Babykamer stress

• Het leven is wat je gebeurt terwijl je andere plannen maakt.

Ohhh, zo nu en dan krijgt Nederland ineens de kriebels. Het gaat allemaal niet snel genoeg. De voorbereidingen voor de decentralisaties bedoel ik. Van de jeugdzorg bijvoorbeeld. De toekomstige kamer moet nog volledig worden omgebouwd en geschilderd….

Volgende diverse mediaberichten deze week zijn (sommige) gemeenten en hun raden nog niet voldoende aangehaakt bij de Jeugdwet. Uit onderzoek zou blijken dat er nog veel onduidelijk is. En dat de meeste gemeenteraden zich nog nauwelijks met het thema jeugdzorg bezighouden. Dit alles leidde – bij de betrokken onderzoekers – tot de conclusie dat de gemeenteraden nog niet klaar zijn om beslissingen te nemen over de jeugdzorg. Terwijl ze dat wel op korte termijn moeten.

Onwillekeurig moest ik terugdenken aan de jaren waarin mijn vrouw en ik begonnen met het stichten van een eigen gezinnetje.

Een kindje krijgen is een mooie, en tegelijkertijd spannende gebeurtenis. De partners kunnen er verschillende gevoelens bij hebben. Word ik wel een goede papa of mama? Hoe moet ik mijn partner steunen? Ben ik er wel klaar voor? Er zweven tientallen vragen rond door de hoofden van de aanstaande ouders. Zij weten niet precies wat hen staat te wachten. Wil hij de stinkende luiers wel verwisselen? Kan zij het gekrijs en de gebroken nachten wel aan? Tijdens de zwangerschap strijden verwachting, geloof, hoop te twijfel bij voortduring om een plekje op de voorste rij.

En dan is het zover: de bevalling. Na al die maanden wordt het kind eindelijk geboren. De kersverse papa en mama willen elkaar zo goed mogelijk steunen. Maar weten niet altijd precies hoe. Uit eigen ervaring herken ik die ‘ben-ik-hier-wel-klaar-voor twijfels’ wel. Wij zagen ze later ook weer terug bij onze kinderen. Toen zij begonnen aan hun eigen gezinnetje.

De ‘ben-ik-hier-wel-klaar-voor twijfels’ zijn dus geen bijzonderheid. Integendeel. Het is heel gewoon. Ik ben zelfs geneigd te beweren: gezond en louterend. Tegelijkertijd zijn ze – in het algemeen en gelukkig – geen aanleiding tot een voortijdige beëindiging van de zwangerschap. Dat laatste lijkt wel de conclusie die de media menen te moeten verbinden aan het jongste onderzoek van de rekenkamer(commissie)s van Breda, ‘s-Hertogenbosch, Eindhoven en Tilburg (1).

De kranten en journaals koppen gretig: “Brabant nog niet klaar voor overgang jeugdzorg”. Of “Steden niet klaar voor jeugdzorg.”

Er is inderdaad nog de nodige onduidelijkheid. Over de landelijke wetgeving bijvoorbeeld. Die overigens vorige week door de Tweede Kamer behandeld is. En over de budgettaire kaders. Waarover – volgens de verantwoordelijke staatssecretaris – begin december meer duidelijkheid en houvast komt. Het zijn zaken waar de gemeenten (‘de aanstaande ouders’) geen invloed op hebben.

De rekenkamer(commissie)s doen vervolgens de nodige aanbevelingen. Waarvan – wat mij betreft – de belangrijkste is: Neem in de besluitvorming een eigen positie in, en stel – zelf – prioriteiten.

Het is, alsof ik mijn vader en moeder zaliger hoorde. Toen wij ons eerste kindje verwachtten. Natuurlijk hadden zij hun eigen opvattingen. Normen en waarden. En natuurlijk bemoeiden zij er zich wat graag tegenaan. Zoals wij dat ook weer deden en doen met onze eigen (klein-)kinderen. Maar zoals wij toen, zeggen onze kinderen nu: laat ons onze eigen keuzes en afwegingen maken.

