Een pleister en een kusje…

• Jaag je op een edelhert, laat dan de hazen lopen
Kusje en een pleister
Mijn kleinzoon van drie kan ik bij tijd en wijle met een fel gekleurde pleister of kusje tegen de pijn nog wel eens troosten en afleiden. Voor mijn kleindochter van 6 werkt dat eigenlijk al niet meer. Desondanks lijkt de staatssecretaris van VWS te denken dat placebo’s of neppillen nog wel werken bij gemeentebesturen. Waar of niet waar? Test uw eigen opvatting eens aan de hand van het navolgende.

Gemeenten krijgen te maken met een onaanvaardbare bezuiniging. Als de laatste berekeningen van de budgetten voor de zorg voor jeugd vanaf 2015 kloppen. Deze bezuiniging brengt de continuïteit van zorg in gevaar. Gemeenten kunnen dan immers geen toezeggingen doen over continuïteit en dergelijke. Er dient dus helderheid te komen over de financiële voorwaarden die gelden bij de overdracht en omvorming van de zorg voor jeugd. Gewoon, omdat het gebrek aan duidelijkheid over het budgettaire kader vanuit de Rijksoverheid een verantwoorde overgang van de jeugdzorg van provincies naar gemeentes in de weg staat. Niet, omdat partijen niet willen, maar als gevolg van de angst en onzekerheid die er – bij alle betrokkenen – mee wordt veroorzaakt.

De voortdurende onduidelijkheid over het budgettaire kader is schokkend. Zij doet mij denken aan een kop boven een artikel in het AD van 13 augustus jl.: ‘Boekhouding bij overheid warboel’. Recentelijk waren de transitiecommissie jeugdzorg en het CBP hierover ook bijzonder kritisch en duidelijk. En dus beloofden de verantwoordelijke bewindslieden beterschap.

Om te voorkomen dat de continuïteit van de zorg in gevaar komt of de zorginfrastructuur verloren gaat, heeft het ministerie van VWS nu maatregelen genomen. Door orde op zaken te stellen. En dat doen zij met verve. Echter, niet door de eigen ondoorgrondelijke – en daardoor niet in kaart te brengen – boekhouding op orde te brengen. Maar met de inzet van zogeheten “vliegende brigades”. Niet op de eigen ministeriële administraties, maar in de regio’s. Zij moeten daar helpen orde op zaken te stellen. Een orde die juist tot wanorde dreigt te leiden door de administratieve janboel op de ministeries zelf. Anders gezegd: de ministeries trekken ten strijde tegen de symptomen van hun eigen falen. In plaats van de oorzaak daarvan weg te nemen.

In dat licht bezien, kan ik nut en noodzaak van de eerder aangehaalde “vliegende brigades” dan ook niet plaatsen. In plaats van iedereen te laten uitvliegen om elders vermeende wanorde op orde te brengen, zou mijn advies zijn: alle (vlieg-)verloven intrekken en huisarrest voor iedereen. Totdat het budget duidelijk is. Het is immers aan de verantwoordelijke bewindslieden om gemeenten budgettaire duidelijkheid te geven. De zekerheid te bieden dat de ooit afgesproken bezuinigingen op de – voor de zorg voor jeugd beschikbare – budgetten over 2015 tot en met 2017 de beloofde 5, 6, en 4% niet te boven gaan. Eens dat duidelijk is, kunnen en zullen gemeenten – samen met de betrokken aanbieders – snel, én op eigen kracht – orde op zaken kunnen stellen.

Logisch? Zou je denken. Maar, wat doet de verantwoordelijke staatssecretaris? Hij maakt de complexe financieringsstructuur nog ingewikkelder en ondoorzichtiger. Terwijl gemeenten (terecht) strijden voor duidelijkheid over de hen toekomende structurele budgetten voor de zorg, denkt de staatssecretaris met pleisters en kusjes – in de vorm van al dan niet tijdelijk ‘extra’ budget – de pijn te verzachten.

Met financiële surprises – zoals deze week de impuls van 50 miljoen voor sociale wijkteams – wordt getracht het bestuurlijk hoofd van gemeenten op ‘vanaf nu gaat het beter’ te zetten.

Direct na het verschijnen van dit bericht werd er op diverse gemeentehuizen al druk gespeculeerd over de ‘extra’ mogelijkheden die deze impuls zou bieden. De vraag is echter of, en wanneer het budget beschikbaar komt. Het heeft er echter alle schijn van, dat de verantwoordelijke bewindslieden een sterk geloof hebben in het placebo-effect van deze financiële pleister op de budgettaire wonden van gemeenten. Want, zo schrijft het impulsbericht: idealiter is het hele bedrag van 50 miljoen al in 2014 beschikbaar voor gemeenten.

Los van de onzekerheid over de uiteindelijke beschikbaarheid, doet zich de vraag voor, waar die ‘surprise’ uit gedekt wordt. Een vraag, die zich extra pijnlijk opdringt, zolang niet duidelijk is of er structureel wel voldoende budget is. En wat de dekking daarvoor en de omvang daarvan is.

