Galerij

Wat men moet leren doen, leert men door het te doen

Aristoteles, Grieks filosoof 384 v. C. – 322 v. C
• Wie slechts uit redelijke overwegingen wil handelen, veroordeelt zichzelf ertoe slechts zelden te handelen
Gustave le Bon, Frans socioloog en psycholoog 1841 – 1931

Handelingsverlegenheid. Het ligt lekker op de tong en een lekker bekkend label voor een hardnekkig fenomeen dat professionals in het sociaal domein met enige regelmaat wordt ingewreven: het blijven sleutelen aan systemen en werkwijzen in plaats van uit die systeemwereld te stappen en er op afgaan.

Handelingsverlegenheid. Ik proefde dat woord weer op mijn tong toen ik de afgelopen week deelnam aan een van de (vijf) regiobijeenkomsten van VNG en het Rijk over de transities in het sociaal domein.

De uitnodiging daarvoor was veelbelovend: “Klaar voor de transitie en transformatie van het sociaal domein op 1 januari 2015? Laat je inspireren in juni en juli 2013 op de regiobijeenkomsten Transities sociaal domein.” Zo kopte de uitnodiging. Met de focus op samenhang.

In een dagdeel zouden de deelnemers praktische handvatten en inspirerende voorbeelden van aanpakken voor een pragmatische en haalbare implementatie van de decentralisatie van de langdurige zorg, de nieuwe wet op de Jeugdzorg en de Participatiewet krijgen. Aanpakken die zouden kunnen helpen de dilemma’s in de voorbereiding op 2015 op te lossen. Het plenaire gedeelte – zo beloofde de vooraankondiging – zou het gesprek zijn over de samenhangende stappen op weg naar 1 januari 2015. Vanuit het besef dat dit betekent dat er nog dit jaar belangrijke stappen gezet moeten worden. Bovendien zou er informatie verschaft worden over de ondersteuning die daarbij van het Rijk kon worden verwacht.

Mijn verwachting – en van velen met mij (ook die een van de andere bijeenkomsten bijwoonden), zo heb ik inmiddels begrepen – mondde uit in een teleurstelling.

Het eerste uur was niets meer of minder dan een rondje ‘open deuren’. Platgetreden paden en nietszeggende filmpjes van – volgens de dagvoorzitter – een unicum: dapper samenwerkende bewindslieden van drie ministeries. Die er – ondanks het pleidooi tot samenwerking – kennelijk zelf niet in slaagden om één van hen namens hen drieën te laten spreken (scoringsdrift). Zij kwamen niet verder dan een obligaat welkom en de verrassende (?) constatering dat we voor een grote opgave staan.

Het vervolg werd gevonden in een goedbedoelde, maar volstrekt het doel voorbij schietende act van twee heren die in hun tweespraak vooral de twijfels benoemden: is de burger wel bereid dan wel in staat tot de noodzakelijke cultuurverandering, is er wel voldoende kennis, etc. En ook de (ene) workshop die ik bezocht (nieuwe arrangementen) eindigde daar, waar hij had moeten beginnen. Eigenlijk was de centrale boodschap: wij (lees: Den Haag) weten het eigenlijk ook niet. Handelingsverlegenheid ten top, toegedekt met een stapeling van goedbedoelde edoch misplaatste bemoeizucht. Tijd en middelen worden vooral besteed aan dossiergestuurde afstemming en mensen die op afstand en een bevoogdende manier bedenken en vertellen wat goed is. De kern van die onmacht – met handelingsverlegenheid als gevolg – is de afstand tussen de systeemwereld en de leef- en werkwereld van burgers en professionals.

Terugkijkend moet ik – node – vaststellen dat het hele transitieproces in toenemende mate gekenmerkt lijkt door handelingsverlegenheid. Overheidshandelen dat bol staat van aarzeling. De angst verantwoordelijk gesteld te worden voor ongewenste gevolgen en zorg over aansprakelijkheid of eigen veiligheid lijkt te regeren. Begrijpelijke, maar niet zelden oneigenlijke factoren die maken dat er niet wordt doorgepakt. Handelingsverlegenheid, waarover wij wat graag de mensen op de werkvloer aanspreken, is – zo realiseerde ik mij – eerst en vooral het gevolg – en dus het probleem – van een niet consistente sturing.

