laten we spetteren en flonkeren

• begroeting voor het nieuwe jaar
celebrate-header
waar de tijd haar dagen telt
en de oude zich laat overdragen aan de nieuwe
plaveit uit de zoektocht naar kwaliteit van leven
en het puin van de van hun voetstuk vallende bonuscultuur en perverse prikkels
voor olifanten in porseleinkasten of steenstotende ezels
zich de afrit uit de verkeerschaos van ons sociaal territorium
legt het dreigende transformatie-infarct ons bloot
dat ‘recht’ niet een vrijheid is van wetten of regels
die ons voorschrijvend wordt toegestaan
maar voortvloeit uit de talenten van mensen

waar de ontdekking dat als woorden tekortschieten
verandering begint met een andere manier van kijken
en wij het ravijn dat wij produceerden
niet met kleine sprongetjes kunnen oversteken
groeit de overtuiging dat – als we vooruit willen
wij wantrouwen moeten wieden om vertrouwen te kweken
en terugvallen op de kostbare waarden
van betrokkenheid, ontwikkeling én persoonlijke groei

als wij willen scoren – als team van mensen
moeten wij het uitstekende papier – bedrukt met uitstekende inkt
tot een waardeloze combinatie maken
en herontdekken dat ‘goed’ hertalen
vraagt om ‘beter’ en (h)erkenning
om een omslag van ‘wij gebruiken elkaar’ naar ‘wij helpen elkaar’
om tijd en ruimte waarin respect voor elkaars mening
niet de weg van ontmoeting van hart tot hart blokkeert
wij ons niet langer blind staren op deuren die gesloten blijven,
en enkel kijken naar de deuren die open staan
in het besef dat (vaak) kleine dingen het grote verschil maken

goed of beter zijn begint met aanvaarding van het schrille contrast
dat het echte leven daar begint waar de comfortzone eindigt
dat – als je begrepen wilt worden – het ertoe doet dat je probeert te begrijpen
dat wie een weg wil vinden een weg kan maken
dat vooruitkomen durf vraagt om stil te staan
dat wie nooit gevallen is niet weet wat nodig is om vast te staan
dat plicht geen ‘moeten’ is, maar voortvloeit uit bereidheid iets op je te nemen

in de overdracht van het oude naar het nieuwe
ligt de uitdaging in het besef dat je moet je leren door te doen
waarbij geld geen rol speelt maar het leren risico te nemen
dat presteren in meetellen en meedoen de voldoening is
die wij als brandstof bij het verder gaan zullen ontvangen
en ons helpen problemen te leren kennen door ze op te lossen

wanneer wij op de olifantenpaadjes van ons leven
in de jacht op dat edelhert de hazen lopen laten
en vallend en opstaand durven ervaren
dat daar waar je struikelt een schat verborgen ligt
ontdekken wij dat niet problemen het ons moeilijk maken
maar de manier waarop we er tegen aankijken
de pleisters of kusjes daarvoor zijn

als wij niet langer de regels bestuderen om ze te overtreden
de stokpaardjes of zwart-witte mensbeelden durven uitbannen
als de roltrap waarop wij langs elkaar heen leven
kunnen wij tussen en uit de brokken van ellende en frustratie
de mensen en de dingen waar ons verlangen naar uit gaan
verbinden met onze dromen, behoeften en ambities

als wij het lef hebben om te kort te schieten
meer dan onhandig te ver te gaan
in het weten dat elk mens blij is met iets anders
– uniek als hij of zij is –
als wij geluk durven detecteren op basis van het innerlijk kompas
dat zich niet afwendt omwille van kleur, gezindte of geaardheid
maar welwillend toewendt naar mensen
kunnen wij als de kinderen – jasper of jezus genaamd
aanvaarden dat het niet de grote woorden zijn
maar het kleine gebaar dat ons doet aanvaarden

zo denken en zo doen
kan ons ontslaan van de stress van het leven
die vaak al in de babykamer haar aanvang neemt
door de elastiekjes die wij trekken – voor- of achteruit
maar als twijfel de waakhond van ons inzicht is
is dat wat we al weten wat ons tegenhoudt om te leren
en kan het wel te laat zijn om het leven dat gebeurt te leven

