Galerij

Digitaal of niet

• Twijfel is de waakhond van inzicht (Confucius, Chinees filosoof 551 v. C. – 479 v. C.)

1 gezin, 1 plan, 1 aanspreekpunt, en – als het kan – 1 budget. Heel jeugdzorg minnend Nederland hanteert inmiddels dit mantra. Het klinkt goed. Het moet ook. Maar tussen droom en daad…

De meeste organisaties die het 1-mantra hanteren, doen dat vanuit het perspectief van de eigen organisatie. Dat is een mooie start, maar niet wat het mantra beoogt. Immers, wanneer je als (lid van een) gezin met meerdere hulpverleners van verschillende organisaties te maken hebt, heb je vervolgens even zovele plannen.

“De huidige stand van zaken bij onze opdracht om de hulp aan kinderen en ouders te organiseren is – zoals de Gideonsgemeenten dit in januari 2006 in hun pamflet ‘Opvoed- en opgroeiondersteuning als lokale basisvoorziening’ beschreven – te vergelijken met een opdracht die meerdere financiers verstrekken aan een aantal bouwondernemingen om een huis neer te zetten. Een goede tekening ontbreekt en er is ook geen duidelijke hoofdaannemer. De sanitairspecialist, de elektricien, de metselaars, de timmerlieden, de dakdekkers willen allen graag hun deel bijdragen. Allen zijn zeer gemotiveerd, maar niemand weet waar gezamenlijk aan gewerkt moet worden en waar de regie zit.”

De oorzaak hiervan is een veelkoppig monster dat zich kenmerkt door:
1. Systeemoriëntatie: waarbij de ondersteuning of zorg wordt gebouwd rondom de verschillende wettelijke kaders – elk met hun eigen aanbod, regels en financiering en met bijbehorende perverse prikkels.
2. Probleemoriëntatie: waarbij niet het perspectief van het individu en/of zijn omgeving centraal staat, maar het probleem. Vaak is er daardoor eerder sprake van symptoombestrijding dan van eliminatie van de oorzaak, de bron van het probleem.
3. Beroepsoriëntatie: waarbij niet de vraag van het individu in zijn omgeving centraal staat, maar de professie van de beroepskracht of zijn organisatie.
4. Aanbodoriëntatie: waarbij de vraag/ het probleem wordt vertaald naar het bestaande (professionele) aanbod in plaats van op de specifieke (on-)mogelijkheden van het individu in zijn omgeving aansluitend maatwerk.

Met de transitie gaat de gemeente regie voeren over alle voor kinderen en gezinnen relevante levensterreinen. Dat maakt het mogelijk om beleid vanuit een brede scope te maken en uit te voeren. Niet alleen met het doel om ondersteuning te organiseren in het dagelijks leven, maar ook om voor de kleine doelgroep voor wie dat nodig is een breed palet aan drang en dwangmaatregelen op een samenhangende manier in te zetten.

De 1- benadering vraagt daarbij het lef om voornoemde oriëntaties los te laten. In ieder geval als wij écht willen denken en doen vanuit het individu in zijn context. Dan moeten wij loskomen van de stelsels, organisaties en de daarop gebaseerde (huidige) toedeling van taken en functies. Het 1-mantra vraagt immers om een benadering van de opdracht, vertrekkend vanuit het individu in zijn omgeving die ondersteuning of zorg behoeft.

Dit uitgangspunt heeft ingrijpende consequenties voor betrokken hulp- en dienstverleners. Van hen wordt verwacht dat zij verder kijken dan hun eigen, specifieke opdracht en oog hebben voor welke andersoortige inzet in dit systeem ook nog nodig of mogelijk is.

Het toekomstige stelsel gaat er ook vanuit dat er altijd één regisseur aanspreekbaar is, die er – met het gezin – op let dat vraag en aanpak niet verbrokkeld wordt aan- en opgepakt. Kortom, dat de inzet van verschillende partijen op elkaar afgestemd is en dat deze tot de gewenste verandering resp. het gewenste resultaat leidt. Daarbij worden verschillende vormen van regievoering (zorgcoördinatie, casemanagement, regie, drang en dwang) benoemd. En daar begint het te knellen! Want, bij welke regie voerende partij ligt dan het hoofdaannemerschap?

In mijn zoektocht naar een antwoord daarop – ik weet het uiteindelijke antwoord ook (nog) niet – viel in een gesprek dat ik daarover voerde de vergelijking met een/het computersysteem. Wanneer dit dreigt vast te lopen dan wel vastgelopen is – door overvraging, teveel verschillende dan wel conflicterende opdrachten of programma’s of een ongewenste indringer of invloed (lees: virus), dan kunnen wij het systeem resetten. Simpelweg door, buiten alle gebruikelijke protocollen en procedures om een ‘reset-knop’ (ctrl/alt/delete) te gebruiken.