Een operatie als de kanteling, de omvorming van het sociaal domein, vraagt een overheid die effectief deuren opent om samen aan de slag te (kunnen) gaan. Een overheid die, in het belang van de zaak, samenwerkt als partner. Dat vraagt naast een stevig en consistent beleid, aanmoediging en toerusting die ook bescherming biedt. En dus ook een overheid die niet over ‘de burger’ in derde persoon praat, maar weet dat zij de representant van de burger is (kijken door de ogen van!).

Het vraagt om een overheid die vertrouwen uitstraalt in de competenties van haar partners. Een overheid dus die niet gaat wankelen onder een procesdruk en belangenlobby die vervolgens kan worden omschreven als gestold wantrouwen. De uiterste consequentie daarvan is dat de lagere overheden en de gewone burger – contrair aan het bijspringen en meelopen op de eigen competenties daarvan – steeds sterker voorwerp worden van toezicht en controle (je kunt het wel zelf, maar je moet het wel zo en zo doen…). We mogen (durven) niet meer afwachten tot er ‘iets’ gebeurt. We moeten niet alleen de dreiging, maar ook het risico al bij voorbaat al uitsluiten (…). Terwijl elke opvoeder weet dat de kunst van het opvoeden nu juist is: (leren) loslaten.

Tot het gevraagde en benodigde vertrouwen behoort het geven van geruststelling en rugdekking. Niet alleen wanneer zich problemen voordoen, maar voortdurend. Mensen die hun nek uitsteken, moeten worden beschermt en ondersteunt. Een vorm daarvan is het ‘moreel beraad’, waarin ruimte is om kleine of grote dilemma’s te bespreken en gewetenskwesties aan de orde kunnen komen. In het bijzonder gaat het daarbij om:
• de uitdagingen waarmee de beroepsgroep de komende jaren te maken krijgt, waaronder het spanningsveld tussen ‘optimale veiligheid’ (in relatie tot allerlei professionele standaarden) en ‘zo gewoon mogelijk’.
• de vraag of gemeenten en de beroepsgroep die uitdagingen wel aankunnen, en wat daarvoor nodig is.

Niet de cultuurverandering zelf is het probleem, maar hoe we er mee omgaan. Het willen ontwijken van confrontatie, de angst om afgerekend te worden op fouten, het zich verschuilen achter anonieme systemen en het heilige geloof in betere systemen zijn brandstof voor handelingsverlegenheid. Energie en toerusting vind je in het geven van ruimte om fouten te kunnen maken, om bewust passende risico’s te nemen, om eigen verantwoordelijkheid te nemen. Het geven van experimenteerruimte is daarbij een erkenning van vakmanschap c.q. blijk van vertrouwen. Anders gezegd: maak de beoogde transformatie niet ondergeschikt aan de transitie, protocollen en procedures. Of instituties die vasthouden aan de eigen werkwijze en niet bereid zijn autonomie af te staan. Dat laatste zal vooral de complexiteit van de analyses, interventies, afstemming en verantwoording doen toenemen en de doortastendheid naar evenredigheid doen afnemen.

Galerij

Schril contrast

• Je leert het probleem pas kennen wanneer je begint met oplossen, is het devies (Erik Gerritsen).

“De schaar is een mes waar de bliksem in is geslagen. Een dolkmes met gespleten lemmet en geslepen greep, net zo dubbelhartig als de tong van de slang in het paradijs. Een tweesnijdend mes, waarvan de sneden van elkaar weg of naar elkaar toe opereren. Altijd in tegengestelde richting, draaiend om hetzelfde punt “
A.F. Th. van der Heijden – De slag om de Blauwbrug

Het sentiment rond de overdracht van de zorg voor jeugd aan gemeenten was deze week als het mes waarin de bliksem is geslagen.

Terwijl ik in verschillende bijeenkomsten werd getroffen door het grote enthousiasme van uitvoerende professionals en individuele organisaties over de aan de overdracht en omvorming verbonden kansen, verschenen tegelijkertijd alarmerende berichten van koepelorganisaties en vakbonden over juist de bedreigingen. Die dubbelhartige opstelling – en de daarbij gebruikte argumentatie – roept bij mij grote twijfel aan de waarachtigheid van partijen op.