omdat het is nooit te vroeg is te ontdekken
dat je – om ergens te komen – iets moet achterlaten
terwijl wij wellicht andere plannen maken en hebben
mogen wij in het tijdperk van sociale bits en bytes
weer bloemenkinderen worden…
het beste uit onszelf en anderen halen
niet – door hen het vuur na aan de schenen te leggen
maar door het vuur in hun binnenste aan te wakkeren
mensen – groot en klein – hun eigen gang te laten gaan
laat ze groter groeien
niet – door kunstjes te leren
maar aan het succes van eigen(w)aardigheid

die bestemming vraagt een moedig besluit
niet door te registreren wat je uit handen geeft
maar door te activeren wat jij in jouw hand houdt
en de zorg die voortvloeit uit de verbinding tussen mensen
te strooien met de mantel van liefde
alsof het je eigen portemonnee is
in welke vorm van samenwerking dan ook
dingen laten gebeuren die anders niet zouden gebeuren
in het overtuigde weten
elk probleem heeft wortels – net zoals de oplossing ze nodig heeft

dat wij sámen in de komende tijd
de ware eigen kracht om, voor en met elkaar
in waardigheid mogen her-winnen, ontginnen en exploreren
en zo een spetterend 2014 verwezenlijken

Niet de problemen zelf maken het ons moeilijk, maar de manier waarop we er tegen aankijken

• Negatieve dingen kun je alleen oplossen door ze positief te agenderen
Drie-Huizen-1
Voor de omvorming van het sociaal domein beschouwen velen– van gemeenten tot professionals – laagdrempeligheid als een bepalende factor voor succes . Ook ik her- en erken dat. Tegelijkertijd blijkt juist die laagdrempeligheid in de praktijk lastig concreet te maken. Het was eerder bij de vormgeving van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) al een worsteling. En ook bij de doorontwikkeling van het CJG – meestal in de vorm van wijk- of gebiedsgericht werken – blijkt dit een struggle. Regelmatig wordt daarbij behoud van laagdrempeligheid bepleit met een hartstochtelijk pleidooi voor het loslaten van de koppeling tussen vrijwillige en gedwongen hulp. De ontkoppeling van vrijwillige hulp en gedwongen hulp zou bij ouders de angst dat zij niet capabel worden gevonden, en dan snel hun kinderen kwijt zijn, kunnen wegnemen. Dát zorgt voor laagdrempeligheid!?

Opvoeden is een leuke, maar soms ook lastige klus. Het valt niet altijd mee om voortdurend positief en opgewekt te blijven. Een van de grootste valkuilen daarbij is, dat wij vooral focussen op wat er níet goed gaat. Ook voor mij als papa en opa geldt dat.

Ik wil graag een goede vader en opa zijn. En bij het groter groeien en opvoeden – zo heb ik geleerd – is straffen soms onvermijdelijk. Bijvoorbeeld om verkeerd gedrag af te leren. Maar ben en blijf ik als papa en opa dan wel laagdrempelig genoeg? Of doe ik er verstandig aan om – wanneer dat aangewezen is – mijn (klein-)kinderen voor corrigerende of disciplinerende maatregelen door te verwijzen naar de buren? De politie of de rechter? Want stel je voor dat mijn reactie de (klein-)kinderen afschrikt?

Voor mij is goed vaderschap ook echte vriendschap: De herkenning van of bekendheid met de persoonlijkheid van de ander. Het heeft te maken met een gedeeld gevoel van zorg en interesse voor elkaar, een verlangen om elkaar te zien groeien en ontwikkelen en een hoop dat de ander in alle aspecten van het leven zal slagen. Die vriendschap heeft ook met acties te maken: iets voor een ander doen terwijl je er niets voor terug hoeft te krijgen; het delen van gedachten en gevoelens zonder bang te hoeven zijn voor veroordeling of negatieve kritiek. Het betekent ook : elkaar de waarheid kunnen vertellen. Duidelijk maken welk gedrag je wel of niet accepteert. En waarom dat zo is.