Het advies aan de raden om doelstellingen, maatschappelijke effecten en beleidsprestaties te formuleren beschouw ik als behartigenswaardig en goedbedoeld. Net zo goed als de aanbeveling om tot beleidsmonitoring te komen. En eisen ten aanzien van de kwaliteit te stellen. Geen enkel onderdeel van de door de rekenkamer(commissie)s geformuleerde adviezen suggereert of rechtvaardigt volgens mij echter de conclusie van een voortijdige beëindiging van de gemeentelijke zwangerschap.

Het stellen van financiële kaders, gekoppeld aan de beoogde ontwikkeling van het zorggebruik en kwaliteit van de zorg? Ook wij moesten wel even wennen aan een veranderende financiële huishouding toen onze eerste boreling er was. Net als bij de komst van nummer twee. En een gezamenlijke visie op de opvoeding was er wellicht op hoofdlijnen, maar ontwikkelde zich pas daadwerkelijk in en aan de praktijk.

En natuurlijk maakten en maken wij met enige regelmaat een soort van planning (fasering) voor de (nabije) toekomst. In de wetenschap en met de ervaring dat die planning ook de nodige flexibiliteit moet kennen. Gewoon, omdat je niet alles in eigen hand hebt of naar je eigen hand kunt zetten. In dit verband wil ik graag wijzen op het prachtig ontroerende en ontnuchterende verslag van een moeder van een ziek kind: “Dolgelukkig zijn wij” (Annemarie Haverkamp).

“Dolgelukkig zijn wij” is een realistisch verhaal over de maakbare wereld. Een wereld waarin wij ten onrechte denken zelf de regie te hebben.

Annemarie en haar vriend Bart hebben een kind gekregen. Maar Jobs hoofd heeft de vorm van een peer, zijn lichaam is slap, hart en darmen vertonen gebreken – er is verschrikkelijk veel mis. De baby blijkt geboren met een zeldzame chromosoomafwijking. Als Annemarie en Bart openlijk hun twijfels uitspreken over medisch ingrijpen en de kwaliteit van het leven dat hun zoon te wachten staat, lopen de spanningen hoog op. Wie heeft het recht te beslissen over de toekomst van het jonge gezin: de dokters of de ouders? En, hoe nu verder?

Zo ook moeten wij volgens mij het advies van de rekenkamer(commissie)s van Breda, ‘s-Hertogenbosch, Eindhoven en Tilburg lezen: een goed bedoeld, ontnuchterend en ‘ouderlijk’ advies. Ter ondersteuning van de kader stellende en controlerende (de ‘ouderlijke’) rol van gemeenteraden. Een poging om in een tijd van overgang concrete handvatten te bieden en de aspirant ouders te activeren in hun toekomstige rol. Daarbij gaat het er om hen in de gelegenheid te stellen zich een beeld te vormen van de eigen rol, en daaruit zo mogelijk lessen te trekken. Niet met het oogmerk om geen, maar een betere ‘ouder’ te worden.

Niet voor niets duurt een zwangerschap negen maanden. De baby moet groeien en jij hebt de tijd nodig om je geestelijk voor te bereiden op het vaderschap. Er zijn ook veel praktische zaken te regelen. En dan nog: we kunnen niet alles van te voren regelen. Hoe graag we ook willen geloven in de maakbaarheid en het ideaal.

Tegen de twijfelaars en ongeduldigen zeg ik: Er komt inderdaad veel op de gemeenten af. Het is de daarmee samenhangende onzekerheid waar we moeilijk mee kunnen omgaan. Er zijn, voor- en achteraf, zeker zaken te benoemen die beter hadden gekund. Per saldo gaat het echt niet om een (op papier) perfecte organisatie. De essentie is dat wij – in dit geval: de gemeenten – onze verantwoordelijkheid kennen en nemen. Vooral dan, als blijkt dat het net niet zo loopt als gepland. Dus neem de tijd, maak je vooral niet te druk, maar regel wat geregeld moet worden. Niks meer, en niks minder.

(1) KLAAR VOOR DE START? – Een onderzoek naar de kaderstellende en controlerende rol van gemeenteraden rond de transitie jeugdzorg in B4-gemeenten – ISBN 978-90-5830-606-7 – Verwey-Jonker Instituut, Utrecht 2013.