Terwijl de ene na de andere gemeente – of regio van samenwerkende gemeenten – melding maakt van commitment voor een gedeelde visie op en gezamenlijke planning van de overdracht en omvorming, suggereren koepelorganisaties en vakbonden massale vrees voor diezelfde overheveling. En alle partijen hanteren daarbij hetzelfde odium: “Met de zorg voor kwetsbare jeugd mag je geen enkel risico nemen.” Waarbij organisaties die op het ene moment klagen over de ‘gijzeling door incidentenpolitiek’ diezelfde incidenten gebruiken om hun gelijk te onderbouwen. Organisaties die schande spreken over de overvloed aan hulpverleners bij een en dezelfde casus krokodillentranen huilen als er gesproken wordt over een mogelijk banenverlies als gevolg van de overdracht en omvorming van de zorg voor jeugd.

De zorg voor jeugd die in Nederland onverantwoord complex georganiseerd en hopeloos gefragmenteerd is. De professionals krijgen daardoor niet voor elkaar wat nodig is voor kinderen. Juist door gebrek aan commitment van (hun) organisaties. Over die conclusie – verbonden aan de evaluatie van de Wet op de Jeugdzorg – was iedereen het eens. Totdat…de eigen belangen in het geding kwamen en komen. Een (telefonische) gesprekspartner van mij vertelde het mij afgelopen vrijdagochtend (21 juni 2013) onomwonden naar aanleiding van een artikel in een landelijk ochtendblad: “Ik doe mee aan de actie, maar wel onder een andere naam. Want als de lobby misloopt moet mijn eigen organisatie er geen last van hebben”. Waarop ik mijn gesprekspartner aansprak op de onwaarachtigheid van die opstelling. “U bent,” zo stelde ik – “met de beste bedoeling wellicht – te veel bezig met uzelf en uw eigen belangen.”

Het is, zoals Erik Gerritsen, Bestuursvoorzitter van het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, eerder deze week in een interview opmerkte: “De mensen die het werk doen, moeten de oplossing bedenken. Het moet vanuit de leefwereld komen. Dan heb je een duurzame oplossing.”

De gevestigde orde heeft het met de daarvoor gevraagde c.q. noodzakelijke verandering overduidelijk lastig. Zij beschouwen het proces van overdracht en omvorming als een ‘lineair’ project. Zij hebben een concept en willen dat (projectmatig) gerealiseerd zien. Terwijl het proces waarin wij nu zitten geen gesloten systeem of project is. Net zomin als opvoeden zelf overigens. Wij hebben te maken met een beweeglijke, onvoorspelbare omgeving, waarin zich onvoorspelbare processen afspelen. Het gaat daarbij om vraagstukken die als kenmerken hebben: ongestructureerdheid, verbondenheid met veel partijen en dynamiek (probleemdefinities en percepties van oplossingen verschuiven in de tijd).

De projectmatige aanpak leent zich prima voor het beheersen van de ‘binnenkant’ van het gesloten systeem. Maar voor het begrijpen van de context en het besturen van de omgeving is een procesmatige benadering gewenst. De daarbij behorende interactie vraagt om voortdurende beweging en perspectiefwisseling. En acceptatie van een (bovendien beoogd) verschuivend machtscentrum.

De centrale gedachte bij de omvorming van de zorg voor jeugd is een proces dat start met een idee en vervolgens op gang komt door een uitwisseling van feiten en cijfers (factoren) enerzijds en meningen of inzichten (afkomstig van actoren) anderzijds. Dit vraagt meerdere malen na elkaar het nemen van de stappen van ruimte scheppen en ruimte invullen. Die benadering sluit aan bij de reactie van André Rouvoet, oud-minister van Jeugd en Gezin op alle commotie: “Eventuele knelpunten zijn het resultaat van maatwerk, waar het juist om te doen is.” Om vervolgens, hoewel hij benadrukte niet te spreken als voorzitter van Zorgverzekeraars Nederland, zelf ook weer dubbelhartig op te merken dat hij bezorgd is over het overhevelen van de jeugd-GGz. “Niet alleen als het gaat om het budget voor het werk, ook omdat ik bang ben dat het in gemeenten ontbreekt aan kennis van de geestelijke gezondheidszorg voor jongeren.”

De dubbelhartigheid waarmee de verschillende actoren bij de stelselwijziging zich deze week uitspraken staat in schril contrast met het commitment aan de stelselwijziging dat alle betrokken partijen eerder uitspraken. Zo kopt een verslag van de Jeugdpoortbijeenkomst op 28 maart 2011 nog: “Brancheorganisaties positief over stelselwijziging.” In hetzelfde verslag verklaart vice-voorzitter Johan Brongers vn de MOgroep nog dat “teveel hulpverleners per gezin ineffectief is” en zegt Hans Kamps, voorzitter van Jeugdzorg Nederland: “Het integrale karakter wordt beklemtoond. Behoud dat!”