Medicijnen, zowel werkzame als niet-werkzame, hebben een placebo-effect van 25 tot 30 procent, schatten wetenschappers. Dit kan meer zijn, maar het effect verschilt per aandoening. Ivan Wolffers, arts, hoogleraar en schrijver, denkt dat het placebo-effect optreedt bij alle ziektes. En vooral bij aandoeningen zoals pijn, jeuk, slapeloosheid en depressie. En ja, bij zoveel financiële onduidelijkheid kun je dergelijke klachten als gemeentelijk bestuurder best wel eens ontwikkelen

Ik ben van mening dat het gebruik maken van dit placebo-effect niet past in de moderne bestuurscultuur. Het is beter om elkaar aandachtig en zorgzaam, maar ook nuchter te benaderen. Een duidelijk inzicht te geven in wat mogelijk is of wat er (financieel) aan mankeert. Met trucjes houd je mensen voor de gek. Dat kan niet. Bovendien is het effect daarvan onvoorspelbaar en verdwijnt de werking na een tijdje. En dan kan het nocebo-effect optreden: een bijwerking bij een niet werkzaam middel.

De voor de overdracht binnen en omvorming van het sociaal domein verantwoordelijke ministeries kunnen met een onjuiste of onduidelijke (financiële) diagnose (per abuis of niet) zo een negatieve verwachting wekken. Als zich daarenboven of daaruit een onzeker klimaat ontwikkelt en de negatieve verwachting maar sterk genoeg geloofd wordt, is het zelfs mogelijk dat door het nocebo-effect de transitie en de transformatie een voortijdige dood sterft.

De geplakte pleisters en gegeven kusjes maken – hoe goed bedoeld ook – geen einde aan de bestaande onzekerheid. De uit de onzekerheid voortvloeiende ‘angst’ echter is tegelijkertijd niet alleen een slechte raadgever. De inspanningen die de daaraan verbonden zoektocht en zucht naar veiligheid – bij alle betrokkenen – met zich brengt, gaat ten koste van de energie, het vertrouwen en de vreugde die de omvorming van het sociaal domein en de zorg voor jeugd moet en kan opleveren.

Juist daarom moet de rijksoverheid de druk en verleiding om pleisters te plakken weerstaan. Zij moet het probleem bij de wortel aanpakken: door het veilig- en vaststellen van financiële duidelijkheid. En daarmee het vertrouwen en de energie in de transitie en transformatie terugbrengen. En tegen gemeenten zeg ik: als u het edelhert jaagt, laat dan de hazen lopen….

Advertenties

Je mag er alleen maar naar kijken…

• Bestudeer de regels om het beste middel te vinden om ze te overtreden

afblijven.gif
Als jong jochie leerde ik het uit volle borst meezingen: “Daar mag je alleen maar naar kijken, maar aankomen niet.” Toentertijd zei de naam van de zanger (Johnny Hoes) mij eigenlijk niets. Later bleek het een wereldberoemde (in Nederland) zanger van smartlappen.

“Daar mag je alleen maar naar kijken, maar aankomen niet.” Vandaag de dag zou ik geneigd zijn deze strofe tot verplichte kost voor de dames en heren politici (te beginnen in Den Haag) te verklaren. Want als de dames en heren politici zichzelf serieus nemen bij de omvorming van ons sociale stelsel, dan zou dit hun lijfspreuk moeten zijn.

De werkelijkheid is anders. Ze kijken er niet alleen naar. Ze kunnen de verleiding niet weerstaan er ook met hun vingers en meer dan dat – aan te komen. Die bemoeizucht is zelfs zo groot, dat ik hen er bij tijd en wijle van verdenk dat zij diep ongelukkig zijn, wanneer er eens een dag of week voorbijgaat zonder een incident. Want elk incident is de uitnodiging om tot actie over te gaan. En terwijl diezelfde politici ‘moord’ en ‘brand’ schreeuwen over de verstikkende regelzucht en bureaucratie slagen zij er in de daarop volgende zinnen in om binnen een nog korter tijdsbestek met even zoveel nieuwe regeltjes te komen. Om daarmee het eigen initiatief, de eigen verantwoordelijkheid en de eigen kracht rücksichtslos teniet te doen.

Zeer onlangs vernam ik weer zo’n staaltje van bemoei- en regelzucht. In dit geval op lokaal niveau. Een aanbieder ontving het bericht ontving van een gemeente dat zij als organisatie niet in de volgende fase van een aanbestedingstraject mochten meedoen. Niet omdat hun inhoudelijk aanbod niet op orde was. Dat niet. Maar, omdat zij een hokje onjuist hadden ingevuld. Je wilt het niet geloven, het ging om een aanzienlijk bedrag. Geen telefoontje, geen enkel bericht vooraf. Slechts dit bericht. Terwijl zij nota bene in hun voorstel veel Eigen Kracht, veel eigen initiatief en veel eigen middelen hadden verwerkt om zodoende – in combinatie met de middelen – veel extra’s zouden kunnen bieden. Waar moet dit heen? Is dit ons nieuwe voorland? Wel de burger aansporen om op eigen kracht zaken te regelen, particulier initiatief te tonen maar vervolgens als overheid slechts het “paarse” potlood te hanteren! Een succesvolle samenleving is een samenleving waarin het ontwerp de ruimte krijgt en niet de regels en de procedure. Actieve, ondernemende en creatieve burgers en een dienende overheid zijn de pijlers van een succesvolle samenleving. Daarom zeg ik het nog maar eens tegen de dames en heren politici (en hun dienaren): je mag er alleen maar naar kijken, maar aankomen niet!