Hoe strak staan uw elastiekjes?

• Je kunt geen handen schudden met een gebalde vuist

De Jeugdwet is door de Tweede Kamer aangenomen. Gemeenten worden per 1 januari 2015 verantwoordelijk voor de jeugdzorg. Volgens berichten naar verwachting. Voor mijzelf echter was het een hele opluchting. Want, eerlijk is eerlijk, er waren naast veel vooruit trekkende elastiekjes ook de nodige terugtrekkende elastiekjes. Van hoog tot laag. Niet zelden heb ik in de afgelopen maanden gevreesd voor het – als gevolg daarvan – knappen van het elastiek.

De Jeugdwet is de eerste van drie grote decentralisatiewetten die het kabinet de komende tijd aan de Kamers zullen voorleggen. Naast de Jeugdwet volgen binnenkort ook de Participatiewet en de wet langdurige zorg. Voor de Jeugdwet kregen de verantwoordelijke bewindslieden een ruime meerderheid van de Tweede Kamer (VVD, PvdA, CDA, D66, GroenLinks, ChristenUnie en SGP) achter zich. Omdat deze partijen in de Eerste Kamer een ruime meerderheid van 54 zetels hebben, ziet het er naar uit dat de Jeugdwet ook daar de eindstreep zal halen. Al blijf ik beducht voor de terugtrekkende elastiekjes. Een wet is immers pas een wet als de handtekening van de koning er onder staat!

Bij de behandeling in de Eerste Kamer zullen ongetwijfeld de uitkomsten van de regionale transitiearrangementen een rol van betekenis spelen. In het transitieplan jeugd van het rijk, VNG en IPO zijn deze als een belangrijke mijlpalen opgenomen bij de overgang van de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de zorg voor jeugd.

Alle (41) jeugdzorgregio’s moeten uiterlijk 31 oktober 2013 hun regionaal transitie-arrangement indienen. Daarin staat hoe gemeenten de continuïteit van zorg voor jeugd en de benodigde infrastructuur realiseren én welke afspraken ze maken om de frictiekosten te beperken.

Bij het opstellen van deze arrangementen zijn er de nodige onzekere factoren waar gemeenten mee moeten werken. Het belangrijkste is onzekerheid over de budgetten. Zo blijkt het verschil tussen de huidige omzet van zorgaanbieders en het budget in de meicirculaire 2013 groot te zijn: het verschil is groter dan de door het Rijk aangekondigde korting van ca. 4% (2015).

Het werken aan de regionale afspraken heeft gezorgd voor zowel een versnelling als een verdieping van het decentralisatieproces bij gemeenten, zorgaanbieders en Bureaus Jeugdzorg (BJZ’s). Daarmee zijn de regionale transitiearrangementen een effectief instrument gebleken. Het voor de totstandkoming ervan beperkte tijdpad evenwel kan die effectiviteit ook ernstig beschadigen of teniet doen.

Gemeenten, bureaus jeugdzorg en aanbieders van jeugd- en opvoedhulp lijken elkaar wel te vinden als het gaat om (het concretiseren van) van visies en beleidsintenties. Er blijken (gelukkig) steeds meer partijen te vinden te zijn, die het belang van goede zorg voor jeugd – en de kansen die de jeugdwet daarvoor biedt – zien. Maar de financiële belangen zijn – over en weer – groot en leiden tot complexe afwegingen. Hoe daaraan tijdens de overgangsperiode vorm te geven, blijkt een veel lastiger te beantwoorden vraag.

De oplossingen die partijen daarvoor zien, zijn sterk afhankelijk van het perspectief dat zij kiezen. Het lastige van het perspectief dat zij kiezen, is dat het altijd ook zijn beperkingen kent. De voortdurende onzekerheid over het budget 2015 maakt het daarbij – voor alle partijen – eigenlijk ook onmogelijk om vóór of op 31 oktober tot concrete afspraken te komen. Waar dat wel gebeurt zie ik dat de betrokken partijen de gebeurtenissen willen controleren. En, omdat ieder dat – logischerwijs – doet vanuit het eigen perspectief, blijkt het moeilijk om daarvan afstand te nemen. Bij gemeenten zowel als aanbieders leidt dit tegelijkertijd tot faalangst zowel als perfectionisme: “Als er iets gebeurt dat ik niet wil, dan wil ik het niet aangaan.” En dan manifesteren de elastiekjes zich weer. Zowel vooruit- als terugtrekkend.