Dat enthousiasme – (toen) nog niet overwoekerd door eigen belang – ontmoet ik welhaast dagelijks bij professionals en directeuren in de uitvoeringspraktijk. Behoud dat!

Hoewel ik ervan uitga dat het niet zo bedoeld is, geeft de deze week opgelaaide discussie over tempo en inhoud van de stelselwijziging voor de zorg voor jeugd toch minstens de schijn van gedrag dat kinderen tijdens of na een scheiding kunnen vertonen: manipuleren. Ik herinner daarom alle betrokkenen graag en van harte aan de valkuil die professionele opvoeders ouders en opvoeders vaak voorhouden: de machtsstrijd. Even afstand nemen is wenselijk. Overwegen wat je wilt bereiken, wat je werkelijke motieven en belangen bij de situatie zijn. En er over praten. Om dingen helder te krijgen. Probeer de ander eens te begrijpen!

Zo even stilstaan kan een ander zicht geven op de situatie en op het gedrag van de ander én van jezelf. Het besef dat veranderen er niet alleen voor anderen is kan daarbij erg helpend zijn. Zo goed als de acceptatie van het feit dat de keus om de zorg voor jeugd primair bij gemeenten neer te leggen impliceert dat zij hun keuzen moeten en mogen maken.

Galerij

Hier ligt een mooie taak – geld speelt geen rol

De voldoening die je mag ontvangen na de prestatie is de brandstof die je nodig hebt bij het verder gaan.

“Zoals kapitaalgoederen refereren naar fysieke objecten en menselijk kapitaal naar de mogelijkheden van individuen, verwijst sociaal kapitaal naar de relaties tussen individuen, sociale netwerken en de normen van wederkerigheid en betrouwbaarheid die zich tussen hen voordoen. In die betekenis is sociaal kapitaal hoogst verwant met wat sommigen de ‘burgerlijke deugden’ noemen. Het verschil is dat ‘sociaal kapitaal’ verwijst naar burgerlijke deugden die ingebed zijn in een netwerk van sociale relaties gebaseerd op wederkerigheid. Een gemeenschap van deugdzame maar geïsoleerde burgers is niet noodzakelijk rijk aan sociaal kapitaal” (Robert Putnam, Bowling Alone, p. 19).

Het valt niet mee de zorgkosten in toom te houden. Wie hier snijdt, ziet elders de kosten stijgen. En vice versa. Hoe kan slim worden bezuinigd in de zorg? Niet door minder uit te geven. Dat is ‘klein bier’. Waarbij bovendien het waterbedeffect dreigt: als je hier drukt, doet het elders zeer! Slim bezuinigen kan wel door perverse prikkels te vervangen door effectieve prikkels. Of, beter nog, door je niet te richten op kosten reductie, maar vergroting van het rendement. En daarbij doel ik niet op het rendement op ‘hard’ kapitaal, maar op de exploratie van het sociaal kapitaal.

Sociaal kapitaal wordt ook wel omschreven als ‘de hulpmiddelen die in een gemeenschap aanwezig zijn om de gezins- en sociale organisatie vorm te geven.’ Deze hulpmiddelen vinden hun voedingsbodem in acties zoals gemeenschapsactiviteiten, sociale steun en participatie. Belangrijke elementen van sociaal kapitaal zijn de kwaliteit van sociale relaties, groepslidmaatschap, formele en informele netwerken, gedeelde normen, vertrouwen, wederkerigheid en inzet voor de gemeenschap.

Met sociaal kapitaal duid ik op sociale netwerken, en de normen en het vertrouwen die mensen op basis hiervan ontwikkelen. Vertrouwen in en jegens elkaar verlaagt de transactiekosten, de kosten van complexe contracten, verzekeringen en rechtsbijstand. En er is sprake van een (groot) zelfreinigend vermogen: eventuele voordelen, verkregen door oneerlijke praktijken, werden tenietgedaan door uitsluiting. Een ander voorbeeld zijn de onderwijsprestaties van kinderen. Die zijn niet alleen afhankelijk van zijn of haar talent en de inzet van leerkrachten. Ook het sociaal kapitaal waarover het kroost en het gezin beschikken spelen een rol: de relaties met medeleerlingen, de betrokkenheid van ouders bij de school, en de sociale contacten tussen ouders, leerlingen en docenten.

