zou het zijn als je mag in laats van moet?

Van ‘moeten’ naar ‘mogen’ vraagt om het creëren van het ‘willen’. Willen heeft te maken met positieve doeleinden, om wat je wilt bereiken. Wat we willen doen, doen we graag opnieuw. Zo ontwikkelen we vaardigheden en motieven (een drijfveer en terugkerend patroon). Wat je wilt, is wat je leuk vindt. Waar je je in verliest en wat je energie geeft. Het draait om durven ‘dromen’ en ‘wensen’. Het maken van plannetjes, gericht op een gewenste toekomst op basis van werkbare – en daardoor gewenste – mogelijkheden. Het resultaat is een situatie waarbij mensen zelf verantwoordelijkheid en eigenaarschap behouden bij en voor het realiseren van de benodigde acties en veranderingen.

Dromen, durven en doen vraagt om kijken naar mogelijkheden in plaats van focussen op problemen en belemmeringen.

Wij zuchten vaak over of onder onze problemen en/of belemmeringen. En het wordt ronduit irritant als er dan mensen in onze omgeving zijn die beweren dat er geen problemen (meer) zijn. Zover wil en zal ik niet gaan. Natuurlijk zijn er problemen dan wel belemmeringen. In ons werk en leven loop we gewoon wel eens vast. Of verprutsen we het wel eens. Doen we wel eens domme dingen. Toch!?

Maar ik beweer wel dat alle problemen uitzonderingen hebben. Momenten waarop het probleem of de belemmering zich niet voordoet. En in die momenten of situaties liggen de sleutels voor het ‘willen’.

Van ‘moeten’ naar ‘mogen’ en ‘willen’ vraagt om een ander perspectief van kijken naar hetzelfde gegeven. Om een omgeving die niet zozeer werkt vanuit een grand design, een blauwdruk of een ultieme doelstelling, maar een ambiance die ruimte geeft. Waarin uitdagingen, belemmeringen en problemen ‘lerend’ mogen en kunnen worden opgepakt en geïnterpreteerd. Dat vraagt – van ieder van ons – een mensgerichte attitude. Een basishouding van oprechte interesse in de ander. En om staatslieden die zich niet gedragen als architecten van megalomane stelsels, maar als tuinlieden het ‘moeten’ wieden tussen de kostbare waarde van ‘mogen’ en ‘willen’.

Doe wat je altijd deed en je zult krijgen wat je altijd kreeg

• Als alles onder controle lijkt, ben je gewoon niet snel genoeg.

Marionet

Er komt dit jaar veel op de gemeenten af. Vanaf volgend jaar zullen gemeenten verantwoordelijk worden voor veel zorgtaken en voor begeleiding naar werk van zwakkere groepen. ‘Gemeenten worstelen nog met decentralisaties’. Berichten met alarmerende koppen als deze willen ons doen geloven dat gemeenten daarbij nog onvoldoende voortgang boeken. Als dat al zo is – wat ik op basis van praktijkervaring in twijfel durf te trekken – dringt zich de vraag op, wat de oorzaak daarvan is. In dit verband biedt een deze week gepubliceerde checklist van het Programma “Gemeente van de Toekomst” van het ministerie van Binnenlandse Zaken een interessante doorkijk.

De uitvoering van de nieuwe verantwoordelijkheden als gevolg van de decentralisaties, betekent voor gemeenten zowel een transitie als een transformatie. De transitie vraagt naast het incorporeren van nieuwe verantwoordelijkheden ook een transformatie naar een nieuwe manier van werken.

Gemeenten moeten – volgens de eerdere aangehaald checklist – rekening tal van risico’s. Interessant – en tegelijkertijd onthutsend – zijn de navolgende – onder verantwoordelijkheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken geformuleerde – risico’s:
1. Sociaal inhoudelijk:
Landelijke/regionale eisen en discussies zijn te veel leidend voor de organisatie.
Door te veel protocollen heeft de professional te weinig ruimte om goede hulp te verlenen.
2. Juridisch
Onduidelijkheid over de nieuwe wet- en regelgeving zorgt voor vertraging.
3. Politiek
Bemoeit zich op casusniveau met de aanpak en het inhoudelijke werk.
4. Organisatie & leiderschap
Er wordt te veel aansluiting gezocht bij de huidige inkoop, waardoor veranderingen en verbeteringen niet van de grond komen.