De emoties die daarbij optreden zijn te waarderen met drie trefwoorden: continuïteit, vernieuwing en verwarring. Deze emoties leiden richting aanbieders van jeugd- en opvoedhulp al snel tot het verwijt van (organisatorische) behoudzucht, belangen van instituties en het vertragen van de zo noodzakelijke veranderingen. Omgekeerd wordt gemeenten een vlucht vooruit in nieuwe aanpakken verweten. En blindheid voor de gevolgen daarvan (op de korte of middellange termijn) voor de continuïteit van organisaties, arbeid en (daarmee) de jeugd- en opvoedhulp.

De goedbedoelde drift ‘het nu eindelijk eens goed te gaan organiseren’ gaat daarbij te gemakkelijk voorbij aan het feit dat de aanbieders al een behoorlijk stuk op de goede weg zijn. Het zou zo maar kunnen dat de nu gehanteerde tijdsdruk op het tot stand brengen van de regionale transitiearrangementen zo tot stagnatie leidt. In plaats van tot de gewenste dynamiek. Dat zou best nog wel eens kunnen gaan wringen en de inmiddels – op basis van de gedeelde visies – opgebouwde relaties kunnen verstoren.

Mijn simpele conclusie: wie niet kan meebewegen met wat er al is opgebouwd gaat stagnatie veroorzaken. Wij moeten waken voor het ‘maakbaarheidsoptimisme’. Op heel veel plekken wordt – tegelijkertijd – gewerkt aan structuren die meer integraliteit, nabijheid en resultaatgerichtheid moeten en zullen opleveren. Maar als iedereen bij die beweging zijn eigen (financiële) perspectief als het middelpunt van de wereld neemt, gaan de regionale transitiearrangementen als een splijtende spagaat werken.

Is er dan geen hoop op welslagen? Zeker wel. Maar dat welslagen wordt vooral bepaald door de houding, cultuur en de kwaliteit van relaties. De uitdaging voor ieder van de betrokken partijen daarbij is: het eigen perspectief los durven laten.

Mijn advies luidt daarom: stop het (aan twee kanten) trekken aan de elastiekjes. Voor je het weet knap het elastiek (alsnog). Natuurlijk is het best eng ergens in te duiken wat je niet kan overzien, politiek gevoelig ligt of waarmee je je op het terrein van anderen begeeft. Het ‘geloof in de beweging’ en het ‘de pijn verdelen’ slaagt, als je daarover de dialoog opzoekt. Over de eigen drijfveren geen verstoppertje speelt. En de context van schaarste aan middelen in relatie tot de (wederzijdse) ambities als gezamenlijke verantwoordelijkheid deelt. Dat vraagt om een open oog en oor voor het belang van de ander. Draai het gesprek dus om. Verplaats je in de positie van de ander. En treedt die ander tegemoet met een houding van: “Als dit gebeurt, dan kan ik het wèl aangaan”. Gewoon, omdat de één niet zonder de ander kan. En laat daarbij de (te) hoge tijdsdruk er niet in slagen de uitdagende en gedeelde ambitie teniet te doen.

Jasper

• Zoek geen grote woorden als het met een klein gebaar ook kan

Volgens onderzoek verwerken wij een beeld 60.000 keer sneller dan tekst. In minder tijd begrijpen én onthouden we meer van de boodschap. De meeste mensen denken in beelden. Goede visuele content – of content die een beroep doet op de verbeelding – versterkt de boodschap.

‘Je gaat het pas zien als je het doorhebt.’ Vaak zijn daarvoor geen grote woorden nodig. Volstaat een klein gebaar of een korte, krachtige boodschap. Dat laatste besefte ik deze week eens te meer door een (kort) radio-interview…

Wat gaat er gebeuren als het budget voor de jeugdzorg bij de gemeenten terechtkomt. Zoals het kabinet wil? Deze week werd daarover gesproken in de Tweede Kamer. Aanbieders van jeugd- en opvoedhulp vrezen met grote vreze. Is er dan nog wel geld genoeg om kinderen die dat écht nodig hebben naar de jeugd-GGZ te laten gaan? Volgens de brancheorganisatie GGZ Nederland wordt de overheveling een ramp voor kinderen en hun ouders.