Overvraging of bedreiging van het systeem kunnen wij zelf opsporen, door zelf alert te zijn of een virusscanner in te zetten. En wanneer daartoe aanleiding bestaat kunnen wij het systeem vervolgens opdracht geven tot systeemonderhoud of schijfopruiming. Virussen kunnen wij in quarantaine zetten (totdat een oplossing is gevonden) of laten deleten (uit het systeem verwijderen). Tenzij natuurlijk het systeem onherstelbaar beschadigd of geïnfecteerd is en tijdelijke of definitieve vervanging nodig is.

Het resetten van het systeem is een tijdelijke en – in de regel – kortdurende interventie. Bedoeld om het systeem te ontdoen van ongewenste invloeden dan wel indringers. En, om het oorspronkelijke systeem – zo snel als verantwoord mogelijk is – weer zelfstandig te laten functioneren.

In het licht van het voorgaande beschouw, kunnen wij het Advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling (AMHK) zien als een virusprogramma: programmatuur die verdacht gedrag onderzoekt en identificeert en – bij identificatie – ongewenste invloeden of indringers tegenhoudt of verwijderd. De Raad voor de Kinderbescherming kunnen wij zo beschouwen als een schoonmaakprogramma dat – op basis van de analyse –adviseert over de beste ingreep: schijfopruiming of verwijdering van ongewenste programmaonderdelen of programmatuur. De Kinderrechter is vervolgens de internetwaakhond die met drang of dwang kan ingrijpen, wanneer gebruikers van het systeem zich (dreigen te) misdragen. De door hem te benoemen systeembeheerder (de jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder) draagt zorg voor de bewaking van de kwaliteit van het systeem, de noodzakelijke back-ups, het installeren en instellen van updates, het toevoegen/wijzigen of verwijderen van gebruikersinformatie, de beveiliging van het netwerk en het documenteren van de werking van het systeem. Gemelde problemen onderzoekt en lost hij op. Hij garandeert dus dat de noodzakelijke services actief zijn. Zijn rol is het (weer) beheersbaar maken van een samengestelde omgeving met diensten van verschillende leveranciers.

Wanneer wij zo beschouwd de rol van drang en dwang terugplaatsen in het toekomstige stelsel van de zorg voor jeugd en gezin, vloeit hieruit m.i. voort dat deze primair gericht is op een kortdurende overname van het systeem, en daarmee de regie. Maar altijd met de opdracht de regie zo snel als mogelijk weer terug te geven aan de oorspronkelijke gebruikers. Tenzij natuurlijk het systeem onherstelbaar beschadigd of geïnfecteerd is. In dat geval is wellicht tijdelijke of definitieve vervanging (personeelswisseling, huisverbod, uithuisplaatsing of pleegzorg bijvoorbeeld) nodig.

Is dit hét (digitale) antwoord op de vraag hoe en waar drang en dwang in het toekomstige stelsel te positioneren? Ik twijfel nog. In de wetenschap dat twijfel de waakhond van inzicht is.

Galerij

Het is vaak wat we al weten dat ons tegenhoudt om te leren

De omvorming van het sociaal domein vraagt om een (noodzakelijke) vaardigheid die veel ouders en opvoeders – al dan niet met vallen en opstaan – al heel snel leren: de kunst van het loslaten.

Het is een algemene opvatting dat je je kind opvoedt om een onafhankelijk persoon te worden, die zelfstandig in de wereld kan staan. Maar, hoe en wanneer begin je je kind los te laten? Hem stukje bij beetje de verantwoordelijkheid te geven voor zijn eigen leven? Het in de praktijk brengen is lastig: Vaak gaat het sneller en gemakkelijker om iets voor je kind te doen. Veters strikken, boterham smeren, tanden poetsen: als je dit je kind laat doen, duurt het veel te lang voor je gevoel. Gemakzucht en ongeduld nemen het dan vaak over. En de worstelingen en mislukkingen van je kind ervaar je niet zelden ook een beetje als je eigen mislukkingen. En ja, het is lastig om iemand die zo dicht bij je staat, te laten worstelen en fouten te zien maken. Zeker als je weet dat een paar wijze woorden van jou je kind veel teleurstelling, frustratie of pijn kunnen besparen. Bovendien: het voelt heel fijn om voor je kinderen te zorgen. Om te weten dat ze je nodig hebben. Als je merkt dat je kind je niet meer nodig heeft, dan is dat niet leuk.

Vrijwel alle ouders worstelen met die tegenstrijdige gevoelens van het ouderschap. Je bent trots op je kind omdat hij steeds groter en zelfstandiger wordt. Maar tegelijkertijd doet het ook en beetje pijn dat hij je niet meer nodig heeft. Een kind dat zelfstandig wordt, laat een soort leegte achter. Jouw rol als ouder wordt anders.