Opvoeden is adequaat bijspringen, meelopen of confronteren. Vertrouwen is daarbij essentieel. Vertrouwen staat aan de basis daarvan. Vertrouwen bouw en onderhoud je, door te doen wat je zegt en hierin consistentie te zijn. Voorspelbaar zijn dus. Jouw (klein)kinderen moeten ongezegd kunnen aflezen wat voor reactie ze kunnen verwachten als er sprake is van gewenst of ongewenst gedrag.

Ouders of kinderen die – om welke reden dan ook – ‘in de knel’ zitten, hebben – net als iedereen – mensen nodig waarmee ze hun gedachten, gevoelens en frustraties kunnen delen. Zonder dat zij zich er zorgen over te hoeven dat het delen daarvan ‘misbruikt’ wordt. Trouw en loyaliteit vormen daarbij de sleutel. Zonder dat kunnen ouders – net als kinderen – zich ‘in de steek gelaten’ of ‘verraden’ voelen. Trouw en loyaliteit bieden geen ruimte voor achterklap of afwijzingen. Het vraagt om elkaar de waarheid te vertellen. Dat moet kunnen. Het vereist ook factoren die met verantwoording (vragen en geven) te maken hebben.

In menig gesprek over opvoed- en opgroeivraagstukken vertellen professionals wat graag, dat ouders zich het bovenstaande – of variaties daarop – moeten realiseren. Dat élke reactie voor bijvoorbeeld kinderen een straf of een beloning is. Om zo min mogelijk te straffen, zo houden zij ouders voor, moeten zij kritisch nadenken over de eisen die ze aan hun kinderen stellen.

Disciplinair zijn gaat er niet alleen om dat je je kinderen straft als ze een fout hebben gemaakt. Het gaat er ook om dat je ze beloont als ze iets goed hebben gedaan, zodat ze worden aangemoedigd en het gedrag willen herhalen. Ik ben het daar van harte mee eens. Omdat het de ‘bereikbaarheid’ en de ‘benaderbaarheid’ van de opvoeder ten goede komt. Met laagdrempeligheid als gevolg.

Laagdrempeligheid van ondersteuning en hulp is daarom volgens mij niet zo zeer gebaat bij ontkoppeling van vrijwillige ondersteuning en hulp van hulp in het kader van ‘dwang’ of drang’. Dat pleidooi vloeit volgens mij voort uit het feit dat het in Nederland niet heel gewoon is om te praten over vragen en problemen rond opvoeden en opgroeien. Als het al gebeurt, is dat vooral vanuit een probleemgericht perspectief.

Ons denken en doen rond ‘laagdrempeligheid’ wordt mede daardoor in de loop der jaren beheerst door een gegroeide (en op basis van incidenten gevoede) beeldvorming en daarmee samenhangende dynamiek: als je het als ouders niet goed doet – en dat raakt bekend – dan raak je je kinderen kwijt. Ons antwoord – de ontkoppeling – zal naar mijn mening die ‘dynamiek’ van dat denken en doen eerder versterken dan verminderen.

Als wij de gegroeide argwaan – hoe juist of onjuist deze ook mag zijn – jegens de professionele zorg voor jeugd en gezin willen wegnemen, dan moeten wij haar doorbreken. Niet, door op het ‘wantrouwen’ te anticiperen, maar door aan het ‘vertrouwen’ te bouwen. Dat vraagt om partnership. Met ouders zowel als met (hun) kinderen.

Partnership vraagt om een inzet, gericht op het willen begrijpen van de ander. Daarbij hoort (wederzijds) ook het lef om (voor de ander) de angst te benoemen. De angst voor wat het doen of laten van ouders voor een kind kan betekenen. Wat die angst met jou als professional doet en voor jou betekent. En daarover het gesprek te voeren. Net als over de (ervaren) angst van ouders dat zij het kind kunnen kwijtraken. Het vraagt om het met begrip en respect luisteren en bespreken van de ideeën en de gevoelens van de ander. Met de bereid om de ander te helpen.