GGZ Nederland probeerde de afgelopen maanden afspraken te maken met de overheid over het waarborgen van de door haar leden geleverde jeugd- en opvoedhulp. Inmiddels heeft de organisatie er geen vertrouwen meer in dat die afspraken er nog (op tijd) komen. En dus werd de start van het Kamerdebat gebruikt voor een (laatste?) ultieme poging het tij te keren. Omdat de tot dan toe gehanteerde argumenten geen soelaas lijken te bieden, wordt daarvoor een spookbeeld gecreëerd: gemeenteambtenaren die zich – volgens de koepel – al na een zesdaagse cursus de autoriteit toe-eigenen om te mogen indiceren.

Omdat ik beledigingen zie als argumenten van hen die ongelijk hebben of dreigen te krijgen, weersta ik de neiging om het protest te kwalificeren. Ik volsta met de opmerking het te betreuren dat de toon van het debat door de gebruikte kwalificaties en bewoordingen hierdoor onnodig scherp wordt. Zeker, omdat met een veel kleiner – en beschikbaar! – gebaar wellicht een veel beter effect zou hebben.

Want, terwijl de lobbyisten van de GGz in Den Haag hoog van de toren bliezen, zond Radio 1 een reportage van (slechts) zes minuten en 17 seconden uit. Dit item sprak velen tot de verbeelding! Verslaggever Robert Jan Booij zocht Jasper uit Nieuwe Pekela op. Jasper, veertien jaar oud, is geholpen is door GGZ Jeugdinstelling Molendrift. Het gesprek van Robert Jan met Jasper was een feest voor de luisteraar (http://www.radio1.nl/items/87540-wat-moet-jasper-zonder-specialistische-hulp). Hij was in zijn eentje indringender én overtuigender dan alle andere protestgeluiden die daarvoor én daarna door de ether slingerden. Niet in de laatste plaats ook, doordat de interviewer de juiste sfeer wist te creëren. Gewoon, door adequate ‘basiscommunicatie’: sensitieve responsiviteit, gebaseerd op aandacht, warmte en welgemeende emotionele steun door (kleine) vragen! Met grootse antwoorden als gevolg.

De krachtige betekenis van goede ‘basiscommunicatie’ stond ook centraal tijdens een workshop over de omvorming van het sociaal domein. Ik mocht deze onlangs verzorgen voor een groep van communicatieadviseurs van gemeenten en aanbieders van jeugd- en opvoedhulp in Gelderland. De conclusie van die bijeenkomst: stop met te proberen het stelsel of de structuur uit te leggen. Sluit aan op de leefwereld van de mensen voor wie het stelsel bedoeld is. De boodschap komt duidelijker over wanner je daarvoor geen grote woorden zoekt, maar juist een klein gebaar. Daarbij zijn praktische voorbeelden, verbeeldingen en metaforen effectiever en krachtiger. Omdat zij het beroep op de ratio en het gevoel van de ontvanger hanteerbaar maken. En appelleren aan het creatieve vermogen. Juist dat biedt structuur. Omdat dit het bestaande denkpatroon kan doorbreken. Het gebruik van metaforen bijvoorbeeld biedt inzicht dat meer van het hart komt dan van het hoofd.

Dat bleek mij ook toen ik later in de week op verzoek van de AIT in gesprek mocht met een zaal vol met professionele video-hometrainers1 (video-hometraining (VHT) en video-interactiebegeleiding (VIB)) . Zij benutten de inzet van ‘basiscommunicatie’ om de kwaliteit van het contact – tussen opvoeders en kinderen, tussen hulpverleners en opvoeders en kinderen en tussen professionele begeleiders onderling – te verbeteren. Hun werk is gebaseerd op het principe van ‘oog voor het initiatief’ en het geven van een passend antwoord daarop. Zij onderkennen hoe belangrijk het is dat deze initiatieven herkend en werkelijk “ontvangen” worden. Positieve feedback, een prettige manier van ‘volgend leiderschap’, oogcontact, intonatie, gezichtsexpressie en houding zijn daarbij van doorslaggevende betekenis. Het (letterlijk) in beeld brengen van de communicatie en contacten gebruiken zij daarbij als (uiterst effectief) hulpmiddel.