Sociaal kapitaal is volgens mij het betere middel om onze hedendaagse maatschappelijke ambities te verwezenlijken. Het is bovendien een schier onuitputtelijke hulpbron bij het zoeken naar oplossingen voor de gezamenlijk ervaren uitdagingen.

Jarenlang is het sociaal kapitaal in al zijn verschijningsvormen aan het afnemen. Dit is volgens mij vooral te wijten aan de gevolgen van een samenleving waarin angst en onzekerheid heerst. En daardoor wantrouwen. Jegens elkaar en jegens het politieke etablissement. En daarmee ook is de economische crisis – en in het bijzonder de daaruit voortvloeiende reflex van kostenbesparing – die angst en onzekerheid aanjaagt, ook een bedreiging voor de opgave waarvoor wij staan.

Wil ik dan terug naar ‘die tijd van vroeger’? Niet noodzakelijkerwijs. De verander(en)de wereld biedt ook nieuwe mogelijkheden. Social media als Facebook en LinkedIn bieden hedendaagse – en wereldwijde – mogelijkheden tot ontmoeting. Dialoog, conversatie en het bieden van omgevingen waarin mensen kunnen samenwerken en samenkomen leidt tot een versterkt gevoel van ‘meedoen en meetellen’. En dat heeft – zo leert eveneens onderzoek – een directe weerslag op het individuele welbevinden en de gezondheid van mensen. Het vergroot de mogelijkheden om zware sociale problemen te lijf te gaan en educatie en gezondheidszorg te verbeteren.

Maar ook een programma als ‘Cash op zolder’ biedt een interessante leerschool. In dit AVRO-televisieprogramma bezoekt presentator Art Rooijakkers mensen die hun persoonlijke spullen willen verkopen via een veiling om een wens te realiseren. Daarbij draait het om begrippen als ‘waarde’, ‘verkopen’ en ‘overtuigen’. Om goed te overtuigen zijn er meerde elementen van belang, maar reciprocity, ofwel wederkerigheid, is de eerste. Het programma appelleert precies op dat waar het bij ‘eigen kracht’ om gaat: wat is de vraag, wat ga en kun je er zelf aan doen en wat heb je er zelf voor over. En dan komt de omgevng in beweging.

Zijn er dan geen kanttekeningen te plaatsen? Zeker wel. Net als het financieel kapitaal is ook het sociaal kapitaal ongelijk verdeeld. En het samenbindend sociaal kapitaal (bonding social capital) lijkt ook meer mogelijkheden te bieden dan het overbruggend sociaal kapitaal (bridging social capital). Bij de eerste variant gaat het om sociale netwerken van mensen die op elkaar lijken. Overbruggend sociaal kapitaal heeft betrekking op sociale relaties tussen mensen die juist in allerlei opzichten van elkaar verschillen.

Het krijgen van hulp lijkt een sterk positief verband te hebben met het geven van hulp. Dit leidt tot een positiever verband tussen bonding sociaal kapitaal, mental health en levenstevredenheid. Bridging sociaal kapitaal en affiliatie (met de buurt en met de vereniging) lijken doen dat – volgens onderzoekers – minder.

De effecten van sociaal kapitaal zijn dus niet vanzelfsprekend. Samenbindend sociaal kapitaal kan bijvoorbeeld ook leiden tot het stellen van buitensporige eisen aan elkaar. Of een schaduwwereld waarin gedragsregels gelden die op gespannen voet staan met die van de rest van de samenleving. De maffia bijvoorbeeld.

In de strips van Marten Toonder is het bezoeken van de Kleine Club een van de eerste dingen die heer Olivier B. Bommel steeds weer doet als de problemen hem boven het hoofd dreigen te groeien. Daar treft hij de andere notabelen van Rommeldam, en hij vertrouwt erop dat de leden van de Kleine Club het aan hun stand verplicht achten hem met raad en daad bij te staan. Dit soort old boys networks functioneert niet alleen door de gezelligheid, het samen weten te waarderen van een goed glas wijn. Ze kunnen ook als een krachtig selectiemechanisme werken bij stijging en daling op de sociale ladder.
Tegen de verantwoordelijke bestuurders – van ministers tot wethouders en van directeuren tot managers – zeg ik (daarom): weersta de organisatiereflex. Doe als Heer Bommel. Ga op het schoolplein, in de plaatselijke kroeg, de sportkantine of de supermarkt in gesprek met uw burgers. Leg hen uw probleem voor en luister naar hun antwoorden. Ze kunnen ook als een krachtig selectiemechanisme werken bij het maken van de juiste keuzes. Sociaal kapitaal helpt iemand vooruit. Dat wist heer Bommel al.