Loslaten, wie kan het echt? “Je moet het loslaten” is gemakkelijk en gauw gezegd. Maar niet zo makkelijk en gauw gedaan. Loslaten betekent echter niet: laten vallen. Het is meer dat je de dingen van een andere kant bekijkt. Wat kan helpen zodat het gaat zoals wij willen. Zijn er nog andere mogelijkheden of manieren waarop iets wat wij willen ook daadwerkelijk kan? Zo beschouwd is opvoeden eigenlijk een voortdurend proces van innovatie, verandering en verschuivende verhoudingen.

Over innovatie, verandering en verschuivende veranderingen bestaan vele theorieën. De meeste bouwen voort op de drie fases van Lewin’s veranderingsmodel (Cumming & Worley, 2001). Lewin ziet verandering als een herschikking van krachten binnen een systeem. Ook bij de transformatie (lees: omvorming) van het sociaal domein zien wij de zoektocht naar de herordening van krachten. Aan de ene kant zien wij een kracht die de status quo probeert te behouden en andere kant een kracht die een verandering probeert door te voeren. Wanneer beide krachten gelijkwaardig zijn, spreekt Lewin van een zogenaamd stationair evenwicht.

De door de Rijksoverheid afgekondigde – en door de gemeentelijke overheden met graagte aanvaarde – decentralisatieoperaties zorgden in de afgelopen periode voor een stevige ontdooiing van de bestaande situatie. Een nieuwe ordening van het veld van krachten moet een daarmee beoogt nieuw evenwicht ondersteunen. Bouwstenen daarvoor zijn een daarop afgestemde cultuur, normen, beleid en structuur.

Bij de beweging die uit de beoogde transformatie is ontstaan, hoort ook de huidige fase van instabiliteit en onvoorspelbaarheid. Dat brengt ook tegenkrachten met zich. De onzekerheid over de nieuwe ontwikkelingen en verhoudingen brengen de neiging met zich, dat betrokken partijen terugvallen op dan wel angstvallig vasthouden aan het oude. Deze ‘tegenkrachten’ kunnen resulteren in weerstand tegen verandering (Cozijnsen & Vrakking, 2003). Om die reden is dit onderwerp een belangrijk aandachtspunt bij het lopende proces van overdracht (transitie) en omvorming (transformatie).

Want waar bij de omvorming van het sociaal domein het gebruik en de versterking van de eigen kracht van individuen en hun omgeving (empowerment) – door het verwerven van controle, het aanscherpen van het kritisch bewustzijn en het stimuleren van participatie – centraal staat, zien de bestaande instituties dit als een aantasting (van de continuïteit) daarvan.

Deze tegenkrachten cultiveren wat graag incidenten, blunders en schandalen om risicomijdend gedrag uit te lokken. Terwijl het succes van de omvorming (innovatie) van het sociaal domein – en de verhoudingen daarbinnen – wordt bepaald door de mate waarin mensen en organisaties bereid zijn om risico’s te nemen. De precieze resultaten van de omvorming zijn immers niet goed te voorspellen. En, hoewel de roep om omvorming luid is, is de bereidheid tot risico’s nemen en deze ook te aanvaarden omgekeerd evenredig. Niet zelden met als bron de angst om achteraf verantwoordelijk gehouden te worden voor beslissingen die anders uitpakken dan ingeschat.

De omvorming van het sociaal domein vraagt om andere oplossingen en inzichten. Net zoals de ontwikkeling en groei van onze kinderen dat vraagt. Daarvoor moeten we gebaande paden verlaten en nieuwe verbindingen durven leggen! De eerste stap daartoe is uitgedaagd willen worden op een andere manier te kijken naar het vraagstuk of de uitdaging waarvoor wij staan. Om vervolgens kansen te zien en hiermee zelf en met anderen aan de slag te gaan. Want: nieuwe ideeën creëren weer nieuwe inzichten en daarmee nieuwe vensters. Dat we daarbij zoeken naar het bekende, naar dat wat vertrouwd voelt, is niet meer dan logisch. Wij mensen houden van dingen die bekend en vertrouwd voelen. En toch is het een gemiste kans wanneer we juist daardoor niet een meer willen of durven veranderen. Kritiek is makkelijker dan creatie. Bestuurders, stuurlui (aan de wal) en professionals die de mond vol hebben over standaards en best practises komen het innovatievermogen van de sociale gemeenschap niet ten goede. Die innovatie is juist gediend met lokale variëteit en experimenteerruimte. Het succes van sociale innovatie schuilt daarom niet in het mijden van risico’s, maar in het durven (onder)kennen, aanspreken en gebruik maken daarvan bij het creëren van spannende, kansrijke innovaties, veranderingen en verschuivende verhoudingen.