De overheid als hardnekkige regelneef getuigt door haar doen (in plaats van laten) ook van een bijzonder ongeloof in haar eigen wetten en overtuigingen.

Dat burgers klagen dat de overheid teveel probeert te regelen is van alle tijden en alle regimes. Dit opiniestuk daarover zal dan ook door zowel enthousiast begroet worden als met schouderophalen genegeerd worden. Toch geven de gebeurtenissen rond decentralisaties binnen het sociaal domein onmiskenbaar aan dat de overheid echt te ver blijft doorschieten in zijn regeldrang. Ik heb het over de gevallen dat de overheid zelf begint te foeteren over de complexiteit en vaak absurditeit van regels die ze prima geschikt acht voor de burger en die ze zelf heeft ingesteld. Het maakt daarbij even niet uit of het gaat over overheden die botsen met eigen regels of regels van andere overheden of met overheidsinstellingen die formaliteiten verlangen. Op zich zou dat nog niet zo erg zijn, voor zover die overheid zich daar sportief bij zou neerleggen.

Wat verontrust, is de reflex van de overheid. In plaats van snoeien in de frustrerende bemoeizucht laat zij de verdrukkende bureaucratie niet alleen bestaan, maar doet zij er vaak nog een schepje bovenop.

Is er dan geen hoop? Ik ben een optimist. Maar als ik ‘De Opmars der Dingen’ (Marcel van Dam, Uitgeverij Balans, 1994, ISBN 90 5018 2348) opsla, bekruipt mij ook een gevoel van ongeloof en machteloosheid.

De rode draad door de columns van de voormalige Ombudsman en VARA-voorzitter vormt zowel een analyse van de toenmalige als hedendaagse maatschappelijke ontwikkelingen. Van Dam pleitte in 1994 al voor een ingrijpende verandering van de cultuur. “Zo ingrijpend, dat je rustig kunt spreken van een revolutie”. Die revolutie impliceerde volgens hem “een ernstige bedreiging voor het politieke proces”.

Er was volgens Van Dam een cultuur ontstaan die wordt gekenmerkt door “zelfontplooiing, mondigheid, individuele geestelijke vrijheid en democratische rechten.” Volgens hem moest het gevolg zijn dat het belang van de nationale staat als ordeningsinstrument tanende is.

“De samenleving wordt voor de staat onbestuurbaar en ook daardoor verliest de politiek meer en meer aan legitimiteit.” Een constatering die wij bijna letterlijk terugvinden in het advies ‘Terugtreden is vooruitzien. Maatschappelijke veerkracht in het publieke domein’, een van de recentere rapporten van de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling (juli 2013). Het persbericht daarover stelt: “De beweging van een terugtredende overheid slaagt alleen wanneer maatschappelijke initiatieven ruimte krijgen om publieke voorzieningen naar eigen waarden en inzicht te organiseren. Dat vereist een fundamentele verandering van de verhouding tussen overheid en samenleving op het gebied van zeggenschap, financiering en rechtsstatelijke waarborgen. Ook vraagt het van overheden, politici én samenleving dat zij accepteren dat er meer verschil ontstaat in identiteit, omvang, keuzeaanbod en kwaliteit van voorzieningen als zorg, onderwijs en welzijn.”

Een overheid die meer aan de samenleving wil overlaten zal moeten erkennen dat maatschappelijk initiatief in de toekomst geen extraatje is voor de organisatie van publieke voorzieningen, maar het uitgangspunt.

Van Dam spreekt van “Een huiveringwekkend veranderingsproces” dat op gang dient te worden gebracht. Daarbij moet de overheid niet langer pogen de samenleving centraal te sturen, maar dient zij, in nauwe samenwerking met de betrokken partijen, te proberen ontwikkelingen in een bepaalde richting te sturen. De overheid dus, moet als netwerkmakelaar en verlener van faciliteiten. En niet als regelneef en boeman. Maatschappelijke initiatieven kunnen het verschil maken. Juist, omdat zij de dingen anders doen dan de overheid. Het politieke ongemak dat dit met zich brengt, waardoor ‘loslaten’ moeilijk tot onmogelijk is, is daarbij en daarvoor de grootste bedreiging. Daarom dus: “Je mag er alleen maar naar kijken; maar aankomen? Niet!

De homo en de dingen waar het verlangen naar uit gaat

• Waar stokpaardjes en mensbeelden langs elkaar heenlopen en heen leven, is verscheidenheid slechts een brok ellende en frustratie

Bent u oeconomicus, ludens of faber? U weet het niet? Laat ik u dan helpen:
• de homo oeconomicus (quasi-Latijn voor “economische mens”) staat voor een mensbeeld waarbij de mens eerst en vooral een economisch wezen is, gericht op de efficiënte, rationele of logische wijze van bevrediging van zijn behoeften;
• de homo faber (Latijn voor”werkende mens”) staat voor een mensbeeld waarbij mensen wezens zijn met een aangeboren drang tot arbeid en creativiteit. Een aangeboren drang om werktuigen en techniek te ontwikkelen, gericht op het naar hun hand zetten van de eigen leefomgeving.
• de homo ludens (Latijn voor “spelende mens”) staat voor een mensbeeld waarin de mens eerst en vooral een spelend wezen is. In de jaren 1960 werd het concept homo ludens nieuw leven ingeblazen door de provobeweging en kabouters.