Daarbij gaat het er niet om, het er maar ‘bij te laten zitten’ als ouders – om welke reden dan ook – zelf onvoldoende activiteit ondernemen om een einde te maken aan een onveilige situatie voor hun kinderen. Het gaat er – net als bij kinderen – om, niet langer alleen gericht te zijn op de tekorten en problemen,. Het vraagt, eerst en vooral, ook de sterke kanten en hulpbronnen (meer) in ogenschouw te nemen. Zoals bijvoorbeeld Signs of Safety dat doet. Deze werkwijze vraagt geen speciale faciliteiten of organisaties, maar is gericht op samenwerking met het gezin (en het netwerk daar omheen). En duidelijkheid over wat de consequenties zijn van ongewenste of ontoelaatbare handelingen. Dat vraagt om en is een proces, waarbij de betrokken partijen medeproducent – en daarmee mede-eigenaar – worden van de oplossing. Om een proces van co-creatie dus, gebaseerd op positieve agendering van negatieve dingen.

Daar waar je struikelt, ligt een schat verborgen

Onze grootste overwinning is niet dat we nooit falen, maar dat we telkens als we struikelen weer opstaan.
Bron: Analecta boek II, XXIV, Confucius, Chinees filosoof 551 v.C. – 479 v.C.

struikelen
Zoals alle pubers groeide ik rond mijn 11de meer dan twee keer zo snel als in de jaren daarvoor. Ook mijn bewegingen waren hierdoor een tijdje ontregeld. Om niet te zeggen onhandig en slungelig. Het effect bleef niet uit. Op de meest onverwachte momenten struikelde ik. Niet zelden, als ik net weer een nieuwe broek of blouse had gekregen. Met de nodige schade en commentaar tot gevolg. Het commentaar (‘doe doet niet zo stom’, etc.) gaf mij al snel het idee dat ik het expres deed. Met als resultaat dat ik krampachtig probeerde herhaling te voorkomen. Hetgeen juist daardoor natuurlijk jammerlijk mislukte….Het leek wel een gave om zo onhandig te zijn.

Het regeerakkoord heeft tot gevolg dat de gemeente de komende jaren een groot aantal nieuwe taken in het sociale domein krijgt. De gemeente wordt verantwoordelijk voor de totale jeugdzorg, voor de ondersteuning, begeleiding en verzorging van kwetsbare mensen en voor de re-integratie en participatie van kwetsbare mensen op de arbeidsmarkt.

Deze decentralisaties zijn los van elkaar al grote wijzigingen. Samen vormen zij een operatie van ongekende omvang. Onwillekeurig dringt zich daarbij de vergelijking op met de groeispurt van pubers: als dat maar goed gaat!

De omvangrijke nieuwe rol van en verantwoordelijkheden voor lokale overheden vragen stuurmanskunst. Niet in de laatste plaats, omdat gemeenten het sociaal domein moeten omvormen van een regelgestuurd systeem naar een stelsel van ondersteuning en activering. Dit vraagt naast duidelijke spelregels vooral om vertrouwen en ruimte. Bovenal echter vraagt het om te leren omgaan met de ‘dit-nooit-weer-reflex’ na incidenten. Die reflex leidt tot een krampachtig proberen fouten te vermijden. Juist die angst om te falen en de daarmee oplopende zucht naar perfectie, zal de gevreesde mislukking waarschijnlijk creëren. Wat niet zelden zal leiden tot verstarring en chronische besluiteloosheid: Beter geen beslissing nemen dan een foute beslissing.

Is het voor gemeenten mogelijk het sociaal domein zo in te richten dat menselijke fouten worden voorkomen? Het antwoord is, dat wij dit niet kunnen. Hoe goed het ontwerp ook zal zijn. Wij moeten dat ook niet willen (garanderen). Er kan altijd iets fout gaan in de wisselwerking tussen mens en systeem.

‘Daar waar je struikelt, ligt je grootste schat begraven’. Deze uitspraak (anoniem) citeer ik in dit verband graag in gesprekken met professionele dienstverleners, beleidsmedewerkers en bestuurders. Om hen te laten inzien dat ‘struikelpartijen’ niet voor niets zijn.