De belangrijkste manier om daarbij de ogenschijnlijke dan wel reële tegenstellingen te overbruggen is juist het bij elkaar brengen daarvan. Dat kan, door van uitsluitend (òf- òf denken) naar inclusief (èn-èn) denken over te schakelen. Het vergt – net als bij het opvoeden – de kunst van het loslaten; zonder te laten vallen. Het vraagt – over en weer – inlevingsvermogen: ‘Hoe zou jij dat vinden?’ Barack Obama’s verhaalde daar eens bijzonder treffend over: “Mijn moeder had een afkeer van elke vorm van wreedheid of onnadenkendheid of machtsmisbruik. Of die zich nu uitte in racistische vooroordelen of in pesten op het schoolplein, of in onderbetaling van arbeiders. Als ze bij mij ook maar een zweem van zulk gedrag zag, keek ze mij recht in de ogen en vroeg: ‘Hoe zou jij dat vinden?’

De basis voor loslaten – zonder te laten vallen – is: door de ogen van een ander naar een situatie te kijken, mee te voelen en mee te denken. Jezelf zo kunnen en durven verplaatsen in een ander is voor de omvorming van het sociaal domein dé sleutel tot succes.

Galerij

Succes vraagt een moedig besluit!

• Alleen de overheid kan uitstekend papier met uitstekende inkt bedrukken en de combinatie waardeloos maken.
(Milton Friedman, Amerikaans econoom 1912-2006)

Het kabinet heeft besloten 15 bestaande wetten – zoals de Waterwet, de Crisis- en herstelwet en de Wet ruimtelijke ordening – te integreren in de nieuwe Omgevingswet. Verbouwen wordt zo – door het bundelen van wetgeving – voor burgers en bedrijven makkelijker. Van ongeveer 25 andere wetten gaan de onderdelen over omgevingsrecht eveneens naar de nieuwe wet. Volgens minister-president Rutte scheelt dit enorm in regeldruk. En gelijk heeft hij.

Toen ik de ronkende teksten over de Omgevingswet hoorde moest ik direct terugdenken aan het pleidooi dat eerst de MOgroep, en vervolgens de VNG vorig jaar oktober hield voor één regeling voor het Sociale Domein.

VNG en MOgroep gingen destijds met hun oproep voor slimmer en beter samenwerken op lokaal niveau, ontkokering en minder bureaucratie. Zij steunden daarmee ook de beweging om taken op het gebied van werk, zorg en jeugd (het sociale domein) over te brengen naar gemeenten. Maar, zo stelden zij, daarvoor was wel meer samenhang in wetten, regels en geldstromen noodzakelijk. Geen verkokerde wetsvoorstellen dus, maar meer samenwerking op basis van partnerschap en vertrouwen in elkaars capaciteiten. Een samenhangende benadering van (de decentralisaties in) het sociale domein hoorde daarbij.

Die stellingname en het warme pleidooi ten spijt, bleek de boodschap in Den Haag tegen politieke dovemans oren gesproken. Want, zo luidde de boodschap, er waren op dat moment forse verschillen in de uitgangspunten, inhoud en aanpak van de geplande decentralisaties. Hierdoor zou het daadwerkelijk (tijdig) bereiken van de beoogde resultaten (lees in het bijzonder: de ingeboekte doelmatigheidswinst) in het gedrang komen. Bovendien zou dit de daaraan ten grondslag liggende zorgvuldige(!) planning in het gedrang brengen.

Inmiddels zijn wij negen maanden verder en een sociaal- en zorgakkoord rijker. En weten wij wat die zorgvuldige planning rond de Wet werken naar vermogen (nu: Participatiewet) en de overheveling van belangrijke taken uit de AWBZ naar de Wmo waard was. De invoering van de – oorspronkelijk opeenvolgende – wetten staat nu (gebundeld, maar wel apart) geprogrammeerd voor 1 januari 2015.

Om dat laatste mogelijk te maken, ligt er thans een uitwerking van de Participatiewet op hoofdlijnen, beschikt de Tweede Kamer der Staten Generaal over een concept Jeugdwet en verscheen er inmiddels een concept voor de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015.

De huidige plannen tot decentralisatie gaan dus nog steeds uit van de oorspronkelijke idee: verkokerde wetten, regelgeving, organisaties en geldstromen. Terwijl de omvorming (verbouwing) van het sociaal domein door gemeenten zoveel makkelijker zou kunnen wanneer er sprake zou zijn van één regeling (wet).

Daarom hoop ik dat de nu van hun reces genietende Kamerleden uitgeslapen terugkomen van hun vakanties. En zich tijdens die vakantie realiseren dat zij in dit najaar een unieke kans hebben om naast één wettelijk kader voor de ruimtelijke omgeving ook één wettelijk kader te realiseren voor de sociale omgeving. Nu de verschillende wetten in concept gereed zijn, is dit hét moment om ze in elkaar te schuiven. Het basisgedachtengoed is immers identiek!