Weet u het nu? Of u oeconomicus, ludens of faber bent?

Ik heb zelf de nodige moeite met dit ‘hokjesdenken’. Het mist de nuance en heeft –vrijwel altijd een negatieve lading. En ook daar verzet ik mij tegen. Dit ‘hokjesdenken’ verzwakt volgens mij de samenleving. Omdat wij mensen in een bepaalde categorie vervolgens ook dezelfde eigenschappen toekennen. En zo – systematisch – alle waarden en normen, alle sociale verbanden, samenhang en het vermogen tot co-creatie uithollen. Immers, waar gelijkheid heerst, hechten mensen steeds minder belang aan onder- en verscheidenheid. Terwijl juist onder- en verscheidenheid de menselijke motor zijn, creëren en stimuleren wij kuddegedrag.

Tocqueville (Frans aristocraat, politiek filosoof en socioloog, historicus en staatsman – Verneuil-sur-Seine, 29 juli 1805 – Cannes, 16 april 1859) schreef eens: “De overheid zal de samenleving in een net spannen van ingewikkelde, gedetailleerde en eenvormige verordeningen waardoor zelfs de meest originele en wilskrachtige geesten zullen worden gelijkgeschakeld. Men zal mensen tot niets dwingen, maar men zal zoveel belemmeringen aan de persoonlijke activiteiten opleggen, dat uiteindelijk elk initiatief uitdooft. Zonder op enigerlei wijze tiranniek te moeten optreden, worden mensen monddood en willoos gemaakt. De natie zal een kudde angstige en vlijtige schapen worden, met de overheid als zorgzame herder.”
— uit “Over de democratie in Amerika”

Wij, de samenleving, reageren hierop. Met een beweging die wij duiden met verschillende benamingen: vermaatschappelijking, zelfredzaamheid, eigen kracht, vitale samenleving, participatiemaatschappij, doe-democratie, etc.

Hoewel dat precies de beweging is die de overheid wil, blijft zij – als de zorgzame herder – last houden van de gelijkheidsreflex: in gelijke gevallen moeten wij ook gelijk handelen. Om dat mogelijk te maken, moeten wij categoriseren. Vanwege het politiek en bestuurlijk ongemak bij variëteit en verschil. En dus dreigt de valkuil van de beheersreflex.

De gelijksheidsreflex staat, net als de beheersreflex, haaks op de basisidee van de beoogde maatschappelijke beweging: het ontginnen en exploreren van de inspiratie van mensen: het verlangen en de ambitie. En de daaruit voortvloeiende eigen kracht.

Inspiratie
Nelson Mandela had in zijn inauguratierede voor het presidentschap van Zuid-Afrika in 1994 een aantal prachtige boodschappen:

We zeggen tegen onszelf: wie ben ik om briljant, leuk, getalenteerd en geweldig te zijn?
Maar in werkelijkheid kun je je afvragen waarom je dat niet zou zijn.

Je helpt de wereld niet door je kleiner voor te doen dan je bent.
Het is onze natuur om te stralen, zoals kinderen stralen.

De innerlijke kracht is niet alleen in sommigen van ons, maar in iedereen.
En wanneer we ons licht laten stralen, nodigen we anderen vanzelf uit hetzelfde te doen.


Aansluiten op de eigen kracht van mensen betekent dat er verschil gaat – en mag/moet – ontstaan. Als wij dat niet willen aanvaarden, is de hervorming van ons sociale stelsel een dode letter. Het betekent dat wij – overheid en inwoners – de gelijkheidsreflex moeten durven weerstaan. Hoe lastig dat ook is.

Hierbij hoort ook dat wij het maatschappelijk initiatief omhelzen en aanvaarden als het uitgangspunt van de eigen kracht. En niet als sluitstuk. Of, zoals José Manshanden (lid van de Raad Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) en themadirecteur Sociaal/lid Directieraad Gemeente Utrecht) het onlangs verwoorde: “Eigen verantwoordelijkheid eerst; dan publieke bijdrage en niet andersom” (9 november 2013, netwerkbijeenkomst „Durft u het aan?” te Groningen).

Een eerste stap in de goede richting is loslaten! Op alle overheidsniveaus! Want terwijl de rijksoverheid – met vallen en opstaan – probeert zich aan de rol van ‘zorgzame herder’ te ontworstelen, dreigen gemeenten die rol juist weer naar zich toe te trekken. Immers, het stimuleren van het zelforganiserend vermogen van de samenleving vraagt juist om een houding van ‘op je handen haar gaan zitten’ en ‘mogelijk maken’ (zie ook: Ban de roltrap – Peter Paul Doodkorte) in plaats van ‘de handjes laten wapperen’.