Je gaat het pas zien, als je het door hebt. Met een goede afbeelding, foto of video – of een sprekend (want tot de verbeelding sprekend) interview als dat van Robert Jan met Jasper – geef je jouw boodschap extra kracht. Daarmee kun je laten zien dat jij de beoogde ontvanger van jouw boodschap begrijpt. Door ze emotioneel te raken, te verrassen, iets te leren of je met hen te identificeren. Dát zijn elementen voor goede communicatie. Communicatie waarmee je anderen kunt inspireren en verleiden. Zoals dat Jasper wel, en de GGz niet lukte.

1 AIT ( Associatie voor Interactiebegeleiding en Thuisbehandeling) is een non-profit organisatie die in 1998 is opgericht als rechtsopvolger van SPIN (Stichting Promotie Intensieve thuisbehandeling Nederland). Sedert het ontstaan van VIB in de jaren zeventig streven zij er naar om de VIB-methodiek succesvol toe te passen in steeds meer sectoren en de professionele kwaliteit te bewaken via een certificerings-systeem. VIB is een verzamelnaam voor de methodiek die bijdraagt aan het bevorderen van professioneel handelen en communiceren van werkers in verschillende sectoren zoals thuiszorg en jeugdhulp.

Het leven begint waar de comfortzone eindigt

• All-inclusive wordt pechhulp

De discussies over de omvorming van ons sociale zekerheids- en zorgstelsel is als een land van enorme tegenstellingen. Deze spitst zich in toenemende mate toe op een – volgens mij misverstane – tegenstelling met betrekking tot de rol van de overheid. Een misverstand dat vooral lijkt voort te komen uit de daarbij betrachte labeling van de beweging: van verzorgingsstaat naar participatiesamenleving. Het antwoord? Gebundelde krachten!

Begin oktober 2013 werd ‘Sociaal-doe-het-zelven’ gepresenteerd. Het nieuwe boek van (wethouder) Pieter Hilhorst en (publicist) Jos van der Lans. Hierin geven zij hun visie op de participatiesamenleving. Het boek krijgt de nodige aandacht. Logisch. Want het gedachtegoed van de participatiesamenleving staat in het brandpunt van de belangstelling. Mede door opmerkingen daarover in de Troonrede (Prinsjesdag 2013) van dit jaar.

Een kleinere overheid en meer verantwoordelijkheid voor burgers. Zo zou je de participatiesamenleving, één van de stokpaardjes van het kabinet Rutte, kunnen samenvatten. Hetgeen tussen voor- en tegenstanders al gauw verwordt tot een zwart-witkeuze vóór of tegen de verzorgingsstaat. Vóór of tegen de participatiesamenleving. Waarbij de indruk wordt gewekt dat de verzorgingsstaat oud-denken is, en de participatiesamenleving iets geheel nieuws. Onzin natuurlijk. Want de participatiesamenleving ís er al. Nederland is bijvoorbeeld kampioen vrijwilligerswerk.

Vlak voor de boekpresentatie hoorde ik een radio-interview met Pieter Hilhorst. Tijdens dat interview besefte ik – duidelijker dan daarvoor – dat het begrip ‘eigen kracht’ onbedoeld bijdraagt aan deze polemiek. Bij de omvorming van ons sociale zekerheids- en zorgstelsel wordt die term te pas en te onpas gebruikt. Ook door mijzelf. Mede daardoor stuit ik niet zelden op argwaan. ‘Eigen kracht’ wordt al gauw gezien als een excuus om weg te kijken als mensen het op eigen kracht niet redden.

Hilhorst en Van der Lans leggen in hun boek ‘Sociaal-doe-het-zelven’ uit dat de participatiesamenleving geen excuus is of mag zijn om weg te kijken van mensen die hulp nodig hebben. Waarmee zij de hedendaagse zoektocht van veel gemeentebestuurders extra reliëf én perspectief bieden.