Het bundelen van de afzonderlijke wetten in één wet voor het sociaal domein scheelt heel veel bestuurlijke Haagse drukte. Het biedt mogelijkheden tot beperking en stroomlijning van toezicht en regelgeving. Maar ook tot ontschotting van financieringsstromen. Maar bovenal: het maakt het burgers en gemeenten zoveel makkelijker om – aansluitend op de eigen mogelijkheden – vorm te geven aan een vitale samenleving met actief participerende burgers en zo te komen tot het beteugelen van kosten zowel als bureaucratie.

Het komende najaar wordt dus spannend. Wordt het juichen of huilen? Ik heb hoop. Net zoals de onverwachte wielerprestaties van Bouke Mollema en Laurens ten Damme de door dopingschandalen bezoedelde wielersport weer voorzien van nieuwe glans. Het door het Kabinet Rutte met de Omgevingswet verworven inzicht biedt nieuwe hoop op betere en verstandiger tijden.

Desondanks acht ik het verstandig, wanneer VNG en MOgroep, samen met hen die beider ambities destijds deelden dan wel omarmden (en ik behoor daartoe) – deze zomer en het vroege najaar gebruiken om bij hun landelijke partijbroeders en –zusters aan de bel te gaan trekken. Hen uitbundig zullen wijzen op de noodzaak gemeenten het juiste instrumentarium in handen te geven om activerend en innoverend te kunnen zijn. Het samen met inwoners en maatschappelijke instellingen kunnen ontwikkelen van nieuwe aanpakken vraagt om daarop afgestemd vertrouwen. En om ruimte.

En in de richting van de Kamerleden en Senatoren zeg ik: “Soms volstaat het om van visie te veranderen om van een vervelende taak een interessante kans te maken.” Aan hen adresseer ik de oproep om deze unieke kans nύ te verzilveren. Verlos ons (lees: inwoners en gemeenten) van het huidige moeras aan financieringsstromen en geef daarmee de ruimte die nodig is voor het formuleren van een passend antwoord op lokaal urgente sociale vraagstukken. Alleen zo kan er een aanpak ontwikkeld worden die én effectief én financieel duurzaam is. Kies dus voor een kort en intensief traject om met een concreet voorstel naast de ruimtelijke omgeving ook de sociale omgeving van één wettelijk kader te voorzien. Maak, dat Groucho Marx ongelijk had, toe hij stelde dat “Politiek de kunst is van het zoeken naar problemen, ze overal te vinden, vervolgens een verkeerde diagnose te stellen en tenslotte de onjuiste maatregelen te treffen.” Creëer met een moedig besluit voor gemeenten en hun inwoners de basis voor het succesvol omvormen van het sociaal domein.

Galerij

Als het goed is, kan het beter!

• We hebben misschien onze eigen meningen, maar waarom zouden die in de weg staan om elkaar van hart tot hart te ontmoeten? – Mohandas Gandhi

In mijn vorige blog, “Goed zijn is streven naar het goede” hield ik een pleidooi voor minder digitaliteit in het beoordelen van de professionals die werken in de jeugdzorg. Naast de nodige positieve reacties kreeg ik ook een aantal kritische reacties. En waar de positieve reacties ook nuance aanbrachten, was de teneur van de negatieve reacties overwegend: ‘hoe kun je zo naïef zijn.’ Het mag toeval zijn, maar juist na het ontvangen van zo’n reactie hoorde ik in Studio Sportzomer een uitspraak die ik in dit verband graag quote: “Ik blijf liever naïef, totdat het tegendeel onomstotelijk is bewezen.” En daarin slaagden de criticasters geenszins.

De stijl waarin dat gebeurde was – zeer tot mijn spijt – op zijn vriendelijkst gezegd ongenuanceerd. Ik reageer – als ik reageer – naar iedereen beleefd, ook al zijn ze onbeschoft tegen mij. Niet, omdat zij aardig zijn, maar omdat ik dat wel ben. De wijzen begrijpen de door mij beoogde inzet.

En ja, achteraf gezien realiseer ik mij zeer wel dat de titel van mijn vorige blog (“Goed zijn, is streven naar het goede”) misschien ook wel iets te kort door de bocht geformuleerd was. Of, zoals een van de reacties luidde: een inspanning op zich mag toch geen rechtvaardiging zijn voor iets wat niet goed is? En ook dat is waar. Waar ik echter op wil wijzen is, dat als je 90% van je aandacht richt op de 10% die niet goed gaat, je na verloop van tijd gaat denken dat 90% niet goed gaat. En daarmee doen wij dat wat goed gaat – en de mensen die dat mogelijk maken – ernstig tekort.