De mens is een complex wezen, met veel meer kanten dan de wetenschap hem als oeconomicus, ludens of faber toeschrijft. Wat ons als mensen verbindt is dat ieder van ons dromen, verlangens en ambities heeft. Ze zijn groot of klein, privé of professioneel. Ieder van ons heeft die onderstroom van verlangen. Zij inspireert, geeft energie en geeft diepte aan ons leven. En iedereen weet ook, hoe lastig het is of zijn kan, ze waar te maken. Door persoonlijke beperkingen dan wel belemmeringen. Door praktische bezwaren, etc. Daarin ligt ook de uitdaging voor eenieder van ons: het (her-)ontdekken en ontginnen van onze verlangens en ambities. Door ruimte voor het verlangen. En de verzilvering daarvan. Omdat het ons leven mooier, leuker, rijker, spannender en diepgaander kan maken. Dat kan…als wij mensen in en met hun passie laten werken. Het is die kracht van het individu die wij moeten aanspreken.

Samenvattend
Elk succes begint met een verlangen. Dat verlangen, die bezieling, is wat mensen succesvol maakt. Een succesvolle samenleving creëren wij als wij het verlangen en de bezieling van mensen met elkaar weten te verbinden. Vertrouwen, binding, creatiedrang en mogelijk maken zijn daarbij de belangrijke elementen.

Ban de roltrap

Durf eens een flutoverheid te zijn

De verhouding tussen overheid, inwoners, instellingen en bedrijven verandert. Er wordt een groter beroep gedaan op eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid van mensen. Wat betekent dat voor de rol van de overheid zelf? En voor maatschappelijke organisaties, welzijns- en andere zorgorganisaties?

Duidelijk is, dat de omvorming van ons sociale stelsel pleit voor een verandering die voor niemand zonder gevolgen blijft. Er moeten nieuwe waarden komen, een nieuwe moraal, nieuwe omgangsvormen. En er zijn nieuwe antwoorden nodig.

De beoogde beweging vraagt ook om het directer aansluiten bij de mogelijkheden van de mensen zelf. Scherper koersen op energieke en creatieve initiatieven en deze faciliteren. Daarbij speelt de kunst van de verleiding een grote rol. Niet zo zeer de (gecreëerde) mentale gesteldheid van onze inwoners als wel het functioneren van de institutionele wereld is daarbij de uitdaging. De traditionele dienstverleningsinstelling van hulpverleners en overheden is meer dan voorkomend. Een schitterende verbeelding van dat wat ik bedoel, is te zien in het filmpje “roltrap of trap”: http://www.youtube.com/watch?v=IeAJJDRn_H0

piano
Voor elk vraagstuk of probleem bedenken wij – genereus en minutieus – een geïnstitutionaliseerde oplossing. Daartoe gestimuleerd dan wel uitgedaagd door een andere – goedbedoelde, maar pervers uitwerkende – stelregel: laagdrempeligheid. Begrijpt u mij goed: ik heb niets tegen het ‘nabij’ en ‘vertrouwd’ organiseren van ondersteuning dan wel voorzieningen. Anders wordt dat, wanneer die laagdrempeligheid elke vorm van eigen initiatief onnodig maakt of doodslaat. Als laagdrempeligheid verwordt tot een obstakel voor de eigen kracht van mensen. Of, zoals Jos van der Lans dat eens verwoordde: “Alles in Nederland wordt op de een of andere manier vanuit beleid, politiek en overheid onder controle gebracht en gehouden. Elk risico moet worden uitgesloten of vermeden. Bij elk vraagstuk of probleem staan er professionals op om de oplossingen te realiseren en te begeleiden.”

De daadwerkelijke omvorming van het sociale domein bewerkstelligen wij niet door het eigen initiatief van de inwoners verplicht te stellen. Mantelzorg of tegenprestaties te gaan formaliseren. De omvorming begint met een ‘andere’ overheid. Een overheid die – hoe goed bedoeld ook – dingen niet meer regelt. Een overheid dus die daadwerkelijk loslaat.

Loslaten dus; maar niet in de betekenis van ‘laten vallen’. Met ‘loslaten’ bedoel ik: het creëren van ruimte voor eigen initiatief, voor zelforganisatie en eigen verantwoordelijkheid. En het wegnemen van georganiseerde obstakels die juist dat in de weg staan.

‘Loslaten’, zo leert de praktijk van decentralisatie, transitie en transformatie, is in beleidsvoornemens wel makkelijk gezegd en geschreven, maar niet zo makkelijk gedaan. Zelf kom ik het regelmatig tegen. En bezondig ik mij er zelf aan. Ik wil iets heel graag of wil dat dingen sneller gaan dan ze gaan en wordt dan ongeduldig en gefrustreerd. Ga het regelen.

Elke vader of moeder weet dat opvoeden vanaf dag 1 – de dag van de geboorte – een proces van loslaten is. De eerste stapjes zijn nog magisch: “Kijk eens, wat hij/zij al kan…”. Daarna wordt het voor veel ouders al snel een lastig af te leggen parcours. Met angst als katalysator: “Kan mijn kind dat zelf wel?” en “Als dat maar goed gaat” of “Daar ben je nog te jong voor”.

Enig idee waarom de meeste kinderen zo snel leren lopen? Omdat we ze bij ieder stapje stevig aanmoedigen. Dat principe, Daar gaat het om. Het zelfvertrouwen laten groeien, door los te laten, wat je los kunt laten; onder veilige condities. En om aanmoediging vanaf de zijlijn. Succes is dan verzekerd.