Verschrikkelijk waar allemaal. En dus niet mis te verstaan. De ervaring leert echter dat het bij grote operaties – zoals de decentralisaties in het sociaal domein – lastig is om tijdig en in alle opzichten aan alle spelregels te voldoen en op voorhand alle zekerheid te bieden aan de partners (zie in dit verband ook: Beleidsdoorlichting Interbestuurlijke verhoudingen 2007-2013 | 7 maart 2014 | Rijksoverheid | Ministerie van Binnenlandse Zaken | Directoraat Generaal Binnenlands Bestuur). Waar het onze taak is om ruimte te creëren, zodat de ander achter eigen antwoorden en oplossingen kan komen, is de realiteit daaraan tegengesteld.

De overdracht en omvorming wordt over de gehele linie verstikt door voorschriften, regels, protocollen, procedures, rapportages en prestatiemetingen. Dat kost veel geld en heeft een averechts effect op motivatie, ruimte voor de uitvoering en de kwaliteit daarvan. Bezuinigen op dit regel- en beheercircus zal een zucht van verlichting ontlokken aan menig gemeentebestuurder, beleidsmedewerker en uitvoerende professionals.

Moet de voortgang dan niet gemonitord worden? Welzeker, maar doe dit dan in de geest van de gevraagde transformatie! Zet controle op zijn kop: laat de uitvoeringspraktijk zelf komen met voorstellen hoe zij het best en met minimale regels gecontroleerd kunnen worden. Daartoe moeten zij hun verantwoordelijkheid en initiatief nemen, vrijwillig transparantie bieden, en niet passief wachten tot de controle hen overkomt en overspoelt.

De bovenmatige controle van de transitie en transformatie overwoekert het proces. Er groet een verstikkende laag van controleurs met onrealistische pretenties en niet zelden ook gebrekkige kennis van het echte werkproces. Deze controlewoede berust op een dubbel misverstand: dat het moet en dat het kan. Het zou moeten om te komen tot verantwoording en om risico’s uit te sluiten en het zou mogelijk zijn om uitvoeringspraktijken te vangen in regels en voorschriften. Het tegendeel is waar. Het hoeft niet en het kan niet. Niet zo. De ‘work to rule’- houding verwordt tot een vorm van sabotage. ‘Meten is weten’ wordt gezegd, maar vaak is meten vergeten waar het eigenlijk om gaat.

We hebben – blijkt ook uit de eerder genoemde risicoanalyse – te maken met een paradox van transparantie en vertrouwen. De toezichthouders willen wel vertrouwen, maar hebben daarvoor transparantie nodig. De op basis daarvan opgelegde transparantie werkt vervolgens als een verlammende blijk van wantrouwen. De gevraagde transparantie moet van oorsprong vrijwillig. Van onderop opkomen. Dat kan, als er ruimte komt dan wel is voor ‘trots’. Trots op wat je deed en doet en het resultaat daarvan. En juist die ‘trots’ wordt de uitvoeringspraktijk door de controlewoede ontnomen. De decentralisaties – de transitie en transformatie van overheidstaken – moet een succes worden. Maar, zo lijkt het, vooral ‘dankzij’ de controle van bovenaf.

De door het Programma “Gemeente van de Toekomst” van het ministerie van Binnenlandse Zaken gepubliceerde checklist is waardevol en leerzaam. Niet in de laatste plaats, omdat zij ons leert dat er iets grondig mis is met de beheerzucht van boven af. De behoefte aan controle en beheersing is zo groot, dat er op elk signaal van mogelijke vertraging met overdaad gereageerd wordt. We gaan elkaar zo steeds meer in de weg zitten en leiden elkaar alleen maar af van dat waar het om zou moeten gaan. We moeten weg van die maatschappelijke kramp. Zij blokkeert de energie en de omvorming die oor het echt anders denken en doen gewenst en noodzakelijk is. Wij worden kriegelig van de uitdijende bureaucratie en overdreven controledrift. Helemaal als deze verantwoordingsbureaucratie, zich ook nog eens richt op de formele en procedurele aspecten in plaats van op de inhoud.