De titel van deze blog is mede daarom zo geformuleerd. Er gaat in de zorg voor jeugd en gezin veel goed. Maar dat is geen reden om tevreden achterover te leunen. Integendeel. Er blijft noodzaak tot verbetering. Zoals ook blijkt uit een recentelijk onderzoek onder 200 Friese gezinnen. Het werd, op verzoek van Zorg voor Jeugd Fryslân, uitgevoerd door een twintigtal studenten van de SPH-opleiding van de Steenden Hogeschool te Leeuwarden. De belangrijkste conclusie? Het imago van de jeugdzorg is ronduit slecht. En omdat een goed imago te voet komt, maar te paard gaat, ligt daar een stevige opgave.

Uit het onderzoek kwam ook naar voren dat de term ‘jeugdzorg’ zelf al een enorm beladen woord is. En al gauw vereenzelvigd wordt met (de dreiging van) uithuisplaatsing. Dit beeld wordt ook versterkt als je – met ‘jeugdzorg’ als trefwoord – op het internet googeld. Als je vervolgens op ‘afbeeldingen’ klikt, zie je als eerste een afbeelding van een boze meneer die een kind uit handen van de moeder rukt…

Die negatieve beeldvorming vindt zijn oorzaak mede in de twijfel die ouders hebben bij de deskundigheid van professionele hulpverleners. Op dat punt krijgen leerkrachten en huisartsen een aanmerkelijk hogere waardering. Waarbij ouders aangeven dat zij het op prijs stellen als pedagogische ondersteuning meer verbonden zou zijn met die, meer vanzelfsprekende aanlooppunten: de school, de kinderopvang en de huisartsenpost.

De twijfel over dan wel aan de deskundigheid van de hulpverlener, vindt volgens de ouders zijn oorzaak onder meer in onvoldoende praktische levenservaring van de – in hun ogen vaak jonge – professionals. “Teveel boekenwijsheid” zo duidden zij hun twijfels. Voor ouders en jeugdigen bepalen algemene hulpverleningsprincipes, zoals zorgen voor een goede kwaliteit van de relatie kind/gezin – hulpverlener en het op een gestructureerde manier werken, in hoge mate de effecten van de hulp. Een consequentie daarvan is dat de noodzakelijke verbetering van de zorg in de praktijk vooral moet komen van:
1. het door professionals investeren in het vestigen van een goede relatie met de op hun ondersteuning aangewezen ouders en kinderen;
2. aansluiten bij de motivatie en mogelijkheden van ouders en kinderen;
3. een goede structurering van de interventie (duidelijke doelstelling, planning en fasering);
4. een goede ‘fit’ van de aanpak met het probleem en de hulpvraag;
5. uitvoering van de interventie zoals deze uitgevoerd hoort te worden.

Kortom, zo is de boodschap, investeer voortdurend in de professionaliteit (goede opleiding en training) van de jeugdzorgwerkers. De inzet van meer ervaren (lees ook: oudere) professionals – in de vorm van een meester/gezel verhouding aan de voorkant kan daarbij volgens diezelfde ouders een grote dienst bewijzen.

Een volgend punt van aandacht is de neiging tot problematisering. Ouders, en ook jeugdigen, ervaren opvoeden soms als lastig. Die zoektocht of verwarring en niet-weten moet niet geproblematiseerd worden, alsof er iets behandeld of opgelost moet. Beter is het om aandacht te hebben voor het authentieke verlangen naar normaliseren dat uit hun zoeken spreekt. Het gaat er om samen met ouders en kinderen bij te houden of zij tevreden zijn, of er voldoende aan de doelen is gewerkt en of er vooruitgang zit in de te leren vaardigheden of de afname van de ervaren last. Op elk van deze elementen zijn verbeteringen niet alleen mogelijk, maar ook geboden.

Ook persoonlijke kenmerken van de hulpverlener zijn daarbij van belang: flexibel, eerlijk, ervaren, respectvol, betrouwbaar, zeker, geïnteresseerd, alert, vriendelijk, warm en open. Ouders zoeken en verwachten steun en vragen begrip. De beste manier om hen te begrijpen, is naar ze te luisteren. Kom niet binnen met een panklare oplossing, maar begin bij het begin. De volgende vraag is dan: wat willen we bereiken? Wat zijn de mogelijkheden en wat gaan we er samen voor doen.
Voor de professionele werkers geldt daarbij een welgemeend: Je bent niet gek als je eens iets geks doet, wel als je het zelf niet in de gaten hebt. Mensen die alleen binnen gebaande paden kunnen denken, behalen nooit uitmuntende resultaten. Geef toe als je ongelijk hebt, het is het bewijs dat je leert. Net zoals ouders en jeugdigen dag in dag uit leren elkaar beter te verstaan. Iets laten gaan getuigd van een grotere kracht dan er kosten wat het kost aan vasthouden. En, heel belangrijk: Denk niet voor de ander, maar als de ander. Stel je bij tijd en wijle eens even voor wat het voor jou zou betekenen, als jijzelf aan de andere kant van de tafel zou zitten. Als het over jouw eigen kind zou gaan. Zou je dan hetzelfde willen of doen? Te ver gaan is even slecht als tekort schieten. Luister goed naar wat er wordt gezegd; luister beter naar wat er niet wordt gezegd. En als je het even niet (meer) weet, deel dat dan met je gesprekspartners. Behandel hen alsof ze zijn wat ze zouden willen zijn, dan help je ze te worden wat ze zouden kunnen zijn.