Gun als overheid – zoals ouders hun kinderen – inwoners (weer) leerervaringen. Stimuleer eigen initiatief, zeg niet meteen: “Dat kan (nog) niet” of “Dat lukt nooit”. Er zijn talloze situaties waarin kleine en grote nieuwe ervaringen opgedaan kunnen worden. Vraag niet te veel “moeten”. Spreek mensen aan op dat wat zij al lang kunnen. En ja, dat betekent ook: het voorbeeld zijn. Maak fouten, laat zien hoe je ze weer hersteld. Laat zien dat dingen spannend kunnen zijn. Laat zien hoe je daar ook zelf onzeker over kunt zijn. En versta de kunst van loslaten en verleiden. Het mooiste van de verleiding is eraan toegeven. En daarmee hoeven we niet te wachten. We kunnen vandaag al beginnen.

De eerste stap? Niet in de organisatiereflex schieten. Leg de lat niet te hoog. Wil niet alles perfect doen. Trek niet alle verantwoordelijkheid naar je toe. Dat helpt je om los te laten en te relativeren. Wees een goed genoeg overheid! De overtuiging “Als ik het niet doe, doet niemand het.” Is improductief. Het is natuurlijk helemaal niet zo, dat alles in het honderd loopt als jij je als overheid ergens minder druk over maakt. Kijk een naar de bruisende kracht die ontstaat als je iets niet meer doet. Geniet van de sociale energie die dat losmaakt En applaudisseer daarvoor. Als die trotse vader of moeder bij de eerste stapjes van hun kind.

Samenvattend
De gewenste veranderende verhouding tussen overheid, inwoners, instellingen en bedrijven bereiken wij niet door te ontzorgen; door over te nemen. Het vraagt om een vernuftige en creatieve kunst van verleiding en stimulering. Het exploreren van de eigen kracht van mensen vraagt om het herkennen en stimuleren van hun eigen mogelijkheden en talenten. Een ‘mogelijk makende’ overheid levert daarbij – als terreinknecht in plaats van als ‘regisseur’ – de essentie: de toevoegende waarde. De vraag die wij daarom bij de omvorming van het sociaal domein moeten beantwoorden is niet (primair): wat moeten de mensen zelf doen, maar waar willen (en soms: moeten) wij van toevoegende waarde zijn.

Te ver gaan is misschien wel onhandiger dan tekort schieten

• De uitzondering regeert
Stel: je hebt tien gebeurtenissen. Negen daarvan volgen een bepaalde wetmatigheid. De tiende niet. Dat is de uitzondering. Wij zouden het geen uitzondering noemen, als er geen regel was waaraan de negen andere gebeurtenissen gebonden waren.

Is de of een uitzondering een probleem? Wat mij betreft niet. Totdat de uitzondering tot de norm voor ons doen en laten wordt gemaakt. Dan gaat het goede onder het slechte leiden. Of wordt het ongewone gewoon.

Een aantal jaren terug werd ik door een vriend uitgenodigd voor een voetbalwedstrijd. PSV-Ajax. Onderweg naar de wedstrijd was mijn verwachtingspatroon hoog. Ik verheugde mij op een leuke wedstrijd. Mijn humeur veranderde echter op slag, nadat ik mijn auto geparkeerd had. De route naar het stadion was – aan beide zijden – afgezet met reusachtige containers. Hoewel ik een nietsvermoedend bezoeker was werd ik, samen met anderen als vee naar binnen gedreven. Het was toen dat ik mij realiseerde dat de uitzondering – de kwaadwillende hooligan – regeert. Het effect? Ik voelde mij verschrikkelijk onheus behandeld. Voelde de wijze waarop met mij werd omgesprongen als een flagrante schending van mijn redelijkheid. Een toenemende neiging om ‘mijn beste vriend’ (want, zo leerde ik, dat is de politie toch?) aan te vliegen, borrelde in mij op. En precies dat gedrag te vertonen dat nu juist niet gewenst was.

De uitzondering regeert. Die werkelijkheid is onthutsend en tenenkrommend. Uitzonderingen willen wij ‘fixen’, regelen. In elk gesprek dat ik over de gewenste (door)ontwikkeling van ons zorgstelsel voer, is er altijd wel iemand die de uitzondering aanvoert als reden voor verregaande regelgeving. De uitzondering wordt daarbij gebruikt als bevestiging van het bewijs dat de regel fout is.

Regels zijn er niet voor niets: ze bieden houvast. Wanneer wij echter uitzonderingen tot de standaard van ons denken en doen maken, heeft dit twee perverse effecten. Het gewone, wetmatige wordt – juist door overregulering – onbestuurbaar. Dit leidt tot frustraties. Omdat de regelgeving als onzinnig en bureaucratisch wordt ervaren. Maar ook de uitzondering leidt hieronder. Het is plotseling geen uitzondering meer, maar regel. En juist de uitzondering veelt eigenlijk de regel niet. De uitzondering vraagt maatwerk.

Helaas wordt dat vaak slecht begrepen. Incidenten (uitzonderingen op de regel) zijn generatoren voor regelgeving. Terwijl het juist een incident of uitzondering is, omdat het een niet voorziene of – meer dan gebruikelijk – een complexe gebeurtenis is.