Het organiseren en begeleiden van de nieuwe gemeentelijke taken binnen het sociaal domein is een uitdagende en ingewikkelde klus. Op uitvoeringsniveau pakken we dat samen goed op. Maar voor de omvorming die we eigenlijk willen, is meer nodig. Niet in de laatste plaats: bestuurlijke lef. Als wij van de decentralisaties een succes willen maken dan vraagt dat in het huidige krachtenveld werkelijk vertrouwen van bestuurders in de kracht van professionals, sociale verbanden en mensen. Daarvoor moeten bestuurders leren – en durven – loslaten. Als ze dat durven, hebben ze twee handen vrij om de toekomst te grijpen!

Tribunegedrag en bestuurlijk hooliganisme

• De stemmenronselarij is weer bezig!

tribunegedrag

“De verzorgingsstaat verandert langzaam maar zeker in een participatiesamenleving. Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving.” Koning Willem Alexander sprak deze woorden uit tijdens zijn allereerste troonrede op Prinsjesdag van dit jaar. Critici op dit pleidooi spraken van ‘verkapte bezuinigingen’ en het gevaar dat kwetsbare groepen de dupe zouden worden van zo’n samenleving. Premier Mark Rutte pareerde deze kritiek (Drees-lezing 14 oktober 2013): “De ontwikkeling naar een participatiesamenleving is geen doel van beleid, maar een ontwikkeling die gaande is. En de Staat moet er op een verstandige manier mee omgaan.“ Hij legde de nadruk op de verscheidenheid aan succesvolle initiatieven en klinkende voorbeelden. Je ziet door de diversiteit aan initiatieven een soort burger-tot-burger economie ontstaan: “Ik heb een auto, jij betaalt mij voor het medegebruik. Ik kook lasagne, jij betaalt mij voor een maaltijd. Ik heb kleding over, die ruil ik met die van jou. Ik breek mijn been en betaal jou om voor mij boodschappen te doen. Ik koop biologische rijst groot in, zodat jij kunt meedelen in het prijsvoordeel. Ik neem jouw ‘afval’ af en maak er prachtige tassen van.”

Het effect van al deze initiatieven moet niet worden onderschat. Het gaat om waardecreatie en de volhoudendheid van onze samenleving. Zij leveren maatschappelijke waarde, en sorteren op prachtige resultaten. Bedoeld of onbedoeld hebben ze bovendien effect dat er ontmoetingen plaatsvinden die anders niet tot stand waren gekomen. Het draagt op lokaal niveau bij aan de sociale cohesie en bovenlokaal tot wederzijds inspireren en stimuleren.

Ook als het aankomt op laagdrempelige zorg wordt er lokaal nogal wat ondernomen. Tegelijkertijd echter blijkt het nemen van eigen initiatief in een geïnstitutionaliseerde maatschappij niet makkelijk. Want terwijl gemeenten en hun inwoners voor forse veranderopgaven in het sociale domein staan trekken instituties en hogere overheden torenhoge tribunes op. Volgepakt met betweters en praatzieken. Niet zelden zelf verantwoordelijk voor het zooitje dat aanleiding was voor het pleidooi voor de participatiesamenleving. Een samenleving waarin juist de eigen kracht en mogelijkheden van de mensen en de samenleving vertrekpunt is.

Overal in het land vinden gemeenten in wijken en buurten mensen, die buiten de lijntjes durven kleuren, creatief omgaan met regels of voorschriften. Zij zijn met hun onorthodoxe aanpak vaak de oplossers van problemen waarop stelsels en systemen geen antwoord meer (kunnen) hebben. Zij vallen op door en doordat ze zichtbaar resultaat boeken. Zij vormen – door een combinatie van ondernemerschap en betrokkenheid – de onmisbare schakel voor succes.