Ouders willen – net zo goed als professionele werkers in de zorg voor jeugd overigens – per definitie het beste voor hun kinderen. Laat dat de basisregel zijn. En soms lukt dat (hen) niet. Het daarbij behorende gevoel van falen en schaamte (dit bleek in het hiervoor aangehaalde onderzoek voor ouders en jeugdigen de grootste drempel ) kan mensen immens onmachtig maken. Met alle schadelijke gevolgen van dien. Juist daarom ook worden van de werkers voor jeugd en gezin topprestaties verwacht. Dat vraagt gedreven professionals die dit gedachtegoed niet alleen een warm hart toe dragen, maar ook beschikken over het fingerspitzengefühl om dit in praktijk te brengen.

Afsluitend – en daarmee kom ik ook terug bij de boodschap in mijn vorige blog – wil ik ouders, jeugdigen en professionele werkers voorhouden: niemand is perfect. Het kan altijd beter. Net zo goed als dat ik mijn tekortkomingen heb. Maar, niemand zal ooit beweren dat hij een slecht mens is. Vanuit deze grondhouding van goed-zijn opereert ieder mens. Het mag echter nooit een excuus zijn om de zoektocht naar ‘beter’ maar te beëindigen. Juist daarom is het goed het gesprek met elkaar gaande te houden. Een gesprek dat vooral ten doel heeft om vraagstukken te identificeren die dicht bij het dagelijks leven van ouders en jeugdigen liggen. En bij de werkpraktijk van de professionals. Nieuwsgierigheid naar elkaars motieven is de eerste stap naar een antwoord en oplossing voor de kloof die er onmiskenbaar is. Wanneer wij daarover geen bruggen weten te slaan, zal die kloof blijven bestaan en wellicht zelfs groter worden.

Galerij

Goed zijn is streven naar het goede

• Wie nooit gevallen is, heeft geen juist besef van wat er nodig is om vast te staan (Multatuli).

“Jeugdzorg liet veel steken vallen”, “Jeugdzorg/ amk blundert door onzorgvuldig handelen”, “Jeugdzorg in de fout”. Zomaar een aantal krantenkoppen over de jeugdzorg. Het mediabeeld van de jeugdzorg is niet best. Het wordt bovendien gedomineerd door incidenten. Uitvoerende instanties komen daarbij snel onder vuur en vergrootglas te liggen. Denk aan de afschuwelijke incidenten rond het meisje van Nulde (2001), Savanna (2004) of de brand te Roermond (2002). Bij al deze gezinnen was jeugdzorg betrokken en vormden de gezinsdrama’s aanleiding voor politiek debat en Kamervragen. De zorgen over het functioneren van de jeugdzorg zijn momenteel aanleiding om het stelsel van de jeugdzorg ingrijpend te gaan veranderen.

De vraag is, of al deze kritiek terecht is. Uitzonderingen daargelaten, ben ik van mening dat wij uitvoerende jeugdzorgwerkers te kort doen. Bij die kritiek is er naar mijn mening te weinig aandacht en oog voor de niet zelden onvoorstelbare dilemma’s waarvoor uitvoerende werkers bij het maken van keuzes worden gesteld. Het collectieve gevoel van onmacht, schuld of schaamte vertalen wij graag digitaal: is er iemand die de schuld kan krijgen?

Het voorkomen of beperken van schade aan kinderen is de basis voor het handelen van elke jeugdzorgwerker. Dat geldt voor gezinsvoogden, jeugdbeschermers, pleegouderbegeleider, kinderpsychiaters enz. Maar het voorkomen of beperken van schade is niet af te doen met digitale afwegingen.

Zo is er deze weken (weer!) volop discussie over mazelenvaccinatie. Deze ziekte breidt zich in ons land uit en maar beperkt zich voornamelijk tot de regio waar streng gereformeerde mensen weigeren zichzelf of hun kinderen te laten inenten. Tegen welke ziekte dan ook. Hun voornaamste overweging is dat hun lichaam hen door God te leen is gegeven en dat zij daaraan niets mogen veranderen. Ze moeten het lichaam wel goed onderhouden, maar moeten het accepteren zoals het hen is gegeven. De voor de Volksgezondheid verantwoordelijke minister, Edith Schippers vindt niet inenten tegen mazelen ‘onverantwoord’. Zij roept ouders die hun kinderen niet laten inenten tegen de mazelen op, daar nog eens goed over na te denken. Maar ze voelt niets voor verplicht vaccineren (lees: ingrijpen): ”We leven in een vrij land en ouders kunnen dit doen bij de gratie van andere ouders die wel laten inenten.” En de (vele) discussies ten spijt: niemand die er aan denkt haar te kapittelen.