Ik beweer niet dat de uitzondering de regel bevestigt. Als er namelijk een regel is, dan geldt die in elk geval minstens meestal, anders is het geen regel. De uitzondering is dan de situatie die niet aan de regelvereisten voldoet. Het is omdat er sprake is van een uitzondering, dat er ook een regel moet zijn. Een regel die in specifieke situatie dus niet van toepassing kan zijn. Anders gezegd: zonder algemene regel bestaat er geen uitzondering. Het is dus niet zozeer de aard of inhoud van de uitzondering, maar wel het bestaan ervan dat de regel bevestigd.

Ongewone of uitzonderlijke situaties zijn per definitie niet te vatten in regels. Doen wij dat wel, dan zal een volgende uitzondering weer tot nieuwe regelgeving leiden. Het resultaat: een de maatschappij en ons doen en laten overwoekerend regeloerwoud.

Omgaan met uitzonderingen vraagt om algemene regels, die gelden afgezien van bijzondere omstandigheden. Regels kennen daarmee situaties waarbij zij niet gelden. Als wij dat niet durven erkennen, maken wij het werk van bijvoorbeeld hulpverleners onmogelijk. Juist in situaties die uitzonderlijk zijn, is ons gezonde verstand vaak een betere raadgever dan welk goedbedoeld protocol of reglement dan ook. Omdat in uitzonderlijke situaties niet alles volgens het boekje gaat.

Ons huidige zorgstelsel gaat gebukt aan de regelgevende uitzondering. Voor alles wat bij uitzondering wel eens fout kan gaan, bedenken wij een regel. Bovendien verheffen wij die uitzondering vervolgens tot de maatstaf voor al ons doen en laten. Omdat er vervolgens toch weer uitzonderingen zijn, bedenken wij weer nieuwe of veranderen wij de bestaande regels. Regelingen veranderen snel, zijn niet duidelijk, strijdig met andere bepalingen of in de ogen van de burger of professionals niet logisch, niet verstandig of – juist door de uitzonderlijke basis – zelfs totaal overbodig. Onderzoek door TNS NIPO bevestigt dit beeld: velen ervaren niet dat de regels de problemen echt oplossen. Niet dat regels niet gewoon nodig zijn, maar als de logica van een zekere wetmatigheid ontbreekt verliest de regel zijn waarde en betekenis.

Ditzelfde zien wij bij ons zucht naar het beheersbaar maken van risico’s. De mogelijkheid van een risico, inclusief de mogelijkheid tot het mogelijk verantwoordelijk gehouden worden voor een situatie waarin het bij uitzondering mis kan gaan, is inmiddels uitgegroeid tot een stevig afbreukrisico. Voor individuele burgers, professionals, politici en het stelsel als geheel. Het gevolg? Wij vertalen de angst in meer regelgeving, toezicht en controle. En creëren daarmee niet zelden juist die situaties die wij nu beoogden te vermijden.

Bij tijd en wijle realiseren wij ons dat wij zijn doorgeschoten. Worden er door de regelgevende overheid initiatieven, gericht op deregulering ontplooit. Deze pogingen blijken eerder te ontregelen dan te ont-regelen. Zo leert ons de praktijk. Recentelijk nog stopte een zorgaanbieder met regelarme zorg. Reden: de daaraan verbonden regelgeving!

De overheid is gewend om te sturen. En dat doet zij met regels. Ook bij de ombouw van onze verzorgingsstaat naar een zorgzame en participerende samenleving. De regelgeving en de manier waarop daarmee word omgesprongen, is daarbij een van de problemen. Het gaat om een cultuuromslag, die bereik je niet met meer regelgeving. Meer regelgeving schept een claimcultuur. Als de overheid taken afstoot of weglegt bij anderen, dan vraagt dit naast een ragfijn samenspel om ruimte. Maatwerk, en – in wederkerigheid – verantwoording daarvan biedt daarvoor een gezonde(re) grondslag. En dat, dat is vooral een kwestie van durven en doen. Van lef dus. In het weten dat te ver gaan misschien wel onhandiger is dan tekort schieten.

Elk mens is blij met iets anders

• Ik ben gelukkig als mijn innerlijke kompas goed functioneert en zich niet afwendt van de mensen, hen welwillend bekijkt en aanvaardt
(vrij naar: Marcus Aurelius 121-180, Romeins keizer en stoïstisch filosoof in “Ta eis heauton” (De dingen die je tegen jezelf zegt), VIII.43)

Jij zegt dat je mij probeert te begrijpen.
Dat jij je ook echt wel in mij wil verplaatsen.
Maar waarom ga jij dan toch altijd weer alleen van jezelf uit?
Telkens weer geef je als antwoord: “Ja maar ík vind, ik voel.. en Ík denk …”
Alleen van jezelf uitgaan en denkende van niet, betekent
dat jij de essentie van de ander mist.

Zwartepieten. Wat hebben wij er de afgelopen weken weer stevig werk van gemaakt. Voor- dan wel tegenstanders van Zwarte Piet deden er alles aan, de ander het nodige te verwijten. Voor- en tegenstanders vroegen en vragen begrip voor hun emoties. Net zoals de voorstanders dat deden en doen.

Ik wil aan het dispuut over het sinterklaasfeest geen nieuwe mening toevoegen. Niet, dat ik die niet heb. Maar het ventileren van mijn opvatting zal waarschijnlijk niet bijdragen aan het oplossen van dit vraagstuk.