Sociaal kapitaal ontstaat wanneer mensen individueel en collectief vaardigheden verwerven en (van elkaar) gebruiken. Bijvoorbeeld door het deelnemen in sociale netwerken of (jawel, terug naar de) ruilhandel. Uit de literatuur blijkt dat het geven van hulp samenhangt met het krijgen van hulp.

De werkelijke potentie van sociaal kapitaal is nog onvoldoende bekend. Toch kan dit concept, naast het vergroten van de werking van opbrengstgericht werken, de mogelijkheid bieden om de kwaliteit van onze samenleving te vergroten. Het kan de leefsituatie uitdagender te maken en tegelijkertijd de ‘harde’ kosten verlagen. Niet door simpelweg te bezuinigen, maar door opbrengstmaximalisatie van het ‘zachte’ kapitaal.

Tot slot: weet dat wederkerigheden vrijblijvend moeten zijn om effect te hebben. We geven en nemen al op natuurlijke basis. De een neemt, of geeft juist, wat meer dan de ander. Dit hoeft naar mijn mening niet in balans te zijn; als jij wat meer geeft, en je voelt je daar goed bij, en je ontvangt in mindere mate dan kan dat voor jouw gevoel toch veel toegevoegde waarde opleveren. Maar hier schuilt ook meteen het gevaar: het idee om sociaal kapitaal te ‘gebruiken’ roept als snel negatieve reacties op. De gedachte van misbruiken, manipuleren, eigenbelang etc kan dan opkomen. Mensen voelen het wanneer er iets van hen terug verwacht wordt, wat averechts kan werken. Met alleen het principe van wederkerigheid kom je er dus niet, het toevoegen van de andere elementen die nodig zijn voor overtuiging is de sleutel naar succes. De uitdaging waarvoor wij daarbij staan is er voor te zorgen dat iedereen kan meeprofiteren van de (succesvolle) maatregelen.

Galerij

Een boom groeit niet door aan de takken te trekken…

• Wil je het zichtbare veranderen dan moet je het onzichtbare stimuleren en voeden (Carl van der Velde), maar claim mij niet!

“Je gaat het pas zien als je het door hebt.” Die uitspraak van Cruijff sprong mij afgelopen zaterdag in het hoofd. Ik zat aan de campingbar van mijn tijdelijke verblijf in Frankrijk. Op Nederland 1 deed een dame verslag van een onderzoek onder mantelzorgers. Uit dat onderzoek zou blijken dat Nederlanders niet bereid zijn om meer zorgtaken op zich te nemen. Op dat moment drong het tot mij door: Stelseldenkers zien mantelzorg als een methode. En mantelzorg is alles, behalve een methode. Het is een houding. Gebaseerd op gelijkwaardigheid en wederkerigheid. Op passie voor en betrokkenheid op mensen in je eigen omgeving.

Mantelzorg is geen beleidsgebabbel van bovenaf, maar het benutten en mogelijk maken van de authentieke drang van mensen om de samenleving in co-creatie een stukje mooier te maken. Dat heet ‘gebruik maken van de kracht van de samenleving’. Door natuurlijke (sociale) steunbronnen te exploreren. Mantelzorg doen wij je uit liefde en mededogen. Dat ervoer ik zelf de afgelopen week. In het klein én in het groot. Rond het sterfproces van de (schoon-)vader van mijn zoon en schoondochter zowel als rond het geboorteproces van een zoontje van een collega. Of aan de explosie van medemenselijkheid op de Alpe d’HuZes.