Mogen mensen die vinden dat zij zich niet te weer mogen stellen tegen besmettelijke ziektes met hun mening anderen – in het bijzonder hun en andermans kinderen – in gevaar brengen? Want hoewel de mazelen een kinderziekte is, kan de ziekte wel degelijk gevaarlijk en zelfs dodelijk zijn en kost ze de gemeenschap handenvol geld. Een moreel dilemma!

Hoe vaak denkt u, krijgen werkers in de jeugdzorg dat argument niet van ouders dan wel jeugdogen voor de voeten geworpen: ”We leven in een vrij land en als ouder bepaal ik zelf wel wat goed of fout is voor mijn kinderen.” En dan heb ik het nog niet over (v)echtscheidingen waarbij beide ouders met exact hetzelfde argument opkomen voor dat wat volgens hen het beste is voor hun (zijn/haar) kind. En dan wordt van jou, als jeugdzorgwerker, gevraagd om een keuze te maken. Een duivels dilemma!

Het dilemma: hieronder versta ik de onzekerheid over de vraag welke beslissing genomen moet worden in een situatie waarin verschillende belangen tegenover elkaar staan en die belangen en principes even zwaar tellen.

Is het bijvoorbeeld – vanuit het perspectief van de jeugdzorgwerker, die als opdracht heeft “de ondersteuning van en hulp aan jeugdigen en hun ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen van geestelijke, sociale of pedagogische aard die de ontwikkeling naar volwassenheid belemmeren” – verantwoord dat ouders zelf de keuze voor niet vaccineren maken, of moet hij – om het risico op eventuele schade te voorkomen – besluiten in te grijpen?

De dagelijkse praktijk leert dat het niet altijd eenvoudig is om vast te stellen of kinderen schade ondervinden in een gezin en of ingrijpen moreel en juridisch te rechtvaardigen is. De professional loopt het gevaar óf te vroeg óf te laat in te grijpen. Er moeten niet zelden keuzes gemaakt worden waarbij meerdere belangen en personen een rol spelen. Het afwegen is niet eenvoudig, want resultaten zijn niet met zekerheid vast te stellen; gedragsregels kunnen met elkaar in conflict komen; gezinssituaties zijn complex en interventies hebben vaak zowel positieve als negatieve opvoedperspectieven.

Daarom houd ik al die stuurlui – en de beste staan altijd aan de wal – graag en met enige regelmaat voor: “De opvoeding is het moeilijkste vraagstuk dat de mens is voorgelegd. Dat het dus wel eens fout gaat, mag niet verwonderen. Jeugdzorg is daarvan niet de oorzaak, maar het gevolg!”

De jeugdzorg staat onder grote maatschappelijke druk door de aandacht voor gezinsdrama’s en de roep om krachtiger op te treden in de privésfeer. Professionals hebben daarbij of het gevoel van op eieren te moeten lopen of opgejaagd te worden. Ze voelen zich onder druk gezet door de negatieve beeldvorming van de jeugdzorg, de grote aandacht voor gezinsdrama’s en het gebrek aan tijd. Maar, als je achter de voordeur wilt kijken moet je stevig in je schoenen staan. En mandaat hebben. In het debat over de stelselwijziging vraagt dit vooral interesse en oog voor de soms Gordiaanse knoop waarvoor wij onze jeugdzorgwerkers stellen. Daaraan werken heeft – wat mij betreft – de grootste prioriteit voor het welslagen daarvan.

De transitie (overdracht) en transformatie (omvorming) van de jeugdzorg (en dit geldt wat mij betreft voor het bredere zorgterrein) biedt veel kansen. Er is echter ook een serieuze uitdaging: het dichten van de kloof tussen de leefwereld van mensen aan de ene kant en de doorgeschoten hang naar maakbaarheid, de sterke gerichtheid op het (kunnen) afrekenen en het denken denken in tegenstellingen. Het zijn allemaal valkuilen die vragen om een stevig gesprek. Een gesprek tussen inwoners, professionals, (lokale) media en bestuurders (gemeenteraadsleden, de vooruitgeschoven post van de inwoners). De inzet daarbij moet zijn het verkrijgen van gedeelde overeenstemming over (morele) uitgangspunten. Niet een beetje van dit en beetje van dat, maar aan een werkelijke integratie. Autonomie én verbondenheid, invloed uitoefenen én grenzen erkennen. En daarbij eerst kijken naar wat ons verbindt. Het is daarbij van het grootste belang die mensen niet aan hun kant van de kloof te laten staan, maar hen de hand te reiken om deze kloof over te steken. In het besef dat wie nooit gevallen is, geen juist besef heeft van wat er nodig is om vast te staan (Multatuli).