En terwijl inwoners en lokale overheden zo op zoek zijn naar een nieuwe balans tussen overheid en (partijen in de) samenleving roepen de betweters en praatzieken vanaf de verkiezingstribune steeds harder ‘boe’ en ‘bah’. Zij klagen met opgekropte verkiezingsstress ‘ach’ en ‘’wee’. Het uitruilen van principes tegen zetels dreigt daarbij te triomferen over de inhoud welke diezelfde tribunezitters eerder met verve predikten en verdedigden. Wie of wat moeten de mensen nu eigenlijk nog geloven? Zou hier wellicht ook een – of misschien wel de – oorzaak kunnen liggen van de dreigende historisch lage opkomst bij de komende gemeenteraadsverkiezingen?

Zullen we niet eens stoppen met het principieel geëmmer en het schreeuwen van hel- en verdoemenis? Zullen wij er gewoon weer eens van uit gaan dat de inwoner het prima zelf kan? Samen met zijn omgeving voor zichzelf het beste en heel veel weet te organiseren? Inwoners maken graag hun eigen keuzes. Kennen ook hun eigen opties. En als ze de professionele instituties of overheden inschakelen zijn ze niet een passief ontvanger, maar vrager en opdrachtgever; partner en cocreator.

De inzet van de overheid moet daarbij gericht worden ingepast in oplossingen van inwoners. Overheidsparticipatie dus, gericht op het benutten van de inventiviteit van inwoners. Gericht op het wegnemen van belemmeringen en het faciliteren om dingen mogelijk te maken.

En tegen de criticasters die betogen dat inwoners vooral hun eigen belangen najagen zeg ik dat de praktijk anders leert. Inwoners zijn misschien wel te afhankelijk geworden van de overheid. Maar juist daarom is het belangrijk dat zij meer onafhankelijkheid geboden krijgen. Dat wil niet zeggen dat overheden hen moeten laten vallen. Het vraagt om stimulerend gedrag. Om een overheid die zich bescheiden en dienstbaar opstelt. Een overheid ook die de samenleving helpt de meest kwetsbare inwoners te ondersteunen. Een overheid dus, die helpt bij het verhelderen van de vraag en het zoeken en ontginnen van de eigen kracht. Daarvoor is geen regisserende overheid nodig. Laat staan een tribune vol met aan lager wal geraakte betweters en praakzieken. Het vraagt om een overheid die mogelijkheden biedt. Door middel van regelruimte en het leggen van verbindingen.

Samenvattend
Recht doen aan de kracht van de lokale samenleving vraagt om een nieuw evenwicht tussen nabijheid en interventies. Dat heeft ook consequenties voor instituties en overheden: het vraagt om randvoorwaarden die de eigen kracht van mensen niet in de weg staat. Het vraagt om een overheid die aanmoedigt in plaats van weghoont. In de uitvoering zie ik dat met zo’n houding inwoners, uitvoerende professionals en gemeentebestuurders energiek en vooruitstrevende aan de slag zijn gegaan met de gewenste en noodzakelijke verandering in het sociale domein. En ja, die veranderopgave raakt het bestaansrecht van iedereen: van inwoners, uitvoerende professionals en hun instellingen, gemeenten, enzovoort. Want ja, we moeten meer doen met minder geld. Dat is niet gemakkelijk. Want door de bezuinigingen vallen steeds vaker voorzieningen weg. En tegelijkertijd genereren zij een rijk palet aan nieuwe initiatieven. Door het hele land staan inwoners klaar die met eigen inzet en middelen voorzieningen overeind houden of van prachtige alternatieven voorzien. Natuurlijk, dat gaat niet zonder slag of stoot. Het laat zich raden dat het nog niet makkelijk is. Want tussen droom en daad staan wetten en praktische bezwaren in de weg. Juist daarom moeten we oppassen dat we niet teveel met de bestaande instituties meebuigen. Voor enthousiaste initiatiefnemers kan juist dat een barrière zijn. Het wordt helemaal een mission impossible met het energie- en focusvretende tribunegedrag en het bestuurlijk hooliganisme en de daarmee gepaard gaande overactieve beleidsvorming en bemoeienis.