In de vele gesprekken die ik rond de omvorming van ons sociaal domein mag voeren met gemeentebestuurders, ambtenaren en uitvoerende professionals, ligt dáár de focus: wij willen en kunnen als professionals, overheid en samenleving niet achterover leunen. Tegelijkertijd is er een geloof in de spankracht en creativiteit van mensen.

Actieve betrokkenheid van inwoners leidt in dat perspectief tot een ándere verzorgingsstaat. Een, waarbij de doorslag naar een ‘all-inclusive’ houding zich omvormt naar pechhulp. En precies daarover gaat de verzorgingsstaat. Het bieden van zekerheid aan mensen die kwetsbaar zijn. De participatiesamenleving komt dus niet in de plaats van de verzorgingsstaat. Het is een methode voor de invulling van een houdbare verzorgingsstaat.

Een all inclusive verzorgingsstaat betekent zorgeloos genieten. Met – in extremo – de staatskas als blanco checkboek voor alle uitgaven. Zo een verzorgingsstaat is financieel onhoudbaar gebleken. En inhoudelijk onwenselijk. Niet in de laatste plaats ook, omdat mensen van nature zoeken naar een eigen invulling van hun (on)mogelijkheden en daarbij passende wensen. Een houding waarin wij, juist door het gegroeide all-inclusive karakter van de hedendaagse verzorgingsstaat, wellicht zelfs zijn doorgeschoten. Het individualisme versus de gemeenschap.

De verzorgingsstaat staat voor een samenleving die zaken kant-en-klaar (en all-inclusive) regelt. Waarbij alleen vaklui beschikken over de vaardigheden, gereedschappen en leveranciers om het werk uit te voeren. Sociaal doe-het-zelven of ‘klussen’ staat voor een creatieve of constructieve activiteit die door de mensen zelf wordt gedaan. In ons dagelijks leven gaan beide bewegingen – welhaast als vanzelfsprekend – hand in hand.

Sociaal doe-het-zelven gaat dus niet over de vervanging van de verzorgingsstaat. Het gaat – zoals de Heerlense burgemeester Depla bepleit – om de geactiveerde burger. Het gaat over een overheid die dichtbij mensen durft te opereren, zonder hen direct alles uit handen te willen (of te hoeven) nemen. De roep om een participatiesamenleving vraagt dus niet om een overheid die de wijk neemt. Het vraagt om een overheid die invoegt en aansluit op de (on-)mogelijkheden van de mensen zelf.

Zo bezien is de overheid (en dat zijn wij per saldo met zijn allen) dus geen all-inclusive touroperator maar een pechdienst: een organisatie die bijspringt als dat nodig is. En, in bijzondere gevallen ontzorgt. Door de dienst (tijdelijk) over te nemen. Hilhorst duidde de overheid in dat verband in het eerder aangehaalde interview dan ook als ‘pechdemper’.

Luisterend naar Hilhorst realiseerde ik mij dat ‘eigen kracht’ zo bezien wellicht – en onbedoeld – een ‘doorgeschoten’ label is voor de brug die wij zoeken. ‘Eigen kracht’ is misschien wel een te individualistische term voor de beweging die wij willen. Een die, voor je het weet, verwordt tot een ‘je kunt het zelf wel’ of ‘u redt zich er maar mee’. Waarmee het gevaar van een ‘ieder voor zich en (wie?) voor ons allen mentaliteit’ dreigt.

Het sociaal doe-het-zelven is een antwoord op een doorgeschoten – en door de zucht naar beheersing daarvan bureaucratische – verzorgingsstaat. De participatiesamenleving is daarvoor geen tegenhanger, maar een invulling. Bij sociaal doe-het-zelven gaan actieve burgers en een actieve overheid hand in hand. Het draait daarbij om de verbinding tussen beide zienswijzen. Een gezamenlijke zoektocht naar mogelijkheden om beter op elkaars verwachtingen in te spelen. Dat streven – een samenwerking tussen inwoners, professionals en overheden – vergt naast eigen kracht van ieder afzonderlijk vooral ook een bundeling van krachten. Samenkracht dus.