Desondanks houdt het zwartepieten van de afgelopen weken mij wel bezig. Maar dan vanuit het perspectief van wederkerigheid. In de vele discussies – die al snel gaan over (in)tolerantie, vrijheid van meningsuiting, discriminatie enzovoort – mis ik dat element (te) vaak. Iedereen heeft een mening. Wat zijn of haar goed recht is. Maar het lijkt wel alsof tegenwoordig iedereen dit recht in extreme en exclusief voor zichzelf opeist.

Ik constateer bijvoorbeeld dat de voortdurende neiging tot het oprekken van het begrip ‘discriminatie’ juist een aanzwellende bron van discriminatie lijkt te worden. Net zoals de roep om meer tolerantie juist meer intolerantie oproept. Of het claimen van het recht op vrije meningsuiting. Zij doet de roep om het stellen van paal en perk daaraan omgekeerd evenredig toenemen. Anders gezegd: de grenzeloosheid waarmee wij elkaar menen te kunnen dan wel te moeten overtuigen van de juistheid van ónze opvatting heeft – zo langzamerhand in alarmerende vorm – het tegenovergestelde effect.

Het lijkt alsof wij collectief falen op het concept van wederkerigheid. Steeds meer zie ik extreme emotionele uitingen verschijnen als reactie op een nieuwsbericht of mening. En ja, ik betrap mijzelf daar ook op.

Het sinterklaasfeest is voor mij niks meer of minder dan een leuk kinderfeest. Dat anderen dat vervolgens menen te mogen duiden als een daad van discriminatie roept – onbedoeld – stevige gevoelens van agressie bij mij op. Waar halen ze het lef vandaan!

Kan ik dan niet begrijpen dat een ander zich ergert aan persoonlijke opvattingen of uitingen? Welzeker. Maar geldt dat omgekeerd dan niet? Ik vraag mij af, waar het naartoe gaat als wij dit niet keren. Niet in de laatste plaats, omdat ik ook mijzelf steeds vaker betrap op een – mij tot voor kort vreemd maar toenemend – gevoel van ergernis en intolerantie. Ik dreig een hekel te krijgen aan mensen – en hun opvattingen en uitingen – omdat zij met het claimen van ruimte daarvoor tegelijkertijd mij diezelfde ruimte (lijken) te ontzeggen. Ik denk dat wij ons onvoldoende realiseren dat juist ons eigen handelen bij anderen precies dat kan oproepen, wat wij nu juist niet wilden. In de breedste betekenis.

Of ik de oplossing weet? Nee! Ik merk echter dat dit vraagstuk mij in toenemende mate puzzelt. Niet dat ik wil doemdenken. Maar reden tot overdreven optimisme heb ik evenmin. Wel ben ik ervan overtuigd dat de oplossing van dit vraagstuk niet ligt in grote debatten van en met voor- en tegenstanders. Ik verwacht meer en duurzamer effect van het echte gesprek. Van mens tot mens. En van de mate waarin wij ons durven en kunnen verplaatsen in de ander.

Want laten wij eerlijk zijn: het is een door ons gecreëerde perceptie en interpretatie die ‘discriminatie’ een negatieve annotatie geeft. In zijn oorspronkelijke betekenis betekent het letterlijk: ‘het maken van onderscheid’. En gaan wij mensen daar niet juist – en wat graag – prat op: het unieke van ieder mens. Zo beschouwd is discriminatie dus helemaal niet onrechtmatig of negatief. Dat wordt het pas als wij de ander, zijn of haar standpunt of uiting als ‘minderwaardig’ kwalificeren.

Iemand veroordelen om zijn/haar uiterlijk, afkomst, seksuele geaardheid, geloof etc. is niet eerlijk en bovendien helemaal nergens voor nodig. Beperkingen leggen wij onszelf op, als wij – om wat voor reden dan – elkaar niet de ruimte (durven) geven.

Veel conflicten ontstaan door dom misverstand. Niet getoetste persoonlijke interpretaties van een uiting of gebeurtenis. Een conflict echter is pas een conflict als jij het ervan maakt. Door hoe jij een situatie, een opmerking of een handeling interpreteert. Laten we dus eens beginnen met de vraag: wat beweegt jou. En vervolgens met de ander te delen wat jou beweegt. Niet met oogmerk de ander te overtuigen. Maar om de gedachtegang van de ander te leren kennen. Zo handelend kunnen wij – wederzijds – het gedrag of de opvattingen van de ander leren respecteren in plaats van te classificeren.

In dat gesprek hoeven wij het conflict niet te mijden. Wel de grote woorden, verwijten of beschuldigingen. We moeten het niet over de persoon hebben, maar over de kwestie. En respect tonen (en vragen). Respect is immers een kwestie van geven en nemen. En ja, dat kan alleen als de ander dat ook wil. Als er sprake is van wederkerigheid dus: ‘Oké, jij wilt dit, ik wil dat. Daar moeten we samen uit kunnen komen.’

Verras jezelf en je omgeving eens. Respecteer de ander zoals jijzelf gerespecteerd wilt worden. De gelijkwaardigheid die wij wensen en vragen, kunnen wij alleen zo in stand houden dan wel realiseren. Onszelf niet als norm, maatstaf of slachtoffer zien. Het maakt het leven een stuk aangenamer. Gewoon, omdat elk mens blij is met iets anders.