Mantelzorg gaat over de (ver) houding van mensen jegens elkaar. Waarbij mensen heel goed weten wat ‘omzien naar elkaar’ en ‘er zijn voor elkaar’ betekent. Voor henzelf en – juist daardoor – voor de ander. Het is geen opdracht en geen plicht. Maar een soort van vanzelfsprekendheid. Waar nodig en mogelijk ben je – soms stilzwijgend, soms door wanhoop of stille paniek gedreven – tot “hand en voet” en “oog en oor” met en voor de ander. En de notie dat je – waar nodig – een beroep kunt doen op je omgeving. Zo maken wij optimaal gebruik van elkaars krachten. Niet, omdat het moet.

Mantelzorg gaat over ‘een brug slaan tussen mensen die iets te bieden hebben en mensen die daarmee geholpen kunnen worden’. Denk bijvoorbeeld aan klussen in huis (waar iemand het zelf door omstandigheden niet kan), het schoonmaken van een huis, iemand helpen die erg vereenzaamd is, koken voor dak- en thuislozen, enz. Zo zijn er veel manieren om een ander te steunen. Mantelzorg is niet iets wat je bedenkt. Dat doe je gewoon. Met hart en ziel. En ja, dat kan je wel eens over de schoenen lopen.

Mantelzorg is zo in de loop der tijden uitgegroeid tot de basis van ons zorgstelsel. En ja, dat zorgstelsel is verziekt. Maar niet door de mantelzorgers. Ik wil geen arm om mij heen van iemand die het alleen maar doet, omdat ‘het moet’. Ik wil niet voor mijn buurman of diens kinderen zorgen omdat ‘het moet’. En juist dat is wat de overheid nu dreigt te doen. Iets wat vanzelfsprekend is annexeren als onderbouwing voor een grondige verbouwing van een verziekt en onbetaalbaar geworden zorgstelsel.

Ik deel de opvatting dat ons zorgstelsel verziekt is. En om een grondige verbouwing vraagt. Maar niet door ook de fundamenten te slopen. Want dat is wat we deden met de vercommercialisering van allerlei vanzelfsprekendheden in de omgang tussen mensen. Zoals met het via de AWBZ verlonen van boodschappendiensten en wat dies meer zij.

Zorgen voor elkaar wordt steeds belangrijker in onze samenleving. De huidige ontwikkelingen in de Nederlandse zorg- en welzijnssector vragen om een vernieuwende aanpak. Out-of-the-box – al spreek ik liever over ‘in the box‘ – oplossingen, die ervoor zorgen dat mensen de zorg en ondersteuning krijgen die ze verdienen. Of het nu gaat om een oudere die gezelschap vindt in de vorm van een vrijwilliger of een moeder die professionele begeleiding zoekt voor haar gehandicapte kind. Zo dragen wij allemaal ons steentje bij aan een zorgzame samenleving in Nederland.

Herstel van de eigen autonomie en van het gewone leven is eerder en beter te bereiken door meetellen en meedoen mogelijk te maken. Kansen te benutten dus. Dat vraagt om te beginnen om een andere rol van de overheid. Zij moet niet langer de rol van regisseur voor zichzelf opeisen. Niet, als zij tezelfdertijd het ‘eigen kracht’ denken propageert. ‘Eigen kracht’ verondersteld dat de regie bij de inwoners zelf ligt. Daarbij heeft de overheid als ‘terreinknecht’ een ‘mogelijk makende’ rol. Draagt zij draagt voor het in goede conditie zijn van het speelveld. Maar laat zij het spel over aan de spelers zelf. Dat is nodig en gepast.

Die omslag in het denken en doen – van probleemgestuurd naar kansgestuurd, van zorgen voor naar zorgen dat – is niet zomaar gemaakt. Het vergt van zorgaanbieders, verzekeraars, ambtenaren, bestuurders en ook van onszelf een andere attitude. Niet ‘waar heb ik recht op’, maar ‘wat is er nodig’. En daarbij moeten wij af van ‘premies’ op problemen.

Inzet van eigen mogelijkheden – voor jezelf, familie en vrienden, de buurt en het dorp – doe je door aan te sluiten op wat mensen wel kunnen en hen (beter) te betrekken bij de samenleving. Dat doe je als overheid door mensen aan te spreken op hun talenten. Niet door de verantwoordelijkheid over de schutting te gooien. Klaar staan voor elkaar regel je niet door het op te leggen. Een boom groeit ook niet door aan de takken te trekken, maar door de wortels water te geven. Niet verkeerd begrijpen hoor. Ik doe alles voor degenen van wie ik houd, en mensen die dat – ook ongevraagd – nodig hebben. Maar claim mij niet.