Ik weet – net as zijzelf waarschijnlijk – uit ervaring hoe leerzaam het is om fouten te maken en dat het menselijk is. En ja, ook dat het pijnlijk kan zijn. Dat het vaak gekoppeld is aan een gevoel van schaamte. Het is dan ook helemaal niet gek dat veel mensen – mezelf incluis – bang zijn om fouten te maken. Je hoeft maar even iets verkeerd te doen, te zeggen of te schrijven, en er is altijd wel iemand als de kippen bij om jou daarom te kapittelen.

En toch: Is iemand daardoor minder professioneel of minder goed in zijn werk? Ik denk van niet. Het leven is immers vallen en opstaan. Het essentiële onderscheidt zich daarbij als vanzelf van het voorbijgaande of het vermijdbare. Opstaan moet je zelf doen. Hoewel dat een stuk aangenamer is, als iemand je daarbij de hand reikt. Niet meer en niet minder.

Wat ik zo jammer vind aan de angst om fouten te maken, is dat dit op den duur ten koste gaat van de creativiteit van mensen. Dat mensen niets meer durven te doen of te ondernemen. Juist uit angst om fouten te maken. In mijn optiek is het dan ook veel belangrijker dat mensen hun best doen en zich met de juiste intenties ergens hard voor maken. Laat ze een keer een fout maken. Daar leren ze van.

Een belangrijk aspect van mijn visie op de omvorming van het sociaal domein is de notie dat je dat je niet van de ene op de andere dag regelt. Het is – net als de groeispurt van pubers – een zinvolle, maar moeilijke en ingrijpende verandering. De struikelstenen die wij allemaal onderweg (zullen) tegenkomen, kunnen veel moois opleveren. Als je hiervan mag leren! Dan kun je er kracht en inzicht uit putten. Menselijke fouten – niet te verwarren met moedwillige opzet of opzettelijkheid – worden in mijn visie benut om te verbeteren.

Mijn advies aan mijn gesprekspartners? Zie de omvorming van het sociaal domein als een leerproces waarin ‘vragen stellen wordt erkend als een respectabele vaardigheid’. Het is net opvoeden. Als het goed is, leren ouders al doende hoe ze het moeten aanpakken met hun kinderen. Ontelbare factoren hebben daarop invloed. Er is geen enkele garantie op geluk en voorspoed en ieder gezin moet roeien met de riemen die men heeft.

Juist daarom gaat iedereen aan de slag op de eigen manier. De meeste opvoeders gaan daarbij – gelukkig – uit van het gezonde verstand, hun gevoel en eigen ervaringen. Wat betekent niet dat ze hun verantwoordelijkheid niet nemen. Integendeel. Het betekent dat als ze struikelen, dat als ze fouten of missers maken, zij zich zelf vragen stellen. Hoe kan het? Wat kunnen wij nu doen? Hoe kan het voorkomen worden. Als er geen oordeel is, kunnen ze daar in alle vrijheid naar kijken en de stappen zetten die nodig zijn.

Van jongs af aan wordt ons ingepeperd geen fouten te maken. Zelfs, als we er niets aan kunnen doen. Gewoon, omdat wij het razende tempo of de groei eenvoudigweg niet kunnen bijbenen.

Fouten maken – struikelen – moet dus. Ook bij de omvorming van het sociaal domein. Doe het maar gewoon. Niet, omdat het leuk is. Het doet vast pijn. Bovendien kan het ook geld kosten. Fouten hebben ook een negatieve connotatie: ‘Jij doet het fout’ klinkt (en is) vaak veroordelend. En fouten kunnen nare gevolgen hebben. Die wij natuurlijk graag voorkomen.

Desondanks pleit ik voor het doorbreken van ‘faalparadox’. Gewoon, omdat ik teveel mensen hun best zie doen om fouten te verdoezelen of te vermijden. Terwijl openlijk struikelen – falen, zo je wilt – nodig is. Omdat het leven en onze samenleving complex zijn. Alles is met alles verbonden. Acties en reacties volgen elkaar in hoog tempo op. Uit de kleinste dingen kunnen dan fouten ontstaan. Niet om af te straffen, maar om ervan te leren, beter te worden en te innoveren.